CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 22 - Veiligheidsrichtlijnen

Gemeenteraad 27 augustus 2024, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning Tiny Houses Zevenhuizen34.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

72

De bereikbaarheid van het spoor is voldoende als wordt voldaan aan onderstaande criteria in de bebouwde kom, inclusief 350 meter daarbuiten en bijzondere objecten in het buitengebied (+350 meter aan weerszijde van object): • Het spoor is (in verband met variabele windrichting) vanaf beide zijden bereikbaar voor hulpdiensten. • Indien hekken of geluidsschermen de toegang hinderen, dient om de 100 meter een toegang te worden voorzien door middel van een poort, deur of brug die tot op 40 meter benaderbaar is voor hulpdienstvoertuigen. Buitengebied vanaf 350 meter van de bebouwde kom: • Het spoor is (in verband met variabele windrichting) van beide zijden bereikbaar voor hulpdiensten. Indien dit onmogelijk is, kan volstaan worden met éénzijdige bereikbaarheid. Geadviseerd wordt om hierbij te kiezen voor de meest benaderbare zijde. • Iedere locatie op het spoor is idealiter tot op 40 meter6 benaderbaar voor hulpdienstvoertuigen. • Indien hekken of geluidsschermen de toegang hinderen, dient om de 200 meter een toegang te worden voorzien door middel van een poort, deur of brug, die tot op 40 meter benaderbaar is voor hulpdienstvoertuigen.

De hiervoor opgesomde voorzieningen gelden voor alle genoemde gebieden voor spoor op maaiveldniveau. Voor varianten met een verhoogde of verdiepte ligging zijn de bovengenoemde maatregelen indicatief, maar zal daarnaast maatwerk nodig zijn aan de hand van de specifieke ontwerpen om tot een voor de hulpdiensten werkbare situatie te komen. Voor korte tunnels en verdiepte bakken gelden minimaal de ontwerpvoorschriften van ProRail.

6

Bij sporen is het voldoen aan de genoemde eis niet altijd haalbaar; daarom is een risicogerichte benadering noodzakelijk. In de Geo400V-catalogus (https://www.geo4oov.nl/geocatalogus-0) zijn databronnen beschikbaar die kunnen helpen bij het inzichtelijk maken van risicoplekken (ProRail-risicotrajecten) en het stellen van een afstandseis.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Specifieke eisen aan geluidsschermen: • De positie van de geluidsschermen is zodanig dat er voor de hulpverlening voldoende ruimte is om het spoor te bereiken met het benodigde materieel en materiaal, zoals een brancard, gaspakken et cetera. • De positie van de geluidsschermen is zodanig dat verkenning via een toegangsdeur mogelijk is. Indien een verkenning via een toegangsdeur niet mogelijk is, dan is een verkenning door een hoogwerker (opstelplaats) ook mogelijk. • Als een geluidsscherm langer is dan 100 meter, is het voor een effectieve brandweerinzet noodzakelijk dat er om de 100 meter een toegangsdeur aanwezig is (in het buitengebied kan hier gemotiveerd van worden afgeweken). Denk hierbij ook aan de aanwezigheid van een bluswatervoorziening. • De afwerking en het formaat van de toegangsdeuren dienen zodanig te zijn, dat de (gas/chemie)pakken van hulpverleners niet beschadigd kunnen worden. Een deur of poort in de afscherming van het spoorwegterrein heeft minimaal een vrije breedte van 1,0 m en een vrije hoogte van 2,3 m of meer. • De toegangsdeuren moeten voorzien zijn van een slot dat vanaf de omgevingszijde kan worden geopend door de hulpdiensten met een moedersleutel die langs het gehele spoor of de gehele weg bruikbaar is. Het te gebruiken sleutelsysteem/ toegangssysteem wordt bepaald door of in overleg met de veiligheidsregio.

• Aan de omgevingszijde van de toegangsdeuren dienen pictogrammen te worden geplaatst die de toegangsdeuren voor de hulpverlening aangeven. • De toegangsdeur deur moet 170º geopend en vastgezet kunnen worden. • Nabij de toegangsdeuren moet de spoorhectometrering aan de buitenzijde zichtbaar zijn aangebracht.

73

Bij niveauverschil tussen een treinspoor en de wegen waarlangs toegang tot een (spoor)weg verkregen wordt, dient een goede bereikbaarheid gerealiseerd te worden. Verhoogde en verdiepte sporen zijn minder gemakkelijk te bereiken voor de hulpdiensten, omdat de hulpdienstvoertuigen zich op een ander niveau bevinden dan de incidentlocatie. Dit kan verbeterd worden door de toegang tot de verhoogde en verdiepte spoorweggedeelten voor hulpverleners uit te voeren als trap7 of hellingbaan met aan één zijde een leuning en een beloopbare breedte van 1 meter, waarover zij zich veilig kunnen voortbewegen in bijvoorbeeld gaspakken of met een brancard. Knelpunten Geluidsschermen en andere objecten (bijvoorbeeld hekken) rondom spoorwegen kunnen een knelpunt vormen voor een goede bereikbaarheid, aanvoer van bluswater en voldoende inzetdiepte. Toegangs-/vluchtdeuren, calamiteitendoorsteken in geluidsschermen, slangdoorvoeringen door vluchtdeuren en strategisch gekozen opstelplaatsen zijn opties die een dergelijk knelpunt kunnen wegnemen. Spoorinfrastructuur in niet-stedelijke gebieden bevindt zich over het algemeen tussen weilanden of in natuurgebieden die niet zijn ingericht op bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen.

De eisen voor bereikbaarheid in deze setting zijn afhankelijk van het risico op en de aard van een eventueel incident en kunnen niet in algemene richtlijnen gevat worden; maatwerk is hier het devies.

5.6.9

Waterwegen en recreatieplassen

De bereikbaarheid van vaarwegen en recreatieplassen dient minimaal hetzelfde niveau te hebben als de bereikbaarheid van percelen. In het bijzonder geldt dit voor locaties waar een hulpverleningsdienst een vaartuig te water moet kunnen laten via een zogenoemde trailerhelling.8 De belangrijkste aandachtspunten hierbij zijn: • uitgaan van het laagste waterpeil • een breedte van minimaal 4,5 meter • de hellingshoek: een ‘aanrijhoek’ naar het water van 1:8 tot 1:10, gemeten vanaf de waterlijn. De totale helling dient een lengte te hebben van circa 12 meter aansluitend op het laagste waterpeil • antislip voor goede grip van de autobanden • de verhardingsconstructie dient goed ‘opgesloten’ te worden om verzakking te voorkomen • onderhoud en inspectie conform de richtlijn • een steiger (bij de aangewezen trailerhelling) die geschikt is voor het in- en uitstappen van hulpdiensten • gebruikmaken van steigernummers in gebieden die niet bij naam gelokaliseerd kunnen worden • aanlandplaatsen9 voor hulpdiensten en slachtoffers in de categorieën A, B en overige • toegangswegen, opstelplaatsen en aanlandplaatsen voor hulpdiensten en slachtoffers in de categorieën A, B en overige.

