Bijlage 3 - Vergelijkingsdocument GoFLo_A26.002860
Tekst van het document
plangebied. Wel ligt de bebouwing binnen het plangebied binnen de PR 10 -8 risicocontour. Ook ligt het plangebied volledig binnen het brandaandachtsgebied van deze buisleiding. Om die reden zijn in de rapportage van Kragten de aspecten beheersbaarheid bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid nader beschouwd. ,
-
Bestrijding calamiteit
Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen
om
gewonden te helpen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de
bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol. -
Zelfredzaamheid
Het risico op een incident met een hogedruk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Hiertoe dient in het omgevingsplan opgenomen te worden dat binnen het belemmeringengebied van 5 meter aan weerszijden van leiding A-518 een bouwverbod geldt. Tevens wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden zoals heien op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder ,
,
gereduceerd. Gelet op de afstand tot de buisleiding speelt dit niet op het onderhavige perceel. Binnen het brandaandachtsgebied
van
de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een
fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat deze zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van de bebouwing tot de aardgasleiding zijn er scenario´s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor ,
te groot. Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden zelfredzaamheid groter. Vluchten kan alleen maar via een route buiten het ´zicht´ van de fakkel.
pagina 30 van 40
voor
Aangezien het plangebied binnen de PR 10 -8 contour is gelegen is vluchten bij een calamiteit alleen mogelijk buiten ,
het zicht van de fakkel. Via het bestaande wegennet kan afzijdig van de buisleiding gevlucht worden. -
Risicocommunicatie
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident gebaseerd op het eerder genoemde scenario).
,
In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Hierbij zijn het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op het beschreven scenario interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. In het ontruimingsplan (dit maakt onderdeel uit van het bedrijfsnoodplan) dient onder andere te worden beschreven: ▪
wie de organisatie van het evacueren begeleidt ;
▪
de verantwoordelijkheden ;
▪
waar
▪
de organisatie op de verzamelplaats ;
▪
wie zorg draagt voor alarmering ;
Het
de verzamelplaats is ;
ontruimingsplan
dient
opgesteld te worden
in samenspraak
met de
brandweer.
Daarnaast
dienen
ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarbij de frequentie hiervan in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Advies In de rapportage -
van
Kragten
zijn elementen
aangedragen
die de gemeenteraad
kan gebruiken
bij de
oordeelsvorming inzake de omgevingsveiligheid voor het aspect externe veiligheid ten aanzien van het planvoornemen. De gemeente Zuidplas heeft advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Hollands Midden en neemt op
basis hiervan een standpunt in aangaande de externe veiligheid.
Advies Veiligheidsregio Hollands Midden (d. d. 25 november 2025) Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) merkt op dat het veiligheidsniveau op deze locatie ‘risicovol’ is. De locatie ligt nabij de hogedruk aardgasleiding A-518 ▪
Het plangebied ligt binnen
een
en onder een
hoogspanningslijn.
brand- en explosieaandachtsgebied van de aardgasleiding A-518 en het
scenario waar dan ook rekening mee gehouden dient te worden is een fakkelbrand. Vanwege de relatief korte afstand tussen de planlocatie en de leiding mag verwacht worden dat er onherstelbare schade ontstaat: alle brandbare materialen zullen gaan branden. ▪
Tevens ligt het plangebied onder het laagste punt van een hoogspanningslijn. Bij brand is inzet van de brandweer zeer risicovol vanwege elektrocutiegevaar. Volgens het protocol van de netbeheerder mag pas
pagina 31 van 40
worden ingezet nadat de installatie is afgeschakeld. Dit proces kost tijd en is tijdens piekuren soms niet mogelijk. Dit heeft effect op het brandverloop. Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien
van
de bereikbaarheid
voor
hulpdiensten
,
het plangebied is via de
openbare weg goed bereikbaar via meerdere rijroutes. In de bestaande situatie is nabij het plangebied een brandkraan aanwezig die dienst kan doen als offensieve bluswatervoorziening ten behoeve van de brandweer. De benodigde defensieve bluswatervoorziening is toereikend. De waterwinplaats voor het watertransportsysteem ligt binnen 400 meter vanaf het plangebied. Deze locatie voldoet waterlevering
,
en het oppervlaktewater
naar
is daarbij voldoende schoon
en
verwachting
aan
de minimaal benodigde
diep.
