CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2021 A20.001412

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 202146.512 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt. Dislocaties en nevenvestigingen Als een school die een leerling bezoekt meer dan een locatie heeft, rijst de vraag of slechts de hoofdvestiging, dan wel alle onderwijslocaties als school in de zin van de verordening moeten worden beschouwd. Aansluitend bij de regelgeving inzake de huisvesting en materiele instandhouding geldt dat de feitelijke locatie die door de leerling wordt bezocht, kan worden aangemerkt als ‘school’. Stage Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC). Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te merken als ‘school’.

Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres. De gemeente kan tijdens het overleg scholen erop attenderen dat stageplaatsing financiële gevolgen kan hebben voor gemeenten. Scholen kunnen dit aspect dan mee laten wegen door een stageplek te zoeken zo dicht mogelijk bij huis, of op de route van het leerlingenvervoer. Symbiose Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24 van de WEC en Titel IV van het Onderwijskundig besluit WEC). Daarvoor moet wel een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, voor zover deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het gaat dan om vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag.

74

Jeugdwet Soms wordt op 1 locatie behandeling vanuit de Jeugdwet gecombineerd met onderwijs. Het vervoer van de betreffende leerling valt onder het leerlingenvervoer als er 50% of meer tijd van de schoolweek aan onderwijs wordt besteed. Artikel 47. Toekenning vervoersvoorziening Om enige beleidsruimte te creëren is in artikel 47 bepaald, dat het college bij de toekenning van de vervoersvoorziening tevens de termijn van de verstrekking vastlegt. In de beschikking dient deze termijn aangegeven te worden. De gekozen formulering van artikel 47 geeft de ruimte om per geval de termijn te bepalen. Ingangsdatum Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een bekostiging aan de ouders óf aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen, in de vorm van busvervoer of een taxi(busje). In het geval van een bekostiging zal de ingangsdatum van deze bekostiging in principe samenvallen met de in het aanvraagformulier verzochte datum van ingang, maar niet zijn gelegen vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen (artikel 47, tweede lid). Er vindt dus geen bekostiging met terugwerkende kracht plaats. Wanneer de leerling aangepast vervoer krijgt aangeboden dat verzorgd wordt door de gemeente, zal de datum van ingang zo veel mogelijk aansluiten bij de door de ouders verzochte datum.

Deze ligt dan uiteraard niet vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente werd ontvangen. Bovendien dient rekening te worden gehouden met het feit dat het inschakelen of contracteren van een vervoerder enige tijd kan kosten. Artikel 48. Aanvraagprocedure Indien ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De gemeente stelt hiervoor een (digitaal) aanvraagformulier beschikbaar. Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag Onder gegevens moet ook worden verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring van de rijksinspecteur der belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. Wanneer het gaat om een verklaring dat een leerling niet zelfstandig met de fiets of het openbaar vervoer kan reizen, dient er in de verklaring ingegaan te worden op de vraag of de betreffende leerling wel onder begeleiding gebruik kan maken van de fiets of het openbaar vervoer. Een verklaring die aangeeft dat een leerling niet zelfstandig kan reizen en om die reden is aangewezen op aangepast vervoer is niet voldoende. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag.

De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is. Als het aanvraagformulier aanvulling behoeft of gecorrigeerd dient te worden, stuurt het college het aanvraagformulier terug of verzoekt om het verstrekken van aanvullende gegevens. Ouders worden dan in de gelegenheid gesteld om de verlangde gegevens binnen een door het college te bepalen termijn aan te vullen of te verbeteren. Wordt hiervan geen gebruik gemaakt, dan dient het college de afweging te maken of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb dient in een voorkomend geval aan de aanvrager bekend te worden gemaakt dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

75

In artikel 48, derde lid, is daarom bepaald dat het college binnen acht weken een beslissing neemt., mits alle voor de beoordeling benodigde stukken ontvangen zijn. Mocht lid 2 van dit artikel van toepassing zijn en heeft het college ouders om aanvullende informatie of stukken verzocht, dan wordt de beslistermijn in dat geval vanaf de dag van de opschorting als het ware bevroren tot het moment dat de stukken zijn ingeleverd. Het aantal dagen dat de aanvraag bevroren is, wordt bij de beslistermijn opgeteld. Beslistermijn Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking dient te worden gegeven, in ieder geval is verstreken indien het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. Voor de verordening is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken. Verdaging Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor de gemeente. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of indien er sprake is van een bijzondere situatie. In dergelijke gevallen kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen (artikel 48, vierde lid). Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn dient een beschikking op de ingediende aanvraag door het college te zijn gegeven.

