Bijlage 3 Was wordt tabel Verordening Fysieke Leefomgeving 2023 Omgevingswet A23.001453
Tekst van het document
Bijlage bij Verordening fysieke leefomgeving Zuidplas 2023 Omgevingswet Leeswijzer: In de was/wordt tabel zijn alleen de artikelen en leden opgenomen welke zijn toegevoegd en/of gewijzigd zijn. De bestaande tekst staat in de eerste kolom, wijzigingen zijn in de tweede kolom opgenomen. Wijzigingen in de tekst zijn dikgedrukt opgenomen. Wijzigingen in titels zijn in rood opgenomen. Artikelsgewijze toelichting In de artikelsgewijze toelichting zijn alle verwijzingen naar andere wetten en artikelen nagelopen en aangepast op de Omgevingswet. Dit met uitzondering van de artikelen over planschade. Deze artikelen moeten blijven verwijzen naar de Wet ruimtelijke ordening, zoals deze wet luidde voorafgaande aan de invoering van de Omgevingswet. Het onderdeel planschade dient in de VFLO te blijven staan omdat er na 1 januari 2024 nog procedures lopen die afgerond dienen te worden onder de oude wetgeving. Was/wordt tabel Regels Verordening fysieke leefomgeving Zuidplas 2023 Omgevingswet Algemeen: In meerdere artikelen is het volgende lid opgenomen: Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. De positieve fictieve beschikking komt onder de Omgevingswet te vervallen. Dit lid zal in de respectievelijke artikelen verwijderd worden.
In de artikelen over planschade blijft het woord bestemmingsplan staan omdat deze artikelen gaan over de oude planschadeprocedure. Een aantal van deze procedures zal bij invoering van de Omgevingswet nog niet afgerond zijn. Daarmee dienen deze artikelen wel nog te refereren aan de wetgeving zoals deze gold voor invoering van de Omgevingswet. Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder:
Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: Activiteitenbesluit milieubeheer Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; Archeologisch erfgoed Alle fysieke overblijfselen, zowel in als boven de grond, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. Archeologisch monument terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen;
a. van het voertuig of de voertuigen die gebruik mag/mogen maken van de parkeerplaats; Bebouwde kom De bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening;
Bebouwingscontour houtkap De bebouwingscontour(en) houtkap weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij deze verordening; Beperkingengebiedactiviteit hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1, onder A, van de Omgevingswet;
Bevoegd gezag Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
Bevoegd gezag Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas Door het college ingestelde adviescommissie met als taak het college conform het Reglement van Orde Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas te adviseren over de aanwijzing van monumenten en de toepassing van de Erfgoedwet, deze verordening, het monumentenbeleid en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas Gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet, genaamd Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas;
Gebouw Elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
Gebouw Gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
Goede omgevingskwaliteit Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.3 van de Omgevingswet; Iepziekte De aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); Inrichting Inrichting type A, type B of type C als bedoeld in het Activiteitenbesluit;
Iepziekte De aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi;
Inrichting Hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing zijnde op inrichtingen type A, type B of type C als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit;
Omgevingsvergunning voor het bouwen Vergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
Omgevingsvergunning Omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet;
Planologische maatregel Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Planologische maatregel Oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
Planschade Schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening;
Planschade Schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
Artikel 1.5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1.5 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels over aanwijzingen van beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving van het grondgebied van de gemeente Zuidplas die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet. en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan.
Artikel 1.5 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels over aanwijzingen van beschermd erfgoed en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving van het grondgebied van de gemeente Zuidplas die gaan vallen onder de reikwijdte van de Omgevingswet.
Artikel 2.5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.5 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht 4. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd dorpsgezicht een bestemmingsplan omgevingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Bij de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld. 5. Bij de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht wordt bepaald of een geldend bestemmingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kunnen kan worden
Artikel 2.5 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht 4. De gemeenteraad stelt ter bescherming van een aangewezen beschermd dorpsgezicht een omgevingsplan vast als bedoeld in de Omgevingswet. Bij de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht kan daarvoor een termijn worden gesteld. 5. Bij de aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht wordt bepaald of een geldend omgevingsplan als beschermend plan in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt. 6. Dit artikel is niet van toepassing op:
6.
