CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 22 - Veiligheidsrichtlijnen

Gemeenteraad 27 augustus 2024, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Adviesrecht aanvraag omgevingsvergunning Tiny Houses Zevenhuizen34.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

46

Essentieel is dat er wordt gekeken naar de opstelplaatsen van brandweervoertuigen en de hoogteverschillen van water bij eb en vloed. Water moet door een brandweervoertuig ook bij de laagste waterstand nog omhooggehaald kunnen worden. Een opstelplaats moet voldoen aan het gestelde in het bereikbaarheidsgedeelte (hoofdstuk 4). In de winter worden plezierjachten vaak gestald en/of onderhouden in of nabij jachthavens. Ten behoeve van de bestrijding van incidenten met dergelijke jachten kan gebruik worden gemaakt van open water, indien de afstand die overbrugd moet worden niet langer is dan 100 meter en er rekening wordt gehouden met het bovengenoemde hoogteverschil bij eb en vloed. Maatwerk is vaak nodig.

4.5.3

Vervoer over het spoor

Het vervoer over het spoor is in te delen in: • personenvervoer in de trein/metro • personenvervoer in de tram • vervoer van goederen over het spoor.

Emplacementen zijn behandeld bij de technologische omgeving (paragraaf 4.3.2) omdat ze worden gezien als inrichting. 4.5.3.1 Personenvervoer per trein of metro Hierbij is in de wagons een relatieve hoge vuurlast en sprake van relatief grote ruimten die betrokken kunnen worden bij een brand. Interventiemoment Kleine brand/ prullenbak Coupé volledig in brand

Uit

Uit

OFFENSIEF vervoer per trein of metro

Meerdere coupés in brand en/of omgeving in brand

Uit

DEFENSIEF

500 l/min

2.000 l/min

4.000 l/min

Tank

Binnen 6 min gedurende 1 uur

binnen 15 min voor minimaal 4 uur

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Deze onderverdeling is gebaseerd op de vuurlast van de verschillende soorten voertuigen en de bereikbaarheid van de voertuigen. Hier geldt wederom dat het bluswater dat wordt geadviseerd afhankelijk is van de omgeving. Bluswater is nodig voor het blussen van het vervoersmiddel en de eventuele lading. Het is goed denkbaar dat het bevoegd gezag, indien er geen kwetsbare objecten of andere belangrijke wegen of objecten in het effect gebied liggen, accepteert dat er daar beperkt kan worden ingezet.

Figuur 4.9: Uitwerking cascademodel voor personenvervoer per trein of metro

47

Voor het blussen van een kleine brand of een brand in een prullenbak in de trein is geen aanvullend water nodig, ervan uitgaande dat de trein of metro op een plek staat waar de brandweer kan komen om de brand uit te maken Bij de tweede stap van het cascademodel wordt ervan uitgegaan dat een bluswaterhoeveelheid nodig is van 2.000 l/min. Dit water is nodig om de twee naastgelegen treinstellen te koelen en de brand te bestrijden. Dit scenario wordt gezien als maatgevend scenario. De derde stap in het cascademodel betreft het in brand staan van de gehele trein (meerdere coupés) en/of de omgeving. Hiervoor is langdurig veel water nodig (minimaal 4 uur). Dit scenario is niet maatgevend en zit in de afwijking van de sturingsdriehoek. 4.5.3.2 Personenvervoer per tram Bij een tram is er sprake van een vuurlast die lager is dan in een treinstel of metrostel en die tijdens gebruik snel ontdekt zal worden. De bestuurder zit immers in hetzelfde compartiment en heeft hier goed zicht op. Daarnaast rijdt een tram door dichtbevolkt gebied. Het maatgevende scenario is dan ook het gedeeltelijk in brand staan van een tramstel. Er mag van worden uitgegaan dat het bluswater dat in de gebouwde omgeving beschikbaar is, voldoet voor de brandbestrijding.

Interventiemoment

Deel tramstel in brand

Uit

Uit

OFFENSIEF Vervoer per tram

Hele tram in brand en/of omgeving in brand

Uit

DEFENSIEF

500 l/min

1.000 l/min

2.000 l/min

Tank

Binnen 6 min gedurende 1 uur

binnen 15 min voor minimaal 4 uur

Figuur 4.10: Uitwerking cascademodel voor personenvervoer per tram

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Kleine brand/ prullenbak

48

4.5.3.3 Goederenvervoer per spoor Bij het goederenvervoer is er één cascademodel voor zowel gevaarlijke stoffen als niet-gevaarlijke stoffen, net zoals bij vervoer over de weg. De beschreven scenario’s gaan alleen over de brand van het goederenvervoer zelf; vanuit het omgevingsperspectief kan het noodzakelijk zijn de bluswaterbehoefte bij te stellen. Interventiemoment Kleine brand/ prullenbak Locomotief/ wagon zonder gevaarlijke stoffen

Uit

Uit

OFFENSIEF

Uit

DEFENSIEF

500 l/min

2.000 l/min

6.000 l/min

Tank

Binnen 15 min gedurende 1 uur

binnen 15 min voor minimaal 4 uur

Figuur 4.11: Uitwerking cascademodel voor vervoer per spoor

Voor het blussen van een kleine brand zal in eerste instantie geen aanvullend water nodig zijn. De brand kan worden bestreden met het water of schuim dat aanwezig is in tank van de TS. Bij het blussen van een brand van een gehele locomotief of lading (zijnde niet gevaarlijke stoffen) zal bij een inzet gebruikgemaakt moeten worden van extern bluswater dat binnen 15 minuten beschikbaar moet zijn. De laatste stap van het cascademodel gaat vooral om incidenten met gevaarlijke stoffen. Dit betreft een mogelijke plasbrand, het voorkomen van een BLEVE of het vrijkomen van gevaarlijke lading in de vorm van een toxische wolk. Bij het voorkomen van een BLEVE is het handelingsperspectief in eerste instantie het wegnemen van de brand en het koelen van de tank. Voor het wegnemen van de (plas)brand is meestal schuimvormend middel nodig. Voor een nadere uitwerking van de scenario’s en achtergrondinformatie zie bijlage III. Het maatgevende scenario bij vervoer op het spoor is in dit geval niet één van de stappen in het cascademodel, maar is afhankelijk van het soort vervoer over het spoor. Hier is het maatgevende scenario, net als bij vervoer over de weg, bepaald door het effect van een incident en niet door de kans dat een incident zal plaatsvinden. Uiteraard kan er gekozen worden om minder of geen bluswater aan te leggen. Het besluit van deze risicobenadering ligt bij het bevoegd gezag.

In bijlage III zijn op basis van het HART de scenario’s voor ruimtelijke veiligheid nader uitgewerkt.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Vervoer per spoor

Brand met gevaarlijke stoffen/BLEVE/ gaswolk

49

4.5.4

Vervoer door de lucht

Vervoer door de lucht valt onder de richtlijnen van luchthavens. Hoewel een vliegtuig uiteraard overal kan neerstorten, zijn luchthavens de risicolocaties. Hier zijn op basis van wetgeving specifieke voorzieningen aangelegd. Daarom zal dit thema in dit document niet verder worden uitgewerkt. Voor de bouwwerken of de industrie op een luchthaventerrein staan de bepalingen voor bluswater en bereikbaarheid in de paragrafen over gebouwde omgeving (4.2) en technologische omgeving (4.2).

4.5.5

Vervoer door buisleidingen

Buisleidingen maken deel uit van het thema verkeer en vervoer. Voor aardgastransportleidingen is een directe bronbestrijding van een incident door de brandweer niet wenselijk vanwege de aanhoudende toevoer van aardgas uit het kapotte leidingdeel. Een brand zal zich manifesteren in de vorm van een fakkelbrand. De brandweer zal zich richten op de secundaire branden die kunnen ontstaan. Bluswatervoorzieningen hebben alleen nut voor het afschermen van de omgeving en het bestrijden van secundaire branden. Voor de bluswatervoorziening wordt teruggevallen op de voorziening die al voor de aanwezige bouwwerken en omgeving is gerealiseerd.

