Bijlage 1 Integrale Verordening Sociaal Domein Zuidplas 2021 A20.001412
Tekst van het document
Binnen deze diensten zijn meerdere niveaus van ondersteuning mogelijk, afhankelijk van de aard en de ernst van de ondersteuningsbehoefte. In het onderzoek wordt bepaald op welk gebied en in welke vorm er ondersteuning noodzakelijk is. Artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de Wmo 2015, bepaalt dat de raad bij verordening regelt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In het vijfde lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1 en 1.3.5 van de Wmo 2015. In deze artikelen wordt verwoord dat er sprake moet zijn van: beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen; problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren; en een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen. Daarnaast moeten ook algemene voorzieningen onvoldoende bijdragen aan een oplossing. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p.148) is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is:
57
“Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou gaan wonen.” De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als dit soort opties niet voldoende zijn. Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende ondersteuning door het sociaalteam of een verwijzing naar een algemene voorziening.
De wet schrijft voor dat de ondersteuning een passende bijdrage moet leveren aan de belemmeringen van de cliënt. Met andere woorden: de (maatwerk)voorziening moet een zo goed mogelijke bijdrage leveren aan de oplossing van de belemmeringen van de cliënt in zijn zelfredzaamheid en participatie. Wanneer het college daarbij de mogelijkheid heeft te kiezen uit meerdere oplossingen, kiest het college voor de meest voordelige oplossing. Zie ook de toelichting bij artikel 31, ten aanzien van de keuze tussen de aanpassing van een woning of verhuizen. Maatwerkvoorzieningen, anders dan voor dienstverlening, kunnen in natura of in de vorm van een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Indien de maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt, wordt deze door het college ingekocht en aan de cliënt geleverd. Een maatwerkvoorziening in natura kan in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, sluit de cliënt daarvoor een bruikleenovereenkomst af. In lid 7 zijn algemene aanvullende criteria geformuleerd voor een maatwerkvoorziening die het college kan hanteren bij het vaststellen van het recht op een maatwerkvoorziening. Als een cliënt niet voldoet aan deze criteria, komt hij in principe niet in aanmerking voor de betreffende maatwerkvoorziening.
De criteria zijn echter niet voor alle situaties en voor alle maatwerkvoorzieningen relevant. De Wmo 2015 betekent maatwerk, zodat ook bij de toepassing van de criteria die in dit lid worden genoemd, maatwerk wordt toegepast. De cliënt is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie. Dat betekent dat een cliënt binnen zijn vermogen (tijdig) die maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat hij zo lang mogelijk zelfredzaam is en kan participeren en geen beroep hoeft te doen op maatschappelijke ondersteuning. Sub a Algemeen gebruikelijke voorzieningen en maatregelen kunnen niet worden verstrekt via een maatwerkvoorziening. Algemeen gebruikelijke kosten zijn bijvoorbeeld een maaltijdservice of een boodschappendienst. Maar ook voorzieningen die in de reguliere handel of bij een thuiszorgwinkel verkrijgbaar zijn of geleend kunnen worden. Of deze kosten algemeen gebruikelijk zijn, wordt beoordeeld in relatie tot de situatie en persoon van de cliënt. Zo is een fiets met trapondersteuning voor een jong kind niet algemeen gebruikelijk. Zie voor een uitgebreidere uitwerking van het begrip algemeen gebruik in de toelichting van artikel 8 van deze verordening.
58
Sub b Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor hemzelf of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht of rijbewijs heeft niet in aanmerking kunnen komen voor een aangepaste auto of een snelle scootmobiel. Sub c Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en die voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet in aanmerking voor een nieuwe maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig. Sub d Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening noodzakelijk is. Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat dit niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is. Sub e De maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening is gericht op het bereiken van resultaten: versterking of behoud van zelfredzaamheid en participatie staan daarbij centraal. Ook overige voorzieningen, zoals hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen, zijn vaak hierop gericht.
De inzet van maatwerkvoorzieningen maakt onderdeel uit van een ondersteuningsplan, waar behalve de maatwerkvoorziening ook inzet van de cliënt wordt verwacht, gebruik van algemene voorzieningen of deelname aan bepaalde activiteiten. Als een cliënt weigert om aan het onderzoek en de opstelling van een dergelijk ondersteuningsplan mee te werken die het college noodzakelijk vindt voor het bereiken van de resultaatgebieden, of niet meewerkt aan de uitvoering daarvan, kan dit tot gevolg hebben dat ook de maatwerkvoorziening wordt geweigerd. Sub f Als de noodzaak tot het vervangen van een verleende voorziening aan de cliënt te verwijten is, bijvoorbeeld omdat de voorziening niet op de juiste manier is onderhouden, cliënt roekeloos met de voorziening is omgesprongen of de cliënt zijn eerder verstrekte pgb niet op de juiste wijze heeft besteed, kan dit aanleiding zijn om een nieuwe aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren. Maar ook als de cliënt bijvoorbeeld zonder goede redenen verhuist van een voor hem geschikte woning naar een woning die niet is aangepast aan zijn beperkingen, kan dit reden zijn om een maatwerkvoorziening te weigeren. Artikel 24 Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Binnen de dienst hulp bij het huishouden kunnen er meerdere resultaten worden gerekend.