7. a.
b.
aangemerkt of dat een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld. Als een bestemmingsplan opnieuw moet worden vastgesteld als gevolg van artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in deze wet vaststellen. Dit artikel is niet van toepassing op: een door het Rijk aangewezen beschermd dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 9.1 van de Erfgoedwet. een door de provincie aangewezen beschermd dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
a. een door het Rijk aangewezen beschermd dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 9.1 van de Erfgoedwet. b. een door de provincie aangewezen beschermd dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 2.11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.11 Aanwijzing interferentiegebieden De op de bij deze verordening behorende kaart (zie bijlage 2) omkaderde gebieden worden aangewezen als interferentiegebieden in de zin van artikel 2.2b van het Besluit omgevingsrecht.
Artikel 2.11 Aanwijzing interferentiegebieden De op de bij deze verordening behorende kaart (zie bijlage 2) omkaderde gebieden worden aangewezen als interferentiegebieden als bedoeld in § 4.111 Gesloten bodemenergiesysteem uit het Besluit Activiteiten Leefomgeving.
Artikel 2.12 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.12 Naamgeving van woonplaatsen en van delen van de openbare ruimte 1. Het college stelt voor het totale grondgebied van de gemeente ten minste een woonplaats vast en kan een woonplaats in wijken of buurten verdelen, zonodig daaraan namen, letters of nummers toekennen. 2. Het college kent voor het totale grondgebied van de gemeente namen toe aan te onderscheiden delen van de openbare ruimte en zonodig aan bouwwerken.
Artikel 2.12 Naamgeving van woonplaatsen en van delen van de openbare ruimte 1. Het college stelt de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kunnen deze in wijken en buurten verdelen conform de eisen die het Centraal bureau voor de Statistiek aan deze indeling verbindt. 2. Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig gemeentelijke gebouwen en bouwwerken.
Artikel 2.14 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.14 Aanwijzing bebouwde kom De bebouwde kom in de zin van artikel 4.1 onder a van de Wet natuurbescherming is vastgesteld in de Bebouwde kom kaart, opgenomen in bijlage 1.
Artikel 2.14 Aanwijzing bebouwingscontour houtkap Voor de toepassing van artikelen 3,24 tot en met 3.29 geldt de bebouwingscontour houtkap, opgenomen in bijlage 1.
Artikel 2.20 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2.20 Aanwijzingen plaatsen buiten inrichtingen Het college kan plaatsen aanwijzen buiten de inrichting in de openlucht en buiten de weg waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 3.84 lid 1 niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze plaatsen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving; c. in het belang van de veiligheid van het publiek.
Artikel 2.20 Aanwijzingen plaatsen buiten inrichtingen Het college kan plaatsen aanwijzen buiten de inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht en buiten de weg waarvoor het verbod als bedoeld in artikel 3.84 lid 1 niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze plaatsen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; b. in het belang van de bescherming van de fysieke leefomgeving; c. in het belang van de veiligheid van het publiek.
Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.1 Oogmerken 1. Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en onvervangbaar is. 2. Deze paragraaf berust op artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet.
Artikel 3.1 Oogmerken 1. Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van erfgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid is en onvervangbaar is. 2. Deze paragraaf berust op artikel 9.1 van de Erfgoedwet.
Artikel 3.4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nader onderzoek eisen ter onderbouwing van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren.
Artikel 3.4 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nader onderzoek eisen ter onderbouwing van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid onder a van de Omgevingswet. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren.
Artikel 3.6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.6 Omgevingsvergunning binnen gemeentelijk beschermd dorpsgezicht 3. Het is in een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te beschadigen of te vernielen, te slopen, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen, te herstellen of te laten gebruiken op een wijze waardoor het dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 4. Het college kan in het belang van de zorg voor het gemeentelijk beschermde dorpsgezicht nader onderzoek eisen ter onderbouwing van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.
Artikel 3.6 Omgevingsvergunning binnen gemeentelijk beschermd dorpsgezicht 3. Het is in een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid onder a van de Omgevingswet, een bouwwerk te beschadigen of te vernielen, te slopen, te verstoren, te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen, te herstellen of te laten gebruiken op een wijze waardoor het dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 4. Het college kan in het belang van de zorg voor het gemeentelijk beschermde dorpsgezicht nader onderzoek eisen ter onderbouwing van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 5.1, eerste lid onder a van de Omgevingswet. De eigenaar is desgevraagd verplicht het onderzoek te laten uitvoeren. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en artikel 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 3.7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.7 Omgevingsvergunning beeldbepalend erfgoed Het is verboden zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een beeldbepalend erfgoed te wijzigen op dusdanige wijze dat dit negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving of de kenmerken van het betreffende erfgoed.
