Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 A25.002849
Tekst van het document
Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor de kosten van een verhuizing, voor zover de verhuizing het gevolg is van belemmeringen in het normale gebruik van de woning en een verhuizing de meest adequate oplossing is voor cliënt. 5. In afwijking van het eerste lid, sub c kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekken voor de kosten van een verhuizing, als:
Pagina 19 van 103
a. b. 6.
a.
b.
de cliënt aantoonbaar goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de verhuurder te doen wegnemen; en er met het oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijke termijn geen uitzicht is op de opheffing van de gebreken aan de woning. De kosten van het verwijderen van woonvoorzieningen, bijvoorbeeld trapliften, zijn voor rekening van de gemeente voor zover deze voorzieningen eigendom zijn van de gemeente. De kosten voor het verwijderen van een woonvoorziening die in eigendom is verstrekt, middels een financiële tegemoetkoming, uit een eigen of huurwoning zijn voor rekening van degene aan wie de verstrekking is toegekend. De herstelkosten bij het verwijderen van voorzieningen, bijvoorbeeld het vullen van gaten en herstellen van vloerbedekking, zijn in alle gevallen voor rekening van degene aan wie de verstrekking was toegekend. In geval van overname van een (huur)woning zijn, na acceptatie van de woning, de kosten voor rekening van de nieuwe huurder/eigenaar en kan geen beroep worden gedaan op de Wmo.
Artikel 33. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen, vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een vervoersdienst of vervoersvoorziening als er als gevolg van lichamelijke beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen belemmeringen worden ondervonden bij het (lokaal) verplaatsen met het reguliere openbaar vervoer of eigen vervoer. 2. In afwijking van het eerste lid komen cliënten, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, op basis van hun leeftijd in aanmerking voor een CVV indicatie. 3. In aanvulling op het eerste lid verstrekt het college alleen een vervoersdienst of vervoersvoorziening als: a. de beperkingen langdurig (minimaal 6 maanden) van aard zijn; b. de cliënt de voorziening nodig heeft in verband met specifieke verplaatsingsbehoefte, die niet anderszins kan worden opgelost; c. de cliënt in staat wordt geacht om – na instructie – op veilige wijze gebruik kan maken van de voorziening; d. de cliënt in het geval van een open gehandicaptenvoertuig beschikt over een geschikte en overdekte stallingsruimte, die voor voorzieningen met een accu is voorzien van een geaard stopcontact van 220 volt, of gecreëerd kan worden. 4. Het college legt het primaat bij het gebruik van het CVV, als het CVV de cliënt naar het oordeel van het college in voldoende mate in staat stelt tot participatie en zelfredzaamheid. 5.
Een cliënt kan in aanmerking komen voor een combinatie van de vervoersvoorzieningen als dit voor zijn participatie of zelfredzaamheid voor zowel de korte als de lange afstand noodzakelijk is. 6. De indicatie voor het CVV vervalt na twee jaar, wanneer de vervoersdienst in die periode niet door de cliënt is gebruikt. Dit zal middels een beschikking aan de cliënt kenbaar worden gemaakt. 7. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor vervoer wanneer het college in aanvulling op het eerste lid van oordeel is dat de cliënt door zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden niet in staat is gebruik te maken van het CVV. Artikel 34. Aanvullende criteria maatwerk sportvoorzieningen 1. Het college kan ten behoeve van het uitoefenen van een sport een pgb verstrekken voor: a. een cliënt die in het dagelijks leven gebruik maakt van een loophulpmiddel of een verplaatsingsmiddel; en b. een cliënt die zonder sportvoorziening niet in staat is tot sportbeoefening; en c. beoefening van de gekozen sport is uitsluitend mogelijk met een specifieke sportvoorziening, beoefening is niet op een andere wijze mogelijk.
Pagina 20 van 103
2.
Het pgb voor de aanschafkosten van een sporthulpmiddel is gelijk aan de feitelijke kosten van de voorziening, aangevuld met de onderhoudskosten.
