CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Bijlage 7 MER Deelrapport Natuur A24.001859

Gemeenteraad 28 januari 2025, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv gewijzigd vaststellen CHW bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 228.636 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De toenames vinden namelijk plaats vanaf het punt waarop de 25 km-grens ligt van de bedrijven waarmee intern is gesaldeerd. Omdat de 25 km-grens van de bron als gevolg waarvan stikstofdepositie plaatsvindt (in dit geval autoverkeer buiten het plangebied) verder reikt dan de 25 km-grens van de salderingsbedrijven, ontstaat in dat tussenliggende gebied een rekenkundige toename. Door BIJ12 is een handreiking opgesteld hoe een randeffect geïnterpreteerd moet worden en wanneer gesteld kan worden dat er bij een randeffect geen negatief effect optreedt, zie hieronder.

A. als uit analyse van de hexagonen waar alle bronnen zijn meegenomen blijkt dat de berekende depositiebijdrage overal gelijk blijft of een afname vertoont; en B. eventuele berekende toenames alleen voorkomen op hexagonen waar (door analyse via AERIUS of bijvoorbeeld GIS) blijkt dat sprake is van randeffecten intern salderen; en C. sprake is van een gelijk blijven of afname van de totale stikstofemissies; D. I. dan kunnen toenames op de hexagonen, waarbij sprake is van een randeffect intern salderen, bij voorbaat worden uitgesloten omdat in de zone van overlap van hexagonen overal een afname of gelijk blijven van depositie te zien is; II. er is dan geen sprake van ecologische effecten en een passende beoordeling van deze berekende depositietoename of een mitigerende maatregel is dan niet nodig. Het hier beschreven uitvoeringskader geldt alleen voor de agrarische sector in die uitzonderingssituaties die voldoen aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor intern salderen.

Samenvattend ontstaat er door het planvoornemen geen aantasting van Natura 2000-gebieden. Ook indirecte effecten zullen niet optreden. Uit de AERIUSberekening blijkt dat er geen kwalitatieve aantasting optreedt als gevolg van

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

36/93

stikstofdepositie. Er zal zelfs sprake zijn van een beperkte afname van stikstofdepositie. De afname is echter zo gering dat dit niet zal leiden tot een meetbare/aantoonbare kwalitatieve versterking. Om die reden is het basisalternatief neutraal beoordeeld voor wat betreft effecten op Natura 2000gebieden (effectbeoordeling: 0). Tabel 4.1 | Beoordeling basisalternatief Aspectnaam Natura 2000-gebieden

4.2.2

Basisalternatief 0

Effecten alternatieven

In tabel 4.2 is weergegeven of een alternatief voor het aspect beschermde gebieden leidt tot een andere beoordeling. De kolom ‘Basisalternatief’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de kolommen daarna zijn de alternatieven naast elkaar gezet. Met roze is aangegeven welke alternatieven tot een andere beoordeling leiden. In de navolgende subparagrafen wordt dit nader toegelicht. Tabel 4.2 | Beoordeling alternatieven (Roze = beoordeling verandert t.o.v. beoordeling basisalternatief) Aspectnaam invullen Natura 2000gebieden

Basis

Klimaatrobuust

0

0

Duurzame mobiliteit 0

Circulair/ energie 0

GroenBlauw 0

Alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ Het alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op Natura 2000-gebieden. Als gevolg van dit alternatief zullen geen effecten optreden op Natura 2000-gebieden (effectbeoordeling: 0). Alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ Het alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op Natura 2000-gebieden. In dit alternatief is sprake van een modal shift van 15% (10% meer in vergelijking met het basisalternatief). Dit leidt tot een beperktere toename aan verkeersbeweging en daarmee tot beperkt minder stikstofdepositie. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat leidt tot lagere deposities. Omdat het basisalternatief reeds geen effect had op het gebied van stikstofdepositie, geldt dat ook voor het alternatief ‘Duurzame mobiliteit’. Als gevolg van dit alternatief zullen geen effecten optreden op Natura 2000-gebieden (effectbeoordeling: 0). Alternatief ‘Circulair / duurzame energie’ Het alternatief ‘Circulair / duurzame energie’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op Natura 2000-gebieden. Als gevolg van dit alternatief zullen geen effecten optreden op Natura 2000-gebieden (effectbeoordeling: 0).

Alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ Het alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op Natura 2000-gebieden. Als gevolg van dit alternatief zullen geen effecten optreden op Natura 2000-gebieden (effectbeoordeling: 0).

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

37/93

4.3 Provinciaal beschermde gebieden 4.3.1

Basisalternatief

In het plangebied is een gebied aanwezig dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN, namelijk de Groene Waterparel). Tevens is in het plangebied een gebied aanwezig dat is aangewezen als ecologische verbindingszone (EVZ), zie onderstaand figuur.

Figuur 4.1 | Gerealiseerde EVZ (groene lijn) en te realiseren NNN en EVZ (rode gebied en rode lijn).

Ten noorden van het plangebied is de EVZ al gerealiseerd met natuurtype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Op de ambitiekaart van het ontwerp natuurbeheerplan 2023 zijn de gebieden aangewezen als ‘Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)’. In de (herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland (Van Donselaar, 2017) zijn voor de nog te ontwikkelen EVZ de volgende natuurdoeltypen opgenomen: N05.01 Moeras, N10.01 Nat schraalland, N201.02 Vochtig hooiland, N04.02 Zoete plas en N12.06 Ruigteveld. Gezien de voorgenomen planontwikkeling in relatie tot de aanwezige provinciaal beschermde gebieden zijn effecten niet uit te sluiten. Het NNN-gebied in de Groene Waterparel is door de bijzondere bodemopbouw en hydrologie een bijzondere flora aanwezig die door een veranderende hydrologie als gevolg van het plan kan verdwijnen. Van fysieke aantasting van de Groene Waterparel is geen sprake. In het basisalternatief is het gehele gebied van de Groene Waterparel namelijk aangewezen als natuurontwikkelingsgebied. In de Groene Waterparel, gelegen in de Zuidplaspolder (Zuid-Holland), doet zich een bijzonder fenomeen voor. Terwijl de gemiddelde ‘boerensloot’ wordt gekenmerkt door voedselrijk en gebufferd water, zijn hier boerensloten waarin

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

38/93

plantensoorten uit de Oeverkruid-klasse (Littorelletea) dominant aanwezig zijn; soorten die kenmerkend zijn voor voedselarm en zuur tot zwak gebufferd water. Het geheim is de aanwezigheid van katteklei in de bodems. Door biogeochemische bodemprocessen en een gunstige hydrologie ontstaan in bepaalde sloten de juiste condities voor deze soorten. Nederland heeft slechts een relatief klein oppervlak aan gemeenschappen en soorten van de Oeverkruid-klasse, maar vanwege de centrale ligging een grote internationale verantwoordelijkheid voor de instandhouding. In de Groene Waterparel zijn de condities uitermate gunstig voor doelsoorten van de Oeverkruid-klasse omdat de sloten over een relatief groot deel van het jaar behoorlijk geïsoleerd zijn en er aanvoer van zuur water uit de percelen plaatsvindt. Omdat de waterbodems in tegenstelling tot het oppervlaktewater - jaarrond gebufferd zijn, blijft het oppervlaktewater alleen zuur zolang er toestroom vanuit de percelen plaatsvindt. De onderliggende biogeochemische processen kunnen echter snel worden verstoord en de plaatselijke hydrologie (mate van uitspoeling van grondwater en mate van isolatie/waterinlaat) is hierin sturend. Voor deze kwetsbare delen van de Groene Waterparel is het dus zaak de hydrologie in stand te houden en niet zomaar te wijzigen.