In de meeste gevallen zal het gaan om het schoon en leefbaar houden van de woning. Maar het kan ook de andere resultaten betreffen die in dit artikel worden genoemd, als geen andere oplossingen beschikbaar en/of geschikt zijn. De zwaarte en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt. Schoon en leefbaar huis Dit betekent dat de woning opgeruimd en functioneel moet zijn, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Daarnaast moet de woning schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Zo moet de cliënt gebruik kunnen maken van een schone huiskamer, slaapvertrek, keuken, douche/toilet en gang. Om dit te realiseren is het bijvoorbeeld noodzakelijk dat de vertrekken gedweild of gestofzuigd worden, de keuken schoongemaakt is en het bed verschoond wordt. Het verzorgen van de buitenruimte, zoals de tuin of het zemen van de ramen aan de buitenzijde, behoort niet tot de reikwijdte van deze dienst. Hoe vaak een en ander moet worden schoongemaakt, is afhankelijk van de aard en het gebruik van de ruimte. Ook kunnen er individuele omstandigheden zijn waardoor het schoonmaken vaker moet
59
gebeuren. Bijvoorbeeld de allergieën die een cliënt heeft waardoor een hoger niveau van hygiëne nodig is. Beschikken over schone en draagbare kleding Een cliënt moet kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Dat wil zeggen dat kleding en beddengoed gewassen en gedroogd wordt en bovenkleding waar nodig ook gestreken. Ook zal de kleding weer opgevouwen en opgeborgen moeten worden in de kast. Het kan zo zijn dat de cliënt wel in staat is om de was in de wasmachine te doen, maar niet om de was op te hangen of te strijken. In dat geval hoeft niet voor alle onderdelen (volledige) ondersteuning geboden te worden. Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften, waaronder maaltijden Het gaat er binnen dit resultaat om dat de cliënt kan beschikken over de noodzakelijke boodschappen voor levensonderhoud. Ook het verzorgen van de maaltijden valt hieronder. Als een cliënt geacht wordt om gebruik te maken van een voorliggende voorziening, zoals een boodschappendienst dan is een indicatie voor dit doel niet aan de orde. In sommige gevallen dient de cliënt echter ondersteund te worden bij de boodschappen, bijvoorbeeld doordat de huishoudelijke hulp de boodschappen doet en deze opbergt. Het verzorgen van maaltijden kan bestaan uit het verzorgen van een warme maaltijd, het opwarmen van een maaltijd, het verzorgen van een broodmaaltijd.
Soms kan volstaan worden met het bestellen van warme maaltijden bij een maaltijdservice, of het deelnemen aan “open tafels” in de wijk. In andere gevallen zal de huishoudelijke hulp zelf een maaltijd moeten bereiden. Zowel in de wijze waarop, als de frequentie waarmee voorzien wordt in de warme maaltijd zijn diverse varianten mogelijk, afhankelijk van de situatie van de cliënt. Het voeren van regie over het doen van het huishouden Het voeren van regie betreft het organiseren van het huishouden met als doel dat de cliënt weer in staat is het huishouden zelf te regisseren en (zoveel mogelijk) zelf uit te voeren. Deze voorziening kan alleen toegekend worden aan leerbare cliënten. Wanneer een cliënt de huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren, dan kan ook hiervoor ondersteuning worden geboden. Dit geldt ook wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel en soms niet zelf kan uitvoeren. Artikel 25 Huishoudelijke hulp toelage Met deze regeling wordt aan cliënten met een maatwerkvoorziening en aan mantelzorgers de mogelijkheid geboden - indien gewenst - uren in te kopen tegen een gereduceerd tarief. Artikel 26 Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening begeleiding Individuele begeleiding wordt toegekend opdat de cliënt zo lang als mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kan blijven wonen.
Dit is de achterliggende doelstelling als aan de cliënt de maatwerkvoorziening wordt toegekend. De begrenzing van deze Wmo-doelstelling wordt gevormd door artikel 2.3.5 lid 6 van de Wmo 2015. Het college beoordeeld in welke mate de cliënt zelfredzaam is en of, en zo ja welke ondersteuning en in welke intensiteit het nodig is om de cliënt op een zo volwaardige manier te laten meedoen in de maatschappij. Uiteraard gaan hierbij de algemene voorzieningen voor op de maatwerkvoorzieningen. Bij de individuele begeleiding gelden de volgende kernbegrippen: a. De ondersteuning is erop gericht dat cliënt door stimulans en/of toezicht in staat is om het (sociale) leven zelfstandig vorm te geven. b. De ondersteuning wordt geboden bij het oplossen van problemen en het zelfstandig nemen van besluiten. c. De ondersteuning kan zich ook richten op het (tijdelijk) overnemen van taken tot en met het aanleren ervan. Artikel 27 Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening dagbesteding
60
Dagbesteding is onder meer gericht op één of meer van de volgende resultaten: a. sociale activiteiten buitenshuis met als doel duurzaam sociaal contact en ontmoeting; b. structuur en veiligheid; c. ontlasten mantelzorger; d. het aanbieden van routine en structuur voor de dag; e. voorkomen van verwaarlozing/opname. Met als achterliggend doel om zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De omvang en intensiteit van de ondersteuning is afhankelijk van de mate van beperkingen die de cliënt ondervindt. Artikel 28 Aanvullende criteria voor vervoer van en naar de dagbesteding Naast de vertrekking van de maatwerkvoorziening dagbesteding is het mogelijk om een maatwerkvoorziening vervoer naar de dagbesteding te indiceren, indien een cliënt gelet op zijn beperkingen of psychische of psychosociale problematiek niet in staat is zich zelfstandig te verplaatsen tussen zijn woon- of verblijfadres en de dagbesteding. Uitgangspunt is dat de dagbesteding/dagbehandeling in de nabijheid van de woonomgeving is. De intensiteit van het vervoer is afhankelijk van de mate van het gebruik van de dagbesteding (aantal dagdelen).
