Bijlage 2 - Onderbouwing BOPA s-Gravenweg 16 Nieuwerkerk aan den IJssel
Tekst van het document
Via het bestaande wegennet kan afzijdig van de buisleiding gevlucht worden. -
Risicocommunicatie
In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. Hierbij zijn het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op het beschreven scenario interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. In het ontruimingsplan (dit maakt onderdeel uit van het bedrijfsnoodplan) dient onder andere te worden beschreven:
▪
wie de organisatie van het evacueren begeleidt;
▪
de verantwoordelijkheden;
▪
waar de verzamelplaats is;
pagina 28 van 37
▪
de organisatie op de verzamelplaats;
▪
wie zorg draagt voor alarmering;
Het ontruimingsplan dient opgesteld te worden in samenspraak met de brandweer. Daarnaast dienen ontruimingsoefeningen te worden gedaan waarbij de frequentie hiervan in overleg met de brandweer kan worden vastgesteld. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. -
Advies
In de rapportage van Kragten zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de omgevingsveiligheid voor het aspect externe veiligheid ten aanzien van het planvoornemen. De gemeente Zuidplas heeft advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Hollands Midden en neemt op basis hiervan een standpunt in aangaande de externe veiligheid. Advies Veiligheidsregio Hollands Midden (d.d. 25 november 2025) Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) merkt op dat het veiligheidsniveau op deze locatie ‘risicovol’ is. De locatie ligt nabij de hogedruk aardgasleiding A-518 en onder een hoogspanningslijn.
▪
Het plangebied ligt binnen een brand- en explosieaandachtsgebied van de aardgasleiding A-518 en het scenario waar dan ook rekening mee gehouden dient te worden is een fakkelbrand. Vanwege de relatief korte afstand tussen de planlocatie en de leiding mag verwacht worden dat er onherstelbare schade ontstaat: alle brandbare materialen zullen gaan branden.
▪
Tevens ligt het plangebied onder het laagste punt van een hoogspanningslijn. Bij brand is inzet van de brandweer zeer risicovol vanwege elektrocutiegevaar. Volgens het protocol van de netbeheerder mag pas worden ingezet nadat de installatie is afgeschakeld. Dit proces kost tijd en is tijdens piekuren soms niet mogelijk. Dit heeft effect
Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten, het plangebied is via de openbare weg goed bereikbaar via meerdere rijroutes. In de bestaande situatie is nabij het plangebied een brandkraan aanwezig die dienst kan doen als offensieve bluswatervoorziening ten behoeve van de brandweer. De benodigde defensieve bluswatervoorziening is toereikend. De waterwinplaats voor het watertransportsysteem ligt binnen 400 meter vanaf het plangebied. Deze locatie voldoet naar verwachting aan de minimaal benodigde waterlevering, en het oppervlaktewater is daarbij voldoende schoon en diep Wat betreft de beoogde functie en doelgroep lijkt de gekozen bestemming, ondanks de genoemde risico’s, voor deze locatie de best haalbare en meest passende optie. De vuurlast van de beoogde functie is relatief beperkt, het gaat om een doelgroep die in hoge mate zelfredzaam is, en met de ontwikkeling wordt bovendien het gebruik en behoud van het monument geborgd. Hoewel vanuit veiligheidsperspectief gesproken kan worden van een verhoogd risiconiveau, ligt het uiteindelijk binnen de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de gemeente om te bepalen of deze risico’s - in samenhang met de voordelen en ruimtelijke ambities - aanvaardbaar worden geacht.
pagina 29 van 37
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect omgevingsveiligheid/externe veiligheid geen belemmering vormt voor het initiatief.
5.12 Ruimtelijke kwaliteit Artikel 22.29 lid 1 onder b van het Omgevingsplan gemeente Zuidplas bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. De gemeente Zuidplas hanteert de ‘Nota Omgevingskwaliteit gemeente Zuidplas’, wat de basis vormt van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid en wat duidelijkheid geeft over hoe met de kwaliteit van (nieuwe) ruimtelijke initiatieven wordt omgegaan. Om een goede afweging te maken over omgevingskwaliteit vraagt de gemeente voor sommige situaties advies aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit.
Planspecifiek Het betreft uitsluitend een gebruikswijziging, waarbij geen ingrepen aan de (monumentale) bebouwing nodig zijn. Derhalve kan gesteld worden dat de ruimtelijke kwaliteit niet in het geding is.
5.13 Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal). in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart.
Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
pagina 30 van 37
Planspecifiek Archeologie Het plangebied is ter plaatse van de bestaande bebouwing, als onderdeel van een oud bewoningslint, in het tijdelijke deel van het omgevingsplan ('Parapluherziening Archeologie’) voorzien van ‘Waarde - Archeologie - 2': Archeologisch onderzoek is hier noodzakelijk bij bodemingrepen (inclusief heien) groter dan 100 m² en dieper dan 0,3 meter beneden maaiveld. Het noordwestelijke deel van het perceel is voorzien van ‘Waarde - Archeologie - 4', waar archeologisch onderzoek nodig is bij bodemingrepen (inclusief heien) groter dan 1.000 m² en dieper dan 7,0 meter beneden maaiveld. Het betreft hier evenwel een bestaande situatie. Bovendien gaat het uitsluitend om het strijdig gebruik en zijn geen bodemingrepen nodig. Derhalve is hier geen archeologisch onderzoek nodig. Cultuurhistorie en erfgoed De boerderij ‘Langehof’ is een Rijksmonument. De omschrijving luidt als volgt: “Boerderij met dwars gebouwd woongedeelte, waarschijnlijk 18e eeuw. Rechts een opkamer. Vensters met luiken en zesruitsschuiframen.” Het gaat in de voorliggende situatie uitsluitend om het gebruik van de bestaande bebouwing door de Stichting Voedselbank Zuidplas. Dit gaat niet gepaard met ingrepen aan de bebouwing. Gesteld kan worden dat de monumentale waarden niet in het geding zijn. Cultuurhistorisch onderzoek is niet vereist.
Rijksmonument ’s-Gravenweg 16 (bron: Wikipedia Lijst van rijksmonumenten n Nieuwerkerk aan den IJssel)
Conclusie De aspecten archeologie, cultuurhistorie en erfgoed vormen geen belemmering voor het initiatief.
5.14 Bodem Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
▪
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
pagina 31 van 37
▪
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
Planspecifiek Het initiatief leidt niet tot een strenger bodemgebruik. Daarnaast gaat het initiatief niet gepaard met bodemroerende werkzaamheden (bouw- en/of graafwerkzaamheden). Derhalve word bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. Het aspect bodem vormt geen belemmering.
5.15 Activiteiten en milieuzonering De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zolang de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ niet is verwerkt in het gemeentelijk omgevingsplan, wordt de oude VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 en de hierin opgenomen richtafstanden gehanteerd.
Planspecifiek Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen bestaande (bedrijfs)activiteiten niet belemmeren in hun bedrijfsvoering en de bedrijfsactiviteiten mogen niet ten koste gaan van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er wordt nog uitgegaan van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de afwisseling van functies in het lint (woningen, bedrijvigheid, maatschappelijke functies), worden gekarakteriseerd als ‘gemengd gebied’. Voedselbank Er zijn in de VNG-brochure geen richtafstanden opgenomen voor een voedselbank. Het gaat ter plaatse uitsluitend om opslag en kleinschalige distributie. Er heeft geen bewerking e.d. plaats. Zodoende is het maximaal een categorie 2-bedrijvigheid, met een richtafstand van 10 meter. De dichtstbijzijnde gevoelige functie (wonen0 is op circa 30 meter afstand gesitueerd. Gesteld kan worden dat de activiteiten van de voedselbank geen hinder opleveren voor de omliggende woonpercelen.
pagina 32 van 37
Omliggende bedrijven Voor wat betreft de invloed van omliggende functies op het onderhavige initiatief, zijn omliggende functies beschouwd. Het gaat hierbij om meerdere bedrijven op het aangrenzende perceel ’s-Gravenweg 18. Hier is onder andere een bedrijf gevestigd dat is gespecialiseerd in de verkoop van hengelsportproducten. Deze activiteit gaat niet met onevenredige hinder gepaard. Op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn ter plaatse bedrijven tot en met categorie 3.1 toegelaten. Dat houdt in dat theoretisch rekening dient te worden gehouden met een richtafstand van 30 meter. De bestaande bedrijfsbebouwing bevindt zich op een grotere afstand, waardoor de bedrijfsactiviteiten niet gehinderd worden door de voedselbank. Op het meest nabijgelegen perceelsgedeelte heeft het parkeren van personenauto’s plaats, wat evenmin hinder oplevert voor de voedselbank. Bovendien is op de locatie ‘s-Gravenweg 16 thans al sprake van een gevoelige functie (wonen), zodat gesteld kan worden dat het initiatief geen (extra) belemmering oplevert voor de bedrijven op het perceel ’s-Gravenweg 18. Conclusie Er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect Activiteiten en milieuzonering.
