Bijlage 2 - Onderbouwing BOPA s-Gravenweg 16 Nieuwerkerk aan den IJssel
Tekst van het document
Onderbouwing BOPA, ’s-Gravenweg 16 Nieuwerkerk aan den IJssel Gemeente Zuidplas
Colofon Gegevens over het project: Plannaam:
BOPA ’s-Gravenweg 16, Nieuwerkerk aan den IJssel
Datum:
22 januari 2026
Projectnummer Buro SRO:
SR250189 (HvA | TvB)
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Gemeente Zuidplas
Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:
’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Telefoon:
030-2679198
E-mail:
utrecht@buro-sro.nl
Internet:
www.burosro.nl
pagina 2 van 37
Inhoudsopgave 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Aanduiding plangebied
6
1.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit
7
1.4
Leeswijzer
8
2
Huidige en toekomstige situatie
9
3
Toetsing aan omgevingsplan
10
4
5
6
3.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
10
3.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
11
Toetsing aan beleid
12
4.1
Rijksbeleid
12
4.2
Provinciaal beleid
12
4.3
Gemeentelijk beleid
17
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
18
5.1
18
Mer-beoordeling
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
19
5.3
Duurzaamheid en gezondheid
19
5.4
Water
20
5.5
Klimaatadaptatie
21
5.6
Verkeer en parkeren
22
5.7
Natuur
23
5.8
Luchtkwaliteit
24
5.9
Geluid
24
5.10
Geur
25
5.11
Omgevingsveiligheid
25
5.12
Ruimtelijke kwaliteit
30
5.13
Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed
30
5.14
Bodem
31
5.15
Activiteiten en milieuzonering
32
5.16
Ontplofbare oorlogsresten
33
5.17
Beperkingengebieden
33
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
34
6.1
Omgevingstafel
34
6.2
Participatie
34
7
Financiële haalbaarheid
35
8
Conclusie
36
pagina 3 van 37
BIJLAGEN Bijlage 1. Beschouwing externe veiligheid 23-07-2025
pagina 4 van 37
Samenvatting Het voornemen is om de bebouwing op het perceel ’s-Gravenweg 16 in Nieuwerkerk aan den IJssel in gebruik te laten nemen door de Stichting Voedselbank Zuidplas. Dit initiatief past binnen de eisen die gesteld worden vanuit de ‘Uitkoopregeling woningen onder een hoogspanningsverbinding’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Een voorwaarde bij die regeling is namelijk dat de woonbestemming wordt verwijderd. Vooruitlopend daarop wordt nu het gebruik door de Stichting Voedselbank Zuidplas, die reeds ter plaatse functioneert op basis van leegstandshuur, mogelijk gemaakt. Dit gebruik past niet binnen de mogelijkheden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Om die reden wordt hiervoor een procedure met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) gevolgd. Het betreft uitsluitend afwijkend gebruik. Het initiatief gaat niet gepaard met (verbouw-)werkzaamheden of bodemroerende werkzaamheden. Het initiatief voldoet aan de voorwaarden die er zowel vanuit het Rijks-, provinciaal als gemeentelijk beleid aan gesteld worden. Ook vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu komen geen belemmeringen voort. Zo vormt het initiatief geen belemmering voor omliggende functies en zijn de cultuurhistorische waarden niet in het geding. Daarbij wordt met de ontwikkeling een passende invulling gegeven aan een bestaande monumentaal pand.
Gesteld kan worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
pagina 5 van 37
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Het perceel ’s-Gravenweg 16 in Nieuwerkerk aan den IJssel, waarop zich een monumentale boerderij bevindt, is door de gemeente Zuidplas aangekocht, gebruik makend van de ‘Uitkoopregeling woningen onder een hoogspanningsverbinding’ van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het perceel is in het tijdelijke deel van het omgevingsplan voorzien van de bestemming ‘Wonen’ (bestemmingsplan ‘Groene Zoom’). Een voorwaarde bij de uitkoopregeling van de RVO is dat de woonbestemming wordt verwijderd. In overleg met de RVO is besloten dat dit ook in de vorm van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) kan, waarbij het binnen de gestelde termijn (5 jaar) wordt verwerkt in het omgevingsplan. Het gaat in de voorliggende situatie om het gebruik ten behoeve van de Stichting Voedselbank Zuidplas. Deze stichting maakt in de huidige situatie reeds gebruik van deze locatie, op basis van leegstandshuur. Het voornemen is om dat gebruik voort te zetten. Aangezien dit gebruik niet past binnen de geldende planologische mogelijkheden, dient met een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) afgeweken te worden van het tijdelijke omgevingsplan. In dat verband is een onderbouwing nodig waarmee aangetoond wordt dat sprake is van een Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Voorliggende onderbouwing voorziet hier in.
1.2
Aanduiding plangebied
Voorliggende onderbouwing heeft betrekking op het perceel ’s-Gravenweg 16 in Nieuwerkerk aan den IJssel. Het betreft het kadastrale perceel nr. 1491, met een oppervlakte van circa 3.300 m².
