Bijlage 2 Bestemmingsplan Zevenhuizen Zuid - Fase 6 - toelichting A21.000025
Tekst van het document
Dit houdt in dat aanwezige hellingen afgevlakt dienen te worden tot een hellingshoek van maximaal 1:3. Rugstreeppad Op basis van de verspreidingsgegevens en de aanwezigheid van ondiepe poelen en geschikt landhabitat is de aanwezigheid van rugstreeppad binnen het plangebied niet uitgesloten. Een nader onderzoek naar de aanwezigheid van rugstreeppad dient het effect van de voorgenomen ingreep inzichtelijk te maken. Hierbij worden aantallen en de gebruiksfunctie van het plangebied in kaart gebracht. Conclusie Er dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het voorkomen van de rugstreeppad in het plangebied. Voor het overige voldoet onderhavig initiatief aan de vereisten ten aanzien van soortenbescherming. In juli 2020 is het aanvullend onderzoek naar de rugstreeppad uitgevoerd. Uit het aanvullend onderzoek komt naar voren dat in het gebied geen rugstreeppadden voorkomen daar binnen het plangebied geen landhabitiat en/of voorplantingswater voorkomt. Het rapport is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Conclusie De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor de soortenbescherming Natuurbeschermingswet.
Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
31
zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. Voor beide fases is daarom een Voortoets stikstof uitgevoerd. Het rapport daarvan is als bijlage 6 opgenomen bij deze toelichting. Conclusie Zowel tijdens de aanlegfase als tijdens de gebruiksfase zijn de berekende stikstofemissies niet zodanig dat er significante negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden. 4.6
Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: ▪ de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); ▪ de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; ▪ functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
33
Beoordeling De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet in de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Het toetsen van de voorgenomen ontwikkeling aan wegverkeerslawaai is relevant. Aan de hand van de rekenresultaten kan vastgesteld worden wat de kwaliteit is van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de onderzoekslocatie. De berekening is uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Voor het akoestisch onderzoek met de rekenresultaten wordt verwezen naar bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de N219 en de Knibbelweg ten hoogste respectievelijk 53 dB en 30 dB wordt berekend (inclusief correctie art 110g Wgh). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee voor de N219 overschreden. De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting op grond van het gemeentelijk beleid is 53 dB wordt en deze wordt niet overschreden. In het kader van de eerdere fasen van plangebied Zuidplas is reeds vastgesteld dat aan de N219 geluidafscherming wordt gerealiseerd in de vorm van een aarden wal (met geluidsscherm, totale hoogte 4,0 meter) en een geluidsscherm (hoogte 3,0 meter). Het treffen van andere geluidreducerende maatregelen is vanuit financieel, stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt niet als reële maatregel te stellen.
Uit het onderzoek blijkt tevens dat aan het hogere waardenbeleid van de gemeente Zuidplas kan worden voldaan. Het bevoegd gezag dient voor de woningen waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden de hogere waarden te verlenen. In het kader van de goede ruimtelijke ordening blijkt dat nagenoeg alle woningen een geluidsbelasting ondervinden die varieert tussen de 37 – 55 dB. Deze belasting is te kwalificeren als een goed tot redelijk woon- en leefklimaat. Voor in totaal 18 woningen in het plangebied blijkt dat op een hoogte van 7,5 meter een geluidbelasting van 56 dB berekend. Dit vertaald zich als een matig woon- en leefklimaat. Een acceptabel woon- en leefklimaat kan gerealiseerd worden door het aanbrengen van een goede geluidsisolatie waarmee een binnenniveau wordt gerealiseerd van ten hoogste 33 dB (Bouwbesluit 2012). Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat aan het hogere waardenbeleid van de gemeente Zuidplas kan worden voldaan bij het realiseren van een geluidwerende voorziening langs de N219. In de regels is gewaarborgd dat de geluidwerende voorziening gerealiseerd wordt. Het besluit tot het verlenen van de hogere grenswaarde is als bijlage bij de regels gevoegd. 4.7
Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een
34
Gemeente Zuidplas
bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). De VNG-brochure onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Beoordeling Het plangebied is aan te merken als een rustige woonwijk/rustig buitengebied. Onderhavig uitwerkingsplan maakt toevoeging van woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van deze functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichtingen. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In de omgeving is geen bedrijvigheid toegestaan waarvan de richtafstanden over de woonbestemmingen van het onderhavig bestemmingsplan vallen. Langs de Zuidplasweg, de Knibbelweg en de Bierhoogweg is kleinschalige bedrijvigheid met woningen toegestaan. Bedrijvigheid is toegestaan tot maximaal categorie 2 inrichtingen.