5.16 Ontplofbare oorlogsresten Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Tot op heden worden bij grond- en waterwerkzaamheden nog nagenoeg dagelijks ontplofbare oorlogsresten gevonden. Volgens een mondiale, militaire inschatting is van al het materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) verschoten of afgeworpen is, ondergronds 10% en onder water 15% niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen.
Planspecifiek Uit eerder uitgevoerd grootschalig vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten. Bovendien worden ten behoeve van het initiatief geen bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor het initiatief.
5.17 Beperkingengebieden In de Omgevingswet is een ‘beperkingengebied’ gedefinieerd als een gebied dat bij of krachtens de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit die de functie van een maatschappelijk belangrijk werk of object kan verstoren. Ter bescherming gelden beperkingen die het bevoegd gezag aanwijst.
Planspecifiek Het initiatief is niet gelegen binnen het beperkingengebied rondom wegen, spoorwegen of vaarwegen. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
pagina 33 van 37
6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1
Omgevingstafel
De gemeente Zuidplas heeft het initiatief besproken aan de Omgevingstafel op 2 december 2025. Het initiatief betreft het wijzigen van de woonfunctie naar een maatschappelijke functie. Naar aanleiding van de bespreking van het initiatief aan Omgevingstafel 3 is geconcludeerd dat het plan haalbaar is. De gemeente Zuidplas is bereid om medewerking te verlenen aan het wijzigen van de functie aan de 's-Gravenweg 16 te Nieuwerkerk aan den IJssel. Ter nadere motivering het volgende:
▪
Initiatief sluit aan op provinciaal beleid. Provincie Zuid-Holland gaat akkoord met de onderbouwing: het provinciale beleid is voldoende omschreven in de onderbouwing.
▪
Initiatief
levert
positieve
bijdrage
aan
ontwikkelambitie
Omgevingsvisie
Zuidplas
2040.
De
maatschappelijke functie levert een positieve bijdrage aan de ontwikkelambitie ‘Gezond Zuidplas’, zoals omschreven in de Omgevingsvisie.
▪
Ruimtelijke impact rijksmonument blijft nihil. De Omgevingstafel wijst er op dat het voorstelbaar is dat, in verband met voedselveiligheid, de Voedselbank (mogelijk) aanpassingen wil doen aan het interieur of de indeling van het rijksmonument. Aandachtspunt is dat interne aanpassingen vergunningplichtig zijn.
Geadviseerd wordt om de onderbouwing aan te passen naar aanleiding van de bespreking van het initiatief aan de Omgevingstafel. Dat betreft de koppeling met de Omgevingsvisie Zuidplas 2040, een nadere onderbouwing van de verkeersgeneratie en de participatie. De voorliggende onderbouwing is op die onderdelen aangepast/aangevuld.
6.2
Participatie
Op grond van de participatieverordening van de gemeente Zuidplas is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de participatie. Regelen via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit betekent het toepassen van het Besluit Verplichte Participatie (raad), artikel 9 lid 1 Overige doeleinden (sociaal). De gemeente adviseert om de omgeving te informeren. Bij aanvraag omgevingsvergunning wordt vermeld of en zo ja wat er aan participatie is gedaan. Bij brief van 24 april 2024 zijn omwonenden geïnformeerd over de nieuwe invulling van het pand. Daarbij is aangegeven dat vanaf 1 mei 2024 de Voedselbank haar intrek neemt en dat de huur van de tijdelijke leegstandbewoners is opgezegd. Omdat de functie van het kavel onveranderd blijft, is er nu geen nieuwe participatie uitgevoerd.
pagina 34 van 37
7
Financiële haalbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften mogen betrekking hebben op het gebied waar de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling.
Planspecifiek De gronden zijn in het bezit van de gemeente Zuidplas. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de gemeente.
pagina 35 van 37
8
Conclusie
Planvoornemen voorziet in het gebruik van een bestaande (monumentaal) pand en perceel ’s-Gravenweg 16 in Nieuwerkerk aan den IJssel door de Stichting Voedselbank Zuidplas. Het initiatief is getoetst aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieruit blijkt dat het in lijn is met dat beleid en in ieder geval niet in strijd is met het beleid. Daarnaast is het initiatief getoetst op alle relevante aspecten over de fysieke leefomgeving en het milieu. Vanuit deze aspecten komen geen belemmeringen naar voren. Alle aspecten afwegende kan gesteld worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
pagina 36 van 37
pagina 37 van 37