Artikel 29 Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening logeren Als bij de mantelzorger van de cliënt de balans tussen draagkracht en draaglast is verstoord of verstoord dreigt te raken, dan is er reden om voor cliënt logeeropvang of logeerverblijf buiten de thuissituatie mogelijk te maken. Dit kan plaatsvinden in een instelling. Artikel 30 Aanvullende criteria voor de maatwerkvoorziening rolstoel Een rolstoel voorziening wordt slechts verstrekt als de cliënt als gevolg van zijn beperkingen langdurig is aangewezen op het zittend verplaatsen in en om de woning. De rolstoelvoorziening is onder andere gericht op een of meer van de volgende resultaten: a. het kunnen bereiken van winkels; b. het kunnen onderhouden van sociale contacten; c. het deelnemen aan activiteiten, al dan niet in de vorm van een algemene voorziening, binnen de leefomgeving van de cliënt; d. de dagelijkse noodzakelijke verplaatsingen in en rondom de woning; e. overige noodzakelijke verplaatsingen in kader van het leven van alledag. Artikel 31 Aanvullende criteria voor maatwerk woonvoorzieningen Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van een woonvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan een woningaanpassing of een traplift. Daarnaast kan een maatwerkvoorziening worden toegekend zodat de cliënt zich in en om de woning kan verplaatsen.
Voordat het college het verhuisprimaat toepast, wordt een belangenafweging gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning. Bij de belangenafweging kunnen diverse factoren een rol spelen en wordt er in ieder geval gekeken naar: de aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen; de beschikbaarheid van een woningen binnen een medisch aanvaardbaar termijn; sociale omstandigheden; gezinssituatie; afstemmingen met andere voorzieningen; werksituatie; verandering in woonlasten; is cliënt huurder of eigenaar van de woning;
61
-
wooncomfort; de wil van cliënt om te verhuizen;
Het primaat van verhuizen is in ieder geval van kracht als de totale kosten voor het aanpassen van de woning hoger zijn dan €10.000,- of als er uit de belangenafweging voldoende argumenten zijn die voor verhuizen pleiten. De Centrale Raad van Beroep heeft uitspraak gedaan over het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding in plaats van het aanpassen van de woning, waarbij er in de belangenafweging is geconstateerd dat verhuizen goedkoper en – eveneens – adequaat is: ECLI:NL:CRVB:2018:2602. Dit laat onverlet dat steeds de vraag moet worden beantwoord of met de toepassing van het primaat verhuizen in een concreet geval een passende bijdrage als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid van de Wmo 2015 wordt geleverd. Ook heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan over het inadequaat verhuizen, waarmee cliënt voor hem geen passende oplossing heeft gevonden voor het in de verlaten woning ondervonden woonprobleem. Hierdoor heeft cliënt geen recht op een financiële tegemoetkoming in de kosten van de verhuizing en herinrichting: ECLI:NL:CRVB:2018:702. De Raad onderstreept dat hij die woning niet overeenkomstig haar essentiële elementaire woonfuncties (niet in staat om de slaapkamer en natte cel te bereiken) kan bewonen. Dit betekent dat de woning, gezien de beperkingen, ongeschikt is.
Het te bereiken resultaat van de toe te kennen maatwerkvoorziening bestaat uit het normale gebruik van de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Het gaat daarbij om het kunnen gebruiken en bereiken van de elementaire woonruimten voor de dagelijkse levensverrichtingen (het normale gebruik van de woning). Daaronder worden in ieder geval verstaan het kunnen bereiden van maaltijden, verrichten van de persoonlijke hygiëne (wassen en toiletgang) en kunnen slapen (bereiken van de slaapkamer). Onder omstandigheden van het individuele geval kan het te bereiken resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tuin of balkon van de woning (toe- en doorgang). Artikel 32 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening vervoersdiensten en vervoersvoorzieningen Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen voor het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving gericht op zelfredzaamheid en participatie. Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld sociale contacten te onderhouden. De verplaatsingen kunnen betrekking hebben op de korte, de middellange en/of op de langere afstanden binnen de leefomgeving van de cliënt. Artikel 33 Aanvullende criteria voor maatwerk sportvoorzieningen Deze voorziening ziet op het kunnen uitoefenen van een sport en kan naast een andere vervoersvoorziening verstrekt worden.
Een sportvoorziening is noodzakelijk als de cliënt door sportbeoefening beter in staat is te participeren. Ook kan sportbeoefening bijdragen aan de zelfredzaamheid: het draagt bij aan de verbetering van de conditie en vertrouwen in zichzelf en kan eraan bijdragen dat de cliënt zijn eigen mogelijkheden en vaardigheden (her)ontdekt. Daarnaast moet er sprake zijn van meerkosten bij de sportbeoefening als gevolg van de beperking. Bijvoorbeeld doordat hij een speciale sportvoorzieningen nodig heeft. Omdat de sportvoorziening moet bijdragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie, kan een sportvoorziening alleen worden verstrekt als de sport regelmatig wordt beoefend. Voor topsport of sport op hoog niveau geldt dat hiervoor sprake is van voorliggende mogelijkheden voor een sportvoorziening op basis van sponsoring en mogelijkheden via diverse fondsen. Artikel 34 Afschrijvingsperioden
62
Artikel 34 legt vast hoelang de gemeente Zuidplas het gebruik van een voorziening gebruikelijk acht. De gehanteerde afschrijvingsperiode wordt gebruikt voor het vervangen van de trapliften (standaard en preventief na 10 jaar). Artikel 35 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen De tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen was een bepaling uit de nadere regels die nu in de verordening wordt vastgelegd. Het college verstrekt een tegemoetkoming voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen, en een sportrolstoel op basis van dit artikel. Het betreft hier expliciete aantoonbare meerkosten. Daarnaast blijft uiteraard van belang dat bij de beoordeling vooraf wordt bekeken in hoeverre men in staat is zelf het een en ander te regelen of dat het in de betreffende situatie meer voor de hand ligt om een maatwerkvoorziening te verstrekken. De extra kosten voor het toppakket collectieve ziektekostenverzekering is komen te vervallen omdat er geen onderscheid meer gemaakt wordt in de diverse pakketten van de collectieve ziektekostenverzekering. Meer informatie over de collectieve ziektekostenverzekering is te vinden op de website van VGZ: https://www.vgz.nl/ijsselgemeenten.