Voor dergelijke bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter tot aan gevoelige functies. De dichtstbijzijnde afstand van een nieuwe bestemming wonen tot aan deze bedrijvigheid bedraagt circa 120 meter (meest zuidelijke woonbestemming tot aan de Bierthoogweg. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.
4.8
Externe veiligheid 4.8.1
Inrichtingen en externe veiligheid
Toetsingskader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico’s op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico’s. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico’s zoveel mogelijk beperkt. Plaatsgebonden risico (PR) Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte
Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
35
van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10 -6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd. Groepsrisico (GR) Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedgebied. Binnen dit invloedgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De uitkomst van dit onderzoek geeft de hoogte van het GR weer en wordt uitgedrukt in een curve, waarbij als norm voor het GR een oriënterende waarde is vastgesteld. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.
Uitsnede Risicokaart met indicatief deelgebied 6 binnen de rode contour.
Beoordeling In de nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen gelegen die vallen onder het Bevi. In de omgeving van het plangebied zijn alleen drie propaantanks van 3 m3 gelegen. Deze propaantanks zijn op dermate grote afstand gelegen dat het geen beperkingen oplevert voor de voorgenomen ontwikkeling.
36
Gemeente Zuidplas
Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.8.2
Transport en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Uit het Bevt volgt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan basisnetafstanden volgend uit het Bevt in acht moeten worden genomen ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten en daarmee rekening wordt gehouden bij nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten.
Ten zuidoosten van het plangebied is de N219 gelegen (zie afbeelding). Op grotere afstand (2.400 meter) ten noorden van het plangebied is de A12 gelegen. Voor de A12 geldt dat gezien de afstand alleen het transport van giftige stoffen relevant zou kunnen zijn. Uit de tellingen die zijn uitgevoerd in het kader van het basisnet weg blijkt dat over dit deel van de A12 alleen gaat om beperkte hoeveelheden vloeibare giftige stoffen (stof categorieën LT1 en LT2). Het grootste invloedsgebied (LT2) is 880 meter (tabel 4-2, Handleiding Risicoanalyse Transport, RIVM). Het plangebied is dus buiten het invloedsgebied van de A12 gelegen. Het plangebied is binnen het invloedsgebied van de N219 gelegen. Zoals in het Bevt is aangegeven moet bij plannen binnen 200 meter van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd het groepsrisico worden beschouwd. In het kader van het moederplan “Zuidplas-West” is deze risicoberekening reeds uitgevoerd. Het plangebied is geheel binnen 200 meter van de N219 gelegen. Zoals in het Bevt is aangegeven moet bij plannen binnen 200 meter van een weg waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd het groepsrisico worden beschouwd. De vigerende bestemmingsplannen zijn ‘Zuidplas West’ en ‘Zevenhuizen-Zuid, fase 4 en 5’. In het kader van deze bestemmingsplannen zijn risicoberekeningen uitgevoerd in verband met het transport van gevaarlijke stoffen over de N219.