Artikel 35. Afschrijvingsperioden 1. De volgende afschrijvingsperioden worden gehanteerd: a. keuken 15 jaar b. badkamer 25 jaar c. toilet 15 jaar d. hulpmiddelen 7 jaar e. douche- en toiletvoorzieningen 5 jaar f. kindervoorzieningen 5 jaar g. traplift geen afschrijvingsperiode Artikel 36. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo 2015, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Voor de verhuiskosten bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.645,07 als deze kosten voorvloeien uit de voorgestelde maatwerkoplossing zoals opgenomen in het ondersteuningsplan. 3. Voor het bezoekbaar maken van een woning (het toe- en doorgankelijk maken en aanpassen van het toilet en/of woonkamer) bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.645,07. 4. De tegemoetkoming vermeldt onder lid 2 en 3 kunnen eenmalig verstrekt worden. 5. Voor de kosten van het gebruik van een taxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 4.614,43 per kalenderjaar. Voor de kosten van het gebruik van een rolstoeltaxi bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 6.021,73 per kalenderjaar. 6.
Voor de kosten van de aanpassingen van de eigen auto wordt de vergoeding vastgesteld op basis van offertes, waarbij de technische levensduur van de auto op het moment van aanvragen nog minimaal 10 jaar moet zijn. 7. Voor de kosten ten behoeve van een sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 3.605,24 per drie jaar. 8. Voor de kosten ten behoeve van onderhoud en reparatie aan de sportrolstoel bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 675,60 per kalenderjaar. 9. Voor de kosten van was- en strijk bedraagt de tegemoetkoming maximaal € 65,83 per maand. 10. De toegekende tegemoetkoming zoals bedoeld in lid 2 t/m 9 worden op declaratiebasis achteraf uitgekeerd aan de aanvrager. 11. De maximale bedragen van de tegemoetkomingen genoemd onder lid 2 t/m 9 worden jaarlijks verhoogd of verlaagd aan de hand van de prijsindex voor gezinsconsumptie zoals bepaald in artikel 3.7 eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Artikel 37. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel pgb op grond van de Wmo 2015, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.
Voor de maatwerkvoorzieningen bedraagt de hoogte van de bijdrage voor een of meerdere voorzieningen samen het bedrag genoemd in artikel 2.1.4 lid 3 en artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt samen. 3. In afwijking van het eerste lid is cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen a. rolstoelen; b. woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige cliënt.
Pagina 21 van 103
4.
5.
In afwijking van het eerste en tweede lid kan een cliënt tijdelijk worden uitgesloten voor het betalen van de eigen bijdrage als cliënt onvoldoende betaalcapaciteit heeft én voldoet aan één van de onderstaande voorwaarden: a. de cliënt zit in de eerste twaalf maanden na een scheiding. Bij een scheiding kan de eigen bijdrage op nul gezet worden tot maximaal 12 maanden na de scheiding. b. de cliënt zit in de eerste twaalf maanden na het verlies van betaald werk. Bij het verliezen van een betaalde baan kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 12 maanden. c. de cliënt heeft een budgetmaatje. Bij het gebruikmaken van een budgetmaatje kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 6 maanden. d. de cliënt zit in de schuldsanering via de GR IJsselgemeenten. Bij een schuldsaneringstraject wordt de eigen bijdrage tot einde traject op nul gezet. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo 2015 is de hoogte van de reizigersbijdrage voor de maatwerkvoorziening collectief vraagafhankelijk vervoer afhankelijk van het aantal gereden zones. Deze reizigersbijdrage is: 2024 Aantal Zones
6.
7.
Geïndiceerde begeleider Nihil
Sociaal begeleider € 2,40
OV- reiziger
1
Van deur naar deur Wmo-pashouder € 2,40
2
€ 3,30
Nihil
€ 3,30
€ 9,75
3
€ 4,25
Nihil
€ 4,25
€ 13,00
4
€ 5,30
Nihil
€ 5,30
€ 16,25
5
€ 6,20
Nihil
€ 6,20
€ 19,50
6
€ 7,35
Nihil
€ 7,35
€ 22,75
€ 6,50
De genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2024 en worden ieder opvolgend jaar gewijzigd aan de hand van indexatie (NEA). De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wmo 2015, worden de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd.
Artikel 38. Blijk van waardering voor mantelzorgers 1. Mantelzorgers van ingezetenen van de gemeente Zuidplas kunnen door middel van een melding bij het college in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering. 2. Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015, voor mantelzorgers van ingezetenen van Zuidplas in de vorm van: a. een jaarlijkse dag/activiteit voor mantelzorgers. Deelname hieraan is gratis; b. op maat geboden ondersteuning door het mantelzorgsteunpunt.
