CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 BOPA Tijdelijke opvang Harmoniya Nieuwerkerk aan den IJssel A26.002814

Gemeenteraad 23 juni 2026, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv het verlengen van de (reeds verleende) omgevingsvergunning voor het plaatsen van tijdelijke woonunits voor de huisvesting van Oekraïners op de locatie Steenbakkerij 4a t/m 4i, 6a t/m 6i en 8a t/m 8x te Nieuwerkerk aan den IJssel met een periode van 1,5 jaar17.949 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

statushouders. Per 10 bedden dient er 1 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Daarboven op dient er ook rekening te worden gehouden met 01 parkeerplaats voor bezoekers. Er worden op locatie 132 vluchtelingen gehuisvest dus er zijn ook 132 bedden. Navolgende tabel toont de parkeerbehoefte uitgaande van de genoemde ,

,

,

parkeernorm. Daarbij is ook rekening gehouden met fietsparkeren. Categorie ‘Huisvesting asielzoekers en statushouders’ (auto) ‘Huisvesting asielzoekers en statushouders’ (fiets)

Parkeernorm bedden) – bezoekers) 11

(per 10 inclusief

Aantal bedden

Parkeerbehoefte

,

132

145

23

132

304

,

,

,

De parkeerbehoefte komt daarmee uit op afgerond 15 parkeerplaatsen. Er wordt gezien de handhaving parkeerplaatsen voldaan aan deze behoefte. ,

van

33

,

Bovendien blijkt in de praktijk dat 19 van de 43 appartementen in het bezig zijn van een eigen auto of een auto van werkgever. Er zijn sinds de ingebruikname van de locatie geen klachten binnengekomen bij de gemeente omtrent parkeren. Er wordt dus door de 33 parkeerplaatsen te handhaven ook voldaan aan de parkeerbehoefte op een

basis van het daadwerkelijke autobezit van de bewoners. Er kan derhalve worden aangenomen dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor het plan.

7. 2

Duurzaamheid en gezondheid

De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1. 3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. ,

Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan is vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. Voor de gemeente Zuidplas is dit op dit moment nog niet vastgelegd. ,

pagina 29 van 51

De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral

het aspect energie. Voor alle nieuwbouw zowel woningbouw als utiliteitsbouw geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) op

,

,

energieneutraal gebouwd leefomgeving (Bbl).

moeten

worden. De nieuwe

eisen zijn

in het Besluit bouwwerken

opgenomen

Gemeente Zuidplas Gemeente Zuidplas werkt eraan om in 2050 energieneutraal aardgasvrij en klimaatbestendig te zijn. Daarin sluit ,

zij aan op landelijke ambities en aangegeven

plannen waaronder het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Daarin is dat overheden en gemeenten in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht moeten zijn. Ook de ,

gemeente Zuidplas gaat zich inzetten om in 2050 klimaatbestendig te zijn tegen wateroverlast hittestress droogte en bodemdaling. Daarnaast heeft de gemeente Zuidplas de Transitievisie Warmte (TvW) waarin wordt omschreven ,

,

,

hoe gemeente actief gaat werken aan de (landelijke) ambitie om in 2050 aardgasvrij te zijn. Tenslotte staat in het collegeprogramma de ambitie om de biodiversiteit in de gemeente Zuidplas Planspecifiek Duurzaamheid De woonunits die gebruikt zijn ten behoeve van de opvang

van

de locatie in hun geheel verwijderd worden woonruimte op een andere locatie. De verwachte levensduur opvang van

vluchtelingen kunnen na de doorlooptijd van de anders geplaatst worden ten behoeve van van de woonunits is zo’n 25 jaar. Het mogelijke

en ergens

,

hergebruik van de woningen is flexibeler en duurzamer dan normale bouw aangezien er niet gesloopt hoeft te worden. Verder is de planlocatie ten behoeve van het gebruik als opvang vergroend middels hagen en een groene ,

,

tuin. Dat is bevorderlijk voor de duurzaamheid Gezondheid De planlocatie bevindt zich

op een

van

het perceel.

bedrijventerrein nabij de A20 (ca. 135 ,

m

afstand). Om

voor een

tijdelijke

woonfunctie een zo goed mogelijk woon- en leefklimaat te realiseren is een aantal maatregelen wenselijk. Ondanks ,

dat het gaat om een tijdelijke ontwikkeling zullen de beoogde bewoners gedurende enkele maanden tot jaren op deze locatie verblijven. Ze zullen blootgesteld worden aan de aanwezige geluid- en luchtkwaliteitsbelasting en het is niet exact aan te geven wanneer er sprake is van onomkeerbare effecten. ,

Geluid Er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat ook op het gebied van geluid. In dat kader is de voorgestelde locatie niet optimaal gezien de ligging op een bedrijventerrein nabij de A20. Daarom is hier bij het ,

,

ontwerp met aantal maatregelen aandacht aan besteed onder andere door de situering van de tijdelijke woonunits: deze zijn zo georiënteerd dat de entreezijde en achterzijde niet naar de A20 zijn gesitueerd. Bovendien een