Globale ligging planlocatie, oranje omkaderd, hoogspanningslijn in wit weergeven (bron: beeldmateriaal.nl)
pagina 6 van 37
Globale begrenzing planlocatie, oranje omkaderd (bron: beeldmateriaal.nl)
1.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1.
Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.
2.
Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.
Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a.
met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl);
b.
als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.
In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken, die met zes weken verlengd kan worden. In sommige gevallen kan het college echter bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. In beide gevallen bestaat de mogelijkheid voor bezwaar en beroep. Bij de uitgebreide procedure bestaat de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. In de voorliggende situatie wordt uitgegaan van de reguliere procedure.
pagina 7 van 37
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige situatie en de beoogde ontwikkeling en wordt het voorgenomen plan in hoofdstuk 3 getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 bevat het van toepassing zijnde beleidskader voor de locatie/ het gebied. Aansluitend wordt het project in hoofdstuk 5 getoetst aan de hand van de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 6 komen de resultaten van het (voor-)overleg en de participatie aan bod. Hoofdstuk 7 gaat in op de financiële haalbaarheid van het initiatief orde. Vervolgens wordt in hoofdstuk 8 een algehele conclusie getrokken in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
pagina 8 van 37
2
Huidige en toekomstige situatie
De voorliggende onderbouwing heeft betrekking op de locatie ’s-Gravenweg 16 in Nieuwerkerk aan den IJssel. Op dit perceel, met een oppervlakte van circa 3.300 m², bevindt zich een voormalige boerderij waarvan het hoofdgebouw een oppervlakte heeft van ca. 485 m². Dit gebouw dateert volgens de BAG viewer uit 1900 en is aangewezen als Rijksmonument. De boerderij bestaat uit één bouwlaag met daarop een zadelkap met wolfseinden. Aan de voorzijde staat aaneengeschakeld het dwars gebouwde woongedeelte. Dit deel bestaat uit één laag met zadelkap met wolfseinden. Aan de achterzijde staat, in het verlengde van het hoofdgebouw, een hooischuur. De locatie is te bereiken via een brug aan de linkerzijde van het perceel.
Bestaande situatie (bron: gemeente Zuidplas, 2025)
Beoogd wordt om deze locatie in gebruik te geven aan de Stichting Voedselbank Zuidplas. Deze stichting is vanaf 1 mei 2024 reeds op de locatie gevestigd, in het kader van leegstandshuur. Ook in de beoogde situatie is deze functie gevestigd in het monumentale gebouw aan de voorzijde van het perceel. De begane grond van de boerderij wordt gebruikt voor de opslag van voedsel en non-food artikelen. De bovenverdieping wordt gebruikt als vergaderruimte en lunchruimte voor de vrijwilligers. Er zijn in totaal ongeveer 40 vrijwilligers betrokken bij de voedselbank. Hiervan zijn er structureel op woensdag en donderdag maximaal zo’n 10 tegelijk op locatie aanwezig om werkzaamheden uit te voeren. Op de andere dagen zijn er incidenteel vrijwilligers aanwezig voor onderhoudswerkzaamheden en tuinonderhoud e.d. Op donderdag is de boerderij open voor klanten. Dan komen er ongeveer 30-35 klanten om een pakket op te halen. Dit gebeurt verspreid over twee tijdvakken, namelijk van 9.00 tot 12.00 en van 17.00 tot 18.00 uur. Net als de vrijwilligers komt een deel van de klanten met de auto en een deel op de fiets. Op het terrein is voldoende ruimte voor het benodigde fiets- en autoparkeren. Parkeren op de openbare weg, zoals langs de ’s-Gravenweg, is niet aan de orde. Het laden en lossen gebeurt geheel op eigen terrein. Er komt er wekelijks een kleine vrachtwagen met leveringen.
De voedselbank heeft tevens een eigen elektrische bus om voedsel op te halen (ongeveer 1x per week). Tevens brengen vrijwilligers met die bus volle kratten met voedsel weg naar klanten in Zevenhuizen en Moerkapelle en naar klanten in Nieuwerkerk aan den IJssel, die het om uiteenlopende redenen de krat niet zelf kunnen afhalen. Op deze locatie is een oplaadpunt aanwezig voor de elektrische bus.
pagina 9 van 37
3
Toetsing aan omgevingsplan
3.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Zuidplas. Op basis hiervan geldt voor de locatie het bestemmingsplan ‘Groene Zoom’. Navolgend is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven.
