Bijlage 4 Bestemmingsplan ‘Knibbelweg-Oost’, Regels A23.000461
Tekst van het document
opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; e. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; f. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn en tot 3 meter erachter; g. de opslag en verkoop van vuurwerk; h. het plaatsen van reclameobjecten (zuilen en/of borden). 9.4 Afwijking aan-huis-verbonden bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9 lid 1 onder a, teneinde de uitoefening van een aan-huis-verbonden bedrijf of een aan– huis–verbonden bedrijfsmatige activiteit in het hoofd- of bijgebouw, met dien verstande dat: a. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft; b. bedoeld gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt; dit betekent onder meer dat: 1.
geen omgevingsvergunning wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijvigheid, dat onder de werking van bijlage I onderdeel B of C van het Besluit omgevingsrecht (Bor) valt, tenzij het desbetreffende gebruik door middel van het stellen van voorwaarden verantwoord is;
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
29
2. de aard van het gebruik in overeenstemming moet zijn met het woonkarakter in de omgeving; 3. het gebruik de woonfunctie moet ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is; c. het gebruik geen verkeersaantrekkende werking heeft die kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten; d. het parkeren zoveel mogelijk op eigen terrein dient plaats te vinden; e. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd een beperkte verkoop in het klein in verband met bedrijfsmatige activiteiten in of bij het hoofdgebouw; f. ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep of aan-huis-verbonden beroepsmatige bedrijfsactiviteit en/of een aan-huis-verbonden bedrijf of aan-huis-verbonden bedrijfsmatige activiteit in gebruik mag zijn, zulks tot maximaal 70 m². 9.5 Afwijking – mantelzorg 9.5.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in 9.3, sub b ten behoeve van het gebruik van een bijgebouw als afhankelijke woonruimte, mits: a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit het oogpunt van mantelzorg; b.
het gebruik geen onevenredige aantasting van het woongenot van omwonenden oplevert, noch leidt tot beperkingen in de bedrijfsvoering van naburige bedrijven; c. de afhankelijke woonruimte binnen de bebouwingsregeling als bedoeld in 9.2 wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 70 m²; d. mantelzorg aantoonbaar van tijdelijke aard is en dat de aanpassingen omkeerbaar moeten zijn. 9.5.2 Nadere informatie Burgemeester en wethouders winnen voorafgaande aan de afwijking nadere informatie bij verzoeker in, die zeker moet stellen dat er zorgbehoefte is, inclusief het feit dat deze naar haar aard tijdelijk is. 9.5.3 Eindigheid Burgemeester en wethouders stellen bij de afwijking nadere eisen die gericht is op eindigheid en intrekking van de afwijking, zodra de bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
30
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 10 Anti-dubbeltelregel Grond, die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 11 Algemene bouwregels 11.1 Parkeren 11.1.1 Parkeernormen Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en/of het wijzigen van de functie van gebouwen en/of gronden wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw en/of gronden in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij gelden de parkeernormen uit de 'Beleidsnota Parkeernormen' (zie Bijlage III bij deze regels) Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, dient getoetst te worden aan diens rechtsopvolger. 11.1.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 11.1.1 is niet van toepassing indien ten tijde voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan in afwijking van de parkeernormen uit de 'Beleidsnota Parkeernormen' (zie Bijlage III bij deze regels) reeds andere parkeernormen zijn afgesproken, zoals blijkend uit een raadsbesluit, collegebesluit of contractuele overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelende partij. 11.1.3 Afwijken Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 11.1.1: a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; b.
voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien. 11.1.4 Laden en lossen Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Hierbij wordt uitgegaan van de ASVV 2012 van het CROW. 11.2 Ondergrondse werken 11.2.1 Bouwen ondergronds Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken, die niet aangemerkt kunnen of zullen worden als woonruimten/-vertrekken, gelden voor zover in de bestemmingsregels als bedoeld in hoofdstuk 2 hieraan geen basiseisen zijn geformuleerd, de volgende bepalingen: a. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
31
b. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²; c. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding (bergbassin) of gietwaterbassin tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden; d. bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen; e. in aanvulling op het bepaalde in sub a en sub b is maximaal één niet-overdekt zwembad per bouwperceel toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. een zwembad dient te worden gebouwd achter de achtergevel of achtergevellijn en op een afstand van ten minste 3 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens; 2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen in acht wordt genomen; 3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut; 4. bij het berekenen van de blijkens de digitale verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of van het in deze regels maximaal te bebouwen oppervlak, wordt de oppervlakte van ondergrondse gebouwen mede in aanmerking genomen.