,

is de bebouwing achter het bestaande gebouw van Krabbendam Cadeauverpakkingen gesitueerd dat daarmee als barrière fungeert tussen de A20 en de planlocatie. Aan de binnenzijde van de woonunits is een binnentuin ,

gecreëerd waardoor een geluidsluwe buitenruimte ontstaat. De woonunits zijn dus zo gerealiseerd dat de geluidsoverlast tussen de woonunits onderling tot het minimale wordt beperkt. Het aspect geluid komt nader aan ,

bod onder 7. 4 Geluid.

pagina 30 van 51

Luchtkwaliteit Op het gebied van luchtkwaliteit wordt er aandacht gegeven aan voldoende (mechanische) ventilatie voor een goed klimaat in de woonunits. De binnentuin is een rookvrije zone. Verder wordt met de woonunits voor wat betreft ,

luchtkwaliteit voldaan aan de eisen van het Bbl. Algemene gezondheid Daarnaast wordt er in het kader van algemene gezondheid aandacht besteed aan hittestress middels zonwering op het zuidwesten. In de binnentuin is vanwege de situering van de gebouwen schaduw voor de bewoners. Rond ,

het appartementencomplex wordt het terrein groen ingericht met hagen en gras en wordt de naastgelegen sloot voor de veiligheid met een hekwerk afgeschermd. De bewoners zijn meegenomen bij de ontwikkeling en hebben inspraak gehad op onder andere de leefbaarheid. Sportclub De gemeente is in gesprek geweest met de naastgelegen korfbalvereniging over het (openbaar) gebruik van de sportvelden en speeltoestellen om meer ruimte voor de bewoners te creëren. Zo wordt de leefbaarheid op de locatie verder vergroot. Er is een overeenkomst met deze vereniging. Er zijn nieuwe speeltoestellen geplaatst en ,

is een verbinding aangebracht tussen de korfbal en de opvanglocatie zodat de kinderen vrij gebruiken kunnen maken van de voorzieningen. er

Conclusie gezondheid Gelet op de urgentie van de situatie en het relatief korte gebruik wordt de gevraagde ontwikkeling ten aanzien van gezondheid acceptabel geacht. Conclusie Er kan gezien het bovenstaande worden geconcludeerd dat de aspecten duurzaamheid belemmering

7. 3

vormen voor

gezondheid

en

geen

het planvoornemen.

(Sociale) veiligheid

Het aspect ‘sociale veiligheid’ kent geen afzonderlijk wettelijk kader onder de Omgevingswet maar dient in het bredere afwegingskader voor een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ wel meegewogen te worden. ,

Planspecifiek De gemeente draagt zorg voor het beheer van de woonunits. Bewoners van de woonunits tekenen een huishoudelijk regelement en de beheerders zien toe op de naleving hiervan. De bewoners dienen zich te houden aan de woonregels. Het toezicht is geregeld in de vorm van 6 beveiligingscamera’s rondom de appartementen. Verder zijn de beheerders diverse keren per week op locatie om vragen te beantwoorden en controles uit te voeren waaronder incidentele kamerinspecties. Er worden dagelijks door het locatieteam rapporten bijgehouden waarin ,

eventuele incidenten worden benoemd. Bij herhaling volgt een schriftelijke waarschuwing. Er is een aangemaakt met daarin de leden van Team Veiligheid. Indien nodig kunnen

app-groep

met klachten met betrekking tot de opvanglocatie direct contact opnemen met de wijkagent. In het verleden ging dat via een telefoonnummer tegenwoordig kunnen meldingen via de gemeente mensen

,

pagina 31 van 51

,

doorverbonden worden naar de beheerders. Sinds de ingebruikname van het woongebouw hebben de gemeente

,

omgevingsdienst en politie geen klachten ontvangen. Omdat er extra parkeerplaatsen aangebracht zijn is ook het OV-netwerk uitgebreid. Verder is er een aantal beveiligingscamera’s aangebracht om een deel van de omgeving te kunnen bekijken. De parkeerplaatsen zijn ,

,

verlicht voor de veiligheid. Op het gebied van verkeersveiligheid is er op de Steenbakkerij een verhoogde drempel aangelegd om de snelheid te verlagen. Het bedrijventerrein is duidelijk herkenbaar als erftoegangsweg binnen de ,

bebouwde kom met een geldende maximumsnelheid aspect ‘verkeersveiligheid’ komt nader situatie op het bedrijventerrein is er op

van

30 km/u. Er is duidelijke bebording aangebracht. Het

bod onder 7. 1 Verkeer en parkeren. Vergeleken met de voormalige een aantal vlakken expliciet vooruitgang geboekt. Er waren voorheen

aan

problemen omtrent onder andere inbraken en drugsdeals. De aanwezigheid van de opvanglocatie en haar bewoners draagt bij aan het toezicht op het bedrijventerrein en daarmee aan de (sociale) veiligheid ter plaatse. Er kan gezien het bovenstaande worden geconcludeerd dat het aspect (sociale) veiligheid geen belemmering vormt voor

7. 4

het beoogde plan.

Geluid

De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit (spoor)weg industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op ,

,

geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3. 21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of gedeelte van een gebouw met een:

een

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan ; of

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Het beschermen van een geluidgevoelig gebouw gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen provinciale wegen industrieterreinen.