Verder wordt onderzocht of er inrichtingsmaatregelen mogelijk zijn die de onderliggende biogeochemische processen niet verstoren maar juist verder versterken, zodat uitbreiding van de doelsoorten van de Oeverkruidklasse kan worden gerealiseerd. Een maatregel als het vasthouden van water in het gebied door de slootpeilen hoog op te zetten zou een averechts effect hebben, omdat hierdoor ook de uitspoeling van zuur grondwater uit de percelen afneemt. Hetzelfde geldt voor een eventuele maaiveldverlaging ten behoeve van natuurontwikkeling (B-Ware, 2020). Vanuit provinciaal beleid is externe werking niet van toepassing op NNNgebieden. Hoewel vanuit provinciaal beleid negatieve effecten niet verder onderzocht hoeven te worden, zijn effecten vanuit ecologisch oogpunt door externe werking niet uit te sluiten. Er zal naar verwachting een toename zijn van verstoring door licht, geluid en recreanten in het natuurgebied. Effecten zijn te verminderen (mitigeren) door het NNN-gebied dusdanig in te richten met wandelpaden e.d. dat recreanten door de minst verstoringsgevoelige gebieden worden geleid. Op deze manier worden effecten door verstoring van geluid en recreanten verminderd. Soorten die in de het NNN-gebied en de EVZ voor kunnen komen zijn dagvlinders, andere insecten, reptielen zoals ringslang, vogels zoals en kleine zoogdieren zoals hermelijn en wezel.

Ondanks dat de EVZ nog niet is ontwikkeld, moet deze worden beschouwd als een autonome ontwikkeling en daarmee als referentiesituatie. De EVZ komt vanaf het zuiden, buigt af naar de Groene Waterparel en loopt vervolgens dwars door het plangebied en passeert het gebied waar het Vijfde Dorp wordt gerealiseerd. De EVZ ligt in het basisalternatief in een zone waarin geen woningbouw is beoogd. Dit heeft naast de EVZ te maken met de ligging van een buisleidingenzone op die plek. Dat maakt dat in het basisalternatief effecten als gevolg van fysieke aantasting door woningbouw zijn uitgesloten. Wel zal er naar verwachting sprake zijn van verstoring door licht, geluid en recreanten in het natuurgebied en de ecologische verbindingszone. De EVZ loopt in het basisalternatief namelijk midden door het Vijfde Dorp. De EVZ wordt daarbij twee keer gekruist door de rondweg om het dorp heen (Groene Slinger) en door de bestaande Zuidelijke Dwarsweg. Verder zullen minimaal twee fietsroutes de EVZ passeren. Effecten zijn te voorkomen of te verminderen (mitigeren) door

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

39/93

een robuuste verbindingszone te realiseren zodat effecten door licht, geluid en recreanten worden voorkomen of verminderd. Het noordoostelijke deel van de EVZ ligt in een deel waar in het basisalternatief het Koning Willem I (recreatie)bos gerealiseerd wordt. Hoewel de EVZ nog niet is gerealiseerd, is het gebied planologisch als EVZ aangewezen en kan er zonder bestemmingswijziging op deze strook geen bos worden gerealiseerd. Omdat het onderdeel is van de autonome ontwikkeling dat de EVZ gerealiseerd wordt, is het uitgangspunt dat de ontwikkeling van het Koning Willem I bos hier op aan sluit. Dat maakt dat in het basisalternatief effecten als gevolg van fysieke aantasting door de realisatie van een bos zijn uitgesloten. Wel zal er naar verwachting sprake zijn van verstoring door geluid en recreanten in de ecologische verbindingszone. Door de realisatie van nieuwe infrastructuur, woningen e.d. raken groene gebieden versnipperd en vormt de infrastructuur een barrière, waardoor soorten moeilijk deze gebieden (onderling) kunnen bezoeken. Barrièrewerking door infrastructuur kan worden voorkomen door fauna- en/of amfibieëntunnels onder de infrastructuur te realiseren. Bij het niet realiseren van fauna- en/of amfibieëntunnels wordt de barrièrewerking niet verminderd c.q.

opgeheven waardoor een natuurgebied minder functioneel zal zijn in verband met een verminderde mate van uitwisseling tussen verschillende gebieden. Doelsoorten die gebruik moeten gaan maken van de EVZ, als deze wordt ingericht volgens de herziene nota, zijn: waterspitsmuis, dwergmuis, hermelijn, wezel, otter, ringslang, rugstreeppad, heikikker, groene glazenmaker, vroege glazenmaker, zilveren maan, oranjetipje, argusvlinder, moerassprinkhaan, kleine modderkruiper, snoek, kroeskarper, vetje, zeelt, paling, platte schijfhoren en zeggekorfslak. Door de ligging van de EVZ binnen het Vijfde Dorp zal de verstoring op de EVZ door recreatie (optische verstoring) en geluid toenemen. Een aantal van bovenstaande soorten zijn redelijk kritisch wat betreft verstoring. Ondanks dit gegeven is de verwachting dat de EVZ voor een deel van de soorten zal functioneren. Het effect van dit alternatief wordt daarom beoordeeld als een neutraal/ beperkt negatief effect (effectbeoordeling: 0/-). Tabel 4.3 Beoordeling basisalternatief Aspectnaam Provinciaal beschermde gebieden

4.3.2

Basisalternatief 0/-

Effecten alternatieven

In tabel 4.4 is weergegeven of een alternatief voor het aspect beschermde gebieden leidt tot een andere beoordeling. De kolom ‘Basisalternatief’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de kolommen daarna zijn de alternatieven naast elkaar gezet. Met roze is aangegeven welke alternatieven tot een andere beoordeling leiden. In de navolgende subparagrafen wordt dit nader toegelicht.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

40/93

Tabel 4.4 Beoordeling alternatieven (Roze = beoordeling verandert t.o.v. beoordeling basisalternatief) Aspectnaam invullen Provinciaal beschermde gebieden

Basis

Klimaatrobuust

0/-

0/-

Duurzame mobiliteit 0/-

Circulair/ energie 0/-

GroenBlauw +

Alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ Het alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op provinciaal beschermde gebieden. Als gevolg van dit alternatief zullen geen effecten optreden op provinciaal beschermde gebieden (effectbeoordeling: 0/-). Alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ Het alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op provinciaal beschermde gebieden. Als gevolg van dit alternatief zullen geen effecten optreden op provinciaal beschermde gebieden (effectbeoordeling: 0/-). Alternatief ‘Circulair / duurzame energie’ Het alternatief ‘Circulair / duurzame energie’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op provinciaal beschermde gebieden. Als gevolg van dit alternatief zullen geen effecten optreden op provinciaal beschermde gebieden (effectbeoordeling: 0/-). Alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ Het alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ zet in op een robuuster groen-blauw netwerk. Naast de in het basisalternatief reeds opgenomen Koning Willem I bos en de Groene Parel, wordt in dit alternatief ook de Groene Schakel ingericht als natuur. De EVZ die het Vijfde Dorp kruist wordt meer omringd door natuur.

Naast de EVZ in de buisleidingenzone, wordt ook in de Groene Schakel een EVZ gerealiseerd. Ook worden door de stedelijke gebieden (Vijfde Dorp en bedrijventerreinen) meer groen-blauw verbindingen gemaakt. Tot slot vervalt in dit alternatief (een deel van) de zonneweide in het Energielandschap. Dit kan doordat in dit alternatief gebruik wordt gemaakt van windenergie. Als gevolg daarvan kan het Energielandschap meer worden ingezet op inrichting voor natuur. In dit alternatief ontstaat als gevolg van de extra maatregelen in vergelijking met het basisalternatief een robuuster netwerk. Dit netwerk zorgt voor een buffer voor provinciaal beschermde gebieden en vergroot het leefgebied van aanwezige soorten (effectbeoordeling: +).