4.6

Gezondheid

Dit thema brengt geen bluswaterbehoefte met zich mee. De crisistypen bedreiging volksgezondheid en ziektegolf worden hier desondanks kort omschreven, omdat zij wel in verband staan met een andersoortige waterbehoefte. Bij het crisistype bedreiging volksgezondheid gaat het over plotselinge gebeurtenissen, inzichten in of vermoedens over een directe bedreiging voor de gezondheid van een grote groep personen, echter (nog) zonder (veel) ziektegevallen. Het gaat hierbij namelijk om het dreigen van gezondheidseffecten, waaronder speciaal gezondheidseffecten op langere termijn. Het crisistype ziektegolf betreft een (feitelijke) golf van gezondheidsklachten. Bij beide thema’s kan er behoefte zijn aan schoon (drink)water voor de ontsmetting van (grote) groepen mensen. Brandweer Nederland beschikt hiervoor over 6 grootschalige ontsmettingseenheden. De individuele veiligheidsregio’s beschikken daarnaast (al dan niet gezamenlijk) over basisontsmettingseenheden. Deze eenheden gebruiken 25 tot 50 liter water per minuut. Een brandkraan met een capaciteit van 500 l/min, dan wel 30 m³/u, is dus ruimschoots voldoende om in deze waterbehoefte te voorzien. Wel is het van belang om bij de keuze van de locatie voor het opstellen van de eenheid rekening te houden met de aanwezigheid van een brandkraan.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Voor buisleidingen ten behoeve van transport van andere gevaarlijke stoffen wordt voor de bluswatervoorziening verwezen naar de vereiste hoeveelheden water die bij het betreffende scenario onder het thema technologische omgeving zijn beschreven. Hoofdzakelijk zal hierbij ook gelden dat de werkwijze identiek is aan de bovenbeschreven werkwijze bij aardgastransportleidingen. Bluswateradvies is hier afhankelijk van de omgeving, en waar de leidingen liggen en is maatwerk.

50

4.7

Sociaal-maatschappelijke omgeving

Voor dit maatschappelijke thema is er enkel bij evenementen een bluswaterbehoefte. Overige aspecten, zoals paniek in de menigten en verstoringen van de openbare orde, vragen geen bluswater en zullen daarom niet nader beschreven worden. Onder dit thema valt de bluswaterbehoefte op grote evenemententerreinen en in tijdelijke bouwsels, zoals tenten en podia. Dit zijn dus geen evenementen die in een bouwwerk plaatsvinden, maar in open ruimten. De evenementen in bouwwerken worden beoordeeld conform het thema beschreven in paragraaf 4.2. Het kan dat het gebruik van een pand voor een evenement kan zorgen voor een bijstelling van de hoeveelheid bluswater naar boven. Voor evenemententerreinen ligt de focus op categorie B- en Cevenementen. Bij evenementen in een straat of wijk kan voor de bluswaterbehoefte gekeken worden naar het thema gebouwde omgeving. Hier wordt specifiek ingegaan op evenementen op de volgende terreinen: • groot veld • natuurgebied • parkeerterrein • incidenteel gebruik van een grote ruimte in een stad of dorp • specifieke locaties.

4.7.1

Evenemententerrein

Bij evenementen kunnen preventieve maatregelen worden genomen of andere blusmiddelen aanwezig zijn, zodat er minder behoefte is aan bluswater. Hierdoor kan de bluswaterbehoefte naar beneden worden bijgesteld. Daarnaast kan de omgeving aanleiding zijn voor een bijstelling van de bluswaterbehoefte. Bij de scenario’s wordt immers uitgegaan van een bluswaterbehoefte voor het blussen van de brand en niet om de omgeving te beschermen en/of om uitbreiding te voorkomen.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Bij brand op een evenemententerrein wordt uitgegaan van een brand waarbij meerdere objecten in brand staan of potentieel bedreigd worden. Dit is aannemelijk, omdat er op evenemententerreinen vaak clusters van objecten zijn, zoals eetgelegenheden of verkoopkramen. Indien er bij een incident meerdere van deze objecten branden, wordt ervan uitgegaan dat de mensen op het terrein zich op een veilige afstand van deze brand bevinden, dan wel het terrein verlaten via de nooduitgangen. Het is daarom niet noodzakelijk om op korte afstand direct bluswater beschikbaar te hebben. De waterwinning mag daardoor langer duren, maar moet dan wel gelijk een hoeveelheid leveren die noodzakelijk is om een brand van meerdere objecten te kunnen bestrijden.

51

4.7.2

Tijdelijke bouwsels

Bij tijdelijke bouwsels (tent, tribune, podium, markt, braderie en kermis), wordt ervan uitgegaan dat deze vaak opzichzelfstaande objecten zijn waaromheen andere objecten staan, zoals een generator, opslag of eetkraam. Voor deze objecten is een beperkte hoeveelheid bluswater nodig. Voor het bepalen van het bluswater in het maatgevende scenario is niet de omgeving van de objecten van het evenement meegenomen. De omgeving kan zorgen voor een bijstelling van de hoeveelheid bluswater naar boven of naar beneden. Het maatgevende scenario hier is bijvoorbeeld een brandende patatkraam, inclusief de bijbehorende gasflessen (object in brand). Bij dit scenario is het van belang om snel te kunnen beschikken over water, zodat eventuele gasflessen of andere energievoorzieningen kunnen worden gekoeld of afgeschermd. Interventiemoment Voorwerp Object/ bouwsel Meerdere objecten Terrein

Uit in object/ bouwsel

Buiten het terrein Uit in objecten

OFFENSIEF Evenementen terrein

Tijdelijk bouwsel

Uit In terrein

DEFENSIEF

125 l/min

500 l/min*

2.000 l/min

4.000 l/min

8.000 l/min

Tank TS

Binnen 6 min voor 1 uur

Binnen 15 min voor 1 uur

Binnen 30 min voor 4 uur

Binnen 60 min voor 4 uur

125 l/min

1.000 l/min

2.000 l/min

4.000 l/min

8.000 l/min

Tank TS

Binnen 6 min voor 1 uur

Binnen 15 min voor 1 uur

Binnen 30 min voor 4 uur

Binnen 60 min voor 4 uur

* Wanneer voor het bestrijden van een brand de inhoud van de tankautospuit niet voldoende is, is de externe bluswaterbehoefte in de regel 1.000 l/min. In sommige gevallen kan hiervan beargumenteerd afgeweken worden naar het absolute minimum van 500 l/min.

Figuur 4.12: Uitwerking cascademodel voor evenementen

4.7.3

Energietransitie bij evenementen en tijdelijke bouwsels

De energietransitie die tijdens het schrijven van dit beleidsdocument plaatsvindt, beïnvloedt de energievoorziening op de evenemententerreinen. Zo worden er generatoren geplaatst die kunnen bestaan uit grote hoeveelheden batterijen, al dan niet met zonnepanelen of ander voorzieningen om stroom op te wekken. In de behoeftestelling van het bluswater is met deze ontwikkelingen nog geen rekening gehouden. Hierom is het essentieel dat dit beleidsdocument regelmatig geactualiseerd wordt.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Uit in voorwerp

52

Hoofdstuk 5 - Bereikbaarheid

Hoofdstuk 5 - Bereikbaarheid

In dit hoofdstuk wordt beschreven welke eisen gesteld (moeten) worden aan wegen om de bereikbaarheid zo veel mogelijk te garanderen. Hier wordt — in aansluiting op de terminologie van het programma Duurzaam Veilig (SWOV, 1992) en het vervolgprogramma Door met Duurzaam Veilig (SWOV, 2005) — bereikbaarheid als volgt gedefinieerd: de mate waarin een bepaald doel snel en zonder hinder te bereiken is.

2 verkeersader

3 verblijfsgebied

1 hulpdienstvoertuig

4 incidentlocatie 6 speciale situatie 5 eigen perceel

Figuur 5.1 Schematische weergave van grof naar fijn

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Voor hulpdiensten is het goed kunnen bereiken en verlaten van een incident met eigen materieel en eigen personeel van cruciaal belang. Hiervoor is het van belang dat wegen zo veel mogelijk een onbelemmerde doorgang bieden. Dit hoofdstuk beschrijft welke eisen gesteld worden aan een goede bereikbaarheid. Deze eisen vormen condities om de bereikbaarheid voor hulpdiensten zo veel mogelijk te vergroten en zijn hiermee een zwaarwegend advies. Zij staan niet gelijk aan wet- en regelgeving, hoewel zij wel zijn opgesteld binnen de kaders daarvan. De eisen, weergegeven in afbeelding 5.1, worden van ‘grof naar fijn’ behandeld: • paragraaf 5.1: de gestelde eisen betreffende de weg van de uitrukpost tot de incidentlocatie (de gehele route) in relatie tot het hulpdienstvoertuig • paragraaf 5.2: de bereikbaarheid en inrichting van de verkeersaders • paragraaf 5.3: de bereikbaarheid en inrichting van het verblijfsgebied • paragraaf 5.4: de bereikbaarheid van een incidentlocatie (ofwel een specifiek adres) • paragraaf 5.5: de bereikbaarheid op eigen terrein • paragraaf 5.6: overige (speciale situaties).