,

gemeentewegen

waterschapswegen

,

,

hoofdspoorwegen

,

lokale

spoorwegen

,

,

en

De waarden en eisen in de instructieregels voor het bereiken van een aanvaardbaar geluid gelden op de gevel van geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar toegelaten is. De instructieregels gelden dus niet voor tijdelijke bouwwerken. een

Planspecifiek Woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen dus dient er in principe aangetoond te worden dat er in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat omtrent geluid. Het onderhavige gebouw is voorzien ,

gevelwering ten behoeve van het realiseren van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot geluid. Er zijn onderzoeken uitgevoerd en er is een memo opgesteld die navolgend behandeld zullen worden. van

,

,

pagina 32 van 51

Beoordeling geluidwering Er is een beoordeling van de geluidwering van de gevel opgesteld door DGMR om aan te tonen dat de geluidwering van de gevel voldoet aan de gestelde eisen van de omgevingsdienst Midden-Holland (DGMR Bouw B.V. ,

B.2023.1169.00.N002

,

d. d. 15 december 2023

,

bijlage 4). Uit de eisen vanuit het Bouwbesluit

en

,

de eisen van

omgevingsdienst Midden Holland bleek dat de maximale geluidsniveaus als gevolg van activiteiten van omliggende bedrijven bepalend zijn voor de benodigde geluidwering van de gevel. De geluidwering van de gevel moet ten minste 33 dB zijn bij industriegeluid. De karakteristieke geluidwering van de gevel is bepaald aan de hand van de opbouw van de gevel en de verscheidene maatregelen. Daaruit is gebleken dat de benodigde karakteristieke geluidwering van 33 dB gehaald wordt zowel met als zonder gevelopeningen. Daarmee kan dus worden gezegd dat de geluidwering van de gevel voldoet aan de gestelde eisen van de omgevingsdienst Midden-Holland. ,

Memo geluidssituatie Er is ook een memo opgesteld door Aveco de Bondt om de geluidssituatie inzichtelijk te maken (Aveco de Bondt 232862 d. d. 21 december 2023 bijlage 5). Er is in deze memo bepaald wat er destijds nodig was om de tijdelijke

,

,

opvang

,

mogelijk te maken

,

aan

de hand van een tweetal vraagstukken:

▪

Worden de bedrijven in de directe omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt ook met het oog op de verwachte (realistische) toekomstplannen binnen een termijn van drie jaar?

▪

Zal er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de bewoners van de noodopvang?

,

Er is gekeken

naar

geluid van zowel activiteiten (bedrijven) als wegen. Daaruit bleek dat het geluidsniveau als

gevolg van activiteiten van omliggende bedrijven bepalend zijn voor de gevelwering zoals ook aan bod is gekomen in bovenstaand onderzoek van DGMR. De gevelwering dient ten minste 33 dB te bedragen om aan de eisen omtrent ,

geluid als gevolg van activiteiten te kunnen voldoen. Er is een aantal oplossingsrichtingen behandeld om tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te komen: bronmaatregelen overdrachtsmaatregelen het beperken van het geluid ten behoeve van een minder geluidbelaste ,

binnentuin

en

,

maatregelen

aan

de

gevel.

Daaruit

bleek

dat

bronmaatregelen

niet

mogelijk

zijn

en

overdrachtsmaatregelen en het beperken van het geluid ten behoeve van een minder geluidbelaste binnentuin niet doeltreffend. Daarom is vervolgens gekeken naar maatregelen aan de gevel aan de hand van het eerder behandelde onderzoek van DGMR (DGMR B.2023.1169.00.N002 d. d. 15 december 2023 bijlage 4). Uit dat ,

,

,

,

onderzoek bleek dat de gevelwering ten minste 33 dB bedraagt. Daarmee wordt ten aanzien van de binnenwaarde voldaan aan de nieuwbouweisen voor woningen. Maatregelen aan de gevel zijn dus zowel mogelijk als doeltreffend. Deze maatregelen zijn bij de bouw van het pand ook uitgevoerd en blijven behouden in de panden. Uit de resultaten van het onderzoek bleek dat de realisatie (en dus ook de voortzetting) van de noodopvang op het bedrijventerrein Kleine Vink mogelijk is omdat: ▪

omliggende bedrijven maatwerkvoorschriften krijgen voor een tijdelijke ontheffing van de grenswaarden het Omgevingsplan. Dat geldt ook bedrijven niet beperkt in bedrijfsvoering ; van

▪

voor

toekomstige bedrijven die zich vestigen. Zo worden de

het duidelijk is dat de benodigde geluidwering gevel wordt behaald

en

wordt geborgd in de voorschriften

de omgevingsvergunning. Door het treffen van maatregelen aan de gevel wordt ten aanzien van het binnenniveau voldaan aan nieuwbouweisen voor woningen dus kan er worden gesteld dat er sprake is van

,

van een

pagina 33 van 51

aanvaardbaar woon- en leefklimaat ;

er mogelijkheden

▪

zijn om een raam te openen ten behoeve van spuien.

