Bijlage 26 Bijlage 23 MER Deelrapport Duurzaamheid A24.000190
Tekst van het document
Hout is een biobased bouwmateriaal wat inhoudt dat het een hernieuwbaar natuurlijk product is. Hout is immers afkomstig van bomen welke in de bossen groeien. Hiermee is hout ook een onuitputtelijke bron, want ieder gekapte boom kan weer opnieuw geplant worden.
18-03-2022 Versie: 1
Een ander groot voordeel van hout in relatie tot andere bouwmaterialen is dat een boom gedurende levensduur CO2 opslaat in de boomstam. De boomstam wordt gebruikt om houten bouwproducten mee te maken en dit houdt in dat er dus CO2 opgeslagen zit in ieder houten bouwmateriaal. Als we als voorbeeld vurenhout nemen, wat een veel gebruikte houtsoort in Nederland is, dan kunnen we zeggen dat 622kg CO2 opgeslagen is in één kuub hout. Dit komt overeen met de CO2 welke uitgestoten wordt bij een autorit van circa 5.000km met een gemiddelde benzine auto. Hout heeft een soortelijke gewicht welke circa 4 keer lager is dan het soortelijke gewicht van beton. Hierdoor is bouwen in hout dus ook circa 4 lichter dan bouwen in beton. Dit heeft bijvoorbeeld ook voordelen voor de fundering van een gebouw wat dus ook veel lichter uitgevoerd kan worden. Daarnaast is hout demontabel en herbruikbaar wat hout een prima circulair bouwmateriaal maakt. Het is voor de CO2 huishouding ook van groot belang dat een houten bouwmateriaal na einde levensduur hergebruikt wordt zodat de CO 2 opgeslagen blijft in het element. De CO2 komt pas vrij zodra het hout wordt verbrand.
Figuur 1: Voordelen hout
Naast de grote voordelen voor het milieu heeft hout ook veel constructieve voordelen. Hout heeft een hoge sterkte en voornamelijk met de innovaties van de afgelopen 50 jaar is het steeds meer mogelijk om hoger te bouwen met hout. Een ander groot voordeel is dat een groot deel van het werk in de fabriek gebeurd waardoor de bouwplaats meer een assemblage plaats wordt. Dit zorgt voor een hoger kwaliteit van het bouwwerk en een korter bouwtijd.
Figuur 2: Voordelen houtenconstructie
3/7
2
Ambitie houtbouw Zuidplaspolder
Groen en natuur zijn volgens het Masterplan belangrijke elementen in de ontwikkeling van het plangebied. Houten woningen zullen een positieve bijdrage leveren aan de beleving van een groen en natuurinclusief ontwikkeling. Gezien het masterplan en de bebouwingen van de omgeving kan geconcludeerd worden dat hier geen hoge woongebouwen gebouwd zullen worden. Uitgangspunt voor dit document is dat het plan zal bestaan uit eengezinswoningen en appartementencomplexen van maximaal 6 verdiepingen hoog. Houtbouw is enorm geschikt voor gebouwen van dit formaat.
18-03-2022 Versie: 1
Het plangebied zit circa 6,76m – NAP wat betekent dat het gebied ook gevoelig is voor zettingen. Door te kiezen voor een lichten houten constructie, kunnen deze zettingen beperkt worden in relatie tot zware betonnen gebouwen. Gezien deze hoogte ligging van het ontwikkelgebied is het aan te raden om de fundering en de funderingspalen wel in beton uit te voeren voor een langer levensduur. Overige constructies van de woongebouwen zouden naar schatting minimaal 80% van hout gebouwd worden. Uitgangspunt is dat de eengezinswoningen voor 90% met een houten constructie gebouwd kunnen worden en voor de appartementencomplexen zal wellicht een betonnen kern nodig kunnen zijn afhankelijk van het ontwerp. Al tientallen jaren wordt CO2 afgevangen en in ondergronds gelegen olie- en gasvelden opgeslagen, het zogenaamde carbon capture and storage. Het bouwen met hout heeft een vergelijkbare werking, omdat er CO 2 in hout zit opgeslagen. Op basis van deze gegevens is het mogelijk om circa 100 miljoen kg CO2 op te slaan in Zuidplaspolder door te bouwen met een houten constructie.