53

In figuur 5.2 hieronder is het verschil in soorten wegen weergegeven, waarbij van boven naar beneden gezien de stroomfunctie steeds kleiner wordt en de verkeersbewegingen in meerdere richtingen steeds groter worden.

Stroomfunctie

Stroomweg Stroomweg

Capaciteit

Stadsautoweg

Wijkverzamelweg

Gebiedsontsluitingsweg

Industriestraat (winkelstraat)

Woonstraat

Erftoegangsweg Woonpad

Erffunctie

Figuur 5.2: Schematische weergave van verschillende soorten wegen

5.1 Eisen aan de weg in relatie tot de hulpdienstvoertuigen Eerste eis: een weg is alleen door hulpdienstvoertuigen te gebruiken wanneer deze recht doet aan de specifieke kenmerken van die hulpdienstvoertuigen. Een incidentlocatie is bereikbaar als deze aan een tweetal zaken voldoet: • Er is een beschikbare route vanaf een uitrukpost tot een bij de incidentlocatie gelegen opstelplaats (een bepaalde opstelplaats of een opstelplaats samenvallend met de openbare weg). Voor uitrukposten geldt dat deze altijd ontsloten dienen te zijn door een gebiedsontsluitingsweg. • De normtijden2 zoals gesteld in het Besluit veiligheidsregio’s of bestuurlijk vastgesteld voor een basisbrandweereenheid, worden gehaald. Hulpdienstvoertuigen kennen specifieke afmetingen, waardoor wegen aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. We kennen brandweer-, politie - en ambulancevoertuigen. In dit stuk is het brandweervoertuig maatgevend, omdat dit onder de hulpdienstvoertuigen het grootst en het zwaarst is. De geformuleerde voorwaarden aan de wegen zijn voor de hulpdienstvoertuigen het minimum.

2

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Bereikbaarheid

Buurtverzamelweg

Indien de wet aangaande de normtijden komt te veranderen, dient uitgegaan te worden van de meest recente versie van de wet. Een wijziging kan eventueel vragen om een maatwerkoplossing.

54

Om te kunnen spreken van een goede bereikbaarheid, worden in de meeste gevallen aanvullende eisen gesteld. Lokaal kan er maatwerk plaatsvinden als er bijvoorbeeld, passend op het regionaal risicoprofiel, met specifieke voertuigen (bijvoorbeeld waterwagens en schuimblusvoertuigen) wordt gewerkt. Aan de volgende aspecten moeten voorwaarden worden gesteld (zie ook figuur 5.3): • De minimale beschikbare rijstrookbreedte kan variëren per wegkenmerk, maar de weg moet minimaal voor 3,25 meter worden verhard en er moet een vrije ruimte zijn met een breedte van 3,5 meter. • De doorgangshoogte moet minimaal 4,20 meter zijn. • Er dient rekening gehouden te worden met de draaicirkel3 van de voertuigen en de hiermee gepaarde rijcurve en sleeplijn. • Als richtlijn voor verharding geldt een totaal gewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton. • Voor het dimensioneren van wegverhardingen wordt niet meer gebruikgemaakt van verkeersklassen. Bij bruggen en viaducten worden wel verkeersklassen gebruikt, in combinatie met de cijfers 30, 45, 60 (of 300, 450, 600), met een aslast van 100 respectievelijk 150 en 200 kN. • Voor bruggen en viaducten is, voor gebruik door hulpdienstvoertuigen, minimaal verkeersklasse 45 van toepassing

3,5 m vrije ruimte

> 3,25 m verharding

R10

bochtstraal

R5,5

11,5 t

Figuur 5.3: Specifieke kenmerken van hulpdienstvoertuigen

3

Een bochtstraal moet berijdbaar zijn voor de hulpdienstvoertuigen (bijvoorbeeld door het intekenen van rijcurves of sleeplijnen). Hierbij zijn sleeplijnen gebaseerd op snelheid en zijn bochtstralen de minimale eisen om een bocht te kunnen nemen. Rijcurves dienen locatieafhankelijk bepaald te worden op basis van de mogelijk in te zetten hulpdienstvoertuigen.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

4,2 m

55

5.2

Bereikbaarheid via verkeersaders

Tweede eis: verkeersaders bieden aan de hulpdienstvoertuigen een onbelemmerde en betrouwbare doorgang. Verkeersaders worden onderverdeeld in stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen.

Gebiedsontsluitingsweg

Stroomweg

Erftoegangsweg

Stroomwegen hebben een primaire verkeersfunctie, waarbij de doorstroming centraal staat. Zij zijn daarom niet toegankelijk voor langzaam verkeer en landbouwverkeer. Stroomwegen kennen in de Duurzaam Veilig-visie geen gelijkvloerse kruisingen en er is een fysieke scheiding, bijvoorbeeld in de vorm van een middenberm. In de praktijk betreft het hier veelal de zogenaamde A-wegen (snelwegen) en N-wegen (veelal provinciale wegen en autowegen). De meest intensief gebruikte fysieke infrastructuur is de auto(snel)weg. Lokale stroomwegen zullen in de meeste gevallen onder de eerdergenoemde eisen vallen en zodoende voldoende bereikbaar zijn. Auto(snel) wegen hebben echter gescheiden rijbanen en zijn maar vanaf enkele toe- en afritten bereikbaar, die soms ver uit elkaar liggen. Voldoende toegang tot de wegvlakken van auto(snel)wegen kan gerealiseerd worden door bijvoorbeeld: • calamiteitendoorsteken • calamiteitentoegangen • deuren in geluidsschermen Voldoende doorgang op de auto(snel)wegen kan gerealiseerd worden door bijvoorbeeld: • gebruik calamiteitdoorsteek (CADO) • gebruik vrije vluchtstrook • halfverharding • het middendoor rijden door hulpdiensten • afstemming over incidentmanagement

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Figuur 5.4: Categorisering van wegen: stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen

56

Gebiedsontsluitingswegen zijn wegen die zowel doorstroming als uitwisseling tot doel hebben. Zij zorgen ervoor dat bijvoorbeeld woonwijken, bedrijfsterreinen en winkelcentra bereikbaar blijven. Tevens hebben ze tot doel te zorgen voor het verdelen en verzamelen van verkeer. In de praktijk gaat het hier veelal om doorgaande wegen tussen dorpskernen en hoofdroutes in en rondom stadskernen, dorpskernen, wijken en buurten.

5.2.1

Snelheid op verkeeraders

Op de verkeersaders (stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen) is de snelheid van hulpverleningsdiensten meestal vergelijkbaar met en soms zelfs hoger dan de snelheid van het overige verkeer. Volgens de brancherichtlijn Optische en geluidssignalen 2017 (IFV, 2017) is het aan brandweerchauffeurs op grotere voertuigen (>5.000 kg TMM) toegestaan om tot 20 km/u harder te rijden dan de toegestane snelheid. Met kleinere voertuigen (≤ 5.000 kg TMM) mag sinds 2017 ook door brandweerchauffeurs tot 40 km/u harder gereden worden dan de geldende maximumsnelheid. Dit is gelijk aan hoe het voor bijvoorbeeld politie, ambulance en defensie al geregeld was. De ervaring leert dat het overige verkeer snelheid terugneemt om plaats te maken voor hulpdienstvoertuigen. Dit houdt in dat er voor de hulpverleningsdiensten de ruimte moet zijn om het verkeer op dezelfde baan te kunnen passeren en het eventueel tegemoetkomende verkeer te kunnen ontwijken.