In deze berekeningen is reeds rekening gehouden met de ontwikkeling van Zevenhuizen Zuid. Uit deze berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour 10-6 buiten de weg zelf. Wat betreft het groepsrisico (inclusief de ontwikkelingen) geldt voor alle wegen in het gebied dat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Er is geen reden om aan te Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
37
nemen dat het transport de afgelopen jaren is toegenomen. Bovendien is het tankstation aan de Swanlaweg in Zevenhuizen gestopt met de verkoop van LPG (vergunning voor verkoop LPG is in de zomer van 2017 ingetrokken). Dat zorgt dus voor een vermindering van het aantal transporten LPG over de N219. Omdat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde moet er volgens het Bevt in de toelichting van het plan alleen worden ingegaan op: • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg, en • De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid). Provinciaal groepsrisicobeleid De provincie Zuid-Holland heeft een ’Beleidsregel groepsrisico en ruimtelijke ordening’ (Provinciaal Blad, nr. 168, 14 januari 2015) vastgesteld. De hoogte van het groepsrisico speelt in deze beleidsregel een belangrijke rol. Het beleid is met name erop gericht om te voorkomen dat door ruimtelijke ontwikkelingen het groepsrisico toeneemt en in de eindsituatie boven de oriëntatiewaarde ligt (of als er aanleiding is om dat te verwachten). Voor het dit plan is er geen sprake van een groepsrisico boven de oriëntatiewaarde. Het plan voldoet op dit punt dus aan het provinciaal groepsrisicobeleid.
Daarnaast heeft de provincie Zuid-Holland in haar beleidsregel aangegeven dat ‘bereikbaarheid’ en ‘bluswatervoorzieningen’ (voor de hulpdiensten) en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid minimaal op orde moeten zijn om het groepsrisico bij ruimtelijk plannen te kunnen verantwoorden. De gemeente zal zorgdragen voor de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen en dus wordt voldaan aan het provinciaal groepsrisicobeleid. Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Zuidplas hebben kennis genomen van de situatie rond externe veiligheid en achten het groepsrisico aanvaardbaar In het kader van deze punten wordt de Veiligheidsregio Hollands Midden in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen (verplichting vanuit art. 9 Bevt). Conclusie Concluderend vormt het aspect transport geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. 4.8.3
Buisleidingen en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6
38
Gemeente Zuidplas
contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Uit het Bevb volgt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan basisnetafstanden volgend uit het Bevb in acht moeten worden genomen ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten en daarmee rekening wordt gehouden bij nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. Aan de westzijde van het plangebied is een hogedruk aardgasleiding gelegen. Het plangebied is buiten de 100% letaalzone van de gasleiding gelegen, maar wel binnen het invloedsgebied. De toekomstige bebouwing is buiten het invloedsgebied gelegen. Deze gasleiding vormt dan ook geen belemmering voor het plangebied. Conclusie Concluderend vormt het aspect buisleidingen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen of buisleidingen gelegen, die in het kader van externe veiligheid een beperking vormen voor het plangebied.
4.9
Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programmaaanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
39
Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; ▪ een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; ▪ een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1 a. Regionale transportleidingen in het kader van de watervoorziening; b. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; 1
'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).
40
Gemeente Zuidplas
c.
buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; e. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; f. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied is één planologisch relevante leiding aanwezig bestaande uit de transportleiding voor rivierwater van leidingenbeheerder DUNEA. Ter bescherming van een goed functioneren van deze leiding, wordt zij met onderhavig bestemmingsplan opnieuw van een dubbelbestemming en een bijbehorende vergunningsplicht voorzien. Overige kabels en leidingen behoeven geen planologische regeling. Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Ten behoeve van de bouwwerkzaamheden kan in een later stadium zekerheidshalve een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.11 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. 2. 3.
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; Plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
2
Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
41
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van 52 woningen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: • een oppervlakte van 100 hectare of meer; • een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het plan omvat de realisatie van een woongebied met 52 woningen en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden.
Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. De onderhavige vormvrije m.e.r.-beoordeling is tevens opgenomen in de op 18 februari 2020 door het bevoegd gezag beoordeelde aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. Besloten is dat de noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapportage ontbreekt. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.
