CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 A25.002849

Gemeenteraad 9 december 2025, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Aanpassing Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 202451.689 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

*A25.002849*

Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026

Pagina 1 van 103

Inleiding en leeswijzer Inleiding De gemeente hecht er belang aan dat de hulpvraag van de inwoner zo volledig mogelijk wordt behandeld. Dit komt tot uiting in de integrale verordening, met als vertrekpunt: ‘één gezin, één plan, één regisseur’. De vraag van de inwoner staat centraal, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het sociale domein. Daar waar het praktisch mogelijk is, wordt de wijze van toegang en behandeling van de hulpvraag in het kader van de Jeugdwet en Wmo identiek. Voor de hulpvragen waarbij de toegang en het werkproces apart zijn georganiseerd (bijv. Leerlingenvervoer) wordt er gewerkt vanuit de gedachte om de inwoner zoveel mogelijk integraal te ondersteunen. Inwoners die zich met hulpvragen bij de gemeente melden, kunnen van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd wordt. Ongeacht de hulpvraag en waar deze in de organisatie terecht komt, kijken we breder naar de andere leefdomeinen als daar aanleiding voor is. Leeswijzer De verordening start met het integrale deel voor Jeugd, Wmo en het Leerlingenvervoer. Dit zijn de hoofdstukken 1 en 2. Hierna volgen de specifieke bepalingen voor Jeugd en Wmo (hoofdstuk 3), het persoonsgebonden budget (hoofdstuk 4) en Leerlingenvervoer (hoofdstuk 5).

Aansluitend op hoofdstuk 5 volgen er nog drie hoofdstukken die weer integraal voor zowel Jeugd, Wmo als Leerlingenvervoer gelden.

Pagina 2 van 103

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen .............................................................................................. 6 Artikel 1. Begrippen en afkortingen .................................................................................................... 6 Hoofdstuk 2: Integrale benadering ................................................................................................ 8 Artikel 2. Toegang tot ondersteuning ................................................................................................. 8 Artikel 3. Melding hulpvraag ............................................................................................................... 8 Artikel 4. Spoedeisende ondersteuning .............................................................................................. 8 Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon..................................................................... 8 Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van een melding / aanvraag ..................... 9 Artikel 7. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek .................................................... 9 Artikel 8: Verstrekken van een maatwerkvoorziening ...................................................................... 10 Artikel 9.

Weigeringsgronden............................................................................................................ 10 Artikel 10. Aanvraag van een maatwerkvoorziening ........................................................................ 12 Artikel 11. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp .................................................................... 12 Artikel 12. Beschikking maatwerkvoorziening .................................................................................. 12 Hoofdstuk 3: Voorzieningen........................................................................................................ 13 Artikel 13. Algemene voorzieningen jeugd ....................................................................................... 13 Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen jeugd ........................................................................................ 13 Artikel 15. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding .................................... 14 Artikel 16. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening behandeling .................................. 14 Artikel 17. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding ............... 14 Artikel 18. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding.. 14 Artikel 19.

Vervoer bij jeugdhulp ...................................................................................................... 15 Artikel 20. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren .......................................... 16 Artikel 21. Zestienjarige en voortzetting jeugdhulp na achttien jaar................................................ 16 Artikel 22. Algemene voorzieningen Wmo ....................................................................................... 16 Artikel 23. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo ............................................................. 16 Artikel 24. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden ................ 17 Artikel 25. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding .................................... 18 Artikel 26. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding................................. 18 Artikel 27. Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding ................................... 18 Artikel 28. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren .......................................... 18 Artikel 29.

Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang ............................................................................................................................................... 18 Artikel 30. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschut wonen ........................................... 18

Pagina 3 van 103

Artikel 31. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel ....................................................... 19 Artikel 32. Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen ...................................................... 19 Artikel 33. Aanvullende criteria maatwerkvoorzieningen, vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen ...................................................................................................................... 20 Artikel 34. Aanvullende criteria maatwerk sportvoorzieningen ....................................................... 20 Artikel 35. Afschrijvingsperioden ...................................................................................................... 21 Artikel 36. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 21 Artikel 37. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen ........................................................ 21 Artikel 38. Blijk van waardering voor mantelzorgers ........................................................................ 22 Hoofdstuk 4: Persoonsgebonden budget (pgb) ............................................................................ 22 Artikel 39. Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb................................................... 22 Artikel 40.

Regels voor pgb vertegenwoordiging .............................................................................. 24 Artikel 41. Regels voor pgb professional (formele hulp) ................................................................... 24 Artikel 42. Regels voor pgb sociaal netwerk (informele hulp) .......................................................... 25 Artikel 43. Hoogte van het pgb ......................................................................................................... 25 Artikel 44. Besteding en verantwoording van het pgb...................................................................... 26 Hoofdstuk 5: Specifieke bepalingen leerlingenvervoer ................................................................ 26 Artikel 45. Begripsomschrijving ......................................................................................................... 27 Artikel 46. Doelstelling ...................................................................................................................... 28 Artikel 47. Aanvraagprocedure ........................................................................................................ 28 Artikel 48. Gesprek over zelfstandigheid en zelfredzaamheid bij de aanvraag ................................ 28 Artikel 49.