Artikel 3.7 Omgevingsvergunning beeldbepalend erfgoed Het is verboden zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid onder a van de Omgevingswet, een beeldbepalend erfgoed te wijzigen op dusdanige wijze dat dit negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving of de kenmerken van het betreffende erfgoed.
Artikel 3.8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.8 Termijnen advies beeldbepalend erfgoed 1. Het college zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beeldbepalend erfgoed aan de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas voor advies.
Artikel 3.8 Termijnen advies beeldbepalend erfgoed 1. Het college zendt een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.7 aan de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas voor advies. .
Artikel 3.9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.9 Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.7 kan slechts worden verleend als karakteristieken zoals opgenomen in de redengevende beschrijving van het beeldbepalende erfgoed zich daartegen niet verzetten
Artikel 3.9 Weigeringsgronden Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.7 kan slechts worden verleend als het belang van het behoud van karakteristieken zoals opgenomen in de redengevende beschrijving van het beeldbepalende erfgoed zich daartegen niet verzet.
Artikel 3.10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.10 Instandhouding van archeologische gebieden 1. De raad neemt in een bestemmingsplan bepalingen op met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een gebied met archeologische waarden of verwachtingen als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.
Artikel 3.10 Instandhouding van archeologische gebieden 1. De raad neemt in een omgevingsplan bepalingen op met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een gebied met archeologische waarden of verwachtingen als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart.
Artikel 3.11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.11 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem dieper dan 30 cm beneden het maaiveld te verstoren in een gemeentelijk archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het bestemmingsplan niet is voorzien in een regeling om het archeologisch erfgoed te beschermen. 2. Het verbod is niet van toepassing indien; c. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid onder c, van de Wet algemene bepalingen een omgevingsrecht is verleend, of;
Artikel 3.11 Vangnet archeologie 1. Het is verboden de bodem dieper dan 30 cm beneden het maaiveld te verstoren in een gemeentelijk archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het omgevingsplan niet is voorzien in een regeling om het archeologisch erfgoed te beschermen. 2. Het verbod is niet van toepassing indien; c. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.18 van de Omgevingswet is verleend, of;
Artikel 3.12 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.12 Archeologisch onderzoek
Artikel 3.12 Archeologisch onderzoek
1. Onverminderd het bepaalde in de Erfgoedwet worden bij onderzoek in de vorm van opgravingen de volgende regels in acht genomen:
1. Onverminderd het bepaalde in de Erfgoedwet en bij of krachtens de Omgevingswet worden bij onderzoek in de vorm van opgravingen de volgende regels in acht genomen:
Artikel 3.14 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.14 Het plaatsen van voorwerpen 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. 4. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j . of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de
Artikel 3.14 Het plaatsen van voorwerpen 2. Het college kan in het belang van de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen en uitstallingen. 4. Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. 6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de
Wegenverkeerswet 1994, of de omgevingsverordening Zuid-Holland. 7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Omgevingswet, Omgevingsverordening Zuid-Holland of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Lid 7 komt te vervallen
Artikel 3.15 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.15 Verbod objecten onder hoogspanningslijn 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. 5. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het bestemmingsplan.
Artikel 3.15 Verbod objecten onder hoogspanningslijn 4. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in dit onderwerp is voorzien in het omgevingsplan. Lid 4 komt te vervallen.
Artikel 3.35 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.17 Bijen 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale omgevingsverordening. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken. 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.17 Bijen 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. Het verbod is ook niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Zuid-Holland of de waterschapsverordening. 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de in dit lid genoemde afstanden. Lid 6 komt te vervallen.
Artikel 3.18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.18 Verstrooiing van as 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden een omgevingsvergunning verlenen voor afwijken van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
Artikel 3.18 Verstrooiing van as 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.
Artikel 3.20 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten kampeerterreinen dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd.
Artikel 3.20 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten kampeerterreinen dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd.
