CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Vergelijkingsdocument GoFLo_A26.002860

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Adviesrecht aanvraag Omgevingsvergunning (BOPA) 's-Gravenweg 1612.156 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderbouwing BOPA Nieuwerkerk

aan

Gemeente Zuidplas

,

’s-Gravenweg 16

den IJssel

Colofon Gegevens

het

over

project:

Plannaam:

BOPA

Datum:

22januaeri

01 juni 2026

SR250189

(HYAJLA | TVB)

Gemeente

Zuidplas

t

11

Projectnummer

Buro SRO:

's-Gravenweg 16,

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Gegevens

Buro

Bezoekadres:

SRO:

Goylaan

(geanonimiseerd) TN Utrecht Telefoon:

(geanonimiseerd) |

E-mail:

(geanonimiseerd) BMevuro-sro.nl

Internet:

www.burosro.nl

pagina

2

van

40

Nieuwerkerk

aan

den

IJssel

Inhoudsopgave 1

Inleiding

6

1. 1 1. 2

Aanleiding Aanduiding plangebied

6 6

1. 3 1. 4

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit Leeswijzer

7 8

2

Huidige en toekomstige situatie

3

Toetsing

9 omgevingsplan

aan

11 10 3. 1 3. 2 4

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Toetsing

1110 1211 beleid

aan

13 12

5

4. 1 4. 2

Rijksbeleid Provinciaal beleid

1312 1312

4. 3

Gemeentelijk beleid

1817

fysieke

Aspecten

leefomgeving

en

milieu 19

18 5. 1 5. 2

Mer-beoordeling Ladder voor duurzame verstedelijking

1918 2019

5. 3

Duurzaamheid en gezondheid

2019

5. 4 5. 5

Water Klimaatadaptatie

2120 2221

5. 6 5. 7

Verkeer en parkeren Natuur

2322 2423

5. 8 5. 9 5. 10

Luchtkwaliteit Geluid Geur

2524 2524 2625

5. 11 5. 12

Omgevingsveiligheid Ruimtelijke kwaliteit

2625 3130

5. 13

Archeologie cultuurhistorie en erfgoed

3230

5. 14 5. 15 5. 16

Bodem Activiteiten en milieuzonering Ontplofbare oorlogsresten

3331 3432 3533

5. 17

Beperkingengebieden

3533

pagina 3 van 40

,

6

Maatschappelijke

uitvoerbaarheid 36

34

7

6. 1

Omgevingstafel

3634

6. 2

Participatie

3634

Financiële

haalbaarheid 37

35 8

Conclusie 38 36

1

Inleiding

6

1. 1 1. 2

6 6

Aanleiding

1. 3

Aanduiding plangebied Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit

1. 4

Leeswijzer

7 8

2

Huidige en toekomstige situatie

9

3

Toetsing aan omgevingsplan

11

3. 1 3. 2

11 12

4

5

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Toetsing aan beleid

13

4. 1 4. 2

Rijksbeleid Provinciaal beleid

13 13

4. 3

Gemeentelijk beleid

18

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

19

5. 1 5. 2

Mer-beoordeling Ladder voor duurzame verstedelijking

19 20

5. 3 5. 4

Duurzaamheid en gezondheid Water

20 21

5. 5 5. 6

Klimaatadaptatie Verkeer en parkeren

5. 7 5. 8

Natuur Luchtkwaliteit

22 23 24

5. 9 5. 10

Geluid Geur

25 26

5. 11 5. 12

Omgevingsveiligheid Ruimtelijke kwaliteit

26 31

5. 13 5. 14

Archeologie cultuurhistorie en erfgoed Bodem

32 33

pagina 4 van 40

,

25

5. 15 5. 16 5. 17

Activiteiten en milieuzonering

34

Ontplofbare oorlogsresten Beperkingengebieden

35 35

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

36

6. 1

Omgevingstafel

36

6. 2

Participatie

36

7

Financiële haalbaarheid

37

8

Conclusie

38

6

BIJLAGEN Bijlage 1. Beschouwing externe veiligheid 23-07-2025

pagina 5 van 40

Samenvatting Het voornemen is om de bebouwing

op

het perceel ’s-Gravenweg 16 in Nieuwerkerk

den IJssel in gebruik te

aan

laten nemen door de Stichting Voedselbank Zuidplas. Dit initiatief past binnen de eisen die gesteld worden vanuit de ‘Uitkoopregeling woningen onder een hoogspanningsverbinding’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).

Een voorwaarde bij die regeling is namelijk dat de woonbestemming wordt verwijderd. Vooruitlopend daarop wordt nu het gebruik door de Stichting Voedselbank Zuidplas die reeds ter plaatse functioneert op basis van leegstandshuur mogelijk gemaakt. Dit gebruik past niet binnen de mogelijkheden van het ,

,

tijdelijke deel het omgevingsplan. Om die reden wordt hiervoor een procedure met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) gevolgd. Het betreft uitsluitend afwijkend gebruik. Dit betreft een permanent van

gebruik. Het initiatief gaat niet gepaard met (verbouw-)werkzaamheden of bodemroerende werkzaamheden. Het initiatief voldoet aan de voorwaarden die er zowel vanuit het Rijks- provinciaal als gemeentelijk beleid aan gesteld worden. Ook vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu komen geen belemmeringen ,

voort. Zo vormt het initiatief geen belemmering voor omliggende functies en zijn de cultuurhistorische waarden niet in het geding. Daarbij wordt met de ontwikkeling een passende invulling gegeven aan een bestaande monumentaal pand. Gesteld kan worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

pagina 6 van 40

1

Inleiding

1. 1

Aanleiding

Het perceel ’s-Gravenweg 16 in Nieuwerkerk aan den IJssel waarop zich een monumentale boerderij bevindt is door de gemeente Zuidplas aangekocht gebruik makend van de ‘Uitkoopregeling woningen onder een hoogspanningsverbinding’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het perceel is in het tijdelijke ,