7 8 9

In overleg met de veiligheidsregio kunnen afhankelijk van de situatie ook redvoertuigen ingezet worden om het niveauverschil bij lange viaducten te overbruggen. De aanleg van een dergelijke helling en de daaraan verbonden eisen zijn geheel beschreven en te vinden op www.sportvisserijnederland.nl/files/ib-trailerhelling_6723.pdf. Raadpleeg hiervoor het “Handboek Incidentbestrijding op het water” van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV, 2015).

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Voor extra informatie over landelijke richtlijnen betreffende het hoofdspoor kunnen de richtlijnen uit “Voorzieningen spoorweginfrastructuur voor vluchten en bereikbaarheid” (ProRail, 2015) erop nageslagen worden. De richtlijnen van Prorail zijn niet van toepassing op de vrije baan van de Betuweroute en lokale treinsporen.

74

Voor jachthavens, die overigens onder hetzelfde besluit vallen als kampeerterreinen (Bgbop 2018), gelden specifieke bereikbaarheidseisen. Inrichting van de haven: • Het aanleggen van vaartuigen in komhavens is toegestaan tot maximaal 20 meter vanaf de walkant. • Er dient een vaargeul te worden vrijgehouden die minimaal twee meter breder is dan de lengte van de afgemeerde plezierjachten, zodat pleziervaartuigen eenvoudig de haven kunnen verlaten en er genoeg ruimte is voor een vaartuig voor de hulpverleners (zoals een blusboot). Bij een aanlegsteiger van 80 meter kan er met bestaand materieel normaal worden ingezet. Bij een langere inzetdiepte moet nagedacht worden over aanvullende voorzieningen.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

75

Bijlage I - Onderhoud bluswater-

voorziening en levering van bluswater

B 1.1

Aanleg en onderhoud van bluswatervoorzieningen

De eisen voor de aanwezigheid van bluswatervoorzieningen zijn: 1. Een bouwwerk heeft een toereikende bluswatervoorziening. Dit geldt niet indien de aard, ligging of het gebruik van het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. 2. Een wegtunnel heeft een bluswatervoorziening die bij brand gedurende ten minste 60 minuten een capaciteit van ten minste 2.000 l/min kan leveren. 3. De afstand tussen een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 6.36, eerste lid, is ten hoogste 40 m. 4. Een bluswatervoorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden. De onderhoudsvereisten voor bluswatervoorzieningen zijn als volgt. Een bij of krachtens de wet aanwezige installatie: a. functioneert overeenkomstig de op die installatie van toepassing zijnde voorschriften; b. wordt adequaat beheerd, onderhouden en gecontroleerd, en c. wordt zodanig gebruikt dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. Aanlegvereisten Wanneer de gemeente opdracht geeft om een bluswatervoorziening aan te leggen, moet voldaan worden aan de aanlegvereisten. Deze eisen verschillen vanzelfsprekend per voorziening; hierna is een beknopt overzicht per soort bluswatervoorzieningen opgenomen.

1. Brandkranen De volgende eisen worden gesteld aan de locatie van een brandkraan: • Rondom een brandkraan moet een obstakelvrije ruimte met een diameter van 1,8 meter zijn. • De brandkraan moet minimaal 0,4 meter van de trottoirband liggen bij langsparkeren. • De brandkraan moet minimaal 0,75 meter van de trottoirband liggen bij gestoken parkeren. • Brandkranen dienen zo veel mogelijk gesitueerd te worden bij kruispunten of brandgangen. • Er dient een maximale onderlinge afstand van brandkranen te zijn (onderlinge afstand van maximaal 200 meter). • Indien van toepassing: plaatsing van een aanwijsbordje.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Bijlage I - Onderhoud bluswater-voorziening en levering van bluswater

Deze bijlage bestaat uit twee delen: I) de eisen die gesteld worden aan de aanleg en het onderhoud van de diverse bluswatervoorzieningen en II) de leveranciers van bluswater.

76

Aandachtspunten voor controle en onderhoud van brandkranen In 2021 is tussen de Veiligheidsregio Hollands Midden, iedere afzonderlijke gemeente en het betreffende drinkwaterbedrijf (dan wel drinkwaterbedrijven) een convenant afgesloten waarin afspraken zijn vastgelegd. Hierin zijn ook afspraken ten aanzien van controle en onderhoud van brandkranen opgenomen.

Figuur B 1.1: Aanwijsbordje

Aanwijsbordjes voor bluswatervoorzieningen Ter verhoging van de vindbaarheid van brandkranen in bijvoorbeeld een parkeervak en in groen/struiken dienen er aanwijsbordjes te worden aangebracht, zoals in afbeelding voorzien van aanduiding B 1.1 is aangegeven.

Een fysieke aanduiding geldt enkel voor bestaande brandkranen die uit het zicht onttrokken zijn doordat ze in een parkeervak liggen (waarop een auto geparkeerd is of kan worden) en voor brandkranen die in de groenstrook/berm/perken liggen (en dus overgroeid kunnen worden door gras, struiken en dergelijke). De uitvoering van de fysieke aanduiding dient als volgt te zijn: aanwijsbordjes zoals weergegeven in figuur B 1.1. De afmetingen voor deze gestandaardiseerde bordjes zijn 120 x 160 mm (NEN 1184). De bijbehorende kleur is een rode achtergrond met witte inleg en zwarte becijfering.

Daarnaast worden de locaties van alle brandkranen in digitale bestanden bijgehouden.

2. Geboorde putten De eisen gesteld aan de locatie van een geboorde put: • De geboorde put moet tot op maximaal 4 meter te bereiken zijn met een blusvoertuig. • De ondergrond moet geschikt zijn voor een tweewielaangedreven voertuig. • De ondergrond moet geschikt zijn voor een voertuig van 20 ton. • De zuigbuizen moeten ‘vloeiend’ aangesloten kunnen worden: o bij een open geboorde put door de zuigbuis in de put te kunnen hangen o bij een gesloten geboorde put door met inhanger de zuigbuis aan te kunnen koppelen o bij een bovengronds afgewerkte geboorde put door de zuigbuis aan te kunnen koppelen. Indien van toepassing: de plaatsing van een aanwijsbordje. • • Bij een bovengronds afgewerkte put: aanrijdbeveiliging. Aandachtspunten voor controle en onderhoud van een open of gesloten geboorde put: • frequentie: passend bij het soort bodem waarin de put geboord is. Het bedrijf dat de put aanlegt, kan hier advies over geven. In de regel zal een put in zanderige grond vaker beproefd moeten worden dan een put in kleigrond • de opstelplaats voor het voertuig moet goed bereikbaar zijn • wanneer de put beproefd wordt op waterlevering, wordt van de meting een testrapport beschikbaar gesteld • de locatie van de geboorde put

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

De aanwijsbordjes dienen goed zichtbaar (maximaal op ooghoogte) en in de nabijheid van de brandkraan te worden geplaatst met de juiste afstanden op het aanwijsbordje: van brandkraan tot het aanwijsbordje. Plaatsing kan op een gevel/muur/vaste paal in de directe nabijheid van de betreffende brandkraan.

