CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 11 Bijlage 7 MER Deelrapport Natuur A24.001859

Gemeenteraad 28 januari 2025, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv gewijzigd vaststellen CHW bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 228.636 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Middengebied Zuidplaspolder Deelrapport natuur bij het milieueffectrapport

Sweco Nederland B.V. Onderwerp:

Projectnummer: Klant: Datum: Auteur:

Handelsregister 30129769 Middengebied Zuidplaspolder. Deelrapport natuur bij het milieueffectrapport 51007971 Gemeente Zuidplas 07-07-2023 Maikell Verkade

2/93

Inhoudsopgave

1.

Inleiding ......................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding en doel ............................................................................................... 5 1.1.1 Bestemmingsplan en milieueffectrapportage Middengebied ................. 5 1.1.2 Doel voorliggend rapport ....................................................................... 6 1.2 Leeswijzer ........................................................................................................... 7

2.

Uitgangspunten ............................................................................................................. 9 2.1 Studiegebied ....................................................................................................... 9 2.2 Kaders wet- en regelgeving, beleid en richtlijnen ............................................. 10 2.2.1 Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden................................. 10 2.2.2 Wet natuurbescherming: soortenbescherming .................................... 11 2.2.3 Provinciaal beleid ................................................................................. 11 2.3 Beoordelingskader en ingreep-effectrelaties .................................................... 13 2.4 Aannames en uitgangspunten .......................................................................... 13 2.5 Methodiek .......................................................................................................... 13

3.

Referentiesituatie......................................................................................................... 15 3.1 Huidige situatie .................................................................................................. 15 3.1.1 Natura 2000-gebieden ......................................................................... 15 3.1.2 In Provinciaal beleid ............................................................................. 16 3.1.3 Beschermde soorten ............................................................................ 19 3.2 Autonome ontwikkelingen ................................................................................. 32 3.2.1 Natura 2000-gebieden ......................................................................... 32 3.2.2 Provinciaal beschermde gebieden....................................................... 32 3.2.3 Beschermde soorten ............................................................................ 33 3.2.4 Biodiversiteit......................................................................................... 33

4.

Effectbeoordeling alternatieven ................................................................................... 34 4.1 Beoordelingscriteria .......................................................................................... 34 4.2 Effecten op Natura 2000-gebieden ................................................................... 35 4.2.1 Basisalternatief .................................................................................... 35 4.2.2 Effecten alternatieven .......................................................................... 37 4.3 Provinciaal beschermde gebieden .................................................................... 38 4.3.1 Basisalternatief .................................................................................... 38 4.3.2 Effecten alternatieven .......................................................................... 40 4.4 Beschermde en bedreigde soorten ................................................................... 41 4.4.1 Basisalternatief .................................................................................... 41 4.4.2 Effecten alternatieven .......................................................................... 43

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: sweco.projectId Datum: 07-07-2023

Versie:

Document referentie: \\sweco.se\nl\ams01\project\5305\51007971_zuidplaspolder_mer_bestemmingsplan\02_project\c_werkdocumenten\natuur\mer middengebied zuidplaspolder - deelrapport natuur - d0.0.docx

3/93

4.5

4.6

4.7 5.

Totstandkoming robuuste ecologische verbinding ............................................ 46 4.5.1 Basisalternatief .................................................................................... 46 4.5.2 Effecten alternatieven .......................................................................... 47 Biodiversiteit ...................................................................................................... 49 4.6.1 Basisalternatief .................................................................................... 49 4.6.2 Effecten alternatieven .......................................................................... 49 Conclusie en aanbevelingen voor VKA ............................................................. 50

Effectbeoordeling VKA ................................................................................................ 53 5.1 Inleiding ............................................................................................................. 53 5.2 Effectbeoordeling VKA ...................................................................................... 54 5.2.1 Effecten op Natura 2000 ...................................................................... 54 5.2.2 Effecten op provinciaal beschermde gebieden .................................... 56 5.2.3 Effecten op beschermde en bedreigde soorten ................................... 59 5.2.4 Effecten op de totstandkoming robuuste ecologische verbinding ....... 61 5.2.5 Effecten op biodiversiteit ...................................................................... 62 5.2.6 Conclusies effectbeoordeling VKA ...................................................... 63 5.3 Conclusies, aanbevelingen en maatregelen ..................................................... 64 5.4 Leemten in kennis ............................................................................................. 65

Referenties ............................................................................................................................ 66 Bijlage 1 Begrippenlijst ..................................................................................................... 68 Bijlage 2 Achtergrondinformatie ............................................................................................ 70 Bijlage 3 Rode Lijstsoorten .............................................................................................. 76 Bijlage 4 Toelichting stikstofdepositie .............................................................................. 80 Bijlage 5 Aanvullende onderbouwing windturbines ......................................................... 82 Bijlage 6 Relatie ecologische kwaliteit en peilfluctuatie ................................................... 88

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: sweco.projectId Datum: 07-07-2023

Versie:

Document referentie: \\sweco.se\nl\ams01\project\5305\51007971_zuidplaspolder_mer_bestemmingsplan\02_project\c_werkdocumenten\natuur\mer middengebied zuidplaspolder - deelrapport natuur - d0.0.docx

4/93

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.1.1

Bestemmingsplan en milieueffectrapportage Middengebied

De gemeente Zuidplas werkt aan de ontwikkeling van het Middengebied Zuidplaspolder. Het gaat om een integrale gebiedsontwikkeling waarin ruimte wordt geboden aan woningen, bedrijvigheid, (maatschappelijke) voorzieningen, infrastructuur en natuur. De kern van de ontwikkeling wordt gevormd door de realisatie van een nieuw dorp van 8.000 woningen. Tevens is een uitbreiding beoogd van de industrieterreinen Doelwijk en Gouwe Park. Het Middengebied ligt in de oksel van de A12 en de A20, tussen de kernen Nieuwerkerk a/d IJssel, Moordrecht en Zevenhuizen. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

Figuur 1.1 | Plangebied ontwikkeling Middengebied

Om de ontwikkeling van het Middengebied mogelijk te maken, moet een nieuw bestemmingsplan opgesteld worden. Het bestemmingsplan moet de planologische mogelijkheden bieden voor de ontwikkeling van het Middengebied. Bij de ontwikkeling van het Middengebied zijn belangrijke

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

5/93

(milieu)effecten niet op voorhand uit te sluiten. De gemeente Zuidplas heeft daarom besloten om bij het bestemmingsplan een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren. Als onderdeel van de m.e.r. wordt een Milieueffectrapport (MER) opgesteld.

