Bijlage 1 Integraal Huisvestingsplan Onderwijs Zuidplas 2023-2027 Z23.000934
Tekst van het document
IHP Zuidplas (definitief)
2023 - 2027
Opdrachtgever Gemeente Zuidplas
Datum 14 april 2023
Referentie 1559605-0062.0.1
Auteur(s) Michel Drenth - HEVO B.V. Kim Vermeulen - HEVO B.V.
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
Statenlaan 8
Postbus 70501
T +31 (0)73 6 409 409
www.hevo.nl
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
ISO 9001-gecertificeerd
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●
5223 LA 's-Hertogenbosch
5201 CB 's-Hertogenbosch
info@hevo.nl
Inhoudsopgave
6. 6.1. 6.2. 6.3. 6.4. 6.5. 6.6. 6.7. 6.8. 6.9. 6.10. 6.11.
Financiële vertaling Kwaliteitsambitie Investeringsbedragen Uitgangspunten financiële vertaling onderwijs Overzicht investeringskosten Aanvullende kosten eerste inrichting 0 tot 5 jaar Aanvullende kosten UVP & HBO’s 0 tot 5 jaar Aanvullende kosten bewegingsonderwijs 0 tot 5 jaar Aanvullende kosten Speciaal Basisonderwijs Voorfinanciering Kinderopvang De interpretatie van investeringskosten uit dit IHP Total Cost of Ownership
35 35 36 38 40 42 42 43 43 43 44 44
Vervolg IHP Opstellen uitvoeringsprogramma’s en haalbaarheidsstudies Risicoparagraaf Richting geven aan duurzaamheid en binnenklimaat
45 45 46 46
1. 1.1. 1.2. 1.3.
Inleiding Doelstelling Aanpak Leeswijzer
3 3 4 4
2. 2.1. 2.2. 2.3.
Onderwijslandschap gemeente Zuidplas Primair onderwijs Voortgezet onderwijs Leerlingenprognose
5 5 5 5
3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8. 3.9.
Visie en beleidsambities Visie op onderwijs Visie op onderwijshuisvesting Verdieping: Recente Landelijke Ontwikkelingen IKC Bouwsteen 1: Vraag en aanbod Bouwsteen 2: Samenwerking Bouwsteen 3: Kwaliteit & Duurzaamheid Bouwsteen 4: Beleid en Regie Bouwsteen 5: Renovatie Bouwsteen 6: Medegebruik / Verhuurbeleid bij IKC’s
6 6 6 7 8 9 10 12 13 14
7. 7.1. 7.2. 7.3.
4. 4.1. 4.2.
Methodiek Capaciteitsanalyse Quickscans
17 17 17
5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 5.6. 5.7.
Analyse en Scenario’s Toelichting analyse en scenario’s onderwijshuisvesting Toelichting analyse en scenario’s kinderopvang Quickscanscores Scenario’s Scholenstichting Bewegingsonderwijs Kinderopvang
19 19 19 20 22 33 33 34
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Bijlage I: wettelijke en beleidskaders
47
Bijlage II: energieprestaties
49
Bijlage III: Kostenconfiguratoren
49
Bijlage IV: Haalbaarheidsonderzoek Binnensportaccommodaties
49
Pagina 2 van 50
1. Inleiding Op 27 november 2018 werd het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs Zuidplas (IHP) voor de periode 2018 t/m 2022 vastgesteld. In dit plan zijn op basis van visie, gerichte analyse, scenario-ontwikkeling en financiële vertaling de kaders bepaald waarbinnen de gemeente Zuidplas, samen met de schoolbesturen, investeert in de onderwijshuisvesting. Het IHP stelt de gemeente en de schoolbesturen in staat om besluiten meer integraal af te wegen. Inmiddels zijn diverse projecten gerealiseerd of geïnitieerd. Het IHP dient iedere vier jaar te worden geactualiseerd. De noodzaak hiervan blijkt ten eerste uit enkele landelijke ontwikkelingen: 1. De veranderende eisen aan schoolgebouwen op het gebied van energieneutraliteit en klimaatbeheersing, mede ingegeven door de coronacrisis en de klimaatakkoorden. 2. Veranderde wet en regelgeving op het gebied van het stichten van scholen, die relevant is voor de nieuwbouwgebieden in de gemeente. Daarnaast zijn er diverse lokale ontwikkelingen in de gemeente Zuidplas die een volledige actualisatie van belang maken: 1. De groei van de leerlingenaantallen in de gemeente Zuidplas en de ontwikkeling van het Vijfde Dorp. 2. De nieuwe ontwikkelingen op het gebied van de samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs en de toenemende integratie in Integrale Kindcentra (IKC’s). 3.
De extra aandacht die gaat naar thuis nabij onderwijs in de gemeente Zuidplas. 4. De wens vanuit enkele schoolbesturen om na vijf jaar nogmaals goed te kijken naar de kwaliteit van de gebouwen. Ook het coalitieakkoord 2022 -2026 ‘Ruimte voor iedereen’ onderstreept het belang van de actualisatie: “Huisvesting van onderwijs is een aanhoudende zorg voor de gemeente”. Daarbij zijn de volgende ambities genoemd: 1. Beter anticiperen op onze groei en het aantal benodigde schoollokalen eventueel in een flexibele huisvesting.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
2. 3.
Inzetten op volledig voortgezet onderwijs in Zuidplas. Betere aansluiting tussen passend onderwijs en jeugdhulp op scholen.
Zoals benoemd onder de lokale ontwikkelingen is het van belang om tijdig te anticiperen op leerlingengroei en de onderwijshuisvesting daartoe ook flexibel inzetbaar te maken. Dit is ook als opdracht meegegeven in een motie van een aantal fracties vanuit de gemeenteraad op 9 november 2021. Rekening houden met ruimte voor extra groei leidt ook tot een extra financiële opgave. Er dient daarom goed afgestemd te worden hoe wordt omgegaan met de leerlingenprognose en eventuele bandbreedtes voor groei. Belangrijk is dat er wederom een geactualiseerd, gezamenlijk gedragen plan van gemeente en schoolbesturen is ontstaan. Een geactualiseerd plan waarin richting wordt gegeven aan de onderwijshuisvestingsopgave van 2023 tot 2027. Zo kan er ook de komende jaren proactief, integraal en planmatig worden geïnvesteerd in de onderwijshuisvesting, en in daarmee de toekomst van de leerlingen in de gemeente Zuidplas.
1.1. Doelstelling Het IHP bepaalt op basis van visie, gerichte analyse, scenario-ontwikkeling en financiële vertaling de kaders waarbinnen de gemeente Zuidplas, samen met de schoolbesturen, investeert in de onderwijshuisvesting. Een strategisch IHP stelt gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn toekomstbestendige keuzes te maken en een proactief (investerings-)beleid te voeren. Het IHP geeft voor de eerste vijf jaar (2023-2027) concreet aan wat de opgave is en geeft een doorkijk voor de langere termijn van 20 jaar (2023-2043). In aanvulling op de werkwijze (uitsluitend) op basis van de verordening, voegt het IHP een proactief onderwijshuisvestingsbeleid toe. In formele zin laat de gemeente hiermee zien op welke wijze zij haar zorgplicht, op grond van de taak die zij heeft in het voorzien van huisvesting voor het funderend onderwijs, wenst in te vullen (zie bijlage I voor extra informatie over de beleidskaders op het gebied van onderwijshuisvesting).