77

• de zichtbaarheid van de geboorde put • de bereikbaarheid van de geboorde put • indien van toepassing: de aanwezigheid en correctheid van aanwijspaal of bord. 3. Open water De eisen gesteld aan een opstelplaats bij open water komen voort uit de specificaties van een tankautospuit en van een WTS500-voertuig: • Waar het water met de zuigbuizen van een tankautospuit onttrokken kan worden, dient de opstelplaats tot op maximaal 4 meter te bereiken zijn. Voor een WTS500 geldt een afstand van 40 meter. • De ondergrond moet geschikt zijn voor een tweewielaangedreven voertuig. • De ondergrond moet geschikt zijn voor een tankautospuit van 20 ton en een WTS500 van 30 ton. • Een aanduiding van de opstelplaats is noodzakelijk.

Aandachtspunten voor het beschikbaar houden van open water In figuur B 1.2 is een voorziening aangegeven die de toestroom van schoon oppervlakte water kan verbeteren. Dergelijke bakken zijn bedoeld in sloten waarbij het winnen van bluswater niet altijd gegarandeerd kan worden door bijvoorbeeld planten. Doordat de rand van de bak enkele centimeters onder de waterspiegel zit, stroomt het meest schone water richting de zuigkorf. Voor het plaatsen van een bak is wel vooraf overleg met de eigenaar/beheerder van het open water noodzakelijk.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Aandachtspunten voor controle en onderhoud van opstelplaatsen bij open water In 2021 is tussen de Veiligheidsregio Hollands Midden, iedere afzonderlijke gemeente en het betreffende drinkwaterbedrijf (dan wel drinkwaterbedrijven) een convenant afgesloten waarin afspraken zijn vastgelegd. Hierin is afgesproken dat een nadere uitwerking van afspraken ten aanzien van controle en onderhoud van open water gemaakt dient te worden. De algemene uitgangspunten zijn: • frequentie: volgens afspraak met de gemeente, passend binnen de uitgangspunten van de veiligheidsregio • de locatie van de opstelplaats • de zichtbaarheid van de opstelplaats • de bereikbaarheid van de opstelplaats • de aanwezigheid en correctheid van aanwijspaal of bord • de opstelplaats moet goed bereikbaar zijn voor het blusvoertuig • het water moet voldoende diep zijn, minimaal 0,8 meter • het water moet vrij zijn van onderwaterplanten/vervuiling • er moet voldoende vrije ruimte zijn om een zuigbuis in te werpen.

Figuur B 1.2: Opstelplaats met voorziening voor toestroom van schoon oppervlaktewater

78

4. Bluswaterriool De eisen gesteld aan een opstelplaats bij een bluswaterriool: • Het bluswaterriool moet tot op maximaal 4 meter te bereiken zijn met blusvoertuigen. • De ondergrond moet geschikt zijn voor een tweewielaangedreven voertuig. • De ondergrond moet geschikt zijn voor een voertuig van 20 ton. • Aanduiding van het bluswaterriool middels een aanwijsbordje. Aandachtspunten voor de schouw/het onderhoud van opstelplaatsen bij een bluswaterriool: • frequentie: volgens afspraak met de gemeente, passend binnen de uitgangspunten van de veiligheidsregio • de locatie van het bluswaterriool • de zichtbaarheid van het bluswaterriool • de bereikbaarheid van het bluswaterriool • de aanwezigheid en correctheid van aanwijspaal of bord • de opstelplaats moet goed bereikbaar zijn voor het blusvoertuig • een controle op de aansluiting van het inlaatpunt • het schoonhouden van buizenstelsel en straatkolk • de losneembaarheid van de straatkolk.

5. Bluswatervoorzieningen die niet in de openbare ruimte liggen

B 1.2

Overzicht van bluswaterleveranciers In paragraaf 2.4 van dit document zijn de partijen genoemd die bluswater kunnen leveren. Hierna volgt een nadere toelichting op elk van deze partijen, met een globale beschrijving van hun taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden

Hillegom

Noordwijk

Lisse

Kaag(eiland) Teylingen Katwijk Oegstgeest

Kaag en Braassem Nieuwkoop

Leiden

Voorschoten Zoeterwoude

Alphen aan den Rijn

Bodegraven Reeuwijk Waddinxveen Gouda Zuidplas Oasen

Dunea Krimpenerwaard

PWN

B 1.2.1

Drinkwaterbedrijf

Heeft als wettelijke taak het leveren van drinkwater. Verantwoordelijkheden van de drinkwaterbedrijven zijn vastgelegd in de Drinkwaterwet. Drinkwaterbedrijven leveren bijna overal (in bebouwde gebieden) kwalitatief schoon bluswater, al zijn zij niet wettelijk verplicht om dit te doen. De branchevereniging VEWIN geeft aan dat de drinkwaterbedrijven het over het algemeen wel als een (historische) maatschappelijke verantwoordelijkheid zien deze voorziening te continueren.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Voor alle soorten bluswatervoorzieningen dient er ook aandacht te zijn voor bluswatervoorzieningen die niet in de openbare ruimte liggen en die eigendom zijn en/of gebruikt worden door ‘derden’. De eigenaar of gebruiker (huurder, erfpachthouder, particuliere eigenaar) is daarmee zelf verantwoordelijk voor het onderhouden van die brandkranen. Voor dit soort bluswatervoorzieningen gelden dezelfde aandachtspunten als hiervoor beschreven. De terreineigenaar of -gebruiker is, behoudens andere afspraken, zelf verantwoordelijk voor het onderhoud, zowel de jaarlijkse schouw als het 4-jaarlijkse onderhouden. Beide vormen van onderhoud dienen gerapporteerd te worden aan de veiligheidsregio.

Let op: de grens van Oasen en Dunea loopt door de gemeente Alphen een den Rijn en de gemeente Zuidplas

79

Bij modernisering van het waterleidingnet worden veelal leidingen met een kleinere diameter gebruikt. Dit komt de kwaliteit van het drinkwater ten goede, maar limiteert de beschikbare hoeveel bluswater. In paragraaf 3.3.1 is beschreven dat de externe bluswaterbehoefte in de regel 1.000 l/min is en dat in sommige gevallen hiervan beargumenteerd afgeweken kan worden naar het absolute minimum van 500 l/min. Omdat een brandkraan minimaal 30 m³ per uur moet kunnen leveren, is het raadzaam om hierover afspraken te maken met drinkwaterbedrijven. De brancheorganisatie VEWIN geeft aan dat deze hoeveelheid ook met de kleinere diameters mogelijk blijft.

Bij weging van alternatieven voor bluswater kan in het kader van duurzaamheid aan de hand van het volgende kader gewogen worden. • milieuaspecten (brandstofgebruik watertransport) • veiligheid (verkeer, gebruikszekerheid bluswatervoorzieningen) • financiën (omscholingskosten, aanschafkosten, slijtage door vuil water) • organisatieaspecten (bedrijfszekerheid door verminderde paraatheid, standaardisatie bij interregionale inzetten).