,

,

deel

van

het omgevingsplan voorzien

de bestemming ‘Wonen’ (bestemmingsplan ‘Groene Zoom’). Een RVO de is dat de woonbestemming wordt verwijderd. In overleg met de RVO van

voorwaarde bij de uitkoopregeling is besloten dat dit ook in de vorm van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) kan waarbij het binnen de van

,

gestelde termijn (5 jaar) wordt verwerkt in het omgevingsplan. Het gaat in de voorliggende situatie om het gebruik ten behoeve

van

de Stichting Voedselbank Zuidplas. Deze

stichting maakt in de huidige situatie reeds gebruik van deze locatie op basis van leegstandshuur. Het voornemen is om dat gebruik permanent voort te zetten. Aangezien dit gebruik niet past binnen de geldende planologische ,

mogelijkheden dient met een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) afgeweken te worden van het tijdelijke omgevingsplan. In dat verband is een onderbouwing nodig waarmee aangetoond wordt ,

dat sprake is van voorziet hier in.

1. 2

een

Evenwichtige toedeling van functies

aan

locaties (ETFAL). Voorliggende onderbouwing

Aanduiding plangebied

Voorliggende onderbouwing heeft betrekking op het perceel ’s-Gravenweg 16 in Nieuwerkerk betreft het kadastrale perceel nr. 1491 met een oppervlakte van circa 3. 300 m². ,

Globale ligging planlocatie , oranje omkaderd , hoogspanningslijn in wit weergeven (bron: beeldmateriaal. nl)

pagina 7 van 40

aan

den IJssel. Het

Globale begrenzing planlocatie , oranje omkaderd (bron: beeldmateriaal. nl)

1. 3

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1.

Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.

2.

Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.

,

maar

het volgens de

Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a.

b.

met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a tweede lid van het Bkl) ; als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8. 0b tot en met 8. 0e van het Bkl. Die ,

beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. In beginsel is bij

een

buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16. 62 Omgevingswet de reguliere

procedure titel 4. 1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken die met zes weken verlengd kan worden. In sommige gevallen kan het college echter bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten van

,

de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3. 4 van de Awb van toepassing verklaren. In beide gevallen bestaat de mogelijkheid voor bezwaar en beroep. Bij de uitgebreide procedure bestaat de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. In de voorliggende situatie wordt uitgegaan van de reguliere procedure.

pagina 8 van 40

1. 4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling en wordt het voorgenomen plan in hoofdstuk 3 getoetst aan het omgevingsplan

van

rechtswege

en

worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 bevat het van toepassing zijnde beleidskader voor de locatie/ het gebied. Aansluitend wordt het project in hoofdstuk 5 getoetst aan de hand van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 6 komen de resultaten van het (voor-)overleg en de participatie aan bod. Hoofdstuk 7 gaat in op de financiële haalbaarheid van het initiatief orde. Vervolgens wordt in hoofdstuk 8 een algehele conclusie getrokken in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

pagina 9 van 40

2

Huidige en toekomstige situatie

De voorliggende onderbouwing heeft betrekking op de locatie ’s-Gravenweg 16 in Nieuwerkerk aan den IJssel. Op dit perceel met een oppervlakte van circa 3. 300 m² bevindt zich een voormalige boerderij waarvan het hoofdgebouw een oppervlakte heeft van ca. 485 m². Dit gebouw dateert volgens de BAG viewer uit 1900 en is ,

aangewezen

,

als Rijksmonument. De boerderij bestaat uit één bouwlaag met daarop een zadelkap met wolfseinden.

Aan de voorzijde staat aaneengeschakeld het dwars gebouwde woongedeelte. Dit deel bestaat uit één laag met zadelkap met wolfseinden. Aan de achterzijde staat in het verlengde van het hoofdgebouw een hooischuur. De ,

locatie is te bereiken

via een

brug

aan

de

linkerzijde van

,

het perceel.

Bestaande situatie (bron: gemeente Zuidplas , 2025)

Beoogd wordt om deze locatie in gebruik te geven aan de Stichting Voedselbank Zuidplas. Deze stichting is vanaf 1 mei 2024 reeds op de locatie gevestigd in het kader van leegstandshuur. Ook in de beoogde situatie is deze functie gevestigd in het monumentale gebouw aan de voorzijde van het perceel. De begane grond van de boerderij ,

wordt gebruikt voor de opslag van voedsel en non-food artikelen. De bovenverdieping wordt gebruikt als vergaderruimte en lunchruimte voor de vrijwilligers. Er zijn geen andere gebruikers in het pand gevestigd. Er zijn in totaal ongeveer 40 vrijwilligers betrokken bij de voedselbank. Hiervan zijn er structureel op woensdag

en

donderdag maximaal zo’n 10 tegelijk op locatie aanwezig om werkzaamheden uit te voeren. Op de andere dagen zijn er incidenteel vrijwilligers aanwezig voor onderhoudswerkzaamheden en tuinonderhoud e. d. Op donderdag is de boerderij open voor klanten. Dan komen er ongeveer 30-35 klanten om een pakket op te halen. Dit gebeurt verspreid over twee tijdvakken namelijk van 9. 00 tot 12. 00 en van 17. 00 tot 18. 00 uur. ,

Net als de vrijwilligers komt een deel van de klanten met de auto en een deel op de fiets. Op het terrein is voldoende ruimte voor het benodigde fiets- en autoparkeren. Parkeren op de openbare niet aan de orde.

weg , zoals langs

de ’s-Gravenweg is ,

Het laden en lossen gebeurt geheel op eigen terrein. Er komt er wekelijks een kleine vrachtwagen met leveringen. De voedselbank heeft tevens een eigen elektrische bus om voedsel op te halen (ongeveer 1x per week). Tevens brengen vrijwilligers met die bus volle kratten met voedsel weg naar klanten in Zevenhuizen en Moerkapelle en klanten in Nieuwerkerk aan den IJssel die het om uiteenlopende redenen de krat niet zelf kunnen afhalen. Op deze locatie is een oplaadpunt aanwezig voor de elektrische bus. naar

pagina 10 van 40

,

pagina 11 van 40

3

Toetsing aan omgevingsplan

3. 1

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Zuidplas. Op basis hiervan geldt voor de locatie het bestemmingsplan ‘Groene Zoom’. Navolgend is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven.