5.2.2

Doorgang op verkeersaders

0.25 m

2m

3.5- m min 8m

Figuur 5.5a: Minimale verharde breedte van een verkeersader met tweerichtingsverkeer

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Op verkeersaders met tweerichtingsverkeer dient voldoende ruimte te zijn om hulpdienstvoertuigen doorgang te kunnen geven, waardoor een minimale verharde breedte van 8,00 meter benodigd is. Voertuigen in beide richtingen dienen uit te kunnen wijken om het hulpdienstvoertuig in het midden ruimte te geven, zie onderstaande afbeeldingen.

57

Twee richtingen (1x2) > 8,00 m

vrachtwagen

auto

auto

Verkeersader

Figuur 5.5b: Minimale verharde breedte van een verkeersader met tweerichtingsverkeer

Op verkeersaders met eenrichtingsverkeer (ook wegen met gescheiden rijbanen) dient voldoende ruimte te zijn om hulpdienstvoertuigen doorgang te kunnen geven, waardoor een minimale verharde breedte van 5,50 meter nodig is. Verkeersdeelnemers dienen uit te kunnen wijken om het hulpdienstvoertuig passeerruimte te geven; zie figuur 5.6.

vrachtwagen

auto

Verkeersader

Figuur 5.6: Minimale verharde breedte van een verkeersader met eenrichtingsverkeer

Belemmeringen op verkeersaders Wegwerkzaamheden, snelheidsremmende of verkeerswerende elementen en afsluitingen vormen een belemmering op de weg. Wegwerkzaamheden kunnen een reden zijn voor het zoeken naar een alternatief. Vormen van alternatieven kunnen zijn: • wegomleidingen • parallelbaan • route door het werkvak. Snelheidsremmende en verkeerswerende elementen zijn in tegenspraak met een onbelemmerde doorgang. Deze dienen in overleg te worden geplaatst om te voorkomen dat de opkomsttijd onevenredig lang wordt.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Gescheiden rijbanen (2x1) > 5,50 m

Tevens moeten verkeeraders altijd bruikbaar zijn en blijven, of dient hiervoor minimaal een alternatief te worden gezocht. Wanneer dit niet gebeurt, bestaat namelijk de kans dat delen van het verzorgingsgebied niet bereikt kunnen worden, doordat een verkeersader niet beschikbaar is. Een onbelemmerde doorgang kan overigens worden bevorderd door verkeersmanagement, bijvoorbeeld door het toepassen van verkeerslichtbeïnvloeding of het aangeven van gewenst gedrag door borden.

58

Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het totaalaantal snelheidsremmende en verkeerswerende elementen op de gehele route beperkt moet blijven. Tevens dienen er goede zichtlijnen voor de bestuurder te zijn nabij kruisingen om snel en veilig het kruispunt te kunnen oversteken. Het “Handboek wegontwerp 2013” biedt verschillende alternatieven om een onbelemmerde doorgang voor de hulpdiensten te bevorderen. 5.2.2.1

Hoofdrijroutes, calamiteitenroutes en aanrijroutes voor vrijwillig brandweerpersoneel In veel gemeenten zal de vastgestelde categorisering (Duurzaam Veilig) niet voldoen aan de hiervoor genoemde eisen. Een optie is om in dergelijke gevallen een gemeentelijk convenant voor ‘hulpverleningsroutes’ (zie “Handboek wegontwerp 2013”) vast te stellen en daaraan inrichtingseisen te verbinden. Dergelijke hulpverleningsroutes zijn vaak de grotere wegen binnen een verblijfsgebied waarvoor een 30 km/u-regime geldt. In een dergelijk document kunnen afspraken worden gemaakt over hoofdrijroutes, calamiteitenroutes en aanrijroutes voor vrijwillig brandweerpersoneel richting de uitrukpost.

• Calamiteitenroutes Naast de hoofdrijroutes kunnen ook, samen met een gemeente, zogenaamde calamiteitenroutes aangewezen worden. Deze routes vormen een robuust basisnetwerk voor een minimale bereikbaarheid. Ze lopen bij voorkeur over brede wegen voor de aan- en afvoer van groot materieel, evacuatie en het inrichten van gewondennesten. Voorbeelden van calamiteitenroutes zijn routes van en naar een brandweer- of ambulancepost, ziekenhuis of politiebureau, of routes tussen ziekenhuizen. Het gezamenlijk vaststellen van deze routes zorgt ervoor dat er, zeker bij werkzaamheden en evenementen, zorgvuldig gekeken wordt naar de risico’s die het blokkeren van een calamiteitenroute met zich meebrengt.

• Aanrijroutes voor vrijwillig brandweerpersoneel richting de uitrukpost Vrijwillig brandweerpersoneel komt na alarmering in de regel vanuit hun werk- of huisadres richting uitrukpost. Het is vanzelfsprekend onmogelijk om voor alle medewerkers een route te faciliteren die aan de hoogste eisen voldoet. Wanneer de brandweer advies geeft over bereikbaarheid bij werkzaamheden en evenementen, kan ook gewezen worden op eventuele verstoringen in de routes die vrijwilligers nemen om de kazerne (snel) te bereiken. Omrijden kan de uitruktijd — en daarmee de opkomsttijd — van een vrijwillige eenheid verhogen en in het uiterste geval zelfs de paraatheid verminderen.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

• Hoofdrijroutes Met een gemeente kunnen zogenaamde hoofdrijroutes bepaald worden. Dit zijn de belangrijkste verbindingswegen in een stad of gebied. De hulpdiensten maken hier over het algemeen altijd gebruik van voordat zij het omliggende fijnmaziger wegennet opgaan om een specifieke incidentlocatie te bereiken. Door het maken van deze afspraken is het voor de gemeente helder op welke locatie de hulpdiensten strenger zullen adviseren bij werkzaamheden en kan bijvoorbeeld vooraf al meer aandacht besteed worden aan planning, doorrijdmogelijkheden of het zoeken naar een acceptabele alternatieve route.

59

5.2.2.2 Afsluitingen anders dan wegwerkzaamheden Afsluitingen anders dan wegwerkzaamheden in de verkeersaders, gebiedsontsluitingswegen en vastgestelde hoofd- en calamiteitenroutes mogen uitsluitend door middel van op afstand bedienbare dynamische voorzieningen worden uitgevoerd. Deze dienen vanuit het hulpdienstvoertuig bediend te kunnen worden (bijvoorbeeld door een actieve transponder). De afsluiting mag enkel worden toegepast als zij regionaal is afgestemd en uniform is vormgegeven. De afsluiting moet te bedienen zijn door alle hulpdiensten.

5.3

Bereikbaarheid in verblijfsgebieden

Derde eis: verblijfsgebieden kennen een zodanige samenhang dat een willekeurig adres in een verblijfsgebied binnen een gestelde tijd bereikbaar is.

5.3.1

Snelheidsremmende verkeersmaatregelen

Binnen verblijfsgebieden is sprake van erftoegangswegen die bedoeld zijn voor het veilig toegankelijk maken van percelen.

Gebiedsontsluitingsweg

Erftoegangsweg

Figuur 5.7: Categorisering van wegen: erftoegangswegen

Naast het terugbrengen van de snelheid worden in principe geen andere verkeersmaatregelen zoals fietsstroken of zebrapaden toegepast. De eis dat een willekeurig adres vanaf een verkeersader binnen een gestelde tijd bereikbaar moet zijn, draagt bij aan een goede ontsluiting voor hulpdiensten. Uitgaande van de normtijden genoemd in het Besluit veiligheidsregio’s4 is een tijd van één à twee minuten aan de orde. De eis om de ontsluitingstijd voor een verblijfsgebied op ten hoogste twee minuten te stellen, moet er toe leiden dat: • een erftoegangsweg niet onacceptabel lang is: globaal dient elk perceel binnen twee minuten vanaf de verkeersader bereikt te kunnen worden • een erftoegangsweg binnen beperkte grenzen met vertragende verkeersobstakels mag zijn ingericht • ontsluitingen van een verblijfsgebied op strategische punten worden gepland. 4

De normtijden in het besluit zijn ontleend aan de handleiding Brandweerzorg inclusief de Technische Aanvulling en de concept-Leidraad Repressieve Basisbrandweerzorg.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Stroomweg

Op erftoegangswegen moeten alle verkeersdeelnemers (voetgangers, fietsers en automobilisten, et cetera) van dezelfde rijbaan gebruik kunnen maken, waarbij voetgangers vaak wel een eigen verkeersruimte wordt geboden in de vorm van een trottoir. Manoeuvres als keren, draaien, het laten in- en uitstappen van passagiers, het laden- en lossen van goederen en het oversteken moeten veilig kunnen gebeuren. Omdat de verblijfsfunctie het belangrijkst is in gebieden met dergelijke wegen, moet de snelheid van het gemotoriseerde verkeer omlaag om toch te voldoen aan de vereiste van homogeniteit van het verkeer. Om deze lagere snelheid (ten opzichte van de gebiedsontsluitingswegen) af te dwingen, zijn er de laatste jaren veel snelheidsremmende maatregelen getroffen.