4.4 Beschermde en bedreigde soorten 4.4.1

Basisalternatief

Op basis van bronnenonderzoek en een habitatgeschiktheidsbeoordeling is het plangebied potentieel geschikt voor de volgende beschermde soorten: huismus, gierzwaluw, steenuil, ransuil, buizerd, sperwer, diverse soorten vleermuizen (o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis en meervleermuis), waterspitsmuis, ringslang en platte schijfhoren. Verder zijn er verschillende niet beschermde (deels Rode Lijst)

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

41/93

soorten in het plangebied aanwezig, zoals weidevogels als grutto, kievit, tureluur en slobeend, maar ook een amfibiesoort als bruine kikker. De huismus en gierzwaluw zijn gebouwbewonende soorten die in de bebouwing van het plangebied kan voorkomen. Dit geldt ook voor gebouwbewonende vleermuissoorten als gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis). Tevens kan het plangebied fungeren als vliegroute (lintvormige landschapselementen zoals watergangen en bomenrijen) en als foerageergebied (weilanden, watergangen, bosschages/bomenrijen). De steenuil, ransuil, buizerd en sperwer kunnen hun jaarrond beschermde nesten hebben in bomen in het plangebied, maar ook aan de rand van het plangebied. Tevens kan het plangebied fungeren als foerageergebied voor deze soorten. De waterspitsmuis, ringslang en platte schijfhoren worden vooral verwacht in het zuidelijk deel van het plangebied (Groene Waterparel), maar ook in het noordoostelijk deel (nabij Gouda). Door het plan kunnen leefgebieden van diersoorten of groeiplaatsen van (beschermde of Rode Lijst) plantensoorten verdwijnen. Door het voorgenomen plan worden (mogelijk) vaste verblijfplaatsen van vogels en vleermuizen vernietigd of verstoord. Ook wordt (mogelijk) leefgebied van vogels en vleermuizen vernietigd of verstoord.

Hierbij valt te denken aan vernietiging of aantasting van foerageergebied van vogels en vleermuizen en vliegroutes van vleermuizen, maar ook leefgebied van zoogdieren, amfibieën, reptielen en ongewervelden. Verder wordt (mogelijk) leefgebied van de waterspitsmuis, ringslang en platte schijfhoren vernietigd. Voor de aanwezige beschermde soorten zal zeer waarschijnlijk een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Omgevingsvergunning onder de Omgevingswet) aangevraagd moeten worden. De verwachting is dat de ontheffing zal worden verleend, maar dat rekening moet worden gehouden met mitigerende en compenserende maatregelen.

Mitigerende maatregelen zullen bestaan uit onder andere werken buiten de gevoelige periode van een soort en het leefgebied voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt maken. Compenserende maatregelen die genomen moeten worden zijn soortafhankelijk, maar te denken valt aan het realiseren van permanente alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van kasten voor bijvoorbeeld huismus, gierzwaluw en vleermuizen, maar ook aan het realiseren van geschikt leefgebied voor de soorten waarvan het leefgebied wordt aangetast. Verder geldt dat buiten het broedseizoen (ca. half maart tot half juli) moet worden gestart en dat met alle soorten rekening moet worden gehouden vanuit de altijd geldende zorgplicht. Als voor het broedseizoen werkzaamheden worden gestart en de werkzaamheden continue plaatsvinden, is de kans gering dat een vogel tot broeden komt in de directe omgeving van de werkzaamheden waarmee verstoring van een broedende vogel wordt voorkomen. Als dit niet mogelijk is, moet een broedvogelcontrole ter plaatse van het werkgebied worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige..

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

42/93

Binnen het plangebied komen diverse Rode Lijstsoorten voor, zoals in beperkte mate weidevogels. Toenemende verstoring door geluid en licht van het plan – zoals infrastructuur, bedrijven en woningen – maken de reeds (zeer) beperkt geschikte gronden voor weidevogels nog minder geschikt of zorgen ervoor dat deze in zijn geheel verdwijnen. Om het verdwijnen van de zeer beperkt geschikte grond voor weidevogels te compenseren, kan worden ingezet op het voor weidevogels geschikter maken van weidegronden die gelegen zijn in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Dit kan door het nemen van enkele maatregelen zoals het (fors) verhogen van de grondwaterstand en minder intensieve landbouw. Met deze maatregelen wordt tevens invulling gegeven aan een toekomstbestendige landbouw. Binnen het ruim 1.000 ha grote plangebied wordt 390 ha bebouwd (waarvan 325 ha het Vijfde Dorp is en 65 ha bedrijventerrein), 110 ha bos gerealiseerd en wordt in de Groene Schakel en het zoekgebied voor bedrijventerreinen natuur gerealiseerd. Dit levert in verschillende gebieden kansen op voor bestaande en nieuwe soorten. (Beschermde) soorten die hierdoor in het plangebied kunnen voorkomen zijn o.a. boommarter, vos, otter, ringslang en diverse soorten vogels zoals blauwborst en roerdomp.

Omdat het voorgenomen plan vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebied van beschermde soorten aantast of vernietigt, maar door de inrichting van het plangebied ook meer leefgebied wordt gecreëerd voor (meer) andere beschermde soorten, is het effect van dit alternatief beoordeeld als beperkt positief (score 0/+). Tabel 4.5 Beoordeling basisalternatief Aspectnaam Beschermde soorten

4.4.2

Basisalternatief 0/+

Effecten alternatieven

In tabel 4.6 is weergegeven of een alternatief voor het aspect beschermde en bedreigde soorten leidt tot een andere beoordeling. De kolom ‘Basisalternatief’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de kolommen daarna zijn de alternatieven naast elkaar gezet. Met roze is aangegeven welke alternatieven tot een andere beoordeling leiden. In de navolgende subparagrafen wordt dit nader toegelicht. Tabel 4.6 Beoordeling alternatieven (Roze = beoordeling verandert t.o.v. beoordeling basisalternatief) Aspectnaam invullen Beschermde soorten

Basis

Klimaat-robuust

0/+

0/+

Duurzame mobiliteit 0/+

Circulair/ energie 0/-

GroenBlauw 0/-

Alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ Het alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op beschermde of bedreigde soorten. Als gevolg van dit alternatief zal daardoor een beperkt positief effect optreden op beschermde of bedreigde soorten (effectbeoordeling: 0/+).

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

43/93

Alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ Het alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op beschermde of bedreigde soorten. Als gevolg van dit alternatief zal daardoor een beperkt positief effect optreden op beschermde of bedreigde soorten (effectbeoordeling: 0/+). Alternatief ‘Circulair / duurzame energie’ In het basisalternatief is een zonnepark voorzien voor de opwekking van duurzame energie. In het alternatief ‘circulair / duurzame energie’ worden aanvullend op het zonnepark een aantal windturbines (tiphoogte > 200 meter) gerealiseerd. Windturbines kunnen een negatief effect hebben op vogels en vleermuizen omdat deze door de wieken van de turbines geraakt kunnen worden – direct of indirect – met de dood als gevolg. In het plangebied komen geen gebieden voor met een hoge dichtheid aan vogels en/of vleermuizen waardoor negatieve effecten op deze soortgroep minimaal zijn. Om negatieve effecten op soorten uit te sluiten kan ervoor gekozen worden om de windturbines met een ‘stand still principe‘ uit te rusten.