Uitsnede van het bestemmingsplan ‘Groene Zoom’ (bron: Regels op de kaart)
De gronden aangewezen voor ‘Wonen – 2’ zijn bestemd voor wonen en aan-huis-verbonden beroepen. Het volledige perceel is voorzien van een bouwvlak, met een maximum bebouwingspercentage van 30%. De gronden van het plangebied zijn tevens voorzien van de bestemming ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’. Deze gronden zijn mede bestemd voor het bovengrondse transport van elektrische energie door een hoogspanningsleiding met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Een groot deel van het perceel is aangewezen met de bestemming ‘Waarde – Ecologie’. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de wezenlijke waarden en kenmerken van de Ecologische verbindingszone. Tevens gelden de volgende parapluplannen:
▪
In de ‘Parapluherziening Archeologie’ beschikt het plangebied over de bestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 2’ (voorste deel) en ‘Waarde – Archeologie – 4’ (achterste deel). Deze gronden zijn mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Nu er niet gebouwd wordt en geen graafwerkzaamheden worden verricht, speelt dit parapluplan hier geen rol van betekenis (zie ook paragraaf 5.13).
▪
De ‘Parapluherziening Parkeren’ voorziet in een uniforme parkeerregeling en een regeling voor laden en lossen. In paragraaf 5.6.2 wordt daar nader op ingegaan.
pagina 10 van 37
▪
De ‘Parapluherziening Flitsbezorging van de gemeente Zuidplas’ reguleert flitsbezorgdiensten met zogenaamde dark stores. Dit parapluplan is niet van toepassing op het onderhavige initiatief.
3.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Het plan is op de volgende onderdelen strijdig met het tijdelijke deel van het omgevingsplan:
▪
Het in gebruik nemen van de bebouwing en het perceel ’s-Gravenweg 16 voor activiteiten van de Stichting Voedselbank Zuidplas.
pagina 11 van 37
4
Toetsing aan beleid
4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2.
duurzaam economisch groeipotentieel;
3.
sterke en gezonde steden en regio's;
4.
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek Onderhavig initiatief past binnen de derde prioriteit, waarmee het initiatief passend is binnen de intenties van dit rijksbeleid. Gezien de aard en omvang van het initiatief is de NOVI verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland schetst de provincie in de Omgevingsvisie Zuid-Holland haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities. Deze ambities vormen een stip op de horizon. 1.
Samenwerken aan Zuid-Holland
2.
Bereikbaar Zuid‐Holland
3.
Schone energie voor iedereen
4.
Een welvarend Zuid‐Holland
5.
Naar vitale balans, water natuur en landbouw
6.
Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland
7.
Gezond en veilig Zuid‐Holland
Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. De provincie wil gebiedsgericht, integraal en op het regionale schaalniveau sturen op kwaliteitsverbetering, het
pagina 12 van 37
realiseren van beleidsdoelen en bij het gebied passende ruimtelijke ontwikkelingen (‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’).
Planspecifiek In het kader van de omgevingskwaliteit is de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland geraadpleegd. Laag van de ondergrond Op de kaart van de ‘Laag van de ondergrond’ zijn de gronden van het plangebied aangewezen met ‘Veencomplex – veen’. Een groot deel van Zuid-Holland bestaat uit veengronden met een hoge waterstand en geringe draagkracht. Dit veen is ontstaan door eeuwenlange ophoping van de resten van rietveen- en veenmoslanden en moerasbossen die hier een paar duizend jaar geleden stonden. In Midden-Holland is het veelal veen op oude zeeklei, terwijl er in de Alblasserwaard en de Krimpenerwaard vooral rivierklei onder het veenpakket zit. Er zijn een aantal plekken waar in de ondergrond nog grote veenpakketten aanwezig zijn, met daarin differentiatie in het soort veen en de dikte van het veenpakket. Niet alleen zijn deze veenpakketten van bijzondere waarde, ook zijn deze gebieden afhankelijk van het soort veen en de dikte van het veenpakket gevoelig tot zeer gevoelig voor bodemdaling. Tot het veencomplex behoren ook een groot aantal bestaande en voormalige plassen. De voormalige plassen zijn drooggemalen en staan bekend als droogmakerijen. De ondergrond in deze droogmakerijen varieert van klei, moerig tot veen. Zuid-Holland kent een aantal droogmakerijen waar in toenemende mate verzilting optreedt en het waterbeheer steeds lastiger wordt.
Bij grote diepte kan daarnaast een waterveiligheidsvraagstuk spelen. Zorgvuldige omgang met het watervraagstuk (kwalitatief en/ of kwantitatief) is in deze droogmakerijen van belang. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in de toevoeging van bebouwing waardoor het beperken van bodemdaling niet aan de orde is. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Op de kaart van de ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ is het plangebied aangewezen als ‘Veenweidelandschap’. Kenmerkende Landschapselementen in het veenweidegebied zijn bijvoorbeeld: elzensingels, knotwilgenrijen, geriefbosjes, erfbeplanting en boomgaarden op de oeverwallen. De landschapsstructuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsassen zoals veenkades, vaarten en linten. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veenland. Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de poldereenheden.