Beoordeling memo AV Consulting Bovenstaande memo en onderzoek zijn beoordeeld door AV Consulting waarin zij een aantal punten aandroeg die ,

foutief of incompleet waren in de memo en het onderzoek. DGMR Bouw B. V. heeft een puntsgewijze reactie op deze beoordeling opgesteld (DGMR Bouw B.V. B.2023.1169.N003 d. d. 2 februari 2024 bijlage 6). Elk van de ,

punten aangedragen door AV Consulting is aangekaart door DGMR

,

,

en er

is uitgelegd waarom de gehanteerde

methoden in de memo en het onderzoek wel degelijk correct zijn. Daarmee is ook de correctheid van de conclusies van bovenstaande memo en onderzoek verzekerd. De specifieke punten die zijn aangekaart en de argumentatie van

de reactie erop zijn te vinden in bijlage 6.

Conclusie Gezien het bovenstaande kan er worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect geluid een aanvaardbaar woon- en

7. 5

leefklimaat gerealiseerd is en dat het aspect geluid geen belemmering vormt.

Activiteiten en milieuzonering

De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de ,

afstand tot de woonomgeving hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit ,

beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten.

voor geur.

Zolang een gemeente nog geen specifieke regels met betrekking tot milieuhinderlijke activiteiten heeft opgenomen in haar omgevingsplan blijven de richtafstanden uit de VNG-richtafstandenlijst (2009) het toetsingskader. Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand (de richtafstand). Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds het bouwvlak woning die op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning mogelijk is. De in de handreiking opgenomen afstanden zijn indicatief en verschillen per gebiedstype waarin de ontwikkeling plaatsvindt. van een

Uitgangspunt is dat deze afstanden gemotiveerd worden toegepast. Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd waardoor de VNG-handreiking niet ,

op

deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:

pagina 34 van 51

▪

Luchtverontreiniging ;

▪

Externe veiligheid en gevaar ;

▪

Trillinghinder ;

▪

Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied ;

▪

Lichthinder ;

▪

Spuitzones ; en

▪

De hinder door verkeer aantrekkende werking.

Planspecifiek Woningen zijn een milieugevoelige functie. Daarom dient aangetoond te worden dat de (toekomstige) bewoners van de woningen geen ontoelaatbare overlast ervaren van eventuele omringende bedrijven. Tegelijk dient te worden aangetoond dat de omliggende bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijke werkzaamheden door de woningen. Daarom is een inventarisatie gemaakt van bedrijven rond het plangebied. Hieronder worden de relevante bedrijven instanties besproken met behulp van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. Gezien de combinatie van milieugevoelige functies en bedrijven rondom de planlocatie valt dit gebied onder ‘gemengd gebied. en

,

,

De

planlocatie

ligt

op

een

bedrijventerrein

waar

volgens

het

tijdelijke deel

van

het

Omgevingsplan

(bestemmingsplan ‘Kleine Vink en omgeving’) bedrijven tot en met categorie 3. 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegelaten zijn. Dat betekent dat transportbedrijven middelgrote productiebedrijven en aannemersbedrijven zich ,

dit bedrijventerrein mogen vestigen. Uitgaande van ‘gemengd gebied’ dient er een richtafstand van 50 m in acht te worde genomen. Aan die richtafstand wordt niet voor alle nabijgelegen percelen voldaan. Als de wijziging op

aangevraagd zou worden voor onbepaalde tijd was dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet inpasbaar binnen het bedrijventerrein. Met name geluid- en in mindere mate geurhinder zorgen voor een minder ,

goed

woon- en leefklimaat.

Naarmate woonfuncties dichter bij bedrijven worden toegestaan worden de voorschriften met betrekking tot bijvoorbeeld geluid strenger voor bedrijven aangezien ze op steeds kortere afstand moeten voldoen aan dezelfde ,

,

voorschriften. Het gevolg daarvan kan zijn dat activiteiten fysiek of in de tijd verplaatst of gestaakt dienen te worden bij gegronde klachten. Uitzondering daarop is het geluid van laad- en losactiviteiten overdag en verkeer dat van en naar bedrijven rijdt. In het Omgevingsplan gemeente Zuidplas worden de tijdelijke bewoners beschermd voor milieuhinder van de bedrijven. Bedrijven worden gecontroleerd op het naleven van de voorschriften uit het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Aan de andere kant dienen bedrijven ook beschermd te worden in hun bedrijfsvoering. Voor (de voortzetting van) de tijdelijke huisvesting kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Om een goed woonklimaat te garanderen zijn forse maartregelen getroffen ten aanzien van de gevelwering inclusief de mogelijkheid om ramen te openen (toepassen SilentAir) ten behoeve van spuien. Hierdoor wordt de binnenwaarde van 33 dB gelijk aan de nieuwbouw eis voor woningen gehaald. ,

,

Voor

een

,

aantal bedrijven in de directe omgeving zijn door middel van maatwerk ruimere normen

voor

geluid

opgelegd. Toekomstige bedrijven die zich willen vestigen zullen indien nodig ook ruimere geluidsnormen opgelegd krijgen. Hiermee worden de reeds aanwezige en toekomstige bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering. ,

pagina 35 van 51

,

Verder is er sprake

van

de bestemming ‘Sport’ waarbij het in de feitelijke situatie gaat ,

om

korfbalvelden met

veldverlichting en een sporthal. Een sportpark valt in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ onder milieucategorie 3. 1 (‘veldsportcomplex (met verlichting)’). Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 m ten aanzien van het aspect geluid. De afstand tot het dichtstbijzijnde korfbalveld met veldverlichting bedraagt ca. 45 m waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. De sporthal valt eveneens onder milieucategorie 3. 1 ,

(‘sporthallen’). Aan de richtafstand van 30 m wordt ruimschoots voldaan (de afstand bedraagt ca. 60 m). Gezien het bovenstaande kan er worden geconcludeerd dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor

de beoogde ontwikkeling.

