Bijlage 3 Handreiking zorgplicht Milieu voor kunstgrasvelden, nov.24 A25.000492
Tekst van het document
HERZIENE VERSIE 2024
Handreiking Zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden Zeist, november 2024
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden november 2024
Publicatie in opdracht van:
2
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
Inhoudsopgave Voorwoord ........................................................................................ 4 Leeswijzer .......................................................................................... 5 1 Inleiding .......................................................................................... 6 2 Zorgplicht ....................................................................................... 7 3 Opbouw kunstgrasveld ................................................................ 9 4 Toepassen van bouwstoffen en grond .................................. 12 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.5 4.7
Bouwstof versus grond ................................................................................................... 12 Milieuhygiënische kwaliteit ........................................................................................... 12 Milieuverklaring bodemkwaliteit .................................................................................. 13 Overige toepassingsvoorwaarden .............................................................................. 14 Open en geslotenschuimbeton .................................................................................. 15 PFAS ................................................................................................................................. 15 Meer informatie.............................................................................................................. 15
5 Maatregelen terinvulling van dezorgplicht ........................... 16 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Nulmeting bij aanlegveld ............................................................................................. 16 Kennis van dematerialen ............................................................................................. 16 Voorkoming van milieuverontreiniging bij toepassing van SBR infillrubber ................. 16 Eisen aan SBR-infillrubber van gemalen autobanden ................................................ 18 Onderzoek om mate van vervuiling rondom veld te bepalen ............................... 18
6 Verspreiding van infillmateriaal (alle typen) en vezels tegengaan .................................................................................. 20 6.1 Achtergrondinformatie ................................................................................................. 20 6.2 Praktische aanbevelingen............................................................................................ 20
7 Biociden, schoonmaak- en reinigingsmiddelen en reinigen met water............................................................................................. 26 7.1 Inleiding .......................................................................................................................... 26 7.2 Relevante wet- enregelgeving.................................................................................... 26 7.3 Maatregelen ter invulling van de zorgplicht................................................................ 28
8 Referenties ................................................................................... 29 Bijlage A ................................................................................................................................. 30
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
3
Voorwoord In oktober 2019 heeft de BSNC het
zorgplichtdocument milieu kunstgrasvelden gepubliceerd. Dit
document is geüpdatet in 2021 en heeft bijgedragen aan meer aandacht voor het milieu bij de aanleg en het beheer van kunstgrasvelden. We zien dat er op veel sportvelden voorzieningen zijn aangebracht om de verspreiding van vezels en infillmateriaal te voorkomen. Vanaf begin 2024 is de Omgevingswet van kracht, waardoor een groot aantal wettelijke maatregelen in andere wetgeving terecht zijn gekomen. Tevens is de Regeling bodemkwaliteit 2022 ingevoerd, waarin ook aandacht is voor niet-genormeerde stoffen. Daarnaast is er een aantal ontwikkelingen die ook relevant zijn voor de Handreiking zorgplicht , met name het EU-verbod op de verkoop van polymere infillmaterialen, de PAK-regelgeving en een aantal andere items. De BSNC benadrukt dat de Zorgplicht milieu niet alleen vraagt om maatregelen om de verspreiding van polymerische infill en vezels te voorkomen, maar ook geldt voor natuurlijke infillmaterialen. Deze horen ook niet in het milieu thuis. De
BSNC
bedankt
haar
partners
en
stakeholders
(Routekaartraad,
NOC*NSF,
VSG,
Omgevingsdiensten) voor hun bijdrage. De BSNC wenst dat de Handreiking zorgplicht een actueel en levend document is en heeft daarom deze nieuwe versie 2024 uitgebracht.
De update van het document is uitgevoerd door de werkgroep Zorgplicht van de BSNC. Hierin namen deel: • Hans Arends (BSNC, secretaris) • Ulbert Hofstra (SGS INTRON, voorzitter) • Evert Mandemaker (BAS) • Arie Verhoef (Vereniging VACO) • Paul de Wilde (Rijkswaterstaat, IPLO) • Christianne van der Zouw (Finovi) • Daan van der Kooij (gemeente Tilburg) • Jelger Goudberg (MORV adviseurs) • Koen Beelen (BSNC)
4
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
Leeswijzer Hoofdstuk 1 gaat in op de achtergrond van deze handreiking en geeft de status van het document aan. In hoofdstuk 2 gaan we nader in op de zorgplicht en de verschillende vormen daarvan. In hoofdstuk 3 wordt de opbouw van het kunstgrasveld toegelicht met de daarin toegepaste materialen. In bijlage A wordt per materiaal aangegeven wat voor deze materialen de bewijsmiddelen zijn in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Hoofdstuk 4 gaat nader in op het toepassen van bodem en grond en de wetgeving die daarop van toepassing is. In hoofdstuk 5 en 6 worden concrete maatregelen gepresenteerd waarmee voldaan kan worden aan de zorgplicht. In hoofdstuk 5 gaat het vooral om het tegengaan van de uitloging van zink uit SBR infillrubber. In hoofdstuk 6 gaat het om concrete maatregelen waarmee de verspreiding van infillmateriaal en vezels vanaf het kunstgrasveld wordt voorkomen. Hoofdstuk 7 behandelt het omgaan met biociden en reinigingsmiddelen.
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
5
1
Inleiding
Achtergrond en probleembeschrijving Bij de aanleg en het onderhoud van kunstgrassportvelden is sprake van potentieel milieubelastende activiteiten, denk aan de verspreiding van vezels en instrooimaterialen buiten het veld, de uitloging van stoffen naar de bodem of de lozing van afvalwater in het oppervlaktewater of het openbaar riool. Voor al deze activiteiten geldt onder de Omgevingswet de zorgplicht. In het volgende hoofdstuk gaan we nader in op deze zorgplicht. Afbakening/status van dit document Dit document beschrijft aanbevelingen voor het milieuverantwoord toepassen van materialen bij de aanleg en het onderhoud en de renovatie van kunstgrasvelden. Zowel gezondheidsaspecten (deels) als milieuaspecten zijn hierbij meegenomen. Hiermee kan invulling worden gegeven aan de specifieke zorgplichtbepalingen uit de Omgevingswet. Tevens wordt ingegaan op algemene milieuregelingen waarmee de eigenaar/beheerder van een kunstgrassportveld mee te maken heeft, met name het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) met daaraan gekoppeld de Regeling bodemkwaliteit 2022 en de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden 12. De aanbevelingen richten zich primair op: •
maatregelen om de verspreiding van infillmaterialen (alle typen) en kunststofvezels buiten het kunstgrassportveld te voorkomen;
•
maatregelen om bodemverontreiniging (zink uit SBR infillrubber, minerale olie uit alle polymerische infills) te voorkomen;
•
PAK’s en overige aandachtstoffen in SBR infillrubber;
•
correct toepassen van bouwstoffen en grond en beoordeling van de bijbehorende milieuverklaringen bodemkwaliteit conform het Bal en het Bbk;
•
het juist toepassen van zeepoplossingen en biociden;
•
het juist afvoeren of reinigen van afvalwater van diep reinigen.
Daarnaast gaan de aanbevelingen in op de wettelijke verplichtingen die voortvloeien uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk).