Wat betreft de beoogde functie en doelgroep lijkt de gekozen bestemming ondanks de genoemde risico’s voor deze locatie de best haalbare en meest passende optie. De vuurlast van de beoogde functie is relatief beperkt het ,
,
,
gaat om een doelgroep die in hoge mate zelfredzaam is behoud van het monument geborgd.
,
en
Hoewel vanuit veiligheidsperspectief gesproken kan worden
met de ontwikkeling wordt bovendien het gebruik en
van een
verhoogd risiconiveau ligt het uiteindelijk ,
binnen de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeente om te bepalen of deze risico’s - in samenhang met de voordelen en ruimtelijke ambities - aanvaardbaar worden geacht. Conclusie Gelet op bovenstaande is er sprake van een beperkt kwetsbaar gebouw met een bijeenkomstfunctie. Het ligt binnen de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeente om te bepalen of deze risico’s - in samenhang met de voordelen en ruimtelijke ambities - aanvaardbaar worden geacht. Omdat
er
Advies gebruikers
fysiek gezien geen wijzigingen plaatsvinden zijn er geen aanpassingen mogelijk aan het gebouw. Het de Veiligheidsregio Holland Midden (d. d. 25 november 2025) is meegenomen in de afweging en de ,
van
van
het pand worden
op
de hoogte gesteld van de genoemde punten in het advies. Geconcludeerd
wordt dat het aspect omgevingsveiligheid/externe veiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief.
5. 12
Ruimtelijke kwaliteit
Artikel 22. 29 lid 1 onder b van het Omgevingsplan gemeente Zuidplas bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.
van
welstand
,
De gemeente Zuidplas hanteert de ‘Nota Omgevingskwaliteit gemeente Zuidplas’ wat de basis vormt van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en wat duidelijkheid geeft over hoe met de kwaliteit van (nieuwe) ruimtelijke initiatieven ,
wordt omgegaan. Om een goede afweging te maken over omgevingskwaliteit vraagt de gemeente situaties advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
voor sommige
Planspecifiek Het betreft uitsluitend een gebruikswijziging waarbij geen ingrepen aan de (monumentale) bebouwing nodig zijn. Derhalve kan gesteld worden dat de ruimtelijke kwaliteit niet in het geding is. ,
pagina 32 van 40
5. 13
Archeologie , cultuurhistorie en erfgoed
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13. 8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3. 7 Bal). in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5. 130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd archeologische ,
monumenten Rijksmonumenten beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8. 8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het ,
,
verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen wordt hieraan getoetst.
,
Planspecifiek Archeologie Het plangebied is ter plaatse van de bestaande bebouwing als onderdeel van een oud bewoningslint in het tijdelijke deel van het omgevingsplan ('Parapluherziening Archeologie’) voorzien van ‘Waarde - Archeologie - 2': ,
,
Archeologisch onderzoek is hier noodzakelijk bij bodemingrepen (inclusief heien) groter dan 100 m² en dieper dan 03 meter beneden maaiveld. Het noordwestelijke deel van het perceel is voorzien van ‘Waarde - Archeologie - 4' ,
,
archeologisch onderzoek nodig is bij bodemingrepen (inclusief heien) groter dan 1. 000 m² en dieper dan 70 meter beneden maaiveld. Het betreft hier evenwel een bestaande situatie. Bovendien gaat het uitsluitend om het waar
,
strijdig gebruik en zijn geen bodemingrepen nodig. Derhalve is hier geen archeologisch onderzoek nodig. Cultuurhistorie en erfgoed De boerderij ‘Langehof’ is een Rijksmonument. De omschrijving luidt als volgt: “Boerderij met dwars gebouwd woongedeelte waarschijnlijk 18e eeuw. Rechts een opkamer. Vensters met luiken en zesruitsschuiframen. ” Het gaat in de voorliggende situatie uitsluitend om het gebruik van de bestaande bebouwing door de Stichting ,
Voedselbank Zuidplas. Dit gaat niet gepaard met ingrepen aan de bebouwing. Gesteld kan worden dat de monumentale waarden niet in het geding zijn. Deze stichting is vanaf 1 mei 2024 reeds op de locatie gevestigd in ,
het kader van leegstandshuur. Destijds kon het pand in gebruik worden genomen zonder de monumentale waarden te schaden. Omdat er ook voor dit permanente gebruik geen aanpassingen nodig zijn aan het gehele pand is ,
pagina 33 van 40
uitgesloten dat er afbreuk wordt gedaan
aan
de aanwezige monumentale waarden. Het gebruik kan voortgezet
worden zonder dat de monumentale waarden in het geding zijn. Cultuurhistorisch onderzoek is niet vereist.