Voor vogels kan dit op twee manieren: door gebruik te maken van slimme windmolens waarbij een intelligente camera wordt gebruikt die bij een registratie van een vogel de rotorbladen stilzet of het ‘stand still principe‘ toe te passen op locaties en momenten van massale vogeltrek om aanvaringsslachtoffers onder trekvogelsoorten tot een minimum te beperken. Bij vleermuizen geldt dat het ‘stand still principe‘ standaard wordt toegepast bij een combinatie van hoog-risico-locaties en hoogrisicoperiodes en bepaalde weersomstandigheden. et betrekking tot locaties wordt een onderscheid gemaakt tussen hoog-risico en laag-risico-locaties voor individuele turbines en parken. Er is sprake van een hoog-risico-locatie in het geval de turbines worden geplaatst op of vlak langs grote wateren (150 m) en/of op minder dan 150 m afstand van bos. Op overige locaties is sprake van een laag-risico-locatie. Op deze locaties en in deze periode wordt stilstand standaard toegepast onder de volgende condities: droog weer en een temperatuur van 10 °C of meer en een windsnelheid van 5 m/s of lager op ashoogte in het binnenland of 6 m/s of lager op ashoogte in kustgebieden en tussen zonsondergang en zonsopgang.

Op basis van de effectanalyse, zie bijlage 5, wordt geconcludeerd dat de windturbines langs de spoorweg Gouda – Den Haag, aan de noordzijde van het energielandschap, geprojecteerd staan in laag-risico gebied. Er worden daarom weinig negatieve effecten verwacht en er lijken op voorhand geen maatregelen nodig om de windturbines daar te realiseren. Het zoekgebied tussen de bedrijventerreinen heeft na realisatie van het (recreatie)bos een hoog-risico. Dat betekent dat er een grotere kans is op slachtoffers onder vleermuizen. Als gevolg daarvan zijn maatregelen nodig in de vorm van een stilstandvoorziening om op die locatie windturbines te mogen bouwen. Dit kan eventueel na de verplichte monitoring worden ingesteld. Een andere mogelijkheid is dat bij het inrichten van het zoekgebied rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de windturbines. Door rondom de windturbines een afstand van 150 meter aan te houden waarin geen bos wordt gerealiseerd, zou de beperking van de stilstandvoorziening kunnen vervallen. Als gevolg van dit alternatief zal een beperkt negatief effect optreden op beschermde of bedreigde soorten (effectbeoordeling: 0/-).

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

44/93

Het Rijk, provincies, Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA), TenneT en groene partijen (Vogelbescherming Nederland, Zoogdiervereniging en de Natuur en Milieu Federaties) werken samen aan het traject NatuurInclusieve Energietransitie voor Wind en Hoogspanning op Land (NIEWHOL). Het doel van dit traject is om te komen tot afspraken waarmee zowel wordt gezorgd voor de doorgang van de ontwikkeling van windparken en hoogspanningsverbindingen op land, als voor een vermindering van de negatieve effecten ervan op de staat van instandhouding van kwetsbare vogels en vleermuizen. Van belang is dat bestuurlijk is afgesproken om, waar dat mogelijk is, al te handelen in de geest van het nog te sluiten definitieve akkoord. Mitigerende maatregelen moeten de aantallen aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen als gevolg van windturbines en hoogspanningsleidingen en de aantasting van hun leefgebied zoveel mogelijk beperken. Mitigerende maatregelen zijn in twee categorieën onder te brengen: a) locatieafhankelijk en b) generiek. Locatieafhankelijke maatregelen komen voort uit de Wet natuurbescherming en dienen altijd genomen te worden, indien van toepassing. Generieke maatregelen zijn aanvullende maatregelen om de negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken.

Ad a) Locatieafhankelijke maatregelen komen tot stand nadat voor een windpark of hoogspanningsverbinding in een zo vroeg mogelijk stadium, bijvoorbeeld via een locatiestudie, de (plan-)MER of omgevingsvergunning, de optimale inrichting en opstelling is vastgesteld. Middels ecologisch onderzoek wordt ook vastgesteld of en zo ja welke specifieke locatieafhankelijke mitigerende maatregelen er nodig zijn om aanvaringsslachtoffers en eventuele andere negatieve effecten op vogels en vleermuizen te voorkomen. Hierdoor zullen op de ene locatie meer maatregelen genomen moeten worden dan op een andere locatie. Dit zorgt ervoor dat de effecten van verschillende projecten in principe vergelijkbaar zijn. Ad b) Generieke maatregelen voor windparken en hoogspanningsverbindingen. Partijen erkennen dat naast deze maatregelen de locatiekeuze van groot belang is voor het voorkomen van negatieve effecten op vogels en vleermuizen. Het is daarom belangrijk om bij het ontwikkelen en vaststellen van de Regionale Energiestrategieën (RES) ook te voldoen aan de geldende natuurwetgeving en ecologisch gevoelige locaties zo veel mogelijk te vermijden.

Alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ In het alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ komt het zonnepark (deels) te vervallen, maar worden wel de eerder genoemde windturbines gerealiseerd. Het deel wat niet ingericht zal worden als zonnepark kan worden ingericht als natuurgebied dat aansluit bij de natuurdoeltypes die in het plangebied voor (moeten gaan) komen, zoals N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Omdat de twee windturbines tussen de bedrijventerreinen en in een hoog-risico gebied liggen, gelden daarvoor dezelfde effecten als alternatief Circulair / duurzame energie (effectbeoordeling: 0/-).

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

45/93

Overwogen kan worden om in dit alternatief meer in te zetten op hoogbouw. Door hoogbouw te realiseren blijft er meer grond over dat als natuur kan worden ingericht. Als de hoogbouw dan tevens als verticale tuin of bos wordt ingericht levert dit een extra impuls voor natuur op en vermindert het de risico’s op sterfte van vogels die tegen de hoogbouw aanvliegen.

4.5 Totstandkoming robuuste ecologische verbinding 4.5.1

Basisalternatief

In het basisalternatief wordt een EVZ autonoom door het plangebied gerealiseerd en ligt deze in het te realiseren Koning Willem I bos en het Vijfde Dorp, ter hoogte van de buisleidingenstraat. Omdat de realisatie van de EVZ autonoom is voorzien, wordt deze ontwikkeling niet de beoordeling meegenomen als een positieve ontwikkeling. Met de EVZ worden de gebieden Krimpenerwaard en het Bentwoud met elkaar verbonden waardoor uitwisseling van soorten tussen deze gebieden kan plaatsvinden. Op de kaart van de provincie Zuid-Holland is de te realiseren EVZ aangewezen als nog te ontwikkelen natuur en is het natuurtype niet bekend. Net buiten het plangebied, en grenzend aan de noordzijde, is de EVZ al wel gerealiseerd met natuurtype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Logischerwijs krijgt de te realiseren EVZ ook dit natuurtype. In het basisalternatief ligt aan weerszijden van de EVZ die door het Vijfde Dorp loopt een watergang. Dit biedt kansen om de overgang van de EVZ naar het woongebied zo te realiseren dat er een buffer ontstaat richting de EVZ. Hoe de zone waardoor de EVZ loopt verder wordt ingericht is op dit moment niet duidelijk.