Uitsnede van het bestemmingsplan ‘Groene Zoom’ (bron: Regels op de kaart)

De gronden aangewezen voor ‘Wonen – 2’ zijn bestemd voor wonen en aan-huis-verbonden beroepen. Het volledige perceel is voorzien van een bouwvlak met een maximum bebouwingspercentage van 30%. ,

De gronden

van

het plangebied zijn tevens voorzien

van

de bestemming ‘Leiding

–

Hoogspanningsverbinding’.

Deze gronden zijn mede bestemd voor het bovengrondse transport van elektrische energie hoogspanningsleiding met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

door

een

,

Een groot deel van het perceel is aangewezen met de bestemming ‘Waarde – Ecologie’. De voor deze bestemming gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding kenmerken van de Ecologische verbindingszone. aangewezen

en

bescherming van de wezenlijke waarden en

Tevens gelden de volgende parapluplannen: ▪

In de ‘Parapluherziening Archeologie’ beschikt het plangebied over de bestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 2’ (voorste deel) en ‘Waarde – Archeologie – 4’ (achterste deel). Deze gronden zijn mede bestemd voor bescherming

en

veiligstelling van archeologische waarden. Nu

er

niet gebouwd wordt en

graafwerkzaamheden worden verricht speelt dit parapluplan hier geen rol van betekenis (zie ook paragraaf 5. 13). geen

▪

,

De ‘Parapluherziening Parkeren’ voorziet in een uniforme parkeerregeling en een regeling voor laden en lossen. In paragraaf 5. 6. 2 wordt daar nader op ingegaan.

pagina 12 van 40

▪

3. 2

De ‘Parapluherziening Flitsbezorging van de gemeente Zuidplas’ reguleert flitsbezorgdiensten met zogenaamde dark stores. Dit parapluplan is niet van toepassing op het onderhavige initiatief.

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het plan is op de volgende onderdelen strijdig met het tijdelijke deel van het omgevingsplan: ▪

Het in gebruik nemen van de bebouwing en het perceel ’s-Gravenweg 16 voor activiteiten van de Stichting Voedselbank Zuidplas.

pagina 13 van 40

4

Toetsing aan beleid

4. 1

Rijksbeleid

4. 1. 1

Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten met en zonder wettelijke grondslag en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering energietransitie circulaire economie bereikbaarheid en woningbouw ,

,

,

,

,

,

zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie ; duurzaam economisch groeipotentieel ;

3. 4.

sterke en gezonde steden en regio's ; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Onderhavig initiatief past binnen de derde prioriteit waarmee het initiatief passend is binnen de intenties van dit rijksbeleid. Gezien de aard en omvang van het initiatief is de NOVI verder niet specifiek van toepassing op het ,

plangebied.

4. 2

Provinciaal beleid

4. 2. 1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland schetst de provincie in de Omgevingsvisie Zuid-Holland haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities. Deze ambities vormen een stip op de horizon. 1.

Samenwerken aan Zuid-Holland

2. 3.

Bereikbaar Zuid‐Holland Schone energie voor iedereen

4.

Een welvarend Zuid‐Holland

5. 6.

Naar vitale balans water natuur en landbouw Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland

7.

Gezond en veilig Zuid‐Holland

Deze

,

zeven

vernieuwingsambities

zijn geconcretiseerd

in

beleidsdoelen

,

die

omschrijven

aan

welke

maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. De provincie wil gebiedsgericht integraal en op het regionale schaalniveau sturen op kwaliteitsverbetering het ,

pagina 14 van 40

,

realiseren van beleidsdoelen

bij het gebied passende ruimtelijke ontwikkelingen (‘de juiste ontwikkeling op de

en

juiste plek’). Planspecifiek In het kader van de omgevingskwaliteit is de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland geraadpleegd. Laag

van

de ondergrond

Op de kaart van de ‘Laag van de ondergrond’ zijn de gronden van het plangebied aangewezen met ‘Veencomplex – veen’. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand en geringe draagkracht. Dit veen is ontstaan door eeuwenlange ophoping

van

de resten van rietveen- en veenmoslanden en

moerasbossen die hier duizend jaar geleden stonden. In Midden-Holland is het veelal veen op oude zeeklei terwijl er in de Alblasserwaard en de Krimpenerwaard vooral rivierklei onder het veenpakket zit. Er zijn een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn met daarin differentiatie in het soort een paar

,

,

veen en

de dikte van het veenpakket. Niet alleen zijn deze veenpakketten

gebieden afhankelijk bodemdaling.

van

het soort

veen

de dikte

en

van

Tot het veencomplex behoren ook een groot aantal bestaande drooggemalen moerig tot veen.

en

van

het veenpakket

en voormalige

bijzondere waarde ook zijn deze ,

gevoelig tot

zeer

gevoelig

plassen. De voormalige plassen zijn

staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert

Zuid-Holland kent een aantal droogmakerijen

voor

van

klei

in toenemende mate verzilting optreedt en het waterbeheer steeds lastiger wordt. Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en/ of kwantitatief) is in deze droogmakerijen van belang.