In het oosten van de provincie is het veengebied vermengd met oeverwallen en kommen van het rivierenlandschap. De
pagina 13 van 37
kommen zijn grootschalig met regelmatige (cope)verkaveling, maar gaan al snel over in het veenweidelandschap. Deze overgangen zijn nauwelijks tot niet zichtbaar. Daarnaast is het plangebied aangewezen als ‘Veenlint’. Linten vormen een belangrijk onderdeel van het ZuidHollandse landschap. Ze worden gevormd door lineaire, deels aaneengesloten bebouwing langs lineaire structuren zoals wegen, waterwegen of dijken. Op veel plaatsen hebben de linten een sterke relatie met het omliggende landschap. Op andere plaatsen zijn de linten ingesloten in andere bebouwing. Ook komt er verspreid liggende bebouwing langs (polder)wegen voor, waar de afstand tussen de bebouwing relatief groot is. Deze verspreid liggende bebouwing staat niet op de Kwaliteitskaart, maar er gelden wel richtpunten voor. De meeste bebouwingslinten zijn van cultuurhistorische betekenis en worden vaak gebruikt als recreatieve route. Ontwikkelingen langs de linten dienen daarom zeer zorgvuldig ingepast te worden. In de Kwaliteitskaart zijn voornamelijk de linten in het buitengebied aangegeven. De linten binnen het stedelijk gebied zijn met name opgenomen om de relatie met het lint in het buitengebied aan te geven. Planvoornemen voorziet niet in een ontwikkeling welke mogelijk de cultuurhistorische betekenis van het lint aantast.
Laag van de stedelijke occupatie Op de kaart van de ‘Laag van de stedelijke occupatie’ is het plangebied aangewezen als ‘Groene buffer’. De groene buffer is een niet verstedelijkt landschap tussen of grenzend aan de steden. Het is een landschap waar het groene karakter en het contrast met de drukke en dichtbebouwde steden centraal staat. De groene buffer is bedoeld om het aaneengroeien van steden in de dichtbevolkte deel van de provincie tegen te gaan. In het verleden is er veel geïnvesteerd in de groene buffer om de recreatieve waarde en uitloopmogelijkheden voor de stedeling te vergroten. In deze tijd is de opgave om het gebied te ontwikkelen als multifunctioneel landschapspark waarin natuur-, recreatie- en duurzame landbouw hand in hand gaan. Nieuwe opgaven zoals klimaatadaptatie krijgen de ruimte. De groene buffers verschillen sterk van karakter, door de verschillen in de ondergrond, het landschappelijk karakter, de ligging ten opzichte van de steden en de aanwezigheid van infrastructuur. De groene buffers zijn: Hollands Plassengebied, Duin, Horst en Weide, Midden-Delfland, Rotte, IJsselmonde en Eiland van Dordrecht. Planvoornemen voorziet niet in een ruimtelijke uitbreiding en/of verhardingstoename. Bovengenoemde gebiedsaanwijzing vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
Provinciaal Hoofdfietsnetwerk Daarnaast wordt de ’s-Gravenweg aangewezen als ‘Provinciaal Hoofdfietsnetwerk’. Het netwerk van fiets- en wandelpaden en ruiter- en vaarroutes verbindt een verscheidenheid van stedelijke en landelijke gebieden, natuuren recreatiegebieden en andere toeristische trekpleisters. Dit netwerk is bedoeld als ontsluiting, maar ook als middel om stad en landschap van Zuid-Holland te ervaren. Recreatieknooppunten in dit netwerk zijn de overstapplaatsen tussen verschillende vervoersmodaliteiten als auto, fiets of kano. Deze kunnen een toeristisch-recreatieve bestemming op zich zijn. Een samenhangend, gevarieerd en aantrekkelijk stelsel van gebieden en routes vraagt om het opheffen van barrièrewerking of het toevoegen van ontbrekende schakels. In het hoofdnetwerk fiets zijn de voor de provincie belangrijke (boven)regionale fietsverbindingen ondergebracht. Het gaat om doorgaande fietsverbindingen voor zowel recreatief als woon-werk fietsverkeer. Dit hoofdnetwerk vormt de basis voor een fijnmazige, lokale netwerken.
pagina 14 van 37
Dit netwerk voorziet in een goede bereikbaarheid van de planlocatie voor het langzame verkeer. Daarnaast worden met het planvoornemen geen nieuwe obstakels en omwegen gevormd in het netwerk. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de ambities uit de Omgevingsvisie.
4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
Planspecifiek Gebieden met beschermingscategorie 2, groene buffer Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor ‘beschermingscategorie 2, groene buffer’ geldt. In artikel 7.43k van de omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan voor locaties binnen groene buffers kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a.
de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek;
b.
de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving;
c.
de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling;
d.
de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied;
e.
de natuurwaarde van het gebied;
f.
het agrarische karakter van het gebied in de nabijheid van de stedelijke omgeving.