Rijksmonument ’s-Gravenweg 16 (bron: Wikipedia Lijst van rijksmonumenten n Nieuwerkerk aan den IJssel)
Conclusie De aspecten archeologie cultuurhistorie en erfgoed vormen geen belemmering voor het initiatief. ,
5. 14
Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden
voor
de toelaatbare kwaliteit
van
de bodem
voor
het bouwen
van een
bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5. 89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd: ▪
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een
omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw ; ▪
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5. 89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5. 89k Bkl). Planspecifiek Het initiatief leidt niet tot een strenger bodemgebruik. Daarnaast gaat het initiatief niet gepaard met bodemroerende werkzaamheden (bouw- en/of graafwerkzaamheden). Derhalve wordwordt bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht.
pagina 34 van 40
Het aspect bodem vormt geen belemmering.
5. 15
Activiteiten en milieuzonering
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden
van een
aanvaardbaar woon-
en leefklimaat.
Zolang de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ niet is verwerkt in het gemeentelijk omgevingsplan wordt de oude VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 en de hierin opgenomen ,
richtafstanden gehanteerd. Planspecifiek Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen bestaande (bedrijfs)activiteiten niet belemmeren in hun bedrijfsvoering de bedrijfsactiviteiten mogen niet ten koste gaan van een aanvaardbaar uitgegaan van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. De omgeving en
leefklimaat. Er wordt nog van het plangebied kan gelet op de woon-
en
,
afwisseling van functies in het lint (woningen bedrijvigheid maatschappelijke functies) worden gekarakteriseerd als ‘gemengd gebied’. ,
,
,
Voedselbank Er zijn in de VNG-brochure geen richtafstanden opgenomen voor een voedselbank. Het gaat ter plaatse uitsluitend om opslag en kleinschalige distributie. Er heeft geen bewerking e. d. plaats. Zodoende is het maximaal een categorie 2-bedrijvigheid met een richtafstand van 10 meter. De dichtstbijzijnde gevoelige functie (wonen0 is op circa 30 meter afstand gesitueerd. Gesteld kan worden dat de activiteiten van de voedselbank geen hinder opleveren voor ,
de omliggende woonpercelen. Omliggende bedrijven Voor wat betreft de invloed
omliggende functies op het onderhavige initiatief zijn omliggende functies beschouwd. Het gaat meerdere bedrijven op het aangrenzende perceel ’s-Gravenweg 18. Hier is onder andere een bedrijf gevestigd dat is gespecialiseerd in de verkoop van hengelsportproducten. Deze activiteit gaat van
,
hierbij om
niet met onevenredige hinder gepaard. Op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn ter plaatse bedrijven tot en met categorie 3. 1 toegelaten. Dat houdt in dat theoretisch rekening dient te worden gehouden met een richtafstand van 30 meter. De bestaande bedrijfsbebouwing bevindt zich op een grotere afstand waardoor de bedrijfsactiviteiten niet gehinderd worden door ,
de voedselbank. Op het meest nabijgelegen perceelsgedeelte heeft het parkeren van personenauto’s plaats wat evenmin hinder oplevert voor de voedselbank. Bovendien is op de locatie ‘s-Gravenweg 16 thans al sprake van ,
gevoelige functie (wonen) zodat gesteld kan worden dat het initiatief geen (extra) belemmering oplevert voor de bedrijven op het perceel ’s-Gravenweg 18. een
pagina 35 van 40
,
Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect Activiteiten en milieuzonering.
5. 16
Ontplofbare oorlogsresten
Op
onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen
een
Wereldoorlog. Tot
op
heden worden bij grond-
en
granaten en andere munitie uit de Tweede waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks ontplofbare ,
oorlogsresten gevonden. Volgens mondiale militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is ondergronds 10% en onder water 15% niet tot een
,
,
ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu ,
vormen.
Planspecifiek Uit eerder
uitgevoerd grootschalig vooronderzoek
blijkt dat het plangebied
onverdacht
is
op
ontplofbare
oorlogsresten. Bovendien worden ten behoeve van het initiatief geen bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor het initiatief.