Daarnaast staat er ook een nieuwsbericht op de website van de gemeente Zuidplas: https://www.zuidplas.nl/organisatie-enbestuur/nieuws_46866/item/collectieve-ziektekostenverzekering-voor-minima-en-mensen-metmeerkosten_56491.html. Artikel 36. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Artikel 36 regelt de bijdrage in de kosten voor Wmo maatwerkvoorzieningen: de eigen bijdrage Wmo. Per 1 januari 2020 heeft het kabinet enkele wijzigingen doorgevoerd in het landelijke eigen bijdrage beleid, waardoor cliënten sinds 1 januari 2020 maximaal € 19.00 per maand betalen aan eigen bijdrage Wmo. Lid 4 maakt het mogelijk om de eigen bijdrage op nul euro vast te stellen als een cliënt onvoldoende betaalcapaciteit heeft én voldoet aan één van de onderstaande voorwaarden: - De cliënt zit in de eerste twaalf maanden na een scheiding: een scheiding heeft grote impact emotioneel en financieel. Men blijft met minder inkomsten en even grote (soms grotere) uitgaven achter. Bij een scheiding kan de eigen bijdrage op nul gezet worden tot maximaal 12 maanden na de scheiding. - De cliënt zit in de eerste twaalf maanden na het verlies van betaald werk: het verlies van betaald werk zorgt voor een grote terugval in inkomsten (30%), dit heeft gevolgen voor de betaalcapaciteit. Bij het verliezen van betaalde arbeid kan de eigen bijdrage op nul gezet worden voor maximaal 12 maanden.
- De cliënt heeft een budgetmaatje: indien een cliënt een budgetmaatje heeft spelen er over het algemeen financiële problemen en is hij/zij bezig zijn financiële situatie te verbeteren (en dus ook zijn/haar betalingscapaciteit te vergroten). Deze situatie geeft aanleiding om tijdelijk de eigen bijdrage op nul te zetten. Bij het gebruikmaken van een budgetmaatje wordt de eigen bijdrage voor 6 maanden op nul gezet. - De cliënt zit in de schuldsanering via de GR IJsselgemeenten: indien een cliënt in een schuldsaneringstraject zit is de betaalcapaciteit zeer beperkt. Door middel van dit traject is cliënt bezig om de situatie op te lossen. Dit geeft aanleiding om de eigen bijdrage op nul te zetten. Bij een schuldsaneringstraject wordt de eigen bijdrage tot einde traject op nul gezet. (Dit vraagt afstemming met de GR IJsselgemeenten om de correcte termijn door te geven aan CAK) De eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening Wmo wordt door het CAK vastgesteld en geïnd. De cliënt betaalt nooit meer aan eigen bijdrage Wmo dan de kostprijs van de maatwerkvoorziening. Het collectief vraagafhankelijk vervoer kent pieken in vervoersbewegingen gedurende de dag. Aan reizigers die buiten deze pieken reizen wordt een ander tarief berekend aan reizigersbijdrage van aan
63
reizigers die binnen deze pieken willen reizen. De tijdsblokken waarin de reizigersbijdrage hoger is zijn tussen 7.00 en 9.00 uur en tussen 14.00 en 16.00 uur. Dit zijn daarmee niet de spitstijden zoals het openbaar vervoer deze kent, maar de spitstijden die binnen het collectief vraagafhankelijk vervoer worden gezien. De reizigersbijdrage wordt voldaan aan de vervoerder. Artikel 37. Blijk van waardering voor mantelzorgers Dit artikel is een uitwerking van de verplichting in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 om in de verordening te bepalen op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers. In dit artikel is de manier waarop mantelzorgers in aanmerking kunnen komen voor deze waardering geregeld. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen via een melding bij het college in aanmerking komen voor de jaarlijkse blijk van waardering (eerste lid). Het tweede lid bepaalt waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat, namelijk: een jaarlijkse activiteit en praktische ondersteuning. De uitvoering van artikel 37 wordt gedaan door het mantelzorgsteunpunt.
64
Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget (pgb) Artikel 38. Bepalingen om in aanmerking te komen voor een pgb Lid 1 geeft aan dat de gemeente Zuidplas een pgb verstrekt op basis van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Lid 2, in de Wmo 2015 en in de Jeugdwet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit artikel wordt geregeld op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven. Wanneer cliënt naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening, en hij vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, zijn er aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een pgb-budgetplan, waarmee de cliënt zijn aanvraag voor een pgb moet indienen. In het tweede lid wordt bepaald wat er in het pgb-budgetplan dient te zijn opgenomen. Uit de motivering in het pgb-budgetplan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe en waarom men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. In lid 3 wordt gesproken van professionele ondersteuning (instellingen en zzp’er).