Het planvoornemen doet geen afbreuk aan bovengenoemde kwaliteiten. De identiteit van het gebied is divers, waar wonen, maatschappelijke en bedrijfsfuncties elkaar afwisselen. Daarnaast wordt er geen afbreuk gedaan aan de natuurwaarde en het agrarische karakter van het gebied. Zodoende is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige aantasting van bovengenoemde kwaliteiten van de groene buffer. Gebieden met beschermingscategorie 3, buitengebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waarvoor ‘beschermingscategorie 3 buitengebied’ geldt. In artikel 7.43h van de omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan voor een locatie in het buitengebied kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de gebiedskenmerken en het groene karakter van het landschap niet onevenredig worden aangetast. In de motivering moeten de volgende kwaliteiten betrokken worden: a.
de kenmerkende maat, schaal en het groene karakter van het landschap;
b.
de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;
c.
het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap;
d.
de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
pagina 15 van 37
Planvoornemen is voorzien op perceelsniveau en voorziet in het toestaan van het gebruik in een bestaand gebouw. Hierbij worden geen bouwwerkzaamheden verricht. Het plan doet daarmee geen afbreuk aan bovengenoemde kwaliteiten. Derhalve is er met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige aantasting van de bovengenoemde kwaliteiten van het landschap. Risico’s van klimaatverandering In artikel 7.41a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de risico’s van klimaatverandering.
▪
Wateroverlast
Uit de klimaateffectatlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet gevoelig is voor extreme neerslag. Specifieke maatregelingen met betrekking tot wateroverlast worden dan ook niet nodig geacht.
▪
Overstroming
Uit raadpleging van de overstromingskaart van de klimaateffectatlas Zuid-Holland blijkt dat ter plaatste van het plangebied een kleine kans (1/300 tot 1/3.000 per jaar) is op overstromingen. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet noodzakelijk geacht.
▪
Hitte
Ter plaatse van het plangebied is de hittestress laag en vergelijkbaar met de omgeving. Maatregelen met betrekking tot hitteoverlast worden niet nodig geacht.
▪
Droogte
In het plangebied lijkt, op basis van de klimaatatlas, droogte geen probleem te vormen. Gelet op de aard en omvang van onderhavige ontwikkeling zullen hier naar verwachting geen problemen voor optreden. Specifieke maatregelen met betrekking tot droogte worden dan ook niet nodig geacht. Provinciale milieubelangen In de Omgevingsverordening wordt een aantal provinciale milieubelangen genoemd, zoals:
▪
Artikel 3.14 Specifieke zorgplicht (bescherming van stiltegebieden). Het onderhavige initiatief vindt niet plaats in (de buurt van) een stiltegebied.
▪
Artikel 7.18 Groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico. De voorgenomen ontwikkeling ligt in het brandaandachtsgebied van een hogedruk aardgasleiding, maar voldoet niet aan de criteria genoemd in dit artikel voor een mogelijk verhoogd groepsrisico. In paragraaf 5.11 wordt nader ingegaan op de betreffende buisleiding.
▪
Artikel 7.76 Windenergie. De voorgenomen ontwikkeling vindt niet plaats in (de buurt van) een plaatsingsgebied voor windmolens.
Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening.
pagina 16 van 37
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Omgevingsvisie Zuidplas 2040 De gemeenteraad van de gemeente Zuidplas heeft op 13 juli 2021 voor het grootste deel van de gemeente de 'Omgevingsvisie Zuidplas 2040' vastgesteld. In de omgevingsvisie staan de ambities voor de lange termijn, tot 2040. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan toekomstige ontwikkelingen die plaatsvinden in een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit voor inwoners. De fysieke leefomgeving gaat over bijna alles buiten, dus: gebouwen, bodem, water, natuur, lucht, maar ook wegen en duurzame opwek van energie. In de omgevingsvisie staan de volgende ambities centraal:
▪
Aantrekkelijk Zuidplas: Ingezet wordt op het bouwen van inbreidingslocaties binnen de dorpen. Daarnaast wordt ingezet op aanpassingen van de bestaande woningvoorraad. Als dorpen in Zuidplas uit willen breiden kan dat, maar alleen als een bijdrage wordt geleverd aan hogere doelen.
▪
Duurzaam Zuidplas: Nieuwe ontwikkelingen zijn zoveel mogelijk energieneutraal. Voor bestaande gebouwen wordt ook hierop ingezet, hoewel dit niet overal haalbaar zal zijn. Naast de energiedoelstellingen wordt gewerkt aan een klimaatbestendige omgeving. Klimaatadaptatie, onder andere het tegengaan van hittestress, verdroging en wateroverlast, heeft daarbij nadrukkelijk aandacht.
▪
Ondernemend Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een aantrekkelijk gemeente zijn voor ondernemers en ervoor zorgen dat er voldoende eigen werkgelegenheid is. Een gemeente met een aantrekkelijk vestigingsklimaat en belangrijke speler in de regio.
▪
Gezond Zuidplas: Zuidplas wil in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn. Een gemeente met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van onze inwoners.