B 1.2.2

Hillegom

Noordwijk

Lisse

Teylingen Katwijk Oegstgeest

Kaag en Braassem Nieuwkoop

Leiden

Leiderdorp

Voorschoten Zoeterwoude

Alphen aan den Rijn

Hoogheemraadschap van Rijnland

Bodegraven Reeuwijk Waddinxveen

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Waterschap

Heeft als hoofdtaak het beheren van waterkwaliteit, -kwantiteit en -veiligheid. De verantwoordelijkheden van de waterschappen zijn onder andere vastgelegd in de Waterwet. De waterschappen beheren open water en grondwater in Nederland en zijn nu vaak ongevraagd bluswaterleverancier bij incidenten waar veel bluswater bij nodig is. De kwaliteit van het bluswater kan wisselen, wat schadelijk kan zijn voor de gezondheid van het personeel, en materiaal en objecten kan beschadigen. Bovendien is de beschikbaarheid niet te garanderen, bijvoorbeeld tijdens langere perioden van droogte.

Gouda Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard

Zuidplas

Krimpenerwaard

Het is nuttig voor de brandweer om te investeren in een goede relatie met een contactpersoon bij het waterschap, zodat diens kennis van bereikbaarheid, beschikbaarheid en capaciteit meegenomen kan worden in de planvorming. Tijdens een incident wil het waterschap graag geïnformeerd worden over eventuele milieuschade door wegvloeiend bluswater.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Duurzaamheid Op dit moment ziet de VEWIN het gebruik van drinkwater als bluswater niet als een relevant punt in het kader van duurzaamheid. De gebruikte hoeveelheden zijn ten opzichte van de totale consumptie zeer gering. De VEWIN geeft aan dat de drinkwaterbedrijven het op prijs stellen wanneer de brandweer zich een goed gebruiker toont door: • alert te zijn op mogelijke vervuiling bij instructie • op te letten bij de verspreiding van gevoelige informatie. Waterleiding en appendages zijn vitale infrastructuur juiste constructies in autospuiten toe te passen ter voorkoming van het insluisef• fect • oppervlaktewatervervuiling door weglopend bluswater zo veel mogelijk te voorkomen en hier in ieder geval altijd melding van te maken • alert te zijn op de milieuschade die blusschuim kan aanrichten. Fluorverbindingen accumuleren in het milieu en zijn schadelijk.

80

De brandweer moet zich ervan bewust zijn dat bij de aanleg van een geboorde put formeel een vergunning voor een onttrekking van grondwater aangevraagd moet worden bij de provincie of het waterschap. Overigens geven de meeste provincies en waterschappen aan dat een melding volstaat.

B 1.2.3 Gemeente Heeft (een deel van het) open water in beheer, en infrastructurele voorzieningen zoals bluswaterriolen. Geboorde putten liggen vaak op gemeentegrond.

B 1.2.4 Provincie Heeft beheer over grotere waterwegen en waterinfrastructuur.

B 1.2.5 Rijkswaterstaat Heeft beheer over grotere waterwegen en waterinfrastructuur. Daarnaast kent Rijkswaterstaat de fluctuatie van waterstanden in de rivieren door de wisselende toevoer en als gevolg van de getijden.

B 1.2.6 Particulieren

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Vanuit een wettelijke verplichting, via een plicht vanuit de verzekering of vanuit hun eigen behoefte kunnen particulieren beschikken over een bluswatervoorziening. Het type voorziening is erg divers. Te denken valt aan: open water, particuliere brandkranen, geboorde putten, bassins, enzovoort. Veel particuliere bedrijven zijn aangesloten bij een brancheorganisatie, bijvoorbeeld Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) Nederland.

81

Bijlage II - Maateenheden en

vuistregels bluswatervoorziening

l/min

m3/uur

125 250 500 1.000 1.500 2.000 2.500 3.000 3.500 4.000 4.500

7,5 15 30 60 90 120 150 180 210 240 270

Tabel B 2.1: Van liter per minuut naar kubieke meter per uur

Het aansluiten op een ondergrondse brandkraan die 50 meter verwijderd is, kan binnen 3 minuten en 100 meter verwijderd binnen 6 minuten. Voor het afleggen van de slangen van de TS naar de brandkraan is een tijdseenheid genomen. In tabel B 2.2 zijn globale tijden voor de standaardtoepassingen opgenomen. Indien er gewerkt gaat worden met bijvoorbeeld tankwagens of andere watervoorzieningen, zijn deze tijden niet van toepassing en dienen er andere afstanden aangehouden te worden. De tijden waarin het bluswater beschikbaar moet zijn, blijven hetzelfde. Er wordt hier uitgegaan van dubbele aflegging. 3 minuten 6 minuten

50 meter 100 meter

Tabel B 2.2: Globale tijden voor de standaardtoepassingen

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Bijlage II - Maateenheden en vuistregels bluswater-voorziening

De brandweer drukt bluswaterdebieten doorgaans uit in liters per minuut (l/ min). Andere organisaties rekenen in het aantal kubieke meters per uur (m3/ uur). Het omrekenen van liter per minuut naar kubieke meter per uur is vrij eenvoudig, namelijk: delen door 1.000 (om van liters naar kubieke meter te gaan) en vermenigvuldigen met 60 (om van minuten naar uren te gaan). In tabel B 2.1 is dit voor de meest gangbare debieten gedaan.

82

Bijlage III - Scenario’s verkeer en

vervoer

De scenario’s voor het vervoer over het water met gevaarlijke stoffen zijn niet verder uitgewerkt, omdat het blussen op het water van een brandbare vloeistof of een gas niet maatgevend is voor de brandweer en niet kan worden bestreden. Langs drukke vaarwegen is het mogelijk om preventieve maatregelen te nemen ten opzichte van de kade of specifieke afspraken te maken waardoor de brandweer wel mogelijkheden heeft om op te treden. Bij de berekeningen voor de hoeveelheden schuimvormend middel (SVM) is uitgegaan van een bijmengpercentage van 3%. Indien er een ander soort schuim aanwezig is of een ander schuim wordt aangeschaft, moet gekeken te worden of de berekeningen nog correct zijn.

B 3.1

Scenario’s wegvervoer

B 3.1.1 Brandbare vloeistof Bij een incident met een tankwagen die een brandbare vloeistof bevat (voorbeeldstoffen: heptaan of pentaan), ontstaat het volgende cascademodel: 1. Druppellekkage 20 m2. 2. Het vrijkomen van een deel van de inhoud levert een plas op van 300 m2 waarbij een ontsteking (kan) plaatsvinden. 3. Het vrijkomen van de gehele inhoud (23 ton) levert een plas op van 1.700 m2 waarbij een ontsteking kan plaatsvinden.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Bijlage III - Scenario’s verkeer en vervoer

In paragraaf 4.5 wordt gesproken over de hoeveelheden bluswater die geadviseerd worden in relatie tot verkeer en vervoer. In deze bijlage zijn scenario’s met gevaarlijke stoffen uitgewerkt op basis van de uitgangspunten uit de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART), zoals voorbeeldstoffen, plasgrootte, het gat van de diameter en tankinhoud. De scenario’s zijn onderverdeeld in de categorieën zoals die in paragraaf 4.5.1 en 4.5.3 zijn behandeld. Om de methodiek van het cascademodel te volgen, is er een scenario toegevoegd dat niet in de HART beschreven staat. De scenario’s zijn onderverdeeld in de volgende categorieën: brandbare vloeistof, brandbaar gas, toxische vloeistof en toxisch gas.