1.1.2

Doel voorliggend rapport

In het MER worden de effecten van de ontwikkeling van het Middengebied beschreven. Dit gebeurt voor alle relevante thema’s die een relatie hebben met de fysieke leefomgeving. Een van de thema’s waar in het MER aandacht aan wordt besteed is natuur. Voorliggend rapport levert de input voor de effectbeschrijving en -beoordeling van de voorgenomen ontwikkeling voor dit thema. Dit rapport heeft in het proces van het MER op twee momenten input geleverd: 1. Een effectanalyse voor vijf alternatieven met als doel input leveren voor het samenstellen van een voorkeursalternatief. 2. Een effectanalyse van het voorkeursalternatief. 1. Vijf alternatieven In de eerste stap zijn de effecten onderzocht van vijf alternatieven: • Basisalternatief; • Alternatief ‘maximaal klimaatrobuust’; • Alternatief ‘Duurzame mobiliteit’; • Alternatief ‘Circulair / duurzame energie’; • Alternatief ‘Groen-blauw raamwerk’. De alternatieven worden uitgebreid beschreven in Bijlage 4 van het MER (Alternatievenbeschrijving). Het basisalternatief is de ontwikkeling van het Middengebied zoals beschreven in het Masterplan Middengebied Zuidplaspolder (maart 2021), vastgesteld in de Bestuurlijke Overeenkomst voor de Ontwikkeling Middengebied Zuidplaspolder (juli 2021) en verder uitgewerkt in het Stedenbouwkundige Casco Middengebied Zuidplaspolder (januari 2022).

Dit basisalternatief bevat uitgangspunten voor het programma van de woningbouw, het bedrijventerrein en de voorzieningen. Verder zijn in het basisalternatief uitgangspunten en ambities beschreven voor de invulling van de thema’s: • natuur/groen; • waterhuishouding; • klimaatadaptatie; • mobiliteit; • circulariteit en energie. In het basisalternatief zit als het ware het basis ambitieniveau van de gemeente voor het Middengebied. De vier overige alternatieven kennen in beginsel dezelfde uitgangspunten als het basisalternatief. Per alternatief is daar bovenop voor het betreffende thema een maximaal ambitieniveau uitgewerkt. Bijvoorbeeld: in het alternatief ‘maximaal klimaatrobuust’ is maximaal invulling gegeven aan maatregelen die er toe leiden dat de ontwikkeling van het Middengebied zo klimaatrobuust mogelijk is. Om het effect hiervan goed te kunnen onderscheiden blijven overige ambities gelijk aan het basisalternatief. En zo is in het alternatief

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

6/93

‘duurzame mobiliteit’ maximaal invulling gegeven aan het thema duurzame mobiliteit. Voorliggend rapport levert input voor de effectanalyse van de vijf alternatieven voor het thema natuur. Voorkeursalternatief Op basis van de effectanalyse van de vijf alternatieven is in het MER een Voorkeursalternatief (VKA) samengesteld. Dit VKA bestaat uit een combinatie van onderdelen/maatregelen uit de verschillende alternatieven. Daarnaast zijn ook zaken meegenomen die niet in het MER zijn meegenomen, maar wel van belang zijn in de keuzevorming. Denk bijvoorbeeld aan zaken als economische haalbaarheid, technische uitvoerbaarheid, risico’s, etc. De elementen waaruit het VKA bestaat zijn beschreven in Bijlage 4 van het MER (Alternatievenbeschrijving). Voor dit VKA is vervolgens gekeken of die leidt tot andere effecten dan reeds in beeld gebracht bij de vijf bovengenoemde alternatieven. In voorliggend rapport worden de effecten van het VKA beschreven voor het thema natuur.

1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden de uitgangspunten beschreven die zijn gehanteerd bij het onderzoek. Er wordt onder meer ingegaan op het studiegebied, de relevante kaders vanuit wet- en regelgeving en beleid, het beoordelingskader en de manier waarop het onderzoek is uitgevoerd. De effecten van de planontwikkeling worden onderzocht ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie wordt gevormd door de huidige situatie, aangevuld met de autonome ontwikkelingen. Een beschrijving van de voor het voorliggend onderzoek relevante referentiesituatie is opgenomen in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 worden de effecten van de vijf alternatieven beschreven. In dat hoofdstuk wordt eerst stil gestaan bij de beoordelingscriteria die worden gehanteerd. Vervolgens worden per criterium de effecten beschreven en beoordeeld. Het hoofdstuk eindigt met een samenvatting en een conclusie van de effecten en de onderscheidende verschillen tussen de alternatieven. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 in beeld gebracht wat de effecten zijn van het voorgestane voorkeursalternatief. Daarbij wordt ook aangegeven of er op dit moment nog sprake is van leemten in kennis. In bijlage 1 worden ecologische begrippen verklaard, achtergrondinformatie over de wet- en regelgeving voor natuur wordt in bijlage 2 gegeven.

In bijlage 3 is lijst met Rode Lijst soorten opgenomen, in bijlage 4 wordt een toelichting op de stikstofdepositie gegeven en in bijlage 5 is een aanvullende onderbouwing met betrekking tot windmolens gegeven.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

7/93

MER herziening omgevingsbeleid Provincie Zuid-Holland Op het moment van opstellen van het MER voor het Middengebied heeft de provincie Zuid-Holland een deel van haar beleid herzien, zodat de ontwikkeling van het Middengebied zoals opgenomen in de Bestuurlijke Overeenkomst Middengebied van 1 juni 2021 hier binnen past. Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 12 oktober 2022 de Herziening van het provinciale omgevingsbeleid voor het Middengebied van de Zuidplaspolder vastgesteld. Deze is daarna op 1 november in werking getreden. Voor de Herziening is begin 2022 een provinciaal MER opgesteld (MER Herziening provinciaal omgevingsbeleid, Witteveen+Bos, maart 2022). In juli 2022 is een aanvulling opgesteld naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. Bij het MER voor het Middengebied is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de resultaten van dit provinciaal MER. Daaruit beschikbare informatie is ook meegenomen in voorliggend deelrapport.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