Als blijkt dat ook de verdagingstermijn onvoldoende is, bijvoorbeeld als gevolg van het uitblijven van het advies van deskundigen, dient er toch een beschikking te worden afgegeven. Een beschikking treedt niet in werking voordat deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen die in artikel 48 zijn opgenomen zijn inclusief de tijd die het college nodig heeft om een genomen beschikking aan de aanvragers bekend te maken. Bezwaar en beroep Als bovenstaande termijnen (acht weken en een eventuele verdaging van vier weken) overschreden worden, kunnen de aanvragers op basis van artikel 6:2 van de Awb daartegen bezwaar maken en beroep instellen. Het is niet meer mogelijk om tegen niet tijdig beslissing bezwaar in te stellen. Er dient in gebreke gesteld te worden. Wanneer na de ingebrekestelling binnen 2 weken niet alsnog besloten is, dan gaat de dwangsom lopen en kan iemand direct in beroep wegens niet tijdig beslissen. In dit geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde lid, van de Awb). Datum van aanvraag voor het nieuwe schooljaar In de verordening wordt geen datum genoemd waarvóór een aanvraag die het eerstvolgende schooljaar betreft moet zijn ingediend.

Het is van belang dat de aanvraag wordt ingediend zodra bekend is welke school de leerling gaat bezoeken. Rekening houdend met de behandeltermijn van 8 weken na ontvangst van de aanvraag is het aan te raden de aanvraag voor 1 juni bij de gemeente in te dienen. Op die manier is de aanvrager er zeker van dat er voor aanvang van het nieuwe schooljaar een beslissing op de aanvraag is genomen en er, in het geval van toekenning aangepast vervoer, tijd is om aangepast vervoer te regelen ingaande de eerste schooldag. Artikel 49. Peildatum leeftijd leerling Om administratieve lasten te beperken is een peildatum gewenst die geldt voor het gehele schooljaar. Aangezien 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar, is deze datum als peildatum gekozen. Indien de leerling op 1 augustus van het schooljaar elf jaar is, geldt voor het hele schooljaar dat de leerling als elf jaar wordt aangemerkt, ook al wordt de leerling in de loop van het schooljaar twaalf jaar. Er hoeft dan ook maar één beschikking voor het gehele schooljaar te worden afgegeven.

76

Artikel 50. Andere vergoedingen Als kan worden aangetoond dat een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg (bijvoorbeeld via de werkgever) vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager krijgt op basis van de verordening leerlingenvervoer. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen, wanneer het om aangepast vervoer gaat dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen. Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening.

Paragraaf 5.2 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs Artikel 51. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor primair onderwijs Paragraaf 5.2 betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband primair onderwijs, en leerlingen van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die primair onderwijs volgen. Speciaal onderwijs In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

De WEC onderscheidt de volgende clusters: Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’. Dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband Het tweede lid van artikel 51 is een aanvulling op artikel 46. Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel van artikel 46, eerste lid: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, van de WPO moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband worden bekostigd.

Dat hoeft niet per se de dichtstbijzijnde toegankelijke school van zijn soort te zijn. Het is mogelijk dat er een speciale school voor basisonderwijs buiten het samenwerkingsverband, maar dichterbij de woning is gelegen. Na invoering van het passend onderwijs beoordeelt het samenwerkingsverband of leerlingen

77

toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de WPO). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs, afgegeven door het samenwerkingsverband aan een leerling, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de WPO). Een ander samenwerkingsverband kan immers gekozen hebben voor een hoger of lager niveau van basisondersteuningsvoorzieningen, die op elke school aanwezig zijn. In het tweede lid van artikel 51 wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van artikel 46 de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool. In dat geval is artikel 51 van toepassing. Daarnaast geldt, als gevolg van de verwijzing naar artikel 46, bij toepassing van artikel 51, tweede lid, aanhef en onderdeel c, ook hier het vereiste van schriftelijke verklaring van de ouders. In lid 3 is geregeld dat er een aanvraag gedaan kan worden voor één ander opvangadres naast het woonadres waar de leerling structureel verblijft, omdat beide ouders werken. Dit kan alleen onder bepaalde voorwaarden door het college worden toegekend, namelijk wanneer het tweede adres binnen een straal van 500 meter van de woning of de school van de leerling ligt en er moet sprake zijn van vaste dag(en) per week.

Tevens kan deze opvanglocatie geen locatie voor hulpverlening in het kader van de jeugdwet zijn; hiervoor is geen toekenning voor leerlingenvervoer mogelijk.” Adviezen van deskundigen Om te kunnen beoordelen of een leerling in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en, als dat het geval is, voor welk type voorziening de leerling dan in aanmerking komt, is in een aantal gevallen advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken, of wellicht – al dan niet onder begeleiding – naar school kan fietsen. Adviezen kunnen worden gegeven door: - de commissie voor de begeleiding, ingesteld door een of meer scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4; - de commissie van onderzoek, ingesteld door een of meer instellingen van cluster 1 en cluster 2; - de ambulante begeleider van de leerling; - de directeur van de school; - het samenwerkingsverband. Deze instanties staan immers, na de ouders, het dichtst bij de leerling. Om een zo objectief mogelijk advies te verkrijgen is het van belang gerichte vragen te stellen en te verzoeken de antwoorden te motiveren.