Een zzp’er is een zelfstandige zonder personeel, die niet in loondienst is van een professionele organisatie. Hieronder valt alle hulpverlening geboden door personen en bedrijven in het bezit van een KVK met betrekking tot de uitgevoerde ondersteuning. In artikel 40 van de verordening staan verdere voorwaarden beschreven om als professional te kunnen worden aangemerkt. Daarnaast wordt er gesproken van ondersteuning binnen sociaal netwerk. Onder het sociaal netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, zoals besproken in artikel 41 van de verordening De in het vierde lid van dit artikel bedoelde wettelijke verlenings- en weigeringsgronden staan voor wat betreft de Wmo 2015 in artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid en wat betreft de Jeugdwet in artikel 8.1.1, tweede en vierde lid. Het college verleent, dan wel weigert binnen deze en de overige in artikel 3.4.1 vermelde criteria een persoonsgebonden budget. Door de bepaling onder ad d wordt verhinderd dat een cliënt beïnvloed en/of onderdruk wordt gezet door zijn omgeving om de via een pgb verstrekte zorg bij een specifieke zorgaanbieder in te kopen. In lid 5 wordt beschreven dat het college van de cliënt een schriftelijke machtiging en verklaring verlangt.
De machtiging houdt in dat cliënt schriftelijk aangeeft wie degene is die hem vertegenwoordigt. De schriftelijke verklaring houdt in dat zowel de cliënt als budgethouder, als diens vertegenwoordiger zich ten opzichte van het college en de cliënt verplichten tot het op juiste en verantwoordelijke wijze beheren van het pgb. De verklaring dient tevens als instrument ter bewustwording van cliënt en vertegenwoordiger van de rechten en plichten die een pgb met zich brengt In het in lid 6 wordt er een nadere uitleg gegeven over de criteria waarop een budgethouder niet in staat wordt geacht om de aan een pgb verbonden taken uit te voeren en een pgb kan worden geweigerd. In lid 7 wordt er omschreven dat het college van de budgethouder verlangt dat in de tussen evaluatie in wordt gegaan op de tot dan toe behaalde resultaten en de aan het pgb verbonden voorwaarden. Lid 8 gaat in op de besteding van het pgb in het buitenland. (Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het
65
college toetst of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen doelen, alsmede of de kwaliteit is gewaarborgd. Hierbij zal de geleverde zorg moeten voldoen aan de randvoorwaarden van de Wmo en de Jeugdwet. In lid 9 wordt er ingegaan op de weigeringsgronden van een pgb. Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 4 of ambtshalve maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 10 vijfde lid, is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning op basis van een vraagverhelderingsonderzoek. In zo’n geval is de ondersteuning voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb. Onder b: Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die hem helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is cliënt hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hij ook zelf de keuze maakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan. Artikel 39.
Regels voor pgb vertegenwoordiging Als een cliënt niet zelf tot het beheer van zijn pgb in staat is of nog niet de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, waardoor een situatie van (wettelijke) vertegenwoordiging aan de orde is, moet worden gewaarborgd dat de vertegenwoordiger die de cliënt ondersteunt hiertoe daadwerkelijk in staat is en dit vanuit zuiver hulpgedreven motieven doet. Hierbij gelden in ieder geval dezelfde contra-indicaties als voor de budgethouder zelf. De mogelijkheid dat er een ongewenste belangenverstrengeling tussen vertegenwoordiger en pgb-hulpverlener(s), danwel een ongewenste (financiële) afhankelijkheidsrelatie ontstaat, dient te worden vermeden. Om die reden is een aantal aanvullende voorwaarden c.q. weigeringsgronden aan de vertegenwoordiging opgenomen. In principe mag de uitvoerder van de ondersteuning niet degene zijn die vertegenwoordiger is, aangezien de objectiviteit van de te beoordelen kwaliteit van de ondersteuning dan niet aanwezig is of andere, niet hulpgedreven overwegingen een doorslaggevende rol kunnen gaan spelen. Dit betekent onder andere dat bij minderjarigheid van de cliënt, vanwege de automatische vereniging van rollen van inkoper en uitvoerder van een (informeel) persoonsgebonden budget, een dergelijk pgb aan een ouder in beginsel niet mogelijk is. Slechts bij hoge uitzondering kan hier door het college van worden afgeweken.
Artikel 40. Regels voor pgb professional Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via de pgb constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen. Om die reden worden in de verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een pgb wordt ingeschakeld. De eis in het tweede lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan “één gezin, één plan, één regisseur” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake. Artikel 41. Regels voor pgb sociaal netwerk Dit artikel ziet specifiek op de situatie dat hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de
66
regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Uitgangspunt is, dat huishoudelijke hulp door een persoon uit het sociale netwerk is niet aantoonbaar beter, effectiever en doelmatiger zodat het verstrekken van een pgb hiervoor niet voor zal komen. De cliënt legt een schriftelijk document over waarin het voorgaande gemotiveerd wordt. Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening.
Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb. In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk de ondersteuning in het kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt. Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Het blijft altijd om maatwerk gaan. Artikel 42. Hoogte van een pgb In artikel 42 is bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb voor een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld. Uitgangspunt is dat met een pgb een maatwerkvoorziening wordt ingekocht. Welke maatwerkvoorziening noodzakelijk is, wordt vastgesteld aan de hand van het onderzoek zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening en het opgestelde ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening. Vervolgens wordt de kostprijs van de maatwerkvoorziening bepaald. Wanneer meerdere maatwerkvoorzieningen mogelijk zijn, wordt de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening gehanteerd als bedoeld in artikel 8 lid 3 van deze verordening.