8/93

2. Uitgangspunten 2.1 Studiegebied Om effecten op natuurwaarden inzichtelijk te krijgen is gekeken naar de wettelijk beschermde gebieden en soorten, de bedreigde soorten (Rode Lijstsoorten) en de middels provinciaal beleid beschermde gebieden (waaronder Natuurnetwerk Nederland) en overig beschermde gebieden zoals belangrijk weidevogelgebied. Dit is ook gedaan buiten het plangebied, de zogenaamde “invloedsfeer van het plan”. Wat deze invloedsfeer is, is afhankelijk van het voorgenomen plan en het natuuraspect dat verstoring kan ondervinden. Voor de beschermde Natura 2000-gebieden is voor het studiegebied een grens van 25 kilometer aangehouden, omdat deze grens in het stikstofrekenprogramma AERIUS Calculator wordt gehanteerd. Na deze grens worden geen effecten meer door een eventuele toename aan stikstofdepositie berekend. Het studiegebied is voor effecten op beschermde soorten eveneens groter dan het plangebied. Om de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied te onderzoeken, maar ook om mogelijke effecten op beschermde soorten buiten het plangebied te kunnen bepalen, is tot ongeveer 3 kilometer buiten de plangrens naar de aanwezigheid van beschermde soorten gekeken. In het omgevingsbeleid van de provincie Zuid Holland is opgenomen dat niet getoetst hoeft te worden op externe werking bij Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Desondanks kan er sprake zijn van effecten als gevolg van dit voornemen op NNN-gebieden buiten het plangebied. In dit onderzoek is daarom ook kwalitatief gekeken naar mogelijk effecten op NNN-gebieden buiten het plangebied.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

9/93

Figuur 2.1 | Studiegebied voor aspect stikstof(groene cirkel) en ligging van het plangebied (rode cirkel)

2.2 Kaders wet- en regelgeving, beleid en richtlijnen Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: • Wet natuurbescherming:  Natura 2000-gebieden  Soorten  Houtopstanden • Provinciaal beleid  Natuurnetwerk Nederland (NNN)  Gebieden buiten het NNN zoals ganzenfoerageergebied en belangrijk weidevogelgebied • Gemeentelijk beleid

2.2.1

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden

2.2.1.1

Toetsingskader

Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn er instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming (Wnb) een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningsplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

10/93

goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000gebied niet in het geding zijn. Zie voor een nadere toelichting op de Wet natuurbescherming, Natura 2000 in bijlage 2.

2.2.2

Wet natuurbescherming: soortenbescherming

2.2.2.1

Toetsingskader

In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: • Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) • Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) • Andere soorten (artikel 3.10 e.v.) Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht (Art. 1.11). Deze zorgplicht is altijd van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd. Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld1. Ook onder Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie ZuidHolland geldt de reguliere landelijke lijst.

Voor Andere beschermde soorten geldt dat voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet (opzettelijk) vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet (opzettelijk) mogen worden gedood of verwond. Zie voor een nadere toelichting op de Wet natuurbescherming, soortenbescherming in bijlage 2.

2.2.3

Provinciaal beleid

2.2.3.1

Toetsingskader

De regels omtrent ruimtelijke kwaliteit waarvan gebieden met natuurwaarden een onderdeel zijn is in de provincie Zuid-Holland is vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening 2022 (Provincie Zuid-Holland, 2022) artikel 6.9. Er zijn drie beschermingscategorieën waarvan categorie 1 en 2 van belang zijn in het kader van gebieden met natuurwaarden: 1. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de 1 Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Lijst jaarrond beschermde nesten (Lijst jaarrond

beschermde nesten (rvo.nl)

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

11/93

Bollenstreek, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e of 6.9f. 2. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9c of 6.9d. 3. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, kan ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a (landschappelijke inpassing van het plan). Er zijn daarmee 4 type beschermde gebieden aan te wijzen: • Categorie 1: o Natuurnetwerk Nederland (NNN) o Graslanden Bollenstreek • Categorie 2: o Weidevogelgebied o Groene buffer

Figuur 2.2 | Ligging van de gebieden binnen de drie beschermingscategorieën (provincie Zuid-Holland, 2022).

De afweging voor ruimtelijke ingrepen in beschermingscategorie 1 en 2 gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’ (figuur 2.3). In provincie Zuid-Holland is de externe werking niet van toepassing. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het onderzoeksgebied. Een natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het onderzoeksgebied en de noodzaak voor het doorlopen van een ‘nee, tenzij, procedure’.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

12/93

Figuur 2.3 | Het ‘nee, tenzij’-principe van het compensatiebeginsel.

2.3 Beoordelingskader en ingreepeffectrelaties Voor het MER is op basis van de NRD en het advies van de Commissie m.e.r. een beoordelingskader vastgesteld. Voor het aspect natuur geldt het volgende beoordelingskader: Thema Natuur

Aspecten Beschermde gebieden Beschermde en bedreigde soorten Totstandkoming robuuste ecologische verbinding Biodiversiteit

2.4 Aannames en uitgangspunten Om de effecten door stikstofdepositie in kaart te brengen is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator. In deze online applicatie wordt de stikstofdepositie berekend tot een afstand van 25 kilometer. Opgemerkt wordt dat, hoewel er na deze grens geen effect meer wordt berekend, stikstofdepositie bij grote plannen op (veel) grotere afstand (> 100 kilometer) kunnen neerslaan. De vraag die momenteel door de Raad van State wordt getoetst is of deze begrenzing dan ook juridisch gezien correct is. De algemene verwachting is dat deze begrenzing juridisch niet houdbaar is en zal komen te vervallen en dat er geen rekenkundige begrenzing meer zal worden ingesteld. Het is daarom belangrijk deze jurisprudentie te volgen en, indien jurisprudentie daartoe aanleiding geeft, de AERIUS-berekening in vervolgstappen van de bestemmingsplanprocedure te actualiseren. Voor het in kaart brengen van de aanwezigheid van beschermde soorten zijn de volgende bronnen gebruikt: a) Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2018--2023; b) soortenatlassen; c) websites met verspreidingsinformatie.