Pagina 3 van 50
Het IHP: • Stelt de gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn strategische keuzes te maken en proactief beleid te voeren. • Biedt een meerjarenperspectief waarop het eigen (investerings-)beleid van de schoolbesturen kan worden afgestemd. • Vormt het beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid voor de periode 2023-2027. Het IHP wordt elke 4 jaar herijkt, zodat het beleidskader blijft aansluiten bij de vragen en behoeften van dat moment. De eerste termijn van het IHP omvat een periode van 5 jaar. Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van het opstellen daarvan. Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland. Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bouwbesluit, energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden. De gemeente is voornemens om samen met de schoolbesturen ook een visie op onderwijshuisvesting op te stellen. Dit zou mogelijk kunnen leiden tot wijzigingen in de visie, de scenario’s en daarmee de financiën.
• •
Stap 4: op basis van de scenario’s is een financiële vertaling gemaakt. Stap 5: de vier stappen zijn samengebracht tot een Integraal Huisvestingsplan 2023-2027.
1.3. Leeswijzer Na dit eerste inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 het onderwijslandschap van de gemeente Zuidplas. Hoofdstuk 3 gaat in op de visie en beleidsambities. Hoofdstuk 4 introduceert de gehanteerde methoden voor de analyse en opgaveontwikkeling die in hoofdstuk 5 worden gepresenteerd. Hoofdstuk 6 voorziet de scenario’s uit hoofdstuk 5 van financiële uitgangspunten en een financiële vertaling. In hoofdstuk 7 zijn een aantal processtappen en uitgangspunten vermeld waar rekening mee dient te worden gehouden bij de uitvoering van het IHP.
1.2. Aanpak Het IHP is samen met gemeente en schoolbesturen ontwikkeld. Daarbij zijn gezamenlijk de volgende stappen doorlopen: • Stap 1: om te komen tot een gezamenlijke visie zijn in diverse bijeenkomsten met de schoolbesturen en gemeente ambities gedefinieerd en wensen geïnventariseerd. • Stap 2: het gebouwenbestand van de onderwijshuisvesting in de gemeente Zuidplas is door middel van quickscans tijdens de opstelling van het vorige IHP reeds in beeld gebracht. Deze quickscans zijn waar nodig herijkt en met de schoolbesturen gedeeld en vastgesteld. Er zijn daarnaast nieuwe capaciteitsanalyses uitgevoerd op basis van actuele prognoses. • Stap 3: op basis van de quickscans en aanvullende overwegingen gebaseerd op de visie is de opgave middels scenario’s in beeld gebracht.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Pagina 4 van 50
2.3. Leerlingenprognose
2. Onderwijslandschap gemeente Zuidplas 2.1. Primair onderwijs De PO-scholen in de gemeente Zuidplas verschillen onderling qua denominatie, omvang en onderwijsconcept. Het primair onderwijs in de gemeente wordt verzorgd door een zevental schoolbesturen. De meeste schoolbesturen werken intensief samen met een kinderopvangpartner. Aantal scholen
Aantel locaties
Aantal leerlingen 1-10-2022
Openbaar Protestants-christelijk Rooms-Katholiek
5 3 1
7 4 2
1.484 767 515
D4W
Protestants-christelijk
3
4
471
Monton De Groeling VSISMDBM
overige Rooms-Katholiek Reformatorisch
1 2 1
1 1 1
215 530 476
16
20
4.458
Schoolbestuur
Denominatie
SGH PCPONWK RVKO
Totaal
% 33% 17% 12% 11% 5% 12%
In de grafieken in deze paragraaf zijn de leerlingenprognoses van de gemeente Zuidplas te zien voor het PO en VO. De grafieken geven een beeld van hoe de leerlingenaantallen zich in de komende jaren naar verwachting gaan ontwikkelen. De prognoses komen voort uit de opdracht die de gemeente Zuidplas aan prognosemaker Postmus Advies heeft gegeven. Bij het aflezen van de grafieken moet er op gelet worden dat zowel de verticale als horizontale schaal per grafiek verschilt. In het PO is tot en met 2029 een toename in het aantal leerlingen zichtbaar. Ook in het VO is een toename zichtbaar in de eerste jaren. Voor het VO is alleen een doorkijk gegeven tot 2027 omdat de prognoses na die tijd afhankelijk zijn van de manier waarop invulling wordt gegeven aan de ambitie eindonderwijs aan te bieden in Zuidplas. De prognoses van het eindonderwijs in het VO en de prognoses van het 5e dorp worden apart toegelicht in dit IHP.
11% 100%
2.2. Voortgezet onderwijs Het voortgezet onderwijs in de gemeente Zuidplas wordt aangeboden door twee schoolbesturen: Het Thorbecke en het Comenius. Schoolbestuur
Denominatie
Thorbecke Comenius
Openbaar Bijzonder
Totaal
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Aantal scholen
Aantel locaties
Aantal leerlingen
1 1
1 1
387 470
45% 55%
2
2
857
100%
1-10-2022
%
Pagina 5 van 50
3. Visie en beleidsambities De gemeente, de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties streven gezamenlijk naar toekomstbestendig onderwijs. Het doel is om kinderen in de gemeente de best mogelijke kansen te bieden in hun ontwikkeling en voor te bereiden op hun toekomst. Daarbij is het van belang dat het onderwijsaanbod toegankelijk, divers en goed gespreid is en aansluit op de vraag van de maatschappij. Dit hoofdstuk behandelt de visie op onderwijs en onderwijshuisvesting en de beleidsambities van dit IHP. De wettelijke taken en relevante ontwikkelingen zijn uitgebreid omschreven in bijlage I. De visie op onderwijs in dit hoofdstuk is een eerste aanzet voor een integrale visie op onderwijs die later wordt ontwikkeld. Na de visie worden de beleidsambities van de gemeente en de schoolbesturen benoemd.
3.1. Visie op onderwijs Toekomstbestendig onderwijs levert een bijdrage aan de ontwikkeling van alle kinderen in de gemeente zodat zij zich gezond, kansrijk en veilig kunnen ontwikkelen. Het onderwijs kan daarbij niet los worden gezien van de maatschappij, het gaat om de totale opvoed en opgroeiomgeving, waarin alle opvoeders samenwerken, elkaar aanvullen en versterken. Denk daarbij aan familie, buren, kinderopvangmedewerkers, leerkrachten, jongerenwerkers, sport- en cultuurbegeleiders en waar nodig jeugdzorgwerkers. Om een sterke basis te creëren wordt ingezet op drie doelstellingen: 1. Er wordt breed en voldoende onderwijsaanbod gerealiseerd waar leerlingen worden gestimuleerd om hun talenten te ontwikkelen en kansen te pakken. 2. Op de scholen wordt, samen met andere maatschappelijke partners, waar nodig (laagdrempelige) ondersteuning geboden. Er is een sterke verbinding tussen kinderopvang/school en de thuissituatie. 3. Leerlingen ervaren doorlopende ontwikkellijnen. Dit houdt voor het primair onderwijs in dat er wordt ingezet op de vorming van Integrale Kindcentra (IKC’s) waarbij het pedagogisch en didactisch klimaat van kinderopvang en onderwijs op elkaar aansluiten. Dit sluit aan op landelijke ontwikkelingen (zie par.