100 miljoen kg CO2 - opslag
Figuur 3: Masterplan.
4/7
3
Ontwerpuitgangspunten
Ontwerpen met hout is een ander manier van denken. Zo dient er bij de verkaveling van het ontwikkelgebied rekening mee gehouden te worden. Traditioneel gezien wordt bij de verkaveling van grote plots voor appartementen rekening gehouden met een meervoud van 7,2m. Dit is een ideale maat voor beton, maar voor hout is dit een minder geschikte maat. Voor houten woningen is het veel meer voor de hand liggend om rekening te houden met stramienen van 5,4m.
18-03-2022 Versie: 1
Een ander belangrijke uitgangspunt bij het verder uitwerken van het stedenbouwkundige plan is de hoogte van de woongebouwen. Figuur 4 toont een voorbeeld van een appartementengebouw van 10 lagen hoog. Zoals uit deze afbeelding valt te concluderen dient er dus voldoende rekening gehouden te worden met de bouwenvelop om er straks een houten gebouw in te kunnen bouwen. Door de lichte eigenschap van hout is het ook enorm geschikt om modulair mee te bouwen. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om te stapelen met zo goed als volledig afgebouwde woning modules. Een belangrijke uitgangspunt hierbij is wel de beperkte breedte maat voor de woningen van ongeveer 3,9m. De “standaard” module maten variëren tussen 3,2 en 3,9m breed en tot een lengte van circa 12m. Deze maten zijn gebaseerd om de transportmaten welke over de weg toegestaan zijn en de maximale hijsafmetingen.
Figuur 4: Stramienmaten beton vs hout.
5/7
4
Voordelen hout tijdens uitvoering
Ambitie is om de totale ontwikkeling van 8.000 woningen in 2 fases uit te voeren, namelijk 4.260 woningen in 2031 en 3.740 woningen in 2045. Met houtbouw is het mogelijk om tot wel twee keer zo snel te bouwen dan traditioneel bouwen. Dit heeft er voornamelijk mee te maken dat een groot deel van het werk in de fabriek gedaan wordt. Doordat relatief lichte bouwelementen op de bouwplaats geassembleerd worden, kan dit met een hoge tempo en met minder personeel.
18-03-2022 Versie: 1
Hout kan getransporteerd worden op volume in plaats van op gewicht. Dit betekent dat een vrachtwagen die beladen wordt met beton eerder de maximale laadcapaciteit bereikt, terwijl een vrachtwagen die beladen wordt met hout eerder het maximale volume bereikt. Hierdoor kan het transport veel efficiënter ingericht worden. Hierbij dient in het ontwerpproces al ingezet te worden op optimalisatie van transport, om dit volledig uit te kunnen benutten.
Figuur 5: Het transport van hout
Omdat er met lichten bouwelementen wordt gewerkt, zijn er ook minder zware bouwvoorzieningen nodig. Er is veelal geen vaste hijskraan nodig, maar is een mobiele kraan al voldoende. Afbeelding 6 toont de bouwplaats van het project Wood City in Helsinki. Een houten ontwikkeling van met een bouwoppervlakte van circa 35.000m2. Te zien is een enorm schone bouwplaats met twee mobiele kranen. De foto is ongeveer halverwege de bouw genomen.
Figuur 6: Bouwplaats Wood City Helsinki.
6/7
De gereduceerde transportbeweging en het feit dat er minder zware mobile kranen nodig zijn, zorgt voor een reductie op de uitstoot van emissie tijdens de bouwfase. Ook het feit dat met hout sneller gebouwd kan worden, zorgt voor minder bouwverkeer van bijvoorbeeld bouwvakkers. Figuur 7 toont een tabel waaruit is te zien dat de stikstofemissie tot wel een tiende teruggebracht kan worden ten opzichte van de conventionele bouw.
18-03-2022 Versie: 1
Figuur 7: Potentiële stikstof reductie bij bouwen met hout.