Artikel 3.22 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.22 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Artikel 3.22 Omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 2. De omgevingsvergunning kan, onverminderd het bepaalde in artikel 6.8, worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn
2. De omgevingsvergunning kan, in aanvulling op artikel 6.8, worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
rijkswaterstaatswerken, de Provinciale omgevingsverordening, de Waterschapskeur, de Waterschapsverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, of de Omgevingsverordening Zuid-Holland of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 3.23 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Artikel 3.23 Maken, veranderen van een uitweg 3. De omgevingsvergunning kan, in aanvulling op artikel 6.8, worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale omgevingsverordening, de Waterschapskeur, de Waterschapsverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Nieuwe tekst Artikel 3.23 Maken, veranderen van een uitweg 3. De omgevingsvergunning kan, onverminderd het bepaalde in artikel 6.8, worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Zuid-Holland of de waterschapsverordening.
Artikel 3.24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.24 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bomen en houtopstanden: a. die gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, en: b. die niet gelegen zijn binnen de bebouwde kom als bedoeld in artikel 2.14, voor zover het gaat om houtopstanden op erven of in tuinen en uit populieren of wilgen bestaande: 1. wegbeplantingen;
Artikel 3.24 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op bomen en houtopstanden: 4. die gelegen zijn binnen de bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 2.14, en: 5. die niet gelegen zijn binnen de bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 2.14, voor zover het gaat om houtopstanden op erven of in tuinen en uit populieren of wilgen bestaande:
2. beplatingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
1. wegbeplantingen; 2. beplantingen langs waterwegen, en 3. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden.
Artikel 3.25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.25 Verbod vellen houtopstanden 1. Het is verboden zonder vergunning de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de Monumentale- en waardevolle bomen Zuidplas lijst.
Artikel 3.25 Verbod vellen houtopstanden 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de Monumentaleen waardevolle bomen - Zuidplas lijst.
Artikel 3.30 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.30 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Provinciale omgevingsverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Artikel 3.30 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Omgevingsverordening Zuid-Holland of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 3.31 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.31 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het
Artikel 3.31 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de
Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale omgevingsverordening.
Omgevingsverordening Zuid-Holland of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 3.32 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.32 Beschadigen van waterstaatswerken 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van strafrecht, Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de omgevingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 3.32 Beschadigen van waterstaatswerken 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van strafrecht, Binnenvaartpolitiereglement of de Omgevingsverordening ZuidHolland.
Artikel 3.34 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.34 Crossterreinen 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 3.34 Crossterreinen 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet en of afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 3.35 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.35 Beperking verkeer in natuurgebieden 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de omgevingsverordening ZuidHolland. 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking
Artikel 3.35 Beperking verkeer in natuurgebieden 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening ZuidHolland. 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. Lid 5 komt te vervallen.
bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel. Artikel 3.37 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.37 Belanghebbendenplaatsen 3. Het college kan aan een omgevingsvergunning parkeren voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een omgevingsvergunning parkeren voor categorie III kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet Milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.37 Belanghebbendenplaatsen 3. Het college kan aan een omgevingsvergunning parkeren voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een omgevingsvergunning parkeren voor categorie III kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Omgevingswet en of, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.
Lid 4 komt te vervallen.
Artikel 3.44 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.44 Omgevingsvergunning voor innemen van marktstandplaats 2. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.44 Omgevingsvergunning voor innemen van marktstandplaats Lid 2 komt te vervallen.
Artikel 3.70 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.70 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 3. Het college weigert de omgevingsvergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan,
Artikel 3.70 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 3. Het college weigert de omgevingsvergunning wegens strijd met een geldend omgevingsplan. Lid 4 komt te vervallen.
beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Lid 5 wordt omgenummerd naar lid 4
Artikel 3.78 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.78 Collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.80 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten, in het bebouwde deel van de inrichting, gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Hierbij geldt dat uiterlijk om 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 01.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd, tenzij in de aanwijzing van de collectieve festiviteiten anders is aangegeven. 5. Op dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.80 van deze verordening, uiterlijk om 00:00 uur beëindigd als dag valt op een zondag tot en met donderdag en uiterlijk om 01:00 uur als de dag valt op een vrijdag en zaterdag.