3.3.) Voor het voortgezet onderwijs wordt ingezet op het realiseren van diverse doorlopende leerlijnen tussen het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, de vervolgopleidingen en de arbeidsmarkt.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Om invulling te geven aan deze doelstellingen wordt ingezet op ‘scholen als spil van de wijk’ waarin professionals (onder andere scholen, kinderopvang, welzijnswerk, CJG en GGD), maatschappelijke partners, zorginstellingen, bedrijfsleven en verenigingen met elkaar de verantwoordelijkheid voelen en krijgen om lokaal kansen te creëren voor jongeren.
3.2. Visie op onderwijshuisvesting Voor de verwezenlijking van de doelstellingen is toekomstbestendige onderwijshuisvesting noodzakelijk. De onderwijshuisvesting dient te voldoen aan een aantal randvoorwaarden om de doelstellingen te kunnen ondersteunen. Breed en voldoende onderwijsaanbod vraagt om een optimale afstemming in de vraag en behoefte van leerlingen en het aanbod aan onderwijs en onderwijshuisvesting. Dit vraagt ook om flexibiliteit van het onderwijsaanbod en de huisvesting die beiden meebewegen met veranderende demografische en maatschappelijke ontwikkelingen (denk aan hybride onderwijs). De verbinding tussen kinderopvang, school en thuissituatie vraagt om scholen die midden in de maatschappij staan en ook ruimte bieden aan andere partijen. Doorlopende ontwikkellijnen kunnen gefaciliteerd worden door samenwerking tussen scholen onderling en met kinderopvang, maatschappelijke organisaties, vervolgopleidingen en werkgevers, onder één dak of binnen een netwerk. Daarnaast is ook de kwaliteit en de duurzaamheid van onderwijshuisvesting essentieel: gezonde schoolgebouwen dragen bij aan gezonde kinderen en leraren. Bovendien vervullen schoolgebouwen een voorbeeldfunctie in de dorpen voor duurzaamheid en bieden ze kansen om bij te dragen aan de energietransitie van de gemeente. Renovatie van schoolgebouwen kan een duurzaam alternatief zijn voor nieuwbouw.
Gelet op de complexiteit, en de omvang van de opgave vraagt dit alles om consistent beleid en heldere regieafspraken en afspraken over medegebruik en verhuur van kinderopvangorganisaties. De gemeente en de schoolbesturen hebben de visie op onderwijs en onderwijshuisvesting daarom verder uitgewerkt in zes bouwstenen: Vraag en aanbod, Samenwerking, Kwaliteit en Duurzaamheid, Beleid en Regie, Renovatie en Medegebruik / Verhuurbeleid bij Integrale Kindcentra (IKC’s).
Pagina 6 van 50
De visie op onderwijs en onderwijshuisvesting vormt samen met de bouwstenen een belangrijke basis voor het IHP. Het IHP is erop gericht om deze uitgangspunten zo veel als mogelijk te realiseren.
3.3. Verdieping: Recente Landelijke Ontwikkelingen IKC De urgentie en achterliggende reden voor de realisatie van een doorlopende leerlijn, ofwel een integratie van onderwijs en kinderopvang is dat dit leidt tot optimale talentontwikkeling van kinderen en kansengelijkheid. Deze argumenten zijn reeds omschreven in de visie van de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties en zijn recent nogmaals wetenschappelijk onderbouwd1: 1.
Vroeg investeren in kwaliteit is essentieel om kansengelijkheid te bevorderen: recent Nederlands onderzoek heeft laten zien dat de prestatieverschillen van kinderen in groep 8 voor 50-80% verklaard kunnen worden door initiële verschillen bij instroom in de basisschool2. Om die reden is het zeer verstandig om te investeren in voorzieningen voor voorschoolse opvang en educatie, gericht op het voorkomen van deze achterstanden.
2.
Hele-dag aanbod draagt bij aan ontwikkelingskansen: in situaties waarin de schooldag relatief kort is en veel huiswerk wordt meegegeven wordt een zwaarder beroep op de thuisomgeving gedaan. Hoogopgeleide, financieel beter bedeelde ouders kunnen hun kinderen beter ondersteunen in hun schoolcarrière door bijvoorbeeld aanbod van huiswerkbegelediing en/of een rijker aanbod aan educatieve naschoolse ervaringen.
3.
Voorkomen is beter dan genezen: IKC’s kunnen een belangrijke rol spelen in de vroegsignalering van problemen in de opvoedingssituatie, het gedrag en de ontwikkeling van kinderen. Dit kan worden gedaan door het bieden van laagdrempelige ondersteuning én het versterken van beschermende factoren voor kinderen.
https://www.pactvoorkindcentra.nl/images/pdf/190326_Wat_we_weten.pdf Huizen, T. M., van (2018). The evolution of achievement gaps from early childhood to adolescence in the Netherlands
In de huidige situatie is er in Nederland een stelsel van kindvoorzieningen wat knelpunten heeft om deze integratie te faciliteren. Al in het SER-advies uit 2011 en 2016 is geconstateerd dat school-, opvang- en werktijden onvoldoende op elkaar aansluiten. Daarnaast is in het huidige stelsel de kinderopvangtoeslag alleen toegankelijk voor kinderen van wie beide ouders werken. Ook is de berekening van de kinderopvangtoeslag ingewikkeld en sterk afhankelijk van het inkomen. In Nederland wordt dan ook in vergelijking tot andere OESO landen relatief weinig uren kinderopvang en buitenschoolse opvang afgenomen, hetgeen de arbeidsparticipatie van met name vrouwen kan belemmeren. Dit is recent opnieuw onderschreven en verwoord door de SER in de pubicatie “Een kansrijke start voor alle kinderen: Naar inclusieve en toegankelijke voorzieningen voor kinderen van 0-13 jaar”. Er wordt onder andere geadviseerd om een financieel toegankelijk aanbod van twee dagen kinderopvang per week voor alle jonge kinderen (0-13 jaar) te realiseren. Indien het nieuwe kabinet deze aanbeveling gaat overnemen wordt door de kinderopvangorganisaties in Zuidplas een sterke groei verwacht van het aantal kinderen dat gebruik maakt van kinderopvang en buitenschoolse opvang. Vooruitlopend op stelselwijzigingen is in Zuidplas een pilot gestart bij KC Koningskwartier met de nadrukkelijk ambitie om een IKC te zijn.