1 De aanbevelingen hebben geen betrekking op arbeidsomstandigheden. Hiervoor wordt verwezen naar BSNC-publicaties [ref.7,8] 2 Voor advies over hoe te handelen bij de renovatie/ombouw van kunstgrasvelden wordt verwezen naar BSNC-publicatie [ref.9]
6
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
2
Zorgplicht
Het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem is een potentieel milieubelastende activiteit. Hiervoor geldt een specifieke zorgplicht onder de Omgevingswet die sinds 1 januari 2024 van kracht is. De activiteit valt onder het Besluit activiteit leefomgeving (Bal). Het Bal stelt eisen aan het toepassen van bouwstoffen, zoals het terug neembaar aanbrengen van die bouwstoffen, zodat het verwijderd kan worden als het bouwwerk of in dit geval het kunstgrasveld niet meer wordt gebruikt. Daarnaast is er voor de toepassing van grond en bouwstoffen het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) dat eisen stelt aan de milieuhygiënische kwaliteit van die grond en bouwstoffen. Het Bbk stelt ook eisen aan hoe die kwaliteit aangetoond moet worden. Een andere activiteit waarvoor een specifieke zorgplicht geldt is het lozen van water op het oppervlaktewater of op het riool. Dit geldt bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, voor het water dat vrijkomt bij de diepe reiniging van kunstgrassportvelden. Ook deze activiteit valt onder het Bal. In de Europese kaderrichtlijn water die vanaf 2027 van kracht wordt, staat de bronaanpak centraal. Hierdoor wordt het nog belangrijker dat er geen vervuild water geloosd wordt op het oppervlaktewater direct, of via het openbare rioolstelsel. De Omgevingswet kent ook een algemene zorgplicht.
Dit houdt in dat overheid, bedrijven, verenigingen en burgers verantwoordelijk zijn voor een gezonde leefomgeving. De algemene zorgplicht is van toepassing als er geen specifieke zorgplicht van toepassing is. Daarnaast is er in de Omgevingswet nog een algemeen verbod. Dit houdt in dat het verboden is om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de leefomgeving ontstaan. Bijvoorbeeld van een milieuverontreiniging die aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water veroorzaakt. Een belangrijke verplichting voor de degene die verantwoordelijk is voor een activiteit, is dat deze de best beschikbare technieken gebruikt (BBT). Voor veel activiteiten dan wel handelingen zijn vanuit wet- en regelgeving BBT geheel of gedeeltelijk voorgeschreven. Voor aanleg en beheer van kunstgrasvelden is geen specifieke BBT vastgelegd. Deze handreiking geeft invulling welke technieken wel als BBT gezien kunnen worden met het doel de bescherming van het milieu. Dit geldt zowel voor de bescherming van de bodem door de uitloging van stoffen, als voor het tegengaan van de verspreiding van infillmateriaal en kunstgrasvezels naar de omgeving van een kunstgrassportveld. Opdrachtgevers, opdrachtnemers en adviseurs kunnen op basis hiervan vaststellen welke materialen onder welke voorwaarden toegepast kunnen worden.
De opdrachtgever en/of eigenaar van een veld draagt een eigen verantwoordelijkheid voor het naleven van de algemene zorgplicht tijdens de aanleg, het onderhoud en de renovatie van het kunstgras sportveld. De zorgplicht geldt voor iedereen, dus ook adviseurs, opdrachtnemers, opdrachtgevers en eindgebruikers (verenigingen) kunnen hierop worden aangesproken. Voor informatie over het hergebruik van materialen bij renovatie en ombouw van een kunstgrasveld wordt verwezen naar het renovatiedocument [ref.9].
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
7
Als er toch een verontreiniging ontstaat, dan volgt uit het curatieve aspect van de specifieke zorgplicht uit het Bal onder meer, dat de veroorzaker verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan te maken. Redelijkerwijs betekent dat er een verband is tussen de kosten van opruiming en de milieuwinst en dat maatregelen mogen uitgesteld worden tot een natuurlijk moment, zoals een renovatie of ombouw, mits daardoor de mogelijkheid tot schoonmaken niet wordt verslechterd. Bij verontreinigingen die zijn ontstaan voor 1 januari 2024 geldt de zorgplicht uit de oude wet bodembescherming / wet milieubeheer. Het bevoegd gezag kan aanwijzingen geven met betrekking tot de te nemen maatregelen. Het curatieve aspect van de zorgplicht is niet nader uitgewerkt in dit document. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of sprake is van een juiste invulling van de zorgplicht. Een opdrachtgever en/of eigenaar kan de afweging maken om voorafgaand aan de uitvoering van de te nemen maatregelen dit te bespreken met het bevoegd gezag.
8
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
3
Opbouw kunstgrasveld
In Nederland liggen ca. 2.200 kunstgras voetbalvelden en ca. 1.000 kunstgras hockeyvelden. Daarnaast zijn er nog heel veel trapveldjes met kunstgras. Kunstgras wordt op grote schaal toegepast bij de sporten voetbal, hockey, korfbal en tennis en op kleinere schaal bij handbal, rugby en honkbal. Deze velden liggen meestal op openbaar en semi-openbaar terrein. Kunstgrasvelden zijn in Nederland aangelegd in de periode van 1976 (1e hockeyveld in Nederland bij Kampong) tot nu. In de loop van de jaren en door de doorontwikkeling van funderingen en materiaaltechnische voorschriften zijn veel verschillende bouw- en funderingsmaterialen toegepast. De opbouw is afhankelijk van het type sport (het doel) waarvoor het veld wordt gebruikt. Dit heeft voornamelijk te maken met de sporttechnische eisen die hieraan worden gesteld. Zo vraagt hockey om een ondergrond waarbij de bal strak en vlak over het veld kan rollen, terwijl het bij kunstgras voor voetbal noodzakelijk is dat spelers hun voet onder de bal kunnen plaatsen en dat ze daarbij stabiel blijven staan. Bij voetbalkunstgras zijn de sporttechnische voorschriften opgebouwd met een natuurgrasveld in optimale staat als referentie. Een kunstgras sportveld is in het algemeen opgebouwd uit drie lagen: een toplaag, een fundering (sporttechnische laag) en een onderbouw. Deze lagen zijn weer opgebouwd uit diverse onderdelen (zie figuur 2.1).
Figuur 2.1 Opbouw van een kunstgras sportveld In de volgende alinea’s worden de drie onderdelen van een kunstgras sportveld kort toegelicht; dit zijn de toplaag, de fundering en de onderbouw.
Toplaag Kunstgras is gemaakt van een kunststof. Vanwege de huidvriendelijke eigenschappen geniet (polyethyleen) tegenwoordig de voorkeur.
PE
Kunststoffen zijn er in verschillende kwaliteiten en
dichtheden. Kunstgrasfabrikanten benutten die, of combinaties daarvan, om kunstgrasvezels in verschillende vormen, lengtes of diktes te maken. De eerste kunstgrasvezels voor voetbal werden geacht om, mechanisch of door gebruik, te fibrilleren naar afzonderlijke filamenten. Tegenwoordig worden vooral combinaties van gefibrilleerde en monofilament vezels toegepast.
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
9
Voor voetbalvelden waar de sporttechnische eigenschappen deels uit de kunstgrasmat worden gehaald, is een ander infillmateriaal in het kunstgras noodzakelijk dan voor hockeyvelden of korfbalvelden, waar de demping uit de foamlayer, e-layer of fundering wordt gehaald. Overigens hebben ook meer dan 50% van de huidige voetbalvelden een foamlayer, e-layer of shockpad. Hockeyvelden en korfbalvelden hebben alleen zand als infillproduct. Voetbalvelden zijn nog grotendeels voorzien van polymerische infillproducten (SBR, TPE of EPDM) . Voor voetbal gebruikt men de volgende infillmaterialen: • infillzand (als stabilisatielaag); • SBR (gemalen rubber van autobanden. Dit betreft zowel personenautobanden als vrachtautobanden); • TPE (thermoplastisch elastomeer); • EPDM (synthetisch rubber, zowel primair materiaal als gemalen gebruikte EPDM); • Kurk en/of kokos; • Maisresidu; • Houtvezels; • Overige (mengsels van) organische infill; • Biologisch afbreekbare infill; Europees verbod op de verkoop van microplastics De EU heeft een verbod ingesteld op de verkoop van toegevoegde microplastics (kleiner dan 5 mm) [ref.18]. Polymere infillmaterialen (SBR, TPE, EPDM, PE) vallen hieronder. Vezels die loskomen van de kunstgrasmat vallen er niet onder, want die zijn niet als microplastic toegevoegd.