2.5 Methodiek De initiatiefnemer is van plan om het plangebied te ontwikkelen met woningen, bedrijventerrein en natuur. Wanneer bij dergelijke ontwikkelingen beschermde gebieden of beschermde plant- of diersoorten in het geding kunnen zijn, dient te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om inzichtelijk te maken of de kans bestaat dat dit het geval is bij het voorgenomen plan, is dit natuuronderzoek uitgevoerd.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

13/93

Het natuuronderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten op (beschermde) natuurwaarden in het plangebied en binnen de invloedssfeer van het plangebied. Voor dit natuuronderzoek is een verkennend veldbezoek uitgevoerd, aangevuld met bronnenonderzoek. In het bronnenonderzoek wordt gekeken naar de verspreiding van (beschermde) soorten in en in de directe omgeving van het plangebied. Op basis van een veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Samen met het bronnenonderzoek geeft dit een goed beeld van de potentiële aanwezigheid van (beschermde) soorten(groepen) in het plangebied. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 10 maart 2022 door een ecoloog Sweco. Soortgericht onderzoek wordt – indien nodig – uitgevoerd na vaststelling van het bestemmingsplan, (ruim) voorafgaand aan de uitvoeringsfase(s) zodat tijdig een eventueel benodigde ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming kan worden verkregen.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

14/93

3. Referentiesituatie 3.1 Huidige situatie 3.1.1

Natura 2000-gebieden

Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000-kaart, zoals beschikbaar via het Nationaal Georegister2. Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gelegen in of nabij een gebied(en) die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde gebieden zijn de Natura 2000-gebieden “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein”, gelegen op ca. 8 km ten noordoosten van het plangebied en “De Wilck”, gelegen op ca 10 km ten noordwesten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde gebied met stikstofgevoelige habitats is Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Dit gebied is op ca. 13 km ten noordoosten van het plangebied gelegen. Opgemerkt wordt dat het Natura 2000-gebied “Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein” dit jaar wordt aangewezen als stikstofgevoelig gebied 3 en ligt op ca 7,5 km ten noordoosten van het plangebied. De ligging van de Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied is weergegeven in figuur 3.1.

Figuur 3.1 | Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden. 2 Natura 2000 in Zuid-Holland (arcgis.com) 3 Bron: Kamerbrief minister stikstof (mei 2022)

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

15/93

De Wilck Het gebied De Wilck bestaat uit vochtige en natte graslanden. De Wilck maakt onderdeel uit van het Hollands-Utrechtse veenweidegebied. De veengebieden zijn pas vanaf de 10e eeuw in gebruik genomen en vanaf de dertiende eeuw is sprake van een systeem van polders en boezems waarop het water wordt uitgeslagen. De Slingerwetering die door het gebied loopt maakte vroeger deel uit van de loop van een eertijds uit het hoogveen ontspringend veenstroompje de Wilck. Het gebied is van betekenis als foerageergebied en vooral rustplaats voor kleine Zwanen, die van hieruit ook in de omgeving van het gebied foerageren. Daarnaast is het gebied van enige betekenis als rust- en foerageergebied voor smienten (natura2000.nl). Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein ligt in het Groene Hart van ZuidHolland in een nat graslandgebied. Op klei-op-veengronden in de nabijheid van rivieren komt hier van oudsher de kievitsbloem voor, een soort die zich sterk wist uit te breiden in de Gouden Eeuw, toen in dit gebied de weinig productieve blauwgraslanden geschikter werden gemaakt als landbouwgrond door bemesting met slootbagger, koemest, compost en huishoudelijk afval. De poldergraslanden rondom Gouda en Reeuwijk zijn sinds die tijd vermaard om de massaal bloeiende kievitsbloemen, die hier 'wilde tulpen' werden genoemd.

Polder Stein, in de nabijheid van Reeuwijk, herbergt momenteel het laatste belangrijke restant in West-Nederland van de hier ooit wijd verspreid voorkomende hooilanden met wilde kievitsbloem. Het open water en de graslanden dienen als foerageer- en rustgebied voor watervogels, met name kleine zwaan en smient. Daarnaast van enige betekenis voor krakeend en slobeend (Broekvelden/Vettenbroek). Als slaapplaats dient vooral de plas Broekvelden/Vettenbroek, voor de kleine zwaan tevens Polder Stein, waar ze, vooral in het noordelijk deel, ook overdag te vinden zijn (natura2000.nl). De Nieuwkoopse Plassen en de Haeck De Nieuwkoopse Plassen en de Haeck zijn restanten van het voormalige Hollandse kustvlakteveen en is een laagveenverlandingsgebied waarin, naast veenplassen met bijzondere watervegetaties, een grote oppervlakte overgangsveen en moerasheide is gevormd. Het is tevens het meest westelijk gelegen verlandingsgebied waarin nog lokaal goed ontwikkelde vegetaties van basenrijk overgangsveen te vinden zijn. Belangrijk broedgebied voor broedvogels van rietmoerassen (roerdomp, purperreiger, snor, rietzanger). Ook van enig belang als broedgebied voor enkele andere moeras- en watervogels (zwartkopmeeuw, zwarte stern). Voor de zwartkopmeeuw betreft het de grootste broedkolonie buiten de Delta (natura2000.nl).

3.1.2

In Provinciaal beleid

Natuurnetwerk Nederland Voor de inventarisatie van gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is gebruik gemaakt van de interactieve kaart van de provincie Zuid-Holland4. Hieruit blijkt dat in het plangebied een gebied is gelegen dat behoort tot het NNN, zie figuur 3.2. Dit betreft de ‘Groene Waterparel’. Tevens loopt door het gebied een ecologische verbindingszone (EVZ), zie figuur 3.2. Op het moment van opstellen van dit deelrapport ligt er een ontwerp herziening van het omgevingsbeleid van de provincie ter inzage. Hierin is de ligging van de 4 NatuurNetwerk Nederland (arcgis.com)

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

16/93

EVZ gewijzigd (zie figuur 3.3). Omdat dit nieuwe beleid bij het uitvoeren van het alternatievenonderzoek nog niet was vastgesteld, is voor deze analyse uit gegaan van het dan vigerende beleid. In het uiteindelijke voorkeursalternatief (VKA) zal rekening worden gehouden met het op dat moment vigerende beleid. Mocht de nieuwe ligging van de EVZ op dat moment zijn vastgesteld, dan zal die in het VKA meegenomen worden.

Figuur 3.2 | Ligging Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen (groen en donkerblauw = NNN-gebied en paarse lijn = natuurverbinding/evz).

Figuur 3.3 | Ligging EVZ in het nog nieuw vast te stellenen provinciale omgevingsbeleid. In rood de huidige, vigerende ligging. In fel groen de ligging van de EVZ na herziening.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

17/93

Uit de Ambitiekaart van de provincie Zuid-Holland5 blijkt dat zowel het NNNgebied als de verbindingszone is aangewezen als beheertype N00.01 “nog om te vormen landbouwgrond naar natuur (inrichting)”, zie figuur 3.4. In de huidige situatie is (slechts) een klein deel van de geplande verbinding gerealiseerd en is er nog geen natuurontwikkelingsgebied ingericht. Het deel van de EVZ dat volgens de beheertypenkaart (ontwerp natuurbeheerplan 2023) gerealiseerd is (groene lijn, grenzend aan het plangebied), is aangewezen als beheertype N12.02 “Kruiden- en faunarijk grasland”.

Figuur 3.4 | Ambitiekaart NNN en ecologische verbindingszone (roze gebieden en lijn).

Gezien de bijzondere natuurwaarden en unieke hydrologische situatie in de Groene Waterparel in het plangebied is dit de natuurkern van het plangebied. De Groene Waterparel vormt na realisatie van de geplande ecologische verbindingen en natuurontwikkelingsgebieden de schakel in de groen-blauwe verbinding tussen Wassenaar, Bentwoud, Krimpenerwaard en de Biesbosch. Belangrijk weidevogelgebied Voor de inventarisatie van gebieden die behoren tot de Belangrijke weidevogelgebieden is gebruik gemaakt van de interactieve kaart van de provincie Zuid-Holland6. Hieruit blijkt dat in het plangebied niet is gelegen in of nabij een gebied dat behoort tot een belangrijk weidevogelgebied, zie figuur 3.5. Wel blijkt uit NDFF gegevens dat in het plangebied in (zeer) beperkte mate weidevogels voorkomen, zie paragraaf 3.1.

5 Ontwerp natuurbeheerplan 2023 (zie Natuurbeheerplan (zuid-holland.nl) 6 NatuurNetwerk Nederland (arcgis.com)

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

18/93

Figuur 3.5 | Ligging plangebied t.o.v. belangrijk weidevogelgebied (groene gebieden op de kaart).

3.1.3

Beschermde soorten

Om een indruk te krijgen van de aanwezige (beschermde) soorten en hun verspreiding in het plangebied en de directe omgeving is gebruik gemaakt van de database van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Met de NDFF zijn zogenaamde verspreidingskaarten te maken. Deze kaarten geven met stippen aan waar een soort is waargenomen c.q. is ingevoerd. Een bekend fenomeen dat optreedt bij het maken van verspreidingskaarten is het ‘waarnemerseffect’. Door een waarnemerseffect kunnen in een gebied ‘witte vlekken’ optreden, wat inhoudt dat volgens de NDFF die soort niet voorkomt. Dit is echter niet met zekerheid te stellen, aangezien er gebieden zijn die niet of nauwelijks door mensen worden bezocht en er dus geen waarnemingen van soorten bekend zijn. Ook worden veel waarnemingen vanaf (openbare) wegen en paden gedaan, waardoor er overdreven veel waarnemingen op deze structuren zichtbaar zijn. Wat eveneens ook niet automatisch betekent dat een soort alleen daar voorkomt en niet dieper in een plangebied. De verspreidingskaarten van de NDFF dienen dan ook enkel om een indruk te geven van de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geven geen zekerheid bij witte vlekken of een soort wel of niet in een plangebied kan voorkomen.

3.1.3.1

Vogels

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied diverse vogelsoorten zijn waargenomen met een jaarrond beschermd nest, zie tabel 3.1 en figuur 3.6.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

19/93

Categorie 1 Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). Categorie 2 Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). Categorie 3 Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). Categorie 4 Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Categorie 5 Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze soorten vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd.

Wij adviseren een ecologisch deskundige op het gebied van vogels in te schakelen om te onderzoeken of er sprake is van zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden, die jaarronde bescherming van de nesten eisen.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

20/93

Tabel 3.1. Vogels met jaarrond beschermd nest Soort Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Beschermingscategorie 1 t/m 4 Categorie 4 Categorie 4 Categorie 2 Categorie 3 Categorie 4 Categorie 2 Categorie 3 Categorie 3 Categorie 4 Categorie 2 Categorie 3 Categorie 4 Categorie 1 Categorie 4 Categorie 4

Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Draaihals Ekster Gekraagde roodstaart Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Huiszwaluw IJsvogel Kleine bonte specht Koolmees Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Spreeuw Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart

Beschermingscategorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5 Categorie 5

Figuur 3.6 | Verspreiding vogels met jaarrond beschermd nest in en rondom het plangebied

In het plangebied komt bebouwing voor dat potentieel geschikt is voor gebouwbewonende soorten als huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil. Ook is in het gebied hoogopgaande begroeiing aanwezig dat potentieel geschikt is als

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

21/93

broedplaats voor vogels met een jaarrond beschermd nest zoals buizerd en sperwer Verder is het plangebied potentieel geschikt als foerageergebied voor vogels met een jaarrond beschermd nest zoals buizerd, sperwerk, kerkuil, steenuil en ransuil. Hoewel binnen het plangebied geen gebieden zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied komen verspreid door het plangebied wel, zei het (zeer) beperkt, weidevogels zoals grutto, kievit, tureluur en slobeend voor 7, zie onderstaande figuren.

Figuur 3.7 | Verspreiding kievit (links) en grutto (rechts) in en rondom het plangebied

Figuur 3.8 | Verspreiding tureluur (links) en slobeend (rechts) in en rondom het plangebied.

Het plangebied is potentieel geschikt voor (beschermde) soorten. Door het plan worden mogelijk verblijfplaatsen en/of functioneel leefgebied aangetast. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van beschermde soorten is noodzakelijk. Door het intensieve agrarische gebruik van het plangebied is het gebied niet tot weinig geschikt als leef- en/of broedgebied voor weidevogels. Desondanks wordt door het plan leefgebied van weidevogels aangetast. De aantasting is echter zeer gering in verband met de beperkte geschiktheid als leef- en/of broedgebied voor weidevogels.

7 Bron: NDFF; periode 2018-2023

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

22/93

3.1.3.2

Vleermuizen

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied de volgende vleermuissoorten (soorten habitatrichtlijn) voorkomen, zie tabel 3.2 en figuur 3.9. Tabel 3.2 | Waargenomen beschermde soorten vleermuizen in en in de omgeving van het plangebied Soort Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis

Beschermingsregime Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn Habitatrichtlijn

Figuur 3.9 | Verspreiding vleermuizen in en rondom het plangebied

In het plangebied is bebouwing aanwezig dat potentieel geschikt is als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Ook is in het plangebied hoogopgaande begroeiing aanwezig dat eveneens potentieel geschikt is als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen zoals rosse vleermuis en watervleermuis. Door aanwezige lijnvormige elementen – watergangen en bomenrijen – zijn in het plangebied mogelijk vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Ook is het plangebied door de aanwezigheid van watergangen, weilanden, bosschages en bomen(rijen) potentieel geschikt als foerageergebied voor vleermuizen zoals meervleermuis en watervleermuis. Door het plan gaan mogelijk verblijfplaatsen, vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen verloren of worden deze verstoord. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen is noodzakelijk.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

23/93

3.1.3.3

Grondgebonden zoogdieren

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied diverse (vrijgestelde) beschermde soorten grondgebonden zoogdiersoorten zijn waargenomen, zie tabel 3.3 en figuur 3.10. Tabel 3.3. Waargenomen beschermde soorten grondgebonden zoogdieren (Habitatrichtlijn of Andere soorten) in en in de omgeving van het plangebied Soort Bever Waterspitsmuis

Beschermingsregime Habitatrichtlijn Andere soorten

Soort Bosmuis Bunzing Dwergmuis Egel Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Veldmuis Vos Wezel Woelrat

Beschermingsregime Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld

Figuur 3.10 | Verspreiding beschermde grondgebonden zoogdieren in en rondom het plangebied

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied diverse beschermde zoogdiersoorten voorkomen. Het overgrote merendeel is vrijgesteld, waarbij nog wel de altijd geldende zorgplicht van toepassing is. In de directe omgeving van het plangebied komen 2 beschermde soorten voor, namelijk de bever en de waterspitsmuis. Bever Van de bever is bekend dat deze al jaren een verblijfplaats heeft nabij het station van Gouda. Verder komt de bever in de regio niet voor. Ook is het

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

24/93

plangebied niet geschikt als leefgebied voor de bever in verband met de afwezigheid van voldoende hoogopgaande houtige begroeiing om zijn burcht te bouwen en als voedsel te dienen. Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in het oostelijk deel van het plangebied, nabij de oksel van de A20 en het spoor. De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt (Zoogdiervereniging). Binnen het plangebied zijn deze vereisten verspreid aanwezig, maar met name in de Groene Waterparel. Door het plan gaat mogelijk leefgebied van de waterspitsmuis verloren. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van de waterspitsmuis is noodzakelijk.

3.1.3.4

Amfibieën en reptielen

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied enkele (vrijgestelde) beschermde soorten amfibieën en reptielen zijn waargenomen, zie tabel 3.4 en figuur 3.11. Tabel 3.4 | Waargenomen beschermde soorten amfibieën en reptielen (Habitatrichtlijn of Andere soorten) in en in de omgeving van het plangebied Soortgroep/soort Amfibieën Rugstreeppad Reptielen Ringslang

Beschermingsregime Habitatrichtlijn

Andere soorten

Soortgroep/soort Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Groene kikker (spec.) Kleine watersalamander Meerkikker

Beschermingsregime Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld Andere soorten; vrijgesteld

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

25/93

Figuur 3.11 | Verspreiding beschermde amfibieën en reptielen in en rondom het plangebied

Uit het bronnenonderzoek komt naar voren dat in en in het plangebied beschermde soorten voorkomen, waarvan het merendeel vrijgesteld is. Voor deze soorten geldt wel de zorgplicht. In en in de omgeving van het plangebied komen de rugstreeppad en de ringslang voor. Rugstreeppad De rugstreeppad is niet waargenomen in het plangebied, de dichtstbijzijnde waarneming is gedaan nabij ’t Weegje. De rugstreeppad is vooral een soort van terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad. De rugstreeppad heeft een voorkeur voor in de nabijheid van losgrondige zanderige bodems gelegen snel opwarmende bodemplaatsen en ondiep (tijdelijk) water, die bij voorkeur vegetatieloos en zonder concurrentie van andere amfibieën of van waterinsecten zijn. In brede en grotere watergangen komt de rugstreeppad niet voor, met uitzondering van de oevers. Ook in licht brak water kan de soort zich voortplanten. Het foerageergebied bevindt zich tot circa 500 meter in de omgeving van de plekken waar ze zich overdag bevinden (BIJ12, kennisdocument rugstreeppad).

Binnen het plangebied is potentieel geschikt leefgebied aanwezig, zo zijn de aanwezige kassen geschikt als overwinteringslocatie en kunnen de watergangen in het gebied dienen als voortplantingswateren. Door het voorgenomen plan gaat (mogelijk) potentieel geschikt leefgebied van de rugstreeppad verloren. Ringslang De ringslang is in het plangebied waargenomen in de oksel van de A20 en het spoor. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laaggelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Met name de

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

26/93

ontwikkeling van de eieren en de overwintering vormen in polders een probleem (RAVON). Binnen het plangebied is potentieel geschikt leefgebied voor de ringslang aanwezig, deze zijn verspreid door het gebied aanwezig, maar met name in de Groene Waterparel. Door het voorgenomen plan gaat (mogelijk) potentieel geschikt leefgebied van de ringslang verloren. Door het plan gaat mogelijk leefgebied van de rugstreeppad en de ringslang verloren. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van de rugstreeppad en de ringslang is noodzakelijk.

3.1.3.5

Vissen

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied geen beschermde vissen zijn waargenomen. Wel is het plangebied geschikt voor algemene soorten als baars, tiendoornige stekelbaars, snoek, ruisvoorn en zeelt. Door het voorgenomen plan gaat leefgebied voor vissen verloren, waarbij de zorgplicht in acht genomen moet worden.

3.1.3.6

Ongewervelden

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied diverse beschermde ongewervelden zijn waargenomen, zie tabel 3.5 en figuur 3.12. Tabel 3.5 Waargenomen beschermde ongewervelden (Habitatrichtlijn of Andere soorten) in en in de omgeving van het plangebied Soort Groene glazenmaker Grote vos

Beschermingsregime Habitatrichtlijn Andere soorten

Figuur 3.12 Verspreiding beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied

In het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde soorten bekend. Wel komen in de omgeving van het plangebied 3 beschermde soorten voor.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

27/93

Van deze twee soorten kan de grote vos op voorhand worden uitgesloten. De grote vos is een soort die weinig algemeen is in Nederland en voornamelijk als dwaalgast wordt waargenomen. Op basis van het aanwezige habitat zijn delen van het plangebied potentieel geschikt voor de platte schijfhoren. Groene glazenmaker De groene glazenmaker komt voor in stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden: plassen, sloten en petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden (Vlinderstichting). De groene glazenmaker is waargenomen in de Reeuwijkse Plassen. In het plangebied zijn geen krabbenscheervelden waargenomen, waardoor de aanwezigheid van de groene glazenmaker in het plangebied is uit te sluiten. Platte schijfhoren De platte schijfhoren komt voor in zoete, heldere en schone wateren met een rijke begroeiing. Vaak in draadalg-vegetaties. Ook in andere vegetaties, zoals in wateren met krabbenscheer. Daarnaast soms op de wortels van onder andere Lisdodde en vergelijkbare oevergebonden planten. De soort leeft niet in verontreinigd of brak water. De platte schijfhoren is in de periode voor 2018 waargenomen nabij de Stolwijkersluis en ten noorden van de Willem-Alexanderbaan. In het plangebied is potentieel geschikt leefgebied voor de platte schijfhoren aanwezig wat mogelijk verloren gaat door het voorgenomen plan.

Door het plan gaat mogelijk potentieel geschikt leefgebied van de platte schijfhoren verloren. Aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van de platte schijfhoren is noodzakelijk.

3.1.3.7

Planten

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied enkele beschermde plantensoorten zijn waargenomen, zie tabel 3.6 en figuur 3.13. Tabel 3.6. Waargenomen overige beschermde soorten (Habitatrichtlijn of Andere soorten) in en in de omgeving van het plangebied Soort Groot spiegelklokje Kruiptijm Naakte lathyrus Schubvaren Smalle raai Wolfskers

Beschermingsregime Andere soorten Andere soorten Andere soorten Andere soorten Andere soorten Andere soorten

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

28/93

Figuur 3.13 | Verspreiding beschermde planten in en rondom het plangebied

In het plangebied zijn geen waarnemingen van beschermde planten. Ook is het plangebied niet geschikt voor beschermde planten door het intensieve agrarische gebruik.

3.1.3.8

Rode Lijstsoorten

Uit de NDFF database blijkt dat in en in de omgeving van het plangebied verschillende Rode Lijst soorten8 zijn waargenomen, waarvan 53 vogelsoorten, 3 vleermuissoorten, 5 grondgebonden zoogdiersoorten, 4 vissoorten, 1 amfibiesoort, 2 reptielsoorten, 27 ongewerveldensoorten en 104 plantensoorten. Een overzicht van de Rode Lijstsoorten is weergegeven in tabel 3. Een overzicht van hun verspreiding is weergegeven in figuur 3.14.

8 Rode lijstsoorten zijn bedreigd of kwetsbaar, maar hebben geen juridisch beschermde status. In

de praktijk hebben we wel een belangrijke signaleringsfunctie.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

29/93

Figuur 3.14. Verspreiding Rode Lijstsoorten vogels

Figuur 3.15 | Verspreiding Rode Lijstsoorten vleermuizen

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

30/93

Figuur 3.16 | Verspreiding Rode Lijstsoorten grondgebonden zoogdieren

Figuur 3.17 | Verspreiding Rode Lijstsoorten amfibieën, reptielen en vissen

Figuur 3.18 | Verspreiding Rode Lijstsoorten ongewervelden

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

31/93

Figuur 3.19 | Verspreiding Rode Lijstsoorten planten

Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in het plangebied Rode Lijstsoorten voorkomen die tot de soortgroep vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en planten behoren, waarbij de meeste waarnemingen zijn gedaan van vogels. Dit kan verklaard worden doordat vogels van genoemde soortgroepen het meest eenvoudig zijn waar te nemen en dat naar deze soortgroep het meest wordt gekeken. Het plangebied is door de huidige situatie – intensief gebruikt agrarisch land, wonen en bedrijven – weinig geschikt voor Rode Lijstsoorten.

3.2 Autonome ontwikkelingen 3.2.1

Natura 2000-gebieden

Voor de Natura 2000-gebieden zijn beheerplannen opgesteld. In deze plannen wordt de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen voor soorten en habitats getoetst en een maatregelpakket samengesteld om de doelstellingen te behalen. Door het uitvoeren van maatregelen zal de kwaliteit en/of omvang van het leefgebied voor aangewezen soorten en habitattypen binnen de Natura 2000-gebieden toenemen.

3.2.2

Provinciaal beschermde gebieden

De provincie Zuid-Holland heeft de ambitie om een ecologische verbindingszone te realiseren in het plangebied dat de gebieden Krimpenerwaard en het Bentwoud met elkaar moet gaan verbinden. Vanuit landelijk beleid moet in 2027 in heel Nederland de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gerealiseerd zijn. Voor de Zuidplas betekent dit aankoop en inrichten van gronden ten behoeve van de nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De doelen voor de NNN in de Zuidplas houden verband met de hoge grondwaterstanden en de aanwezigheid van kwel. De realisatie van de NNN beoogt een toename van het oppervlak van overwegend natte natuurdoeltypen, zoals zoetwatergemeenschap (verlandingsgemeenschap), rietland, ruigte, nat schraal grasland, moeras en op de hogere delen bloemrijk grasland. Het gebied wordt

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

32/93

na realisatie waardevoller voor diverse planten en diersoorten, zoals riet en moerasvogels, watergebonden vleermuizen, ringslang, vissen en amfibieën.

3.2.3

Beschermde soorten

Het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) voert een aantal maatregelen uit om de waterkwaliteit in de Zuidplas te verbeteren en de kans op wateroverlast te verkleinen. De volgende maatregelen mogen beschouwd worden als autonome ontwikkeling: • de aanleg van natuurvriendelijke oevers bij watergangen die aangewezen zijn als waterlichaam. Het is op dit moment niet bekend welke oevers al dan niet worden omgevormd tot natuurvriendelijke oever. Daarom wordt als referentiesituatie uitgegaan van de huidige staat van de oevers; • het aansluiten van alle huidige glastuinbouwbedrijven op de riolering. Het voedselrijke drainwater wordt dan niet meer op het oppervlaktewater geloosd, maar wordt afgevoerd naar de zuivering; • maatregelen die de vismigratie bevorderen door het passeerbaar maken van gemaal Abraham Kroes, onderliggende gemalen en stuwtjes. Alle genoemde maatregelen hebben doorgaans een positief effect op de waterkwaliteit en de structuur van oevervegetatie en zullen de migratie van soorten door het water of langs de oevers verbeteren. Waterplanten en oeverplanten, vissen en amfibieën zullen hier het meest van profiteren, maar ook insecten, zoals libellen, vlinders en sprinkhanen en zoogdieren zoals waterspitsmuis en meervleermuis.

De aanwezigheid van structuurrijke oevervegetatie vergroot de kansen voor kleine zoogdieren, insecten en een aantal vogelsoorten.

3.2.4

Biodiversiteit

Binnen het plangebied zal door de ontwikkeling van de evz de biodiversiteit toenemen. Ook heeft de gemeente een initiatief ontwikkeld om de akkerranden bloemrijker te maken, hierdoor zal de biodiversiteit in het plangebied ook toenemen.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

33/93

4. Effectbeoordeling alternatieven 4.1 Beoordelingscriteria In deze rapportage zijn de volgende vier beoordelingscriteria gehanteerd: • Beschermde gebieden • Beschermde en bedreigde soorten • Totstandkoming robuuste ecologische verbinding • Biodiversiteit Hiervoor zijn volgende beoordelingskader geformuleerd: Beschermde gebieden ++ + 0/+ 0 0/--

Beschermde gebieden worden uitgebreid en kwalitatief versterkt, er is bovendien sprake van een afname aan nutriëntenaanvoer (waaronder stikstof en fosfaat). Beschermde gebieden worden uitgebreid en kwalitatief versterkt. Beschermde gebieden worden kwalitatief versterkt. Er verandert weinig t.o.v. de referentiesituatie. Beschermde gebieden worden kwalitatief aangetast. Beschermde gebieden worden kleiner en kwalitatief aangetast. beschermde gebieden worden kleiner en kwalitatief aangetast, bovendien is er sprake van een significante toename aan stikstofdepositie.

Beschermde en bedreigde soorten ++ + 0/+ 0 0/--

Er ontstaat nieuw leefgebied voor nog niet aanwezige (beschermde of bedreigde) soorten en bestaande soorten blijven behouden. Er ontstaat nieuw leefgebied voor reeds aanwezige (beschermde of bedreigde) soorten. Bestaand leefgebied van (beschermde of bedreigde) soorten verbetert. Er zijn geen effecten op beschermde soorten. De leefomstandigheden van een enkele beschermde of bedreigde soort verslechtert in beperkte mate. De leefomstandigheden van verscheidene beschermde of bedreigde soorten verslechtert in sterke mate. Habitat van soorten verdwijnt, waardoor ook soorten zullen verdwijnen.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

34/93

Totstandkoming robuuste ecologische verbinding ++

+ 0/+ 0 0/--

Er worden robuuste ecologische verbindingen toegevoegd naast bestaande ecologische verbindingen én bestaande ecologische verbindingen worden kwalitatief verbeterd en kwantitatief uitgebreid. Bestaande ecologische verbindingen worden kwalitatief verbeterd en kwantitatief uitgebreid. Bestaande ecologische verbindingen worden kwalitatief verbeterd. Er verandert weinig t.o.v. de referentiesituatie Bestaande ecologische verbindingen verliezen kwaliteit. Bestaande ecologische verbindingen verliezen kwaliteit en nemen in oppervlakte af. Bestaande ecologische verbindingen verdwijnen.

Biodiversiteit ++ + 0/+ 0 0/--

De biodiversiteit binnen en buiten beschermde natuur neemt significant toe in areaal, connectiviteit en kwaliteit. De biodiversiteit in het plangebied neemt significant toe. Er is veel ruimte voor beleefbaar groen. De biodiversiteit in het plangebied neemt beperkt toe. Er is ruimte voor beleefbaar groen. Er verandert weinig t.o.v. de biodiversiteit in de referentiesituatie. De biodiversiteit in het plangebied neemt beperkt af. Wel is er ruimte voor beleefbaar groen. De biodiversiteit in het plangebied neemt af. Er is slechts beperkt ruimte voor beleefbaar groen. De biodiversiteit in het plangebied neemt significant af. Er is geen ruimte voor beleefbaar groen.

4.2 Effecten op Natura 2000-gebieden 4.2.1

Basisalternatief

Het plangebied is niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Directe effecten door het voorgenomen plan op Natura 2000gebieden zijn dan ook op voorhand uit te sluiten. Effecten op een Natura 2000-gebied kunnen ook op een indirecte manier (externe werking) – zoals door geluid, optische verstoring, etc. – optreden. Geluid en beweging die met werkzaamheden gepaard gaan, reiken tot enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein, zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Deze emissie kan zich verplaatsen over grote afstand en zodoende resulteren in stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitattypen. In het gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein zijn geen stikstofgevoelige habitattypen aangewezen en kunnen er derhalve geen doelstellingen in het geding komen.

Sweco | Middengebied Zuidplaspolder Projectnummer: 51007971 Datum: 07-07-2023

Versie: D0.0

35/93

Om te bepalen of er in andere Natura 2000-gebieden sprake is van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen, is een AERIUS-berekening uitgevoerd (Sweco, berekening van 20 juni 2022). Uit deze berekening komt naar voren dat er in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase sprake is van een toename van stikstofdepositie. In de aanlegfase gaat het om een maximale - tijdelijke - toename van 0,08 mol N/ha/jr. In de gebruiksfase gaat het om een maximale – permanente – toename van 0,47 mol N/ha/jr. De ontwikkeling van het Middengebied leidt er toe dat in het plangebied het agrarisch gebruik afneemt. De afname van stikstofdepositie van deze activiteiten mag in mindering worden gebracht. Dit heet ‘intern salderen’. Na intern salderen is er in de aanlegfase geen sprake van een toename > 0,00 mol N/ha/jr depositie en in de gebruiksfase van een maximale – permanente – toename van 0,03 mol N/ha/jr. In de aanlegfase is er geen toename aan stikstofdepositie op in Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats. Effecten door een tijdelijke toename aan stikstofdepositie in de aanlegfase zijn dan ook op voorhand uitgesloten. Bij nadere analyse van de rekenresultaten – in verband met een toename van 0,03 mol N/ha/jr – blijkt sprake te zijn van een zogenaamd ‘randeffect’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14966338/1