De omgevingsvisie is uitgewerkt in een visie per dorp. Hierin is aangegeven hoe een aantrekkelijk, duurzaam, ondernemend en gezond Zuidplas eruitziet per dorp. De omgevingsvisie geeft per thema, voor heel Zuidplas en per deelgebied en per dorp ambities, opgaven, kansen en te maken keuzes weer.
Planspecifiek Het onderhavige initiatief betreft een stichting met een maatschappelijke doelstelling. Daarmee sluit het aan op de ambitie ‘Gezond Zuidplas’. De gemeente wil immers in 2040 een sociale en vitale gemeente zijn met een gezonde en veilige leefomgeving én met aandacht voor de gezondheid van onze inwoners. Vanuit de ambities van ‘Ondernemend Zuidplas’ zou dit type activiteit idealiter plaats ‘moeten’ vinden in een dorpscentrum, om bij te dragen aan de beoogde sterke centra. In dit geval is sprake van een bijzondere situatie, omdat er een nieuw gebruik gevonden moet worden voor vrijkomende bebouwing en is het acceptabel dat de activiteit op de onderhavige locatie plaats vindt. Gesteld kan worden dat het beoogde initiatief in lijn is met de ambities van de Omgevingsvisie Zuidplas 2040.
pagina 17 van 37
5
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
5.1
Mer-beoordeling
De milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een mer is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van mer-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije merbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure.
In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een merplicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een mer-beoordelingsplicht. Een mer-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
▪
Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.
▪
Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.
De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de mer-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.
de kenmerken van het project
2.
de plaats van het project
3.
de kenmerken van de potentiële effecten
Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene
pagina 18 van 37
wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:
▪
Er zijn geen bouw- en sloopwerkzaamheden
▪
De milieugevolgen zijn beperkt
▪
Er wordt geen woning toegevoegd
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen mer(beoordelings)plicht geldt.
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek Onderhavig plan betreft het planologisch toestaan van het gebruik van het perceel door de Stichting Voedselbank Zuidplas. Daarmee is de ontwikkeling niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling en hoeven de ‘treden van de ladder’ niet doorlopen te worden.
5.3
Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de
pagina 19 van 37
vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).
Planspecifiek Er vinden geen (ver-)bouwwerkzaamheden plaats op het perceel. Er zijn dan ook geen specifieke maatregelen getroffen op het gebied van duurzaamheid, energie en circulariteit. Het hergebruik van de bestaande bebouwing betreft wel een positief aspect op het gebied van duurzaamheid. Het initiatief bevindt zich onder een hoogspanningsverbinding. Uit onderzoek is gebleken dat gezondheidseffecten kunnen optreden, vooral bij kinderen, als zij langdurig binnen het magneetveld verblijven. Dit vormt ook de aanleiding voor het onderhavige initiatief, waarbij er niet langer sprake zal zijn van wonen op deze locatie. In de beoogde situatie zullen er weliswaar personen aanwezig zijn, maar dat is slechts gedurende (delen van) enkele dagen per week en het gaat niet om kinderen. Daarmee kan gesteld worden dat de gezondheidsrisico’s aanvaardbaar zijn. De overige aspecten die van belang zijn voor het beschermen van de gezondheid, zoals bedoeld in het Bkl (zoals luchtkwaliteit, geluid, bodem, geur e.d.), komen in de navolgende paragrafen aan bod. Bovendien zijn er geen belemmeringen geconstateerd ten aanzien van hittestress.
5.4
Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen t.a.v. het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het ‘Nationaal Water Programma 2022-2027’ dat door het Rijk is vastgesteld, het ‘Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027’ dat door de provincie wordt vastgesteld en het ‘Waterbeheerprogramma’ van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.
De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op.
Weging van het waterbelang
pagina 20 van 37
Het begrip ‘weging van het waterbelang’ houdt in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. In bepaalde gevallen kan de provincie in de omgevingsverordening regels stellen over activiteiten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betekent dat er een balans moet zijn tussen de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen hebben. Waterschapsbeleid Voor wat betreft het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard is vooral de ‘Waterschapsverordening hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard’ relevant. Hierin staan regels over activiteiten op of bij dijken, sloten, grondwater en wegen binnen het beheersgebied van een waterschap. De regels zijn bedoeld om het watersysteembeheer goed te kunnen uitvoeren. Geregeld is wanneer een vergunning van het hoogheemraadschap nodig is of wat de voorwaarden zijn.
Planspecifiek Watercompensatie Onderhavig planvoornemen gaat niet gepaard met een toename in verhard oppervlak. Dat houdt in dat watercompensatie niet vereist is. Waterafvoer De afvoer van afval- en hemelwater wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie en het onderhavige initiatief brengt ook geen veranderingen met zich mee op dit punt. Waterkeringen De locatie ligt niet binnen de kern- en beschermingszone, zoals aangegeven op de leggerkaart van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK). Er is dan ook geen vergunning conform de Waterschapsverordening vereist. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het voorliggende initiatief.
5.5
Klimaatadaptatie
Klimaatadaptatie, het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, is nodig. Het gaat daarbij om de gevolgen van extremer weer met hevige regenval, maar ook met perioden van droogte en hitte/hittestress.