,

waar

Onderhavig planvoornemen voorziet niet in de toevoeging van bebouwing waardoor het beperken van bodemdaling niet aan de orde is. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Op de kaart van de ‘Laag van de cultuur-

en

natuurlandschappen’

is het plangebied

‘Veenweidelandschap’.

aangewezen

Kenmerkende Landschapselementen in het veenweidegebied zijn elzensingels knotwilgenrijen geriefbosjes erfbeplanting en boomgaarden op de oeverwallen. ,

,

als

bijvoorbeeld:

,

De landschapsstructuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen de op enige afstand ,

en andere

daarvan aangelegde weteringen ontginningsassen zoals veenkades vaarten daarop de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is deze weids lange zichtlijnen. staan tussen structuren met Andere

kenmerken

zijn de smalle kavels

en linten. Loodrecht

,

vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems linten en bovenlanden en het uitgestrekte ingeklonken veenland. ,

,

Veenstromen dijken en kades ,

vormen

landschappelijke structuurdragers en begrenzen de poldereenheden. In het

oosten van de provincie is het veengebied vermengd met oeverwallen

pagina 15 van 40

,

en

kommen

van

het rivierenlandschap. De

kommen zijn grootschalig met regelmatige (cope)verkaveling Deze

overgangen

,

maar gaan

al snel over in het veenweidelandschap.

zijn nauwelijks tot niet zichtbaar.

Daarnaast is het plangebied

aangewezen

als ‘Veenlint’. Linten vormen

een

belangrijk onderdeel

van

het Zuid-

Hollandse landschap. Ze worden gevormd door lineaire deels aaneengesloten bebouwing langs lineaire structuren zoals wegen waterwegen of dijken. Op veel plaatsen hebben de linten een sterke relatie met het omliggende landschap. Op andere plaatsen zijn de linten ingesloten in andere bebouwing. Ook komt er verspreid liggende ,

,

bebouwing langs (polder)wegen liggende bebouwing

voor , waar

staat niet op de

de afstand tussen de bebouwing relatief groot is. Deze verspreid

Kwaliteitskaart

,

maar er gelden

wel richtpunten voor.

De meeste bebouwingslinten zijn van cultuurhistorische betekenis en worden vaak gebruikt als recreatieve route. Ontwikkelingen langs de linten dienen daarom zeer zorgvuldig ingepast te worden. In de Kwaliteitskaart zijn voornamelijk de linten in het buitengebied aangegeven. De linten binnen het stedelijk gebied zijn met opgenomen om de relatie met het lint in het buitengebied aan te geven.

name

Planvoornemen voorziet niet in een ontwikkeling welke mogelijk de cultuurhistorische betekenis van het lint aantast. Laag

van

de stedelijke occupatie

Op de kaart van de ‘Laag van de stedelijke occupatie’ is het plangebied aangewezen als ‘Groene buffer’. De groene buffer is een niet verstedelijkt landschap tussen of grenzend aan de steden. Het is een landschap waar het groene karakter en het contrast met de drukke en dichtbebouwde steden centraal staat. De groene buffer is bedoeld om het aaneengroeien van steden in de dichtbevolkte deel van de provincie tegen te gaan. In het verleden is er veel geïnvesteerd in de groene buffer om de recreatieve waarde en uitloopmogelijkheden voor de stedeling te vergroten. In deze tijd is de opgave om het gebied te ontwikkelen als multifunctioneel landschapspark waarin natuurrecreatie- en duurzame landbouw hand in hand gaan. Nieuwe opgaven zoals klimaatadaptatie krijgen de ruimte. De groene buffers verschillen sterk van karakter door de verschillen in de ondergrond het landschappelijk karakter ,

de ligging ten opzichte van de steden

en

,

de aanwezigheid

van

infrastructuur. De

groene

buffers zijn: Hollands

Plassengebied Duin Horst en Weide Midden-Delfland Rotte IJsselmonde en Eiland van Dordrecht. ,

,

,

,

,

Planvoornemen voorziet niet in een ruimtelijke uitbreiding en/of verhardingstoename. gebiedsaanwijzing vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. Provinciaal Hoofdfietsnetwerk Daarnaast wordt de ’s-Gravenweg

aangewezen

Bovengenoemde

als ‘Provinciaal Hoofdfietsnetwerk’. Het netwerk

van

fiets- en

wandelpaden en ruiter- en vaarroutes verbindt een verscheidenheid van stedelijke en landelijke gebieden natuuren recreatiegebieden en andere toeristische trekpleisters. Dit netwerk is bedoeld als ontsluiting maar ook als middel ,

,

stad en landschap van Zuid-Holland te ervaren. Recreatieknooppunten in dit netwerk zijn de overstapplaatsen tussen verschillende vervoersmodaliteiten als auto fiets of kano. Deze kunnen een toeristisch-recreatieve om

,

bestemming

op

zich zijn. Een samenhangend

,

gevarieerd en aantrekkelijk stelsel van gebieden

en

routes vraagt

het opheffen van barrièrewerking of het toevoegen van ontbrekende schakels. In het hoofdnetwerk fiets zijn de voor de provincie belangrijke (boven)regionale fietsverbindingen ondergebracht. Het gaat om doorgaande om

fietsverbindingen voor zowel recreatief als woon-werk fietsverkeer. Dit hoofdnetwerk vormt de basis fijnmazige lokale netwerken. ,

pagina 16 van 40

voor een

,

,

Dit netwerk voorziet in een goede bereikbaarheid van de planlocatie voor het langzame verkeer. Daarnaast worden met het planvoornemen geen nieuwe obstakels en omwegen gevormd in het netwerk. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities uit de Omgevingsvisie. 4. 2. 2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Planspecifiek Gebieden met beschermingscategorie 2 groene buffer Het plangebied is gelegen in het buitengebied waarvoor ‘beschermingscategorie 2 ,

buffer’ geldt. In artikel 7. 43k van de omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan voor locaties binnen groene buffers kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de ,

,

groene

bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek ; b.

de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving ; de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling ;

c.

d.

de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied ; de natuurwaarde van het gebied ;

e.

f. het agrarische karakter van het gebied in de nabijheid van de stedelijke omgeving. Het planvoornemen doet geen afbreuk aan bovengenoemde kwaliteiten. De identiteit van het gebied is divers