42
Gemeente Zuidplas
Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening ZuidHolland. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
43
44
Gemeente Zuidplas
5
JURIDISCHE PLANTOELICHTING
5.1
Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het wijzigingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2
Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het plan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het moederplan “Zuidplas-West” uit 2009.en eerder vastgestelde uitwerkingsplannen voor de fasen 3, 4, 5 en 7.. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels bepalen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
5.3
Regels 5.3.1
Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’
Artikel 1 ‘Begrippen’ In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het wijzigingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
45
Artikel 2 ‘Wijze van meten’ In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
5.3.2
Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’
Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving; • bouwregels; • nadere eisen; • afwijken van de bouwregels; • specifieke gebruiksregels; • afwijken van de gebruiksregels; • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; • wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 Groen De bestemming “Groen” is opgenomen voor de groengebieden en bermen in het plangebied. Binnen de groenbestemming is de geluidswal geregeld die nodig is om een aanvaardbaar akoestisch milieu te creëren. Verder zijn slechts beperkte bouwmogelijkheden binnen deze bestemming. Binnen deze bestemming zijn enkel speel- en parkeervoorzieningen en fiets- en voetpaden toegestaan. Artikel 4 Tuin Aan de voorzijde van de woning Bierhoogtweg 1 is de bestemming tuin opgenomen. Hier is geen erfbebouwing toegestaan, zodat de beeldkwaliteit langs de voorzijde geborgd is. De regeling is conform de vigerende bestemmingsregeling. Artikel 5 Verkeer – Wegverkeer 3 De woonstraten in het plangebied hebben de specifieke verkeersbestemming ‘Verkeer – Wegverkeer 3” gekregen.
Binnen de bestemming zijn onder meer wegen met een verblijfsfunctie, voet- en fietspaden, speel- en parkeervoorzieningen toegestaan. Artikel 6 Water Voor de nog te realiseren watergangen binnen het plangebied is de bestemming “Water” opgenomen. Binnen de bestemming zijn, naast watergangen en waterhuishoudkundige voorzieningen, onder meer bermen en groenvoorzieningen alsmede bruggen, dammen en duikers toegestaan.
46
Gemeente Zuidplas
Artikel 7 Wonen Binnen de bestemming “Wonen” is wonen toegestaan, evenals aan huis gebonden beroepen. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het aangegeven bouwvlak. Indien er een gevellijn is aangegeven, moeten de woningen in of maximaal 5 meter uit die gevellijn worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte van de woningen bedragen 7 respectievelijk 11 meter. Ook is het toegestaan, bijbehorende bouwwerken zoals uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen te bouwen, mits voldaan wordt aan de daaraan gestelde voorwaarden in de regels van dit bestemmingsplan. Verder is in de woonbestemming opgenomen dat het gedeelte van het perceel voor de voorgevel na het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning aangemerkt wordt als de bestemming “Tuin”, zoals deze is opgenomen in dit bestemmingsplan. Artikel 8 Wonen - 1 De bestemming is opgenomen voor de woning Bierhoogtweg 1. Deze bestemming is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Artikel 9 Leiding - Rivierwatertransport (dubbelbestemming) Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de in het plangebied gelegen leiding. Zij dient schade te voorkómen, die door werkzaamheden in de ‘beschermingszone’ van deze leiding kan ontstaan. Bij werkzaamheden die de bodem en het functioneren van de leiding (kunnen) verstoren is een omgevingsvergunning nodig.
Artikel 10 Waarde – Archeologie – 3 (dubbelbestemming) Ter bescherming van de mogelijk in het plangebied aanwezige archeologische waarden is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie - 3’ opgenomen. Bij een verstoring met een oppervlakte groter dan 1.000 m² en bodemingrepen (inclusief heien) dieper dan 3 m is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
5.3.3
Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’
Artikel 11 ‘Anti-dubbeltelregel’ In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Artikel 12 ‘Algemene bouwregels’ In dit artikel is het paraplubestemmingsplan “Parapluherziening parkeren” (vastgesteld op 24 april 2018) overgenomen. Daarnaast is een regeling opgenomen ten aanzien van de overschrijding van aanduidingsgrenzen, bouwgrenzen dan wel bestemmingsgrenzen door ondergeschikte bouwonderdelen. Ten slotte is geregeld dat bepaalde bouwwerken met afwijkende maten zijn toegelaten. Artikel 13 ‘Algemene afwijkingsregels’ In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van de bestemmingsregels en onderliggende bouwregels op het gebied van onder
Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
47
andere afwijkingen in maatvoering en overschrijding van bebouwingsgrenzen door meetverschillen. Artikel 14 ‘Algemene wijzigingsregels’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd overeenkomstige het bepaalde in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening, het plan te wijzigen ten behoeve van overschrijdingen van bouw- en bestemmingsgrenzen. Artikel 15 ‘Overige regels’ In dit artikel is een regeling opgenomen waarin de voorwaarden voor het bouwen van zwembaden zijn opgenomen. Ook is een regeling opgenomen ten aanzien van het uitvoeren ondergrondse werken. Ten slotte is een regeling opgenomen over de werking van de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen: deze gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. 5.3.4
Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’
Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 16 ‘Overgangsrecht’ In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. Artikel 17 ‘Slotregel’ Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van de regels van het onderhavige bestemmingsplan.
48
Gemeente Zuidplas
6
UITVOERBAARHEID
6.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het wijzigingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de toelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Voor de ontwikkeling van Zevenhuizen-Zuid heeft de gemeente een overeenkomst gesloten met de gebiedsontwikkelingsmaatschappij Zuidplaspolder (een combinatie van AM, Amvest, ASR, Heijmans en Woonbron), Synchroon en Thunnissen. Per deelgebied sluiten deze partijen een deelovereenkomst, welke is aan te merken als een anterieure overeenkomst in de zin van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Daarmee is het kostenverhaal voor die gronden anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet benodigd.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient voorafgaand aan een procedure van onder meer een bestemmingsplan waarin een ruimtelijke ontwikkeling wordt gefaciliteerd, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Deze vooraankondiging is gepubliceerd in Hart van Holland. Inspraak De gemeente kan op basis van haar gemeentelijke inspraakverordening beslissen een bestemmingsplan voor inspraak vrij te geven. Het voorliggende bestemmingsplan betreft een nadere invulling van het geldende bestemmingsplan “Zuidplas West”. Inspraak heeft in het kader van dat plan reeds plaatsgevonden. Bovendien wordt in de procedure van dit bestemmingsplan bij de ontwerpfase opnieuw de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Besloten is derhalve om in dit geval geen inspraakprocedure te voeren. Overleg Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan of aanverwant ruimtelijk plan overleg plegen met de wettelijke overlegpartners. In dat kader is hen het ontwerpbestemmingsplan voor
Bestemmingsplan “Zevenhuizen – Zuid, fase 6”
49
advies toegezonden en zijn in de periode 5 november tot en met 16 december 2020 drie overlegreacties ontvangen, waarvan één mondeling. Het betreft reacties van: • het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard (HHSK) • Leidingenbeheerder Tennet • Veligheidsregio Midden-Holland. Van deze overlegreacties heeft alleen de reactie van HHSK aanleiding gegeven tot een beperkte wijziging van de planstukken. De wijzigingen hebben tot gevolg dat: • HHSK geconsulteerd dient te worden indien in de beschermingszone van een hoofwatergang vergunningsplichtige werkzaamheden worden uitgevoerd of de realisatie van een bouwwerk wordt gepland en • overbodige planregels m.b.t. de zogenaamde “overbreedte in watergangen” uit de planregels worden verwijderd; dit op grond van een beleidswijziging van de waterbeheerders. Zienswijzen Conform artikel 3.9a van de Wro juncto afdeling Awb heeft in de periode 5 november tot en met 16 december 2020 de zienswijzenprocedure voor onderhavige planstukken plaatsgevonden. Gedurende deze periode werd een ieder in de gelegenheid gesteld, voor de ter inzage liggende stukken een zienswijzen kenbaar te maken. In genoemde periode is één zienswijze van waterleidingbeheerder DUNEA ontvangen. Zij had betrekking op het ontbreken van een dubbelbestemming voor een bestaande transportleiding voor rivierwater in de ontwerpplanstukken voor onderhavig plan.
De dubbelbestemming is (alsnog) in de planregels en verbeelding verwerkt. De ingebrachte overlegreacties en zienswijze zijn samengevat en beoordeeld in de ‘Nota van beantwoording zienswijzen en overlegreacties (en wijziging)’; zie bijlage 9 van deze toelichting. Voor nadere details over de afwegingen m.b.t. de ontvangen reacties wordt hier kortheidshalve naar deze nota verwezen.
50
Gemeente Zuidplas