De evaluatie van deze pilot is reeds gedeeld met de gemeenteraad3. Deze pilot biedt in de toekomst mogelijk kansen om IKC ontwikkeling verder uit te rollen naar de andere dorpen. Daarbij krijgen deze IKC’s te maken met knelpunten wanneer partijen zich gezamenlijk willen huisvesten, te weten: het stelsel onderwijshuisvesting waarin de gemeente een zorgplicht heeft voor het onderwijs maar niet voor de kinderopvang. Dit leidt tot vraagstukken ten aanzien van capaciteit, eigendom, tariefstelling en financiering. Deze vraagstukken worden in bouwsteen 6 behandeld.
1 2
Referentie: 1559605-0062.0.1.
3 Evaluatie pilot Inclusief en thuisnabij onderwijs KC Koningskwartier, november 2022.
Pagina 7 van 50
3.4. Bouwsteen 1: Vraag en aanbod Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod de gemeente en schoolbesturen nastreven. Het gewenste aanbod van onderwijs is bepalend voor de huisvestingsoplossingen.
Voortgezet onderwijs: 1.
Volledig aanbod VO: schoolbesturen streven naar een aanbod in het VO wat aansluit op de vraag.
2.
De opheffingsnorm en de stichtingsnorm4 hebben een signaalfunctie: de nationale opheffingsnormen per onderwijsniveau hebben een signaalfunctie ten aanzien van de toekomstbestendigheid van het onderwijs op die plek.
3.
Het schaalniveau voor de scenario ontwikkeling is regionaal: het schaalniveau voor de analyse en scenario-ontwikkeling voor het VO is het regionaal niveau. Er zijn leerlingenstromen met de buurtgemeenten: Zoetermeer, Capelle aan den IJssel, Gouda, Waddinxveen en Rotterdam. Bij wijziging van het onderwijsaanbod zal het VO moeten aansluiten op regionaal niveau.
Primair onderwijs: 1.
2.
Schoolbesturen streven naar vitale en toekomstbestendige scholen: de schoolbesturen zien scholen van 8 (9), 12 (13) of 16 (17) groepen als het uitgangspunt voor de scenario ontwikkeling in het IHP. Dit komt neer op ca. 220 tot 440 leerlingen. De getallen tussen haakjes geven de omvang inclusief een instroomgroep weer. Er kunnen uiteraard redenen zijn niet te kiezen voor van deze omvang, bijvoorbeeld vanuit onderwijsvisie en/of bestaande situaties. Kinderopvangorganisaties zorgen samen met de schoolbesturen voor een kinderopvangaanbod passend bij de vraag. De omvang van de vraag naar kinderopvang heeft te maken met de sociaal demografische eigenschappen van een dorp of wijk.
3.
Het onderwijsaanbod wordt ook geanalyseerd in relatie tot leefbaarheid: Daarbij kan de gewenste omvang van scholen in Zevenhuizen, Moordrecht en Moerkapelle anders zijn dan de gewenste omvang van scholen in Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: Nieuwerkerk) en het vijfde dorp vanwege de bevolkingsdichtheid.
4.
De opheffingsnorm en de stichtingsnorm hebben een signaalfunctie: de opheffingsnorm en de stichtingsnorm van de gemeente Zuidplas (respectievelijk 120 en 200 leerlingen) heeft een signaalfunctie ten aanzien van de toekomstbestendigheid van het onderwijs op die plek.
5.
Het schaalniveau voor de scenario ontwikkeling past bij de omvang: voor de analyse en scenario-ontwikkeling voor het PO is dit het dorpsniveau in de dorpen, en is het wijkniveau in Nieuwerkerk. Positionering en omvang onderwijsvoorzieningen: bij ontwikkeling van nieuwe woningbouwgebieden dient rekening gehouden te worden met onderwijsvoorzieningen zodat deze ruimtelijk goed gepositioneerd zijn.
6.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Gezamenlijk: 1.
Het streven is een optimale afstemming tussen vraag en aanbod. Daarbij gaat het direct ook om het voorkomen van leegstand en ruimtetekorten bij scholen. Daarvoor is een aantal instrumenten geformuleerd (in willekeurige volgorde): a. Indien er nieuwe toetreders zijn op het gebied van onderwijs en kinderopvang wordt de dialoog gezocht met deze nieuwe toetreders van onderwijs en kinderopvang om gezamenlijk te verkennen of en hoe een nieuwe initiatief kan worden ingepast in de structuur van bestaande voorzieningen. Hierbij wordt aangesloten voor onderwijs op de wet- en regelgeving vanuit de wet ‘ruimte voor nieuwe scholen’. b. Rekening houden met flexibiliteit bij nieuwbouw. In gebouwen wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met flexibiliteit, om deze toekomstbestendiger te maken (zie ook thema 3. Duurzaamheid). Bijvoorbeeld door ruimten efficiënt in te zetten en bouwdelen afstootbaar te maken.
4 Dit zijn landelijke normen voor het stichten en opheffen van scholen. Deze normen worden iedere vijf
jaar opnieuw vastgesteld. Ze verschillen per gemeente en zijn gebaseerd op het aantal inwoners: hoe dichter bevolkt, hoe hoger de norm.
Pagina 8 van 50
c.
d.
2.
3.
Verhuur of medegebruik van ruimten kan, na toestemming van de gemeente, een oplossing zijn voor een ruimteoverschot. De inkomsten van schoolbesturen voor onderhoud en exploitatie zijn afhankelijk van het aantal kinderen. Bij leegstand moet een schoolbestuur met minder inkomsten, hetzelfde aantal vierkante meters onderhouden. Ook afstoten van leegstand kan een mogelijkheid zijn. Er wordt rekening gehouden met het IKC beleid op het gebied van medegebruik en verhuur (bouwsteen 7). Verwijzen is ook mogelijk. Dit betreft het in medegebruik geven van leegstand in een school aan een school met een ruimtetekort. Deze situatie dient zo veel mogelijk voorkomen te worden, omdat het onderwijskundig minder wenselijk is. Indien er wel wordt verwezen dient dit te zijn op basis van een veilige route en een realistische reisafstand. Er wordt rekening gehouden met het IKC beleid op het gebied van medegebruik en verhuur (bouwsteen 7) en met de afstandscriteria uit de verordening (2km in het PO; mits via een veilig begaanbare route). Verwijzen vindt bij voorkeur met twee groepen tegelijkertijd plaats in het PO.
Vraag naar speciaal onderwijs: In de gemeente Zuidplas is vooralsnog geen speciaal basisonderwijs (SBO), speciaal onderwijs (SO) of voortgezet speciaal onderwijs (VSO). Schoolbesturen bieden Passend Onderwijs door leerlingen met een zorgbehoefte onderwijs te bieden. Dit stelt eisen aan de huisvesting, schoolbesturen kunnen extra ruimten realiseren. Het nieuwkomers / vluchtelingenonderwijs: er wordt nader onderzoek gedaan naar de vormgeving van onderwijs (met name taal) voor nieuwkomers/vluchtelingen.