5. 17
Beperkingengebieden
In de Omgevingswet is een ‘beperkingengebied’ gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. ,
,
Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Ter bescherming gelden beperkingen die het bevoegd gezag aanwijst. Planspecifiek Het initiatief is niet gelegen binnen het beperkingengebied rondom wegen vormt dan ook geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
pagina 36 van 40
,
spoorwegen
of vaarwegen. Dit aspect
6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6. 1
Omgevingstafel
De gemeente Zuidplas heeft het initiatief besproken aan de Omgevingstafel op 2 december 2025. Het initiatief betreft het wijzigen van de woonfunctie naar een maatschappelijke functie. Naar aanleiding van de bespreking van het initiatief aan Omgevingstafel 3 is geconcludeerd dat het plan haalbaar is. De gemeente Zuidplas is bereid om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de functie aan de 's-Gravenweg 16 te Nieuwerkerk aan den IJssel. Ter nadere motivering het volgende: ▪
Initiatief sluit aan op provinciaal beleid. Provincie Zuid-Holland gaat akkoord met de onderbouwing: het provinciale beleid is voldoende omschreven in de onderbouwing.
▪
Initiatief
levert
positieve bijdrage aan ontwikkelambitie Omgevingsvisie Zuidplas 2040. De maatschappelijke functie levert een positieve bijdrage aan de ontwikkelambitie ‘Gezond Zuidplas’ zoals ,
omschreven in de Omgevingsvisie. ▪
Ruimtelijke impact rijksmonument blijft nihil. De Omgevingstafel wijst er op dat het voorstelbaar is dat in verband met voedselveiligheid de Voedselbank (mogelijk) aanpassingen wil doen aan het interieur of de ,
,
indeling van het rijksmonument. Aandachtspunt is dat interne aanpassingen vergunningplichtig zijn. Geadviseerd wordt om de onderbouwing aan te passen naar aanleiding van de bespreking
van
het initiatief aan de
Omgevingstafel. Dat betreft de koppeling met de Omgevingsvisie Zuidplas 2040 een nadere onderbouwing van de verkeersgeneratie en de participatie. De voorliggende onderbouwing is op die onderdelen aangepast/aangevuld. ,
6. 2
Participatie
Op grond van de participatieverordening van de gemeente Zuidplas is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Regelen via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit betekent het toepassen van het Besluit Verplichte Participatie (raad) artikel 9 lid 1 Overige doeleinden (sociaal). De gemeente adviseert om de omgeving ,
te informeren. Bij aanvraag omgevingsvergunning wordt vermeld of en zo ja wat er aan participatie is gedaan. Bij brief van 24 april 2024 zijn omwonenden geïnformeerd over de nieuwe invulling van het pand. Daarbij is aangegeven dat vanaf 1 mei 2024 de Voedselbank haar intrek neemt en dat de huur van de tijdelijke leegstandbewoners is opgezegd. Omdat de functie participatie uitgevoerd.
pagina 37 van 40
van
het kavel onveranderd blijft is ,
er nu geen
nieuwe
7 Het
Financiële haalbaarheid kostenverhaal
is het door
de overheid verhalen
kosten
initiatiefnemer. Het
gaat over overheidskosten voor werken werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is van
op
een
,
het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse ,
omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd
gezag
betrekking hebben
kan voorschriften verbinden aan een vergunning op het gebied waar
voor een
BOPA. Deze voorschriften mogen
de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling.
Planspecifiek De gronden zijn in het bezit van de gemeente Zuidplas. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de gemeente.
pagina 38 van 40
8
Conclusie
Planvoornemen voorziet in het gebruik van een bestaande (monumentaal) pand Nieuwerkerk
aan
en
perceel ’s-Gravenweg 16 in
den IJssel door de Stichting Voedselbank Zuidplas. Het initiatief is getoetst
aan
het rijks-
provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat het in lijn is met dat beleid en in ieder geval niet in strijd is met het beleid. Daarnaast is het initiatief getoetst op alle relevante aspecten over de fysieke leefomgeving en het milieu. Vanuit deze aspecten komen geen belemmeringen naar voren. Omdat er sprake is van voortzetting van het huidige gebruik (tijdelijk naar permanent) zijn er geen aanpassingen nodig. Daarmee is het uitgesloten dat de monumentale waarden in het geding komen. Alle aspecten afwegende kan gesteld worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling locaties.
pagina 39 van 40
van
functies
aan
,
pagina 40 van 40