11.2.2 Afwijken Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 11.2.1 sub c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat: a. de waterhuishouding niet wordt verstoord; 11.2.3 Advies Voorafgaande aan het verlenen van een omgevingsvergunning wordt advies ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. 11.3 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten 11.3.1 Maximale maatvoering In die gevallen dat afstanden tot en/of bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden. 11.3.2 Minimale maatvoering In die gevallen dat afstanden tot en/of bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
11.3.3 Heroprichting In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 11.3.1 en 11.3.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
32
11.4 Vloerpeilen Ter bescherming van nieuwe gebouwen gelden, in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2, de volgende bepalingen: a. ter voorkoming van wateroverlast dient het vloerpeil van de bebouwing te liggen op een hoogte van 1,20 meter boven zowel het door het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard gehanteerde zomerpeil als toekomstige peil in het/de peilgebied(en) binnen dit plan; b. in het belang van de waterveiligheid binnen het plangebied mag de aanleghoogte van woonbebouwing niet minder bedragen dan NAP –5,00 meter; c. in afwijking van het bepaalde in sub b mogen ruimten die volgens de wettelijke regelingen niet aangemerkt kunnen of zullen worden als woonruimten/-vertrekken zich onder het NAP –5,00 meter niveau bevinden; d. burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub b voor een afwijkende normering, mits de waterveiligheid is gewaarborgd en vooraf het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard schriftelijk heeft ingestemd met een afwijkende normering. 11.5 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de verbeelding en de bepalingen in hoofdstuk 2, uitsluitend worden overschreden door: a.
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda’s en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2,50 meter bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding niet meer dan 2 meter bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt. 11.6 Afdekking Voor zover in deze regels geen bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de afdekking van gebouwen, mogen deze gebouwen zowel met een kap als plat worden afgedekt. 11.7 Dakterras Ten behoeve van het realiseren van een dakterras is voor de daktoegang op het dak een gebouwde voorziening toegestaan, met een oppervlak van maximaal 4 m² en een hoogte van maximaal 3 meter. Deze voorziening dient minimaal 1,50 meter uit de dakrand te liggen. Een hekwerk dient minimaal 1 meter uit de dakrand te staan met een hoogte van maximaal 1,50 meter. 11.8 Omgevingsvergunning voor het bouwen Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt uitsluitend verleend indien bij de aanvraag is aangetoond dat wordt voldaan aan de eis dat de mechanische ventilatie in geval van een calamiteit centraal (bijvoorbeeld via brandmeldpaneel) kan worden uitgeschakeld, ter voorkoming van het naar binnen zuigen van giftige (rook)gassen.
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
33
Artikel 12 Algemene gebruiksregels 12.1 Algemene gebruiksregels Het is verboden de in de artikelen 3 tot en met 12 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de doeleinden. 12.2 Afwijking Burgemeester en Wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 12.1, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
Artikel 13 Algemene aanduidingsregels 13.1 Geluidzone – spoor 13.1.1 Regelgeving Bij de uitvoering van het plan dienen voor het bouwen van woningen (nieuwbouw of herbouw) en de aanleg van geluidgevoelige terreinen de voorkeursgrenswaarden van 55 dB en voor de realisering van andere geluidgevoelige bestemmingen de voorkeursgrenswaarden van 53 dB vanwege het spoorwegverkeer te worden gerespecteerd. 13.1.2 Afwijking In afwijking van het bepaalde in 13.1.1 mogen woningen en andere geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd, indien geheel of gedeeltelijk op de woningen of andere geluidsgevoelige objecten geen grenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder van toepassing zijn (zoals bijvoorbeeld het geval is bij de z.g. 'dove gevel') dan wel een hogere grenswaarde is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag. 13.2 Geluidzone - weg 13.2.1 Regelgeving Bij de uitvoering van het plan dienen voor het bouwen van woningen (nieuwbouw of herbouw) of andere geluidsgevoelige objecten de voorkeursgrenswaarde vanwege het wegverkeer, volgens het bepaalde in de Wet geluidhinder te worden gerespecteerd.