Hoofdstuk 4: Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 39. Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en/of artikel 2.3.6 van de Wmo.
Pagina 22 van 103
2.
3. 4.
5. 6.
7.
Als een cliënt in aanmerking komt voor een zorg gerelateerde dienst op basis van een pgb, dan is de cliënt verplicht om ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag een budgetplan in te dienen. De cliënt dient daarbij gebruik te maken van een door het college vastgesteld format. In het budgetplan dient gemotiveerd te worden: a. welke zorg er met het pgb wordt ingekocht; b. waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht; c. waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen terzake, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp voldoende in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken; d. hoe de zorg wordt vormgegeven; e. hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is.
Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene die de diensten verleent in contact kan komen met personen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden; f. hoe hij de voorziening volgens een begroting dan wel een offerte wenst te financieren. Voor dienstverlening in het kader van de Wmo 2015 of Jeugdwet wordt het tarief voor formele (professionele zorg) of informele (sociaal netwerk) hulp gehanteerd. Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb en: a. er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is; b. de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen moet naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit zijn en in voldoende mate bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c. de budgethouder en het college in het ondersteuningsplan afspreken binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd. d.
Er op geen enkele manier druk is uitgeoefend op cliënt om de dienstverlening, in welke vorm van ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. Het college verlangt van de cliënt en zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging en verklaring teneinde het beheer van het pgb op verantwoorde wijze uit te voeren. Het college kan een persoon niet in staat achten de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. ernstige verslavingsproblematiek; c. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; h. twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid. Het college verplicht de budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het ondersteuningsplan ook aan te geven wat de behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden.
Pagina 23 van 103
8. 9.
10. 11.
12.
Een pgb bestemd voor besteding in het buitenland, is alleen mogelijk als het college daar expliciet toestemming voor heeft gegeven. Een pgb is niet mogelijk: a. als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4, dan wel ondersteuning die ambtshalve wordt verleend in de situatie als bedoeld in artikel 10, vierde lid; b. de kosten voor tussenpersonen, belangbehartigers, bemiddeling, administratie, lidmaatschappen, verlofdagen/feestdagenuitkering of reiskosten komen niet in aanmerking voor een pgb; c. voor de bekostiging van huisvesting / huur. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s onderzoeken. Bij het verlenen van een pgb geldt dat de voorziening moet voldoen aan het programma van eisen dat is opgesteld door de gemeente en, indien van toepassing, aan het Kwaliteiten Bruikbaarheids Onderzoek van Hulpmiddelen keurmerk en/of voorkomt op de lijsten van het TNO-keurmerk dan wel een gelijkwaardig keurmerk goedgekeurde hulpmiddelen. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.
Artikel 40. Regels voor pgb vertegenwoordiging 1. Een vertegenwoordiger wordt geacht de aan de pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te kunnen voeren. 2. De vertegenwoordiger stelt het belang van de cliënt centraal en moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van de cliënt. 3. De vertegenwoordiger is niet tevens uitvoerder van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of heeft geen financiële relatie met de uitvoerder van de ondersteuning. 4. In afwijking op lid 3 kan gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de verantwoordde besteding van het pgb, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden; 5. De vertegenwoordiger van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt. 6. Het college kan uit het oogpunt van kwaliteit en rechtmatigheid, al dan niet steekproefsgewijs, controleren wie er als vertegenwoordiger staat geregistreerd bij de SVB. 7. Indien de vertegenwoordiger iemand is uit het netwerk van cliënt dan dient er te worden aangeven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt. 8. Kosten voor pgb vertegenwoordiging mogen niet worden voldaan uit het persoonsgebonden budget. Artikel 41. Regels voor pgb professional (formele hulp) 1.
Van professionele ondersteuning is sprake als de organisatie of zelfstandig werkende hulpverlener die door de cliënt is ingeschakeld voor de ondersteuning, voldoet aan het geheel van de eisen genoemd in één van de volgende onderdelen: a. Er is sprake van een organisatie die: 1° staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de Wmo en Jeugdwet; 2° biedt een dienstverband aan minimaal twee medewerkers; 3° de organisatie en de medewerkers voldoen aan de kwaliteitseisen en beroepscodes die voor de betreffende ondersteuning worden gesteld aan gecontracteerde aanbieders en hun medewerkers; 4° de eigenaar en medewerkers zijn geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant van degene aan wie ze ondersteuning bieden of van diens vertegenwoordiger; en 5° beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd in het kader van dagbesteding, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven; of
Pagina 24 van 103
b.