OOGO met het samenwerkingsverband .......................................................................... 29 Artikel 50. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening.......................... 29 Artikel 51. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school ............................... 30 Artikel 52. Afstandsgrens .................................................................................................................. 30 Artikel 53. Aanwijzing opstapplaats .................................................................................................. 30 Artikel 54. Peildatum leeftijd leerling................................................................................................ 31 Artikel 55. Andere vergoedingen ...................................................................................................... 31 Artikel 56. Schooltijden en wachttijden ............................................................................................ 31 Artikel 57. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente ............................................................................... 31 Artikel 58. Vervoersvoorziening naar stageadres ............................................................................. 31 Artikel 59.

Verstrekking van de vervoersvoorziening ....................................................................... 32 Artikel 60. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets .......................... 32 Artikel 61. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider................................................................................................................................... 32 Artikel 62. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer ................................................ 32

Pagina 4 van 103

Artikel 63. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer ................................................... 33 Artikel 64. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening ........................................................ 34 Artikel 65. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie ......................................................... 34 Artikel 66. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag......................................................... 34 Artikel 67. Financiële draagkracht ..................................................................................................... 35 Hoofdstuk 6: Wijzigingen, kwaliteit, medezeggenschap en klachten ............................................ 35 Artikel 68. Kwaliteitseisen ................................................................................................................. 35 Artikel 69. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieder ......................................................................... 36 Artikel 70. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering .............. 36 Artikel 71. Klachtenregeling .............................................................................................................. 37 Artikel 72. Medezeggenschap bij aanbieders ................................................................................... 37 Artikel 73.

Incidenten, calamiteiten en geweld ................................................................................ 38 Artikel 74. Doel- en rechtmatigheid .................................................................................................. 38 Hoofdstuk 7: Participatie in het Sociaal Domein .......................................................................... 38 Artikel 75. Begripsbepalingen participatie sociaal domein ............................................................... 38 Artikel 76. Doelstelling ...................................................................................................................... 39 Artikel 77. Taken van de adviesraad ................................................................................................. 39 Artikel 78. Werkwijze van de adviesraad .......................................................................................... 40 Artikel 79. Werkwijze van het college ............................................................................................... 40 Artikel 80. Overlegstructuur van de adviesraad................................................................................ 40 Artikel 81. Overleg met de gemeente ............................................................................................... 41 Artikel 82.

Faciliteren en verantwoording......................................................................................... 41 Artikel 83. Samenstelling van de adviesraad..................................................................................... 41 Artikel 84. Voorzitter ......................................................................................................................... 42 Artikel 85. Secretaris/ Penningmeester ............................................................................................ 42 Artikel 86. Beëindiging lidmaatschap ................................................................................................ 42 Artikel 87. Evaluatie........................................................................................................................... 42 Hoofdstuk 8: Slotbepalingen ....................................................................................................... 43 Artikel 88. Hardheidsclausule en gevallen waarin de verordening niet voorziet ............................. 43 Artikel 89. Intrekking oude verordening en overgangsrecht ............................................................ 43 Artikel 90. Inwerkingtreding en citeertitel ........................................................................................

43 Toelichting op de Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2026 ....................................... 44

Pagina 5 van 103

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1. Begrippen en afkortingen a. Algemeen gebruikelijke voorziening: zaak of dienst die normaal in de handel te krijgen is; niet speciaal voor mensen met een beperking is ontworpen; niet aanzienlijk duurder is dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau; b. Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van maatschappelijke ondersteuning (artikel 1.1.1, eerste lid van de Wmo 2015), zelfredzaamheid en participatie of opvang; c. Beperking: objectief vastgestelde stoornis of conditie in lichamelijke, zintuiglijke, psychische of verstandelijke zin, die een normaal maatschappelijk functioneren van de cliënt belemmert en/of nadelige sociale gevolgen met zich meebrengt; d. Cliënt: cliënt als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 of de jeugdige of ouder die aanspraak maakt op jeugdhulp, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; e.

Dienstverlening: jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een cliënt, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen; f. Eigen bijdrage: financiële bijdrage van de cliënt als bedoeld in artikel 2.1.4a van de Wmo 2015. Cliënt is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelen, een woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige en voorzieningen op grond van de Jeugdwet; g. Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; h. Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 of behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, waarbij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet; i. Inwoner: iemand die in de gemeente Zuidplas staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp), dan wel in de gemeente Zuidplas zijn hoofdverblijf heeft. j. Individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening voor jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet, door het college verstrekt in natura of bij pgb. k. Jeugdwet; l.

Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015 en Jeugdwet; m. Machtiging gesloten jeugdhulp: een door de kinderrechter genomen beslissing (beschikking) om een jeugdige in een gesloten instelling te plaatsen; n. Mantelzorg:

Pagina 6 van 103

o.

p.

q.

r.

s.

t.

u.

v. w. x.

y. z.

hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw), die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015, of de aanvraag voor jeugdhulp; Onafhankelijk cliëntondersteuning: gratis en onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning op het gebied van <maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen/de diverse levensdomeinen van personen>; Ondersteuningsplan: het onderdeel van het ondersteuningsverslag dat de weergave bevat van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding op grond van de Wmo 2015 of het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet dat door het college is gemaakt naar aanleiding van het onderzoek, waaronder tevens wordt verstaan het niet inhoudelijk gevulde ondersteuningsplan in geval van weigering van de ondersteuning; Onderzoek: het onderzoek dat de gemeente uitvoert naar aanleiding van een hulpvraag om te bekijken wat de situatie is van degene die

hulp vraagt en te bepalen welke ondersteuningsbehoefte hieruit voortvloeit; Persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een cliënt, dat deze in staat stelt de geïndiceerde hulp van derden te betrekken; Sociaal netwerk: een groep van mensen waarmee de cliënt duurzame banden onderhoudt en waarbij sprake is van verbondenheid. Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt; Vertegenwoordiger (gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger): persoon of rechtspersoon die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot de verleende hulp/zorgverlening; Vervoersdiensten: Wmo vervoer geregeld door de gemeente, zoals het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer.

Vervoersvoorzieningen: hulpmiddelen voor het verplaatsen, te denken aan scootmobiel, driewielfiets etc Voorliggende voorziening: een algemene voorziening of andere voorziening waarmee geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor het toekennen van een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven, omdat de cliënt de ondervonden problemen met die voorziening op eigen kracht kan oplossen; Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Zorg in Natura (ZIN): een voorziening in de vorm van goederen in (bruik)leen, in eigendom, persoonlijke dienstverlening, beschermd wonen of opvang om de zelfredzaamheid of participatie van een ingezetene te verbeteren of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang.

Pagina 7 van 103

Hoofdstuk 2: Integrale benadering Artikel 2. Toegang tot ondersteuning 1. Het college zorgt er in ieder geval voor dat inwoners die daar om verzoeken: a. kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; b. kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: 1°. het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en 2°. hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; c. worden doorverwezen en –geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en d. dat degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning. 2. In het kader van de uitvoering van het eerste lid vindt geen verwerking van persoonsgegevens plaats. Op verzoek van betrokkene kunnen de relevante bevindingen op schrift worden gesteld en aan hem of haar ter beschikking worden gesteld. Artikel 3. Melding hulpvraag 1. Eenieder kan zich rechtstreeks met een hulpvraag, voor zichzelf of voor een ander, richten tot het college, mits die hulpvraag een inwoner van Zuidplas betreft, de wettelijke uitzonderingen van de Jeugdwet daar gelaten. 2.

Het college maakt met de inwoner een afspraak voor een gesprek, zoals bedoeld in artikel 6 en bevestigt deze schriftelijk. 3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Indien de hulpvraag een minderjarige betreft informeert het college de jeugdige en/of zijn ouders, 4. Het college informeert de inwoner, en/of diens mantelzorger(s) of diens vertegenwoordiger voorafgaand aan het gesprek over de mogelijkheid om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning. 5. Het college brengt de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een eigen plan / familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet op te stellen. 6. Lid 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op een aanvraag leerlingenvervoer. Een aanvraag hiervoor loopt volgens de procedure genoemd in hoofdstuk 5. Artikel 4. Spoedeisende ondersteuning Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een (tijdelijke) maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 6 of de aanvraag van cliënt.

Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende (tijdelijke) voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet. Artikel 5. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1. Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in de Jeugdwet. 3. Het college of de andere organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Pagina 8 van 103

Artikel 6. Het onderzoek en het gesprek naar aanleiding van een melding / aanvraag 1. Het onderzoek start met het voeren van een gesprek met cliënt, en/of diens vertegenwoordiger/gemachtigde, mantelzorger en indien gewenst familie. 2. Het college stelt de identiteit vast van alle bij het gesprek aanwezigen aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 3. In het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, komen in ieder geval de volgende onderwerpen aan de orde: a. de behoefte, persoonskenmerken, beperkingen, veiligheid, ontwikkeling, gezinssituatie, het probleem of hulpvraag en de voorkeuren van de cliënt; b. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk, zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt. d. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een voorliggende-, algemene- of algemeen gebruikelijke voorzieningen of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie; e.

de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, alsmede partijen op bijvoorbeeld het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid; f. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken. g. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget, waarbij de cliënt wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. h. welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn. 4. Naast het gesprek kan gebruik worden gemaakt van (een combinatie van) de volgende onderzoeksmethoden: a. Dossieronderzoek; b. Een aanvullend gesprek; c. Telefonisch onderzoek; d. Inschakelen externe deskundige; e. Inwinnen van informatie met toestemming van de cliënt bij behandelaars, zorgverleners, familie en/of overige externe partijen; f. Overige onderzoeksmethoden waartoe het college wettelijk bevoegd is. 5. De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken. 6.

Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. 7. Binnen 10 dagen na het gesprek verstrekt het college de cliënt een bondig gespreksverslag met daarin een weergave van de zorgvraag en gemaakte afspraken. Artikel 7. Ondersteuningsplan naar aanleiding van het onderzoek 1. Het college stelt na het onderzoek in overleg met de inwoner een ondersteuningsplan op, vanuit het principe één gezin, één plan, één regisseur. 2. Het ondersteuningsplan bevat de uitkomsten naar aanleiding van het onderzoek, waarin het college: a. de hulpvraag vaststelt; b. heeft vastgesteld welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving;

Pagina 9 van 103

c.

3. 4. 5.

heeft vastgesteld welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving; d. onderzocht heeft of en in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden; e. slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, een maatwerkvoorziening dient te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. De inwoner kan feitelijke gegevens corrigeren en kan zijn/haar opmerkingen op het ondersteuningsplan kenbaar maken. Als de inwoner van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt dit opgenomen in het ondersteuningsplan. Cliënt ondertekent het ondersteuningsplan door aan te geven dat hij/zij: a. akkoord is zoals voorgesteld en dient een aanvraag in; of b. akkoord is maar anders dan voorgesteld en dient een aanvraag in; of c. geen aanvraag indient.

Artikel 8: Verstrekken van een maatwerkvoorziening 1. Het college besluit een maatwerkvoorziening te verstrekken voor zover in het ondersteuningsplan wordt aangegeven dat de inwoner: a. op eigen kracht met gebruikelijke hulp, of met zijn sociaal netwerk geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en b. geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een algemene voorziening, en c. met deze voorziening naar het oordeel van het college zelfredzaam wordt of kan participeren, en d. geen gebruik kan maken van een voorziening die algemeen gebruikelijk of voorliggend is. 2. Het college houdt bij het bepalen welke voorziening en/of ondersteuning het meest doelmatig, adequaat en toereikend is, rekening met de omstandigheden, behoeften en (functionele) mogelijkheden van een inwoner. 3. Als meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 4. Voor bepaalde voorzieningen kunnen aanvullende criteria van kracht zijn. Deze staan genoemd in hoofdstuk 3 van deze verordening. 5. De maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in natura of als persoonsgebonden budget. Artikel 9. Weigeringsgronden 1. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening als: a.

cliënt voor de Wmo 2015 geen inwoner is van de gemeente Zuidplas of volgens de in artikel 1.1 van de Jeugdwet genoemde woonplaats niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Zuidplas valt; b. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of met gebruikmaking van algemene, algemeen gebruikelijke voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan wegnemen; c. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is. Om te bepalen of de aanschaf van een voorziening financieel haalbaar is voor mensen met een inkomen op minimumniveau wordt de volgende rekenwijze toegepast: de kosten van de voorziening worden vergeleken met 5% van de geldende bijstandsnorm x 3jaar. Wanneer

Pagina 10 van 103

2.

3. 4.

de kosten van de voorziening lager zijn dan het berekende bedrag wordt de voorziening aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk; d. indien gebrek aan financiële draagkracht de reden is voor het doen van een aanvraag voor reguliere voorliggende voorzieningen, voorbeelden hiervan zijn: huiswerkbegeleiding, begeleiding bij zwemles en bijdragen voor maatschappelijke activiteiten/sport.; e. indien de situatie van de cliënt niet (goed) kan worden beoordeeld doordat hij niet voldoet aan de medewerkingsplicht, bedoeld in artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 en zoals bedoeld in artikel 8.1.2, derde lid, van de Jeugdwet; f. in de gevallen, bedoeld in artikel 2.3.5, zesde lid en 2.3.6, vijfde lid, van de Wmo 2015; g. in de gevallen, bedoeld in artikel 1.2, eerste en tweede lid, en 8.1.1, vierde lid van de Jeugdwet; h. indien deze geen passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; i. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die de belanghebbende vóór de melding heeft gerealiseerd of heeft geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of tenzij achteraf nog valt vast te stellen dat de voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst adequate voorziening aan te merken valt; of j.

voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Het college verstrekt geen woonvoorziening: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. in of aan Wlz-instellingen, ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; c. voor zover het voorzieningen betreft in openbare en publieke gebouwen en in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen; d. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; e.

indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; f. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daar vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. g. voor zover het een voorziening betreft in het kader van de toegankelijkheid van de buitenruimte (tuin, balkon) als de buitenruimte voor cliënt reeds toegankelijk is via een andere toegang. Voor beschermd- en beschut wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer van huiselijk geweld. Voor maatschappelijke opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer: a. een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; b. een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; c. een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject;

Pagina 11 van 103

d.

5. 6. 7.

er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; e. een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; f. de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt; g. er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in hoofdstuk 4 artikelen 4 t/m 45. Het Collectief Vraagafhankelijke Vervoer (CVV) wordt niet verstrekt als vervoersmogelijkheid van en naar de dagbestedingslocatie. In aanvulling op lid zes wordt het CVV tevens niet verstrekt voor reizen van en naar zorgverlener/specialist, tenzij afgewezen door zorgverzekeraar.