7/7
Bijlage 5: Quickscan hoogtebeperkingen
TECHNISCHE NOTITIE NLR-TN-WMZ-2022-01 AAN:
Charles Hartgers (Gemeente Zuidplas) Ineke Wouda-van der Giessen (SWECO) Matthijs Vrij Peerdeman (SWECO)
NLR AFDELING:
AOAP
CODE / ORDERNUMMER:
1482114 DATUM:
OPGESTELD DOOR:
Jeroen van der Zee (NLR)
1 december 2022 PAGINA:
1 / 13
ONDERWERP:
Quick scan hoogtebeperkingen windturbines Middengebied Zuidplaspolder
1. Inleiding
SWECO werkt voor de gemeente Zuidplas aan het opstellen van een Milieueffectrapport ten behoeve van de ontwikkeling van het Middengebied Zuidplaspolder. In dit kader wordt ook onderzocht wat de mogelijkheden zijn om energie duurzaam op te wekken. Eén van de opties is het opwekken van energie middels windturbines. De zoekgebieden voor windturbines liggen (grotendeels) binnen het gebied rond Rotterdam/The Hague Airport (RTHA) waar hoogtebeperkingen gelden vanwege de luchtvaartveiligheid. SWECO en de gemeente Zuidplas willen graag op korte termijn inzicht krijgen in de mogelijkheden voor de realisatie van windturbines. NLR heeft een quick scan uitgevoerd om de hoogtebeperkingen in kaart te brengen. Hiertoe is allereerst bepaald vanaf welke tiphoogte de obstakelvlakken van RTHA worden doorsneden. Sommige obstakelvlakken vormen “harde” beperkingen. Doorsnijdingen hiervan zijn niet toegestaan. Andere vlakken vormen “zachte” beperking en. Doorsnijdingen hiervan kunnen door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) worden toegestaan op basis van een verklaring van geen bezwaar (VVGB). Op basis van een toetsing van alle specifieke vliegprocedures van RTHA is bepaald of en tot welke tiphoogte een eventuele aanvraag voor een VVGB kansrijk is. Een toetsing van de obstakelvlakken voor communicatie-, navigatie- en surveillanceapparatuur (CNS) is geen onderdeel van deze quick scan.
De windturbines zouden kunnen leiden tot verstoringen van verschillende radarstations en mogelijk ook een navigatiebaken (RTM VOR/DME). Hiervoor is een specialistisch analyse vereist die zal moeten worden uitgevoerd door Defensie/TNO en de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL).
2. Plangebieden Deze quick scan richt zich op de opstelling van windturbines zoals die is verkend in het Milieueffectrapport Middengebied Zuidplaspolder. In het milieueffectrapport is in twee zoekgebieden globaal gekeken naar de mogelijkheden voor windturbines. Daaruit zijn enkele varianten ontstaan in hoogte en aantal. Voor deze quick scan is uitgegaan van de opstelling met de meeste windturbines (vijf). In Figuur 1 zijn de vijf indicatieve locaties voor windturbines weergegeven. De quick scan richt zich niet sec op deze locaties, maar op de mogelijkheden binnen de bijbehorende plangebieden. Deze zijn eveneens weergegeven in Figuur 1. Daarmee ontstaat een zo breed mogelijk beeld van de beperkingen/mogelijkheden voor windenergie in de zoekgebieden, bezien vanuit de hoogtebeperkingen. Benadrukt wordt dat daarmee niet vast staat dat dit ook de locaties zijn waar uiteindel ijk windturbines zullen komen. Of en zo ja, waar er gekozen wordt voor windturbines is afhankelijk van verschillende factoren. Deze quick scan biedt voor één van deze factoren input. De coördinaten van de plangebieden en indicatieve locaties zijn opgenomen in Bijlage 1.
NLR-TN-WMZ-2022-01 (VERVOLG) ONDERWERP:
DATUM:
Quick scan hoogtebeperkingen windturbines Middengebied Zuidplaspolder
1 december 2022 PAGINA:
2 / 13
Figuur 1: Plangebieden en indicatieve locaties voor windturbines in het Middengebied Zuidplaspolder
3. Obstakelvlakken
Hoogtebeperkingen rondom luchthavens in verband met de vliegveiligheid worden in Nederland vastgelegd in luchthavenbesluiten. Voor RTHA is momenteel geen luchthavenbesluit van kracht. Deze is nog in voorbereiding. De hoogtebeperkingen in het toekomstige luchthavenbesluit zullen echter gebaseerd worden op internationale standaarden (vastgelegd in ICAO Annex 14) en nationale regelgeving (Regeling burgerluchthavens). De obstakelvlakken en bijbehorende hoogtebeperkingen kunnen dus hieruit afgeleid worden. De relevante obstakelvlakken voor het Middengebied Zuidplaspolder zijn weergegeven in Figuur 2. Plangebied 2 ligt onder het horizontale segment van het Approach Surface van baan 24. De hoogte van dit segment bedraagt 150m ten opzichte van de hoogte van de baandrempel van baan 24 (-14.6ft NAP). Voor plangebied 2 geldt dus een hoogtebeperking van 145,5m NAP. Dit is een “harde” hoogtebeperking. Nieuwe doorsnijdingen zijn niet toegestaan. Deze hoogtebeperking geldt eveneens voor het noordwestelijke deel van plangebied 1 dat zich binnen de contouren van het Approach Surface bevindt. Plangebied 1 ligt daarnaast deels onder het Outer Horizontal Surface. Dit obstakelvlak heeft een hoogte van 150m ten opzichte van de hoogte van het referentiepunt van RTHA (-14ft NAP). Dit correspondeert met 145,7m NAP.
Een (nieuwe) doorsnijding van dit vlak kan worden toegestaan indien het bevoegd gezag (het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) een verklaring van geen bezwaar (VVGB) verstrekt op basis van Artikel 8.9 van de Wet luchtvaart. Een
NLR-TN-WMZ-2022-01 (VERVOLG) ONDERWERP:
DATUM:
Quick scan hoogtebeperkingen windturbines Middengebied Zuidplaspolder
1 december 2022 PAGINA:
3 / 13
aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar wordt namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) beoordeeld. ILT zal alleen een verklaring van geen bezwaar afgeven als uit een aeronautische studie blijkt dat het object geen onaanvaardbaar risico voor de vliegveiligheid oplevert en niet leidt tot (ernstige) operationele beperkingen voor de luchthaven.
Hoogtebeperking van 145,5m NAP vanwege Approach Surface RWY 24
VVGB vereist vanaf 145,7m NAP vanwege Outer Horizontal Surface
Figuur 2: Relevante obstakelvlakken voor het Middengebied Zuidplaspolder
4. Vliegprocedures
Om te bepalen of een VVGB voor een doorsnijding van het Outer Horizontal Surface in plangebied 1 kansrijk is, zijn alle vliegprocedures van RTHA getoetst. Dit betreft: • Instrumentvliegprocedures − Vertrekprocedures; − Naderingsprocedures; en − Minimum Vectoring Altitude (MVA). • Zichtvliegprocedures De resultaten zijn opgenomen in Bijlage 2. Waar de maximale tiphoogte afhangt van de specifieke locatie is, tenzij anders vermeld, uitgegaan van het meest kritische punt binnen de twee plangebieden.
NLR-TN-WMZ-2022-01 (VERVOLG) ONDERWERP:
DATUM:
Quick scan hoogtebeperkingen windturbines Middengebied Zuidplaspolder
1 december 2022 PAGINA:
4 / 13
Instrumentvliegprocedures Het grote, commerciële verkeer op RTHA navigeert normaal gesproken op instrumenten volgens de instrumentvliegvoorschriften (IFR). Voor dit type verkeer zijn naderings- en vertrekprocedures voorgeschreven (instrumentvliegprocedures). Deze procedures zijn ontworpen volgens internationale ontwerpcriteria, zoals vastgelegd in ICAO PANS-OPS. Hierin zijn ook criteria ten aanzien van obstakelklaring opgenomen. De toetsing in deze quick scan is gebaseerd op de instrumentvliegprocedures zoals gepubliceerd in de Luchtvaartgids (AIP Netherlands). Het uitgangspunt is dat windturbines in het plangebied niet mogen interfereren met de vliegprocedures. Voor de toetsing is gebruik gemaakt van de procedureontwerpsoftware FPDAM1. Uit de toetsing blijkt dat de ILS/LOC Y naderingsprocedure van baan 24 maatgevend is. Zoals weergegeven in Figuur 3 ligt plangebied 1 deels binnen het primaire beschermingsgebied van deze procedure en deels binnen het secundaire beschermingsgebied. Specifiek gaat het hier om het initial approach segment. De minimum vlieghoogte in dit segment is 1,500ft AMSL. De minimum obstakelklaring (MOC) bedraagt 984ft in het primaire beschermingsgebied . In het secundaire beschermingsgebied loopt de MOC af van 984ft op de grens met het primaire gebied tot 827ft in de uiterste noordoosthoek van het plangebied.