2.
3. 4.
Er is sprake van een zelfstandig werkende hulpverlener die: 1° staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel waarbij de activiteiten blijkens deze inschrijving bestaan uit het verlenen van ondersteuning die past binnen de kaders van de Wmo en Jeugdwet; 2° de belastingdienst beschouwt de hulpverlener in het kader van de hulpverlening aan de cliënt als ondernemer; 3° de medewerker voldoet aan de kwaliteitseisen die aan een hulpverlener van een gecontracteerde aanbieder worden gesteld en berekent een tarief dat marktconform is; 4° de hulpverlener is geen eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant van degene aan wie hij ondersteuning biedt of van diens vertegenwoordiger; en 5° beschikt, indien ondersteuning wordt geleverd in het kader van dagbesteding, over een locatie waar meerdere cliënten tegelijk kunnen verblijven. De professional die een dienst verleent in het kader van de Wmo 2015 en/of de Jeugdwet: a. dient een ingezetene van Nederland te zijn en te beschikken over een Burgerservicenummer; b. Voor het leveren van professionele ondersteuning is vereist dat de hulpverlener beschikt over een VOG die na of kort voor indiensttreding bij zijn werkgever of de start van de ondersteuning is afgegeven; c. De professional die een dienst verleent in het kader van de Jeugdwet dient in het bezit te zijn van een SKJ-registratie of voldoet aan de richtlijn verantwoorde werktoedeling; d.
hij dient in bezit te zijn van een geldige aansprakelijkheidsverzekering en een geldig lidmaatschap van een klachtencommissie. De organisatie en de hulpverlener mogen geen enkel ander voordeel aan de ondersteuningsrelatie ontlenen dan de betaling vanuit het pgb. Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven, de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb.
Artikel 42. Regels voor pgb sociaal netwerk (informele hulp) 1. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc. 2. De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 3. Indien er sprake is van verlening van hulp door een persoon in het sociaal netwerk: a. dient uit het ondersteuningsplan en budgetplan blijken dat deze in staat is de gevraagde hulp gedurende de afgesproken periode te leveren, dat dit niet leidt tot overbelasting en hoe vervanging geregeld is bij vakantie of ziekte. b. zoekt de persoon uit het sociale netwerk afstemming met andere dienstverleners dan wel met de casusregisseur conform het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur. c. als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben. d.
overlegt de persoon uit het sociaal netwerk een verklaring omtrent gedrag (VOG) waaruit blijkt dat het gedrag van de persoon in het verleden geen bezwaar vormt voor het verlenen van diensten in de persoonlijke leefomgeving. 4. Indien er op basis van een pgb ondersteuning wordt geboden door het sociaal netwerk is dit alleen mogelijk voor de maatwerkvoorziening begeleiding, voor zover deze de gebruikelijke zorg en/of hulp overstijgt. Artikel 43. Hoogte van het pgb
Pagina 25 van 103
1. 2.
3.
4. 5. 6. 7.
8. 9.
10. 11. 12.
13.
De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van de te verstrekken maatwerkvoorziening zoals bepaald in artikel 8. Een hulpmiddel of een woningaanpassing wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt. Het pgb is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; Uitbetaling van een pgb voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vindt plaats op basis van zorgovereenkomsten of op declaratiebasis, door de SVB. In afwijking van lid 4 vindt uitbetaling van een pgb voor een (vervoer)hulpmiddel of een woningaanpassing achteraf plaats door het college, op basis van leveranciersfacturen. Bij de berekening van het tarief van een pgb wordt rekening gehouden met alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verlofdagen, feestdagen, verzekering(en) en reiskosten. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. a.
van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. b. informele hulp is: Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a; Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in onderdeel a, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. Het tarief voor formele hulp uitgevoerd door een hulpverlener werkzaam bij een professionele instelling bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura. Het tarief voor vervoer van en naar de dagbesteding of locatie waar jeugdhulp wordt geboden bedraagt ten hoogste 100% van het tarief in natura en is alleen mogelijk voor een professionele instelling. Het tarief van een zzp‘er bedraagt ten hoogste 75% van het tarief van zorg in natura.