,

waar

maatschappelijke en bedrijfsfuncties elkaar afwisselen. Daarnaast wordt er geen afbreuk gedaan aan de natuurwaarde en het agrarische karakter van het gebied. Zodoende is met de voorgenomen ontwikkeling geen wonen

,

sprake van een onevenredige aantasting van bovengenoemde kwaliteiten van de groene buffer. Gebieden met beschermingscategorie 3 buitengebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied waarvoor ‘beschermingscategorie 3 buitengebied’ geldt. In artikel ,

,

7. 43h van de omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan voor een locatie in het buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de gebiedskenmerken en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: a. de kenmerkende maat schaal en het groene karakter van het landschap ; ,

b. c.

de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen ; het groene karakter het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen

d.

de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

,

pagina 17 van 40

van

het landschap ;

Planvoornemen is voorzien op perceelsniveau en voorziet in het toestaan van het gebruik in een bestaand gebouw. Hierbij worden geen bouwwerkzaamheden verricht. Het plan doet daarmee geen afbreuk aan bovengenoemde kwaliteiten. Derhalve is er met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige aantasting van de bovengenoemde kwaliteiten van het landschap. Risico’s van klimaatverandering In artikel 7. 41a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de risico’s van klimaatverandering. ▪

Wateroverlast Uit de klimaateffectatlas

van

de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet gevoelig is voor extreme

neerslag. Specifieke maatregelingen met betrekking tot wateroverlast worden dan ook niet nodig geacht. Overstroming

▪

Uit raadpleging van de overstromingskaart van de klimaateffectatlas Zuid-Holland blijkt dat ter plaatste van het plangebied een kleine kans (1/300 tot 1/3. 000 per jaar) is op overstromingen. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet noodzakelijk geacht. Hitte

▪

Ter plaatse van het plangebied is de hittestress laag en vergelijkbaar met de omgeving. Maatregelen met betrekking tot hitteoverlast worden niet nodig geacht. Droogte In het plangebied lijkt ▪

,

op basis van

de klimaatatlas droogte geen probleem te vormen. Gelet op de aard en omvang ,

onderhavige ontwikkeling zullen hier naar verwachting geen problemen voor optreden. Specifieke maatregelen met betrekking tot droogte worden dan ook niet nodig geacht. van

Provinciale milieubelangen In de Omgevingsverordening wordt een aantal provinciale milieubelangen genoemd zoals: ,

▪

Artikel 3. 14 Specifieke zorgplicht (bescherming plaats in (de buurt van) een stiltegebied.

▪

Artikel 7. 18 Groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico. De voorgenomen ontwikkeling ligt in het brandaandachtsgebied van een hogedruk aardgasleiding maar voldoet niet aan de criteria genoemd in dit artikel voor een mogelijk verhoogd groepsrisico. In paragraaf 5. 11 wordt nader ingegaan op de betreffende buisleiding.

van

stiltegebieden). Het onderhavige initiatief vindt niet

,

▪

Artikel 7. 76 Windenergie. De voorgenomen plaatsingsgebied voor windmolens.

ontwikkeling vindt niet plaats in (de buurt van)

een

Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.

pagina 18 van 40

4. 3

Gemeentelijk beleid

4. 3. 1

Omgevingsvisie Zuidplas 2040

De gemeenteraad van de gemeente Zuidplas heeft op 13 juli 2021 voor het grootste deel van de gemeente de 'Omgevingsvisie Zuidplas 2040' vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de ambities voor de lange termijn tot ,

2040. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De fysieke leefomgeving gaat over bijna alles buiten dus: gebouwen duurzame opwek van energie. ,

,

bodem

,

water natuur lucht ,

,

,

maar

ook

wegen

en

In de omgevingsvisie staan de volgende ambities centraal: ▪

Aantrekkelijk Zuidplas: Ingezet wordt

op

het bouwen

Daarnaast wordt ingezet op aanpassingen

van

de bestaande woningvoorraad. Als dorpen in Zuidplas uit

willen breiden kan dat ▪

,

maar

alleen als een

Duurzaam Zuidplas: Nieuwe gebouwen

wordt

ook

hierop

van

inbreidingslocaties binnen de dorpen.

bijdrage wordt geleverd aan hogere doelen.

ontwikkelingen zijn zoveel mogelijk energieneutraal. Voor bestaande ingezet

,

hoewel

dit

niet

overal

haalbaar

zal

zijn.

Naast

de

energiedoelstellingen wordt gewerkt klimaatbestendige omgeving. Klimaatadaptatie onder andere het tegengaan van hittestress verdroging en wateroverlast heeft daarbij nadrukkelijk aandacht. aan

een

,

,

▪

,

Ondernemend Zuidplas: Zuidplas wil in 2040

een

aantrekkelijk gemeente zijn voor ondernemers

dat voldoende eigen werkgelegenheid is. Een gemeente vestigingsklimaat en belangrijke speler in de regio. ervoor

▪

zorgen

Gezond Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 gezonde

met

er

en veilige leefomgeving

een

sociale

én met aandacht

en

een

aantrekkelijk

vitale gemeente zijn. Een gemeente met

voor de gezondheid van onze

en

een

inwoners.

De omgevingsvisie is uitgewerkt in een visie per dorp. Hierin is aangegeven hoe een aantrekkelijk duurzaam ondernemend en gezond Zuidplas eruitziet per dorp. De omgevingsvisie geeft per thema voor heel Zuidplas en ,

,

,

per

deelgebied en per dorp ambities

,

opgaven , kansen en

te maken keuzes

weer.