83

Interventiemoment Druppellekkage tot 20 m2

Uit/afgedekt

Plasbrand tot 300 m2 door vrijkomen van een deel van de inhoud

Uit/afgedekt

OFFENSIEF 500 l/min

Tank TS

Plasbrand tot 1.700 m2 door vrijkomen gehele inhoud (23 ton)

Uit/afgedekt

DEFENSIEF 3.000 l/min

Binnen 6 minuten voor 1 uur

Voor inzet op secundaire branden, bluswater bepalen op locatie

Bij de eerste cascadestap, de druppellekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden. Hierbij is waarschijnlijk geen bluswater nodig. Bij een plasbrand van 300 m2 wordt bij een blussing uitgegaan van het gebruik van schuim. De hoeveelheden schuim zijn conform de NFPA 11: 7 l/m2 min in 15 minuten, en na die 15 minuten zal er extra schuim aanwezig moeten om te suppleren. Er is 2.100 l/min water nodig, evenals 1.417,5 liter SVM. Er wordt rekening gehouden met waterverlies, omdat niet alles terechtkomt op de plas (bijvoorbeeld door lekkages). Daarom wordt er hier uitgegaan van 60% effectieve opbreng. In het totaal is dan een waterlevering van 3.000 l/min noodzakelijk.

Bij de berekeningen van het schuim en de hoeveelheid water is uitgegaan van de NFPA-norm 11, met een schuimopbrengst van 7 l/min/m2. De plas is 300 m2. 300*7=2.100 l/min aan water dat nodig is voor een plas van 300 m2. Er wordt in de berekening uitgegaan van een blustijd van 15 minuten met een bijmengingspercentage van 3%. Indien het schuim een ander bijmengingspercentage heeft, dient de berekening opnieuw te worden gemaakt. Daarnaast zit er een reservefactor in die nodig is om de marge in te bouwen; niet alles komt op de plas terecht. De gebruikte marge bij het schuim is 1,5. 15 min.*2.100 l/min.*3%*1.5= 1.417,5 liter SVM

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Figuur B 3.1: Uitwerking cascademodel voor brandbare vloeistof (weg)

84

Bij een dergelijk incident dient bij blussen rekening gehouden te worden met de herkomst van het water: het is mogelijk dat open water is vervuild met het brandbare product en daarom niet bruikbaar is voor het blussen. Bij de derde cascadestap is uitgegaan van het instantaan falen van een tank, waarbij de gehele tankinhoud vrijkomt (uitgaande van een tankwagen met een inhoud van 23 ton vloeistof), hetgeen een oppervlakte oplevert van 1.700 m2. Deze plas zal snel verdampt en opgebrand zijn, omdat hij over een groot oppervlak verspreid is en een zeer dunne laag vormt. De brand is met schuim niet af te dekken en zal naar alle waarschijnlijkheid andere branden veroorzaken. De omgeving is bepalend voor de hoeveelheid bluswater en de (preventieve) voorzieningen die nodig zijn.

B 3.1.2 Brandbaar gas Bij een incident met een tankwagen met een brandbaar gas (voorbeeldstoffen: ethyleenoxide, n-butaan of propaan) bestaan de volgende scenario’s: 1. het afblazen van het veiligheidsventiel 2. een continue uitstroming uit een gat met een diameter van 50 mm a. directe ontsteking: fakkel b. vertraagde ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand 3. het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 m3) a. directe ontsteking: koude BLEVE b. indirecte ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand.

Uit

Fakkelbrand door continue uitstroom uit een gat Ø 50 mm

Uit

OFFENSIEF 500 l/min

Tank TS

Koude BLEVE door instantaan vrijkomen van gehele inhoud 50 m3

DEFENSIEF 1.120 l/min

Binnen 6 minuten voor 1 uur

BLEVE vindt direct plaats en hiervoor kan geen direct bluswater worden geadviseerd

Figuur B 3.2: Uitwerking cascademodel voor brandbaar gas (weg)

Bij de scenario’s 2b en 3b zullen na de explosie in de omgeving mogelijk secundaire branden zijn. De benodigde hoeveelheid bluswater voor deze secundaire branden zal afhangen van de omgeving. Deze scenario’s worden niet meegenomen in de volgende berekeningen.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Interventiemoment Afblazen van veiligheidsventiel

85

De eerste stap van het cascademode is een tankwagen die de drukopbouw kwijt moet door het afblazen van het veiligheidsventiel. Dit is een standaardveiligheidsmiddel op een drukhouder van een brandbaar gas. De brandweer zal eventueel een nacontrole doen om te zien of het afblazen gestopt is en de druk genormaliseerd. Indien de uitstroom wordt ontstoken, kan worden uitgegaan van een fakkelbrand vanaf de tank. Hierbij zal de inzet vooral gericht zijn op het koelen van de tank en het gecontroleerd laten affakkelen tot de druk genormaliseerd is. Voor het gecontroleerd af laten fakkelen zal mogelijk bluswater nodig zijn om de tank te koelen. Voor het koelen van de omgeving is in deze cascade geen bluswater opgenomen, omdat de omgeving verschilt per locatie. Voor het koelen van de tank is ervan uitgegaan dat de tank aan één zijde of gedeeltelijk gekoeld moet worden. Dit komt neer op 1.120 l/ min, waarbij gerekend is met 10 l/m2/min en de onderstaande getallen. Bij het opbrengen van het water wordt uitgegaan van een opbrengsteffectiviteit van 60%. Dit houdt in dat er minimaal 1.500 l/min aan bluswater aanwezig dient te zijn.

Berekening koeling van de tankwagen Op basis van de richtlijnen rondom de maximumafmetingen van een vrachtwagen kan gesteld worden dat de lengte van een tankwagen maximaal 13 meter is. De diameter kan maximaal 2,5 meter zijn. Voor het berekenen van de oppervlakte van een cilinder is de volgende wiskundige formule van toepassing: 2 π r (r + h). Dit levert in het geval van een tankwagen met maximale omvang dus het volgende op: 2 * π * 1,25 * (1,25 +13) = 112 m2 oppervlakte. Dit komt neer op 1.120 liter water per minuut.

Een koude BLEVE kan niet bestreden worden, alleen de secundaire branden die daarvan het gevolg zijn. De omgeving is bepalend voor de hoeveel bluswater die hiervoor nodig is.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Wegvervoer: de koeling van een tankwagen Voor het koelen van een tank bestaat een vuistregel: er is 10 liter water per vierkante meter tankoppervlak nodig per minuut. Onderstaande berekening geeft weer in welke ordes van grootte er gedacht moet worden. Bij deze benadering wordt wel geredeneerd vanuit het bestrijden van het gevolg en niet het bestrijden van de oorzaak. Het aanstralen van een tank zal in veel gevallen een gevolg zijn van een plasbrand. Bij een plasbrand is de wijze van bestrijden het uitvoeren van een schuimblussing. Voor het wegnemen van de oorzaak van de opwarming zal het in veel gevallen dus van essentieel belang zijn om onmiddellijk voldoende SVM ter beschikking te hebben.