13.2.2 Afwijking In afwijking van het bepaalde in 13.2.1 mogen woningen en andere geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd, indien geheel of gedeeltelijk op de woningen of andere geluidsgevoelige objecten geen grenswaarden ingevolge de Wet geluidhinder van toepassing zijn (zoals bijvoorbeeld het geval is bij de z.g. 'dove gevel') dan wel een hogere grenswaarde is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag. Bij de bepaling van de benodigde gevelwering dient rekening gehouden te worden met de gecumuleerde geluidsbelasting, zoals aangegeven in de rapportage in bijlage VII Wegverkeerslawaai bij de toelichting van dit bestemmingsplan. 13.3 Veiligheidszone - leiding - gas 13.3.1 Bouwregels Op de gronden gelegen binnen de aanduiding 'veiligheidszone - leiding - gas' is binnen de bestemmingen 'Bedrijventerrein’ en ‘Bedrijventerrein – Logistiek’ vestiging van functies of objecten
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
34
voor 'zeer kwetsbare groepen' niet toegestaan, behoudens waar het betreft bestaande vestigingen van functies of objecten voor 'zeer kwetsbare groepen'. 13.3.2 Afwijking van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.3.1 voor de vestiging van 'zeer kwetsbare groepen' binnen de aanduiding 'veiligheidszone leiding - gas', indien: a. voorzien wordt in voldoende bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen voor de brandweer; b. voorzien wordt in verschillende aanrijdroutes (keuze route is afhankelijk van windrichting); c. voorzien wordt in voldoende mogelijkheden voor ontvluchting van objecten; d. voorzien wordt in een goede ontvluchting door optimale inrichting/ontsluiting van de openbare ruimte; e. in het bouwplan voorzien wordt in een centrale afgrendeling van het circulatiesysteem of andere maatregelen aan nieuwe gebouwen of specifieke bestaande gebouwen die veel mensen huisvesten om de schuilmogelijkheden in geval van een toxisch gas te vergroten; met dien verstande dat: f. er voldoende aandacht is voor risicocommunicatie en het voorbereiden/oefenen van bewoners/werknemers op het handelen bij een calamiteit. g. een omgevingsvergunning niet eerder wordt verleend dan nadat een advies van de brandweer is verkregen.
13.4 Stikstofdepositie - natuurgebieden 13.4.1 Begrenzing stikstofdepositie per functie Ter plaatse van de functieaanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch – stikstof’ en ‘specifieke vorm van bedrijventerrein – stikstof’ mag de stikstofdepositie als gevolg van emissies door de diverse aanwezige functies en activiteiten niet meer bedragen dan de in ‘Regeling stikstof’ in Bijlage IV bij deze regels opgenomen emissie- en depositieruimte voor de betreffende functie en percelen op de in de bijlage aangegeven beoordelingsplaatsen. 13.4.2 Afwijking van de bouw- en gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 13.4.1 voor de stikstofdepositie voor een functie, indien de totale depositie vanuit het plangebied op de beoordelingspunten niet toeneemt met meer dan 0,00 mol/ha/j. Indien het herverdelen van stikstofdepositie tussen functies nodig is, wordt artikel 15.3 toegepast.
Artikel 14 Algemene afwijkingsregels 14.1 Afwijking algemeen Indien niet op grond van een andere bepaling van de regels een omgevingsvergunning voor afwijken van het plan kan worden verleend, kunnen burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van/voor: a. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, mits het afwijkingen van geringe betekenis betreft ten behoeve van de praktische uitvoering van het plan, waarbij: 1. geen wijziging wordt aangebracht in de ligging van de as van de weg die is vermeld; 2. geen belangen van derden worden geschaad;
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
35
b.
c.
d.
e.
f.
g.
h.
i.
j. k.
l.
3. de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geeft; 4. de aanpassing niet leidt tot overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dan wel de hogere grenswaarde op enig geluidgevoelig object; de bestemmingsbepalingen en toestaan dat de vorm van het bouwvlak voor zover zulks bij de definitieve uitmeting, bij de verkaveling of bij de nadere detaillering noodzakelijk en/of wenselijk is, mits de genoemde afwijkingen niet meer dan 10% bedragen en de grenzen van het bouwvlak ten hoogste 5 meter worden verschoven; de maximale hoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien dat voor gebruik of efficiëntie nodig en/of wenselijk is, mits de genoemde afwijking niet meer dan 10% bedraagt van de maximale bouwhoogte. de hoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in verband met het bouwen op een hoger peil met ten hoogste 1 meter, teneinde: 1. de hoogte van de begane grondvloer in overeenstemming te brengen met de omringende bebouwing; 2. voldoende drooglegging te creëren ten opzichte van de grondwaterspiegel; de bestemmingsbepalingen voor het oprichten van bouwwerken geen gebouwen zijnde, ten dienste van het telecommunicatieverkeer – waaronder begrepen antennes en zend- en ontvangstmasten en/of sirenemasten, al dan niet van openbare orde tot ten hoogste 40 meter; wat betreft zend- en ontvang- en/of sirenemasten als bedoeld onder d.