Planspecifiek Het onderhavige initiatief betreft een stichting met een maatschappelijke doelstelling. Daarmee sluit het aan op de ambitie ‘Gezond Zuidplas’. De gemeente wil immers in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van onze inwoners. Vanuit de ambities van ‘Ondernemend Zuidplas’ zou dit type activiteit idealiter plaats ‘moeten’ vinden in een dorpscentrum om bij te dragen aan de beoogde sterke centra. In dit geval is sprake van een bijzondere situatie omdat er een nieuw gebruik gevonden moet worden voor vrijkomende bebouwing en is het acceptabel dat de ,

activiteit op de onderhavige locatie plaats vindt. Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities van de Omgevingsvisie Zuidplas 2040.

pagina 19 van 40

,

5

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

5. 1

Mer-beoordeling

De milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een mer is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34 tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma als bedoeld in ,

,

artikel 2 onder a van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling) in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie een programma een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer ,

,

,

,

,

getoetst worden aan de limitatieve lijst van mer-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m. e. r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin de SMB-richtlijn.

van

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije merbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2 dan is er een mer,

plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3 dan is er een mer-beoordelingsplicht. ,

Een mer-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen. ▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer

mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11. 10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. van een

,

Het bevoegd

beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de mer-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: gezag

1. 2.

de kenmerken van het project de plaats van het project

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van ,

een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene ,

pagina 20 van 40

wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken: ,

▪

Er zijn geen bouw- en sloopwerkzaamheden

▪

De milieugevolgen zijn beperkt

▪

Er wordt geen woning toegevoegd

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in bijlage V (beoordelings)plicht geldt. ,

5. 2

het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat

van

er geen

mer-

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5. 129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8. 0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5. 129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling met het oog op ,

het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden moet worden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling ; en ,

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Planspecifiek Onderhavig plan betreft het planologisch toestaan van het gebruik van het perceel door de Stichting Voedselbank Zuidplas. Daarmee is de ontwikkeling niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling en hoeven de ‘treden van de ladder’ niet doorlopen te worden.

5. 3

Duurzaamheid en gezondheid

De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1. 3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. ,

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan zijn vastgelegd in ,

de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw die nu zijn opgenomen in het Besluit ,

bouwwerken

pagina 21 van 40

leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw

,

zowel woningbouw

als utiliteitsbouw

,

geldt dat de

vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Planspecifiek Er vinden geen (ver-)bouwwerkzaamheden plaats op het perceel. Er zijn dan ook geen specifieke maatregelen getroffen op het gebied van duurzaamheid energie en circulariteit. Het hergebruik van de bestaande bebouwing betreft wel een positief aspect op het gebied van duurzaamheid. ,

Het initiatief bevindt zich onder een hoogspanningsverbinding. Uit onderzoek is gebleken dat gezondheidseffecten kunnen optreden vooral bij kinderen als zij langdurig binnen het magneetveld verblijven. Dit vormt ook de aanleiding voor het onderhavige initiatief waarbij er niet langer sprake zal zijn van wonen op deze locatie. In de ,

,

,

beoogde situatie zullen er weliswaar

personen

dagen per week en het gaat niet aanvaardbaar zijn.

om

aanwezig zijn

,

maar

dat is slechts gedurende (delen van) enkele

kinderen. Daarmee kan gesteld worden dat de gezondheidsrisico’s

De overige aspecten die van belang zijn voor het beschermen van de gezondheid zoals bedoeld in het Bkl (zoals luchtkwaliteit geluid bodem geur e.d.) komen in de navolgende paragrafen aan bod. Bovendien zijn er geen ,

,

,

,

,

belemmeringen geconstateerd ten aanzien van hittestress.

5. 4

Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e. a. ) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5. 37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5. 1. 3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen ,

,

betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t. a. v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal Water Programma 2022-2027’ dat door het Rijk is vastgesteld het ‘Regionaal ,

waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling. De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.

Weging van het waterbelang

pagina 22 van 40

Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Waterschapsbeleid Voor wat betreft het beleid

van

het Hoogheemraadschap

van

Schieland

en

Krimpenerwaard is vooral de

van Schieland en de Krimpenerwaard’

‘Waterschapsverordening hoogheemraadschap relevant. Hierin staan regels over activiteiten op of bij dijken sloten grondwater en wegen binnen het beheersgebied van een waterschap. De ,

,

regels zijn bedoeld om het watersysteembeheer goed te kunnen uitvoeren. Geregeld is wanneer van het hoogheemraadschap nodig is of wat de voorwaarden zijn.

een

vergunning

Planspecifiek Watercompensatie Onderhavig planvoornemen gaat niet gepaard met

een

toename in verhard oppervlak. Dat houdt in dat

watercompensatie niet vereist is. Waterafvoer De afvoer van afval- en hemelwater wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie en het onderhavige initiatief brengt ook geen veranderingen met zich mee op dit punt. Waterkeringen De locatie ligt niet binnen de

kern-

en

beschermingszone

,

zoals

aangegeven

op

de leggerkaart

van

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Er is dan ook geen vergunning conform de Waterschapsverordening vereist. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het voorliggende initiatief.

5. 5

Klimaatadaptatie

Klimaatadaptatie

is nodig. Het gaat daarbij gevolgen van extremer weer met hevige regenval maar ook met perioden van droogte en hitte/hittestress. ,

het

aanpassen

aan

de gevolgen

van

klimaatverandering

,

om

de

,

Planspecifiek Uit de Klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet kwetsbaar is bij extreme neerslag ook droogte lijkt droogte geen probleem te vormen. Verder blijkt uit de overstromingskaart van de Klimaatatlas dat er hier een kleine ,

kans op overstroming bestaat. Ter plaatse van het plangebied is de hittestress laag. Daarbij is het hitte-eiland effect 's-nachts het sterkst maar dan is de onderhavige functie niet in bedrijf. Aanvullende maatregelen met betrekking ,

tot klimaatadaptatie worden niet nodig geacht.