86

Wat is een BLEVE? Veronderstel dat een tank met een tot vloeistof verdicht gas aangestraald wordt door vuur. Wat gebeurt er dan met de inhoud van die tank en met de tank zelf? Logischerwijs zal (de inhoud van de) tank opwarmen. In het begin (en bij een volle tank) zal de toegevoegde warmte vooral leiden tot opwarming van de vloeistof in de tank, waardoor de inwendige druk toeneemt. Het opwarmen van deze vloeistof kost veel energie, als gevolg waarvan de wand van de tank initieel relatief koel zal blijven (premisse is dat de tank in contact is met het vloeibaar gemaakte gas – indien er sprake is van uitsluitend gascontact, zal de wand veel sneller opwarmen). Als de interne druk van de tank als gevolg hiervan hoger wordt dan de druk die het overdrukventiel (indien aanwezig!) aankan, zal de tank via het overdrukventiel gaan afblazen, om te voorkomen dat hij door de druk bezwijkt. De druk in de tank neemt door het afblazen af, of zal in ieder geval minder snel toenemen. In veel gevallen zal het afgeblazen gas vlam vatten (tenzij het niet brandbaar is), wat ervoor zorgt dat de tank met nog meer energie dan eerst aangestraald wordt.

Bij het warmer worden van de tankwand neemt de mechanische sterkte zeer snel af. De door de toegenomen warmte sterk verzwakte tank bezwijkt als de inwendige druk groter wordt dan de resterende bezwijkdruk van de verzwakte wand. Bij het bezwijken van de tank daalt de druk plotseling sterk, waardoor een groot deel van de resterende vloeistof in hoog tempo (explosief) gasvormig wordt. Er ontstaat plotseling een enorme hoeveelheid gas die ontstoken kan worden door het omringende vuur. Er kan een vuurbal ontstaan van tussen enkele meters groot tot circa 200 meter. Het bezwijken van de tank en het explosieve koken wordt ook wel een BLEVE (boiling liquid expanding vapour explosion) genoemd. Wat is een koude BLEVE? Een koude BLEVE wordt veroorzaakt door een externe beschadiging, bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor scheurt de ketel open, waardoor de brandbare stof vrijkomt en direct ontsteekt. Er ontstaan een vuurbal en een drukgolf. De effecten van een koude BLEVE zijn hittestraling, overdruk en scherfwerking.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

De vloeistofinhoud in de tank wordt hierdoor nog sneller gasvormig, de tank zal nog sneller gaan afblazen, en als gevolg hiervan zal steeds minder vloeistof in de tank aanwezig zijn. De druk binnen de tank zal toenemen door het opwarmen van de vloeistof (en het hierdoor toenemen van de dampdruk). Uiteindelijk zal een eventueel aanwezig afblaasventiel niet meer in staat zijn al het nieuwgevormde gas tijdig af te blazen. Doordat er steeds minder vloeistof aanwezig is, zal een steeds groter deel van de tankwand niet meer met de vloeistof in contact zijn; vooral dit deel van de tank zal steeds sneller warm worden.

87

B 3.1.3 Toxische vloeistof Voor een incident met een tankwagen met een toxische vloeistof (voorbeeldstoffen: acrylonitril, propylamine, acroleïne of methylisocyanaat) ontstaan de volgende scenario’s: 1. Druppellekkage. 2. Het vrijkomen van een deel van de inhoud levert een plas op van 300 m2 met een toxische wolk. 3. Het vrijkomen van de gehele inhoud (23 ton) levert een plas op van 1.700 m2 met een toxische wolk. Interventiemoment Druppellekkage tot 20 m2

Uit/afgedekt

Plas tot 300 m2 (met toxische wolk) door vrijkomen van een deel van de inhoud

Uit/afgedekt

Uit/afgedekt

DEFENSIEF

500 l/min

500 l/min

2.500 l/min

Tank TS

Binnen 6 min voor 1 uur voor afdekken van de plas

Binnen 15 min gedurende 60 min

Figuur B 3.3: Uitwerking cascademodel voor toxische vloeistof (weg)

Bij de eerste cascadestap, de druppellekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden. Er wordt van uitgegaan dat er geen water nodig is, anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij de tweede stap wordt uitgegaan van een plas van 300 m2 en is er 135 liter schuimvormend middel nodig, uitgaande van 3% bijmenging. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat water nodig is voor het afschermen of sturen van de vrijgekomen wolk. De minimale hoeveelheidbluswater dient 500 l/min te zijn voor het uitvoeren van de bovengenoemde werkzaamheden, het effectief opbrengen van het schuim en het sturen van een eventuele toxische wolk.

Bij de berekeningen van het schuim en de hoeveelheid water is uitgegaan van expert judgement en een afdektijd van 10 minuten. De plas is 300 m2. Dit maakt dat er 300 l/min water nodig is voor het afdekken van de toxische plas met SVM. Uitgaande van een schuimgetal van 3% en een inzettijd van 10 minuten betekent dit dat er 90 liter SVM nodig is. Daarnaast is uitgegaan van een 1,5 reservefactor, waardoor de totale hoeveelheid schuim op 135 liter uitkomt.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

OFFENSIEF

Plasbrand tot 1.700 m2 door vrijkomen gehele inhoud (23 ton)

88

Het vrijkomen van de gehele inhoud (23 ton) levert een plas op van 1.700 m2, waarvoor 765 liter schuimvormend middel nodig is, uitgaande van een bijmenging van 3%. Voor het sturen of opmengen van een gaswolk kan ook nog water nodig zijn; dit is afhankelijk van de omgeving. Hier wordt uitgegaan van 60% effectief opbrengen van bluswater; daarom is minimaal 2.500 l/min aan bluswater noodzakelijk voor dit scenario.