gelden nog de volgende voorwaarden: 1. losse masten met hekwerken, gebouwtjes e.d. zijn alleen toegestaan in landschappelijk minder gevoelige gebieden, langs verkeerswegen en dan bij voorkeur bij parkeerplaatsen, benzinestations, knooppunten, viaducten alsmede op bedrijventerreinen; 2. installaties op of aan een gebouw zijn alleen toegestaan: - op gebouwen met een hoogte van tenminste 15 meter; bij voorkeur op een plat dak en zo ver mogelijk van een dakrand; - tegen gevels aan; wanneer de invloed van die installaties geen afbreuk doen aan de aanwezige kwaliteiten; de bestemmingsbepalingen voor de situering, aanleg of bouw van geluidwerende voorzieningen, tot maximaal de voorgeschreven hoogte zoals deze op basis van regelgeving is bepaald c.q.
conform de daarop gebaseerde besluitvorming is vastgelegd; het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter wering van geluidhinder anders dan aangegeven onder f, luchtverontreiniging, brand- en explosiegevaar, mits de hoogte ten hoogste 6 meter bedraagt; het realiseren van voorzieningen ten behoeve van de verkeers- en waterinfrastructuur alsmede de waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie, waaronder in elk geval begrepen (riool)gemalen; het realiseren van visstoepen, te waterlaatplaatsen voor vaartuigen, waterinnamepunten ten behoeve van brandweer en landbouw en daarmee gelijk te stellen voorzieningen; overschrijdingen van de krachtens de bepalingen in dit plan toegelaten hoogte van bouwwerken, voor de bouw van dakopbouwen voor technische installaties, zoals liftopbouwen, ventilatie-installaties en soortgelijke bouwwerken, die anders hun functie niet kunnen niet vervullen; het plaatsen van vrijstaande reclameobjecten (zuilen en/of borden) met een maximale bouwhoogte van 10 meter, mits hierover een positief advies wordt afgegeven door een stedenbouwkundige aangaande de inpassing in de omgeving. Het is uitsluitend toegestaan om borden, zuilen of letters aan te lichten. Het verlichten van borden, zuilen of letters van binnenuit of het gebruik van lichtbakken is niet toegestaan.
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
36
14.2 Voorwaarden Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1 mag slechts worden verleend als daardoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. het landschapsbeeld; c. de woonsituatie; d. de milieusituatie; e. de verkeersveiligheid; f. de sociale veiligheid; g. de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en bouwwerken. 14.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen bij de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1 nadere eisen (voorwaarden) stellen teneinde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing ten opzichte van de omgeving te waarborgen, ten aanzien van: a. de situering van bouwwerken; b. de situering van parkeervoorzieningen; c. de hoogte van bouwwerken; d. de situering, aard en omvang van werken, geen bouwwerken zijnde.
Artikel 15 Algemene wijzigingsregels 15.1 Wijziging algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), ten behoeve van: a. overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter niet meer dan 5 meter bedragen en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot; b. het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bestemmingsgrenzen en/of andere grenslijnen en aanduidingen ten behoeve van de praktische uitvoering van het plan met dien verstande dat de afwijking ten hoogste 5 meter mag bedragen, mits het wijzigingen betreft waarbij geen belangen van derden worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of anderszins een meetverschil of indien de situatie ter plekke daartoe aanleiding geeft; c.
het wijzigen van de in dit plan geformuleerde uitwerkings- en/of wijzigingsbepalingen betreffende het te realiseren % aan water in de uit te werken plandelen of te wijzigen plandelen (wijzigingsbevoegdheid), indien dit op basis van de op dat moment geldende klimaatscenario's noodzakelijk wordt geacht voor vaststelling van het uitwerkingsplan of wijzigingsplan; d. een andere situering en/of begrenzing van de bouwpercelen, dan wel bouwvlakken, bouwzones, bouwgrenzen en/of andere aangeduide zones, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken, dat de verschuivingen in verband met de ingekomen bouwaanvragen nodig zijn ter uitvoering van een bouwplan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, dan wel bebouwingsvlak met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd;
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
37
met dien verstande dat: e. de verwerkelijking van de in het plan begrepen gronden dient gewaarborgd te zijn. Dit betekent dat de bestemmingen door de wijziging niet onevenredig mogen worden aangetast. f. de wijziging mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 15.2 Wijziging – Staat van bedrijfsactiviteiten Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in Bijlagen I en II te wijzigen, ten behoeve van het toevoegen en/of schrappen van soorten bedrijven en/of het veranderen van de categorie-indeling van bedrijven, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten ten aanzien van de milieugevolgen van bedrijven hiertoe aanleiding geven. 15.3 Wijziging – Regelgeving en stikstofverdeling Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), ten behoeve van het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen of grenswaarden, indien deze wettelijke regelingen of grenswaarde na het tijdstip van tervisielegging van het ontwerp van het plan worden gewijzigd.