pagina 23 van 40

5. 6

Verkeer en parkeren

5. 6. 1

Verkeer

Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de ,

totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur verkeer ,

,

vervoer en openbare

een

gekozen tijdsperiode

ruimte (CROW) geeft in publicatie

744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen bedrijf etc. ) en op basis van de ,

locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen

voor

,

vrijwel elke locatie

een

goed beeld worden

verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in de ingebruikname van het perceel door de Stichting Voedselbank Zuidplas. Het gaat hierbij om verkeersbewegingen van de vrijwilligers de aan- en afvoer en van klanten/bezoekers die deels per auto ,

komen. Voor dit type maatschappelijke voorziening zijn geen specifieke richtlijnen of kengetallen beschikbaar met betrekking tot verkeergeneratie. Daarom is gekozen gebruiksintensiteit en de bestaande situatie. Door de functiewijziging

van wonen

naar een

voor een

maatwerkbenadering

op

basis

van

de verwachte

maatschappelijke voorziening (voedselbank) is sprake

van een

toename in het aantal verkeersbewegingen. Waar bij een reguliere woning gemiddeld wordt uitgegaan van circa 6 tot 8 voertuigbewegingen per etmaal gaat het hier om naar schatting 80 tot 90 voertuigbewegingen op de drukke ,

dag (donderdag) als gevolg van circa 30-35 bezoekers per tijdvak verdeeld over twee tijdvakken. Een deel van deze bezoekers komt per fiets. Daarnaast zijn er op woensdag en donderdag vrijwilligers aanwezig (circa 10 per ,

,

dag) en is er sprake van beperkt logistiek verkeer (een bestelbus en een vrachtwagen elk circa één keer per week). Daarmee wordt de totale verkeergeneratie ondanks de toename ten opzichte van de oorspronkelijke woonfunctie ,

,

als kleinschalig en beperkt beoordeeld.

,

Omdat parkeren en laden/lossen op eigen terrein plaatsvinden een deel van de verkeersdeelnemers per fiets komt en de weg de verkeersbelasting aankan is er geen sprake van knelpunten of structurele belasting van de openbare ,

,

ruimte. Bovendien is dit gebruik feitelijk al aan de orde en zijn er geen signalen van overlast of verkeersonveilige situaties. Daarmee is er verkeerskundig geen bezwaar tegen deze functiewijziging. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het initiatief. 5. 6. 2

Parkeren

Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. De gemeente Zuidplas hanteert in dit verband de ‘Nota Parkeernormen 2019’.

pagina 24 van 40

Planspecifiek Het onderhavige gebied is in de ‘Nota Parkeernormen 2019’ onderdeel van Zone C (hoge auto afhankelijkheid). Er worden in deze nota geen parkeerkencijfers weergegeven voor een voedselbank. Ook de CROW voorziet hier niet in. Om die reden is net als bij de verkeersgeneratie ervaringscijfers. ,

Tevens is in de ‘Nota fietsparkeerplaatsen.

Parkeernormen

2019’

,

gekozen

aangegeven

maatwerkbenadering

voor een

dat

voorzien

moet

worden

op

basis

in

voldoende

van

Er zijn maximaal 10 vrijwilligers tegelijk op locatie aanwezig waarvan een deel op de fiets komt. Op donderdag komen er verspreid over twee tijdvakken ongeveer 30-35 klanten om een voedselpakket op te halen. Ook hierbij komt een deel van de mensen op de fiets. Daarnaast is er een (elektrische) bus om goederen op te halen en af te ,

,

,

leveren. Op het terrein is voldoende ruimte aanwezig

het benodigde fiets- en autoparkeren en er is een oplaadpunt aanwezig voor de elektrische bus. Parkeren op de openbare weg zoals langs de ’s-Gravenweg is niet aan de orde. voor

,

,

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor het initiatief.

5. 7

Natuur

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de en

Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Naast deze gebiedsbescherming gaat het ook om soortenbescherming. Bijzondere aandacht gaat uit naar stikstofdepositie

,

zoals geregeld in artikel 22. 20 van de Omgevingswet. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden uitzonderingen genoemd zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are. ,

,

Voorts geldt dat iemand

die weet of kan weten

natuurbescherming zich altijd moet houden ,

aan

dat

een

flora-

en

fauna-activiteit nadelig kan zijn

voor

de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit.

Planspecifiek Het planvoornemen niet gepaard met (ver-)bouw- of sloopwerkzaamheden of met een herinrichting van het terrein. Derhalve is een negatief effect op de beschermde flora en fauna uitgesloten. Het aspect natuur vormt geen belemmeringen voor het initiatief.

pagina 25 van 40

5. 8

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden

aan

de

rijksomgevingswaarden zoals bedoeld in artikel 5. 51 lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Aandachtsgebieden Soms wordt hier een zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO)2 of fijnstof (PM). 10 ,

rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. ,

De gemeente Zuidplas is aangesloten bij het Schone Luchtakkoord met als doel het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit in Nederland. Hiervoor gelden bovenwettelijke doelen. Voor de ontwikkeling wordt aanbevolen om te ,

toetsen aan deze doelwaarden (WHO-advieswaarden).

Planspecifiek De planlocatie ligt in een aandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide (NO)2 of fijnstof (PM). 10 Hier zijn activiteiten die leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit niet zonder meer toegestaan. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 3. 000 woningen (twee ontsluitingswegen) wordt per definitie aangemerkt als project dat ‘niet in betekenende mate’ (NIMB) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In lijn hiermee is de beoogde functie luchtkwaliteit.

definitie ‘niet in betekende mate’

per

van

invloed

op

de

Verder is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied (receptor = 27375169_108386). Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2023 van fijnstof (PM)10 fijnstof (PM) 25 en stikstofdioxide (NO)2 in het plangebied bedragen respectievelijk 152 μg/m³ PM 10 80 μg/m³ PM 25 en 165 μg/m³ NO.2 Daarmee worden de wettelijke grenswaarden ,

,

,

,

,

,

,

niet overschreden. Er wordt niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. ,

Geconcludeerd kan worden dat het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar is.