7. 6

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO)2 of fijnstof (PM). 10 Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. ,

Als

de

gemeente

activiteiten

toelaat

,

die

leiden

tot

gebruik

van

wegen ,

of

vaarwegen

spoorwegen

(verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5. 53 en 5. 54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM 10 niet hoger is dan 12 µg/m.3 Dat is 3%

de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Standaardgevallen NIBM conform artikel 5. 54 Bkl. 2. Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen. ,

de omgevingswaarde

van

voor

,

Planspecifiek De planlocatie ligt in een aandachtsgebied luchtkwaliteit zoals bedoeld in artikel 5. 51 lid 2 Bkl. In dergelijke gebieden toetst en monitort de overheid de luchtkwaliteit. Ontwikkelingen mogen in aandachtsgebieden geen ,

bijdrage leveren aan de verdere verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1. 500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Wel is ten behoeve van 'een evenwichtige toedeling van functies’ met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de ,

,

luchtkwaliteit ter plaatse van receptor 27364178_19120 (zie onderstaand figuur) voldoet aan de gestelde (landelijke) grenswaarde van 40 μg/m³ voor NO 2 en PM 10 en 25 μg/m³ voor PM 25 De specifieke concentraties over ,

.

2024 van fijnstof en stikstofdioxide in het plangebied bedragen 212 μg/m³ (NO)2 89 μg/m³ (PM) 25 (PM). 10 Deze WHO-advieswaarden worden dus niet overschreden. ,

pagina 36 van 51

,

,

,

en

157 μg/m³ ,

Verder heeft de gemeente Zuidplas het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend waarin het Rijk provincies en ,

,

gemeenten in 2020 afspraken voor een betere luchtkwaliteit maakten. Er dient in het kader daarvan voldaan te worden aan de toenmalige WHO-advieswaarden: 40 μg/m³ voor NO 2 20 μg/m³ voor PM 10 en 10 μg/m³ voor PM 25 ,

, .

Ook aan deze grenswaarden wordt voldaan (zie onderstaande uitsnede).

Receptor 27364178_19120 is rood omcirkeld en ligt ten noordwesten van de locatie , eveneens rood omcirkeld (bron: CIMLK)

Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

7. 7

Archeologie en cultuurhistorie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5. 10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast zijn er algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor ,

erfgoedactiviteiten. Artikel 13. 8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13. 7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen wordt hieraan getoetst. ,

pagina 37 van 51

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk geen bouwwerk ,

zijnde of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken ,

door een andere oppervlakte op te nemen. Planspecifiek Archeologie Op basis van het voormalige bestemmingsplan ‘Kleine Vink’ geldt er geen onderzoeksplicht voor de locatie. Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Voor de vaststelling van dat plan is voor een deel van het gebied archeologisch onderzoek uitgevoerd en de lage archeologische verwachting werd bevestigd. Daarom is er geen dubbelbestemming Waarde Archeologie in dit voormalige bestemmingsplan opgenomen. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering. Cultuurhistorie Het plangebied

ligt niet in

een

beschermd stads- of dorpsgezicht

en

er

zijn

geen

Rijks- of gemeentelijke

monumenten aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen

7. 8

geen

belemmering

voor het plan.

Bodem

Een omgevingsplan bevat waarden

voor

de toelaatbare kwaliteit

van

de bodem

voor

het bouwen

van een

bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5. 89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd: ▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een

omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw ; ▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5. 89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5. 89k Bkl). Planspecifiek In de eerder doorlopen omgevingsvergunningstraject voor deze opvanglocatie is nader onderzoek geweest of de bodem geschikt is voor het gebruik als opvanglocatie/tijdelijke woonlocatie. Dat bleek zo te zijn. De locatie wordt in

pagina 38 van 51

de aanstaande

periode wederom

gebruikt

voor

een

tijdelijke woonlocatie. Er dienen heden

geen

nadere

maatregelen te worden getroffen. Het aspect bodem vormt geen belemmering.

7. 9

Omgevingsveiligheid

Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben

op kwetsbare

Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid

gebouw of locatie wordt gekeken

van een

gebouwen en locaties.

naar

het aantal personen dat

gelijktijdig aanwezig is de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties ,

en locaties en zeer kwetsbare

,

en locaties zijn onder

kwetsbare gebouwen gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare

gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage VI van ,

,

het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën

locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. van

,

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en

,

kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5. 7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten -6 hoogste één op de miljoen per jaar (10/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen

en kwetsbare

-6 locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-contour

van een

activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen locaties moet het bevoegd rekening -6 houden met een standaardwaarde (PR 10-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden. en

gezag

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is ,

,

onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand) overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze een

,

,

aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5. 15 van

pagina 39 van 51

het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer beperkt) kwetsbare gebouwen ,

locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen en

of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven vervoer van gevaarlijke stoffen over weg water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of ,

,

in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten. Planspecifiek De Atlas Leefomgeving is geraadpleegd om een idee te krijgen van de eventuele buisleidingen transportroutes van gevaarlijke stoffen risicobronnen en bovengrondse hoogspanningslijnen. Navolgende afbeelding toont een ,

,

uitsnede van de kaart uit de Atlas Leefomgeving.

Uitsnede van de kaart omgevingsveiligheid , planlocatie globaal omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving)

Gevaarlijke inrichtingen De dichtstbijzijnde gevaarlijke inrichting ligt ca. 215 m ten westen van de planlocatie. Het betreft een brandstoftank. Vanwege de ruime afstand tussen de planlocatie en deze inrichting vormt dit geen belemmering. ,

Bovengrondse hoogspanningslijnen De dichtstbijzijnde bovengrondse hoogspanningslijn loopt ca. 740 m ten zuidwesten planlocatie ligt ruim buiten de rekenafstand (2 x 115 m) dus dit vormt geen belemmering. ,

pagina 40 van 51

van

de planlocatie. De

Transportroutes gevaarlijke stoffen Over de A20 ter hoogte van het plangebied worden structureel gevaarlijke stoffen vervoerd. Derhalve dient de hoogte van het groepsrisico te worden onderbouwd met een uitgebreide RBM II-berekening. Voor de op ca. 1 km ,

,

afstand gelegen spoorlijn dienen de risico’s beperkt verantwoord te worden. De planlocatie ligt op ruim 130

rijksweg A20 waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Aangezien de A20 zich op een afstand van minder dan 200 m van het plangebied bevindt kan de beoogde ontwikkeling een relevante invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport m

van

,

,

gevaarlijke stoffen over deze weg. Het is dan ook noodzakelijk om de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico van de A20 kwantitatief inzichtelijk te maken. Dit in onderzocht in het bijgevoegde (bijlage 7) van

rapport ‘Externe veiligheid weg’ (d. d. 3 april 2023). Uit de RBM II-berekeningen blijkt dat zowel voor als na de planrealisatie sprake is van een groepsrisico dat lager is dan 01 maal de oriëntatiewaarde. De gewijzigde ,

populatieaantallen resulteren in een geringe toename van de hoogte van het groepsrisico. Gelet op het feit dat de normwaarde lager is dan 01 maal de oriëntatiewaarde kan volstaan worden met beperkte verantwoording van het ,

,

groepsrisico. Verantwoording hoogte groepsrisico In de bijgevoegde ‘Verantwoording hoogte groepsrisico’ (Kragten SR0061 ,

,

d. d. 5 juni 2023

,

bijlage 8) is de

verantwoordingsplicht van zowel de buisleiding die navolgend besproken zal worden als de transportroute voor gevaarlijke stoffen (A20) ingevuld. Hierbij is antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s ,

,

in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen/moeten komen. Het betreft maatregelen ▪

op het gebied van:

Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid

De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te voeren om verdere escalatie van een incident te voorkomen. Er kan hierbij gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen

,

evenals de brandweerzorgnorm. Uit advies

van

de Veiligheidsregio blijkt dat het

plangebied goed bereikbaar is en er voldoende bluswatervoorzieningen zijn. Brandweerzorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de ▪

aanwezige personen. Voor de onderhavige situatie is de referentiewaarde voor deze categorie 10 minuten. De daadwerkelijke opkomsttijd bedraagt 8 minuten waardoor het initiatief ‘goed’ scoort. ,

Bestrijdbaarheid per scenario De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. ▪

pagina 41 van 51

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken ▪

aan een

dreigend

gevaar , zonder

daadwerkelijke hulp

van

hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen functies die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Om goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed afgesloten te kunnen worden. De woningen zijn voorzien van mechanische ventilatie die bij een calamiteit centraal uitgeschakeld kan worden. Verder zijn de vluchtroutes duidelijk aangeduid ook in de eigen taal van de personen

,

bewoners. Risico-communicatie

▪

In het geval van een calamiteit is een snelle alarmering van aanwezige personen binnen het effectgebied essentieel voor een goede zelfredzaamheid. Er is een samenspraak met de brandweer een ontruimingsplan opgesteld. Buisleidingen Circa 100 meter ten noorden van de planlocatie loopt een hogedruk aardgasleiding. De planlocatie ligt daarmee binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. In het onderzoek ‘Externe veiligheid buisleidingen’ (Kragten

,

SR0061 d. d. 3 april 2023 bijlage 9) is onderzocht of de buisleiding een belemmering vormt voor het initiatief. Tevens is bepaald welke effecten het plan heeft op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleiding. ,

,

De berekeningen hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. Uit de berekening blijkt dat voor de buisleiding geen PR10-6-risicocontour wordt berekend ter hoogte van het plangebied. Er kan worden geconcludeerd dat het plangebied niet gelegen is binnen een plaatsgebonden 10-6risicocontour van een buisleiding. Verder blijkt uit de berekeningen dat de planlocatie binnen de 1% letaliteitsafstand voor externe veiligheid van de genoemde buisleiding ligt zodat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleidingen dient te worden bepaald. Uit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied zeer laag is ,

en

dat de planvorming

geen

rekenkundige invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico.

Dit is onderzocht in het rapport ‘Externe veiligheid weg’ (Kragten SR0061 d. d. 3 april 2023 bijlage 7). Voor wat betreft het transport door buisleidingen is in onderhavige situatie sprake van een beperkte verantwoordingsplicht ,

van voor

,

,

het groepsrisico. Voor de buisleiding geldt dat de oriëntatiewaarde van de hoogte van het groepsrisico zowel als na de planrealisatie zeer laag is zelfs lager dan 01 maal de oriëntatiewaarde. De realisatie van het plan ,

,

leidt niet tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico van de buisleiding. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol. Een belangrijke bronmaatregel weerszijden weerszijden van

van van

om

het risico te verkleinen is een aanlegvergunningstelsel

voor een

strook aan

de aardgastransportleiding met een bouwverbod binnen de belemmeringsstrook van 5 m aan de leiding. Tot slot wordt geadviseerd om eventuele grondwerkzaamheden op minder dan 20 m ,

de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder uit te laten voeren. Door deze maatregelen wordt het

groepsrisico verder gereduceerd. Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat het zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand

pagina 42 van 51

bebouwing tot de aardgasleiding zijn er scenario’s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot. Personen die aanwezig zijn binnen de 100% letaliteitsgrens komen te overlijden. Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid van

,

,

het gebied dat buiten de 100% letaliteitsgrens valt groter. Het plangebied ligt deels binnen de 1% letaliteitsgrens en volledig buiten de 100% letaliteitsgrens waardoor zelfredzaamheid goed mogelijk is. Vluchten kan dan alleen maar via een route buiten het ‘zicht’ van de fakkel. Vluchtroutes moeten personen direct van de voor

,

calamiteit wegleiden. Hierin is voorzien ook in de taal van de bewoners. ,

Advies In de hierboven beschreven notities van Kragten zijn bovengenoemde elementen met betrekking tot de A20 en de buisleiding aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico. De gemeente Zuidplas heeft in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij ,

de Veiligheidsregio Hollands Midden (advies kenmerk D2023-04-002865 d. d. 25 april 2023). Het advies is als bijlage bij het rapport ‘Verantwoording hoogte groepsrisico’ (bijlage 8) gevoegd. Op basis van de ingediende ,

documenten concludeert de Veiligheidsregio dat er ten aanzien van de fysieke veiligheid geen aandachtspunten zijn. Specifiek voor de hogedrukaardgasleiding A-803-01 (fakkelbrand) en de Rijksweg A20 (BLEVE/Toxische wolk) blijkt uit de berekeningen dat het groepsrisico kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Om die reden en vanwege de gunstige mogelijkheden om afstand te nemen van de risicobronnen zijn geen verdere maatregelen in ,

,

het kader van de ruimtelijke ordening benodigd. De huidige situatie veranderd hier niets aan en dit advies is nog steeds van kracht. Conclusie Gezien het bovenstaande kan worden aangenomen dat het aspect omgevingsveiligheid voor

7. 10

geen

belemmering vormt

de beoogde ontwikkeling.

Natuur

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De

,

Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld. Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht

op

alleen behoud

habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen.

pagina 43 van 51

,

of dat ook herstel moet worden nagestreefd

om een

In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden natuurontwikkelingsgebieden ,

en

verbindingszones

,

heeft ook ten doel om de

en

structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht bescherming de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

op

de

,

▪

aanwezige dier- en plantensoorten ;

▪

typen natuurlijke habitats ;

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in ,

twee groepen verdeeld: ▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn ;

▪

andere soorten bijvoorbeeld uit de Rode Lijst. ,

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De ,

specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat ,

indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are. ,

,

Planspecifiek Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is ‘Nieuwkoopse Plassen & De Haeck’ op een afstand van ca. 18 km tot het plangebied. Een ontwikkeling mag geen nadelige effecten hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Ten behoeve van de realisatie van de opvanglocatie zijn reeds Aeriusberekeningen uitgevoerd (Buro SRO d. d. 20 juni 2023 bijlage 10). Uit de berekeningen blijkt dat er zowel voor de gebruiksfase als voor de bouwfase geen ,

,

rekenresultaten hoger dan 000 mol/ha/j voor de Natura 2000-gebieden zijn. Er kan daarom worden aangenomen dat het aspect gebiedsbescherming geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling. Het uitvoeren van ,

een

nieuwe berekening is niet doelmatig.

pagina 44 van 51

Soortenbescherming Er is voor de realisatie van de opvanglocatie reeds een Quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie 20230314 d. d. 31 maart 2023 revisie d. d. 26 mei 2023 bijlage 11). Uit dat onderzoek bleek dat de ruimtelijke ingreep ,

,

niet

,

leidde

tot overtreding

,

van

verbodsbepalingen

omtrent

soortenbescherming

,

gebiedsbescherming

en

houtopstanden. Wel diende tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (algemene zorgplicht). De genoemde quickscan is nog onder de oude wetgeving uitgevoerd en formeel gezien verouderd. Echter gaat het beoogde plan niet gepaard met nieuwe werkzaamheden die mogelijk nadelig zijn voor beschermde planten- en dierensoorten aangezien het slechts de verlenging van een bestaande opvanglocatie betreft. Er wordt geen ,

bebouwing en/of beplanting verwijderd en het terrein wordt niet heringedeeld. Derhalve is het niet doelmatig om een nieuwe quickscan uit te voeren. Er kan worden aangenomen dat het aspect soortenbescherming geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Houtopstanden Er zullen in het kader van het plan geen houtopstanden geveld worden. Conclusie Er kan gezien het bovenstaande worden geconcludeerd dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

7. 11

Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e. a. ) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5. 37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5. 1. 3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen ,

,

betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De ,

grenzen van

beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. grenzen van

pagina 45 van 51

Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige ,

generaties veilig en leefbaar te houden

en de

kansen die water biedt te benutten.

Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 In het regionaal waterprogramma van de provincie Zuid-Holland worden de beleidskeuzes uiteengezet en uitgewerkt. De volgende beleidskeuzes worden behandeld:

op het gebied van

1. 2.

Waterveiligheid: duurzaam en toekomstbestendig waterveiligheidsbeleid ; Mooi en schoon water: goede kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater ;

3. 4.

Bodemdaling: beperken maatschappelijke kosten door bodemdaling ; Waterrecreatie: behoud en versterking van de sportieve en recreatieve belevingswaarde

5.

water en erfgoed ; Vaarwegen: goed functionerende provinciale infrastructuur.

van

water

landschap

,

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Op 26 januari 2022 heeft het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In het Waterbeheerprogramma staan de ambities van het hoogheemraadschap voor de komende jaren. Er zijn drie thema’s die samen de kern van het programma vormen: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat ; 2. 3.

Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen ; Water en waterschap als onderdeel van de samenleving.

Waterschapsverordening Binnen het gebied van verhardingstoename

het

van meer

Hoogheemraadschap

van

Schieland

en

de

Krimpenerwaard

dient

een

dan 500 m 2 gecompenseerd te worden.

Planspecifiek Watercompensatie De hoeveelheid verharding zal in het kader van voorliggende bebouwing niet toenemen. Watercompensatie is daarmee niet aan de orde. Dit is lijn met de vorige verleende tijdelijke omgevingsvergunning. Waterafvoer Afvalwater wordt reeds afgevoerd via de bestaande riolering. Dat zal in de nieuwe situatie ook het geval zijn. Waterkeringen Op de legger van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard is te zien dat er geen waterkering over en/of nabij de planlocatie loopt.

pagina 46 van 51

Oppervlaktewater Er bevindt zich oppervlaktewater aangetast worden.

de westzijde van de planlocatie. Deze zal in het kader van het plan niet

aan

Conclusie Er kan gezien het bovenstaande worden geconcludeerd dat het aspect water geen belemmering vormt voor het plan.

7. 12

Mer-beoordeling

De milieueffectrapportage (MER) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een MER is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (MER) is opgenomen in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34 tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma als bedoeld in artikel 2 onder a van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling) in ieder geval een ,

,

,

,

,

omgevingsvisie een programma een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing wordt verstaan. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB,

,

richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet

onderscheid

gemaakt tussen een formele en vormvrije merbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2 dan is er een mergeen

meer

,

plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3 dan is er een mer-beoordelingsplicht. ,

Een mer-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen. ▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage benodigd is.

De initiatiefnemer

van een

mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen

aan

het

bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11. 10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. ,

Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de mer-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1. 2.

de kenmerken van het project ; de plaats van het project ;

3.

de kenmerken van de potentiële effecten.

pagina 47 van 51

Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval waarbij ,

onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dienen verschillende zaken ,

afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten

om

het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject

te merken:

aan

▪

De planlocatie ligt in een stedelijke omgeving ;

▪

Het plan is van beperkte omvang ;

▪

Het plan is van tijdelijke aard.

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit blijkt mede door de diverse paragrafen uit dit hoofdstuk waaruit tevens blijkt dat er geen nadelige gevolgen zijn voor het milieu. Dit betekent ,

dat er geen mer-(beoordelings)plicht geldt.

pagina 48 van 51

8 Het

Financiële haalbaarheid kostenverhaal

is het door

de overheid verhalen

kosten

initiatiefnemer. Het

gaat over overheidskosten voor werken werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is van

op

een

,

het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse ,

omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd

kan voorschriften verbinden aan een vergunning

gezag

betrekking hebben

op het gebied waar

voor een

BOPA. Deze voorschriften mogen

de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling.

De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen

,

maar

wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Als er geen overeenkomst is gesloten moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal in dat geval publiekrechtelijk. Dat kan de gemeente doen door ,

kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer

omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt zijn artikel 4. 5 hoofdstuk 15 (artikel 15. 1 eerste lid onder k van de Omgevingswet) van toepassing en dient een een

Awb en overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden. Planspecifiek

De gemeente is eigenaar van de grond en is zelf initiatiefnemer zonder winstoogmerk. De gemeente ontvangt vanuit het Rijk een vast bedrag per nacht per bewoner. Er zijn dus geen externe partijen waarop eventuele kosten kunnen worden verhaald. Een overeenkomst of opnemen van regels voor kostenverhaal in het omgevingsplan is daarom niet noodzakelijk. Het plan is economisch uitvoerbaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17093119/1