3.5. Bouwsteen 2: Samenwerking Deze bouwsteen gaat in op samenwerking. Samenwerking betekent dat scholen gebouwen delen, met elkaar of met partners (bijvoorbeeld kinderopvang, jeugdzorg, buurtvoorzieningen). Samenwerking kan zowel inhoudelijk als in het gebouw worden vormgegeven. Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het gebied van kennisuitwisseling. Samenwerking in het gebouw kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren omdat men elkaar ook daadwerkelijk tegenkomt en biedt exploitatievoordelen
Referentie: 1559605-0062.0.1.
(door bijvoorbeeld het delen van ruimten). Het onderwijs staat daarbij centraal en daarmee is een gebouwelijke samenwerking geen verplichting, maar een verkenning. Primair onderwijs 1.
Samenwerking tussen primair onderwijs onderling: Schoolbesturen en gemeente onderschrijven de meerwaarde van clustering: samen in één gebouw. Dit biedt flexibiliteit en toekomstbestendigheid: groei en krimp van scholen kan deels onderling worden opgelost. Voorwaarden bij clustering zijn: a. Er wordt waar mogelijk rekening gehouden met identiteit (denominatie) en onderwijsconcept. Dit is ter versterking van de keuzevrijheid voor ouders, er valt bij clustering iets te kiezen. b. Clustering bij voorkeur met twee scholen. Eventueel kan er op basis van een specifiek (te ontwikkelen) samenwerkingsconcept gekozen worden voor het clusteren van meer scholen. c. Er worden vooraf heldere afspraken gemaakt over beheer, eigendom, ruimten en samenwerking. d. In de planvorming wordt rekening gehouden met de verkeersveiligheid van de leerlingen.
2.
Samenwerking tussen primair onderwijs en kinderopvangorganisaties. Schoolbesturen en kinderopvang zetten in op het behouden, versterken en waar nodig uitbreiden van samenwerking tussen het PO en kinderopvang, peuteropvang en buitenschoolse opvang. De samenwerking richt zich op de afstemming van de pedagogiek en didactiek van beide partijen. Gezamenlijke huisvesting van scholen en kindpartners is in sommige situaties een pre maar is geen voorwaarde. Per project dient er gekeken te worden of het wenselijk is om kindpartners te huisvesten in hetzelfde gebouw als de school. a. Gemeente en schoolbesturen zijn voorstander van de (I)KC gedachte. De samenwerking tussen primair onderwijs en kinderopvang kan hier een doorlopende leerlijn waarmaken. Kinderen tussen de 0 en 12 jaar oud doorlopen hun ontwikkeling in één gebouw of in een netwerk van voorzieningen. Bij het vormen van een (I)KC wordt op voorhand goed nagedacht over samenwerkingsvormen en partners. Het meest voorkomend is om per school met één opvangorganisatie in een
Pagina 9 van 50
b.
c.
3.
schoolgebouw samen te werken. Dat maakt het makkelijker om een succesvolle doorlopende leerlijn te realiseren. Op het moment dat projecten voor (I)KC’s van start gaan is het raadzaam om bij de planvorming rekening te houden met prognoses van de kinderopvangorganisaties en te anticiperen op de mogelijkheid dat kinderopvang in de toekomst meer toegankelijk zal zijn (zie par. 3.3.). Er zijn verschillende manieren van integratie tussen onderwijs en kinderopvang. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie.
Samenwerking met overige partners. Er wordt door gemeente en schoolbesturen per concreet project gezocht naar samenwerking tussen het onderwijs en overige partners. Er wordt daarbij tegemoet gekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor de wijk. Voorbeelden van mogelijke samenwerkingspartners zijn: a. Consultatiebureau; b. Fysiotherapeut; c. Logopedie; d. Bibliotheek; e. Sportverenigingen; f. Maatschappelijke ambitie: de school kan ook een plek zijn waar mensen met een beperking werken, bijvoorbeeld in de schoonmaak; g. Cultuur- & Natuureducatie of Techniekonderwijs, het verrijken van het onderwijs en de (buitenschoolse) opvang; h. Een school kan ook een ontmoetingsplek bieden voor hoogbegaafde leerlingen.
Voortgezet onderwijs 4.
Visie op samenwerking in het Voortgezet Onderwijs. Er is een aantal ambities op gebied van samenwerking welke specifiek gelden voor het VO. a. De VO-schoolbesturen Comenius (CVO) en Thorbecke (Boor) geven de ambitie voor de uitbreiding van het VO in de gemeente Zuidplas samen vorm.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
b.
Er is de ambitie om te werken aan doorlopende leerlijnen vanaf het VO naar MBO, Vakopleiding, HBO en WO. Het VO werkt hierbij o.a. samen met de regionale vervolgopleidingen en de werkgevers (bedrijven en zorginstellingen), waardoor ze samen voor de leerlingen een breed onderwijsaanbod realiseren.
Gezamenlijk 1.
Visie op samenwerking tussen Primair Onderwijs en Voortgezet Onderwijs: Schoolbesturen streven naar het versterken van de samenwerking tussen het PO en VO, gericht op burgerschapsonderwijs. Deze versterking kan gerealiseerd worden door het realiseren van een doorgaande leerlijn voor leerlingen. Het is daarnaast mogelijk dat ruimtes in VO gebouwen worden gebruikt door het PO en andersom (bijvoorbeeld bij techniek onderwijs).
2.
Samenwerking tussen onderwijs en (jeugd)zorg. Gemeente en schoolbesturen zijn het erover eens dat er winst behaald kan worden als jeugdhulpinstellingen zich bij scholen vestigen. Door deze instellingen fysieke ruimte te bieden in schoolgebouwen, zijn zij voor kinderen en ouders laagdrempelig bereikbaar. Dit zou in de gebouwen kunnen betekenen dat één spreekruimte / kantoorruimte beschikbaar wordt gesteld voor deze instellingen. Deze (toekomst)wensen hoeven niet automatisch een (groot) ruimtelijk gevolg te hebben. De afweging of deze ruimten additioneel/ multifunctioneel worden toegevoegd aan de gebouwen vindt plaats per project, op basis van noodzaak.
3.6. Bouwsteen 3: Kwaliteit & Duurzaamheid Deze bouwsteen duidt de kwaliteit waar de gemeente Zuidplas en de schoolbesturen naar bij nieuwbouw en renovatie naar streven. 1.