Artikel 10. Aanvraag van een maatwerkvoorziening 1. Een inwoner kan een aanvraag van een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. 2. Het college merkt een ondertekend ondersteuningsplan aan als aanvraag, als dit in het ondersteuningsplan door de cliënt is aangegeven. 3. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wmo 2015 kan ook via een daartoe ter beschikking gesteld aanvraagformulier worden ingediend. 4. In afwijking van het eerste t/m het derde lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Artikel 11. Overige toegangsmogelijkheden jeugdhulp 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die: a. de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, en/of b.

de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig acht bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. 3. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 12. Artikel 12. Beschikking maatwerkvoorziening 1. Het college maakt door middel van een beschikking zijn besluit kenbaar. Dit kan zowel een toewijzing als een afwijzing zijn. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. wat de te verstrekken voorziening is; b. wat het beoogde resultaat daarvan is; c. wat de ingangsdatum en duur van de voorziening is; d. welke gecontracteerde aanbieder de voorziening verstrekt; e. wat het tarief is van beoogde voorziening per minuut/dagdeel/etmaal; f. de mogelijkheid tot beroep en bezwaar. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

Pagina 12 van 103

4.

a. waarom ervoor het verstrekken van een pgb is gekozen; b. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; d. wat de hoogte van het pgb is; e. wat de duur is van de voorziening waarvoor het pgb bedoeld is, en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage in de kosten op grond van de Wmo 2015 wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.

Hoofdstuk 3: Voorzieningen Paragraaf 3.1 Jeugd Artikel 13. Algemene voorzieningen jeugd 1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op jeugdhulpvoorzieningen. 2. Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3. In ieder geval zijn de volgende algemene voorzieningen beschikbaar: Informatie/advies voor jeugdige en ouder Opvoedondersteuning Algemeen Jeugd- en Jongerenwerk Algemeen maatschappelijk werk Jeugdgezondheidszorg Veilig Thuis Integrale crisisdienst Vertrouwenspersoon Kindertelefoon Schoolmaatschappelijk werk 4. Het college kan nadere regels vaststellen over welke andere, naast die in lid 1 genoemde, algemene voorzieningen beschikbaar zijn. Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen jeugd 1. Een cliënt komt in aanmerking voor een individuele voorziening ter compensatie van opgroeien opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg; d. met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; e.

met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; f. met gebruikmaking van een algemene voorziening; of g. met gebruikmaking van een andere voorziening dan in het kader van de Jeugdwet. De individuele voorziening stelt de jeugdige in staat gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 2. Het college stelt in ieder geval de volgende specialistische maatwerkvoorzieningen beschikbaar: Jeugdzorg plus; Jeugdbescherming; Jeugdreclassering;

Pagina 13 van 103

-

3.

Jeugd en opvoedhulp, waaronder: ambulante jeugdhulp, dagbehandeling, verblijf pleegzorg, gezinshuis, verblijf beschut wonen, verblijf 24- uurs zorg, spoedeisende zorg (ambulant en verblijf), ernstig enkelvoudige dyslexie zorg; Voor jeugd met een beperking: individuele begeleiding zonder verblijf, dagbesteding zonder verblijf, kortdurend verblijf/logeren, langdurend verblijf; Jeugd GGZ, tweedelijns met en zonder verblijf. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van de maatwerkvoorzieningen op grond van de Jeugdwet.

Artikel 15. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als hij in het dagelijks functioneren beperkingen ondervindt in relatie tot een of meerdere van de volgende aspecten en de gebruikelijke zorg door de ouders hier niet in kan voorzien: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van praktische vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. het langdurig ondersteunen bij zijn functioneren en het al dan niet deels overnemen hiervan; f. het leren omgaan met zijn beperkingen. Artikel 16. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening behandeling Een jeugdige kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening behandeling als er bij hem in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten aanwijzingen zijn voor een tijdelijke of blijvende stoornis of beperking, of delict gedrag als gevolg van een stoornis of beperking waarvoor behandeling noodzakelijk is. a. het nodig hebben van diagnostiek als onderdeel van behandeling; b. het blijk geven van een behoefte aan stabilisering, vermindering, behandeling en opheffing van de stoornis of beperking en het leren omgaan hiermee; c.

het verbeteren of stabiliseren van het functioneren van de jeugdige in één of meerdere domeinen zoals gezin en vrije tijd; d. het verlagen van recidiverisico. Artikel 17. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening vervangende opvoeding Het college zet ondersteunende vervangende opvoeding voor de jeugdige in, als gedurende een behandelingssituatie hulp vanwege een of meerdere van de volgende omstandigheden niet in de thuissituatie kan worden geboden: a. de opvoedsituatie is niet veilig genoeg voor de jeugdige; b. de jeugdige vormt een gevaar voor zichzelf of de omgeving, welk gevaar niet door de opvoeders, al dan niet in combinatie met ambulante hulp, kan worden weggenomen; c. de noodzakelijke hulp aan de jeugdige kan niet in afdoende mate door de opvoeders of ambulante hulp worden geboden; d. vervangende opvoeding levert betere en effectievere hulp aan de jeugdige op. Artikel 18. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbehandeling of dagbesteding Het college zet ondersteunende dagbehandeling of dagbesteding in, als een of meerdere van de volgende omstandigheden aan de orde zijn: a. vanwege een beperking of stoornis is het voor de jeugdige niet mogelijk om, al dan niet tijdelijk, deel te nemen aan onderwijs; b. de jeugdige heeft een stoornis of beperking die met dagbehandeling effectief te behandelen is; c.

de jeugdige is gebaat bij het aanleren van vaardigheden in het kader van sociaal en persoonlijk functioneren, waaronder het verkrijgen van een dagstructuur.

Pagina 14 van 103

Artikel 19. Vervoer bij jeugdhulp 1. Vervoer bij jeugdhulp kan worden toegekend aan een jeugdige, die een indicatie heeft voor een maatwerkvoorziening jeugdhulp (zorg in natura of persoonsgebonden budget voor behandeling, dagbesteding, kort verblijf of begeleiding). Vervoer bij jeugdhulp is vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien deze voorziening noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Beperkingen in de zelfredzaamheid kunnen te maken hebben met leeftijd, stoornis, beperking of ziekte en kunnen tijdelijk of chronisch van aard kunnen zijn. De beperking in de zelfredzaamheid hoeft geen relatie te hebben met de noodzaak tot jeugdhulp 2. De vraag om een voorziening vervoer bij jeugdhulp zal meestal tegelijk met een aanvraag voor de jeugdhulp aan de orde zijn en wordt dan meegenomen in het besluit. Het is echter ook mogelijk de vervoersvoorziening later toe te kennen, als zich na verloop van tijd een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid voordoen. Deze beperkingen hoeven geen relatie met de jeugdhulp te hebben. 3. De voorziening wordt toegekend vanaf de datum dat de jeugdhulp in de toekomst zal starten of zo vroeg als de datum van de aanvraag indien het vervoer feitelijk al in gang is gezet. Verstrekking met terugwerkende kracht, dus voor de datum van de aanvraag, is niet mogelijk.

Vervoer dat is ingekocht bij zorgaanbieders is voorliggend. 4. Wanneer de noodzaak, zoals bedoeld in het eerste lid, is vastgesteld, wordt een vervoersvoorziening toegekend wanneer de afstand en de frequentie van vervoer naar de jeugdhulplocatie dermate groot is dat dit de gebruikelijke zorgplicht van ouders overschrijdt. Om te beoordelen of dit van toepassing is maakt het college gebruik van de volgende berekeningsformule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (afstand enkele reis) x 0,25. Indien de uitkomst 250 of hoger is, kan een vervoersvoorziening worden toegekend. 5. De volgende vormen van een maatwerkvoorziening vervoer jeugdwet worden onderscheiden: a. Begeleiding van een jeugdige met als doel zelfstandig leren reizen naar de jeugdhulpaanbieder. b. Een vergoeding voor openbaar vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 4). c. Een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie indien er sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 4). d. Een vergoeding voor eigen vervoer voor vervoer van of naar een jeugdhulplocatie, indien sprake is van overschrijding van de gebruikelijke zorgplicht (lid 4). e.

Aangepast vervoer (taxivervoer) dat in natura wordt geboden door de jeugdhulpaanbieder of het door het college gecontracteerde taxibedrijf. Een combinatie van deze voorzieningen behoort tot de mogelijkheden, mits onderbouwd wordt waarom hiervoor gekozen wordt. 6. In de volgende volgorde een afweging voor een passende voorziening gemaakt. Pas als een jeugdige niet op de beschreven manier (per optie) kan reizen, komt de volgende, daaronder beschreven optie in beeld. Het inzetten van aangepast vervoer (taxi/taxibus) is pas mogelijk wanneer alle onderstaande opties naar het oordeel van het college niet mogelijk zijn. a. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie. b. De jeugdige fietst naar de jeugdhulplocatie onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk. c. De jeugdige heeft de draagkracht en vaardigheden om in afzienbare tijd zelfstandig te leren reizen met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie begeleid door ouder(s)/verzorger(s), het sociale netwerk, een vrijwilliger of een jeugdprofessional. d. De jeugdige gaat met zijn/haar brommer/scooter naar de jeugdhulplocatie. e. De jeugdige reist zelfstandig met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Er zijn drie redenen waarom openbaar vervoer geen optie is, namelijk een gebrek aan zelfstandigheid van de jeugdige, het ontbreken van openbaar vervoer of een reistijd van

Pagina 15 van 103

7.

meer dan 45 minuten voor een enkele reis. Daarbij wordt uitgegaan van de reisduur tussen woning en uitstaphalte of –station. f. De jeugdige reist onder begeleiding van ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk met het openbaar vervoer naar de jeugdhulplocatie. Deze optie vervalt als de jeugdige niet in staat is om met begeleiding in het openbaar vervoer te reizen, openbaar vervoer ontbreekt, de reistijd meer dan 45 minuten enkele reis (de reistijd tussen woning en uitstaphalte of –station) of ouder(s)/verzorger(s) kunnen aantonen dat begeleiding van de jeugdige door henzelf of anderen onmogelijk is dat wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden. g. De ouder(s)/verzorger(s) of het sociale netwerk brengen en halen de jeugdige met gemotoriseerd vervoer (auto, bestelbus, motor enz). Voor de opties lid 6 d, e, f en g is een vergoeding mogelijk in de vorm van een kilometervergoeding van € 0,23 per kilometer of een vergoeding op basis van het tarief openbaar vervoer. Indien het college een kilometervergoeding toekent voor een auto, bekostigt het college de kilometervergoeding alleen voor die kilometers dat de jeugdige inzittende van de auto is.

Artikel 20. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Kortdurend logeerverblijf bij een instelling kan ingezet worden gedurende maximaal drie etmalen per week. Dit is gepaard gaande met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding voor een persoon met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die aangewezen is op permanent toezicht, indien dat noodzakelijk is ter ontlasting van de persoon die hem gebruikelijke zorg of mantelzorg levert. Artikel 21. Zestienjarige en voortzetting jeugdhulp na achttien jaar Zorgaanbieder draagt zorg voor een goede doorgaande zorglijn van 18- naar 18+. Zorgaanbieder start, samen met de Jeugdige, op zestienjarige leeftijd met het maken van een toekomstplan waarbij een regisseur wordt benoemd. Netwerkondersteuning maakt onderdeel uit van het toekomstplan. Paragraaf 3.2 Wmo Artikel 22. Algemene voorzieningen Wmo 1. Algemene voorzieningen zijn vrij toegankelijke voorzieningen die aangeboden worden door een door de gemeente gecontracteerde derde en gericht zijn op maatschappelijke ondersteuning. 2. Algemene voorzieningen bestaan uit een aanbod van individuele of collectieve ondersteunings- en dagbestedingstrajecten, activiteiten en diensten, die kunnen veranderen indien dit voortvloeit uit de behoefte van inwoners. 3.

Een algemene voorziening is bedoeld om één van de volgende resultaten te bereiken: a. de inwoner heeft onderdak; b. de inwoner kan optimaal sociaal en persoonlijk functioneren; c. de inwoner kan deelnemen aan de samenleving; d. de inwoner kan zijn financiële huishouding voeren; e. de inwoner heeft een structuur/ invulling van de dag; f. de inwoner is verzorgd/voert de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zoveel als mogelijk zelf uit; g. de mantelzorgers van de inwoner worden tijdelijk ontlast. 4. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel. Artikel 23. Maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 1. Een maatwerkvoorziening kan bestaan uit één of meer van de volgende diensten of producten: a. hulp bij het huishouden;

Pagina 16 van 103

2. 3. 4.

5. 6.

7.

b. begeleiding; c. dagbesteding; d. logeren; e. beschermd wonen; f. beschut wonen; g. rolstoelvoorzieningen; h. woonvoorzieningen; i. vervoersvoorzieningen; j. vervoersdiensten; k. sportvoorzieningen. Als onderdeel van dagbesteding kan de cliënt tevens in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding. Het college stelt de omvang van de dienst of het product vast aansluitend bij de ondersteuningsbehoefte en de zorgzwaarte van de cliënt. Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar oordeel van het college de cliënt geen mogelijkheden heeft om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk of wanneer algemene voorzieningen of andere voorzieningen afwezig en/of ontoereikend zijn om: a. de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; of b.

de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als er sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het college kan een maatwerkvoorziening in natura, anders dan voor dienstverlening, in bruikleen of in eigendom verstrekken. Het college hanteert voor het toekennen van een maatwerkvoorziening, voor zover relevant, de volgende criteria: a. er is sprake van kosten of voorzieningen die, gelet op de situatie van de cliënt, niet algemeen gebruikelijk zijn; b. de maatwerkvoorziening is, gelet op de persoon, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee; c. er is geen sprake van een verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening als deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven; d. de melding is gedaan op een zodanig moment, dat een objectieve beoordeling van de noodzaak voor of de wijze van ondersteuning kan plaatsvinden; e.

de cliënt werkt binnen zijn vermogen mee aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan en de afspraken met de aanbieder van de maatwerkvoorziening; f. de noodzaak tot het verstrekken van een voorziening is niet aan de cliënt te verwijten. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van de maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015.

Artikel 24. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: a. het schoon en leefbaar houden van de woning volgens algemeen hygiënische normen; b. het beschikken over schone en draagbare kleding; c. het beschikken over primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden;

Pagina 17 van 103

d.

het voeren van regie over het doen van het huishouden.

Artikel 25. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening begeleiding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: a. het krijgen of behouden van structuur of regie; b. het aanleren van (praktische) vaardigheden; c. het behoud of de vergroting van de zelfstandigheid; d. het aanleren van sociale vaardigheden; e. het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid; f. het leren omgaan met de beperkingen die de cliënt heeft. Artikel 26. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening dagbesteding als er ondersteuning nodig is in relatie tot één of meerdere van de volgende aspecten: a. het noodzakelijk is het ondersteuningssysteem van cliënt te ontlasten; b. cliënt ondersteuning nodig heeft bij het vergroten van zijn netwerk, teneinde gevoelens van eenzaamheid te doorbreken; c. cliënt belemmeringen ondervindt bij het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag, zoals werk, scholing of vrijetijdsbesteding; d. de cliënt structuur en veiligheid nodig heeft teneinde verlies aan regie en zelfredzaamheid te voorkomen; e. het noodzakelijk is om cliënt te activeren tot zingevende activiteiten; of f.

de cliënt ondersteund moet worden bij het verkrijgen van werknemersvaardigheden. 2. De dagbesteding vindt plaats op een daartoe bestemde locatie onder begeleiding van de aanbieder. Artikel 27. Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding Een cliënt kan in aanmerking komen voor vervoer van en naar de dagbesteding als cliënt, gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. Artikel 28. Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Een cliënt kan in aanmerking komen voor logeeropvang of logeerverblijf als er naast de algemene voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 8, wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er is sprake van een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; en b. ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk; en c. de cliënt is aangewezen op ondersteuning, gepaard gaand met toezicht; en d. de cliënt structureel gedurende maximaal 3 etmalen per week aangewezen is op deze maatwerkvoorziening. Artikel 29. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang 1.

Op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo kan een inwoner in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang. 2. De toegang tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang vindt plaats via de gemeente Gouda. 3. Een cliënt kan in aanmerking komen voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang overeenkomstig het daartoe vastgestelde beleid van centrumgemeente Gouda, de geldende verordening en nadere regels maatschappelijke ondersteuning. Artikel 30. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening beschut wonen

Pagina 18 van 103

1.

2.

Een cliënt kan in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening beschut wonen als er naast de algemene voorwaarden zoals bedoelt in artikel 8, wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er is sprake van belemmeringen in het zelfstandig wonen als gevolg van psychische- of psychiatrische problematiek, een licht verstandelijke beperking, verslaving of een combinatie hiervan; b. is in staat de ondersteuningsvraag te benoemen en kan deze (tijdelijk) uitstellen; c. heeft dag invulling via opleiding, werk of dagbesteding; d. heeft ’s nachts in principe geen begeleiding nodig; e. is aangewezen op begeleiding die door de weeks op vaste momenten aanwezig is en daarbuiten 24-uurs bereikbaarheid heeft en indien nodig op afroep langs komt. Een cliënt is zelf verantwoordelijk voor het betalen van de huur en woonlasten.

Artikel 31. Aanvullende criteria maatwerkvoorziening rolstoel 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een (elektrische) rolstoel, als hij als gevolg van zijn beperkingen langdurig is aangewezen op het zittend verplaatsen in en om de woning. 2. Er zijn medisch aantoonbare beperkingen die dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en waarvoor loophulpmiddelen, die zelf gekocht kunnen worden of via de zorgverzekeringswet verstrekt worden niet volstaan. 3. In het geval van een elektrische rolstoel kan de cliënt veilig deelnemen aan het verkeer. 4. De woning van de cliënt is rolstoeltoegankelijk en rolstoeldoorgankelijk of kan met beperkte middelen worden aangepast. Artikel 32. Aanvullende criteria maatwerk woonvoorzieningen 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woonvoorziening, in de vorm van een woningaanpassing of in de vorm van hulpmiddelen om zich in en om de woning te verplaatsen, als er sprake is van een aantoonbare beperking bij het normaal gebruik van de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in de woning, als: a. de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf in Zuidplas heeft, waarbij er geen sprake mag zijn van een tijdelijke huurovereenkomst; en b. de woning is geschikt is om het hele jaar door te bewonen; en c.

de ondervonden beperkingen in de woonruimte niet voortvloeien uit de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen, te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de voor periodiek onderhoud geldende wettelijke vereisten; en d. de woonruimteaanpassing langdurig noodzakelijk is en verhuizen niet mogelijk of niet de goedkoopst adequate voorziening is. 2. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor het bezoekbaar maken van één woning indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling in de gemeente Zuidplas en de cliënt regelmatig een bezoek brengt en zal blijven brengen aan die woning in de gemeente Zuidplas, en het bezoek voor de cliënt noodzakelijk is voor het onderhouden van sociaal contact, en hij deze woning niet op een normale manier kan betreden of bereiken. 3. Wanneer uit onderzoek blijkt dat verhuizing de goedkoopst adequate oplossing is voor de hulpvraag, dan wordt het primaat van verhuizen toegepast en een verhuiskostenvergoeding toegekend, tenzij er argumenten zijn die tegen verhuizen pleiten. 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16253608/1