Wanneer de specifieke handicap van de leerling daarom vraagt, kan advies worden ingewonnen van deskundigen als de huisarts van de leerling, de jeugdgezondheidsdienst, de geneeskundige dienst, een sociaal-medische adviesdienst, een medicus gespecialiseerd in de betreffende handicap, een orthopedagoog, kinderpsycholoog en dergelijke. Een onafhankelijk onderzoek is soms noodzakelijk. De kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente. Wanneer advies nodig is over deelaspecten van het vervoer – bijvoorbeeld over de vraag of de route veilig is - kan dit worden ingewonnen bij deskundigen op het terrein van het desbetreffende deelaspect, bijvoorbeeld de (verkeers)politie. Artikel 52. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets In artikel 52 is van toepassing leerlingen vanaf 9 jaar die regulier basisonderwijs bezoeken. Van deze

78

leerlingen wordt in beginsel verwacht dat zij zelfstandig (kunnen) reizen. Afstandscriterium Artikel 4, achtste lid, van de WPO en artikel 4, zevende lid, van de WEC stellen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als bovengrens. Deze afstand wordt in de verordening als criterium aangehouden. De afstand moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald. Hoe de afstand precies wordt bepaald, staat in de toelichting op artikel 46. Kosten openbaar vervoer De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart (of eventueel een andere, binnen de gemeente of regio geldende betaalmogelijkheid) worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Fietsvergoeding Het tweede lid van artikel 52 bepaalt dat een fietsvergoeding (€ 0,09 per kilometer) kan worden verstrekt. Het college dient dan van oordeel te zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets. Hierbij worden dan factoren als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de route en de afstand in overweging genomen.

Het is mogelijk een fietsvergoeding te verstrekken en een andere vervoersvoorziening voor de wintermaanden toe te kennen. Artikel 53. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen. In artikel 53 is bepaald dat ouders van leerlingen van het primair onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van de vervoerskosten, als de afstand van de woning naar de school meer dan zes kilometer is en: Als daarbij de leerling jonger is dan 12 jaar èn een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, komen de ouders in aanmerking voor de bekostiging van de vervoerskosten voor een begeleider, of Als ouders van een leerling, die jonger is dan 12 jaar en naar regulier basisonderwijs gaat, voldoende aantonen dat de leerling niet zelfstandig met de fiets of het openbaar vervoer naar school kan reizen zoals gesteld in artikel 52. Structurele handicap Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school. Hierbij geldt niet het afstandscriterium.

De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Bij een psychische handicap kan gedacht worden aan gevolgen in het vervoer zoals risico van weglopen/wegrennen en ernstige overlast voor andere reizigers of gevolgen buiten het vervoer, zoals zo overprikkeld raken dat de schooldag niet kan worden volgemaakt.

79

Er zijn ook situaties denkbaar waarbij een leerling met een bepaalde structurele handicap wel degelijk zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen. Een gewenningsperiode zal dan meestal noodzakelijk zijn, waarbij de leerling de gelegenheid krijgt de weg te leren kennen, om leert gaan met de OV-chipkaart en dergelijke. Bij de aanvraag dienen ouders verklaringen van deskundigen te overleggen. Het college kan ook advies van onafhankelijke deskundigen inwinnen. Zie de toelichting op artikel 51. Wanneer er sprake is van een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken been) valt het vervoer van de leerling onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Echter, wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in verband met – bijvoorbeeld - herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen. Als criterium wordt een termijn van drie maanden aangehouden. Begeleiding Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders. Als zij niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Zo kan ook een familielid, een kennis, een oppas, een van de buren, een ouder van een andere leerling of een klassenassistent de leerling begeleiden.

Met de begeleiding van een jongere leerling door een oudere leerling moet uiteraard heel omzichtig worden omgegaan. Een en ander hangt af van factoren als leeftijd, verkeerssituaties en dergelijke. Het gaat hierbij om fysieke begeleiding van de leerling tijdens het vervoer; niet om bijvoorbeeld telefonische ondersteuning door ouders aan de leerling tijdens het reizen. Slechts voor de reiskosten van de begeleider kan bekostiging worden toegekend. Wie de leerling ook begeleidt, de bekostiging vindt plaats aan de ouders van de leerling. Als een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, wordt de begeleider slechts éénmaal bekostigd. Artikel 54. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in bepaalde gevallen te worden versterkt. Dit is in artikel 54 vastgelegd. Eerste lid, onderdelen a en b: Alle leerlingen die met inachtneming van het afstandscriterium van 6 kilometer in aanmerking komen voor een bekostiging in het kader van het leerlingenvervoer krijgen aangepast vervoer als zij: Jonger zijn dan 9 jaar Tussen de 9 en 12 jaar oud zijn én naar het speciaal onderwijs (clusteronderwijs) gaan.