Het verbod heeft voor infillmaterialen een overgangsperiode van 8 jaar en gaat daarmee in op 17 oktober 2031. Infillmaterialen mogen daarna nog wel toegepast worden, maar niet meer verkocht. Een eigenaar van een bestaand veld kan dus een voorraad aanleggen om materiaal bij te vullen, opdat deze velden benut kunnen worden tot het einde van hun levensduur of totdat de infill voorraad is opgebruikt. Het verbod geldt niet voor polymere infills met een lengte groter dan 5 mm en een diameter kleiner dan 5 mm met een lengte/diameter verhouding kleiner dan 3. Toch adviseert de BSNC om deze materialen niet toe te passen als infillmateriaal. Ze worden namelijk al expliciet uitgesloten in de materiaalspecificaties van sportinfrastructuur. Hierin is opgenomen dat het infillmateriaal 100% door de zeef 4mm moet gaan. Het verbod geldt ook niet voor biologisch afbreekbare infillmaterialen. Er moet dan wel met een testmethode uit bijlage 15 van de regeling van het verbod op microplastics worden aangetoond dat het infillmateriaal biologisch afbreekbaar is, De testmethode houdt in dat het materiaal een halfwaardetijd heeft van korter dan 180 dagen bij een testtemperatuur van 12 ºC. Dit is niet eenvoudig, aangezien het uiteraard niet de bedoeling is dat het infillmateriaal op het kunstgrasveld zelf al binnen een paar maanden biologisch afbreekt.
Overigens geldt ook voor afbreekbare infillmaterialen dat de verspreiding daarvan tegengegaan moet worden. Ze horen niet thuis op de bodem. Momenteel wordt in de branche gewerkt aan de ontwikkeling van mineraal gevulde velden en aan non-infill matten voor voetbal (en rugby). Mineraal gevulde velden bevatten uitsluitend een laag zand in de mat, maar geen ander infillmateriaal. Mineraal gevulde velden vallen binnen de scope van de richtlijnen van sportinfrastructuur en worden in beperkte mate al toegepast. Daarnaast wordt ook gewerkt aan non-infill velden zonder infill, die een veel hogere pooldichtheid hebben. Deze vallen buiten de scope en worden als innovatie behandeld.
10
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
Elastische laag Om de sporttechnische eigenschappen en het comfort van een kunstgrasvoetbalveld te verbeteren, kan er onder het veld een elastische shockpad laag worden ondergebracht. Een shockpad kan onderdeel van de toplaag zijn. Er zijn in situ shockpads en prefab shockpads. In situ shockpads zijn elastisch gebonden shockpads, geproduceerd op locatie (E-layer of ET-decke). Prefab shockpads zijn geprefabriceerde foamlayers geproduceerd op rol of in plaatvorm.
Fundering De materialen voor de fundering zijn weergegeven in tabel 2 in bijlage A. In het verleden zijn soms voor de fundering mengsels van steenachtig materiaal (vooral lava) met grof tot matig grof SBR rubber gebruikt, zogenoemde dynamische funderingen. Sinds 2010 worden deze door de KNVB bij de nieuwbouw van kunstgrasvoetvalvelden niet meer toegestaan. Voor hockey- en korfbalvelden mogen nog wel dynamische funderingen worden toegepast. Tegenwoordig zijn er alternatieven voor het gebruik van lava. Dit heeft geleid tot een variëteit aan verschillende typen funderingslagen, waarbij verschillende materialen worden ingezet, zoals puingranulaat (ook bekend onder de merknaam RST), olivijn en E-bodemas.
Onderbouw De onderbouw bestaat in ca. 90% van de gevallen uit een zandlaag. De overige 10% bestaat uit bouwstoffen. Voor slecht draagkrachtige gebieden zijn lichtgewicht materialen in gebruik, zoals BIMS, Argex, E-bodemas, AEC-bodemas of schuimbeton.
Constructiehoogte De constructiehoogte (toplaag + fundering + onderbouw) geeft de hoogte van de constructie aan, waarbij de kans op schade door vorstinvloeden geacht wordt op een acceptabel niveau te zijn. De standaard genormeerde constructiehoogte is in de kustzone 40 cm en in de rest van Nederland 50 cm. Als constructieve maatregelen zijn getroffen om de indringing van vorst in de constructie tegen te gaan, kan een constructie een gereduceerde hoogte krijgen en heet dit: een afwijkende constructie. Afwijkende constructies komen ook voor wanneer de natuurlijke ondergrond niet aan de randvoorwaarden voldoet, zoals bij zettingsgevoelige ondergronden het geval is. Zie hiervoor de constructiehoogte richtlijn NOCNSF-CONSTR/CONSTR2 .
Drainage In veel gevallen wordt, als onderdeel van de constructie, een drainagesysteem toegepast om de grondwaterstand te reguleren. Deze drainage bestaat uit PE of PP leidingen, eventueel in combinatie met een PVC-hoofddrain. De omhulling van de PE/PP drainpijp zou gezien de stimulering van de recycling van kunstgrasmateriaal kunnen bestaan uit gerecycled kunstgras.
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
11
4
Toepassen van bouwstoffen en grond
Kunstgrasvelden worden deels op, en deels in de bodem aangelegd. De wet- en regelgeving over bodembescherming is daarom zeer belangrijk. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geeft de regels rondom het toepassen van bouwstoffen. Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft de milieuhygiënische eisen aan bouwstoffen en grond en geeft aan hoe deze kwaliteit aangetoond moet zijn.
4.1
Bouwstof versus grond
Het Bbk hanteert de volgende definitie van een bouwstof: ‘Materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedraagt, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond en baggerspecie, in de hoedanigheid waarin het is bestemd om te worden toegepast.’ De kunstgrasmat is dus geen bouwstof Grond of baggerspecie mag niet in bouwstoffen worden weggemengd. In een partij bouwstoffen kan wel grond of baggerspecie zijn terechtgekomen (bijvoorbeeld bij ontgraving van bouwpuin voorafgaand aan het breken). Dit is niet meteen een reden om de partij bouwstoffen als zodanig af te keuren. Richtlijn is dat een partij bouwstoffen niet met meer dan 20 gewichtsprocenten grond of baggerspecie mag zijn vermengd5. Als te veel grond in de bouwstof aanwezig is, kan dit bijvoorbeeld worden afgezeefd. Onder grond valt kortweg materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, maar ook bijvoorbeeld van nature in de bodem voorkomend grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Zand afkomstig van een zandwinning valt daarmee onder grond.
Brekerzand (zeefzand) daarentegen is bijvoorbeeld afkomstig uit gebroken puin, waarmee het niet een materiaal is dat van nature in de bodem voorkomt. Dit materiaal is daarom een bouwstof.
4.2
Milieuhygiënische kwaliteit
Conform het Bal mag men alleen die bouwstoffen toepassen die voldoen aan de maximale samenstellings- en emissiewaarden als weergegeven in bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk). Grond (zand) mag men alleen toepassen wanneer de milieuhygiënische kwaliteit van het materiaal beter dan of gelijk is aan de kwaliteit van de bodem waarop men het aanbrengt (zelfde of schonere bodemkwaliteitsklasse). Daarbij moet de kwaliteitsklasse gelijk of beter zijn dan de bodemfunctieklasse die aan de bodem toegekend is. In bijlage B van de Rbk zijn van de verschillende kwaliteitsklassen de maximale toe- gestane waarden weergegeven.
7 Het gaat bij de bepaling in artikel 26 Bbk (maximaal 20% bijmengingen met grond toegestaan) niet om grond die als grondstof wordt toegepast voor het maken van een bouwstof (zoals in beton).