5. 9

Geluid

De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd moet bij het toelaten van een activiteit (spoor)weg industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen gezag

,

,

geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3. 21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: ▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ;

pagina 26 van 40

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan ; of

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Het beschermen van geluidaandachtsgebieden

geluidgevoelige gebouw waarbij instructieregels gelden.

een ,

gebeurt aan De volgende

de hand van geluidbronsoorten

vastgestelde hebben een

aandachtsgebied: rijkswegen provinciale wegen gemeentewegen waterschapswegen hoofdspoorwegen lokale spoorwegen en industrieterreinen. ,

,

,

,

,

Planspecifiek De beoogde functie is niet geluidgevoelig zoals bedoeld in artikel 3. 22 van het Bkl of een geluidbron zoals bedoeld in Bijlage I van het Bkl. Er hoeft dus niet beschouwd te worden wat de geluidbelasting op het gebouw ten gevolge ,

,

,

omliggende geluidbronnen is. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen oplevert voor het planvoornemen. van

5. 10

Geur

Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten de mengvoederindustrie horeca rioolwaterzuiveringsinstallaties slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5. 91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is opgenomen wat ,

,

,

,

,

,

geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8. 20 Bkl. Planspecifiek De planlocatie is niet gelegen in de nabijheid van geurveroorzakende activiteiten. Daarmee vormt het aspect geur geen belemmering voor het initiatief.

5. 11

Omgevingsveiligheid

Gemeenten

in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied nemen

wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid

van een

gebouw of locatie wordt gekeken

naar

het aantal personen dat

gelijktijdig aanwezig is de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen ,

brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties meer

bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen zoals onderwijs- en ,

pagina 27 van 40

,

gezondheidsinstellingen kinderopvang ,

en

dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van

het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan

locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een ze categorieën meer bescherming bieden door bijvoorbeeld van

,

sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en

,

kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5. 7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten -6 hoogste één op de miljoen per jaar (10/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare -6 gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening -6 houden met een standaardwaarde (PR 10-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden

zijn gebieden

die

zichtbaar

maken

waar

mensen

binnenshuis

,

zonder

aanvullende

maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand) overdruk (explosie) en concentratie giftige ,

,

stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5. 15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer beperkt) kwetsbare gebouwen

,

,

en

locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen

genomen.

of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven vervoer van gevaarlijke stoffen over weg water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan ,

,

afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten. Planspecifiek Ten behoeve

de externe veiligheidsrisico’s. Het rapport ‘Beschouwing externe veiligheid’ (d. d. 23-07-2025) is als bijlage 1 bijgevoegd. van

het onderhavige initiatief is door Kragten

een

inventarisatie uitgevoerd

naar

Op grond van de lage personendichtheid en de wijze van gebruik door de Stichting Voedselbank Zuidplas kan het onderhavige pand als een beperkt kwetsbaar gebouw beschouwd worden. Gelet op het beoogde gebruik is er op grond van Bijlage 1 'B. Begrippen: gebruiksfuncties behorende bij het Besluit bouwwerken leefomgeving' sprake ,

,

,

pagina 28 van 40

bijeenkomstgebouw (gebouw of gedeelte daarvan met alleen een of meer bijeenkomstfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan). Dit beoogde gebruik valt in de categorie beperkt kwetsbaar conform Bijlage VI 'A. Beperkt kwetsbare gebouwen' behorende bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. van

een

Externe veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg spoor en water) en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen. Op de navolgende afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de risicobronnen weergegeven. ,

Uitsnede risicokaart , plangebied rood omkaderd (bron: Kragten/Atlas Leefomgeving)

Transportroute gevaarlijke stoffen Op een afstand van ca. 11 km bevindt zich de spoorlijn Rotterdam – Utrecht. Deze route is in het gebruik voor het ,

transport van gevaarlijke stoffen en zijn opgenomen in het basisnet welke zijn voorzien van een brand- explosieen gifwolkaandachtsgebied. Het plan ligt op voldoende afstand van deze aandachtsgebieden. ,

Voor de N219 geldt dat deze op meer dan 100m afstand ligt. Deze provinciale weg is niet opgenomen in de Atlas Leefomgeving. Conform gemeentelijk beleid geldt voor de provinciale wegen dat er geen 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour buiten de

wegen

ligt en dat in de gemeente Zuidplas vrijwel

geen

groepsrisico

voorkomt hoger dan 01 maal de oriëntatiewaarde. Het is niet aannemelijk dat het beoogde gebruik een significante invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. ,

pagina 29 van 40

Risicovolle inrichtingen Op ca. 40m van de planlocatie bevindt zich het hart van een risicovolle inrichting. Het betreft de opslagtank propaan.

Het plangebied bevindt zich niet binnen het aandachtsgebied

van

deze inrichting

,

van

waardoor deze

risicobron niet relevant is voor de planontwikkeling. Hoogspanningsleiding Het initiatief bevindt zich onder een hoogspanningsverbinding. Dat vormt ook de aanleiding voor het onderhavige initiatief waardoor niet langer sprake zal zijn van wonen op deze locatie. Overigens vormt de hoogspanningsleiding geen relevante risicobron vanuit het aspect externe veiligheid. Er kunnen wel gezondheidseffecten optreden vooral ,

,

bij kinderen als zij langdurig binnen het magneetveld verblijven. In de beoogde situatie zullen er weliswaar personen aanwezig zijn maar slechts gedurende (delen van) enkele dagen per week. Bovendien is het initiatief ,

,

niet gericht op kinderen. Daarmee kan gesteld worden dat de gezondheidsrisico’s van de hoogspanningsleiding aanvaardbaar zijn. Buisleidingen Het plan ligt op ruim 190 meter van hogedruk aardgasleiding A-518. Deze buisleiding kent ter hoogte van het plangebied geen PR 10 -6 contour waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor de ontwikkeling binnen het ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17079333/2