60

5.3.2

Doorgang op erftoegangswegen

Op erftoegangswegen (de wegen binnen het verblijfsgebied) dient voldoende ruimte te zijn om hulpdienstvoertuigen doorgang te kunnen geven, waardoor een minimale berijdbare breedte van 4,50 meter nodig is. Verkeersdeelnemers dienen uit te kunnen wijken om het hulpdienstvoertuig passeerruimte te geven, zie figuur 5.8.

Berijdbare breedte > 4,50 m

auto

Erftoegangswegen die zijn aangewezen als hoofdrijroute of calamiteitenroute, worden beschouwd als verkeersaders zoals beschreven in de voorgaande paragraaf. Bij een aangepaste inrichting, bijvoorbeeld met voertuigvriendelijke elementen of een ruimere wegbreedte, kunnen deze wegen door de hulpverleningsdiensten toch worden beschouwd als een onbelemmerde en betrouwbare doorgang. Deze wegen dienen in samenspraak met de Veiligheidsregio aangewezen te worden.

Verblijfsgebied

Om de tijdseis in een afstandseis om te zetten, moet aan het volgende worden gedacht: de gemiddelde snelheid van een hulpdienstvoertuig ligt binnen de bebouwde kom over het algemeen lager dan de maximale snelheid. In verblijfsgebieden, zeker wanneer die met veel snelheidsremmende maatregelen zijn ingericht, ligt de gemiddelde snelheid nog lager. Waar de snelheid via de normale erftoegangswegen niet afdoende is, kan er gekeken worden naar alternatieve mogelijkheden, bijvoorbeeld via een stuk fietspad of een calamiteitendoorgang. Naast de voorkeursroute moet een willekeurig adres vanaf een doorgaande verkeersader in principe via een tweede onafhankelijke route bereikbaar zijn. Dit is noodzakelijk, omdat niet gegarandeerd kan worden dat de voor de hand liggende route altijd bruikbaar is. Wegwerkzaamheden, opstoppingen, fout geparkeerde voertuigen en dergelijke kunnen een goede bereikbaarheid in de weg staan. Als het niet anders mogelijk is, kan dit ook worden opgelost met alternatieve mogelijkheden. Deze tweede onafhankelijke route mag eventueel afgesloten worden met een verwijderbare afsluiting om sluipverkeer tegen te gaan. De afsluiting mag enkel worden toegepast als de afsluiting regionaal is afgestemd en uniform is vormgegeven. De afsluiting moet te bedienen zijn door alle hulpdiensten.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Figuur 5.8: Minimale berijdbare breedte van een tweerichtings-erftoegangsweg

61

5.3.3

Doodlopende wegen

Een doodlopende weg is een weg die maar op één manier in en uit te rijden is. Dit betekent dat per definitie niet voldaan kan worden aan de eis van een tweede onafhankelijke route. In afbeelding 5.9 worden verschillende typen doodlopende erfontsluitingswegen beschreven.

beschikbare rijbaanbreedte

> 3,50 m

> 4,50 m

> 5,00 m

< 4,50 m

1

2 max 80 m

3 max 80 m

4 max 40 m

5

Situatie 1

Situatie 2

Situatie 3

Situatie 4

Situatie 5

5.3.4

In deze situatie is er geen sprake van een doodlopende route. De bereikbaarheid is daarmee voldoende, mits de vrije wegbreedte minimaal 3,50 meter in geval van een eenrichtingsweg is, en minimaal 4,50 meter wanneer het een tweerichtingsweg is. Een doodlopende weg is toegestaan mits de wegbreedte minimaal 4,50 meter bedraagt en er een keermogelijkheid aanwezig is. De afmetingen van de keerlus dienen te passen bij de afmetingen van de hulpdienstvoertuigen zoals beschreven bij de eerste eis. Door de keerlus wordt in feite een normale erftoegangsweg gecreëerd. Een dergelijke doodlopende weg mag maximaal 80 meter lang zijn. Bestaat er geen keermogelijkheid zoals in situatie 2, dan is er minimaal 5 meter wegbreedte nodig. Ook hier geldt een maximale lengte van 80 meter. Zijn de bovengenoemde wegbreedtes niet beschikbaar, dan kan de maximale lengte van de doodlopende weg 40 meter zijn, volgens de vierde eis. In dat geval wordt een blusvoertuig op de kop van de doodlopende straat opgesteld en is 40 meter inzetdiepte beschikbaar. Een doodlopende weg met vertakkingen is voor de bereikbaarheid simpelweg onvoldoende.

Wegopbrekingen in verblijfsgebieden

Waar het gaat om wegopbrekingen waarbij een weg wordt afgesloten, wordt verwezen naar de doodlopende wegen in figuur 5.9. Een minimale bereikbaarheid moet geborgd blijven volgens de vierde eis, zoals in situatie 4. In het geval van woningen kan er worden gesteld dat de afstand ten gevolge van opbrekingen maximaal 2 x 40 meter = 80 meter bedraagt, mits het opgebroken wegdeel van twee zijden benaderd kan worden. Als het opgebroken wegdeel slechts van één zijde te bereiken is, geldt een afstand van maximaal 40 meter. De continuïteit van toegang tot overige bouwwerken zal redelijkerwijs geregeld moeten worden.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Figuur 5.9: Doodlopende wegen

62

5.4

Bereikbaarheid op de incidentlocatie (bouwwerk- of objectniveau)

Vierde eis: de afstand en overbrugging vanaf een opstelplaats tot bouwwerken/objecten en bluswatervoorzieningen doen recht aan de middelen en mogelijkheid van een brandweereenheid (BIZA-bepakking). Elke incidentlocatie kent een opstelplaats: een veilige, doelmatige en goed bereikbare plaats voor hulpdienstvoertuigen van waaruit de inzet kan plaatsvinden. Deze opstelplaats kan en zal vaak samenvallen met de openbare weg. Specifieke locaties als natuurgebieden en infrastructuur vragen maatwerk. De afstand van de opstelplaats tot de incidentlocatie is aan een functioneel maximum gebonden. De eerste inzet zal in de regel plaatsvinden met een straal van 60 meter, de maximale inzetdiepte. Voor een eengezinswoning is de verwachting dat 20 meter straal binnen voldoende zal zijn. Daarom mag er een maximale afstand zijn van 40 meter tussen de opstelplaats en een eengezinswoning. Voor andere bouwwerktypen wordt er een maximale afstand van 10 meter aangehouden, waarna er 50 meter rest aan inzetdiepte (zie ook figuur 5.10). < 40 m

< 10 m

Figuur 5.10: Opstelplaats tankautospuit tot incidentlocaties

Naast de bovengenoemde functionele afstand geldt er ook een strategische ligging. Een opstelplaats voor een blusvoertuig mag niet zodanig ten opzichte van een bouwwerk of opslag zijn gesitueerd dat binnen 30 minuten na het ontstaan van een brand of ongeval het opgestelde voertuig gevaar of schade kan oplopen door de gevolgen van de brand of het fysieke ongeval. Een strategisch gelegen opstelplaats bevindt zich dus buiten het invloedsgebied van het incident. Voor het bestrijden van incidenten dienen er ook bluswatervoorzieningen voorhanden te zijn. Voor deze voorzieningen geldt een minimale benaderbaarheid, in die zin dat een hulpdienstvoertuig de voorziening tot op een minimale afstand kan benaderen. Deze minimale afstand hoeft niet altijd een relatie te hebben met de opstelplaats, omdat er vaak voor gekozen wordt om dicht bij de toegang van een incidentlocatie op te stellen en terug te werken naar de bluswatervoorziening en niet andersom. De functionele relatie tussen de bluswatervoorziening en het hulpdienstvoertuig is veelal gebaseerd op een brandslang van 20 meter. Zodoende is de minimale benaderbaarheid van een bluswatervoorziening 15 meter (zie ook figuur 5.11). Dit geldt ook voor een droge blusleiding. Voorzieningen als een opstelplaats, open water of een bluswaterriool vragen maatwerk. < 15 m

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Hoge druk straal 60m

brandslang 20 m

Figuur 5.11: Afstand tot bluswatervoorziening

63

5.4.1

Opstelplaats tankautospuit

Voor een tankautospuit kunnen de volgende afmetingen worden aangehouden voor een opstelplaats (deze kan en zal vaak samenvallen met de openbare weg, zie ook figuur 5.12): • een breedte van 4,5 meter • een lengte van 10 meter • een vrije doorgangshoogte van 4,2 meter • bestand tegen een aslast van 11,5 ton • bestand tegen een totaal gewicht van 20 ton.

vrije ruimte

10 m

11.5 t 4,5 m

20 t

Figuur 5.12: Opstelplaats tankautospuit

Opstelplaats WTS500

Om te voorzien in de bluswaterbehoefte heeft de VRHM WTS500-voertuigen aangeschaft. Deze voertuigen hebben drie functies: water halen uit open water; tank met een inhoud van 10.000 l water; 500 meter slanglengte. Bij de inrichting van een opstelplaats voor de WTS500 moet om die reden rekening worden gehouden met de volgende aandachtspunten: • Als het niet mogelijk is om de WTS500 op de openbare weg of een toegangsweg te plaatsen, is een opstelplaats noodzakelijk. • De maximale afstand van WTS500-voertuig tot het open water (plaats dompelpomp in water) bedraagt 40 meter. Voor de WTS500 kunnen de volgende afmetingen worden aangehouden voor een opstelplaats: • een breedte van minimaal 5 meter • een lengte van 10 meter • bestand tegen een aslast van 11,5 ton • bestand tegen een totaal gewicht van 30 ton • een maximale hellingshoek van 7% • een vrije doorgangshoogte van 4,2 meter.

11.5 t

vrije ruimte

10 m

5m

30 t x 7%

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

5.4.2

ma

Figuur 5.13: Opstelplaats WTS500

64

5.4.3

Opstelplaats redvoertuig

Hoewel het onder de huidige wetgeving niet meer is toegestaan, zijn er nog altijd bouwwerken met een vloerhoogte van meer dan 6 meter waar een tweede vluchtweg ontbreekt. Dit zijn de zogenaamde portiekwoningen. Zolang dit soort bouwwerken niet is voorzien van een tweede vluchtweg, betekent het dat redding in de regel kan plaatsvinden met behulp van een redvoertuig. Bij de inrichting van een opstelplaats voor het redvoertuig moet om die reden rekening worden gehouden met de volgende aandachtspunten: • de vlucht van het redvoertuig (voldoende manoeuvreerruimte voor de arm; balkons, ramen et cetera bereikbaar) • afstempelmogelijkheden en de stempeldruk (de maximale hoogte van de stoepranden is 20 cm) • de bereikbaarheid van de opstelplaats (zie ook de derde eis). Daarnaast zijn er nog andere redenen aan te voeren om een opstelplaats voor een redvoertuig te creëren. Denk aan het afhijsen van patiënten, het van hoogte blussen, enzovoort. Als het niet mogelijk is om het redvoertuig op de openbare weg of een toegangsweg te plaatsen, is een opstelplaats noodzakelijk

vrije ruimte

11,5 t

11m

50 ton/m2 (=500 kN/m2) 5m

x 7%

ma

Figuur 5.14: Opstelplaats redvoertuig

5.4.4

Opstelplaatsen voor bluswaterwinning

Waar gebruikgemaakt wordt van open water, verdient het aanbeveling om vaste vulpunten aan te wijzen en deze ook te markeren. Een vulpunt aan open water moet voldoen aan de volgende eisen: • De benodigde verharding van de openbare weg naar de bluswaterwinplaats en de opstelplaats voor het brandweervoertuig dient geschikt te zijn voor een asbelasting van 11,5 ton en, afhankelijk van het soort voertuig dat gebruikt wordt, een totaalgewicht van 30 ton (WTS500 is maatgevend). • De vrije opstelplaats voor het brandweervoertuig dient een afmeting te hebben van minimaal 10 x 5 meter en een vrije hoogte van 4,20 meter.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Voor een redvoertuig kunnen de volgende afmetingen worden aangehouden voor een opstelplaats (zie ook figuur 5.14): • een breedte van minimaal 5 meter • een lengte van 10 meter • bestand tegen een aslast van 11,5 ton • bestand tegen een totaal gewicht van 25 ton • bestand tegen een stempeldruk van 50 ton/m2 (= 500 kN/m2) • een maximale hellingshoek van 7%.

65

• Indien de opstelplaats haaks staat ten opzichte van de waterkant, moet op de af-

• • • • •

stand van twee meter van het einde van de opstelplaats over de volle breedte van de rijloper een verhoging (stootrand) worden aangebracht van tussen 15 cm en 20 cm hoog. Indien water wordt ingenomen via de zijkant, moet er een werkruimte beschikbaar zijn van minimaal 1 meter. Als een specifieke vulplaats wordt gemarkeerd, dient dit te gebeuren door middel van een aanwijsbord met de tekst “NIET PARKEREN, brandweervulpunt”. De verticale afstand van de opstelplaats tot de laagste waterstand mag niet meer bedragen dan 2,5 meter. Bij de laagste waterstand dient er minimaal een waterdiepte beschikbaar te blijven van 100 cm, zodat er geen modder of waterplanten worden aangezogen en er ook geen kolkvorming plaatsvindt. Om aangroei van waterplanten te voorkomen, kan gebruikgemaakt worden van L- of U-vormige betonelementen die in het water worden geplaatst en zo zorgen voor een vaste bodem en zijwand.

8m

Werkruimte 1 m

Werkdiepte 0,60 m

Hoogteverschil 0 - 2,50 m

Pomphoogte 1 m

stootrand

Figuur 5.15a: Opstelplaats voor tankautospuit bij bluswaterwinning van open water

Waterdiepte >1m

Open water

Werkruimte min 1 m

Figuur 5.15b: Opstelplaats voor tankautospuit bij bluswaterwinning van open water

Voor opstelplaatsen ten behoeve van geboorde putten gelden de volgende richtlijnen: • De afstand tussen een opstelplaats en een open geboorde put mag niet groter zijn dan 2 meter. • De verticale afstand tussen het waterniveau van een geboorde put zonder pomp en de opstelplaats is maximaal 4 meter (in verband met een daling van het waterpeil bij het aanzuigen). • De afstand tussen een opstelplaats en een gesloten geboorde put zonder pomp mag niet groter zijn dan 8 meter. De maximale afstand voor werkruimte wordt bepaald door de lengte van de zuigbuis, die 8 meter is.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Waterdiepte >1m

er et

66

5.5

Bereikbaarheid op eigen terrein

Vijfde eis: voor incidentlocaties die niet over de openbare weg bereikbaar zijn, gelden de hiervoor genoemde eisen onverminderd. De bereikbaarheid op eigen terrein is geregeld in het Bouwbesluit 2012, artikel 6.37. Onder de Omgevingswet is de bereikbaarheid van het bouwwerk tot aan de openbare weg geregeld in het omgevingsplan. Eerder is aangegeven aan welke minimale eisen de openbare weg moet voldoen om deze voor hulpdienstvoertuigen toegankelijk te maken. In sommige gevallen staat een object te ver van de openbare weg om aan de vierde eis te voldoen, bijvoorbeeld een kantoor op een groot eigen perceel. De weg dient dan door te lopen op eigen terrein tot voldaan wordt aan eisen gesteld in paragraaf 4. Artikel 6.37, eerste lid uit het besluit zegt hierover het volgende:

“Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpdiensten.”

Het eerste lid van artikel 6.37 is niet van toepassing op: • een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m² en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090 • een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m² • een lichte industriefunctie, uitsluitend voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090. Het eerste lid van artikel 6.37 is ook niet van toepassing indien: • de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt • de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid vereist. Een bouwwerk waarin personen kunnen verblijven, heeft ten minste één brandweeringang. Het bevoegd gezag kan voor bouwwerken met meerdere toegangen vaststellen welke toegang(en) als brandweeringang moet(en) worden aangemerkt. Dit zal de hoofdingang (het huisadres) zijn, tenzij door het bevoegd gezag expliciet anders bepaald wordt. Indien de inzetdiepte groter is dan 60 meter (de lengte van een straal volgens landelijk bestek), dient een maatwerkoplossing aangeboden te worden, waarbij rekening wordt gehouden met de eventuele gevolgen voor de bluswatervoorziening.

Ook moet bij het bepalen van opstelplaatsen rekening gehouden worden met de inzetdiepte. De meest toegepaste en voor de hand liggende maatwerkoplossing in dit soort gevallen is een droge blusleiding, zoals genoemd in bijlage D van NEN 1594.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Afwijkende eisen mogen worden overgenomen voor de bereikbaarheid op eigen terrein, mits opgenomen in een gemeentelijke verordening. Het Bouwbesluit is hiervoor het geëigende middel. Tenzij het omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anderszins bepaald heeft, heeft een verbindingsweg als bedoeld in artikel 6.37, eerste lid van het Bouwbesluit: • een breedte van ten minste 4,5 meter • een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 15 ton • een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter • een doeltreffende afwatering.

67

5.6

Overige en bijzondere situaties

Er is een aantal situaties waarin geen eisen gesteld kunnen worden op basis van de eerdergenoemde richtlijnen, maar die net zo goed vragen om goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten. Zodoende worden hier voor een aantal categorieën aanwijzingen voor een goede bereikbaarheid gegeven.

5.6.1

Bereikbaarheid in landelijk gebied

Voor landelijk gebied gelden in principe onverkort de eerdergenoemde vijf eisen, waarbij wegen in landelijk gebied in veel gevallen worden beschouwd als erftoegangswegen.

Wat nooit aanwezig is: Asmarkering, rijrichtingscheiding, kantmarkering, verlichting (m.u.v. gevaarpunten), vrijliggende voorzieningen voor (brom)fietsers en/ of landbouwverkeer, openbaar vervoer/buslijn.

Figuur 5.16a: Erftoegangsweg 1 (ETW-1) buiten de bebouwde kom

Figuur 5.16b: Erftoegangsweg 2 (ETW2) buiten de bebouwde kom

In het “Handboek Wegontwerp 2013” wordt voor erftoegangswegen buiten de bebouwde kom onderscheid gemaakt in de types 1 en 2, waarbij de erftoegangsweg 1 (ETW-1) een hogere verkeersintensiteit kent dan de ETW-2. ETW-1 kent een inrichting zonder fysieke rijrichtingscheiding en asmarkering, maar met een kantmarkering die ook als uitwijkstrook gebruikt kan worden. Dit soort wegen is niet verlicht, behalve op gevaarpunten. De ideale breedte voor een ETW-1 buiten de bebouwde kom is 6,00 meter. Deze kan worden ‘afgepeld’ naar minimaal 4,50 meter. ETW-2 heeft geen rijbaanscheiding, asmarkering en kantmarkering. Er is geen verlichting en dit soort wegen wordt niet gebruikt voor openbaar vervoer. De ideale breedte voor een ETW-2 buiten de bebouwde kom is 4,50 meter. Deze kan worden ‘afgepeld’ naar minimaal 2,50 meter.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Wat nooit aanwezig is: Asmarkering, rijrichtingscheiding, verlichting (m.u.v. gevaarpunten), vrijliggende voorzieningen voor landbouwverkeer, parkeren op de rijbaan, pechvoorzieningen.

68

De ideale afmetingen hoeven niet altijd toegepast te worden. Het ideale profiel kan worden ‘afgepeld’ naar een minimumprofiel, zoals in figuur 5.17 is weergegeven. Van ideaal ETW-2 naar minimaal profiel

Nee Toetsintensiteit Ja

S Zijbermen versmallen naar ≥ 1,50 m

A rijloper/verhardingsbreedte versmallen naar ≥ 3,50 m

Toets compenserende maatregelen

S/K Zijbermen versmallen naar ≥ 1,50 m

J Uitwijkstroken versmallen naar ≥ 0,35 m

I Suggestiestroken versmallen naar ≥ 1,00 m

I Fietsstroken versmallen naar ≥ 1,50 m

I Rijloper versmallen naar ≥ 3,50 m (bij suggestie- en fietsstroken naar ≥ 2,50 m)

Toets A: Verhardingsbreedte (min. 4,50)

Toets compenserende maatregelen

Van ideaal ETW-1 met fietspad(en) naar minimaal profiel

S/K Bermen en obstakelafstand langs fietspad versmallen naar ≥ 0,50 m

S/K Zijbermen en/of tussenberm(en) versmallen naar ≥ 1,50 m

I Fietspad(en) versmallen naar ≥ 1,50 m (1 en 2 rijrichringen)

J Uitwijkstroken versmallen naar ≥ 0,3 m

A Rijloper versmallen naar ≥ 3,50 m

Toets A: Verhardingsbreedte (min. 4,50)

Toets compenserende maatregelen

Bij minimumprofiel conform de bandbreedte kunnen parkeerplaatsen noodzakelijk zijn

Bij minimumprofiel conform de bandbreedte kunnen parkeerplaatsen noodzakelijk zijn

Bij minimumprofiel conform de bandbreedte kunnen parkeerplaatsen noodzakelijk zijn

Figuur 5.17: Het afpellen naar minimumprofielen voor erftoegangswegen buiten de bebouwde kom

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

A rijloper/verhardingsbreedte versmallen naar ≥ 2,50 m

Van ideaal ETW-1 met uitwijkstroken/suggestiestroken/fietsstroken naar minimaal profiel

69

5.6.2

Tijdelijke belemmeringen en (bouw)werkzaamheden

De doelvoorschriften geven aan dat stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen altijd een onbelemmerde doorgang moeten bieden en dat ieder object vanaf een gebiedsontsluitingsweg altijd binnen 2 minuten te bereiken moet zijn. Door het aanbrengen van obstakels in stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen zijn deze niet meer als zodanig te gebruiken. Het is echter niet uit te sluiten dat routes tijdelijk niet beschikbaar zijn. Een tijdelijke afsluiting van stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen dient tijdig voor advies te worden voorgelegd aan de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. In overleg zullen oplossingen geformuleerd worden om de bereikbaarheid te borgen. De brandweer is hierin adviserend aan de gemeente, die verantwoordelijk is en blijft. De bestaande bereikbaarheid van de aanwezige bebouwing en/of omgeving moet ook tijdens (bouw)werkzaamheden voldoende blijven. De rijroutes ten behoeve van de hulpdiensten moeten recht doen aan de afmetingen voor hulpdienstvoertuigen en vrij gehouden worden; hier moet ook aan worden gedacht bij bijvoorbeeld het plaatsen van bouwkranen en bouwketen.

De alternatieven dienen volgens vigerende afspraken met gemeenten tijdig ter advisering voorgelegd te worden aan de hulpverleningsdiensten. Indien er objecten langs deze weg zijn gelegen, dient de bereikbaarheid voor deze bouwwerken gegarandeerd te worden.

5.6.3

Ov-routes (gebruik bus- en trambanen, verkeersbeïnvloeding en haltes op de rijbaan)

De hulpverleningsdiensten mogen gebruikmaken van de bus- en trambanen voor zover de uitoefening van hun taak dit vereist. Gebruik van bus- en trambanen is toegestaan als er sprake is van het ‘uitvoeren van een dringende taak’, zoals bedoeld in de brancherichtlijn Optische en geluidssignalen brandweer. Het gebruik van busbanen door hulpverleningsdiensten is geregeld in het Reglement van Verkeersregels en Verkeerstekens (RVV). In artikel 81 RVV is geregeld dat alleen bussen en trams op bus- en trambanen en -stroken mogen rijden. Hierop is in artikel 91 RVV de uitzondering opgenomen dat bestuurders van een voorrangsvoertuig, de hulpverleningsdiensten dus, van de bus- en trambanen gebruik mogen maken. Het halteren van bussen en trams op de rijbaan van gebiedsontsluitingswegen is in tegenspraak met een onbelemmerde doorgang, tenzij het voor hulpdienstvoertuigen mogelijk blijft om de bus of tram te passeren. Ook waar bussen en trams op de rijbaan van erftoegangswegen halteren, dient het voor hulpverleningsvoertuigen mogelijk te blijven om elk willekeurig perceel binnen 2 minuten te bereiken.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Bij wegwerkzaamheden waarbij stroom- en/of gebiedsontsluitingswegen worden afgesloten, moet een alternatief aanwezig zijn dat de bereikbaarheid van zowel de objecten gelegen aan deze route als het achterliggende gebied voldoende garandeert. Vormen van alternatieven kunnen zijn: • wegomleidingen • parallelbaan • route door het werkvak.

70

5.6.4

Evenementen

5.6.5

Autovrije (winkel)gebieden

Het college van burgemeester en wethouders kan voor gebieden waar regelmatig of permanent geen autoverkeer is, toestaan rijlopers voor de hulpdiensten vast te stellen. Voor gebieden waarvoor een rijloper is vastgesteld, geldt niet alleen de maatvoering zoals eerder in dit document is gesteld, maar is ook vastgesteld waar de doorgang precies ligt. De rijlopers moeten vrijgehouden worden van obstakels. Autovrije gebieden zijn meestal afgesloten voor het autoverkeer. Afsluitingen in rijlopers of wegen die daarnaartoe leiden, moeten gezien worden als afsluiters in erftoegangswegen.

5.6.6

Natuurgebieden

Bij een incident in een natuurgebied geldt dat de incidentlocatie bereikt moet kunnen worden conform het regionale dekkingsplan en de Risico Index Natuurbranden (RIN). Hiervoor dienen natuurgebieden vrij toegankelijk te zijn voor de hulpdiensten. Daarnaast dienen de hoofdroutes binnen een natuurgebied geschikt te zijn voor de inzet van hulpdienstvoertuigen. Conform afspraken met VBNE (Vereniging van Bosen Natuureigenaren) gelden, wegens praktische uitvoering en om beheerkosten te sparen, de volgende afspraken: • Op primaire hoofdwegen (houttransportwegen) kunnen brandweervoertuigen elkaar passeren. Deze wegen zijn 6 meter breed en stronkvrij. De vrije doorrijhoogte is 4,2 meter (wat bij doorbuigende takken een vrije takhoogte aan de stam van 6 meter kan betekenen). 5

Het voornemen tot het aanbrengen van aanpassingen en/of wegafsluitingen in stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen dient volgens vigerende afspraken met gemeenten tijdig ter advisering voorgelegd te worden aan de brandweer. Dit geldt niet als door het college van burgemeester en wethouders voor het evenemententerrein een rijloper voor de hulpdiensten is vastgesteld.

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Borging van de bereikbaarheid van het evenemententerrein en de omliggende omgeving kan op diverse manieren: • De bereikbaarheid op een evenemententerrein moet minimaal hetzelfde niveau hebben als de bereikbaarheid op perceelniveau. Indien het afsluiten van wegen voor evenementen waarvoor geen meldingsplicht bestaat, wordt toegestaan, dient de bereikbaarheid in algemene regels geborgd te worden. Men moet zich dan wel realiseren dat handhaving daarop niet goed mogelijk is, zie Bgbop). • Het college van Burgemeester en Wethouders kan voor terreinen waar regelmatig evenementen georganiseerd worden, rijlopers5 voor de hulpdiensten vaststellen. Rijlopers zijn vooraf vastgestelde routes, die vrijgehouden moeten worden voor de hulpdiensten. Voor die locaties geldt deze rijloper tijdens evenementen als minimale doorrijdbreedte en dient de rijloper vrijgehouden te worden. Houd hierbij ook rekening met voldoende aslast voor de in te zetten hulpdienstvoertuigen. • Als de afstand gemeten vanaf de toegang van het evenemententerrein via de openbare weg tot (tijdelijke) bouwsels op het evenemententerrein groter is dan 40 meter, dient op het evenemententerrein een verbindingsweg beschikbaar te zijn, via welke het terrein tot op 40 meter benaderd kan worden.

De afstand vanaf een gebiedsontsluitingsweg tot een perceel moet hiernaast door het hulpdienstvoertuig binnen twee minuten afgelegd kunnen worden. Deze verbindingsweg doet recht aan de specifieke afmetingen van hulpdienstvoertuigen conform de hierboven genoemde eis en heeft een afdoende afwatering. • Hekwerken die een evenemententerrein omsluiten en die zich bevinden op verbindingswegen en/of rijlopers, kunnen door hulpdiensten gemakkelijk en snel, zonder sleutel, worden geopend. Toegangen tot belendende percelen mogen niet geblokkeerd worden. • Reguliere uitgangen en nooduitgangen moeten worden vrijgehouden. • De reguliere bluswatervoorziening dient bij evenementen te worden vrijgehouden.

71

• Op secundaire wegen kunnen brandweervoertuigen elkaar niet passeren. Deze • •

wegen zijn 4,5 meter breed en hebben een vrije doorrijhoogte van 4,2 meter (ook hier met een vrije takhoogte aan de stam van 6 meter). Als de weg doodloopt is, er voldoende wegbreedte (minimaal 5 meter) nodig om te keren. De wegen moeten berijdbaar zijn voor 4x4-voertuigen.

Tot slot moeten de bluswaterwinpunten over een goede bereikbaarheid beschikken en voorzien zijn van voldoende ruimte en capaciteit voor waterinname door meerdere TS’en en eventuele andere watertransportvoertuigen. De eisen aan een opstelplaats voor open water zijn reeds beschreven. Knelpunten met betrekking tot bluswater, bereikbaarheid en inzetdiepte binnen natuurgebieden vereisen maatwerk en zullen (inter)regionaal moeten worden afgestemd met betrokken stakeholders.

5.6.7

Kampeerterreinen

Voor kampeerterreinen geldt per 2018 de AMvB brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (Bgbop 2018). De bereikbaarheid op kampeerterreinen moet minimaal hetzelfde niveau hebben als de bereikbaarheid op perceelniveau. In paragraaf 4.8 “Bereikbaarheid voor hulpdiensten” van de Bgbop staat beschreven welke eisen er gelden voor kampeerterreinen zelf. Wegen van het kampeerterrein naar de openbare weg vallen hier niet onder.

5.6.8

Spoorwegen

Spoorwegen dienen minimaal te voldoen aan onderstaande bereikbaarheidseisen. Op basis van de omgevingskenmerken kunnen eventueel aanvullende eisen van toepassing zijn in verband met gebied specifieke factoren. De bereikbaarheid van spoorwegen kan worden gerealiseerd door bijvoorbeeld: • wegen, halfverharde wegen of fietspaden • speciaal aangelegde bereikbaarheidswegen (Betuweroute, HSL en emplacementen in het algemeen) • toegangs-/vluchtdeuren en deuren in geluidschermen. De richtlijnen voor bereikbaarheid van het spoor hangen af van het type transport over het spoor, de frequentie van transport van gevaarlijke stoffen, de intensiteit van het spoorgebruik, veiligheidsvoorzieningen van het spoor, spoordelen met verhoogd risico en de omgeving/locatie van het spoor. Binnen Nederland worden de volgende gebieden en objecten in de omgeving van het spoor onderscheiden: • bebouwde kom inclusief 350 meter daarbuiten • buitengebied vanaf 350 meter buiten de bebouwde kom • bijzondere objecten in het buitengebied (bijvoorbeeld objecten die zelf een extern veiligheidsrisico vormen, vitale infrastructuur, zeer kwetsbare objecten (bouwwerken met verminderd zelfredzamen)).

Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden

Als de afstand gemeten vanaf de toegang van het kampeerterrein via de openbare weg tot enig punt op het kampeerterrein groter is dan 40 meter, dient op het kampeerterrein een verbindingsweg beschikbaar te zijn via welke het punt tot op 40 meter benaderd kan worden. Deze verbindingsweg doet recht aan de specifieke afmetingen van hulpdienstvoertuigen zoals hiervoor benoemd. Op kampeerterreinen kunnen zowel kampeermiddelen als bouwenwerken staan. Voor bouwwerken gelden de eisen vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voor kampeermiddelen staan de eisen beschreven in paragraaf 3.7 “Beperking van uitbreiding van brand” van het Bgbop.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14428575/1