B 3.1.4 Toxisch gas Door een incident met een gastank met een toxisch gas (voorbeeldstoffen: methylmercaptaan, ammoniak of chloor) ontstaan de volgende scenario’s: 1. druppellekkage 2. een continue uitstroming uit een gat met een diameter van 50 mm waarbij een toxische wolk ontstaat 3. het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (16 ton) waarbij een toxische wolk ontstaat. Interventiemoment Druppellekkage

Toxische wolk door vrijkomen van de gehele inhoud (16 ton)

Wolk beheerst

OFFENSIEF

DEFENSIEF

500 l/min

1.500 l/min

Tank TS

Binnen 6 min voor 1 uur

Geen bluswater nodig

Figuur B 3.4: Uitwerking cascademodel voor toxisch gas (weg)

Bij de eerste cascadestap, de druklekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden. Er wordt van uitgegaan dat er geen water nodig is, anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij de tweede cascadestap ontstaat een klein gat waaruit een toxisch gas ontsnapt. Hiervoor zal de inzet zijn om de gaswolk te sturen, dan wel op te mengen met lucht of neer te slaan. Hiervoor wordt één straatwaterkanon van 1.500 l/min ingezet. De derde cascadestap is het instantaan falen van de tank. Hierbij komt het gas in één keer vrij en kan de brandweer geen actie meer ondernemen met bluswater.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Wolk beheerst

Toxische wolk door continue uitstroom uit een gat Ø 50 mm

89

B 3.2

Scenario’s spoor (doorgaande spoorlijnen)

B 3.2.1 Brandbare vloeistof (vervoer over doorgaande spoorlijnen) Bij een incident met een spoorketelwagon met een brandbare vloeistof (voorbeeldstof pentaan) ontstaan de volgende scenario’s: 1. Druppellekkage. 2. Het vrijkomen van een deel van de inhoud levert een plas op van 300 m2 waarbij een ontsteking kan plaatsvinden. 3. Het vrijkomen van de gehele inhoud (80 m3) levert een plas op van 600 m2 waarbij een ontsteking kan plaatsvinden. Interventiemoment Druppellekkage tot 20 m2

Uit/afgedekt

OFFENSIEF

Plasbrand tot 600 m2 door vrijkomen gehele inhoud (80 m3)

Uit/afgedekt

DEFENSIEF

500 l/min

3.000 l/min

6.000 l/min

Tank TS

Binnen 6 min voor 1 uur

Binnen 3 min gedurende 60 min

Figuur B 3.5: Uitwerking cascademodel voor brandbare vloeistof (spoor)

Bij de eerste cascadestap, de druppellekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden. Er wordt van uitgegaan dat er geen water nodig is, anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij een plasbrand van 300 m2 wordt uitgegaan van een blussing met schuim. De hoeveelheden schuim zijn conform de NFPA 11: 7 l/m2 min in een tijd van 15 minuten na aankomst op te brengen, en na die 15 minuten zal er extra schuim aanwezig moeten zijn om te suppleren. Er is 2.100 l/min water nodig, evenals 1.417,5 liter SVM. Er wordt uitgegaan van een effectief watergebruik van 60%, zodat er 3.000 l/min aan bluswater noodzakelijk is.

Bij de berekeningen van het schuim en de hoeveelheid water is uitgegaan van de NFPA-norm 11, met een schuimopbrengst van 7 l/min/m2. De plas is 300 m2. 300*7= 2.100 l/min aan water dat nodig is voor een plas van 300 m2. De benodigde hoeveelheid schuimvormend middel is gebaseerd op een blustijd van 15 minuten en een bijmenging van 3%. Daarnaast zit er een reservefactor in van 1,5, die nodig is om een marge in te bouwen, omdat niet alles op de plas terechtkomt.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Uit/afgedekt

Plasbrand tot 300 m2 door vrijkomen van een deel van de inhoud

15 min * 2.100 l/min * 3% * 1.5= 1.417,5 liter SVM

90

Bij een dergelijk incident dient men bij het blussen rekening te houden met de herkomst van het water. Het is mogelijk dat open water is vervuild met het brandbare product en daarom niet bruikbaar is voor het blussen van de brand. Bij de derde cascadestap is uitgegaan van het instantaan falen van een tank, waarbij de gehele tankinhoud (80 m3) vrijkomt, wat een oppervlakte oplevert van 600 m2 (conform de HART). Bij een plasbrand van 600 m2 wordt bij een blussing uitgegaan van een blussing met schuim. De hoeveelheden schuim zijn conform de NFPA 11: 7 l/ m2/min in een tijd van 15 minuten, en na die 15 minuten zal er extra schuim aanwezig moeten zijn om te suppleren. Er is 4.200 l/min water nodig, evenals 2.835 liter SVM. Er wordt uitgegaan van een effectief watergebruik van 60%, zodat er 6.000 l/min aan bluswater noodzakelijk is.

B 3.2.2 Brandbaar gas (vervoer over doorgaande spoorlijnen)

Bij de scenario’s 2b en 3b zullen na het incident mogelijk in de omgeving secundaire branden zijn; de hiervoor benodigde hoeveelheid bluswater zal afhangen van de omgeving. Deze scenario’s worden dan ook niet meegenomen in onderstaande cascade. Interventiemoment Afblazen van veiligheidsventiel

Uit

Fakkelbrand door continue uitstroom uit een gat Ø 75 mm

Uit

Koude BLEVE door instantaan vrijkomen van gehele inhoud 50 ton

Warme BLEVE door instantaan vrijkomen van gehele inhoud 50 ton bij verhoogde temperatuur en druk

Uit

Uit

OFFENSIEF

DEFENSIEF

500 l/min

3.000 l/min

Tank TS

Binnen 6 min voor 1 uur

6.000 l/min Bluswater bepalen op locatie voor secundaire branden

Binnen 15 min gedurende 4 uur

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Bij een incident met een spoorketelwagon met een brandbaar gas (voorbeeldstof propaan) ontstaan de volgende scenario’s: 1. het afblazen van het veiligheidsventiel 2. een continue uitstroming uit een gat met een diameter van 75 mm a. directe ontsteking: fakkel b. vertraagde ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand 3. het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 ton) a. directe ontsteking: koude BLEVE b. vertraagde ontsteking: gaswolkexplosie/wolkbrand 4. het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 ton) bij verhoogde temperatuur en druk, zodat een warme BLEVE ontstaat.

Figuur B 3.6: Uitwerking cascademodel voor brandbaar gas (spoor)

91

In de eerste stap van het cascademodel wordt uitgegaan van een spoorketelwagon die de drukopbouw kwijt moet via afblazen door het veiligheidsventiel. Dit is een standaard veiligheidsmiddel op een drukhouder van een brandbaar gas. De brandweer zal eventueel een nacontrole doen om te bepalen of het afblazen gestopt is en de druk genormaliseerd. Voor het bestrijden van een fakkelbrand (cascadestap 2) zal de inzet vooral gericht zijn op het koelen van de ketelwagon en het gecontroleerd laten affakkelen tot de druk genormaliseerd is. Tijdens het gecontroleerd af laten fakkelen van de ketelwagon zal mogelijk bluswater benodigd zijn voor het koelen van de ketelwagon. Voor het koelen van de omgeving is hier geen indicatie voor bluswater opgenomen, omdat dit bepaald zal moeten worden op basis van de omgevingskenmerken. Voor het koelen van de ketelwagon wordt ervan uitgegaan dat de spoorketelwagon aan één zijde of gedeeltelijk gekoeld moet worden. Dit komt neer op 2.060 l/min, waarbij gerekend is met 10 l/m2/min en onderstaande getallen. Hier wordt uitgegaan van een effectief watergebruik van 60%, zodat er 3.000 l/min aan bluswater noodzakelijk is.