Een brede definitie van kwaliteit en duurzaamheid. de gemeente en schoolbesturen zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed en duurzaam gebouw heeft een positief effect op het onderwijs én op het leefklimaat voor de toekomstige generaties. Gemeente en schoolbesturen willen duurzaamheid dan
Pagina 10 van 50
ook breder definiëren dan alleen energiebesparing en CO2-reductie: duurzaamheid gaat ook over goed onderwijs, een gezond leer- en leefklimaat, een gezonde financiële exploitatie, circulariteit en toekomstbestendigheid. a. Ten behoeve van goed onderwijs gaat het om onderwijskundige functionaliteit. Nieuwe en gerenoveerde schoolgebouwen dienen onderwijsconcepten goed te faciliteren. Het gebouw dient aan te sluiten bij het onderwijsconcept van de school. Wanneer kindpartners (zoals kinderopvang, jeugdzorg en dergelijke) ook in het gebouw gehuisvest worden, dienen deze goed gefaciliteerd te worden. b. Voor gezondheid wordt rekening gehouden met de Frisse Scholen-thema’s (naast energie): lucht, temperatuur, licht en geluid om een prettig en gezond klimaat voor kinderen en medewerkers te realiseren. Voor de Frisse Scholen thema’s wordt gekozen voor een slimme mix van eisen per subonderdeel, waarbij lucht en temperatuur minimaal klasse B scoren. c. De energieprestatie van schoolgebouwen sluit aan op de doelstellingen die zijn geformuleerd in het landelijke klimaatakkoord en de sectorale routekaart: 50% CO2 reductie in 2030, en 95% CO2 reductie in 2050. Middels het IHP wil de gemeente invulling geven aan de verduurzamingsopgave voor het onderwijs. De ambitie is om energieneutrale (ENG) schoolgebouwen te realiseren. d.
Voor circulariteit wordt ernaar gestreefd bewust om te gaan met de toegepaste materialen en waar mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, ecologisch vriendelijke en/of herbruikbare materialen. In het geval van nieuwbouw wordt gelet op de basisprincipes van circulariteit, zoals de toekomstige losmaakbaarheid van de gebouwelementen. Hierbij dient goed te worden gekeken naar de invloed van circulair materiaalgebruik op de investerings- en exploitatiekosten. Circulariteit kan ook gaan over de wijze waarop de school omgaat met het gebruik van materialen na ingebruikname, bijvoorbeeld op het gebied van afvalreductie. e. Voor toekomstbestendigheid wordt ingezet op maximale flexibiliteit Gebouwen kunnen op deze manier meebewegen met groei en krimp van scholen en kunnen toekomstige onderwijsconcepten faciliteren. Het gaat zowel om interne flexibiliteit, als om transformatiemogelijkheden van het vastgoed. De (bouw-/installatie)technische kwaliteit van de
Referentie: 1559605-0062.0.1.
f.
g.
2.
schoolgebouwen is uitstekend en onderhoudsvriendelijk. Dit zorgt ervoor dat gebouwen lang mee gaan. De buitenruimte wordt duurzaam, bio divers en klimaat adaptief ingericht, denk aan groen-blauwe schoolpleinen. Dit zijn schoolpleinen waar veel groen is geïntegreerd en waar extra aandacht wordt besteed aan (regen)water-infiltratie. Scholen bevinden zich bij voorkeur in een groene omgeving, dus nabij publiek groen en de schoolpleinen kunnen ook door de wijk worden gebruikt. Ten aanzien van inclusiviteit en toegankelijkheid: schoolgebouwen in Zuidplas kenmerken zich als een inclusieve en toegankelijke omgeving. Dit gaat in eerste instantie over het includeren van mensen met een beperking in de samenleving door ontmoeting. Dit heeft ook een weerslag op de huisvesting, bijvoorbeeld dat gebouwen ruim van opzet zijn en beschikken over een lift. Ook kinderen met een beperking kunnen worden ontvangen. Een toegankelijke omgeving is een omgeving waar kinderen en volwassenen zich zelfstandig door het gebouw kunnen bewegen, zonder hulp van derden. Toegankelijkheid betekent ook dat het gebouw geschikt is voor diverse gebruikersgroepen, hierbij hoort een streven naar meer samenwerking tussen primair onderwijs en speciaal onderwijs of tussen het onderwijs en zorg- of wijkvoorzieningen (zie thema 4. Samenwerking).
Voor de kwaliteit van de schoolgebouwen leidt dit tot de aanwezigheid van multifunctionele ruimten die door diverse gebruikers voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet. Indien dit leidt tot meer benodigde vierkante meters, is de bereidheid er vanuit de gemeente om dit te faciliteren en indien noodzakelijk buiten de normatieve kaders van de verordening te treden.
Een goede schoollocatie. In het algemeen geldt dat een groene, veilige omgeving met goede infrastructuur belangrijk is. Ook kan gekeken worden naar situering nabij voorzieningen waarbij het onderwijs aansluiting kan vinden, zoals sport- of wijkfuncties of de reeds gevestigde kinderopvang of BSO. a. Voor het primair onderwijs geldt aanvullend dat de school zich in de wijk bevindt waar kinderen leeftijdsgenoten ontmoeten. Kinderen kunnen veilig te voet of met de fiets naar school.
Pagina 11 van 50
b.
c.
d.
3.
4.
Voor het voorgezet onderwijs zijn toegankelijke fietspaden en een goede OV verbinding belangrijk. De schoollocatie moet goed bereikbaar zijn voor het voedingsgebied. VO scholen zijn bij voorkeur ook in de nabijheid van bedrijven, instellingen (zorg, cultuur, sport) en MBO (partners) gesitueerd. De doelgroep van de school is bepalend voor de geldende locatie-eisen. Per project zal ingezoomd worden op de doelgroep, om te bepalen aan welke eisen de locatie voor deze doelgroep moet voldoen. Om te bepalen wat een goede locatie van een schoolgebouw is, wordt ook gekeken naar huidige samenwerkingen en de impact die een potentiële verplaatsing van een school zou hebben.
Ruimte voor cultuur, sport en bewegen is ook onderdeel van de kwaliteit van onderwijshuisvesting. Het uitgangspunt is het multifunctioneel inzetten van gymzalen voor o.a. (sport) verenigingen, onderwijs en cultuur. De gymzalen maken integraal onderdeel uit van het IHP. De behoefte aan klokuren sport en bewegen worden getoetst aan de beschikbaarheid en kwaliteit van de aanwezige gymvoorzieningen. De wetswijziging ‘deugdelijkheidseis bewegingsonderwijs’ (amendement Heerema, van Nispen), wordt in acht genomen. Deze treedt in werking per schooljaar 2023-2024.
1.
De gemeente en de schoolbesturen voeren samen de regie op schoolgebouwen. Gemeenten zijn onder andere verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie van schoolgebouwen. De schoolbesturen voeren de regie op het onderwijsaanbod en de diversiteit daarvan. In het OOGO vindt de afstemming van deze regie plaats.
2.
Dit IHP is in lijn met het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. In de geest van de nieuwe wet wordt het IHP vastgesteld als lange termijn plan waar gemeente en schoolbesturen zich aan committeren. Juridisch gezien wordt het geen vaststellingsovereenkomst, om een mate van flexibiliteit te behouden. Wel spreken schoolbesturen en gemeente zich uit enkel af te wijken van het IHP als daar een zwaarwegende motivatie onder ligt.
3.
Vaststellen van het IHP. Het IHP komt tot stand in een apart project met de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties. Het OOGO, het College van Burgemeesters en Wethouders en de Raad stellen het IHP vast voor de eerste vijf jaar met een doorkijk tot 20 jaar.
4.