Gezien de overige ambities van het basisalternatief (verbeteren biodiversiteit, realiseren van schaduwplekken, groen inzetten voor de leefbaarheid van het dorp) zijn er kansen om dit zodanig in te richten dat de gehele zone een groenstructuur wordt waar verschillende soorten in kunnen foerageren of zich in kunnen verplaatsen. Met de realisatie van het Koning Willem I bos wordt een extra natuurtype in het plan gerealiseerd waardoor voor beminnende soorten zoals buizerd, havik extra leefgebied wordt gecreëerd en uitwisseling met het Bentwoud eenvoudiger mogelijk is. Om het Koning Willem I bos robuuster te maken is het raadzaam te kijken naar koppelkansen die dit bos laat aanhaken bij de natuurgebieden Bentwoud, Reeuwijkse Hout en het verder weg gelegen Nieuwkoopse Plassen. Omdat aanvullend op de autonoom te realiseren EVZ en Groene Waterparel ook middels de Groene Schakel en in de zone rondom de EVZ groenstructuren worden gerealiseerd die een verbinding maken met natuurgebieden buiten het plangebied, wordt het basisalternatief positief beoordeeld (effectbeoordeling: +). Tabel 4.3 Beoordeling basisalternatief Aspectnaam Totstandkoming robuuste ecologische verbinding

Basisalternatief +

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

46/93

4.5.2

Effecten alternatieven

In tabel 4.7 is weergegeven of een alternatief voor het aspect totstandkoming robuuste ecologische verbinding leidt tot een andere beoordeling. De kolom ‘Basisalternatief’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de kolommen daarna zijn de alternatieven naast elkaar gezet. Met roze is aangegeven welke alternatieven tot een andere beoordeling leiden. In de navolgende subparagrafen wordt dit nader toegelicht. Tabel 4.7 Beoordeling alternatieven (Roze = beoordeling verandert t.o.v. beoordeling basisalternatief) Aspectnaam invullen Totstandkoming robuuste verbinding

Basis

Klimaatrobuust

+

+

Duurzame mobiliteit +

Circulair/ energie +

GroenBlauw ++

Alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ Het alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op de totstandkoming van een robuuste verbinding. Als gevolg van dit alternatief zal daardoor een positief effect optreden (effectbeoordeling: +). Alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ Het alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op de totstandkoming van een robuuste verbinding. Als gevolg van dit alternatief zal daardoor een positief effect optreden (effectbeoordeling: +). Alternatief ‘Circulair / duurzame energie’ Het alternatief ‘Circulair / duurzame energie’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op de totstandkoming van een robuuste verbinding. Als gevolg van dit alternatief zal daardoor een positief effect optreden (effectbeoordeling: +). Alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ In het alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ worden niet één maar twee EVZ’s in het plangebied gerealiseerd. Naast een EVZ door het Vijfde Dorp wordt er een EVZ gerealiseerd die het Vijfde Dorp aan de zuidzijde passeert. De provincie Zuid-Holland heeft het voornemen om de EVZ die nu langs de 4e Tocht is geprojecteerd te ‘verplaatsen’ naar het gebied ten zuiden van het Vijfde Dorp.

Daarvoor wordt een herziening gemaakt van het omgevingsbeleid van de provincie. In dit alternatief is als uitgangspunt meegenomen dat beide EVZ’s worden gerealiseerd. Door het realiseren van meerdere EVZ’s in het plangebied ontstaat een draagkrachtiger (robuustere) natuur. De EVZ die beoogd is ten zuiden van het Vijfde Dorp zal zo worden ingericht dat de eerste 25 meter (in een dwarsdoorsnede loodrecht op een waterloop) uit moeras bestaat, die overgaat in nat schraalland en/of vochtig hooiland en op de hoogste delen bestaat uit ruigteveld waarbij het geheel zich uiteindelijk zal ontwikkelen tot een mozaïek/gradiënt van de natuurtypen en zal functioneren voor de doelsoorten. Over de gehele lengte is de corridor minimaal 50 m breed en langs het Vijfde Dorp 100 m, om zo het verstoringeffect van het toekomstig dorp te verminderen. Dit betekent concreet dat over de gehele EVZ alle natuurtypen voorkomen.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

47/93

Om de natuurtypen, zie hieronder, te realiseren moeten inrichtingsmaatregelen worden genomen, zoals het verwijderen van de toplaag, maaiveldverlaging en verhoging van de grondwaterstand door peilopzet. Ook wordt een waterpeil gehanteerd (fluctuerend tussen -5,80 en -5,30 m NAP) dat het meest gunstig is voor de natuurdoeltypen die in dit gebied worden beoogd.

Het tracé volgt zoveel als mogelijk een watergang, omdat deze als zoete plas kan fungeren en deze niet gegraven hoeft te worden. Bovendien vormen watergangen voor verschillende doelsoorten een geschikt dispersiemedium. De oever van de watergang wordt als natuurvriendelijke oever ingericht. Als het tracé geen watergang (meer) kan volgen, wordt de opbouw van het tracé op dezelfde wijze voortgezet, ook als na verloop van tijd weer op een watergang kan worden aangesloten. Stapstenen worden in de EVZ alleen ten noorden van en grenzend aan de A12 aangelegd. De stapstenen bestaan uit moeras en ruigteveld en hebben een grootte van ten minste 75 ha. Tevens zal het reeds bestaande natuurgebied Eendragstpolder fungeren als stapsteen en in de toekomst zal het te ontwikkelen (natuur)gebied Groene Waterparel eveneens fungeren als stapsteen. Met de realisatie van het Koning Willem I bos wordt een extra natuurtype in het plan gerealiseerd waardoor voor bosminnende soorten, zoals buizerd en havik, extra leefgebied wordt gecreëerd en uitwisseling met het Bentwoud eenvoudiger mogelijk is. Om het Koning Willem I bos robuuster te maken is het raadzaam te kijken naar koppelkansen die dit bos laat aanhaken bij de natuurgebieden Bentwoud, Reeuwijkse Hout en het verder weg gelegen Nieuwkoopse Plassen.

In dit alternatief wordt een koppeling vanuit de te realiseren woonwijk en het NNN-gebied en EVZ gemaakt, wat dit het systeem robuuster maakt door uitwisseling van soorten en neemt de soortenrijkdom mogelijk nog meer toe. Het koppelen van deze gebieden aan de te realiseren woonwijk kan worden gerealiseerd door in de woonwijk groene structuren, zoals een watergang of doorgaande bomenrij (lijnvormig landschapselement), te realiseren die de wijk uitgaan en uitkomen op het NNN-gebied of EVZ. Op deze manier kunnen bijvoorbeeld vleermuizen eenvoudig de wijk uit om te foerageren in de landelijke

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

48/93

omgeving, maar kunnen bijvoorbeeld ook (kleinere) zoogdieren makkelijker door de wijk migreren. Met een extra EVZ en het Koning Willen I bos wordt er een robuuste ecologische verbinding gerealiseerd. Het effect van dit alternatief wordt daarom beoordeeld als een zeer positief effect (score: ++).

4.6 Biodiversiteit 4.6.1

Basisalternatief

In het referentiesituatie is de biodiversiteit beperkt. Dit komt vooral door het overwegende agrarische gebruik en het open landschap. Het plan van het basisalternatief biedt de kans om het plangebied natuurinclusief te ontwikkelen. Allereerst bevat de ontwikkeling van het Middengebied de ontwikkeling van het Koning Willem I bos, de Groene Schakel en een natuurzone tussen de twee bedrijventerreinen. Dit zijn gebieden waar door de herontwikkeling meer kansen ontstaan om middels de inrichting een grotere biodiversiteit te stimuleren. Door natuurinclusieve maatregelen te nemen, zoals het toepassen van voorzieningen in gebouwen voor vogels en vleermuizen, maar ook door de openbare ruimte natuurvriendelijk in te richten, zoals gebruik van vlindervriendelijke beplanting, zal de soortenrijkdom (biodiversiteit) ook binnen het Vijfde Dorp en de bedrijventerreinen toenemen. Door de voorgenomen ontwikkeling van natuurgebieden en het nemen van natuurinclusieve maatregelen in de stedelijke omgeving neemt de biodiversiteit toe. Het effect van dit alternatief wordt daarom beoordeeld als positief (effectbeoordeling: +). Tabel 4.3 Beoordeling basisalternatief Aspectnaam Biodiversiteit

4.6.2

Basisalternatief +

Effecten alternatieven

In tabel 4.8 is weergegeven of een alternatief voor het aspect biodiversiteit leidt tot een andere beoordeling. De kolom ‘Basisalternatief’ geeft de beoordeling weer zoals hierboven beschreven. In de kolommen daarna zijn de alternatieven naast elkaar gezet. Met roze is aangegeven welke alternatieven tot een andere beoordeling leiden. In de navolgende subparagrafen wordt dit nader toegelicht. Tabel 4.8 Beoordeling alternatieven (Roze = beoordeling verandert t.o.v. beoordeling basisalternatief) Aspectnaam invullen Biodiversiteit

Basis

Klimaatrobuust

+

+

Duurzame mobiliteit +

Circulair/ energie +

GroenBlauw ++

Alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ Het alternatief ‘Maximaal klimaatrobuust’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op biodiversiteit. Als gevolg van dit alternatief zal daardoor een positief effect optreden op biodiversiteit (effectbeoordeling: +).

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

49/93

Alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ Het alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op biodiversiteit. Als gevolg van dit alternatief zal daardoor een positief effect optreden op biodiversiteit (effectbeoordeling: +). Alternatief ‘Circulair / duurzame energie’ Het alternatief ‘Circulair / duurzame energie’ kent ten opzichte van het basisalternatief geen andere maatregelen die leiden tot effecten op biodiversiteit. Als gevolg van dit alternatief zal daardoor een positief effect optreden op biodiversiteit (effectbeoordeling: +). Alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ Het realiseren van een robuust groen-blauw netwerk binnen het alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ zal een positief effect hebben op de biodiversiteit omdat het groen-blauw netwerk in vergelijking met het basisalternatief een groter oppervlak krijgt. Daardoor wordt het leefgebied van aanwezige soorten flora en fauna vergroot. Dit gebeurt in dit alternatief ook meer in het stedelijke gebied van het Vijfde Dorp en de bedrijventerreinen. Dit is als sterk positief beoordeeld (effectbeoordeling: ++).

4.7 Conclusie en aanbevelingen voor VKA In het basisalternatief treden er geen effecten op Natura 2000-gebieden op. Als gevolg van het planvoornemen ontstaat stikstofdepositie, deze depositie wordt in voldoende mate gesaldeerd doordat enkele agrarische bedrijven die in het plangebied liggen stoppen. Ook ten aanzien van beschermde provinciale gebieden treden er geen effecten op. De autonoom te realiseren EVZ die dwars door het Vijfde Dorp komt te liggen zal niet worden verstoord doordat er soorten komen die weinig verstoringsgevoelig zijn en doordat rondom de EVZ maatregelen mogelijk zijn om verstoring te voorkomen. De Groene Waterparel zal in het basisalternatief behouden blijven. In het plangebied komen beschermde soorten voor waarvoor een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig is. Leefgebied van deze soorten gaat in het basisalternatief verloren. Om de ontheffing te verkrijgen zijn mitigerende en compenserende maatregelen noodzakelijk. Daar staat tegenover dat in het basisalternatief leefgebied voor verschillende andere soorten wordt gerealiseerd. Per saldo ontstaat er ruimte voor meer soorten. Daarom wordt een beperkt positief effect verwacht op beschermde soorten. Het alternatief dat vanuit natuur gezien de meeste meerwaarde voor het plangebied oplevert is alternatief ’Groen-blauwe raamwerk’.

Dit alternatief kent maatregelen die voor zowel de provinciaal beschermde gebieden (de EVZ en de Groene Waterparel), de totstandkoming van een robuuste verbinding als voor de biodiversiteit tot positieve effecten leidt in vergelijking met het basisalternatief. Dit komt met name doordat meer ruimte wordt genomen voor het realiseren van natuur. Daarnaast speelt het hogere waterpeil daar een rol in. Die sluit beter aan op de natuurdoeltypen die in het gebied worden beoogd. Tot slot wordt in dit alternatief meer ingezet op natuurvriendelijke oevers. Overwogen kan worden om in dit alternatief meer in te zetten op hoogbouw. Door hoogbouw te realiseren blijft er meer grond over dat als natuur kan

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

50/93

worden ingericht. Als de hoogbouw dan tevens als verticale tuin of bos wordt ingericht levert dit een extra impuls voor natuur op. In het alternatief ‘Duurzame mobiliteit’ zit één maatregel die in beperkte mate positief is, met name voor natuurgebieden. Het betreft de modal shift die daarin wordt gerealiseerd. Als gevolg van de kleinere toename van het verkeer als gevolg van het planvoornemen, ontstaat minder stikstofdepositie. Omdat in dit alternatief evenveel saldering plaatsvindt, zal op de Natura 2000-gebieden in de omgeving een grotere afname ontstaan van stikstofdepositie. Samengevat worden vanuit het aspect natuur de volgende maatregelen aanbevolen voor het voorkeursalternatief (VKA): • Binnen de EVZ zal bodemverbetering nodig zijn om de beoogde natuurdoeltypen te kunnen realiseren (bijvoorbeeld door afplaggen). Bij voorkeur gebeurt dit ook op andere plekken waar in het gebied natuur wordt gerealiseerd. • Op plekken waar nieuwe natuur wordt gerealiseerd – buiten de EVZ om – in te zetten op natuurtypen die groeien op natte, voedselrijke ondergrond zoals N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Deze kunnen zodanig worden gekozen dat ook daarin bepaalde doelsoorten, zoals hermelijn en argusvlinder, kunnen voorkomen en waardoor robuuste een koppeling tussen de gebieden ontstaat.

• Het waterpeil zoals in het alternatief ‘Groen-blauwe raamwerk’ gehanteerd (fluctuerend tussen -5,80 en -5,30 m NAP) is het meest gunstig voor de natuurdoeltypen die in dit gebied worden beoogd. • De aanleg van natuurvriendelijke oevers is wenselijk. Daarbij is echter wel een aandachtspunt dat deze zodanig aangelegd moeten worden, dat opbarsting wordt voorkomen. • Toepassing van windenergie is in dit gebied minder belastend voor natuur dan de realisatie van grote oppervlaktes zonneweide. Windturbines hebben een kleiner ruimtebeslag waardoor meer grond overblijft om als natuur in te richten. Dit biedt onder andere kansen voor een grotere biodiversiteit. Tabel 4.3 Overzicht effecten alternatieven Aspectnaam invullen Natura 2000gebieden Provinciaal beschermde gebieden Beschermde soorten Totstandkoming robuuste ecologische verbinding Biodiversiteit

Basis 0

Klimaat robuust 0

Duurzame mobiliteit 0

Circulair/ energie 0

GroenBlauw 0

0/-

0/-

0/-

0/-

+

0/+

0/+

0/+

0/-

0/-

+

+

+

+

++

+

+

+

+

++

Mitigerende maatregelen Het geschetste beeld van de EVZ vergt een hoge inspanning, zoals peilverhogingen en het afgraven van grond, waarbij een risico optreedt van opbarsting9. Daarnaast is het vooralsnog de vraag of een kritisch natuurtype 9 Opbarsting ontstaat wanneer de deklaag te dun wordt, waardoor als gevolg van de opwaartse

druk van kwelwater de bodem openbarst en kwelwater naar buiten treedt.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