12
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
4.3 Milieuverklaring bodemkwaliteit Bij levering van bouwstoffen of grond (of zand) voor toepassing in een kunstgrasveld moeten de kwaliteits- waarden aangegeven zijn op de bij te leveren milieuhygiënisch verklaringen. De milieuhygiënische verklaring is een door de leverancier getekende verklaring, waarin hij stelt dat het geleverde materiaal voldoet aan de eisen uit het Bbk. Deze milieuhygiënische verklaring kan zijn gebaseerd op drie soorten bewijsmiddelen:
Erkende kwaliteitsverklaring Een producent van bouwstoffen die is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat kan de erkende kwaliteitsverklaring gebruiken als milieuverklaring bodemkwaliteit. Een erkende kwaliteitsverklaring
heeft
betrekking
op
een
gecertificeerde
bouwstof
waarvoor
een
productcertificaat is afgegeven volgens een vastgestelde beoordelingsrichtlijn (BRL). Het productcertificaat heeft betrekking op de eigenschappen van de bouwstof voor wat betreft samen- stelling en uitloging en geeft aan dat (en hoe) de bouwstof toepasbaar is. Het gaat om een producttype van een bouwstof die uit een gecontroleerd productieproces komt en die van gewaarborgde en constante kwaliteit is. Dan hoeft niet elke partij uit zo'n stroom bemonsterd te worden. Veruit het grootste deel van de minerale bouwstoffen die in Nederland worden toegepast, is voorzien van een productcertificaat op basis van een erkende BRL.
Fabrikant-eigenverklaring Een fabrikant-eigenverklaring is een milieuhygiënische verklaring die de producent zelf afgeeft. Hierbij vinden geen periodieke externe controles door een erkende certificerende instelling plaats. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het product ligt dus volledig bij de fabrikant. Voor fabrikanten is dit een handig middel voor producten waarbij zware borging van de kwaliteit onnodig is, namelijk bij bouwstoffen waarvan de samenstellings- en emissiewaarden altijd ruim onder de norm liggen en waarbij voortdurende controle niets toevoegt aan de milieuhygiënische kwaliteit van het product. Voordat een producent een fabrikant-eigenverklaring mag afgeven, moet hij door middel van een toelatingskeuring aantonen dat zijn product aan de gestelde eisen voldoet. Ook dit type verklaringen worden over het algemeen afgegeven bij bouwstoffen die nieuw op een werk worden geleverd.
Verklaring op grond van partijkeuring Partijkeuringen worden allereerst verricht voor het afgeven van een verklaring op grond van een partijkeuring. Van elke partij bouwstoffen kan de kwaliteit worden bepaald met een partijkeuring. Meestal is dit een terugvaloptie, wanneer een ander type milieuhygiënische verklaring niet mogelijk of zinvol is. De monsterneming moet gebeuren door een erkende persoon of instelling. Dit type verklaring gebruikt men over het algemeen wanneer men bouwstoffen hergebruikt. Partijkeuringen vinden plaats op basis van SIKB 1000 – het protocol is afhankelijk van type materiaal. Bij mengsels van materialen moet de opdrachtgever altijd een bewijsmiddel hebben van het gehele mengsel. Ook grond/zand dat aangeleverd wordt, moet zijn voorzien van een milieuhygiënische verklaring. Naast één van de drie bovengenoemde bewijsmiddelen, gelden voor grond/zand ook bodemonderzoeken en bodemkwaliteitsverklaringen binnen het Bbk als bewijsmiddel. Bij renovatie/verwijdering van kunstgras sportvelden is dat niet zo – behalve in geval van verwijdering waarbij men grond aanvoert om de bodem weer te egaliseren voor verder gebruik. Hier gaan we dan ook niet verder op in. In bijlage A geven we een overzicht van de materialen die in een kunstgras sportveld worden gebruikt, en de beschikbare bewijsmiddelen.
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
13
Vrijstelling van onderzoeks-, meld en/of informatieplicht De milieu hygiënische kwaliteit
van bouwstoffen en/of
grond (of zand) hoeft men niet te
onderzoeken wanneer sprake is van een tijdelijke uitname. Binnen het Bal (paragraaf 3.48 voor grond en paragraaf 4.123 voor bouwstoffen) verstaat men het volgende onder een tijdelijke uitname: Het tijdelijk verplaatsten of uit een werk wegnemen van grond of bouwstoffen, als deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw worden aanbracht. Het terugplaatsen van de grond na het tijdelijk uitnemen, is geen nieuwe toepassing. Daarom gelden hier niet de regels uit de milieubelastende activiteit toepassen van grond. Dat betekent dat voor het terugplaatsen ook geen melding voor het toepassen van grond nodig is. Ook is geen milieuverklaring bodemkwaliteit nodig om de kwaliteit van de terug te plaatsen grond aan te tonen. Het terugbrengen van grond niet is toegestaan als de grond een bewerking heeft ondergaan anders dan het uitzeven van bodemvreemd materiaal (het uitzeven van bodemvreemd materiaal is dus wel toegestaan) Voor graven kan wel een meldings- of informatieplicht gelden (art. 4.1258 en 4.1250). Voor bouwstoffen geldt bij de tijdelijke uitname dat men geen kwaliteit hoeft te bepalen (en dus geen milieuverklaring bodemkwaliteit nodig is), indien sprake is van het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen van bouwstoffen zonder dat het eigendom wordt overgedragen (Bal paragraaf 4.123).
Ook hier geldt dat de algemene voorwaarden van het Bbk wel van toepassing blijven. Arbo technische aspecten van het aanbrengen van bouwstoffen komen aan de orde in het renovatiedocument [ref.9]. De bovengenoemde uitzonderingen (tijdelijke uitname) gelden niet wanneer men redelijkerwijs kan aannemen dat de milieuhygiënische kwaliteit niet voldoet aan het Bbk (als grond of materiaal kwalitatief niet aan de Bbk-normen voldoet, geldt de Wet milieubeheer (Wm)). In dat geval is een onderzoek conform het Bbk nodig om te bepalen of het Bbk van toepassing is of niet.
4.4
Overige toepassingsvoorwaarden
In aanvulling op de eisen aan de toe te passen bouwstoffen kent het Bal toepassingsvoorwaarden, met name functionaliteit en terugneembaarheid. Het toe te passen materiaal moet functioneel zijn. Dat wil zeggen dat een materiaal niet mag worden toegepast als het geen functie in het systeem heeft. Net zoals nodeloos dikke lagen. Dit is vooral relevant voor bouwstoffen met een negatieve waarde. Mengsels van bouwstoffen en niet-steenachtige bouwstoffen, zoals lava en rubbergranulaat, zijn alleen toegestaan als het mengsel functionele eigenschappen heeft. Het advies is om bij aanleg van nieuwe kunstgrasfunderingen dergelijke mengsels niet meer toe te passen onder een kunstgrasveld, om het vrij komen van moeilijk toepasbare mengsels aan het einde van de levensduur te voorkomen. Bouwstoffen moet men altijd terug neembaar aanbrengen met een goede scheiding van andere materialen. Als de scheiding door dezelfde kleur en korrelgrootte niet duidelijk is, is het aan te raden een visuele scheiding (bijv. geotextiel of een dun laagje zand met een andere kleur) aan te brengen. Bouwstoffen moet ook worden verwijderd wanneer een werk zijn functie verliest. Bij mengsels van materialen moet de opdrachtgever altijd een bewijsmiddel van de milieuhygiënische kwaliteit hebben van het gehele mengsel.
Voor informatie over het hergebruik van materialen bij renovatie en ombouw van een kunstgrasveld wordt verwezen naar het renovatiedocument [ref.9].
14
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
4.5
Open en gesloten schuimbeton
Schuimbeton kan worden gebruikt als lichtgewicht funderingslaag. Er zijn twee varianten: waterdoorlatend (open) schuimbeton en waterondoorlatend (gesloten) schuimbeton. Bij waterondoorlatend schuimbeton vindt de horizontale waterafvoer plaats door de kunststof tegels of een shockpad onder de mat op het schuimbeton. In het verleden zijn bij waterdoorlatend schuimbeton problemen opgetreden doordat het uittredende water een hoge zuurgraad (lage pH) had. Dit had negatieve effecten op de kwaliteit van het oppervlaktewater, namelijk (tijdelijk) een melkachtig slootwater. Bij gesloten (waterondoorlatend) schuimbeton doet dit probleem zich niet voor. Om in zulke situaties nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk te voorkomen, wordt aanbevolen altijd vroegtijdig contact op te nemen met het bevoegd gezag (omgevingsdienst en het waterschap) om in overleg te bezien onder welke voorwaarden schuimbeton kan worden toegepast. Het bevoegd gezag kan toepassers vooraf om informatie vragen en zo nodig, bij voorbaat in de vorm van een beleidsregel, aangeven in welke gevallen zich nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater voordoen. Indien desondanks sprake is van zodanige nadelige gevolgen, en de toepasser voldoet niet aan de verplichting om deze ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken, kan het bevoegd gezag tot handhaving overgaan.
4.5 PFAS Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) krijgen de laatste tijd veel aandacht. In kunstgrasvelden is de aanwezigheid van PFAS mogelijk doordat deze stoffen werden gebruikt als extrusiehulpmiddelen bij de productie van vezels voor kunstgrasmatten. Ze kunnen daarom nog in lage concentraties in kunstgrasmatten worden aangetroffen. Het verdient daarom aanbeveling om het gehalte PFAS altijd mee te nemen in onderzoeken van de bodem voor aanleg (nul-situatie) en bij onderzoeken naar de verontreiniging in de bermen rondom kunstgrasvelden.
4.7
Meer informatie
Als er iets onduidelijk is in het al dan niet mogen toepassen van materialen, adviseren we om in overleg te gaan met het bevoegd gezag. Dit is vrijwel altijd de gemeente. Veel gemeenten hebben hun taken op dit gebied overgedragen aan een gezamenlijke milieudienst of omgevingsdienst. Een overzicht van al deze diensten is te vinden op www.omgevingsdienst.nl
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
15
5 5.1
Maatregelen ter invulling van de zorgplicht Nulmeting bij aanleg veld
De aanbeveling is om bij aanleg van een kunstgras sportveld een nulmeting te doen naar de kwaliteit van de grond onder het aan te leggen kunstgrasveld en van het maaiveld in de directe omgeving van het kunstgrasveld. De nulmeting dient als referentie om tijdens het gebruik van het kunstgrasveld en na de verwijdering van het kunstgrasveld eventuele verhoging van gehalten van stoffen in de bodem te kunnen vaststellen. In het de Handreiking renovatie en ombouw kunstgrasvelden van de BSNC wordt aangegeven welke onderzoeken gewenst zijn bij renovatie en ombouw van kunstgrasvelden.
5.2
Kennis van de materialen
Om vragen ten aanzien van de milieu- en gezondheidsaspecten van kunstgrasvelden te kunnen beantwoorden, is nodig dat de eigenaar/beheerder van het veld beschikt over de gegevens over de herkomst en milieuhygiënische kwaliteit van de toegepaste materialen en deze inzichtelijk en toegankelijk documenteert.
Het
gaat
hierbij
o.a.
over
afleverbonnen,
certificaten,
partijkeuringen,
productinformatiebladen, etc. Deze informatie is relevant voor het verwerken van het materiaal aan het eind van de levensduur. De eigenaar/beheerder dient deze informatie dan ook gedurende de gehele toepassingsduur van de materialen te bewaren. Dit geldt tevens voor de veiligheidsinformatiebladen van de chemische stoffen die worden gebruikt (hoofdstuk 7) De eigenaar/beheerder dient verder te beschikken over kennis en deskundigheid ten aanzien van de milieuaspecten van kunstgrasvelden.
5.3
Voorkoming van milieuverontreiniging bij toepassing van SBR infillrubber Achtergrondinformatie Rubbergranulaat van gemalen autobanden bevat zinkoxide. Dit zinkoxide is een vulkanisatie hulpmiddel bij de productie van rubber en komt in het rubber van autobanden voor in gehaltes van ca. 1,5 % (m/m). Een klein deel van dit zinkoxide lost in de loop van de tijd op en kan in de loop van de gebruiksduur van het kunstgras sportveld uit de SBR uitlogen naar de ondergrond. Deze uitloging van zink mag niet leiden tot verontreiniging van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater onder en rondom het kunstgras sportveld. Uit onderzoek is gebleken dat het mogelijk is om rubbergranulaat van gemalen personen- en bestelauto- banden en bedrijfsautobanden (SBR) milieuhygiënisch verantwoord toe te passen als infillmateriaal in kunstgras voetbalvelden, mits er een funderingslaag onder het kunstgras sportveld wordt gebruikt, die voorkomt dat zink, dat uit het rubbergranulaat loogt, in de bodem terecht komt. Het onderzoek aan een standaard veldopbouw (zie hoofdstuk 3) toont aan dat het zink gedurende een lange tijd in de onderlagen van de kunstgrasconstructie wordt geadsorbeerd, zodat er geen sprake is van een milieuverontreiniging door zink van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater [ref.2-5].
16
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
Systeemopbouw met SBR-infillrubber waarbij er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu ten gevolge van uitloging van zink Bij de onderstaande systeemopbouw is geen sprake van nadelige gevolgen voor het milieu, mits wordt voldaan aan de genoemde criteria. Systeemopbouw 5.3.1
Toepassing van SBR-infillrubber van gerecyclede autobanden, max. 15 kg/m2.
5.3.2
Toepassing op een veld met een drainerende onderlaag van zand, of de combinatie van
zand en een fundering, met een minimale laagdikte van 40 cm en een drainage onder in de onderbouw. De volgende criteria zijn van toepassing: 5.3.3
De onderlagen moeten zijn opgebouwd uit een combinatie van zand en een fundering (samen
minimaal 40 cm). Het zand moet voldoen aan de eisen voor funderingsdrainagezand of onderbouwdrainagezand, zoals weergegeven in materiaalspecificaties
van
sportinfrastructuur
6
voor
ongebonden onderbouw van kunstgrasvelden. 5.3.4
De pH (CaCl2) van het zand moet groter zijn dan 6,5.
5.3.5
De onderlaag moet ‘terug neembaar’ worden aangebracht, zodat deze bij een eventuele
verwijdering op lange termijn herkenbaar is.
Onderzoek bij hergebruik van de fundering en opnieuw toepassen van SBR infillrubber Bij hergebruik van de fundering moet voor de fundering en de onderbouw door onderzoek worden vastgesteld, wat de resterende adsorptiecapaciteit voor zink is. Het gehalte zink moet voldoen aan de eis voor de functieklasse achtergrond. De adsorptiecapaciteit bij de natuurlijke pH van het ondergrondmateriaal moet minimaal gelijk zijn aan Kd = 50. Indien het zinkgehalte voldoet aan de functieklasse achtergrond en de absorptiecapaciteit tenminste Kd = 50 is, kan het lava en/of zand opnieuw worden gebruikt voor toepassing onder het kunstgras sportveld. Indien dit niet het geval is, moet het lava en/of zand worden verwijderd en vervangen. Het vrijkomende materiaal kan dan in principe elders worden toegepast, indien het voldoet aan het Besluit bodemkwaliteit. Ook kan worden gekozen voor het toepassen van een andere infill, want dan is geen absorptiecapaciteit meer nodig.
Wat te doen als SBR-infillrubber wordt toegepast en de gekozen systeemopbouw afwijkt Bij gebruik van andere minerale onderlaagmaterialen dan zand en lava moet de pH van het onderlaagmateriaal minimaal pH = 6,5 zijn. Tevens moeten de alternatieve onderlaagmaterialen aantoonbaar
voldoen
aan
de
eisen
voor
bouwstoffen
of
voor
grond,
functieklasse
achtergrondwaarde, uit het Bbk. Tevens moet de adsorptiecoëfficiënt van het onderbouwmateriaal voor zink vastgesteld zijn. Bij een laagdikte van 40 cm moet deze minimaal gelijk zijn aan Kd = 50 l/kg bij pH = 6,5. Bij gebruik van een dunnere onderlaag dan 40 cm (met een minimale laagdikte van 10 cm) moet door middel van een risicoberekening (zie bijlage B) worden aangetoond dat de laag voldoende capaciteit heeft om zinkuitloging op een termijn van tenminste 50 jaar te voorkomen. Indien er sprake is van een andere opbouw van de fundering en de onderbouw, moet men de berekeningswijze uit bijlage B volgen. In bijlage B is de minimale doorslagtijd, TZn, voor het zink te berekenen. De eis is: TZn > 50 jaar. In dat geval voldoet het sportveld aan de eis aan de minimale zinkadsorptie.
6. Zie https://sportinfrastrucftuur.nl
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
17
Eisen bij veld zonder adsorberende onderlagen Zonder de adsorptie van zink aan de constructieve onderlagen, is de uitloging van zink bij gebruik van SBR-infillrubber naar bodem en/of oppervlaktewater te hoog. Dit betekent dat bij gebruik van constructies zonder deze adsorberende lagen men geen SBR-infillrubber kan toepassen. Dit geldt bij toepassing van harde water ondoorlatende onderlagen, zoals dicht asfalt of water ondoorlatend schuim- beton. Er vindt dan horizontale afvoer van het regenwater vanaf het veld plaats. Dit water moet worden opgevangen en gecontroleerd op de zinkconcentratie. Bij te hoge zinkconcentraties moet het zink worden verwijderd uit het opgevangen water voordat het water geloosd mag worden. De eigenaar/opdrachtgever moet in overleg met het waterschap vaststellen wat de maximale zinkconcentratie mag zijn in het te lozen water.
5.4
Eisen aan SBR-infillrubber van gemalen autobanden
Het SBR moet aantoonbaar afkomstig zijn van gemalen autobanden (personen- en bestelautobanden of bedrijfsautobanden)3. De producent van het infillrubber moet dit verklaren en deze verklaring moet hij ter beschikking stellen aan de opdrachtgever. Bij twijfel of er uitsluitend sprake is van rubber van gemalen autobanden, kan een identificatieonderzoek worden uitgevoerd. Dit omvat minimaal de volgende items: •
FT-IR analyse om de rubber matrix te identificeren (SBR aantonen);
•
PAK-analyse (zie hieronder);
•
Zink-gehalte (0,5 - 3 m/m% zink).
De chemische samenstelling van het rubbergranulaat dient aan de volgende eisen te voldoen: a. De som 8 PAK (lijst REACH ANNEX XVII, ENTRY 50) is maximaal 20 mg/kg rubber [ref.15]. b. De som 18 PAK (lijst EPA) is maximaal 75 mg/kg rubber. c. Het gehalte zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en kandidaat stoffen (REACH, actuele candidate list SVHC van het Europees Agentschap Chemische Stoffen (ECHA)) is kleiner dan 0,1 gewichtsprocent. Deze ZZS-screening wordt uitgevoerd door gespecialiseerde laboratoria en duurt ca. 3 weken. Het voldoen aan de eisen voor PAK’s wordt door de leverancier van het rubbergranulaat aangetoond door overlegging van een analyserapport herleidbaar naar de geleverde partij, waarbij: a. Een representatief (maand)monster is verkregen conform het meest actuele protocol 1002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB), b. De samenstelling PAK’s wordt bepaald met behulp van de methode AfPS GS 2019:01 PAK. c. De analyse wordt uitgevoerd door een laboratorium dat is gecertifieerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025
5.5
Onderzoek om mate van vervuiling rondom veld te bepalen
De berm of het groen rondom een veld kan worden onderzocht op de aanwezigheid van polymerische infill (SBR, TPE of EPDM). Het onderzoek kan worden gedaan door via proefgaten de laag 0-10, de laag 10 - 20 en de laag 20 – 30 te onderzoeken. Het gat moet in elke onderliggende laag een stuk kleiner worden om contaminatie vanuit de bovenliggende laag te voorkomen. Aan de noord-oost kant doe je iets meer onderzoek omdat de meest voorkomende windrichting zuid-west is. In de praktijk blijkt dat de SBR vervuiling aan de noord-oost zijde het ‘grootst’ is. Onderzoek vindt plaats op het visueel waarnemen van rubberkorrels (indicatief) en via laboratoriumonderzoek op de parameters minerale olie en zink. Tenzij er grondbewerkingen hebben plaatsgevonden, vind je in de praktijk eigenlijk nergens SBR onder de 20 cm -mv. en max ca. 1,5 m buiten de verharding. Aangezien de vervuiling niet diep is, kan deze goed opgeruimd worden. Een hanteerbaar criterium voor opruimen is een overschrijding van de gehalten minerale olie en/of zink in de grond ten opzichte
3 SBR rubbergranulaat van gemalen autobanden dat bestemd is voor kunstgrasvelden is bij ministerieel besluit uit 2005 voorzien
18
van de einde-afval status [ref.19] Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
van de kwaliteitsklasse industrie. Indien de omgeving verdacht is (bv in binnenstedelijk gebied) is aan te raden om de lokale bodemkwaliteitskaarten te bestuderen om vast te stellen of er al niet een achtergrondvervuiling van minerale olie en/of zink aanwezig is. Bij een vervuiling die is ontstaan tussen 1987 en 2024 geldt het Overgangsrecht uit de Wet bodembescherming en moet een ontstane vervuiling tot de terugsaneerwaarde worden verwijderd.
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
19
6 6.1
Verspreiding van infillmateriaal (alle typen) en vezels tegengaan Achtergrondinformatie
In 2024 heeft de BSNC een onderzoek laten uitvoeren naar de verspreiding van infillmateriaal vanuit kunstgrasvoetbalvelden [ref. 16]. Dit onderzoek is uitgevoerd bij kunstgrassportvelden waarbij maatregelen waren getroffen om de verspreiding van infillmateriaal en vezels vanaf het veld tegen te gaan. Uit dit onderzoek blijkt dat met toepassing van deze maatregelen de verspreiding van infillmateriaal vanaf het veld zeer klein is. Het is hiermee sterk afgenomen ten opzichte van de verspreiding die in het vorige BSNC onderzoek in 2017 was gemeten [ref.1] Voor alle kunstgrasvelden en kunststofondergronden geldt dat ze met slijtage (van de vezels) te maken hebben. De kunstgrasvezel bestaat hoofdzakelijk uit een PP/PE (polypropyleen/polyethyleen) en dit zijn ook kunststoffen. Hierdoor valt kunstgras slijtageafval ook onder microplastics. De hoeveelheid aan potentiële microplastics ligt echter veel lager dan op voetbalvelden met polymerische infill. Daarbij moet worden opgemerkt dat oudere matten relatief harder slijten. De algemene toepassing van kantplanken bij hockeyvelden draagt al bij aan het tegengaan van de verspreiding van kunstgrasvezels. Het verdient aanbeveling om de kantplanken te laten aansluiten op de verharding. Ook de verspreiding van natuurlijke infillmaterialen als kurk, kokos en olijfpitten moet worden tegengegaan.
Dit zijn immers ook bodemvreemde materialen en vermenging met de bodem moet worden voorkomen. Een bestaande vervuiling door infillmateriaal rondom een bestaand kunstgras sportveld moet men zoveel mogelijk opruimen om verdere verspreiding en mogelijke uitloging te voorkomen. Ook nieuwe verspreiding moet op basis van de zorgplicht worden voorkomen. Paragraaf 5.2 geeft een overzicht van de aandachtpunten en voorbeelden van praktische maatregelen om verspreiding van infillmaterialen en kunstgrasvezels tegen te gaan. Deze maatregelen zijn bedoeld als voorbeelden. Het is aan de betrokkenen zelf om te bepalen hoe het eindresultaat (geen verspreiding van infillmaterialen en kunstgrasvezels) kan worden behaald. Dit kan op verschillende manieren. In 2020 is hiervoor ook een Europese praktijkrichtlijn uitgebracht [ref. 17]. Deze praktijkrichtlijn heeft niet de status van een wettelijk voorgeschreven standaard.
6.2Praktische aanbevelingen Om verspreiding van infillmateriaal en vezels rondom een kunstgras sportveld te voorkomen, kunnen de volgende typen maatregelen worden genomen:
20
•
Technische maatregelen bij aanleg.
•
Onderhoudsmaatregelen.
•
Maatregelen voor gebruikers.
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
Technische maatregelen bij aanleg Mogelijke maatregelen/voorzieningen Onderstaande opsomming bestaat uit voorbeelden van technische maatregelen bij kunstgrasvelden. Het is geen limitatieve lijst. Welke maatregelen genomen kunnen worden is afhankelijk van of het gaat om een bestaand kunstgras sportveld of nieuw aan te leggen kunstgras sportveld. Met tussen haakjes een N of B wordt aangegeven of het over nieuwbouw (= N) of bestaand (= B) gaat. •
Het kunstgras sportveld lager aanleggen dan de aanwezige verharding. Dit lijkt niet duurzaam, omdat meer grond moet worden ontgraven wat minder duurzaam is. Belangrijk is dat een bewuste keuze wordt gemaakt. De verharding kan ook wat hoger worden aangebracht, waardoor er niet meer hoeft te worden afgegraven. De verspreiding naar de omliggende verharding neemt af. (N)
•
De verharding onder afschot naar het kunstgras leggen, in plaats van naar de berm. (N)
•
Een verhoogde band (opsluitband) plaatsen aan de buitenzijde van de uitloopstrook/ veegtegel of onder het hekwerk. (Let op de voorschriften op www.sportinfrastructuur.nl verplichte uitloop, veiligheid). (N)
•
(Eventueel) aanwezige reclame boarding op de veegtegel zetten, wel of niet in combinatie met een kantplank (N en B).
Fig. 5.1 Reclameboarding op verharding
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
21
•
Een prefab betonplaat plaatsen met opstaande rand in combinatie met hekwerk/ reclame. (N)
•
Een kantplank plaatsen aan de binnenzijde van het leunhekwerk. Er zijn diverse typen (hoogte, breedte en materiaaltype) kantplanken hiervoor op de markt. In de Europese praktijkrichtlijn wordt een minimale hoogte van 20 cm geadviseerd. (N en B)
Fig. 5.2 Diverse typen kantplanken
•
Bij de hemelwaterafvoer uitstroomopening of als alternatief voor een kolk (rondom een kunstgras sportveld) een slibvangpunt met micro-plastics opvang plaatsen. Alternatief is de plaatsing van filterdoek in de hemelwaterafvoer. (N en B)
Fig. 5.3 Diverse typen waterfilterputten/lining
22
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
•
Bij elke toegangspoort een schoonmaakvoorziening en (indien mogelijk) binnen de hekwerken borstels plaatsen. Het schoonlooprooster of de borstelmatten bij voorkeur over de gehele breedte van de uitloopopening van het veld plaatsen en zo groot, dat spelers er hun voeten op moeten zetten en niet overheen kunnen stappen. In de praktijk betekent dit een loopdiepte van minimaal 150 cm; dusdanig lang en breed dat een gebruiker minimaal twee stappen op het rooster of de matmoet zetten. Dit komt overeen met de Europese praktijkrichtlijn. Een alternatieve oplossing is een wat smaller looprooster met een hekwerk erachter, zodat een soort sluisje wordt gecreëerd. (N en B)
•
Plaats een schoonmaakvoorziening voor de ingang van het clubhuis en of kleedkamer.
Fig. 5.4 Looprooster met optioneel een schoenenborstel
•
Filtertegels plaatsen op de kolken en/of lijngoten om te voorkomen dat het infillmateriaal in de hemelwaterafvoer terecht komt. (N en B)
•
Rubberen flappen of borstels plaatsen onder de enkele of dubbele poort (poortvleugel) toegang van het kunstgras sportveld; (N en B)
Fig. 5.5 Rubber flappen onder de poort
•
Kantplanken door laten lopen bij de looppoort. Spelers moeten dan over de kantplank stappen. Een nadeel hiervan is de bereikbaarheid van het veld voor mensen met een handicap, in een rolstoel en als er materiaal, bijvoorbeeld ballenkarretjes, het veld op moeten worden gereden.
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
23
Onderhoudsmaatregelen Ook bij onderhoudswerkzaamheden moet de verspreiding van infillmateriaal en vezels zoveel mogelijk worden beperkt. Vergroting van bewustwording bij de beheerders én gebruikers is daar een onderdeel van. Bijvoorbeeld: neem de benodigde werkzaamheden voor invulling van de zorgplicht op in een dagelijks werkschema, logboek of toolbox meeting. In het logboek kan worden teruggelezen welke maatregelen genomen zijn om aan de zorgplicht te voldoen. Suggesties voor onderhoudsmaatregelen: •
Stel eenduidige onderhouds- en gebruiksrichtlijnen op, met een praktische uitleg over de noodzaak van het voorkomen van verspreiding van infillmateriaal en vezels.
•
Via startoverleg, voorlichting en cursussen de inhoud onder de aandacht brengen bij de beheerders om bewustwording te vergroten, uitleg te geven over nut en noodzaak en draagvlak te creëren.
•
Monitor de aanwezigheid van infillmateriaal en vezels op alle relevante locaties en houd deze informatie bij.
•
Voer veegafval af als restafval en niet als GFT. Bladafval van kunstgrasvelden, dat verontreinigd is met rubberkorrels en/of losse kunstgrasvezels moet worden afgevoerd als restafval.
•
Stel een werkinstructie op over schoonmaak met een stoffenlijst (welke stoffen worden er gebruikt).
Blaas bladeren die op het kunstgras sportveld vallen niet in de berm of bosschages, maar verwijder ze op het veld. Door het schoonblazen van het kunstgras sportveld naar buiten komt het infillmateriaal buiten het kunstgras sportveld terecht.
Fig. 5.6 Onderhoudsmaatregelen
24
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
•
Reinig de kolken rondom kunstgrasvelden (indien aanwezig) 2 tot 4 x per jaar. Verwijder het kolkenslib en voer het RKG-slib af als restafval. (Dus niet in de bosschages deponeren).
•
Ruim zichtbaar aanwezig infillmateriaal wat buiten het veld ligt op: opruimen (opzuigen) en afvoeren als restafval.
•
Maak de op het veld ingezette (onderhouds)machines schoon voordat deze het veld verlaten (zorg voor een handelbare veegborstel in trekker of op/aan onderhoud machine).
•
Verbied eventueel het opruimen van sneeuw op een kunstgras sportveld, en laat bij het verwijderen van de sneeuw van een kunstgras sportveld de sneeuw binnen de veldafscheiding liggen. Naast de sneeuw wordt namelijk ook altijd een behoorlijke hoeveelheid infillmateriaal van het veld geschoven.
•
Inspecteer regelmatig op visueel aanwezig infillmateriaal of vezels naast het kunstgrasveld en laat dit dan opruimen.
Het informeren van gebruikers van het kunstgras sportveld: Door gebruiksvoorschriften voor een kunstgras sportveld op te hangen bij de ingang van een veld, maar bijvoorbeeld ook in de kleedkamers, krijgen gebruikers ook informatie over hoe zij met hun gedrag verspreiding van infillmateriaal en vezels kunnen voorkomen. Suggesties voor gebruiksvoorschriften; •
Verlaat het kunstgras sportveld via de schoonlooproosters of borstelmatten, eventueel even stampen.
•
Borstel de sportschoenen bij het verlaten van het kunstgrasveld.
Fig. 5.7 Borstels en roosters Klop de sokken uit boven een afvalbak (afvoeren als restafval); Veeg de kleedkamer en douche schoon en schep de putjes leeg (afvoeren als restafval); Sluit de (dubbele) poorten tijdens en na gebruik van het veld.
Fig. 5.8 Voorbeelden van verspreiding
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
25
7
7.1
Biociden, schoonmaak- en reinigingsmiddelen en reinigen met water Inleiding
In het verleden zijn allerlei middelen toegepast of geprobeerd voor het bestrijden van algen op kunstgrasvelden. Voorbeelden zijn zout, pekel, chloor, azijnzuur, waterstofperoxide via beregening, diverse herbiciden en middelen op basis van enzymen [ref.10, 11]. Onverantwoord gebruik van toegelaten middelen of het gebruik van niet-toegelaten middelen op kunstgrasvelden voor het bestrijden van algen kan echter leiden tot schade aan het milieu.
7.2
Relevante wet- en regelgeving
7.2.1
Wet gewasbescherming
De Wet gewasbescherming en biociden (Wgb) regelt het gebruik van biociden in Nederland. De Europese biocidenverordening, de Biocides Products Regulation (BPR) bepaalt wat een biocide is [ref 10]. Biociden zijn stoffen of mengsels die één of meer werkzame stoffen bevatten of genereren en bestemd zijn om schadelijke of ongewenste organismen, variërend van bacteriën en virussen tot schimmels en algen, te vernietigen, af te weren, onschadelijk te maken of te voorkomen. De werkzame stof in een biocide kan een natuurlijke olie of extract zijn, een chemische stof, een enzym of een micro-organisme (CTGB, 2021). Wanneer een product moet worden aangemerkt als biocide, dan mag dit product in Nederland uitsluitend met een toelating op de markt worden gebracht en gebruikt. De toelatingen worden bepaald door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (CTGB). Middelen en producten die geen toelating als biocide hebben, mogen niet voor een biocide toepassing worden gebruikt. De handel in en het gebruik van dergelijke middelen en producten is op grond van de Wgb verboden en overtreding hiervan wordt bij constatering door de inspectiediensten bestraft. Dit geldt ook voor de toepasser die zich niet houdt aan de voorschriften die aan de toelating zijn verbonden. De relevante inspectiediensten zijn de Inspectie SZW en de Inspectie Leefomgeving.
De waterschappen zijn aangewezen als toezichthouder voor de water gerelateerde overtredingen van de Wgb.
7.2.2
Toegelaten biociden
Eén biocide is momenteel toegelaten voor het bestrijden van algen op semi-water en waterkunstgrasvelden door het CTGB. Acticide BAC 50 M (toelatingsnummer 14103) heeft een toelating als biocide. Dit middel is toegelaten tot 2026. Na die datum bestaat de mogelijkheid dat de toelating wordt verlengd. Dit middel moet conform het gebruiksvoorschrift worden toegepast. De werkzame stof in de biocide Acticide BAC 50 M zijn quaternaire ammoniumverbindingen. Daarnaast is er nog een aantal middelen op de markt die (nog) niet door het CTGB zijn beoordeeld en ook niet voorkomen in de CTGB database. Dit betreft de middelen Bionyx kunstgrasreiniger, Exterior Solution en MOS Algavelan.
26
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
Voor toepassingen op andere sport ondergronden (kunststof sportvloeren en verhardingen) zijn meer middelen door het CTGB toegelaten. Deze zijn opgenomen in de CTGB database, maar zijn niet toegelaten voor toepassing op een kunstgrasveld. Voor het uitvoeren van proeven voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden biedt de Wgb het CTGB de mogelijkheid tot het afgeven van een proefontheffing.
7.2.3
Schoonmaak- en reinigingsmiddelen
Wanneer een middel niet bestemd is om ongewenste organismen te vernietigen, af te weren, onschadelijk te maken of de effecten ervan te voorkomen, dan valt het middel wettelijk niet onder een biocide en is geen toelating onder deze wetgeving vereist. Er is dan bijvoorbeeld sprake van een schoonmaak- of reinigingsmiddel. KG Clean is door het CTGB beoordeeld als zijnde geen biocide mag dus ook toegepast worden op een kunstgrasveld Er bestaat geen toelatingssysteem voor het gebruik van schoonmaak- en reinigingsmiddelen op kunstgrasvelden. Schoonmaak- en reinigingsmiddelen moeten aan de eisen uit de Wet milieubeheer en het Besluit detergentia milieubeheer voldoen [ref.10]. Schoonmaak- en reinigingsmiddelen die op kunstgrasvelden worden gebruikt met hetzelfde doel als biociden, dienen te voldoen aan de eisen van de Wgb.
7.2.4
Biocide of reinigingsmiddel
In de praktijk blijkt de regelgeving over schoonmaak- en reinigingsmiddelen nog een grijs gebied en onduidelijk. In 2017 is de Leidraad voor bepaling van de grens tussen reinigingsmiddelen en desinfecteermiddelen (biociden) gepubliceerd (ref.13). Met de in deze leidraad opgestelde beslisboom kan worden nagegaan of een product (stof of mengsel) in de vorm waarin zij wordt geleverd een biocide is. Dat hangt af van beantwoording van de vraag of het bestemd is om schadelijke organismen te bestrijden. De bestemming als biocide kan blijken uit een expliciete claim, maar ook uit andere feiten en omstandigheden. Wanneer middelen op kunstgrasvelden worden gebruikt met als doel overlast veroorzaakt door algen te bestrijden, is sprake van een biocide. Vanwege de onduidelijkheid in de praktijk over toelatingen en het gebruik van algenbestrijdingsmiddelen werkt de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) aan een project met betrekking tot het juiste gebruik van en informatieverstrekking over biociden. De ILT is hier eind 2019 mee gestart. Het is nog niet bekend wanneer de resultaten van dit onderzoek worden gepubliceerd. Ten aanzien van informatieverstrekking is het enerzijds belangrijk dat producenten van middelen de verantwoordelijkheid nemen om duidelijk te communiceren over de toepassingen van het product dat zij aanbieden.
Anderzijds hebben gebruikers van producten ook de plicht producenten actief te vragen naar de specifieke productinformatie
7.2.5
Professionele toepassing vereist
Middelen die bedoeld zijn om ongewenste organismen te vernietigen, af te weren, onschadelijk te maken of de effecten ervan te voorkomen, mogen alleen door professionele gebruikers toegepast worden. De sportvelden gelden namelijk als publieke, openbare ruimte. De inzet van vrijwilligers is alleen toegelaten voor de mechanische bestrijding.
Handreiking zorgplicht milieu voor kunstgrasvelden
27
7.2.6
Lozing van water uit reiniging
Heet water en hoge druk mogen worden gebruikt voor algenbestrijding, mits er geen middelen aan het water worden toegevoegd. Bij gebruik van deze methoden ontstaat echter wel een grote hoeveelheid verontreinigd afvalwater met niet alleen organische stof, zand e.d., maar ook slijpsel van kunstgrasvezels. Dit is in het verleden vaak geloosd op hemelwaterafvoeren en komt vervolgens terecht in het oppervlakte- water, grondwater of het riool. Lozing van stoffen valt ook onder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Degene die de activiteit verricht draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit. In de Europese kaderrichtlijn water die vanaf 2027 van kracht wordt, staat de bronaanpak centraal. Hierdoor wordt het nog belangrijker dat er geen vervuild water geloosd wordt op oppervlaktewater en op het openbare rioolstelsel. Dit afvalwater moet worden opgevangen en speciaal worden afgevoerd [ref.12]. Een alternatief kan zijn waterfiltering op locatie en daarna lozen op het riool. Dit moet worden afgestemd met het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag voor indirecte lozing in het riool is de gemeente of de provincie in het geval van een provinciale milieu inrichting.