Het IHP is een huisvestingskader voor onderwijshuisvesting en duidt investeringsopgave voor de eerste vijf jaar. Het IHP geeft voor de komende 20 jaar een bovendien een indicatie van benodigde investeringen. Tevens wordt de prioritering van de projecten opgenomen. Op basis van de prioritering wordt een uitvoeringsprogramma voor de eerste vijf jaar opgesteld en worden er uiteindelijk haalbaarheidsstudies per project gemaakt die bepalend zijn voor de wijze waarop de financiering in de gemeentelijke begroting moet worden verwerkt (zie ook 8 en 9).
5.
Het IHP vervangt voor de eerste vijf jaar de aanvraagprocedure voor nieuwbouw en overige voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen (artikel 2.a lid 1 t/m lid 8 van de verordening). Aanvragen voortkomend uit het IHP worden impliciet geacht een aanvraag te zijn op grond van de verordening. Dit wordt ook op deze wijze in de verordening vastgelegd. Uitzonderingen zijn de nieuwbouw voor een nieuw te stichten school, kosten voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair (artikel 2.a lid 1, lid 6 en lid 7 van de verordening).
Investeren in kwaliteit: schoolbesturen financieren mogelijk (en binnen de wettelijke mogelijkheden) op basis van Total Cost of Ownership (TCO) een deel van de bovenwettelijke ambities (gewenste kwaliteit) van een nieuwbouw- of renovatieopgave. Deze investering komt bijvoorbeeld de duurzaamheid van het gebouw op het gebied van onderhoud en exploitatie ten goede.. In het IHP wordt met elkaar verkend welke methode geschikt is om uiteindelijk per project deze berekeningen te maken (zie ook par. 6.1. en par. 6.11.).
3.7. Bouwsteen 4: Beleid en Regie Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen met elkaar samenwerken op het gebied van onderwijshuisvesting. Het zegt iets over het beleid dat zij willen vastleggen in het Integraal Huisvestingsplan en hoe ze hier uitvoering aan willen geven. Alle onderstaande onderdelen hebben te maken met de status van het IHP.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Pagina 12 van 50
6.
Voor spoedaanvragen of andere zaken die buiten het IHP vallen door onvoorziene omstandigheden (zoals constructiefouten of onvoorziene tijdelijke huisvesting) blijft de verordening van kracht. Op dergelijke onvoorziene omstandigheden na, is de afspraak dat er geen gebruik wordt gemaakt van de route via de verordening. Gemeenten en schoolbesturen zullen in overleg bepalen of een situatie een spoedaanvraag vereist.
voor de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. Denk hierbij aan alle partijen die zijn genoemd bij bouwsteen 2 (samenwerking). 11. Prognose: de prognoses waar overeenstemming over is vormen het uitgangspunt.
3.8. Bouwsteen 5: Renovatie Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen omgaan met renovatie.
7.
Het IHP wordt na vier jaar herijkt. Het actualiseren van het IHP duurt immers ca. een jaar. Vervolgens wordt er weer een uitvoeringsprogramma opgesteld voor een termijn van vijf jaar. De voortgang van het uitvoeringsprogramma wordt ieder jaar geëvalueerd. Daarbij wordt gecontroleerd of het IHP en uitvoeringsprogramma en de bijbehorende randvoorwaarden nog actueel zijn. De evaluatie is ook om te leren van het voorgaande jaar.
8.
Na vaststelling van het IHP wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld voor een termijn van vijf jaar. In het uitvoeringsprogramma worden afspraken gemaakt over de samenwerking op programma- en projectniveau. De keuze voor vijf jaar is bewust: één jaar langer dan een collegeperiode. In het uitvoeringsprogramma worden volgens jaarprogramma’s projecten nader geconcretiseerd. Tevens wordt er in het IHP een doorkijk tot 20 jaar gegeven.
9.
Per project verleent de Raad definitief het krediet. Zodra het project actueel wordt zal het project getoetst worden aan de gehanteerde randvoorwaarden uit het IHP. Een dergelijke toets wordt vaak gedaan middels een haalbaarheidsstudie, ook wel businesscase genoemd. Vervolgens worden de randvoorwaarden uit het IHP indien nodig geactualiseerd en wordt het definitieve krediet bij de raad aangevraagd. Er kan een budgettaire afwijking zitten tussen het aangevraagde krediet en de budgetten zoals benoemd in hoofdstuk 6 van dit IHP. Deze kredietaanvraag is niet afhankelijk van bijvoorbeeld de 1 februari deadline uit de verordening of de financiële cyclus van de gemeente zoals de voorjaarsnota.
10. Per project wordt de maatschappelijke functie van de school en gymzalen onderzocht: voordat gestart wordt met de haalbaarheidsstudie wordt breed onderzocht welke (maatschappelijke) voorzieningen in het gebouw gerealiseerd kunnen worden, of met welke partijen samengewerkt kan worden en wat dit betekent
Referentie: 1559605-0062.0.1.
1.
Renovatie is een volwaardig alternatief voor nieuwbouw. Renovatie (lees: vernieuwbouw) is wettelijk nog niet geregeld. Renovatie kan een duurzamere oplossing zijn dan nieuwbouw. Ten aanzien van renovatie wordt aangesloten op het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG. a. Renovatie wordt opgenomen als voorziening. In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (art. 2 verordening). Door renovatie op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie toe te passen. b. Renovatie is daarbij een integrale levensduurverlengende ingreep in het gebouw, waarmee de levensduur van het gebouw met ten minste 25 jaar, maar bij voorkeur 40 jaar, wordt verlengd. c. Uitgangspunt bij renovatie is dat de aanpassingen die leiden tot een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar voor rekening komen van de gemeente, waarbij mogelijk op basis van Total Cost of Ownership (zie bouwsteen 3, punt 4.) een investeringsbijdrage van het schoolbestuur aan de dekking van de bovenwettelijke ambities (gewenste kwaliteit) renovatie wordt toegevoegd (zie ook par. 6.1. en par. 6.11.)..
2.
Per situatie wordt een afweging gemaakt (bijvoorbeeld in een haalbaarheidsonderzoek) of nieuwbouw of renovatie de beste oplossing is. Daarbij worden de volgende aspecten meegenomen: a. Het streven is om een kwaliteit te realiseren die vergelijkbaar is met nieuwbouwkwaliteit. b. Er worden alleen gebouwen gerenoveerd die ook na de renovatie goed bezet zijn. Er wordt niet gerenoveerd voor leegstand.
Pagina 13 van 50
c. d. e.
Er wordt bij renovatie rekening gehouden met de onderwijskundige functionaliteit van de gebouwen. Er wordt bij renovatie rekening gehouden met de culturele en maatschappelijke waarde. De kosten en mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting worden meegenomen in de afweging voor nieuwbouw of renovatie (renovatie op huidige locatie, nieuwbouw op huidige locatie en nieuwbouw elders).
3.9. Bouwsteen 6: Medegebruik / Verhuurbeleid bij IKC’s
4.
1.
Capaciteit: de wijze waarop om wordt gegaan met huurbescherming voor kinderopvangorganisaties en het onderscheid tussen medegebruik en verhuur. a.