Planspecifiek Uit de Klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet kwetsbaar is bij extreme neerslag, ook droogte lijkt droogte geen probleem te vormen. Verder blijkt uit de overstromingskaart van de Klimaatatlas dat er hier een kleine kans op overstroming bestaat. Ter plaatse van het plangebied is de hittestress laag. Daarbij is het hitte-eiland effect 's-nachts het sterkst, maar dan is de onderhavige functie niet in bedrijf. Aanvullende maatregelen met betrekking tot klimaatadaptatie worden niet nodig geacht.
pagina 21 van 37
5.6
Verkeer en parkeren
5.6.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in de ingebruikname van het perceel door de Stichting Voedselbank Zuidplas. Het gaat hierbij om verkeersbewegingen van de vrijwilligers, de aan- en afvoer en van klanten/bezoekers die deels per auto komen. Voor dit type maatschappelijke voorziening zijn geen specifieke richtlijnen of kengetallen beschikbaar met betrekking tot verkeergeneratie. Daarom is gekozen voor een maatwerkbenadering op basis van de verwachte gebruiksintensiteit en de bestaande situatie. Door de functiewijziging van wonen naar een maatschappelijke voorziening (voedselbank) is sprake van een toename in het aantal verkeersbewegingen. Waar bij een reguliere woning gemiddeld wordt uitgegaan van circa 6 tot 8 voertuigbewegingen per etmaal, gaat het hier om naar schatting 80 tot 90 voertuigbewegingen op de drukke dag (donderdag), als gevolg van circa 30-35 bezoekers per tijdvak, verdeeld over twee tijdvakken. Een deel van deze bezoekers komt per fiets. Daarnaast zijn er op woensdag en donderdag vrijwilligers aanwezig (circa 10 per dag) en is er sprake van beperkt logistiek verkeer (een bestelbus en een vrachtwagen, elk circa één keer per week). Daarmee wordt de totale verkeergeneratie, ondanks de toename ten opzichte van de oorspronkelijke woonfunctie, als kleinschalig en beperkt beoordeeld.
Omdat parkeren en laden/lossen op eigen terrein plaatsvinden, een deel van de verkeersdeelnemers per fiets komt en de weg de verkeersbelasting aankan, is er geen sprake van knelpunten of structurele belasting van de openbare ruimte. Bovendien is dit gebruik feitelijk al aan de orde en zijn er geen signalen van overlast of verkeersonveilige situaties. Daarmee is er verkeerskundig geen bezwaar tegen deze functiewijziging. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor het initiatief.
5.6.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. De gemeente Zuidplas hanteert in dit verband de ‘Nota Parkeernormen 2019’.
pagina 22 van 37
Planspecifiek Het onderhavige gebied is in de ‘Nota Parkeernormen 2019’ onderdeel van Zone C (hoge auto afhankelijkheid). Er worden in deze nota geen parkeerkencijfers weergegeven voor een voedselbank. Ook de CROW voorziet hier niet in. Om die reden is, net als bij de verkeersgeneratie, gekozen voor een maatwerkbenadering op basis van ervaringscijfers. Tevens is in de ‘Nota Parkeernormen 2019’ aangegeven dat voorzien moet worden in voldoende fietsparkeerplaatsen. Er zijn maximaal 10 vrijwilligers tegelijk op locatie aanwezig, waarvan een deel op de fiets komt. Op donderdag komen er, verspreid over twee tijdvakken, ongeveer 30-35 klanten om een voedselpakket op te halen. Ook hierbij komt een deel van de mensen op de fiets. Daarnaast is er een (elektrische) bus om goederen op te halen en af te leveren. Op het terrein is voldoende ruimte aanwezig voor het benodigde fiets- en autoparkeren en er is een oplaadpunt aanwezig voor de elektrische bus. Parkeren op de openbare weg, zoals langs de ’s-Gravenweg, is niet aan de orde. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor het initiatief.
5.7
Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten in het wild worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Naast deze gebiedsbescherming gaat het ook om soortenbescherming. Bijzondere aandacht gaat uit naar stikstofdepositie, zoals geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. Verder geeft de Omgevingswet ook regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit.
Planspecifiek Het planvoornemen niet gepaard met (ver-)bouw- of sloopwerkzaamheden of met een herinrichting van het terrein. Derhalve is een negatief effect op de beschermde flora en fauna uitgesloten. Het aspect natuur vormt geen belemmeringen voor het initiatief.
pagina 23 van 37
5.8
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De gemeente Zuidplas is aangesloten bij het Schone Luchtakkoord, met als doel het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit in Nederland. Hiervoor gelden bovenwettelijke doelen. Voor de ontwikkeling wordt aanbevolen om te toetsen aan deze doelwaarden (WHO-advieswaarden).