Dit levert een hoogtebeperking van 157m tot 205m NAP. Verwacht mag worden dat ILT geen VVGB zal afgeven voor een grotere tiphoogte. Zichtvliegprocedures Het kleine, recreatieve verkeer op RTHA navigeert normaal gesproken op zicht volgens de zichtvliegvoorschriften (VFR). Voor dit type verkeer zijn ook naderings- en vertrekprocedures voorgeschreven (zichtvliegprocedures). Er zijn echter geen (inter)nationale criteria ten aanzien van beschermingsgebieden en obstakelklaring voor VFR-procedures. Wel zijn er algemene voorschriften voor de minimum vlieghoogte. Deze bedraagt 500ft ten opzichte van het hoogste obstakel binnen een straal van 150m2. Plangebied 1 bevindt zich in de buurt van de MIKE naderings- en vertrekprocedures. Voor deze procedures is een vlieghoogte van 1,000ft AMSL voorgeschreven. De afstand van het plangebied tot het VFR rapporteringspunt MIKE bedraagt 779m (zuidwesthoek van het plangebied) tot 2.679m (noordoosthoek). Dit zal zeker tot additionele beperkingen leiden voor plangebied 1. Bij gebrek aan (inter)nationale criteria is in deze quick scan voorlopig uitgegaan van de criteria die in Duitsland van kracht zijn. Daar wordt rondom een rapporteringspunt een cirkelvormig gebied met een straal van 2km gehanteerd waarbinnen een beoordeling door de luchtvaartautoriteit vereist is.
Er kan echter niet uitgesloten worden dat ILT andere criteria zal hanteren, zeker gezien het feit dat zich bij rapporteringspunt MIKE ook een wachtpatroon bevindt. Wanneer de tiphoogte van de windturbines wordt beperkt tot 500ft (152,4m NAP) dan is een minimum obstakelklaring van 500ft in alle gevallen gegarandeerd. Tot deze hoogte lijkt een VVGB dan ook kansrijk. Dit zal echter nader ondergezocht/onderbouwd moeten worden in een aeronautische studie.
1
Versie 10.9.1.112 Binnen de daglichtperiode en niet over dichtbevolkte zones van steden, gemeenten of nederzettingen, noch over een openluchtbijeenkomst van personen 2
NLR-TN-WMZ-2022-01 (VERVOLG) ONDERWERP:
DATUM:
Quick scan hoogtebeperkingen windturbines Middengebied Zuidplaspolder
1 december 2022 PAGINA:
5 / 13
Hoogtebeperking van 157m NAP in primaire beschermingsgebied
Hoogtebeperking van 157m NAP oplopend tot 205m NAP in secundaire beschermingsgebied
Hoogtebeperking van 152,4m NAP binnen 2km* van MIKE (* nader onderzoek nodig)
Figuur 3: Hoogtebeperkingen door maatgevende vliegprocedures
5. Conclusies
Op basis van deze quick scan worden de volgende conclusies getrokken ten aanzien van de mogelijkheden voor windturbines in de twee plangebieden. Plangebied 1 (zie Figuur 4): •
In het noordwestelijke deel van het plangebied dat zich onder het Approach Surface van baan 24 bevindt (deelgebied A) geldt een “harde” hoogtebeperking van 145,5m NAP. Nieuwe doorsnijdingen van dit vlak zijn niet toegestaan.
•
Deelgebieden B en C bevinden zich buiten het Approach Surface maar liggen (deels) onder het Outer Horizontal Surface. Vanaf een tiphoogte van 145,7m NAP is een verklaring van geen bezwaar (VVGB) vereist. Buiten het Outer Horizontal Surface is strikt genomen geen VVGB vereist. Desondanks kunnen windturbines in dit gebied leiden tot operationele belemmeringen voor het VFR-verkeer (vanaf 152,4m NAP) en het IFRverkeer (vanaf 157m NAP). Omdat windturbines ook hier consequenties kunnen hebben voor de vliegveiligheid en/of bereikbaarheid van RTHA wordt de initiatiefnemer aangeraden om hoe dan ook in overleg te treden met ILT.