Het tarief voor hulp in natura wordt indien het geen uurtarief is, omgerekend naar een tarief per uur. Het pgb voor hulp uitgevoerd als bedoeld in lid 7 onderdeel b is gelijk aan het tarief hiervoor in de Wet langdurige zorg plus de kosten voor het aanvragen van een Verklaring omtrent het Gedrag. De gemeente volgt voor de indexering bij het tarief voor hulp uit het sociale netwerk de ontwikkeling van het tarief in de Wet langdurige zorg.
Artikel 44. Besteding en verantwoording van het pgb 1. De cliënt besteedt het pgb conform het door het college goedgekeurde budgetplan. 2. De cliënt voldoet aan de eisen die door de wetgever en het college aan het pgb worden gesteld, ten aanzien van de verantwoording, de zorgovereenkomst en het trekkingsrecht. 3. Het niet nakomen van de aan het pgb verbonden verplichtingen kan leiden tot: a. terugvordering van het ten onrechte ontvangen pgb; en b. de weigering om de ondersteuning nog langer in de vorm van een pgb te verstrekken.
Hoofdstuk 5: Specifieke bepalingen leerlingenvervoer Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen
Pagina 26 van 103
Artikel 45. Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: a. aangepast vervoer: vervoer per besloten (school)busvervoer, taxi, taxibus of bustaxi; b. afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg; c. begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden; d. begeleiding: fysieke begeleiding van de leerling tijdens het vervoer. e. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zuidplas; f. deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige of de in het Op Overeenstemming Gericht Overleg (zie L) bepaalde onafhankelijke deskundige; g. eigen vervoer: vervoer per motorvoertuig of fiets, dat door ouders zelf wordt vormgegeven; h. gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; i. inkomen: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs; j. leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel onder r. k.
ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 2.44 op de Wet op het voortgezet onderwijs 2020, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding, dan wel de commissie van onderzoek; l. OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 3.42 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; m. openbaar vervoer: voor eenieder openstaand personenvervoer n. opstapplaats: plaats aangewezen door het college, vanaf waar de leerling gebruik kan maken van het vervoer. De opstapplaats bevindt zich op een veilige en beschutte locatie en op een redelijke loopafstand van de woning van de leerling en biedt voldoende ruimte voor een eventuele begeleider; o. opvangadres: adres naast de woning van de leerling waar de leerling wordt opgevangen, zoals buitenschoolse opvang, gastouder of familielid. p.
ouders: (pleeg)ouders, voogden of verzorgers van de leerling; q. reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids (of het standaard rooster bij voortgezet onderwijs), minus maximaal 10 minuten, indien en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer; r. samenwerkingsverband: 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of 2°. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2022; s. school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt: Dit is 1°. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de
Pagina 27 van 103
t. u. v.
w.
x.
Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4°. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; stage: praktische leertijd bij de beroepsopleiding; toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school; vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning dan wel de opstapplaats en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt; vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3°.
gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider; woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
Artikel 46. Doelstelling Dit hoofdstuk van de Integrale verordening heeft tot doel om op basis van een beoordeling op grond van de in deze verordening vastgestelde criteria en een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug. Paragraaf 5.2 Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 47. Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling structureel verblijft, door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te kunnen beoordelen en uitvoering te geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling. 4. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 5. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluit met ten hoogste vier weken verdagen.
Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 6. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend, dan geldt deze: a. wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het een aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum. Artikel 48. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag
Pagina 28 van 103
1.
2.
3. 4. 5.
6.
Bij de beoordeling van een aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, zijn de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin het uitgangspunt. Het college kan bij een eerste aanvraag in een gesprek met de ouders, en desgewenst met de leerling en een deskundige, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken (als bedoeld in paragraaf 5.4). Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek als bedoeld in het tweede lid opnieuw plaatsvinden. Het college betrekt in het gesprek tenminste de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en de dichtstbijzijnde toegankelijke school als bedoel in artikel 51. Het college kan in overleg met de ouders, desgewenst de leerling en in samenhang met het ontwikkelingsperspectief een persoonlijk vervoersontwikkelingsplan opstellen, waarin de weg naar zelfstandig reizen naar school wordt beschreven alsmede de mogelijkheden van de leerling. Dit plan maakt onderdeel uit van het besluit. In het persoonlijk vervoersontwikkelingsplan kan het college ondersteuning bieden om de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling te bevorderen.