Artikel 3.78 Collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en artikel 3.80 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten, in het bebouwde deel van de inrichting, gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. Hierbij geldt dat uiterlijk om 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 01.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd, tenzij in de aanwijzing van de collectieve festiviteiten anders is aangegeven. 5.
Op dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en artikel 3.80 van deze verordening, uiterlijk om 00:00 uur beëindigd als dag valt op een zondag tot en met donderdag en
uiterlijk om 01:00 uur als de dag valt op een vrijdag en zaterdag Artikel 3.79 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.79 Incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden in het bebouwde gedeelte van de inrichting, waarvan ten hoogste 4 maal inclusief de buitenruimte, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 3.80 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Hierbij geldt dat uiterlijk in 00.00 uur op zondag tot en met donderdag of 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd. 7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, in het bebouwde gedeelte van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het – uiterlijk 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 01.00 uur op vrijdag en zaterdag beëindigd. 8.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit – uiterlijk om 00.00 uur beëindigd.
Artikel 3.79 Incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden in het bebouwde gedeelte van de inrichting, waarvan ten hoogste 4 maal inclusief de buitenruimte, waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en artikel 3.80 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Activiteitenbesluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Hierbij geldt dat uiterlijk in 00.00 uur op zondag tot en met donderdag of 1.00 uur op vrijdag en zaterdag de lichten moeten zijn gedoofd. 7.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, in het bebouwde gedeelte van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet – uiterlijk 00.00 uur op zondag tot en met donderdag en 01.00 uur op vrijdag en zaterdag beëindigd. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Activiteitenbesluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de Omgevingswet – uiterlijk om 00.00 uur beëindigd. Artikel 3.80 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.80 onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten 2. Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dagperiode en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit van toepassing.
Artikel 3.80 onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; 2. Voor de duur van 4 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dagperiode en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing.
Artikel 3.81 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.81 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht 8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.81 Geluidhinder door geluidsapparaat, machine of handelingen in de openlucht Lid 8 komt te vervallen
Artikel 3.82 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.82 Overige geluidhinder 6. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, bij een besluit waar specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting of Provinciale omgevingsverordening.
Artikel 3.82 Overige geluidhinder 6. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, bij een besluit waar specifieke regels zijn gesteld over de maximaal toegestane geluidsbelasting of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 3.83 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.83 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 6. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op dit artikel.
Artikel 3.83 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken Lid 6 komt te vervallen
Artikel 3.84 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.84 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
Artikel 3.84 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
§ 3.4.1. Algemene bepalingen komt te vervallen Artikel 3.85 Status komt te vervallen.
Artikel 3.86 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.86 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit: 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht, bijlage II, artikelen 2 en 3. 3. Het college staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1 bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.
Het college kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen.
Artikel 3.85 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in het Aanvullingsbesluit bodem bestaat uit: 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf § 5.2.2 Voorafgaand bodemonderzoek Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit bouwwerken leefomgeving artikelen 2.27 en 2.29. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving artikelen 2.27 en 2.29. 3. Het college staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in paragraaf § 5.2.2 Voorafgaand bodemonderzoek Besluit activiteiten leefomgeving toe, indien bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.
Het college kan gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in paragraaf § 5.2.2 Voorafgaand bodemonderzoek Besluit activiteiten leefomgeving toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 5.36 van de Omgevingswet, indien uit het in NEN 5725 bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen.
Artikel 3.87 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.87 Verbod op bouwen op verontreinigde grond b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, met uitzondering van bouwwerken
Artikel 3.86 Verbod op bouwen op verontreinigde grond b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, met uitzondering van bouwwerken
die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een dergelijke omgevingsvergunning niet is vereist, en
die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet een dergelijke omgevingsvergunning niet is vereist, en
Artikel 3.88 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3.88 Voorwaarden omgevingsvergunning voor bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.80 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het college voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval hij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig artikel 39, tweede lid, Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Artikel 3.87 Voorwaarden omgevingsvergunning voor bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.80 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het college voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval hij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig artikel 39, tweede lid, Wet bodembescherming, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, Wet bodembescherming, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet van oordeel is, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt.
Artikel 3.89 wordt omgenummerd naar artikel 3.88. Artikel 4.2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.2 Voorzieningen voor verkeer en verlichting c. Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Artikel 4.2 Voorzieningen voor verkeer en verlichting c. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 5.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.1 Tegemoetkoming erfgoed d. een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid onder a;
Artikel 5.1 Tegemoetkoming erfgoed d. een aanwijzing als bedoeld in artikel 3.12, eerste lid onder d;
Artikel 6.1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6.1 Verhouding tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht e. Wanneer volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet het college maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘het college’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. f. Artikel 6.3 tot en met artikel 6.8 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 6.1 Verhouding tot de Omgevingswet 1. Wanneer volgens de Omgevingswet niet het college maar een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor het nemen van een besluit, wordt voor ‘het college’ gelezen ‘het bevoegd gezag volgens de Omgevingswet’. 2. Artikel 6.3 tot en met artikel 6.8 zijn niet van toepassing voor zover in het onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet.
Artikel 6.11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6.11 Advisering Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas 3. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 4. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas baseert haar advies op de in de gemeentelijke welstandsnota genoemde welstandscriteria en haar rechtsopvolgers 5. Onder d. adviseert de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op verzoek van het college in een geval waarin het college een advies nodig achten in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving;
Artikel 6.11 Advisering Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas 3. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas adviseert over de omgevingsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. 4. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas baseert haar advies op de in de gemeentelijke Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas genoemde criteria en haar rechtsopvolgers 5. Onder d. adviseert de commissie op verzoek van het college in een geval van een verkenning als bedoeld in artikel 5.48, tweede lid, van de Omgevingswet en in andere gevallen waarin het college een advies nodig acht in verband met een verkenning van een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving;
Artikel 6.13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6.13 Samenstelling van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas 1. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas bestaat ten minste drie leden, waaronder een voorzitter en een secretaris. 4. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas telt enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg;
Artikel 6.13 Samenstelling van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas 1. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter en een secretaris. 4. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas telt gelet op artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg;
Artikel 6.14 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6.14 Benoeming 4. De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door het college wordt geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
Artikel 6.14 Benoeming 4. De leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts door het college worden geschorst en door de raad worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
Artikel 6.16 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6.16 Termijn van advisering 3. Het college kan in hun verzoek om advies de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het advies. Een langere termijn kan door het college worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
Artikel 6.16 Termijn van advisering 3. Het college kan in hun verzoek om advies de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het advies. Een langere termijn kan door het college worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 16.65 van de Omgevingswet.
Artikel 6.18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6.18 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas 1. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas kan onverminderd het bepaalde in artikel 6.11, derde lid, de advisering over een
Artikel 6.18 Afdoening onder verantwoordelijkheid van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas 1. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas kan onverminderd het bepaalde in artikel 17.9, eerste lid, van de Omgevingswet en
aanvraag om een omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere beschikking onder verantwoordelijkheid van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden of een subcommissie.
artikel 6.11, derde lid, de advisering over een aanvraag om een omgevingsvergunning of over de voorbereiding van een andere beschikking onder verantwoordelijkheid van de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas overlaten aan een of meer daartoe aangewezen leden of een subcommissie.
Artikel 6.25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6.25 Jaarlijkse verantwoording 1. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde komt: a. op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota en zijn rechtsopvolgers; 2. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder.
Artikel 6.25 Jaarlijkse verantwoording 1. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin tenminste aan de orde komt: a. op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas en zijn rechtsopvolgers; 2. De Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de Nota Omgevingskwaliteit Zuidplas in het bijzonder.
Artikel 6.27 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6.27 Overgangsrecht 1. De op grond van de vigerende Bouwverordening en de Erfgoedverordening benoemde leden worden geacht te zijn benoemd op grond van dit besluit. 2. Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas wordt geacht de in het Aanvullingsbesluit bodem, dan wel de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 17.9 van de Omgevingswet bedoelde commissie te zijn.
Artikel 6.27 Overgangsrecht Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht, met betrekking tot de commissies op het gebied van welstand en monumentenzorg van kracht, met dien verstande dat de Commissie Omgevingskwaliteit Zuidplas wordt geacht de in het Aanvullingsbesluit bodem, dan wel de in artikel 9.1, eerste lid, onder a, van de Erfgoedwet in samenhang met artikel 17.9 van de Omgevingswet bedoelde commissie te zijn.