Planspecifiek De planlocatie ligt in een aandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Hier zijn activiteiten die leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit niet zonder meer toegestaan. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 3.000 woningen (twee ontsluitingswegen) wordt per definitie aangemerkt als project dat ‘niet in betekenende mate’ (NIMB) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In lijn hiermee is de beoogde functie per definitie ‘niet in betekende mate’ van invloed op de luchtkwaliteit. Verder is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied (receptor = 27375169_108386). Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2023 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 15,2 μg/m³ PM10, 8,0 μg/m³ PM2,5 en 16,5 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Er wordt niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald.
Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. Geconcludeerd kan worden dat het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar is.
5.9
Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
▪
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
▪
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
pagina 24 van 37
Het
▪
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
▪
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. beschermen
van
een
geluidgevoelige
gebouw
gebeurt
aan
de
hand
van
vastgestelde
geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.
Planspecifiek De beoogde functie is niet geluidgevoelig, zoals bedoeld in artikel 3.22 van het Bkl, of een geluidbron, zoals bedoeld in Bijlage I van het Bkl. Er hoeft dus niet beschouwd te worden wat de geluidbelasting op het gebouw ten gevolge van omliggende geluidbronnen is. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen oplevert voor het planvoornemen.
5.10 Geur Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.
Planspecifiek De planlocatie is niet gelegen in de nabijheid van geurveroorzakende activiteiten. Daarmee vormt het aspect geur geen belemmering voor het initiatief.
5.11 Omgevingsveiligheid Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen.
Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en
pagina 25 van 37
gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
Planspecifiek Ten behoeve van het onderhavige initiatief is door Kragten een inventarisatie uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s. Het rapport ‘Beschouwing externe veiligheid’ (d.d. 23-07-2025) is als bijlage 1 bijgevoegd. Op grond van de lage personendichtheid en de wijze van gebruik door de Stichting Voedselbank Zuidplas, kan het onderhavige pand als een beperkt kwetsbaar gebouw beschouwd worden. Externe veiligheidsrisico’s kunnen ontstaan door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over transportroutes (weg, spoor en water)
pagina 26 van 37
en het gebruik of de opslag van gevaarlijke stoffen. Op de navolgende afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de risicobronnen weergegeven.
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omkaderd (bron: Kragten/Atlas Leefomgeving)
Transportroute gevaarlijke stoffen Op een afstand van ca. 1,1 km bevindt zich de spoorlijn Rotterdam – Utrecht. Deze route is in het gebruik voor het transport van gevaarlijke stoffen en zijn opgenomen in het basisnet welke zijn voorzien van een brand-, explosieen gifwolkaandachtsgebied. Het plan ligt op voldoende afstand van deze aandachtsgebieden. Risicovolle inrichtingen Op ca. 40m van de planlocatie bevindt zich het hart van een risicovolle inrichting. Het betreft de opslagtank van propaan. Het plangebied bevindt zich niet binnen het aandachtsgebied van deze inrichting. Hoogspanningsleiding Het initiatief bevindt zich onder een hoogspanningsverbinding. Dat vormt ook de aanleiding voor het onderhavige initiatief, waardoor niet langer sprake zal zijn van wonen op deze locatie. Overigens vormt de hoogspanningsleiding geen relevante risicobron vanuit het aspect externe veiligheid. Er kunnen wel gezondheidseffecten optreden, vooral bij kinderen, als zij langdurig binnen het magneetveld verblijven. In de beoogde situatie zullen er weliswaar personen aanwezig zijn, maar slechts gedurende (delen van) enkele dagen per week. Bovendien is het initiatief niet gericht op kinderen. Daarmee kan gesteld worden dat de gezondheidsrisico’s van de hoogspanningsleiding aanvaardbaar zijn.
pagina 27 van 37
Buisleidingen Het plan ligt op ruim 190 meter van hogedruk aardgasleiding A-518. Deze buisleiding kent ter hoogte van het plangebied geen PR 10-6 contour, waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor de ontwikkeling binnen het plangebied. Wel ligt de bebouwing binnen het plangebied binnen de PR 10-8 risicocontour. Ook ligt het plangebied volledig binnen het brandaandachtsgebied van deze buisleiding. Om die reden zijn in de rapportage van Kragten de aspecten beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid nader beschouwd. -
Bestrijding calamiteit
Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol. -
Zelfredzaamheid
Het risico op een incident met een hogedruk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Hiertoe dient in het omgevingsplan opgenomen te worden dat binnen het belemmeringengebied van 5 meter aan weerszijden van leiding A-518 een bouwverbod geldt. Tevens wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd. Gelet op de afstand tot de buisleiding speelt dit niet op het onderhavige perceel. Binnen het brandaandachtsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat deze zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van de bebouwing tot de aardgasleiding, zijn er scenario´s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid groter. Vluchten kan alleen maar via een route buiten het ´zicht´ van de fakkel. Aangezien het plangebied binnen de PR 10-8 contour is gelegen, is vluchten bij een calamiteit alleen mogelijk buiten het zicht van de fakkel.