51/93

zoals nat schraalland of vochtig hooiland kan worden behaald. Dit zou in de praktijk betekenen dat niet alle typen gerealiseerd worden. Hierbij kan als alternatief het natuurtype (vochtige) kruiden- en faunarijk grasland worden aangewezen ter vervanging van nat schraalland/vochtig hooiland. Voor dit natuurtype is het afgraven van grond niet of nauwelijks nodig, evenals wijzigingen in het peil. Ook met dit natuurtype zal de EVZ naar behoren kunnen functioneren voor de gewenste doelsoorten, zeker wanneer dit een vochtige variant van kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) betreft. Dan zullen namelijk ook doelsoorten als bijvoorbeeld oranjetipje van de EVZ gebruik kunnen maken.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

52/93

5. Effectbeoordeling VKA 5.1 Inleiding In voorgaand hoofdstuk zijn de effecten beschreven van de alternatieven die in het MER Middengebied Zuidplaspolder zijn onderzocht. Op basis van de alternatievenvergelijking heeft het College van B&W een Voorkeursalternatief (VKA) vastgesteld. Het VKA bestaat uit elementen uit alle vier de onderzochte alternatieven. Daarnaast is in de periode na het alternatievenonderzoek nieuwe informatie beschikbaar gekomen die van invloed is op de samenstelling van het VKA. Denk daarbij aan de kamerbrief van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat “Water en bodem sturend” (d.d. 25 november 2022 10) en de aanvullende eisen die aan het convenant klimaatadaptief bouwen zijn toegevoegd. Ook is in het VKA uitgegaan van de (landelijk) Agenda Natuurinclusief. De Agenda Natuurinclusief heeft een helder doel: een natuurinclusieve samenleving waarin de natuur wordt gezien als basis van onze gezondheid en economie. In een natuurinclusieve samenleving worden natuurwaarden vergroot en wordt de positieve kracht van natuur benut. De Agenda Natuurinclusief is onderdeel van het Programma Natuur uit de Structurele aanpak stikstof, dat zich richt op herstel en versterking van de Nederlandse natuur. De Agenda Natuurinclusief richt zich op het natuurherstel en versterking buiten de natuurgebieden.

Met de resultaten van het alternatievenonderzoek en de nieuwe informatie heeft het College van B&W op 31 januari 2023 het VKA vastgesteld. De elementen waaruit het VKA bestaat zijn beschreven in hoofdstuk 8 van Bijlage 4 van het MER (Alternatievenbeschrijving). In dit hoofdstuk worden in paragraaf 5.2 de effecten van het VKA beschreven. Paragraaf 5.3 vat de conclusies samen en geeft indien van toepassing aanbevelingen voor het vervolgtraject. Daarbij wordt waar mogelijk ook aangegeven of er nog extra maatregelen getroffen kunnen worden om effecten te voorkomen/beperken. In paragraaf 5.4 wordt beschreven of er nog relevante leemten in kennis zijn.

10 In bijlage 4 bij het MER is in hoofdstuk 4 een analyse opgenomen van de manier waarop dit MER

aansluit bij deze brief

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

53/93

5.2 Effectbeoordeling VKA 5.2.1

Effecten op Natura 2000

Het plangebied is niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Directe effecten door het voorgenomen plan op Natura 2000gebieden zijn dan ook op voorhand uit te sluiten. Effecten op een Natura 2000-gebied kunnen ook op een indirecte manier (externe werking) – zoals door geluid, optische verstoring, etc. – optreden. Geluid en beweging die met werkzaamheden gepaard gaan, reiken tot enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein, zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen.

Om te bepalen of er in andere Natura 2000-gebieden sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen, is een AERIUS-berekening uitgevoerd (Sweco, berekening van 20 juni 2022). Uit deze berekening komt naar voren dat er in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase sprake is van een toename van stikstofdepositie. In de aanlegfase gaat het om een maximale - tijdelijke - toename van 0,08 mol N/ha/jr. In de gebruiksfase gaat het om een maximale – permanente – toename van 0,47 mol N/ha/jr. De Commissie m.e.r. heeft in haar tussentijdse advies geadviseerd om de nieuwe stikstofdepositieberekeningen voor het VKA, aan te grijpen om ook het dichtstbijzijnde - volgens de Commissie m.e.r. - stikstofgevoelige gebied mee te nemen: het Natura 2000-gebied bij Reeuwijk (polders Stein, Oukoop, Broekvelden-Vettenburg). Dit Natura 2000-gebied is in het huidige AERIUSrekenmodel niet opgenomen als stikstofgevoelig gebied, omdat dit gebied tot op heden nog niet als zodanig is aangewezen. Uit een recent onderzoek 11 blijkt ook dat in het gebied geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, waardoor het gebied niet stikstofgevoelig is. Omdat niet duidelijk is of aanwijzing desondanks op korte termijn toch gaat plaatsvinden, is in het kader van het natuuronderzoek kwalitatief gekeken naar potentiële effecten vanuit stikstofdepositie.

Omdat het betreffende Natura 2000-gebied binnen 25 km vanaf het plangebied en de salderingslocaties ligt, zal in dit gebied – evenals in alle andere Natura 2000-gebieden die binnen die grens liggen – door intern salderen - per saldo sprake zijn van een afname aan stikstofdepositie. Ook op dit gebied zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten.

11 Natuurdoelenanalyse Natura 2000. 104 Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein. Arcadis, Royal

HaskoningDHV, Sweco, d.d. 15 april 2022. In opdracht van Provincie Zuid-Holland.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

54/93

De ontwikkeling van het Middengebied leidt er toe dat in het plangebied het agrarisch gebruik afneemt. De afname van stikstofdepositie van deze activiteiten mag in mindering worden gebracht. Dit heet ‘intern salderen’. Na intern salderen is er in de aanlegfase geen sprake van een toename > 0,00 mol N/ha/jr depositie en in de gebruiksfase van een maximale – permanente – toename van 0,03 mol N/ha/jr. In de aanlegfase is er geen toename aan stikstofdepositie op in Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats. Effecten door een tijdelijke toename aan stikstofdepositie in de aanlegfase zijn dan ook op voorhand uitgesloten. Bij nadere analyse van de rekenresultaten – in verband met een toename van 0,03 mol N/ha/jr – blijkt sprake te zijn van een zogenaamd ‘randeffect’. De toenames vinden namelijk plaats vanaf het punt waarop de 25 km-grens ligt van de bedrijven waarmee intern is gesaldeerd. Omdat de 25 km-grens van de bron als gevolg waarvan stikstofdepositie plaatsvindt (in dit geval autoverkeer buiten het plangebied) verder reikt dan de 25 km-grens van de salderingsbedrijven, ontstaat in dat tussenliggende gebied een rekenkundige toename. Door BIJ12 is een handreiking opgesteld hoe een randeffect geïnterpreteerd moet worden en wanneer gesteld kan worden dat er bij een randeffect geen negatief effect optreedt, zie hieronder.