Deze bevoegdheid geldt ook als het gewenst is de stikstofruimte of de verdeling van de stikstofemissie binnen een bestemming of tussen bestemmingen te wijzigen, inclusief de bijlage bij deze regels inzake stikstofdepositie, binnen het kader van de Wet natuurbescherming. 15.4 Wijziging – Normstelling Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het plan te wijzigen indien dit uit stedenbouwkundig oogpunt noodzakelijk is en voor zover zulks het belang van een goede ruimtelijke ordening niet schaadt, en voor zover niet reeds voorzien in de regels, door het afwijken van de in het plan voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%, met dien verstande dat: • de verwerkelijking van de in het plan begrepen gronden gewaarborgd blijft. Dit betekent dat de bestemmingen door de wijziging niet onevenredig mogen worden aangetast; • de wijziging niet mag leiden tot onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
15.5 Wijziging – Nutsvoorzieningen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het plan te wijzigen ten behoeve van het oprichten van transformatorgebouwen, gasdrukmeet- en regelstations, rioolgemalen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken van algemeen nut met een inhoud van ten hoogste 400 m3 en een bouwhoogte van maximaal 4 meter, welke in het kader van de nutsvoorzieningen nodig zijn en welke op grond van het bepaalde in de voorafgaande artikelen niet kunnen worden gebouwd. 15.6 Wijziging – Geluidwerende voorzieningen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het plan te wijzigen ten aanzien van het aanbrengen/ aanleggen/oprichten van een geluidwerende voorziening (geluidschermen of geluidswallen) om te voldoen aan het bepaalde in de Wet geluidhinder ter zake het aspect wegverkeerslawaai in relatie tot milieugevoelige
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
38
bestemmingen en objecten met inachtneming van de in een akoestisch onderzoek te bepalen maatvoerings- en situeringeisen en onder voorwaarde dat de betreffende voorziening landschappelijk inpasbaar is.
Artikel 16 Nadere eisen 16.1 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen, voor zover in de bestemmingsregels als bedoeld in hoofdstuk 2 basiseisen zijn geformuleerd, nadere eisen stellen aan: a. de bouwhoogte en/of de goothoogte van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde; b. de situering van gebouwen; c. de situering van bouwwerken, geen gebouwen; d. de situering van verlichting (bouwwerken, geen gebouwen zijnde) en het plaatsen van verlichting op of aan bouwwerken ter voorkoming van lichthinder/lichtverstoring; e. het aantal, de situering en omvang van parkeergelegenheid; f. de bebouwingsdichtheid; g. de situering van in- en uitritten. 16.2 Voorwaarden De nadere eisen als bedoeld in dit artikel mogen slechts worden gesteld indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van een onevenredige aantasting van een of meerdere van de hieronder opgenomen items: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken; b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de directe omgeving; c. de milieukwaliteit; d. de verkeersveiligheid; e. de sociale veiligheid; f. de brandveiligheid en rampenbestrijding; g. het woon- en leefklimaat; h. een ecologisch en landschappelijk verantwoorde inrichting. Artikel 16.3 Wettelijke regelingen De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
39
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 17 Overgangsrecht 17.1 Overgangsrecht bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 17.2 Afwijken Het bevoegd gezag kan eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 17.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 17.1 met maximaal 10%. 17.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Lid 17.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 17.4 Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
17.5 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 17.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 17.6 Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in lid 17.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 17.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik Lid 17.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 18 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Knibbelweg-Oost.
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
40
Bijlage I Staat van bedrijfsactiviteiten
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
Bijlage II Staat van bedrijfsactiviteiten Logistiek
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
Bijlage III Nota parkeernormen
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
Bijlage IV Regeling stikstof
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023
Bijlage V Beeldkwaliteitsplan
R065442aa.213GX8X.jwi | versie 06_001_VAST_TE_STELLEN | 17 mei 2023