Onder lid 3 is bepaald, dat het pgb toereikend moet zijn om aan de wettelijke kwaliteitseisen te kunnen voldoen. Wanneer sprake is van onderhoud en verzekeringen wordt hiervoor eveneens een pgb vastgesteld. Lid 6 tot en met 12 bepalen op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. Hiermee wordt aangesloten bij de al geldende regels uit voorgaande verordeningen Wmo en Jeugdhulp. Voor de berekening van een pgb wordt onderscheid gemaakt tussen een beroepskracht die voor een zorgorganisatie werkt (lid 7) of een beroepskracht die als zzp’er werkt (lid 9). Uitgangspunt is, dat een zzp’er minder of geen overheadkosten heeft. Dit komt tot uiting in de berekeningswijze van respectievelijk 100% voor hulpverlener instelling en 75% voor zzp’er. Wanneer het college heeft bepaald dat een pgb mag worden aangewend voor het inkopen van begeleiding bij een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt, dan wordt het uurtarief gebaseerd op het uurtarief zoals deze in de Wet Langdurige Zorg wordt gehanteerd inclusief de kosten voor een VOG. Artikel 43. Besteding en verantwoording
67
De besteding van het pgb dient te geschieden binnen de afspraken die daarvoor met de cliënt zijn gemaakt. Deze afspraken kunnen voortvloeien uit het goedgekeurde pgb-budgetplan en hiernaar zal worden verwezen in de beschikking. Hierbij kunnen ook verplichtingen worden opgenomen ten aanzien van de besteding, de termijn waarbinnen een pgb moet zijn besteed, het nakomen van verplichtingen in relatie tot het trekkingsrecht en verantwoording van het pgb. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit op basis van te overleggen documenten, zoals een factuur of overeenkomst met de zorgleverancier. Voor de eenmalige pgb’s doet het college dit namens de SVB
Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen leerlingenvervoer Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot, of kan het kind wegens zijn structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de verordening leerlingenvervoer. Wettelijke plicht De gemeenteraad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. In artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC), heet het ‘de bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten ten behoeve van het schoolbezoek’. Het gaat hierbij zowel om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs, als om instellingen voor cluster 1 en cluster 2. De verordening geeft uitvoering aan de taakstelling van de gemeente. Vervoersvoorziening In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Dat houdt in dat er niet altijd sprake is van een kostendekkende betaling. Zo is ook een voorziening mogelijk in de vorm aangepast vervoer, dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen.
Het college bepaalt in welke vorm de voorziening wordt verstrekt. Het vervoer dient echter te allen tijde passend te zijn. Uitgangspunt van de regeling is bekostiging van het openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn structurele handicap geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, zelfs niet met begeleiding, komt hij in aanmerking voor aangepast vervoer. Als ouders aangeven hun kind zelf te willen vervoeren, dienen ze hiervoor toestemming te vragen aan het college. De bekostiging van het vervoer is vervolgens gebaseerd op de vervoersvoorziening waar de ouders voor in aanmerking komen. Het college kan toestemming weigeren op grond van de kosten. Drempelbedrag en draagkrachtafhankelijke bijdrage De gemeente kan ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, een drempelbedrag in rekening brengen. De ouderlijke bijdrage is hierbij gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, dat wil zeggen de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op leerlingenvervoer. In de verordening is deze grens vastgesteld op zes kilometer. De ouderlijke bijdrage is dan gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer over deze afstand, te weten € 502 (schooljaar 2020-2021).
Dit bedrag wordt jaarlijks op 1 april aangepast met de wijziging die het indexcijfer voor de gezinsconsumptie heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar. Het drempelbedrag wordt per leerling in rekening gebracht. Wanneer er twee of meer kinderen uit één gezin tegelijk per eigen auto vervoerd worden en er om die reden éénmaal kilometervergoeding wordt uitbetaald, wordt het drempelbedrag per gezin in rekening gebracht.
68
Daarnaast kan de gemeente een bijdrage vragen aan ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken die meer dan 20 kilometer van de woning is gelegen. Deze bijdrage is afhankelijk van de draagkracht en wordt per gezin geheven. In dit hoofdstuk wordt verschil gemaakt tussen bepalingen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs. Dit zijn verschillende paragrafen. Paragraaf 5.1 Algemene bepalingen Artikel 44. Begripsomschrijving -begeleiding Een leerling kan begeleiding tijdens het vervoer nodig hebben van een ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden. Onder deze begeleiding wordt de fysieke begeleiding van de leerling verstaan, met andere woorden het meereizen. Onder begeleiding wordt niet verstaan bijvoorbeeld assistentie van de leerling door middel van app op telefonisch contact. - inkomen Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd begint. - leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO).
In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de gemeentelijke verordening leerlingenvervoer. Hierbij geldt de toelatingsleeftijd (artikel 39, eerste lid van de WEC) van 4 jaar, met uitzondering van cluster 2: toelatingsleeftijd is dan 2 jaar. Lid 4 van artikel 39 van de WEC bepaalt de leeftijd van het verlaten van het VSO, namelijk uiterlijk aan het einde van het schooljaar waarin de leerling 20 is geworden. Een belangrijke uitzondering vormen leerlingen die rijdende scholen bezoeken voor kinderen van kermisexploitanten of van circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van leerlingen die deze scholen bezoeken kunnen geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.