Artikel 49. OOGO met het samenwerkingsverband 1. Het college neemt het leerlingenvervoer op als periodiek agendapunt in het OOGO. 2. Het college spant zich in om in het OOGO afspraken te maken over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt. De deskundige betrekt in zijn advies de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling als bedoeld in artikel 48. c. de wijze waarop invulling gegeven wordt aan de verwijzing van de leerling naar de voor hem passende school met dien verstande, dat slechts een vervoersvoorziening door het college wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid. 3. Het college organiseert periodiek een uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg worden de volgende onderwerpen besproken: a. de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; b.
het maken van afspraken over de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan het vervoersontwikkelingsplan genoemd in artikel 48, vijfde lid. Artikel 50. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2. Als het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt het college van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. 3. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. 4. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling.
Pagina 29 van 103
5.
6. 7. 8.
Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.
Paragraaf 5.3 Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op de vervoersvoorziening Artikel 51. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ontstaat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening dan dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld. 3. Met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden wordt een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning of de opstapplaats en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. Artikel 52. Afstandsgrens 1.
Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer; b. speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dat 6 kilometer; of c. speciaal onderwijs meer bedraagt dan 6 kilometer. 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kan het college hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige. De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. 3. De afstand tussen de woning en de school wordt door het college gemeten langs de kortste voor de leerling per fiets voldoende begaanbare en veilige weg. Artikel 53. Aanwijzing opstapplaats Het college kan overgaan tot het instellen van opstapplaatsen, waarbij geldt dat: a. het college bij het verstrekken van aangepast vervoer een opstapplaats kan aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening. b. de ouders er zorg voor dragen dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is. c.
het college geen opstapplaats aanwijst als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.
Pagina 30 van 103
d. het college tijdelijk geen opstapplaats aanwijst als het gebruik van een opstapplaats leidt tot hogere kosten dan aangepast vervoer vanaf de woning van de leerling. Artikel 54. Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft, bepalend. Artikel 55. Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de betreffende leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht. Artikel 56. Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op de standaard schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Ingeval er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3.
Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel 57. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling, die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; en b. in de periode, voorafgaand aan het tijdelijk verblijf buiten de gemeente, is een vervoervoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2. Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Artikel 58. Vervoersvoorziening naar stageadres 1.
Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school en wordt aangetoond in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning dan wel de opstapplaats naar de school. Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door college te bepalen maximale straal van de woning of de school.
Pagina 31 van 103
3.
4.
Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling dan wel de opstapplaats en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. Het college kan het stagecontract opvragen.
Paragraaf 5.4 Onderzoeksfase: verstrekking, aard en omvang van de vervoersvoorziening Artikel 59. Verstrekking van de vervoersvoorziening 1. Het college betrekt bij de verstrekking van de vervoersvoorziening het eventuele persoonlijk vervoersontwikkelingsplan of vervoersadviezen van deskundigen die voor de onderzoeksfase van belang zijn. 2. Als begeleiding in het vervoer vereist is, vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. Artikel 60. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1. Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 52, eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar die een basisschool zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer 2. Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3. De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer. Artikel 61. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1.
Het college verstrekt aan de ouders van de leerling vanaf 9 jaar bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider als: a. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 52, eerste lid, de leerling jonger dan twaalf jaar is en een basisschool, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken, of b. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 52, de leerling jonger is dan twaalf jaar en een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, bezoekt, of c. de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 2. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling die een school voor regulier voortgezet onderwijs of voortgezet special onderwijs cluster 4 bezoekt, bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer van de leerling en een begeleider, indien de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken. 3.
In afwijking van de bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer, zoals bedoeld in het tweede lid, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets, indien de leerling naar het oordeel van het college onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets. 4. De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer. 5. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor bekostiging in aanmerking. Artikel 62. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer
Pagina 32 van 103
1.
2.
Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: a. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 52, eerste lid en de leerling onder de 9 jaar is; b. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 52, eerste lid, de leerling tussen 9 en 12 jaar is en clusteronderwijs bezoekt; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 60 en 61 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een basisschool of terug, meer dan anderhalf uur onderweg is; d. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 60 en 61 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar een speciale school voor basisonderwijs of terug, meer dan een uur onderweg; e. het een school voor voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3 betreft en de leerling door een handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; f. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 61, de leerling een school voor regulier voortgezet onderwijs of speciaal voortgezet onderwijs cluster 4 bezoekt en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, meer dan drie kwartier onderweg is; g.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 60 en 61 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; h. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 61 en door de ouders genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of i. de leerling, naar het oordeel van het college, gelet op zijn handicap niet in staat is – ook niet onder begeleiding –van openbaar vervoer gebruik te maken. In afwijking van het bepaalde in artikel 50, zevende lid kan in het geval van een toekenning aangepast vervoer een vervoersvoorziening verstrekt worden voor vervoer naar één ander adres dan de woning van de leerling indien: a. dit een adres betreft waar kinderopvang wordt geboden, omdat beide ouders werken; b. het adres van de opvanglocatie binnen een straal van 500 meter van de school van de leerling ligt of in de dorpskern waar de leerling woont, ligt, en c. er sprake is van een vast patroon, dat wil zeggen één vast opvangadres op vaste dag(en) per week, dat bij de aanvraag is opgegeven. d. dit geen hulpverlening in het kader van de Jeugdwet betreft.
Artikel 63. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 2. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren: a. een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. De kilometervergoeding voor de fiets is € 0,09 per kilometer. b. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding, als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of c. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Deze vergoeding bedraagt het belastingvrije kilometerbedrag (€ 0,23).
Pagina 33 van 103
d.
3 4.
5.
een bedrag op basis van de werkelijk gemaakte reiskosten voor de leerling die gebruik maakt van een schoolbus van een school of een oudervereniging. Als het college een kilometervergoeding toekent, zoals genoemd in het tweede lid sub c van dit artikel, bekostigt het college viermaal de afstand tussen woning en school per dag. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren, dan wel laten vervoeren, één bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, zijnde € 0,23 per kilometer, behoudens het bepaalde in lid 5. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die reeds voor dit vervoer bekostiging van het college ontvangen, wordt door het college geen bekostiging verstrekt.
Artikel 64. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Artikel 65. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Met inachtneming van artikel 51 kent het college desgewenst een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het weekeindevervoer van de leerling voor de, eenmaal per weekeinde gemaakte, reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de weekeinden niet vallen binnen de in het derde de lid bedoelde schoolvakanties. 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de, eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer, gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4.
Artikel 62, eerste lid, aanhef en onder f, is niet van toepassing. Artikel 66. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 28.800,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 52 bepaalde afstand te boven gaan. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 52 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 28.800,-, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 52 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan.
Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. 4. Het inkomensbedrag van € 28.800,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2024 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het
Pagina 34 van 103
5.
voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 28.800,-. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen, pleegouders en voogdijinstellingen.
Artikel 67. Financiële draagkracht 1. Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s 0 – 36.900 Nihil 36.900 – 43.650 170 43.650 – 50.400 750 50.400 – 56.700 1390 56.700 – 64.800 2035 64.800 – 71.100 2730 71.100 en verder Voor elke extra € 5.000,-: € 655,- erbij 4. De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2024jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. 5.
De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2024 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. 6. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
Hoofdstuk 6: Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten Artikel 68. Kwaliteitseisen 1. Het college draagt er zorg voor dat minimaal de uitvoering van de wettelijke kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten met de aanbieders. 2. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 3. Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 4. De aanbieder draagt er zorg voor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. 5. Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het college kan,
Pagina 35 van 103
6. 7.
met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt. Het college onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.
Artikel 69. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 2.11, tweede lid van de Jeugdwet en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst, stelt het college vast: a. een vaste prijs of tarief, toegepast bij een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of b. een reële prijs of tarief, geldend als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijs of het tarief, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht; en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015 en 12.4, eerste lid, onder a, van de Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst of jeugdhulp wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs ten minste op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. redelijke overheadkosten; d.
kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; e. reis en opleidingskosten; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen waaronder kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onder b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs of tarief voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op wat gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel 70. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in natura, pgb of bekostiging leerlingenvervoer zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.
Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo doet een cliënt of ouder van een leerling op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een besluit aangaande een voorziening. 3. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een besluit aangaande een voorziening of bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer herzien, dan wel intrekken als het college vaststelt dat: