Bijlage 1 Transitievisie Warmte Gemeente Zuidplas A21.001825
Tekst van het document
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
WWW.DUURZAAMZUIDPLAS.NL
Voorwoord Klimaatverandering is een feit. De gevolgen daarvan zijn steeds beter merkbaar, mondiaal en in Zuidplas. Met die gevolgen zullen we moeten leren omgaan. Tegelijkertijd moeten we hard werken om verdere klimaatverandering te voorkomen. Dat kan alleen door de uitstoot van broeikasgassen snel terug te dringen, in de industrie, de landbouw en in de gebouwde omgeving. Door te werken aan energiebesparing en de energie die we nodig hebben duurzaam op te wekken, kunnen we de gebouwde omgeving verduurzamen. Het grootste deel van de energie die we verbruiken in onze buurten, is nodig voor warmte. In de Transitievisie Warmte staat welke stappen we gaan zetten om die warmtevraag in de komende dertig jaar te verduurzamen. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat elke gemeente voor het einde van 2021 een Transitievisie Warmte heeft vastgesteld.
De warmtetransitie is een behoorlijke uitdaging die de gemeente niet in haar eentje kan en wil realiseren. Het gaat immers om uw huis, waar u comfortabel wil kunnen wonen. De betrokkenheid van de inwoners bij de warmtetransitie is voor het college van Burgemeester en Wethouders dan ook cruciaal. Vanaf het begin hebben we daarom werk gemaakt van het informeren en betrekken van al onze inwoners. Een kleine twee jaar geleden hielden we informatieavonden in de dorpen. De betrokkenheid heeft ons toen positief verrast: bijna twaalfhonderd inwoners bezochten toen één van de vijf avonden. We beantwoordden ter plekke zoveel mogelijk vragen. En de vragen waar we nog geen antwoord op wisten, namen we mee terug als huiswerk. In het vervolgtraject moesten we omschakelen. We konden onze bewoners niet meer ontmoeten ‘in real life’ maar gelukkig wel ‘live’ via digitale avonden. We organiseerden kennissessies met externe deskundigen over onderwerpen waarover inwoners aangaven meer te willen weten. En we gingen de dialoog aan met meer dan zestig inwoners die zich hadden opgegeven voor de Inwonersadviesraad. Met deze raad stelden we bijvoorbeeld kaders op voor de warmtetransitie, die later door de gemeenteraad zijn vastgesteld. En nu ligt zij er dan: de Transitievisie Warmte.
Op basis van gesprekken met de inwoners van Zuidplas, overleg met woningcorporaties en netbeheerders en onderzoeken is duidelijk geworden met welke bronnen en technieken we de woningen en gebouwen van Zuidplas kunnen gaan verwarmen. Ook weten we in welke buurten we als eerste kunnen gaan verkennen hoe we de transitie vorm gaan geven. Dat moet haalbaar en betaalbaar zijn, zowel voor onze inwoners, de woningcorporaties, netbeheerders als voor de gemeente. Daarvoor is financiering vanuit het rijk onmisbaar. De hoogte daarvan is bepalend voor het tempo dat we in Zuidplas kunnen maken. Uiteraard zetten we de vervolgstappen ook weer samen met onze inwoners. Deze Transitievisie Warmte is dus een belangrijke stap, maar slechts de eerste van een lange, soms ingewikkelde, maar bovenal vooral duurzame en toekomstgerichte reis. De gemeente fungeert daarbij als reisleider, maar de route bepalen we samen met onze inwoners.
“De warmtetransitie is een behoorlijke uitdaging die de gemeente niet in haar eentje kan en wil realiseren. Het gaat immers om uw huis, waar u comfortabel wil kunnen wonen.”
Jan Verbeek Wethouder Duurzaamheid
Oktober 2021
2.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
3.
Inhoud
Inhoud
Inhoud
Inhoud
Voorwoord
3
Inhoud
4
Leeswijzer
6
1. Inleiding - de Transitievisie Warmte 1.1 Doel: Zuidplas aardgasvrij in 2050 1.2 Reikwijdte 1.3 Maatschappelijk draagvlak 1.4 Verkenningsbuurten 1.5 Samenhang en integraliteit 1.5.1. Gebiedspaspoorten 1.5.2 Onderhoud en beheer
7 8 9 9 9 10 10 10
2. Samenwerken in de warmtetransitie 2.1 De Transitietafel 2.2 Inwonersadviesraad 2.3 Communicatie en participatie 2.3.1 Communicatie 2.3.2. Participatie 2.4 Draagvlakonderzoek
11 12 12 12 12 13 13
3. Afwegingskader warmtetransitie 3.1 Uitgangspunten 3.2 Criteria voor de selectie van het Warmtealternatief 3.3 Criteria voor de selectie van de Verkenningsbuurten
15 16 16 17
4. Duurzame warmte 4.1 Aanlevertemperatuur 4.2 Warmtevoorziening 4.2.1 Collectieve warmtenetten 4.2.2 Individuele oplossingen 4.2.3 Kleinschalig-collectieve oplossingen 4.3 Broninzet 4.4 Isolatiemaatregelen als besparingsambitie 4.4.1 Woningen 4.4.2 Bedrijfspanden 4.4.3 Warmteprofielen
18 19 19 19 20 20 20 21 21 21 22
4.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
Inhoud
Inhoud
Inhoud
Inhoud
Inhoud
Inhoud
5. Zoekrichtingen per kern en buurt 5.1 Kernen van Zuidplas 5.1.1 Moerkapelle 5.1.2 Moordrecht 5.1.3 Nieuwerkerk aan den IJssel 5.1.4 Zevenhuizen 5.1.5 Verspreide bebouwing 5.1.6 Vijfde dorp 5.2 Verkenningsbuurten 5.2.1 Eerste fase: 2022-2025 5.2.2 Tweede fase: 2025-2035 5.2.3 Derde fase: na 2035 5.2.4 Doorlopend tot 2050
23 24 24 25 25 26 27 27 27 28 28 29 29
6. Uitvoeringsstrategie 1. Verkenningsfase 6.1.1. Spoor 1: gemeentebrede aanpak 6.1.2 Spoor 2: buurt-specifieke aanpak 6.2 Doorkijk in de Buurtuitvoeringsplannen 6.3 Energiearmoede 6.4 Handelingsperspectief
31 32 32 32 33 33 33
7. Financiën 7.1 Gemeentelijke inzet 7.1.1 Inzet verkenningsfase 7.1.2 Inzet uitvoeringsfase 7.1.3 Gemeentebrede inzet 7.2 Rijksmiddelen 7.3 Subsidie en financieringsvormen
34 34 35 35 35 36 36
8. Nawoord
37
Bijlage I, II, III & IV Bijlage I: Samenwerkingspartners en overlegstructuren Bijlage II: Warmtebronnen en -technieken Bijlage III: Mogelijkheden isolatie Bijlage IV: Voetnoten
38 38 39 41 42
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
5.
Leeswijzer
1. Inleiding - de Transitievisie Warmte
Hoofdstuk 1: Inleiding
Hoofdstuk 4: Duurzame warmte
De Transitievisie Warmte geeft aan hoe de gemeente Zuidplas de transitie naar duurzame warmte in de gebouwde omgeving vorm gaat geven. Deze warmtetransitie volgt op afspraken die overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties samen gemaakt hebben in het Klimaatakkoord, met als doel de uitstoot van broeikasgassen in 2050 teruggebracht te hebben tot nagenoeg nul. De gemeente Zuidplas geeft samen met haar inwoners en andere betrokken partners vorm aan deze uitdaging.
Voor de warmtetransitie zijn verschillende bronnen en technieken beschikbaar. Niet elke bron is overal beschikbaar en niet elke techniek is geschikt voor elk woningtype. Belangrijke factoren zijn de keuze voor het type warmtevoorziening, de temperatuur van de warmte en de beschikbaarheid van verschillende bronnen.
Hoofdstuk 2: Samenwerken in de warmtetransitie Deze visie is tot stand gekomen met de betrokkenheid van inwoners en partners als woningcorporaties en netbeheerders. Inwoners konden zich aanmelden voor een Inwonersadviesraad. Met professionele partijen werd apart overlegd aan een Transitietafel. Daarnaast heeft Zuidplas fors geïnvesteerd in communicatie, via informatieavonden en kennissessies en is er een pool van ambassadeurs opgericht. Hoofdstuk 3: Afwegingskader warmtetransitie Om zorgvuldige afwegingen te maken heeft Zuidplas ervoor gekozen om een Kadernota Warmtetransitie op te stellen. Deze kaders omvatten de waarden die Zuidplas hoog in het vaandel heeft staan en selectiecriteria die worden gewogen bij de keuze voor een warmtealternatief en de aanwijzing van de eerste verkenningsbuurten. De Kadernota is opgesteld in samenspraak met de Inwonersadviesraad en de Transitietafel en vastgesteld door de gemeenteraad.
Hoofdstuk 5: Zoekrichtingen per kern en buurt Op basis van beschikbare gegevens en nader onderzoek is in kaart gebracht welke warmtealternatieven in aanmerking komen om te worden toegepast in de verschillende buurten van Zuidplas. Met de Inwonersadviesraad en de Transitietafel is besproken welke buurten als eerste in aanmerking kunnen komen om de transitie naar aardgasvrije warmte verder te verkennen en welke buurten later aan de beurt komen.
Hoofdstuk 6: Uitvoeringsstrategie Tijdens de verkenning wordt per buurt uitgewerkt welke techniek wordt gekozen om aardgasvrij te worden en worden afspraken gemaakt over de communicatie met en participatie van bewoners, organisatie, financiering en de wijze waarop bewoners worden ondersteund en ontzorgd. Dit wordt vastgelegd in Buurtuitvoeringsplannen.
Hoofdstuk 7: Financiën Op dit moment is nog veel onduidelijk over de financiering die het Rijk ter beschikking gaat stellen aan gemeenten om alle taken rondom de warmtetransitie op te kunnen gaan pakken. De financiering vanuit het Rijk bepaalt of en in welk tempo de warmtetransitie in Zuidplas kan worden uitgevoerd.
Net als nu stond Nederland begin jaren zestig van de vorige eeuw aan de vooravond van een grote warmtetransitie. Tot die tijd bestonden er in een aantal gemeenten netwerken voor stadsgas. Maar verreweg de meeste woningen in Nederland werden verwarmd met kolen. Met de start van de gaswinning in Groningen in 1963, schakelde Nederland in recordtempo over op het veel schonere aardgas. Nog voor het einde van het decennium waren acht op de tien woningen aangesloten op aardgas. Nu, zestig jaar later, staat Nederland aan de vooravond van een nieuwe warmtetransitie. Om klimaatverandering in te dammen, moet de uitstoot van broeikasgassen worden teruggedrongen. In de Klimaatwet1 is vastgelegd dat deze uitstoot in 2050 ten opzichte van 1990 moet zijn teruggebracht met 95%. Warmte uit fossiele brandstoffen
6.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
zoals aardgas moet vervangen worden door alternatieven waarbij geen CO2 vrijkomt. Voor de huidige transitie is aanmerkelijk meer tijd: tot 2050. Maar de transitie is ook een stuk complexer. Allereerst is de woningvoorraad in de tussentijd meer dan verdubbeld. Ook het aantal betrokken partijen is groter geworden. De gastransitie in de jaren zestig was voornamelijk een overheidsaangelegenheid, waarbij het Rijk verantwoordelijk was voor de aanleg van grote gastransportnetten. En hoewel ook in de jaren zestig aanvankelijk lang niet iedereen zat te wachten op het nieuwe aardgas, is anno 2021 betrokkenheid van en meebeslissen door inwoners veel belangrijker geworden. De warmtetransitie kan niet meer eenzijdig van bovenaf worden opgelegd. Niet voor niets is in het Klimaatakkoord daarom afgesproken dat de regierol voor de warmtetransitie
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
7.
bij gemeente ligt. Zuidplas kiest daarbij voor maximale transparantie: de gemeente is bij elke stap open over de afwegingen en keuzes die worden gemaakt. Inwoners zijn actief betrokken bij de totstandkoming van deze Transitievisie Warmte en blijven ook daarna betrokken bij de verdere verkenningen en de uitvoeringsplannen. Wat de huidige warmtetransitie extra ingewikkeld maakt, is dat er een veelvoud aan nieuwe bronnen en technieken beschikbaar is. Zestig jaar geleden was er één warmtebron (aardgas) die een hoge temperatuur kon leveren en waarop alle woningen werden aangesloten. In de huidige transitie moet rekening gehouden worden met de (al dan niet beperkte) beschikbaarheid van lokale warmtebronnen of warmtedragers en de technieken die nodig zijn om deze warmte in de woning te krijgen. Daarnaast moet de aanlevertemperatuur van de warmte uit deze bronnen voldoende zijn om de woningen die erop worden aangesloten jaarrond comfortabel warm te houden. Voor veel bestaande woningen betekent dit dat
ook de woningisolatie verbeterd moet worden. De kosten van alle woningaanpassingen moeten voor eigenaars en bewoners kunnen worden terugverdiend via de energierekening2. Dit is niet alleen een streven van het kabinet, het is bovenal een opvatting die leidend is voor de gemeente Zuidplas. De transitie moet voor inwoners immers haalbaar en betaalbaar zijn. De warmtetransitie vraagt dus om maatwerk. Per buurt - en soms zelfs per woning - kan een andere aanpak of oplossing nodig zijn. Daarom krijgen inwoners van een buurt vanaf het begin de mogelijkheid zelf mede invulling te geven aan de warmtetransitie. De gemeente Zuidplas kan en wil kan niet eenzijdig afdwingen wat er achter de voordeur van de inwoners gebeurt. Door inwoners te betrekken bij de plannen, zo is de stellige overtuiging, passen de uiteindelijke uitvoeringsplannen beter bij de inwoners en wordt de warmtetransitie een proces waar alle betrokkenen mede-eigenaar van zijn.
1.2 Reikwijdte Ook bedrijven en bedrijventerreinen vallen, voor zover het ruimteverwarming betreft, binnen de scope van de TVW. Per bedrijf kan de vraag naar ruimteverwarming flink variëren. Een magazijn heeft een veel minder grote warmtebehoefte dan een kantoor. Weer andere bedrijven hebben een specifieke warmtevraag die verder gaat dan alleen ruimteverwarming, bijvoorbeeld omdat er warmte nodig is voor bedrijfs- of productieprocessen. Die warmtevraag valt dan weer niet binnen de TVW. Voor bedrijventerreinen zal daarom een apart traject gevolgd worden, waarbij de totale warmtebehoefte in beeld gebracht wordt. De agrarische sector valt niet binnen de opdracht van de TVW. In Zuidplas bestaat deze voor het overgrote deel uit glastuinbouwbedrijven met een grote warmtevraag.
Via de Warmte Samenwerking Oostland (WSO) werkt de gemeente mee aan verduurzaming van deze sector. De techniek rondom duurzame warmte is volop in beweging. Het kost veel tijd voordat innovaties leiden tot een concrete en toepasbare warmteoplossing en velen halen die eindstreep niet. Bij de transitie naar aardgasvrije woningen concentreert de gemeente Zuidplas zich daarom op technieken die nu reeds beschikbaar zijn en zich in de praktijk voldoende bewezen hebben. Het uiteindelijke alternatief moet betaalbaar, betrouwbaar en uiteraard duurzaam zijn. Gebruiksgemak, woonlasten en comfort voor bewoners moeten gelijk blijven en liefst verbeteren.