De kosten voor noodzakelijk vervoer van deze leerlingen ten behoeve van het schoolbezoek vormen onderdeel van de materiële instandhouding van die scholen. - ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan speelt in het passend onderwijs een belangrijke rol. Het plan dient te verwezenlijken dat leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken en dat leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Ook wordt het basisondersteuningsniveau aangegeven, dat voor elke school geldt. Het ondersteuningsplan omvat onder meer de procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van de ondersteuningsmiddelen en – voorzieningen aan de scholen. Ook moeten de procedure en de criteria voor de plaatsing van leerlingen op speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband en op scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in het plan worden opgenomen, evenals de procedure en criteria voor terug- of overplaatsing naar reguliere scholen. Het samenwerkingsverband stelt het ondersteuningsplan vast, maar de gemeente heeft een belangrijke rol: over het concept van het plan dient eerst op overeenstemming gericht overleg (hierna:
69
OOGO) te hebben plaatsgevonden met het college van de gemeenten die binnen het gebied van het samenwerkingsverband zijn gelegen (artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO). - opdc Een orthopedagogisch-didactisch centrum kan worden aangemerkt als ‘school’, wanneer het gaat om het geven van onderwijs. - openbaar vervoer Bij de definiëring van het begrip ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving zoals deze is vastgelegd in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’; zodoende kan ook de regiotaxi desgewenst als een vorm van openbaar vervoer worden beschouwd. In de verordening is de begripsomschrijving uitgebreid met ‘veerdienst’. - ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’. Een aanvraag kan ook worden ingediend door een meerderjarige handelsbekwame leerling. Daar waar in de verordening gesproken wordt over ouders, wordt ook deze leerling bedoeld. - reistijd De omschrijving van het begrip ‘reistijd’ is van belang om te bepalen of een leerling die met het openbaar vervoer naar school kan reizen in aanmerking komt voor aangepast vervoer.
Immers, wanneer de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan een bepaalde tijd onderweg is, komt de leerling in aanmerking voor aangepast vervoer (artikel 54, eerste lid, aanhef en onder c en d, en artikel 60, eerste lid, aanhef en onder b). De reistijd wordt berekend aan de hand van de website 9292.nl waarbij er een looptijdcorrectie voor kinderen onder de twaalf jaar wordt gebruikt, gezien het feit dat zij langzamer lopen dan een volwassene. De looptijdcorrectie is: reistijd gedeeld door twaalf maal zeventien. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij de afstand naar school overbruggen, zo’n tien minuten voor de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Deze tijd wordt dan ook uitgesloten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend. De reistijd wordt berekend aan de hand van de schooltijden die vermeld staan in de schoolgids of bij voortgezet onderwijs aan de hand van het rooster van de betreffende leerling.
- samenwerkingsverband Onder 1°: Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor speciaal onderwijs en/of voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. Onder 2°: Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering vormen vestigingen van scholen waarvoor het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband.
Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. - stage
70
Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage op ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC). Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te merken als ‘school’. - toegankelijke school Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke of geestelijke toestand zijn aangewezen op een bepaalde school. In de WPO is bepaald dat het samenwerkingsverband primair onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4 (artikel 18a, zesde lid, van de WPO). Het samenwerkingsverband laat zich daarbij adviseren door deskundigen. De WVO kent ook een dergelijke bepaling: het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs beoordeelt of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 17a, zesde lid, van de WVO). Ook hier geldt dat het samenwerkingsverband zich daarbij laat adviseren door deskundigen. Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure.
In de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school (artikel 41, tweede lid, van de WEC). - vervoer Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. Met afwijkende roosters, zoals deze voorkomen in het voortgezet onderwijs, kan in beginsel geen rekening gehouden worden. De vervoerskosten zouden dan te hoog oplopen. Soms zijn, in overleg met leerlingen, ouders en de school, bepaalde vervoersarrangementen en -combinaties mogelijk, waarbij dan de leerlingen beurtelings een bepaalde tijd moeten wachten op het vervoer. - vervoersvoorziening De wet bepaalt dat de gemeenten het vervoer zelf kunnen verzorgen, dan wel doen verzorgen. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt.
Hierbij geldt als uitgangspunt: bekostiging van de kosten van openbaar vervoer dan wel de kosten van het vervoer per fiets. - woning Onder ‘woning’ wordt in de verordening verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, dient een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. Het adres waar kinderen een bepaalde tijd vóór aanvang en/of na afloop van de schooldag worden opgevangen (de buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’. Artikel 45. De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening Het tweede lid van artikel 45 bepaalt dat een leerling die meerderjarig en handelingsbekwaam is zelf een aanvraag voor leerlingenvervoer kan indienen, in plaats van de ouders/verzorgers. De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In het derde lid van artikel 45 is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de
71
gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Lid 4 geeft het college de mogelijkheid om ouders te wijzen op andere mogelijkheden dan bijvoorbeeld het aangepast vervoer. Hierbij kan gedacht worden aan het attent maken op de mogelijkheid om leerlingen zelf, en wellicht ook in samenwerking en gezamenlijkheid met andere ouders naar school te brengen. Hierbij worden geen gegevens van ouders uitgewisseld, tenzij ouders hebben aangegeven daar geen bezwaar tegen te hebben.”