Eerste lid, onderdeel c: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan anderhalf uur (regulier onderwijs) en Eerste lid, onderdeel d: Reistijd met openbaar vervoer is meer dan een uur (speciale school voor basisonderwijs) Van belang is hier de omschrijving van het begrip reistijd; zie ook de toelichting op artikel 44. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Het ligt voor de hand deze tijd uit te sluiten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. Wanneer de reistijd voor een leerling die het regulier onderwijs bezoekt meer bedraagt dan anderhalf uur komt deze leerling in aanmerking voor aangepast vervoer. Wanneer de reistijd voor een leerling die een speciale school voor basisonderwijs bezoekt meer bedraagt dan een uur komt deze leerling in aanmerking voor aangepast vervoer.

80

Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van (bijvoorbeeld) een uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor zowel de heenreis als de terugreis aangepast vervoer toegekend. Eerste lid, onderdeel e: Openbaar vervoer ontbreekt In een aantal gemeenten ontbreekt openbaar vervoer geheel of rijdt zo weinig frequent dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning naar de school of terug. Overigens biedt artikel 53, het eerste lid, aanhef en onderdeel a, het college de mogelijkheid om te beoordelen of de leerling in staat mag worden geacht met de fiets naar school te gaan; zie ook de toelichting op artikel 51. Eerste lid, onderdeel f: Begeleiding van de leerling in het openbaar vervoer is niet mogelijk Dit lid is een gevolg van de wijziging van artikel 4, vierde lid van de Wet op het Primair Onderwijs, waarop Tweede Kamerleden Dijkgraaf en Ferrier het volgende amendement hebben ingediend: In artikel 4, vierde lid, eerste volzin, komt te luiden: De regeling houdt rekening met de van ouders redelijkerwijs te vergen inzet en voorziet erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is.

Toelichting: De positie van ouders inzake leerlingenvervoer mag door de invoering van passend onderwijs niet verzwakken. Niet alleen moet het aanbod passend zijn voor de leerling, maar ook moet de inzet die van ouders gevraagd wordt redelijk zijn. Van ouders mag uiteraard een bepaalde mate van inzet verwacht worden, maar die inzet mag niet zover gaan dat de mogelijkheid van leerlingenvervoer illusoir wordt. Dit amendement verankert die belangenafweging in de wet. Uiteraard dienen de ouders op een voor de gemeente bevredigende wijze aan te tonen dat het hun onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is. Bij het aantonen dat begeleiding onmogelijk is, dienen ouders ook aan te tonen wat zij in het werk hebben gesteld om de begeleiding wel te kunnen realiseren. Zie ook de toelichting op artikel 53, onder het kopje ‘Begeleiding’. Omstandigheden zoals één-oudergezin, werk van ouder(s), andere (jongere) kinderen in het gezin die verzorging en/of begeleiding naar hun school behoeven, (medische) omstandigheden van de ouders enzovoort hoeven niet te leiden tot een toekenning voor aangepast vervoer. Hierbij wordt geldende jurisprudentie gevolgd.

Eerste lid, onderdeel g: Leerling kan door zijn handicap niet van het openbaar vervoer gebruik maken Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer. De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie verder de toelichting op artikel 53, onder het kopje ‘Structurele handicap’. Tweede lid: Kosten van de begeleiding Soms is begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk, bijvoorbeeld wanneer een leerling verzorging nodig heeft, of in het geval een leerling bepaald ongewenst gedrag vertoont. In dit geval worden alleen de kosten van het vervoer die aan deze begeleiding verbonden zijn vergoed. Ook kan de gemeente een plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer. Salariskosten worden niet vergoed. Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk.

81

Het aangepast vervoer wordt uitgevoerd aan de hand van de schooltijden zoals deze vermeld staan in de schoolgids. Het vervoer wordt niet aangepast op incidentele dagen die afwijkende tijden en locaties kennen, zoals sportdagen. Artikel 55. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Artikel 55 geeft nadere regels voor de bekostiging van het eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerlingen zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.). Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren, is toestemming van het college noodzakelijk. Een belangrijke maatstaf voor toestemming kan zijn dat de bekostiging van het vervoer door de ouders voor de gemeente goedkoper is. Daarvan is in ieder geval geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor een voorziening in de vorm van aangepast vervoer en er is plaats in een busje dat toch al rijdt. De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waar de ouders in principe op basis van de bepalingen in de verordening voor in aanmerking komen: a.

goedkoopste manier van reizen voor de betreffende leerling Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer of in de vorm van aangepast vervoer en zij de leerling, met toestemming van het college, zelf vervoeren, dan keert het college bekostiging uit op basis van de goedkoopste manier van reizen voor de betreffende leerling. Dit wordt per aanvraag bekeken en berekend. De hoogte van de kilometervergoeding is € 0,19 per kilometer (het maximale onbelastbare bedrag). In lid 3 is aanvullend daarop geregeld dat de reis viermaal ( in de ochtend heen en terug en in de middag heen en terug) wordt vergoed. Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd. b. Schoolbus Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer of in de vorm van aangepast vervoer en zij de leerling, met toestemming van het college, zelf laten vervoeren door een schoolbus (van school of een oudervereniging), dan keert het college bekostiging uit op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Hiertoe dient de aanvrager een factuur bij de gemeente in te dienen. Ouders vervoeren meer dan één leerling Artikel 55, vierde lid, bepaalt dat ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van een kilometervergoeding als zij – na toestemming van het college – meer dan één leerling tegelijk vervoeren.

Dit geldt ook wanneer ouders in principe slechts aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt. Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen busje te vervoeren, kan het college bij wijze van uitzondering op grond van artikel 84 (de hardheidsclausule) een andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling. Vervoer per fiets Ouders van een leerling kunnen het wenselijk vinden dat hun kind gebruik maakt van de fiets, bijvoorbeeld ter bevordering van de zelfredzaamheid. Wanneer de ouders op basis van de bepalingen in de verordening voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen, kan het college – na toestemming te hebben gegeven – een kilometervergoeding voor de fiets toekennen. De hoogte van deze kilometervergoeding is € 0,09 per kilometer.

82

Artikel 56. Drempelbedrag Artikel 4, zevende lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. In de verordening is gebruik gemaakt van deze optie. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Wanneer er twee of meer kinderen uit één gezin tegelijk per eigen auto vervoerd worden en er om die reden éénmaal kilometervergoeding wordt uitbetaald, wordt het drempelbedrag per gezin in rekening gebracht. Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week. Ook als het college het vervoer zelf verzorgt of laat verzorgen, kan het van ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, verlangen een eigen bijdrage te betalen voor het vervoer van hun leerlingen (artikel 56, derde lid).

De hoogte van deze eigen bijdrage, die slechts van toepassing is op ouders van leerlingen die scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs bezoeken, is afhankelijk van het inkomen van de ouders (zie artikelen 56 en 57). Indien de ouders weigeren de bijdrage te betalen of nalatig hierin zijn leidt dit tot het vervallen van de aanspraak op de bekostiging dan wel, indien gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een taxi (busje), tot stopzetting van het vervoer. In het tweede lid van artikel 56 komt ook tot uitdrukking dat het drempelbedrag en de bijdrage afhankelijk van het inkomen nooit hoger kunnen zijn dan de werkelijke kosten van vervoer. Het drempelbedrag wordt verrekend met de bekostiging (die op declaratiebasis wordt uitbetaald) dan wel in rekening gebracht bij aanvrager in het geval van aangepast vervoer. Kilometergrens Bij het drempelbedrag is de ouderlijke bijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de verordening is deze grens vastgesteld op zes kilometer. De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand, te weten € 502,- (schooljaar 2020-2021). Zie ook kopje ‘hoogte drempelbedrag’.

Doelgroep Doelgroep voor het drempelbedrag zijn de ouders van leerlingen van scholen voor basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs, die een gezamenlijk inkomen hebben dat boven een bepaalde grens uitkomt. Een wettelijk bepaalde uitzondering geldt voor leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Aan hun ouders mag geen drempelbedrag gevraagd worden. Voor deze leerlingen geldt ook geen kilometergrens als voorwaarde voor een vervoersvoorziening. Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken kan geen drempelbedrag worden opgelegd, aangezien de WEC deze mogelijkheid niet biedt. Inkomen Onder inkomen moet worden verstaan: het inkomensgegeven, zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar. De inkomensgrens voor het drempelbedrag en de wijze van indexering zijn bepaald in artikel 4, zevende lid, van de WPO. Als peiljaar moet worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar begint waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd.

Als grenswaarde wordt in de wet een gezamenlijk inkomen genoemd van € 17.700,- voor het school jaar 1998-1999; dit bedrag moet per 1 januari 1999 jaarlijks worden geïndexeerd op een voorgeschreven

83

wijze. In de verordening is de grenswaarde van het gezamenlijk inkomen voor het heffen van een drempelbedrag voor het schooljaar 2020-2021 (dus voor het peiljaar 2018) vastgesteld op € 27.000,-. Hoogte drempelbedrag Bij de berekening van het drempelbedrag gaat het om de kosten van het openbaar vervoer die zouden worden gemaakt om de afstand tot aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens te overbruggen. De basis van het drempelbedrag is het drempelbedrag van schooljaar 2013-2014, te weten € 492,12. Dit wordt ieder jaar op 1 april aangepast met het indexcijfer voor de gezinsconsumptie, voor het eerst op 1 april 2014. Voor het jaar 2020-2021 geldt een drempelbedrag van € 502,-. Bij de vaststelling van de hoogte van het drempelbedrag is het niet van belang of de leerling daadwerkelijk gebruikmaakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruikmaakt van aangepast vervoer, of wanneer er geen openbaar vervoer aanwezig is, dienen de ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de door de gemeente gestelde kilometergrens zelf te dragen. Wanneer aan meerdere kinderen van een gezin een vervoersvoorziening is toegekend, en daarbij het inkomen van de ouders relatief laag is, kan het drempelbedrag een grote financiële belasting betekenen. De gemeente kan bepalen dat het drempelbedrag een beperkt aantal keer per gezin geheven wordt.

Aantonen van het inkomen Als de gemeente zelf geen inzage kan verkrijgen in de inkomensgegevens kunnen aanvragers een kopie van de belastingaanslag sturen om het inkomen aan te tonen. Ouders kunnen ook een IB 60formulier opvragen bij de belastingdienst; in dat geval moet er van beide ouders een IB 60-formulier worden aangeleverd, ook wanneer de ouders gescheiden zijn. Wanneer ouders weigeren de gevraagde informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten het drempelbedrag toch op te leggen bij gebrek aan bewijsvoering dan wel de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Zie ook de toelichting op artikel 48, onder het kopje ‘Overleggen gegevens ten behoeve van de aanvraag’. Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het desbetreffende schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden gehanteerd. In een later stadium, als het inkomen van het peiljaar wel bekend is, kan een definitieve berekening worden gemaakt.

Structurele daling van inkomen Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door gebruik te maken van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 84. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, kan artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering betreffende terugval inkomen als richtsnoer dienen. Pleegouders en instellingen Pleegouders worden als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt (zie de toelichting op artikel 44). Zij kunnen dus, als zij voldoen aan de voorwaarden, in aanmerking komen voor een vervoervoorziening. Volgens een uitspraak van de ABRvS (31 augustus 1993, nrs. R03.93. 1702 en R03.93.1773) is het redelijk dat als de verzorgers pleegouders zijn, hun ook het drempelbedrag in

84

rekening gebracht kan worden. Echter, het college heeft eerder besloten dat pleegouders geen drempelbedrag hoeven te betalen evenals voogdijinstellingen Artikel 57. Financiële draagkracht Artikel 4, elfde lid, van de WPO biedt gemeenten de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan 20 kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders. Dit kan naast het drempelbedrag worden opgelegd. Er wordt geen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven. In artikel 57 is gekozen voor een systeem waarin met een aantal inkomensblokken wordt gewerkt, waaraan een vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderlijke bijdrage is gekoppeld. Zowel de bedragen van de inkomensblokken als van de verschuldigde bijdrage worden geïndexeerd vastgesteld op een wijze die aansluit bij artikel 4 van de WPO.

Voor het aantonen van het inkomen, hoe om te gaan met een structurele daling van het inkomen, een aanvraag door pleegouders en de invordering wordt verwezen naar de betreffende kopjes van de toelichting op artikel 57. Paragraaf 5.3 Bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs Artikel 58. Algemene bepalingen omtrent het vervoer van leerlingen van scholen voor voortgezet onderwijs Paragraaf 5.3 betreft leerlingen van scholen die zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs, en leerlingen van instellingen voor cluster 1 en cluster 2 die voortgezet onderwijs volgen. In de WVO gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en praktijkonderwijs (hierna: pro). Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo. Zie toelichting bij artikel 51 voor uitleg clusteronderwijs. Volgens artikel 4, het vierde lid, van de WEC en artikel 4, eerste lid, van de WVO komen leerlingen slechts voor een vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Dit komt voort uit het feit dat leerlingen die naar het voortgezet onderwijs gaan geacht worden zelfstandig te kunnen reizen. De kosten voor dat vervoer zijn voor rekening van de ouders. Adviezen van deskundigen Artikel 58, tweede lid, is identiek aan artikel 51, derde lid. Zie voor een toelichting daarom de toelichting op artikel 51 onder het kopje ‘Adviezen van deskundigen’. Artikel 59. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding en vervoer per fiets Ouders van leerlingen op het regulier voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs cluster 4, die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de

85

afstand van de woning naar de school. Wettelijk is bepaald dat bij deze leerlingen het afstandscriterium niet mag worden toegepast. Structurele handicap De vraag of een leerling al dan niet als gehandicapt valt aan te merken is hierbij niet van belang. Het gaat om de vraag of de leerling, door zijn handicap, al dan niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken. Zie voor verdere toelichting de toelichting op artikel 53 onder het kopje ‘Structurele handicap’. Begeleiding Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders. Als zij niet in staat zijn hun kind te begeleiden, dienen zij zelf voor een oplossing te zorgen. Zo kan ook een familielid, een kennis, een oppas, een van de buren, een ouder van een andere leerling of een klassenassistent de leerling begeleiden. Zie voor verdere toelichting de toelichting op artikel 53 onder het kopje ‘Begeleiding’. Artikel 60. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in bepaalde gevallen te worden versterkt. Deze zijn in artikel 60 vastgelegd. Ouders van leerlingen op het voortgezet speciaal onderwijs cluster 1, 2 of 3, die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor aangepast vervoer, ongeacht de afstand van de woning naar de school.

Ouders van leerlingen op het regulier voortgezet onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs cluster 4, die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen, komen in aanmerking voor aangepast vervoer, wanneer de leerling meer dan drie kwartier onderweg is met gebruikmaking van het openbaar vervoer naar school of terug. Artikel 60 is identiek aan artikel 54, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs, als het gaat over het ontbreken van openbaar vervoer, de gevolgen van begeleiding voor het gezin en geen gebruik kunnen maken van openbaar vervoer door handicap. Zie voor een verdere toelichting op artikel 60 daarom de toelichting op artikel 54. Wanneer daar ‘artikel 54’ staat dient er in dit geval ‘artikel 60’ te worden gelezen. Het aangepast vervoer wordt uitgevoerd aan de hand van de schooltijden zoals deze vermeld staan in de schoolgids of aan de hand van het rooster van de betreffende leerling. Bij urenuitval wordt de ophaaltijd niet aangepast; de leerling zal op de gebruikelijke tijd worden opgehaald. Het vervoer wordt niet aangepast op incidentele dagen die afwijkende tijden en locaties kennen, zoals sportdagen. Artikel 61. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Artikel 61 is identiek aan artikel 55, dat geldt voor leerlingen van scholen voor primair onderwijs.

Zie voor een toelichting op artikel 61 daarom de toelichting op artikel 55. Wanneer daar ‘artikel 55’ staat dient er in dit geval ‘artikel 61’ te worden gelezen.

Paragraaf 5.4 Bepalingen omtrent weekeinde- en vakantievervoer Artikel 62. Toekenning vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie aan in de gemeente wonende ouders Artikel 4, zesde lid, van de WEC geeft aan in de verordening bepalingen op te nemen voor het weekeinde- en vakantievervoer. In paragraaf 5.4 van de verordening wordt hier invulling aan gegeven. Artikel 62 bevat twee belangrijke componenten:

86

1. Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de WEC. Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. De gemeente dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst. Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs komen niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde of de vakantie. 2. Het college van de gemeente waar de ouders wonen, verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders daarvoor in aanmerking komen.

Zo is het bepaald in de WEC. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft, heeft hierin geen rol. Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug, verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening. Hierbij wordt geen drempelbedrag in rekening gebracht en geldt het afstandscriterium niet. Artikel 63. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie Artikel 63 bepaalt dat een vervoersvoorziening kan worden toegekend voor de reizen van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug in het weekeinde en in de vakanties. Het college van de gemeente waar de ouders wonen, bepaalt welke vervoersvoorziening wordt toegekend. Dit is mogelijk voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs. Artikel 63, derde lid, geeft aan dat de bepalingen van paragraaf 5.2 en 5.3 van de verordening van overeenkomstige toepassing zijn op de toekenning van een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, op enkele uitzonderingen na.

Dit houdt het volgende in: - Alleen die leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie, die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken. - Voor de toekenning is bekostiging van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt. - Het college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken. Zie artikelen 53 en 59. - Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als: a. openbaar vervoer ontbreekt; b. begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk is;

87

c. de leerling wegens zijn structurele handicap niet in staat is - ook niet onder begeleiding - van het openbaar vervoer gebruik te maken. Zie artikelen 54 en 60. Nota bene: Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer wordt in dit geval niet verstrekt als de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer minder dan drie kwartier (speciaal onderwijs), een uur (speciale school voor basisonderwijs) of anderhalf uur (regulier onderwijs) onderweg is. - Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De bekostiging is dan afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken. Zie artikelen 55 en 61. De algemene bepalingen van paragraaf 5.1 van de verordening zijn uiteraard ook van toepassing, evenals de slotbepalingen van deze verordening.

Hoofstuk 6. Wijzigingen kwaliteit, medenzeggenschap en klachten Artikel 64. Kwaliteitseisen Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de Memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Op dit moment heeft Zuidplas kwaliteitseisen opgenomen in de regionale overeenkomsten voor de ZiN.

Ook voor het monitoren van deze kwaliteit zijn afspraken gemaakt met de zorgaanbieders in de vorm van klanttevredenheidonderzoek. Daarnaast wordt ook jaarlijks een cliëntervaringsonderzoek voor zowel Jeugd en Wmo afgenomen dat inzicht geeft in de kwaliteit van de zorg. Artikel 65. verhouding prijs en kwaliteit aanbieder Per 1 juni 2017 is aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 artikel 5.4 toegevoegd. Dit artikel heeft tot doel dat de gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo dienst. Artikel 65 uit de integrale verordening stelt vast aan welke eisen deze reële prijs moet voldoen. De hierin benoemde kostprijselementen komen overeen met de elementen uit artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door jeugdhulpaanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet).

Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de van toepassing zijnde arbeidsvoorwaarden.

88

In het eerste lid wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 2.1, van de Jeugdwet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als een ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. In het tweede lid wordt vastgesteld dat het college bij het vaststellen van de prijs rekening dient te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst en de continuïteit van de dienstverlening. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering wordt in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.

Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Hierbij is de gedachte dat een reële prijs bedraagt aan de continuïteit van de dienstverlening. Het derde lid van artikel 65 legt in de verordening vast dat het college de vaste of reële prijs minimaal moet baseren op de in dit lid genoemde kostprijselementen. Lid 4 biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen, maar die bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad Artikel 66. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering In de verordening moeten in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een voorziening of een bekostiging, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet (verordeningsplicht artikel 2.1.3 van de Wmo, de Jeugdwet en het Leerlingenvervoer sluit hierbij aan). Dat wordt onder meer gedaan in artikel 66.

Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen voorzieningen en bekostiging gaat een poging dit vooraf te ‘voorkomen’. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de cliënt en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol, de plicht hiertoe van het college wordt vastgesteld in het eerste lid. Lid 1 geeft aan dat het college de verplichting op zich neemt om de cliënt, hun vertegenwoordiger of ouders van een leerling uit te leggen wat de rechten en plichten zijn die horen bij de maatwerkvoorziening of bekostiging, de informatieplicht. Hierbij komt ook aan de orde dat de cliënt/vertegenwoordiger/ouder nieuwe feiten en omstandigheden, dus wijzigingen ten opzichte van de situatie ten tijde van de aanvraag, die van invloed zijn op de voorziening of bekostiging, direct moet melden aan het college. Dit wordt verwacht van de cliënt/ouder, omdat deze een reden (kunnen) zijn om het besluit te heroverwegen. Dit is geregeld in lid 2. Het eerste, tweede en vijfde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van de wet maatschappelijke ondersteuning is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 Wmo). Het college kan, zonder dat cliënt of aanvrager iets heeft doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de voorziening.

Daarbij kan blijken dat ten onrechte een voorziening dan wel bekostiging is ontvangen. Lid 3 geeft aan dat het college de keuze heeft de voorziening of bekostiging te herzien of in te trekken. Dit kan verschillende redenen hebben die het college moet vaststellen:

89

-

-

Bij de aanvraag zijn onjuiste en/of onvolledige gegevens verstrekt door de aanvrager. In het geval de gegevens wel juist en volledig zouden zijn geweest, zou dit geleid hebben tot een ander besluit dan dat nu is genomen. De situatie van de cliënt/leerling is dusdanig veranderd dat er men niet langer de voorziening of bekostiging nodig heeft. De situatie kan ook zo veranderd zijn, dat de toekenning niet meer voldoende is. De cliënt voldoet niet of niet meer aan de voorwaarden die horen bij de toekenning van een voorziening of een bekostiging. De cliënt heeft een toekenning voor een voorziening, maar gebruikt deze niet of voor een ander doel dan waarvoor de cliënt deze toegekend heeft gekregen.

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ Het vierde lid betreft dan ook een beschrijving van het recht van het college om tot (gedeeltelijke) terugvordering over te gaan wanneer lid drie onder a van toepassing is, dat wil zeggen als het college heeft vastgesteld dat er sprake is van het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens bij de aanvraag. In geval van een maatwerkvoorziening in natura dan wel een toekenning aangepast vervoer van het leerlingenvervoer gaat het om terugvorderen van de geldswaarde daarvan.

Bij een pgb dan wel een bekostiging leerlingenvervoer gaat het om terugvorderen van het pgb dan wel de aan aanvrager uitbetaalde bekostiging. In het vijfde lid is bepaald, dat het college de bevoegdheid heeft om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken indien binnen 3 maanden na de beslissing tot het verstrekken van een pgb nog geen voorziening is getroffen. Een pgb wordt immers verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). In het zesde tot en met negende lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen en reeds uitbetaald pgb of bekostiging leerlingenvervoer. Artikel 67. Klachtenregeling In de Memorie van Toelichting van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, biz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid.

Uiteraard geldt dit voor alle dienstverlening van de gemeente, dus ook de Wmo 2015, Jeugdwet en het leerlingenvervoer. Voor dergelijke klachten worden afgehandeld overeenkomstig de klachtenregeling van de gemeente Zuidplas (lid 1). In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet maatschappelijke ondersteuning, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet maatschappelijke ondersteuning). Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9826553/1