1.3 Maatschappelijk draagvlak
“Ik heb een gezin met twee jonge kinderen, dus er zitten nog wel wat kosten aan te komen. Het liefste zou ik gisteren al mijn huis aardgasvrij hebben gemaakt, maar ik moet mijn kapitaal nog opbouwen en heb niet zomaar het geld om de verbouwing te kunnen betalen.” - deelnemer inwonersadviesraad
“Het streven is dat je maandelijkse lasten niet stijgen. Of dat haalbaar is weet ik niet.” - deelnemer inwonersadviesraad
1.1 Doel: Zuidplas aardgasvrij in 2050 In de Klimaatwet3 is vastgelegd dat de uitstoot van broeikasgassen in 2050 ten opzichte van het niveau in 1990 met minimaal 95% moet zijn verminderd. In 2030 moet die uitstoot al met 49% zijn teruggebracht. Recent is ook de Europese Klimaatwet4 aangenomen. Hierin is voor de gehele EU voor 2030 een reductiedoelstelling van 55% vastgelegd, toewerkend naar klimaatneutraliteit in 2050. In augustus 2021 verscheen ook het zesde Klimaatrapport5 van het IPCC, de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering van de Verenigde Naties, waarin nog duidelijker dan in eerdere rapporten de noodzaak van snelle reductie van de uitstoot van broeikasgassen werd beschreven. In het Klimaatakkoord6 hebben overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties een pakket maatregelen afgesproken om deze doelstelling te halen. Daarin is onder meer afgesproken dat uiterlijk in 2050 de gebouwde omgeving van Nederland verduurzaamd is en verwarmd wordt zonder aardgas of andere fossiele brandstoffen. Het gaat
8.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
dan in totaal om ruim zeven miljoen woningen en één miljoen utiliteitsgebouwen. Als tussendoel voor 2030 is afgesproken dat de eerste anderhalf miljoen woningen zijn verduurzaamd. Dat is ook voor Zuidplas een flinke opgave. Van de 18.5667 woningen zijn er nu zo’n 17.000 direct of via blokverwarming afhankelijk van aardgas8. Doelstelling is deze woningen in een periode van een kleine dertig jaar, stapsgewijs te verduurzamen en los te koppelen van het aardgas. Voor zo’n 3.600 woningen wordt, parallel aan de nationale doelstelling, nagestreefd dit al voor 2030 gedaan te hebben. Ook voor 3.6249 utiliteitsgebouwen wordt ultimo 2050 een duurzame warmteoplossing gezocht. Voor nieuwbouwwoningen waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd op of na 1 juli 2018 geldt nu al de verplichting dat deze aardgasloos moeten worden opgeleverd. Dit is vastgelegd in de wet Voortgang Energietransitie (Wet VET)10.
De Transitievisie Warmte is naast een technische en economische ook een sociale uitdaging die alleen gerealiseerd kan worden als er maatschappelijk draagvlak voor is. Tegelijk staat de warmtetransitie niet los van andere ontwikkelingen in een buurt, zoals de sloop van huizen, nieuwbouw, renovatie en onderhoud aan de openbare ruimte. De warmtetransitie kan dan ook niet van de grond komen zonder inwoners en professionele partijen als netbeheerders en woningcorporaties actief te betrekken bij de vormgeving van de warmtetransitie en de keuzes die daarbinnen gemaakt moeten worden. Daarbij staat de betaalbaarheid van de transitie voor alle partijen voorop. Daar waar mogelijk zal de gemeente Zuidplas
1.4
met het proces van de warmtetransitie aansluiten bij andere ontwikkelingen in een buurt. Samen met inwoners en professionele partijen heeft de gemeente Zuidplas een afwegingskader opgesteld, op basis waarvan keuzes worden afgewogen. Om te beginnen is een aantal algemene uitgangspunten geformuleerd dat door de Transitievisie Warmte heen klinkt. Daarnaast zijn selectiecriteria opgesteld op basis waarvan de keuzes worden gemaakt voor een warmtealternatief en de buurten waar we met de verkenning naar duurzame warmte willen beginnen (zie hoofdstuk 3).
Verkenningsbuurten
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor 2030 de eerste 1,5 miljoen woningen in Nederland moeten zijn verduurzaamd. Gemeenten wijzen daartoe in hun Transitievisie startbuurten aan. Dit zijn de buurten die als eerste, binnen een periode van acht jaar, zullen worden losgekoppeld van het aardgas. Een startbuurt impliceert dat alle keuzes rondom de warmtetransitie voor deze buurt al gemaakt zijn en dat de spreekwoordelijke schop direct in de grond kan. Zuidplas kiest er bewust voor om geen startbuurten aan te wijzen en spreekt liever over verkenningsbuurten. Dit zijn de buurten waar als eerste
wordt verkend hoe de warmtetransitie het best kan worden vormgegeven. Onderdeel van die verkenning is het uitvoeren van een verdiepend onderzoek naar de technische en economische haalbaarheid van de warmtetransitie en waarin dieper in gesprek gegaan wordt met de inwoners over de vormgeving van de warmtetransitie. Samen met inwoners wordt in de verkenningsfase gewerkt aan buurtuitvoeringsplannen. Deze plannen kunnen op basis van specifieke eigenschappen en de gesprekken met bewoners per buurt verschillen.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
9.
4. Duurzame warmte
4.1
Aanlevertemperatuur
Per techniek en warmtebron verschilt de (optimale) aanlevertemperatuur van de warmte. Grofweg wordt een onderscheid gemaakt tussen hoge-, midden- en lage temperatuur (HT, MT en LT). Voor HT geldt een aanlevertemperatuur van 70°C of hoger, MT heeft een temperatuur tussen 55°C en 70°C en LT heeft een temperatuur lager dan 55°C. Voor zeer goed geïsoleerde huizen is er zelfs de optie om te kiezen voor zeer lage temperatuur (ZLT) die niet warmer is dan 30°C. Bij veel cv-ketels staat de afgiftetemperatuur nu nog afgesteld op 80°C of zelfs 90°C, ook al is dat bij verreweg de meeste naoorlogse woningen ook zonder aanvullende isolatiemaatregelen eigenlijk niet nodig. In zijn algemeenheid geldt dat bij een warmtesysteem met een lagere temperatuur minder warmte verloren gaat en het systeem dus efficiënter is. Het produceren van hogere temperaturen kost meer energie en ook tijdens het transport gaat bij hogere temperaturen meer warmte verloren. Alleen is een MT of LT-oplossing niet op voorhand voor elke woning geschikt (zie paragraaf 4.4). Kort samengevat: warmte van hoge
temperatuur kan in elke woning worden toegepast; wordt de aanvoertemperatuur lager, dan moet de woning voldoende geïsoleerd zijn. De temperatuur heeft ook invloed op het afgiftesysteem in de woning. In veruit de meeste woningen bestaat het afgiftesysteem uit radiatoren. Klassieke radiatoren functioneren goed als het aangevoerde water een temperatuur heeft boven de 55°C. Bij lagere temperaturen geven de klassieke radiatoren onvoldoende snel warmte af en zijn radiator-ventilatoren of andere afgiftesystemen nodig, zoals vloer- of wandverwarming. Voor lagere temperaturen zijn ook speciale LT-radiatoren of LT-convectoren beschikbaar. Een extra aandachtspunt bij LT- of MT-oplossingen is het warm tapwater. Warm tapwater moet verwarmd worden tot minimaal 60°C, zodat ziekteverwekkers als de legionellabacterie geen kans krijgen. Dat kan met een voorraadvat dat periodiek wordt opgewarmd tot 60°C of met een aparte elektrische geiser of boiler of geiser die het warme water verder verwarmd tot 60°C.
4.2 Warmtevoorziening Bij collectieve systemen wordt de warmte centraal geproduceerd en via een warmtenet naar de woning getransporteerd. Bij individuele oplossingen wordt
de warmte per woning geproduceerd of omgezet, bijvoorbeeld met een warmtepomp, een ketel of een infraroodpaneel.
4.2.1 Collectieve warmtenetten
Voor de warmtetransitie zijn veel verschillende bronnen en technieken beschikbaar. De bron is de oorsprong van de warmte die wordt gewonnen. De techniek is het systeem dat nodig is om de warmte in de woning te krijgen. In bijlage II is een overzicht van verschillende bronnen opgenomen en wordt beschreven welke techniek daarbij hoort. Alle bronnen en technieken hebben eigen, specifieke kenmerken die het wel of juist minder geschikt maken voor toepassing in bepaalde woningtypen. Een belangrijke
variabele daarbij is de temperatuur van de warmte. Slecht geïsoleerde woningen hebben een hogere temperatuur warmte nodig om de woning comfortabel te kunnen verwarmen. Het energielabel geeft indicatief aan welke aanlever- of afgiftetemperatuur* minimaal nodig is om een woning goed te kunnen verwarmen. Deze temperatuur bepaalt ook welke afgiftesysteem** voor de warmte in de woning het meest geschikt is. Een ander belangrijk onderscheid tussen verschillende warmtevoorzieningen is of deze collectief of individueel van aard zijn.
* Onder de aanlevertemperatuur wordt verstaan: de temperatuur van de warmte die via een warmtenet wordt geleverd aan de woning. De afgiftetemperatuur is de temperatuur van de warmte die wordt geleverd door een individuele techniek, zoals een warmtepomp of een ketel.
Een collectieve oplossing is mogelijk wanneer de bebouwingsdichtheid en de warmtevraag in een gebied voldoende hoog zijn. Als woningen te ver uit elkaar staan, moeten er grotere afstanden worden overbrugd en wordt de aanleg van een warmtenet te kostbaar. Een tweede voorwaarde is dat de warmtevraag hoog genoeg is. Indien na woningisolatie de resterende warmtevraag in een buurt heel laag is, is een warmtenet niet altijd economisch rond te krijgen. In zulke gevallen zijn individuele oplossingen mogelijk. Voor de gemeente Zuidplas geldt dat de investering in een warmtenet in de vier kernen een economisch rendabel alternatief voor warmte kan zijn, maar dat de verspreide bebouwing buiten de kernen niet in aanmerking komt voor een warmtenet omdat hier de bebouwing te ver uit elkaar ligt. De aanlevertemperatuur van een warmtenet moet aansluiten bij de benodigde warmtevraag van de
woningen in een buurt. Hoewel de verschillende buurten in de kernen van Zuidplas een redelijk homogene bebouwing kennen, zijn de warmteprofielen van de woningen niet altijd gelijk. Dat betekent dat in de te kiezen aanlevertemperatuur een balans gevonden moet worden tussen efficiëntie van de warmteoplossing enerzijds en de betaalbaarheid van de noodzakelijke woningaanpassingen anderzijds. Wanneer gekozen wordt voor een te lage aanlevertemperatuur moeten veel woningen worden aangepast, terwijl een te hoge temperatuur leidt tot inefficiëntie en daarmee ook een hogere warmteprijs. Voor de voeding van warmtenetten zijn verschillende warmtebronnen denkbaar (zie bijlage II). Naast een warmtebron die de basislast afdekt, heeft een warmtenet ook een centrale piek- en back-up voorziening nodig. Deze wordt ingeschakeld om extra warmte te kunnen
** Het afgiftesysteem is het systeem waarmee de warmte in een woning wordt verspreid om ruimtes te verwarmen, zoals radiatoren, convectoren, luchtcirculatie, vloer- of wandverwarming.
18.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
19.
leveren op de koudste dagen van het jaar of in het geval een bron onverhoopt minder warmte kan leveren dan voorzien. Een piek- en backup-voorziening heeft daarom een aparte energiedrager nodig. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan biogas en in de toekomst wellicht waterstof. Een specifiek aandachtspunt bij warmtenetten is de wijze waarop de belangen van eindgebruikers worden geborgd. Dat betekent allereerst dat er duidelijke en heldere afspraken zijn over de warmteprijs. Voorkomen
moet worden dat de eigenaar van een warmtenet misbruik kan maken van een monopolypositie. Er zijn voorbeelden waarbij bewoners uit een buurt zelf eigenaar zijn van het warmtenet. Vanwege de hoge investeringskosten en de specifieke kennis die nodig is voor de exploitatie van warmtenetten, is dit complex. Medezeggenschap via een Raad van Aangeslotenen kan een manier zijn om de belangen van eindgebruikers te beschermen. Dit vraagstuk moet onderdeel uitmaken van de uitvoeringsplannen voor de buurten waarin gekozen wordt voor een warmtenet.
4.4
Isolatiemaatregelen als besparingsambitie
Ongeacht de warmtevoorziening is isolatie altijd een goede stap. Het bespaart energie - en daarmee kosten - en zorgt voor meer wooncomfort en maakt het in de toekomst makkelijker om over te stappen op een warmtevoorziening met lage temperatuur. Ook woningcorporaties en eigenaren van kantoorpanden
zullen de komende jaren aan de slag moeten om hun oudere bezit energiezuiniger te maken. Bovendien moet in het kader van klimaatadaptatie ook de gevoeligheid van buurten en gebouwen voor oververhitting in beeld gebracht worden. Hier zal in de buurtuitvoeringsplannen rekening mee moeten worden gehouden.
4.4.1 Woningen 4.2.2 Individuele oplossingen Naast een collectieve warmtevoorziening zijn voor het aardgasvrij maken van woningen ook individuele oplossingen beschikbaar. Dat kan onder meer met een warmtepomp. Deze bestaat in twee varianten: de bodemwarmtepomp en de luchtwarmtepomp. De afgiftetemperatuur van warmte uit een standaard warmtepomp ligt doorgaans tussen de 35°C en 55°C. Er zijn ook warmtepompen die hogere temperaturen kunnen afgeven. In zijn algemeenheid geldt dat een warmtepomp bij lagere afgiftetemperaturen efficiënter werkt en dus minder elektriciteit nodig heeft om de woning te verwarmen. Een bodemwarmtepomp heeft als extra voordeel dat de woning in de zomer ook efficiënt gekoeld wordt. Veel luchtwarmtepompen kunnen dit ook, daar gebruiken daarvoor aanmerkelijk veel meer elektriciteit. Bij warmtepompen die op lage temperaturen werken, zoals op 35°C, is een aparte warmwaterboiler nodig.
Naast de warmtepomp bestaan ook andere elektrische oplossingen voor verwarming, zoals elektrische radiatoren, elektrische heaters of infraroodpanelen. Hoewel deze technieken in bepaalde ruimtes en in specifieke situaties interessant kunnen zijn, zijn ze als basisverwarming minder aantrekkelijk, omdat ze voor dezelfde hoeveelheid warmte circa vier keer meer elektriciteit nodig hebben dan een warmtepomp. Behalve elektrisch kan een individuele woning ook verwarmd worden met duurzame gassen zoals biogas of waterstof. Beide zijn echter beperkt beschikbaar en, met name waterstof, kostbaar. De kans dat deze groene gassen op grote schaal beschikbaar zijn voor toepassing in individuele woningen is niet waarschijnlijk en vanuit kostenaspect voor de eindgebruiker ook niet aantrekkelijk.
Niet elke woning kan eenvoudig naar het hoogste energielabel gebracht worden. Woningen gebouwd voor 1940, in het bijzonder monumenten zijn, over het algemeen slecht geïsoleerd. Deze woningen hebben over het algemeen energielabel F of G. Bouwtechnisch is het moeilijk en kostbaar om deze woningen ingrijpend te isoleren en eigenaren mogen of willen het aangezicht van dit type gebouwen niet aantasten. Met betaalbare isolatiemaatregelen is wel een aantal labelstappen te maken, tot label C of D. Voor deze panden blijft ook in de toekomst waarschijnlijk een hogere temperatuur warmte nodig. In naoorlogse woningen is vaak al met spouwmuur gebouwd. Afhankelijk van de bouwstijl is in woningen gebouwd tussen 1940 en 1975 een grote slag te slaan. Deze woningen hebben doorgaans energielabel D of E. Met betaalbare isolatiemaatregelen kunnen deze woningen verbeterd worden tot label B of C, waarna zij verwarmd kunnen worden met een midden-temperatuur
warmte. Woningen die vanaf de jaren ’80 zijn gebouwd hebben tijdens de bouw al een zekere mate van isolatie meegekregen en hebben doorgaans energielabel B of C. In veel gevallen is de isolatie aan vervanging toe, bijvoorbeeld omdat deze versleten is of de techniek inmiddels verbeterd is. Of het nemen van deze maatregelen in alle gevallen rendabel is, hangt af van de kwaliteit van de bestaande isolatie. Voor deze woningen volstaat warmte van midden-temperatuur. Bij isolatie tot label A is ook lage temperatuur toepasbaar. Voor alle woningen geldt dat een verhuizing of geplande verbouwing een bij uitstek geschikt moment is om extra isolatiemaatregelen te nemen. De meerkosten voor het aanbrengen van isolatie bovenop de kosten die toch al gemaakt moeten worden voor de verbouwing zijn dan vaak erg goed te overzien, omdat werkzaamheden gecombineerd kunnen worden.
4.2.3 Kleinschalig-collectieve oplossingen Wanneer een groep gebouwen te ver van andere bebouwing is gelegen, is aansluiting op een groot warmtenet economisch niet haalbaar. Wanneer de onderlinge afstand tussen de gebouwen beperkt is, kan het aantrekkelijk zijn om gezamenlijk een warmtebron te delen. Dit kan bijvoorbeeld bodemwarmte zijn, in combinatie met een WKO-systeem (zie bijlage II). Zo’n
systeem koelt de woningen in de zomer en gebruikt deze in de bodem opgeslagen warmte in de winter. Net als bij de individuele toepassing van bodemwarmte geldt ook hiervoor dat de woning voldoende geïsoleerd moet zijn en dat, bij lagere temperaturen, voor warm tapwater, een elektrische oplossing nodig is.
4.3 Broninzet Voor de transitie naar duurzame warmte zijn meerdere bronnen beschikbaar. Per bron verschilt de temperatuur van de gewonnen warmte en daarmee het minimaal noodzakelijke isolatieniveau van de aan te sluiten woningen of andere gebouwen. Hoe lager de temperatuur, hoe beter een gebouw geïsoleerd moet zijn om voldoende verwarmd te kunnen worden. Per
20.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
bron verschilt ook de schaal waarop deze ingezet kan worden. In de warmtetransitie moeten de eigenschappen van de bron niet alleen bij de aan te sluiten woningen passen, maar moet andersom de schaal van de totale warmtevraag ook weer bij de bron passen (zie bijlage II).
4.4.2 Bedrijfspanden Voor kantoorpanden gelden vanaf 2023 strengere energie-eisen. Vanaf dat jaar moeten kantoren met een oppervlakte van 100 m² of meer minimaal voldoen aan energielabel C. Voor kleinere bedrijfsgebouwen gelden deze regels niet. De verwachting is dat de eisen voor utiliteitsbouw en kantoren binnen de Europese Unie en binnen Nederland op termijn verder aangescherpt zullen worden. De verwachting is daarmee dat het merendeel van de kantoren in 2050 geschikt zal zijn voor verwarming met lage of middelhoge temperatuur warmte. Bij andere bedrijfspanden hangt de warmtevraag sterk af van de
functie van het gebouw. Zo is het vaak niet nodig om een opslagloods tot 20 °C te verwarmen. Voor bedrijfspanden moet per pand gekeken worden welke warmtevoorziening volstaat. Industriepanden gebruiken soms ook warmte in processen. Hiervoor is vaak zeer hoge temperatuur warmte nodig. Omdat de aard van de warmtevraag van utiliteitsgebouwen zo uiteenloopt, zijn deze gebouwen nu niet meegenomen in de opgestelde warmteprofielen. In de verkenningsfase wordt de warmtevraag van deze gebouwen nader bekeken.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
21.
5. Zoekrichtingen per kern en buurt
4.4.3 Warmteprofielen Om inzicht te geven in de verwachte temperatuur die na realistische isolatiemaatregelen nodig is om panden comfortabel te verwarmen, zijn door de Warmtetransitiemakers zogenoemde Warmteprofielen opgesteld. Voor elke bouwperiode wordt een realistisch voorspeld energielabel ingeschat en het daarbij passende temperatuurniveau, het Warmteprofiel. De inschatting van de voorspelde energielabels is in lijn met de Standaard voor woningen. Naoorlogse woningen (bouwjaar tussen 1945 en 1992, energielabel B t/m E) zijn in de meeste gevallen geschikt te maken voor verwarming op lage
Temperatuur
temperatuur (tot 55°C). Dit vraagt wel een flinke ingreep in de woning voor extra isolatie en ventilatie. In buurten waar restwarmte beschikbaar is op middentemperatuur (55 tot 70°C), kan er ook voor gekozen worden om de woningen wat minder vergaand te isoleren, zodat ze geschikt zijn voor verwarming op middentemperatuur. De oranje balk geeft dan ook aan dat woningen met goed isolatie geschikt te maken zijn voor lage temperaturen, maar dat het ook slim kan zijn om woningen (al dan niet voorlopig) met duurzame warmte op middentemperatuur te verwarmen.
Energielabel
Bouwjaar huis
G
<1920
F
1920 - 1940
E
1941 - 1974
D
1975 - 1982
C
1983 - 1991
B
1992 - 2005
A
>2005
HT 75°C MT 55°C
LT
LT Lage temperatuur
MT Midden temperatuur
HT Hoge temperatuur
In het afgelopen jaar zijn verschillende onderzoeken verricht om tot een beter beeld te komen van de mogelijke warmtealternatieven en de uitvoeringsstrategie in de verschillende woonkernen en buurten van Zuidplas. Als basis is gebruik gemaakt van de startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Dit is een landelijk model waarin een eerste beeld wordt gegeven op basis van vijf aardgasvrije warmtestrategieën. Deze landelijke startanalyse13 is vervolgens in opdracht van de gemeente Zuidplas door De WarmteTransitieMakers (DWTM) verrijkt met lokale data over de type woningbouw in de buurten van Zuidplas en het bouwjaar en energieprestatie van
22.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
deze woningen. Op basis daarvan heeft DWTM een inschatting gemaakt van de warmtebehoefte van de woningen na het nemen van realistische isolatiestappen. Dit is vastgelegd in zogenoemde warmteprofielen per buurt. Ook is met beide netbeheerders gekeken naar capaciteit en leeftijd van het elektriciteits- en gasnet, zijn geplande woningbouwrenovaties in kaart gebracht en is een eerste inventarisatie van mogelijke warmtebronnen uitgevoerd. De resultaten van deze nadere analyse zijn in aparte workshops met de Inwonersadviesraad en met de Transitietafel besproken en gewogen om na te gaan welke buurten in aanmerking komen om aangewezen te worden als verkenningsbuurt.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
23.
5.2.1 Eerste fase: 2022-2025 Op basis van de selectiecriteria komt Esse Hoog als eerste in beeld om de verkenningsfase op te pakken. Het is een overzichtelijke buurt waar relatief veel draagvlak lijkt voor de warmtetransitie. De buurt bestaat uit een totaal van 856 grotendeels relatief nieuwe woningen met een overwegend gunstig energielabel. Ongeveer 70% van de woningen in Esse Hoog bestaat uit uniform gebouwde rijtjeshuizen. Daarnaast staan er in de buurt 32 utiliteitsgebouwen. De woningen in Esse Hoog komen in aanmerking voor verwarming via een bodemwarmtepomp. Dit kan zowel met een individuele bodemwarmtepomp als met een collectief bodemwarmtesysteem in combinatie met warmtekoudeopslag. Voordeel van beide opties is dat met een dergelijk systeem ook in de koelingsvraag in de zomer kan worden voorzien. Ook een luchtwarmtepomp is mogelijk, maar vanwege de geluidsproductie minder aantrekkelijk. Voor de gehele kern Nieuwerkerk aan den IJssel is ook de aanleg van een warmtenet in beeld. Daarom moet parallel aan de verkenning worden onderzocht of een individuele oplossing voor Esse Hoog nadelige consequenties heeft voor de mogelijke realisatie van een warmtenet in de rest van Nieuwerkerk. Daarom zal tijdens deze fase ook al nader onderzoek naar de economische
5.2.3 Derde fase: na 2035 randvoorwaarden voor realisatie van een warmtenet in Nieuwerkerk gedaan worden. In de eerste fase komt ook Moerkapelle in beeld. Dit heeft te maken met de mogelijke aansluiting van het kassengebied op restwarmte vanuit WarmtelinQ. Haalbaarheid hiervan wordt op dit moment onderzocht. De beoogde route voor een transportleiding loopt vlak langs Moerkapelle, waardoor aansluiting zeer kansrijk is. In totaal tellen de 6 buurten in Moerkapelle 1.880 woningen. Dit is inclusief de 120 woningen op het bedrijventerrein en in het kassengebied, maar exclusief de verspreide bebouwing buiten de kern. Deze woningen lopen qua energielabel en bouwjaar behoorlijk uiteen. Voordeel van een warmtenet met hoge temperatuur is dat niet alle woningen vooraf op een voldoende hoog isolatieniveau hoeven te worden gebracht. Moerkapelle telt daarnaast 225 utiliteitsgebouwen, waarvan er 80 zijn gesitueerd op het bedrijventerrein en het kassengebied. Ook deze gebouwen kunnen worden aangesloten op een warmtenet. Op het moment dat een transportsysteem voor restwarmte richting Zuidplaspolder concreet wordt, zal ook de transitie in Moerkapelle in een stroomversnelling geraken. Daarom is ook Moerkapelle in beeld om al vroeg met de verkenningsfase te beginnen.
5.2.2 Tweede fase: 2025-2035 Indien restwarmte vanuit WarmtelinQ inderdaad de Zuidplaspolder bereikt, komt ook Zevenhuizen in beeld om aangesloten te worden op deze warmte. Het gaat, met uitzondering van de verspreide bebouwing, de woningen in Oud Verlaat en de recreatieparken, in totaal om 2.881 woningen met wisselende bouwjaren en energielabels. Voordeel van een warmtenet met hoge temperatuur is dat niet alle woningen vooraf op een voldoende hoog isolatieniveau hoeven te worden gebracht. De 522 woningen in Zevenhuizen-Zuid zijn allen zeer recent gebouwd en hebben allemaal het energielabel A. Voor deze woningen komt een individuele all-electric oplossing in beeld. Onderzocht moet worden in hoeverre dit aantrekkelijker is dan aansluiting op een warmtenet en of dit de kansen voor realisatie van een warmtenet in de rest negatief beïnvloed. Voor de buurten ZevenhuizenWest 1 en 2 staat grootschalig onderhoud gepland in deze periode. Indien een warmtenet van de grond kan
28.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
komen, is het zaak de aanleg hiervan parallel te laten lopen met de geplande werkzaamheden. Tijdens de eerste fase is voor Nieuwerkerk aan den IJssel al onderzocht of de aanleg van een warmtenet hier haalbaar is en welke bron daarvoor het meest geschikt is. Gezien het grote aantal woningen in Nieuwerkerk moet een mogelijk warmtenet per definitie gefaseerd worden aangelegd. Op basis van deze resultaten wordt ook voor delen van Nieuwerkerk tijdens de verdere verkenning met bewoners opgepakt. Daarbij komen de Bomenbuurt, de buurten Dalen en Velden en Dorrestein Noord en Zuid als eerste in beeld omdat in deze buurten nu al woningen met blokverwarming staan, die daardoor makkelijker aangesloten kunnen worden en als aanjager kunnen dienen voor de overige woningen in deze buurten. Dit zijn tevens de buurten met relatief veel corporatiebezit.
In Moordrecht is nog onzekerheid over de beschikbaarheid van geschikte warmtebronnen. Daarom komt Moordrecht pas na 2035 in beeld voor het starten van verkenningen. Tot die tijd is de aandacht vooral gericht op het nemen van besparingsmaatregelen en doen van nader onderzoek. Voor de 3.400 woningen in Moordrecht is als bron voor verwarming met hoge temperatuur alleen geothermie in beeld. De realisatiekans daarvan is echter verre van zeker. Een andere mogelijkheid is aquathermie. Deze heeft een lagere aanlevertemperatuur. Lang niet alle woningen in Moordrecht zijn al geschikt om op deze temperatuur aangesloten te worden. Met warmtepompen kan de warmte op de momenten dat het nodig is, opgewerkt
worden naar een hogere temperatuur. Dit vraagt wel extra elektriciteit. Voor Moordrecht is dan ook meer tijd nodig om de haalbaarheid van verschillende warmtebronnen te onderzoeken, een businesscase door te rekenen en met elkaar te vergelijken. Aan de hand daarvan wordt ook duidelijker welk minimaal isolatieniveau noodzakelijk is. Dat betekent niet dat er in de tussentijd in Moordrecht niets gebeurt. In de periode tot aan de verkenningsfase is de inzet van Zuidplas erop gericht isolatiemaatregelen te stimuleren en te faciliteren. Hiermee kan al een flinke CO2-besparing gerealiseerd worden en kan het onder de juiste voorwaarden voor inwoners ook een forse besparing opleveren. In de derde fase zal ook in de resterende buurten van Nieuwerkerk gestart worden met verkenningen.
5.2.4 Doorlopend tot 2050 De verspreide bebouwing en kleine woningconcentraties buiten de dorpen zullen pas na 2040 worden afgekoppeld van het aardgas. Dat geldt ook voor de buurtschappen Oud Verlaat en Hitland. Hier komen geen collectieve voorzieningen zoals een grootschalig warmtenet. De woningen in deze gebieden zijn veelal koopwoningen of particuliere verhuur. Individuele eigenaren kunnen op een voor hen geschikt moment isolatiemaatregelen nemen en overstappen op een duurzame warmtebron.
Wanneer een bestaande gasketel aan vervanging toe is, maar de woning qua isolatie nog niet geschikt is voor een warmtepomp, kan de hybride warmtepomp voorlopig een tussenoplossing bieden. Bij een hybride warmtepomp wordt de warmtepomp op de koudste door een gasketel ondersteund. Via de dienstverlening van het Duurzaam Bouwloket ondersteunt de gemeente de eigenaren die aan de slag willen met verduurzaming.
2025
2022
2035 Fase 2
Fase 1 Esse Hoog
Zevenhuizen
Moerkapelle
Nieuwerkerk aan den IJssel
2050 Fase 3 Moordrecht
Nader onderzoek Nieuwerkerk aan den IJssel Nader onderzoek Moordrecht en werken aan besparing Hitland
Verspreide verbouwing
Oud Verlaat
Kleine woningconcentraties
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
29.
6.1 Verkenningsfase In hoofdstuk 5 zijn de mogelijke verkenningsbuurten beschreven. Deze buurten – die in samenspraak met de Transitietafels en de Inwonersadviesraad zijn bepaald – worden nader onderzocht in de verkenningsfase. Ook in deze verkenningsfase zet de gemeente Zuidplas in op een fors participatietraject. Het is namelijk zeer belangrijk om samen met inwoners te verkennen wat de volgende
6.2 Doorkijk in de Buurtuitvoeringsplannen stappen zijn. Hierbij stelt de gemeente de kaders door de technische mogelijkheden in kaart te brengen en meer duidelijkheid te geven over de financiële mogelijkheden. In samenwerking met inwoners uit de verkenningsbuurten wordt onderzocht wat er speelt en worden de mogelijke alternatieven voor warmte besproken waarbij ruimte is voor inwonersinitiatieven.
In de verkenningsfase wordt samen met de inwoners, professionele stakeholders en ondernemers gewerkt aan de buurtuitvoeringsplannen. In de buurtuitvoeringsplannen wordt op buurtniveau uitgewerkt welke techniek wordt ingezet om aardgasvrij te worden, hoe dit gefinancierd wordt, hoe dit wordt georganiseerd, hoe inwoners worden ontzorgd en ook hoe het proces van communicatie en participatie van inwoners per buurt
verloopt. De buurtuitvoeringsplannen moeten uiteindelijk juridisch geborgd worden in Omgevingsplannen. Nadat de buurtuitvoeringsplannen zijn opgesteld, duurt het zeker nog een aantal jaren voordat de buurt daadwerkelijk aardgasvrij is. Inwoners, ondernemers en andere partijen hebben immers tijd nodig om zich voor te bereiden op de aanpassingen in de woningen en gebouwen.
6.1.1. Spoor 1: gemeentebrede aanpak
6.3 Energiearmoede Tijdens de verkenningsfase is de participatie en communicatie tweesporig. Spoor één bestaat uit een gemeentebrede aanpak. Hierbij worden er begin 2022 algemene informatieavonden georganiseerd waarbij inwoners worden meegenomen in de energietransitie en een handelingsperspectief (zie paragraaf 6.4) aangeboden krijgen. Bovendien wordt er informatie over de energietransitie, maar ook klimaatadaptatie,
biodiversiteit en circulariteit, aangeboden op www.duurzaamzuidplas.nl en via een nieuwsbrief. Ook wordt er ingezet op informatie over de financiering van de Energietransitie. Uit de participatie voorafgaande bleek dat de betaalbaarheid van de energietransitie bij veel inwoners een grote rol speelt. Daarom is het verminderen van de ervaren financiële en andere barrières is een belangrijke stap.
6.1.2 Spoor 2: buurt-specifieke aanpak In het kader van de vitale dorpen, conform de Omgevingsvisie is er ook een tweede spoor. Bij spoor twee wordt per verkenningsbuurt participatie en communicatie afgestemd. Dit vanwege de eigenheid van de verschillende dorpen. De gemeente Zuidplas vindt het belangrijk om de participatie in verschillende vormen aan te bieden, waarbij verschillende doelgroepen elk op een passende wijze worden bediend. Ook is het voornemen om het draagvlak in de verkenningsbuurt te monitoren, om te blijven meten hoe inwoners in de energietransitie staan en wat de behoeftes zijn. Informatie over de plannen en mogelijkheden in een buurt moet laagdrempelig worden aangeboden. Dat kan digitaal, maar ook fysiek, bijvoorbeeld in de vorm van een duurzaamheidswinkel, voorbeeldwoning of
“Kan het draagvlak voor Aardgasvrij periodiek onderzocht worden.” - deelnemer informatieavond
32.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
informatiepunt in de buurt. Daar zouden bewoners ook terecht kunnen met vragen of om inspiratie op te doen voor de verduurzaming van de eigen woning. Daarnaast kom er begin 2022 in elke verkenningsbuurt een op deze buurt gerichte informatieavond om duidelijkheid te geven op de gevolgen voor buurtbewoners. Het doel is om in alle verkenningsbuurten een eigen Inwonersadviesraad op te zetten. Met hen kan – gedurende hun transitie – de dialoog worden blijven aangegaan, waarin samen keuzes gemaakt kan worden en men bottom-up meegenomen wordt in de transitie naar een duurzame buurt. Tot slot wordt er samengewerkt met inwoners die de opleiding tot energiecoach hebben gevolgd, die op pad gaan om mede dorpsgenoten te adviseren en te inspireren op het gebied van energiebesparing.
“Stel een klankbordgroep per wijk in. Geef deze groep ook verantwoordelijkheden voor communicatie. Participatie veronderstelt ook verantwoordelijkheden.” - deelnemer informatieavond
Een specifiek aandachtspunt in de energietransitie is energiearmoede. In Nederland heeft 38% van de huishoudens moeite met rondkomen. Na de zorgverzekering blijven de energierekening en de huur of hypotheek het langst liggen15. Zo’n 8% van alle huishoudens leeft in energiearmoede16. Bewoners zetten de verwarming dan niet aan om te hoge rekeningen te voorkomen. Deze gezinnen hebben geen financiële
ruimte om een hogere huur op te vangen of te investeren in de eigen woning. Ook van het terugverdienen via de energierekening is dan geen sprake, omdat deze toch al laag is. Voorkomen moet worden dat deze huishoudens buiten de boot vallen in de energietransitie. Dit vraagt om een gerichte, beleidsveld-overstijgende aanpak. De uitwerking en financiering daarvan maakt onderdeel uit van de buurtuitvoeringsplannen.
6.4 Handelingsperspectief Het moment waarop de verkenningsfase begint, verschilt van buurt tot buurt. Zeker voor inwoners van buurten die voorlopig nog niet aan de beurt zijn, kan dit dilemma’s opleveren. Bijvoorbeeld op het moment dat de cv-ketel aan vervanging toe is. Of wanneer bewoners (grootschalig) onderhoud aan hun huis willen plegen. Regelmatig is tijdens informatieavonden en tijdens de Inwonersadviesraad benadrukt dat met de Transitievisie Warmte een handelingsperspectief moet worden gegeven voor inwoners. Er zijn immers genoeg gevallen denkbaar waarop bewoners niet kunnen wachten tot het moment dat in hun buurt met de buurtverkenning wordt begonnen. De gemeente Zuidplas moedigt dat ook aan: alles wat nu al verduurzaamd kan worden, draagt bij aan de vermindering van de CO2-uitstoot en daarmee bespaart het ook geld. Wat dan de meest verstandige maatregelen zijn, hangt af van een veelheid van factoren. Bouwjaar, het beoogde warmtealternatief en de tijd die
moet worden overbrugd tot de komst van een duurzaam warmtealternatief, het speelt allemaal een rol. De gemeente Zuidplas heeft daarom een handelingsperspectief opgesteld aan de hand waarvan bewoners een indicatie krijgen over de meest verstandige maatregelen en keuzes. Deze adviezen zijn toegespitst op elke individuele woning en elke specifieke buurt. Het handelingsperspectief is een webtool, die ook geactualiseerd wordt op het moment dat er nieuwe, relevante informatie beschikbaar is en te vinden via www.duurzaamzuidplas.nl. Uiteraard kunnen inwoners ook altijd terecht bij het Duurzaam Bouwloket voor telefonisch consult of op een individuele woning toegespitst advies. Een globaal overzicht van mogelijkheden is ook opgenomen in bijlage III.
“Maak inzichtelijk voor woningeigenaren welke subsidiemogelijkheden er zijn. Hou dit ook actueel, want subsidies kunnen snel veranderen.” - deelnemer inwonersadviesraad
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
33.
7. Financiën
7.1.1 Inzet verkenningsfase Voor middelgrote gemeenten* als Zuidplas is geraamd dat voor het opstellen van uitvoeringsplannen een inzet van 0,9 tot 1,4 fte per uitvoeringsplan per jaar nodig is. Dit is inzet van projectleiders, beleidsmedewerkers, communicatie- en participatiemedewerkers en soms deskundigen op het gebied van onder meer bouw, energie isolatie, financiën en dergelijke. De gemiddelde
inzet is geraamd op schaal 11, de gemiddelde looptijd op twee jaar per uitvoeringsplan. De benodigde inzet kent een grote bandbreedte en is afhankelijk van de grootte van het te verkennen gebied, diversiteit van de buurt en de bebouwing en complexiteit van de warmteoplossing als ook de in een buurt meespelende sociaal-maatschappelijke vraagstukken.
7.1.2 Inzet uitvoeringsfase Na een positief afgeronde verkenningsfase volgt een uitvoeringsfase. Afhankelijk van de complexiteit en omvang van een buurt, heeft deze fase een doorlooptijd van zes à zeven jaar. Hiervoor is de benodigde inzet geraamd op 1,9 tot 2,4 fte per uitvoeringsplan per jaar. Daarvan is ongeveer 1 fte gereserveerd voor projectleiding; het overige deel betreft inzet van specialisten op het gebied van communicatie, participatie, techniek en in sommige scenario’s juristen of bijvoorbeeld persoonlijk adviseurs die in een wijk de deuren langs gaan om advies op maat te geven. De gemiddelde inzet wordt geraamd op schaal 10,5. Naast de gemeentelijke inzet, zijn ook investeringsmiddelen nodig om de uitvoeringsplannen uit te rollen. Het benodigde investeringsbudget, als
ook de kostenverdeling tussen partijen, lopen per buurt en per gekozen oplossing behoorlijk uiteen. De uitvoeringsplannen en doorgerekende businesscase moeten hier duidelijkheid over geven. Voordat de uitvoeringsfase daadwerkelijk kan beginnen, moeten er heldere afspraken liggen over de wijze van financiering. Vanuit het Rijk moet duidelijkheid komen over de arrangementen om woonlastenneutraliteit te kunnen bereiken. Daar waar een businesscase een onrendabele top kent, moet ook duidelijk zijn op welke wijze deze wordt afgedekt. Het tempo van de warmtetransitie en het aantal trajecten dat tegelijkertijd opgepakt kan worden, is eveneens afhankelijk van de beschikbare rijksmiddelen voor de uitrol van de warmtetransitie.
7.1.3 Gemeentebrede inzet
De Warmtetransitie is een langdurig proces waarin verschillende fases te onderscheiden zijn. De verkenningsfase vraagt allereerst om een open en intensief participatietraject. Tegelijk moet er nog veel nader onderzoek worden gedaan, waarbij de opties technisch en economisch nader verkend worden en
wordt doorgerekend wat de inwoners straks mogen verwachten van hun energierekening. Aan het begin van de energietransitie is dit traject nog intensiever, omdat ook de gemeente zelf nog ervaring moet opdoen met het verkenningsproces.
7.1 Gemeentelijke inzet Onderzoeksbureau Andersson Elffers Felix (AEF) heeft in opdracht van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) onderzoek gedaan naar de extra uitvoeringskosten van
de nieuwe taken die volgen uit het Klimaatakkoord17. De taken in het kader van de warmtetransitie maken onderdeel uit van deze nieuwe taken.
Naast de wijkaanpak schat AEF in dat naast de buurtuitvoeringsplannen per wijk of buurt nog een aanvullende gemeentebrede beleidsinzet nodig is van 0,6 tot 0,9 fte per jaar en nog eens 1,8 tot 2,2 fte (schaal 9) per jaar voor gemeentebrede communicatie en ondersteuning van bewoners (waaronder het energieloket). Voor de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed en het eigen vastgoed is de inzet geraamd op 1,0 tot 1,2 fte
per jaar (schaal 10,5). De inzet voor verduurzaming van overige utiliteitsbouw is geraamd op 0,5 fte per jaar (schaal 11). Tot slot raamt AEF de inzet voor monitoring en herijking van de TVW op 0,3 tot 0,5 fte per jaar. Daarnaast becijfert AEF de materiele kosten voor communicatie, technisch onderzoek en beleidsonderzoek op jaarlijks € 92.500 tot 127.500.
Taak
Looptijd
Inzet per jaar
Schaal
Verkenningsfase (per buurt)
2 jaar
0,9 ~ 1,4 fte
11
Uitvoeringsfase (per buurt)
6 ~ 7 jaar
1,9 ~2,4 fte
10,5
Beleidsinzet Communicatie & bewonersondersteuning Verduurzaming maatschappelijk vastgoed Verduurzaming utiliteitsbouw Monitoring en herijking TVW
structureel structureel structureel structureel structureel
0,6 ~ 0,9 fte 1,8 ~ 2,2 fte 1,0 ~ 1,2 fte 0,5 fte 0,3 ~ 0,5 fte
11 9 10,5 11 11
* Middelgrote gemeenten zijn gemeenten met 30.000 tot 80.000 inwoners.
34.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
35.
Taak
Looptijd
Inzet per jaar
Technisch onderzoek
structureel
€ 30.000 ~ € 40.000
Beleidsonderzoek Communicatie Totaal
structureel structureel structureel
€ 50.000 ~ € 70.000 € 12.500 ~ € 17.500 € 92.500 ~ € 127.500
8. Nawoord
7.2 Rijksmiddelen Op dit moment is nog veel onduidelijk over de financiering die het Rijk ter beschikking gaat stellen aan gemeenten om alle taken rondom de warmtetransitie op te kunnen gaan pakken. In januari 2021 heeft de ROB naar aanleiding van het AEF-onderzoek het rapport Van Parijs naar Praktijk18 uitgebracht. De ROB adviseert daarin onder andere de kosten voor gemeenten en provincies in de periode 2022-2024 te bekostigen via een brede doeluitkering en deze op basis van oppervlakte, stedelijkheidsgraad en inwonertal te verdelen over gemeenten. Het Rijk heeft nog geen besluit genomen naar aanleiding van het advies, waardoor op het moment van schrijven nog geen helderheid is of en zo ja hoeveel middelen er voor de uitvoering van de Transitievisie beschikbaar komen. Wel moge duidelijk zijn dat de gemeente Zuidplas zonder aanvullende financiering van het Rijk niet het tempo kan maken dat nodig is om in 2050 geheel aardgasvrij te zijn. Tegelijkertijd is het onwenselijk om na de gepleegde inzet van de afgelopen jaren tot stilstand te komen, niet op de laatste plaats vanwege de betrokkenheid van de
inwoners van Zuidplas bij dit onderwerp. De gemeente Zuidplas gaat de warmtetransitie daarom schaalbaar inrichten, waarbij de financiering vanuit het Rijk bepalend is voor het tempo dat in Zuidplas kan worden gevolgd. De energietransitie maakt onderdeel uit van het beleidsveld Duurzaamheid en Klimaatadaptatie. Vanuit deze middelen kan niet meer gefinancierd worden dan de basisinzet. De gemeente Zuidplas pakt de verkenningsfase graag in meerdere buurten tegelijk op. De beschikbare middelen zijn daarvoor echter niet toereikend. Als vanuit het Rijk geen of onvoldoende aanvullende middelen voor de energietransitie beschikbaar komen, kan op de warmtetransitie alleen de meest noodzakelijke inzet gepleegd worden. Hetzelfde geldt voor de uitvoeringsfase. Zonder garanties op een voor inwoners haalbare en betaalbare warmteoplossing en gedegen onderliggende financiële arrangementen, wordt er wel gewerkt aan plannen, maar blijft de uitvoering nog even in de kast liggen.
7.3 Subsidie en financieringsvormen Niet in alle gevallen is de besparing op de energielasten voldoende om een investering in de woning binnen een redelijke termijn terug te verdienen. Er is dan sprake van een onrendabele top. Juist in deze gevallen zijn er vaak rijkssubsidies beschikbaar om het verschil af te dekken. Voor particulieren en ondernemers bestaat de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE)19. Deze regeling is bedoeld voor isolatiemaatregelen of de aanschaf van installaties. Huiseigenaren kunnen daarnaast een beroep doen op een lening of energiebespaarhypotheek van het Nationaal Warmtefonds of de Duurzaamheidslening van de gemeente Zuidplas. Woningcorporaties, institutionele beleggers en particuliere verhuurders kunnen voor het aardgasvrij maken van woningen met warmtenetten gebruik maken
36.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
van de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH)20, of voor innovatieve verduurzaming van corporatiebezit van de Renovatieversneller21. Aanvullend zijn er periodiek provinciale regelingen en stelt de gemeente Zuidplas ook leningen beschikbaar voor verduurzaming, de zogenaamde Duurzaamheidslening. Een actueel overzicht van alle regelingen is te vinden via https://www.duurzaamzuidplas.nl/subsidie.
“Betaalbaarheid betekent ook transparantie geven over de investering die nodig is (per woning).” - deelnemer van inwonersadviesraad
In 1968 was op de Nederlandse televisie een STER-spotje te zien waarin vijf verkleumde mensen hartje winter aanbelden bij een gezin dat nog een kolenhaard had staan22. „Het is maar goed dat de ene helft van ons volk nog op kolen stookt”, klonk de voice-over, „dan kan de andere helft zich nog eens lekker komen warmen”. Het was de laatste stuiptrekking van de kolenindustrie, die rap aan marktaandeel verloor. Het heeft niet mogen baten, de transitie naar het aardgas was op dat moment al niet meer te stuiten.
gevolgen nog temperen.
Zestig jaar lang heeft het Nederlandse aardgas gezorgd voor schonere, comfortabelere en veiligere warmte. De traditie van de voorjaarsschoonmaak, waarbij het huis grondig moest worden gekuist van alle stof en roet die de kolenkachel gedurende de winter had achtergelaten, verdween. Tegelijk is ook warmte uit aardgas niet zonder risico. De wereldwijde uitstoot van broeikasgassen leidt tot klimaatverandering met wereldwijde, catastrofale gevolgen, zo is inmiddels onomstotelijk aangetoond in het meest recente rapport van het IPCC23. Alleen het in rap tempo tot nul reduceren van de uitstoot, kan deze
Met dat doel in het achterhoofd gaan de gemeente Zuidplas de komende decennia samen met haar inwoners en professionele partners werken aan de verduurzaming van de warmtevraag in de gebouwde omgeving. Daarin staat Zuidplas niet alleen: alle gemeenten gaan ermee aan de slag, net zoals ook andere sectoren zoals elektriciteitsproducenten, de landbouw en de industrie hun uitstoot moeten terugbrengen. Deze Transitievisie Warmte geeft een eerste beeld van het pad dat moet leiden tot duurzame, comfortabele en betaalbare warmte voor alle gebouwen in de gemeente Zuidplas.
In het Klimaatakkoord van Parijs heeft de internationale gemeenschap afgesproken dat de mondiale temperatuurstijging ruim onder de 2°C moet blijven. Ook hebben de 197 ondertekenende landen, waaronder de VS en China, uitgesproken om zich in te spannen de temperatuurstijging verder te beperken tot 1,5°C. Elk land is zelf verantwoordelijk voor de eigen klimaatplannen. De doelstelling uit het klimaatakkoord zijn bindend.
Transitievisie Warmte gemeente Zuidplas
37.
Bijlage I, II, III & IV
Bijlage II: Warmtebronnen en -technieken
Bijlage I: Samenwerkingspartners en overlegstructuren Regionale Energie Strategie (RES) Samen met de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen, de Provincie Zuid-Holland en de Hoogheemraadschappen Schieland en Krimpenerwaard, Holland Rijnland en Stichtse Rijnlanden en maatschappelijke partners werkt de gemeente Zuidplas aan de Regionale Energiestrategie (RES) Midden-Holland. In juni 2021 is de RES M-H 1.024 vastgesteld. Een groot deel van de RES gaat over de ambitie in Midden-Holland voldoende geschikte locaties te vinden voor de opwek van hernieuwbare elektriciteit. Daarnaast wordt ook ingegaan op de mogelijkheden van uitwisseling van warmte uit lokale bronnen tussen gemeenten. In Midden-Holland is deze mogelijkheid beperkt. De lokaal beschikbare bronpotentie kent geen overschot dat getransporteerd kan worden naar andere gemeenten. Daarnaast is in veel dorpen in Midden-Holland de warmtevraag te klein om rendabel over grotere afstanden getransporteerd te kunnen worden. Uitzondering daarop vormt de glastuinbouw in de Zuidplaspolder, die een grote en geconcentreerde warmtevraag heeft. Voor dit gebied is aansluiting op restwarmte vanuit de industrie in het Rotterdamse havengebied een optie. Deze warmte kan dan ook doorgetrokken worden naar Zevenhuizen, Moerkapelle, Waddinxveen en mogelijk Gouda.