CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Was-Wordt lijst Integrale Verordening Sociaal Domein 2023 A22.002345

Gemeenteraad 4 april 2023, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 202312.533 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Indien toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan een leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, zijnde € 0,19 per kilometer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. 4. Aan de ouders die een of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die van gemeentewege voor het vervoer van een of meer leerlingen bekostiging ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt. 5. Indien aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening en het college desgewenst toestaat, dan wel van oordeel is, dat de leerling gebruik kan maken van het vervoer per fiets, bekostigt het college aan de ouders een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de fiets, zijnde € 0,09 per kilometer. Artikel 62. Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders Met inachtneming van artikel 46 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend (voortgezet) speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft, volgens het bepaalde in deze paragraaf.

WORDT

Primair onderwijs en voortgezet onderwijs zijn gecombineerd in 1 artikel in plaats van zoals in de nu geldende verordening in twee paragrafen. Zie nieuw artikel 61.

Artikel 64. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Met inachtneming van artikel 50 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het derde de lid bedoelde schoolvakanties. 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

WAS Artikel 63. Voorziening leerlingenvervoer voor weekeinde en vakantie 1. Het college kent aan de ouders een voorziening leerlingenvervoer toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het tweede lid bedoelde schoolvakanties. 2. Het college kent aan de ouders een voorziening leerlingenvervoer toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 3. Paragraaf 5.2 en 5.3 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c en d, en artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b. Artikel 66. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura, pgb of bekostiging leerlingenvervoer zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.

Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo doet een cliënt of ouder van een leerling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een voorziening. 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een besluit aangaande een voorziening of bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer herzien, dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt/ouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt/ouder niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, het pgb of bekostiging, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is. 4.

Indien het college een besluit op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening, het ten onrechte genoten pgb of de ten onrechte genoten bekostiging. 5. Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

WORDT 4. Artikel 61, eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing. Samengevoegd met artikel 62 van nu geldende verordening in nieuw artikel 63.

Artikel 69. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura, pgb of bekostiging leerlingenvervoer zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo doet een cliënt of ouder van een leerling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een voorziening. 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een besluit aangaande een voorziening of bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer herzien, dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt/ouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; b. de cliënt/ouder niet langer op de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening, het pgb of de bekostiging niet meer toereikend of passend is te achten; d.

de cliënt niet (meer) voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening, het pgb of bekostiging, of e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is; f. Sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in aangepast vervoer; g. Het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het vervoer. 4. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer berust bij de ouders. 5. Indien het college een besluit op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte

WAS 6.

7. 8. 9. 10.

WORDT Indien een besluit tot verlening van een voorziening is ingetrokken, kan op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald. Ingeval een besluit tot verlening van een bekostiging leerlingenvervoer is ingetrokken, kan een reeds uitbetaalde bekostiging worden teruggevorderd. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen (waaronder pgb’s) met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 73. Taken van de adviesraad 2. De adviesraad adviseert via vertegenwoordiging in de cliëntenraad van de GR IJsselgemeenten over de (door klanten ervaren kwaliteit van de) uitvoering van het beleid van de Participatiewet. Artikel 74. Werkwijze van de adviesraad 5. De adviesraad stelt een huishoudelijk reglement op dat ter informatie aan het college wordt voorgelegd. In het huishoudelijk reglement wordt in ieder geval opgenomen: a. een regeling voor aan- en aftreden van leden; er wordt een rooster van aftreden opgesteld waarbij de continuïteit van kennis en ervaring zoveel mogelijk wordt gewaarborgd; b. wanneer een lid door de adviesraad geschorst kan worden; c. de werkwijze van de adviesraad; d. de afvaardiging van vertegenwoordigers in het kader van de Participatiewet in de cliëntenraad van de regionale sociale dienst GR IJsselgemeenten; e. regels voor declaratie van onkosten door leden; f. de afvaardiging naar het ambtelijk en het bestuurlijke overleg met de gemeente Zuidplas.

genoten maatwerkvoorziening, het ten onrechte genoten pgb of de ten onrechte genoten bekostiging. 6. Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 7. Indien een besluit tot verlening van een voorziening is ingetrokken, kan op grond van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd. 8. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd. 9. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald. 10. Ingeval een besluit tot verlening van een bekostiging leerlingenvervoer is ingetrokken, kan een reeds uitbetaalde bekostiging worden teruggevorderd. 11. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen (waaronder pgb’s) met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel 76. Taken van de adviesraad Lid 2 is verwijderd.

Artikel 77. Werkwijze van de adviesraad Lid 5d is verwijderd.

Nieuwe artikelen integrale verordening: Artikel 45. Doelstelling Dit hoofdstuk van de Integrale verordening heeft tot doel om op basis van een beoordeling op grond van de in deze verordening vastgestelde criteria en een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug.

WAS WORDT Artikel 47. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag 1. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, zijn de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin het uitgangspunt. 2. Het college kan bij een eerste aanvraag in een gesprek met de ouders, en desgewenst met de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken (als bedoeld in paragraaf 5.4). 3. Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. 4. Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoel in artikel 50. 5. Het college kan in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. 6. In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen. Artikel 48. OOGO met het samenwerkingsverband 1. Het college neemt het leerlingenvervoer op als periodiek agendapunt in het OOGO. 2.

Het college spant zich in om in het OOGO afspraken te maken over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt. De deskundige betrekt in zijn advies de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling als bedoeld in artikel 47. c. de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door het college wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid. 3. Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: a. de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; b.

het maken van afspraken over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het vervoersontwikkelingsplan genoemd in artikel 47, vijfde lid. Artikel 51. Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer; b. speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dat 6 kilometer; of c. speciaal onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer. 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kan het college hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. 3. De afstand tussen de woning en de school wordt door het college gemeten langs de kortste voor de leerling per fiets voldoende begaanbare en veilige weg. Artikel 52. Aanwijzing opstapplaats Het college kan overgaan tot het instellen van opstapplaatsen, waarbij geldt dat: a.

het college bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats kan aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.

WAS b. c. d.

WORDT de ouders er zorg voor dragen dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. het college geen opstapplaats aanwijst als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is. het college tijdelijk geen opstapplaats aanwijst als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling.

Artikel 55. Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op de standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel 56. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijk verblijf buiten de gemeente, is een vervoervoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c.

de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Artikel 57. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school en wordt aangetoond in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door college te bepalen maximale straal van de woning of de school. 3.

Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 4. Het college kan het stagecontract opvragen. Artikel 63. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12437703/1