Ervan uitgaande dat ketelwagens inmiddels 25 meter lang kunnen zijn, zijn er spoorvervoerincidenten denkbaar waarbij veel bluswater nodig is. In die gevallen wordt gerekend met een diameter van ongeveer 2,5 meter en een lengte van 25 meter. Dit komt neer op 2 * π * 1,25 * (1,25 + 25) = 206 m2 , of 2.060 liter.

Bij cascadestap 3 is sprake van een koude BLEVE. Een koude BLEVE kan niet bestreden worden; alleen de secundaire branden die daarvan het gevolg zijn. De omgeving is bepalend voor de hoeveel bluswater die hiervoor nodig is. Bij de vierde cascadestap wordt ingezet op het voorkomen van een warme BLEVE. Het is hierbij essentieel om zo snel mogelijk de oorzaak van de opwarming weg te nemen en zo snel mogelijk de koeling te starten. Het is hiervoor noodzakelijk zo veel mogelijk bluswater te organiseren. Immers, de problemen nemen bij een aangestraalde tank gevuld met tot vloeistof verdichte gassen exponentieel toe. Het is raadzaam de watervoorziening primair te organiseren met water uit een tankwagen of schuimblusvoertuig, en direct aanvullende bluswatervoorzieningen beschikbaar te hebben om de continuïteit van blussing en koeling te garanderen. Hierbij wordt uitgegaan van tweezijdig koelen van de tank. In het totaal is hier 6.000 l/min voor noodzakelijk.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Spoorvervoer: de koeling van een ketelwagon Voor het koelen van een tank bestaat de vuistregel dat er 10 liter water per vierkante meter tankoppervlak per minuut nodig is. Onderstaande berekening geeft weer in welke ordes van grootte er gedacht moet worden. Bij deze benadering wordt geredeneerd vanuit het bestrijden van het gevolg en niet van de oorzaak. Het aanstralen van een tank zal in veel gevallen een gevolg zijn van een plasbrand. Bij een plasbrand is de wijze van bestrijden het uitvoeren van een schuimblussing. Voor het wegnemen van de oorzaak van de opwarming zal het in veel gevallen dus van essentieel belang zijn om onmiddellijk voldoende SVM ter beschikking te hebben.

92

B 3.2.3 Toxische vloeistof (vervoer over doorgaande spoorlijnen) Bij een incident met een spoorketelwagon met een toxische vloeistof (voorbeeldstoffen: acrylonitril of acroleïne) ontstaan de volgende scenario’s: 1. Druppellekkage. 2. Het vrijkomen van een deel van de inhoud levert een plas op van 300 m2 met een toxische wolk. 3. Het vrijkomen van de gehele inhoud (80 m3) levert een plas op van 600 m2 met een toxische wolk. Interventiemoment Druppellekkage tot 20 m2

Uit/afgedekt

Plas tot 300 m2 (met toxische Plas tot 600 m2 wolk) door (met toxische vrijkomen van wolk) door een deel van de vrijkomen inhoud gehele inhoud (80 m3)

Uit/afgedekt

DEFENSIEF

500 l/min

500 l/min

1.000 l/min

Tank TS

Binnen 15 min voor 1 uur

Binnen 15 min gedurende 60 min

Figuur B 3.7: Uitwerking cascademodel voor toxische vloeistof (spoor)

Bij de eerste cascadestap, de druppellekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden en dat er geen extra water nodig is, anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij de tweede cascadestap wordt er uitgegaan van een plas van 300 m2 en is er 135 liter schuimvormend middel uitgaande van 3% bijmenging noodzakelijk. Voor het eventueel afschermen of sturen van de toxische wolk is geen bluswater opgenomen. De benodigde hoeveelheid is afhankelijk van de omgeving en dient per locatie bepaald te worden (voor berekeningen van het SVM: zie scenario’s wegvervoer). Bij de derde stap komt de gehele inhoud (80 m3) vrij en ontstaat een plas van 600 m2. Hiervoor is 600 l/min water noodzakelijk, evenals 270 liter SVM, uitgaande van een bijmenging van 3%. Hier wordt uitgegaan van een effectiviteit van 60% van het bluswater, zodat 1.000 l/min noodzakelijk is. Voor het eventueel afschermen of sturen van de toxische wolk is geen bluswater opgenomen. De hoeveelheid daarvan is afhankelijk van de omgeving en dient per locatie bepaald te worden (voor berekeningen van bluswater en SVM: zie scenario’s wegvervoer).

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

OFFENSIEF

Uit/afgedekt

93

B 3.2.4 Toxisch gas (vervoer over doorgaande spoorlijnen) Bij een incident met een spoorketelwagon met een toxisch gas (voorbeeldstoffen: ammoniak of chloor) ontstaan de volgende scenario’s: 1. druklekkage (ammoniak/chloor) 2. een continue uitstroming uit een gat met een diameter van 75 mm (ammoniak/ chloor) met als gevolg een toxische wolk 3. het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 ton ammoniak/55 ton chloor) met als gevolg een toxische wolk 4. het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud (50 ton ammoniak) bij verhoogde temperatuur en druk met als gevolg een toxische wolk. Interventiemoment Druklekkage Toxische wolk door continue uitstroom uit een gat Ø 75mm

Wolk beheerst

Wolk beheerst

OFFENSIEF 500 l/min

Tank TS

Toxische wolk door instantaan vrijkomen van de gehele inhoud bij verhoogde temperatuur en druk

Wolk beheerst

DEFENSIEF 3.000 l/min

6.000 l/min

Binnen 6 min voor 1 uur

Binnen 15 min gedurende 4 uur, ter voorkoming van de verhoogde druk en temp koelen met 10 l/ min/m2

Geen bluswater nodig

Figuur B 3.8: Uitwerking cascademodel voor toxisch gas (spoor)

Bij de eerste cascadestap, de druklekkage, wordt ervan uitgegaan dat met een enkele tankautospuit het incident bestreden kan worden en dat er geen water nodig is, anders dan in de tankautospuit beschikbaar is. Bij de tweede cascade, toxische wolk, ontstaat een klein gat waaruit een toxisch gas ontsnapt. Hiervoor zal de inzet zijn om de gaswolk te sturen, dan wel op te mengen met lucht of neer te slaan. Hiervoor kan één straatwaterkanon worden ingezet van 1.500 l/min.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Wolk beheerst

Toxische wolk door instantaan vrijkomen van de gehele inhoud

94

De derde cascadestap is het instantaan falen van de tank. Hierbij komt het gas in één keer vrij en door de toxische wolk die hierdoor ontstaat, kan de brandweer geen actie meer ondernemen met behulp van bluswater. In de vierde cascadestap zal geprobeerd worden het instantaan vrijkomen van de gehele inhoud te voorkomen door een brand in de omgeving van de ketelwagon te blussen en/of de ketelwagon te koelen. Mocht de ketelwagon door de verhoogde druk en temperatuur tóch instantaan falen, dan kan de brandweer geen actie meer ondernemen om de vrijgekomen toxische wolk te bestrijden met bluswater. Om dit scenario te voorkomen, is 6.000 l/min water noodzakelijk voor koeling van de tank (zie voor uitleg paragraaf 3.2.2. van deze bijlage).

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

95

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14428575/1