Artikel 46. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school In de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO is bepaald dat de gemeenteraad bij het vaststellen van de verordening de “op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen”. Tevens is in genoemde artikelen bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. In de verordening zijn deze bepalingen verankerd in artikel 46. Als dichtstbijzijnde school kan worden aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde, professionele routeplanner gehanteerd. Dit is de ANWB routeplanner, gemeten langs de kortste route per fiets. Hierbij is het niet relevant of de betreffende leerling daadwerkelijk kan fietsen of gebruik zal gaan maken van de fiets.
Wanneer de gemeten afstand dicht rond de kilometergrens ligt (te weten vanaf 5,8 tot en met 6,0 kilometer) dan wordt de afstand gecheckt bij andere routeplanners. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: ABRvS) 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg, volgens een uitspraak van de ABRvS (27 december 1989, nr. R03.88.7309). De route hoeft ook niet voor de betreffende leerling voor wie de aanvraag gedaan wordt toegankelijk te zijn. Het gaat erom dat de route in zijn algemeenheid toegankelijk is waarbij de leerling niet perse als zelfstandig verkeersdeelnemer gezien wordt. Het gaat erom dat een leerling onder begeleiding gebruik kan maken van de gemeten route (uitspraak van de ABRvS, 12 juli 2006, nr LJN AY3674). Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van dezelfde gewenste richting, verder van de woning van de leerling is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten verbonden aan het vervoer naar en van de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is echter niet verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden.
Indien de situatie zich zou voordoen dat vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper zou zijn (of niet meer kosten met zich brengt), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Voor een openbare school geldt hetzelfde. Richting Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen).
72
Een bepaalde onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Iederwijsscholen etc. Voor het bepalen van de richting moet de BRIN registratie geraadpleegd worden (ECLI:NL:RVS:2014:1119). Verklaring Op grond van artikel 46, derde lid, dienen ouders van een leerling die een school bezoekt die op grotere afstand is gelegen, terwijl zich dichterbij andere, ook voor de leerling passende scholen bevinden, bij de aanvraag van een vervoersvoorziening schriftelijk aan te geven dat zij gekozen hebben voor deze school. Het college is niet gerechtigd deze verklaring inhoudelijk te verifiëren (Uitspraak Raad van State (2020:2467).” Passend onderwijs Rol samenwerkingsverband De zorgplicht van de school waar de leerling wordt aangemeld, is een van de kernpunten van het passend onderwijs. Wanneer de school waar de leerling is aangemeld, niet zelf in de benodigde onderwijsondersteuning kan voorzien, is het de verantwoordelijkheid van deze school om een andere school te vinden die wel een passende onderwijsplek kan bieden. Is het niet haalbaar om de leerling binnen het regulier onderwijs te plaatsen, dan kan een aanbod op het (voortgezet) speciaal onderwijs worden gedaan.
Bij de beoordeling of een school zelf in de benodigde ondersteuning kan voorzien, vormt het schoolondersteuningsprofiel het uitgangspunt. In dit profiel wordt aangegeven welke ondersteuning deze school kan bieden. Het samenwerkingsverband stelt een ondersteuningsplan op waarin - onder meer – wordt aangegeven welk niveau van basisondersteuning voor elke school geldt, hoe de scholen met elkaar een samenhangend geheel aan ondersteuningsvoorzieningen hebben gecreëerd, op welke wijze verwijzing naar het (voortgezet) speciaal onderwijs plaatsvindt en hoe zij ouders informeren. Uit het ondersteuningsplan blijkt welke scholen bepaalde ondersteuning kunnen bieden. Op overeenstemming gericht overleg met gemeenten In de wet is bepaald dat samenwerkingsverbanden over het concept van het ondersteuningsplan OOGO voeren met de gemeente(n). Immers, het beleid van samenwerkingsverbanden en dat van gemeenten kan over en weer gevolgen hebben. Zo is de gemeente, behalve voor het leerlingenvervoer, ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de leerplicht, de onderwijshuisvesting en het achterstandenbeleid. Bovendien is de gemeente per 1 januari 2015 verantwoordelijk voor de zorg voor jeugd. Het leerlingenvervoer is een van de thema’s die bij het OOGO ter sprake kunnen komen.
In het ondersteuningsplan wordt aangegeven op welke scholen extra ondersteuning wordt geboden en welke tussenvoorzieningen er zullen worden gecreëerd. Hiervan is een helder overzicht nodig, waaruit duidelijk valt op te maken wat de gevolgen zijn voor het vervoer van leerlingen. Gemeenten zijn bij het op overeenstemming gerichte overleg én bij de voorbereiding daarvan met de scholen in gesprek. De partijen zijn zodoende van elkaars inspanningen en beleid op de hoogte. Uit het bovenstaande volgt logischerwijs dat de gemeente bij de beoordeling van een aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan betrekt, zoals is vastgelegd in het vierde lid van artikel 46. Instellingen voor cluster 1 en cluster 2 Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt het volgende: de instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of staat ingeschreven, vraagt de toelaatbaarheid tot een instelling aan bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt aan de hand van criteria of een leerling is aangewezen op onderwijs op de instelling of op begeleiding vanuit de instelling.
73
Als de leerling niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen ouders hun kind inschrijven bij een reguliere school of, als daar reden voor is, bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De ouders kiezen zelf voor een school, maar kunnen daarbij advies krijgen van de commissie van onderzoek van de instelling. Bepaalt deze commissie dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft op een reguliere school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de instelling. De school is vol Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling geschikte school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is, heeft geen zorgplicht voor de leerling. Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt een vervoersvoorziening toegekend naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school - de gemeente dient naar de duur van de wachtlijst te informeren - kan de vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden.