Bijlage 29 Bijlage 26 Nota van Beantwoording (en Wijzigingen) A24.000193
Tekst van het document
99
nee
Nota van Beantwoording (en wijziging) Bestemmingsplan ‘Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1’
B. Het klopt dat waterpeilverhoging in de Groene Schakel is onderzocht in het MER. Zoals onder A beschreven, heeft dit niet geleid tot een besluit om de waterpeilen in dit gebied te verhogen. Voorts zijn de onderzoeken uitgevoerd passend bij het detailniveau van de planuitwerking op dit moment. In het vervolg zullen nadere (detail)onderzoeken worden uitgevoerd om de exacte effecten van de peilverhoging op bestaande woningen en het huidige gebruik in beeld te krijgen. Op basis van dat onderzoek zal het plan verder worden uitgewerkt en zullen waar nodig passende maatregelen worden getroffen. De gemeente is het eens met reclamant dat de transformatie van de Groene Schakel onderdeel is van de integrale ontwikkeling van het Middengebied. De ontwikkelstrategie is wel anders voor de Groene Schakel ten opzichte van het bestemmingsplangebied 1. De gemeente treedt in de Groene Schakel faciliterend op. Dat houdt in dat het initiatief voor ontwikkelingen in de Groene Schakel primair bij de grondeigenaren rust, binnen de kaders die de gemeente meegeeft. In het bestemmingsplangebied 1 neemt de gemeente zelf het initiatief voor de ontwikkeling. Over de strategie voor de realisatie van een Ecologische verbindingszone (EVZ) door de Groene Schakel, is de gemeente in overleg met de provincie Zuid-Holland.
Het uitgangspunt van de provincie is dat de realisatie daarvan ook bij voorkeur plaatsvindt door zelfrealisatie. Hier bestaat een provinciale subsidieregeling voor, dat ook voor de realisatie van andere EVZs in de provincie wordt benut. Dit sluit aan bij de faciliterende strategie van de gemeente voor dit gebied. C. Het aspect waterberging is terug te vinden in de regels van het bestemmingsplan onder artikel 29.1.1. Onder lid i staat dat binnen het bestemmingsplangebied moet worden voorzien in voldoende oppervlaktewater, waarbij geldt dat een wateroppervlak ter grootte van minimaal 10% van het ontwikkelde deel van het bestemmingsplangebied dient te zijn of worden ingericht als oppervlaktewater. Daarnaast zorgt lid j ervoor dat voldoende (openbaar) groen wordt gerealiseerd, waarbij geldt dat een onverhard oppervlak van minimaal 30% van het ontwikkelde deel van het bestemmingsplangebied dient te zijn of worden ingericht als onverhard terrein. Door voldoende onverhard terrein c.q. groen te realiseren, kan overtollig water beter infiltreren in de bodem. Daarmee is het aspect waterberging voldoende geborgd in de regels.
100