A. als uit analyse van de hexagonen waar alle bronnen zijn meegenomen blijkt dat de berekende depositiebijdrage overal gelijk blijft of een afname vertoont; en B. eventuele berekende toenames alleen voorkomen op hexagonen waar (door analyse via AERIUS of bijvoorbeeld GIS) blijkt dat sprake is van randeffecten intern salderen; en C. sprake is van een gelijk blijven of afname van de totale stikstofemissies; D. I. dan kunnen toenames op de hexagonen, waarbij sprake is van een randeffect intern salderen, bij voorbaat worden uitgesloten omdat in de zone van overlap van hexagonen overal een afname of gelijk blijven van depositie te zien is; II. er is dan geen sprake van ecologische effecten en een passende beoordeling van deze berekende depositietoename of een mitigerende maatregel is dan niet nodig. Het hier beschreven uitvoeringskader geldt alleen voor de agrarische sector in die uitzonderingssituaties die voldoen aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor intern salderen.

Samenvattend ontstaat er door het planvoornemen geen aantasting van Natura 2000-gebieden. Ook indirecte effecten zullen niet optreden. Uit de AERIUSberekening blijkt dat er geen kwalitatieve aantasting optreedt als gevolg van stikstofdepositie. Er zal zelfs sprake zijn van een beperkte afname van stikstofdepositie. De afname is echter zo gering dat dit niet zal leiden tot een meetbare/aantoonbare kwalitatieve versterking. Om die reden is het voorkeursalternatief neutraal beoordeeld voor wat betreft effecten op Natura 2000-gebieden (effectbeoordeling: 0). Tabel 5.1 | Beoordeling voorkeursalternatief Aspectnaam Natura 2000-gebieden

Voorkeursalternatief 0

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

55/93

5.2.2

Effecten op provinciaal beschermde gebieden

In het plangebied is een gebied aanwezig dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN, namelijk de Groene Waterparel). Tevens is in het plangebied een gebied aanwezig dat is aangewezen als ecologische verbindingszone (EVZ), zie onderstaand figuur12.

Figuur 5-1 | NNN-gebieden (groen) en (te realiseren) Ecologische Verbindingszone (rood)

Ten noorden van het plangebied is de EVZ al gerealiseerd met natuurtype N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. Op de ambitiekaart van het ontwerp natuurbeheerplan 2023 zijn de gebieden aangewezen als ‘Nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)’. In de (herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland (Van Donselaar, 2017) zijn voor de nog te ontwikkelen EVZ de volgende natuurdoeltypen opgenomen: N05.01 Moeras, N10.01 Nat schraalland, N201.02 Vochtig hooiland, N04.02 Zoete plas en N12.06 Ruigteveld. Gezien de voorgenomen planontwikkeling in relatie tot de aanwezige provinciaal beschermde gebieden zijn effecten niet uit te sluiten. In het voorkeursalternatief is het gehele gebied van de Groene Waterparel aangewezen als natuurontwikkelingsgebied. Het NNN-gebied in de Groene Waterparel is door de bijzondere bodemopbouw en hydrologie een bijzondere flora aanwezig die door een veranderende hydrologie als gevolg van het plan kan verdwijnen. Van fysieke aantasting van de Groene Waterparel is geen sprake. In de Groene Waterparel, gelegen in de Zuidplaspolder (Zuid-Holland), doet zich een bijzonder fenomeen voor.

Terwijl de gemiddelde ‘boerensloot’ wordt gekenmerkt door voedselrijk en gebufferd water, zijn hier boerensloten waarin plantensoorten uit de Oeverkruid-klasse (Littorelletea) dominant aanwezig zijn; soorten die kenmerkend zijn voor voedselarm en zuur tot zwak gebufferd water. 12 Let op: deze figuur is anders dan figuur 3.2. Zie voor een toelichting daarop de beschrijving van

de referentiesituatie in paragraaf 3.1.2.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

56/93

Het geheim is de aanwezigheid van katteklei in de bodems. Door biogeochemische bodemprocessen en een gunstige hydrologie ontstaan in bepaalde sloten de juiste condities voor deze soorten. Nederland heeft slechts een relatief klein oppervlak aan gemeenschappen en soorten van de Oeverkruid-klasse, maar vanwege de centrale ligging een grote internationale verantwoordelijkheid voor de instandhouding. In de Groene Waterparel zijn de condities uitermate gunstig voor doelsoorten van de Oeverkruid-klasse omdat de sloten over een relatief groot deel van het jaar behoorlijk geïsoleerd zijn en er aanvoer van zuur water uit de percelen plaatsvindt. Omdat de waterbodems in tegenstelling tot het oppervlaktewater - jaarrond gebufferd zijn, blijft het oppervlaktewater alleen zuur zolang er toestroom vanuit de percelen plaatsvindt. De onderliggende biogeochemische processen kunnen echter snel worden verstoord en de plaatselijke hydrologie (mate van uitspoeling van grondwater en mate van isolatie/waterinlaat) is hierin sturend. Voor deze kwetsbare delen van de Groene Waterparel is het dus zaak de hydrologie in stand te houden en niet zomaar te wijzigen. Verder wordt onderzocht of er inrichtingsmaatregelen mogelijk zijn die de onderliggende biogeochemische processen niet verstoren maar juist verder versterken, zodat uitbreiding van de doelsoorten van de Oeverkruidklasse kan worden gerealiseerd.

Een maatregel als het vasthouden van water in het gebied door de slootpeilen hoog op te zetten zou een averechts effect hebben, omdat hierdoor ook de uitspoeling van zuur grondwater uit de percelen afneemt. Hetzelfde geldt voor een eventuele maaiveldverlaging ten behoeve van natuurontwikkeling (B-Ware, 2020). In het voorkeursalternatief is sprake van het opzetten van het waterpeil in het Middengebied. Uit een verkennende analyse (Zie deelrapport Water, bodem en klimaat) blijkt dat door het opzetten van het waterpeil in het Middengebied, in een deel van de Groene Waterparel de kwel toe kan nemen, zij het beperkt (0,05 mm/dag). Omdat uitgangspunt is dat er geen verandering optreedt in de Groene Waterparel, vergt het nog nader onderzoek om de noodzaak en het type maatregel te bepalen die daarvoor kan zorgen. Dit onderzoek vindt plaats in het kader van het waterhuishoudkundig plan, het besluit dat eerst genomen moet worden voordat het waterpeil opgehoogd kan worden. Vanuit provinciaal beleid is externe werking niet van toepassing op NNNgebieden. Hoewel vanuit provinciaal beleid negatieve effecten niet verder onderzocht hoeven te worden, zijn effecten vanuit ecologisch oogpunt door externe werking niet uit te sluiten. Er zal naar verwachting een toename zijn van verstoring door licht, geluid en recreanten in het natuurgebied.

Effecten zijn te verminderen (mitigeren) door het NNN-gebied dusdanig in te richten met wandelpaden e.d. dat recreanten door de minst verstoringsgevoelige gebieden worden geleid. Op deze manier worden effecten door verstoring van geluid en recreanten verminderd. Soorten die in de het NNN-gebied en de EVZ voor kunnen komen zijn dagvlinders, andere insecten, reptielen zoals ringslang, vogels zoals en kleine zoogdieren zoals hermelijn en wezel. De EVZ ligt in het voorkeursalternatief in de Groene Schakel. Dit is een gebied waar geen nieuwe woningbouw is beoogd. Dat maakt dat in het voorkeursalternatief effecten als gevolg van fysieke aantasting door woningbouw zijn uitgesloten. Wel zal er naar verwachting sprake zijn van beperkte verstoring door licht, geluid en recreanten in het natuurgebied en de ecologische verbindingszone. De EVZ wordt namelijk gekruist door de nieuwe uitsluitingsweg richting de N219 en door de bestaande Zuidelijke Dwarsweg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14966338/1