Deze bouwsteen omschrijft de beleidskeuzes bij medegebruik/verhuur van IKC’s voor zowel bestaande als nieuwe situaties waarbij de gemeente het economisch claimrecht heeft. Deze uitgangspunten kunnen tevens richtinggevend zijn bij medegebruik en verhuur door andere partijen in schoolgebouwen. Er wordt een onderscheid gemaakt in vier thema’s en in bestaand en nieuwe situaties per thema. Kinderopvangorganisaties worden wettelijk gezien als commerciële organisaties die de gemeente niet mag bevoordelen ten opzichte van andere commerciële organisatie. De gemeente heeft zich als economisch eigenaar in relatie tot medegebruik en verhuur te houden aan de Wet Markt en Overheid. De Wet Markt en Overheid is een hoofdstuk (4b) binnen de Mededingingswet en bevat 4 gedragsregels. Deze regels gelden voor de hele overheid, in deze bouwsteen is rekening gehouden met deze regels (Bron; Rijksoverheid). 1.
Doorberekening kosten: overheden moeten alle kosten die zij maken voor een dienst doorberekenen in de prijs.
2.
Bevoordelingsverbod: overheden mogen hun eigen overheidsbedrijven niet bevoordelen boven concurrerende bedrijven.
Gegevensgebruik: overheden mogen de gegevens waarover ze beschikken niet opnieuw gebruiken voor andere activiteiten. Dat mag alleen als andere organisaties of bedrijven ook (onder dezelfde voorwaarden) over de gegevens kunnen beschikken.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Bestaande situaties: Bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO capaciteit onttrokken kan worden aan de onderwijsbestemming en valt onder een huurcontract met een kostendekkend tarief (zie H5) indien de lokalen op termijn (5 jaar) niet nodig zijn voor het onderwijs van de eigen school (conform de meest actuele prognose) en er geen nieuwbouw/renovatie plaatsvindt binnen 5 jaar. In aansluiting op de WPO is de minimale duur van het huurcontract 3 jaar. De gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties hebben gezamenlijk de intentie om de huur voor langere tijd te laten voortbestaan. Indien er toch een capaciteitsvraagstuk ontstaat voor het onderwijs gaan partijen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, gezamenlijk in gesprek en op zoek naar een passende oplossing. Bij volgtijdelijk gebruik door BSO uit te gaan van medegebruik in plaats van verhuur. De gemeente wordt jaarlijks geïnformeerd over het volgtijdelijk gebruik. Ook kunnen de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang in gesprek gaan over de mogelijkheid om een beroep te kunnen doen op ruimten voor BSO welke in eigendom zijn van kinderopvang en waar overdag ruimte is voor onderwijs indien er een capaciteitsvraagstuk ontstaat.
b. 3.
Functiescheiding: indien de overheid bij bepaalde diensten een bestuurlijke rol heeft en deze ook zelf uitvoert, dan mogen niet dezelfde personen betrokken zijn bij zowel het bestuur als de uitvoering.
Bestaande situaties (zonder ruimteoverschot) Schoolbesturen en gemeente willen in de nader op te stellen onderwijsvisie (streven start traject in 2023) aanvullende afspraken maken over de (on)mogelijkheden ten aanzien van het uitbreiden van bestaande gebouwen ten behoeve van IKC voorzieningen.
Pagina 14 van 50
c.
Nieuwe situaties Bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO extra capaciteit kan worden gerealiseerd en valt onder een huurcontract met een kostendekkend tarief. Er wordt uitgegaan van langjarige huurcontracten van minimaal 10 jaar. De gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties hebben gezamenlijk de intentie om de huur voor langere tijd te laten voortbestaan. Indien er toch een capaciteitsvraagstuk ontstaat voor het onderwijs gaan partijen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, gezamenlijk in gesprek en op zoek naar een passende oplossing.
gebaseerd op de totale kapitaalslasten, belastingen, verzekeringen en een opslag voor vandalisme van alle schoolgebouwen in de gemeente waarvoor er nog geen afspraken zijn gemaakt over kostprijs dekkende huur na nieuwbouw of renovatie. Deze lasten worden opgeteld en gedeeld door het aantal m2’s waardoor er een huurprijs per m2 ontstaat. Om dit terug te rekenen naar een totaal bedrag wordt per locatie het aantal m2’s in beeld gebracht (huurprijs = prijs per m2 x aantal m2’s). Het uniforme tarief wordt jaarlijks geïndexeerd (prijsindex CBS) en om de vijf jaar geactualiseerd.
Bij volgtijdelijk gebruik door BSO uit te gaan van medegebruik in plaats van verhuur. De gemeente wordt jaarlijks geïnformeerd over het volgtijdelijk gebruik. Ook kunnen de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang in gesprek gaan over de mogelijkheid om een beroep te kunnen doen op ruimten voor BSO welke in eigendom zijn van kinderopvang en waar overdag ruimte is voor onderwijs indien er een capaciteitsvraagstuk ontstaat. Daarnaast onderschrijven gemeente, schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties het belang van de BSO in het kader van een aanbod voor de gehele dag. De BSO maakt vaak gebruik van gemeenschappelijke ruimten, die bij groei van het onderwijs gevorderd of ingezet kunnen worden. Dit houdt in dat de BSO functie niet langer kan worden ingevuld. Gemeenten, schoolbesturen en kinderopvang streven daarom naar oplossingen voor capaciteitsgebrek waarbij de BSO functie niet hoeft te wijken. 2.
3.
Eigendom: de wijze waarop de eigendomssituatie wordt bepaald. a. Bestaande en nieuwe situaties: bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO er lokaal maatwerk wordt geleverd of wordt heroverwogen ten aanzien van de gewenste eigendomsverhouding voor het gedeelte van de kinderopvang: gemeente eigenaar, schoolbestuur/schoolbesturen eigenaar of een vereniging van eigenaren met daarbij inachtneming van de voor- en nadelen bij elke situatie. Tariefstelling: de wijze waarop het tarief wordt bepaald. a. Bestaande situaties: bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO een uniform tarief wordt bepaald op basis van de totale lasten methode. De huur wordt
Referentie: 1559605-0062.0.1.
b.
Nieuwe situaties: bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO een tarief wordt bepaald op basis van de kostprijs dekkende methode.
c.
Uitzondering nieuwe situatie: Voor nieuwe situaties waarbij er geen IKC tot stand kan komen bij een bepaling van een tarief op basis van de kostprijs dekkende methode (door een te beperkte omvang van het aantal kinderen wat kinderopvang afneemt) komen gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties overeen dat er bij exclusief gebruik door KOV er een correctie kan plaatsvinden op de kostprijs dekkende methode naar rato van de bezetting van de ruimte, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. b.
4.
Er wordt middels onderzoek aangetoond dat er onvoldoende aanbod is aan kinderopvang. Er wordt middels een businesscase aangetoond dat KOV ook niet rendabel te maken is door de combinatie van KOV en/of BSO, andere partners en/of middelen.
Financiering: de wijze waarop de ruimten worden gefinancierd. a. Nieuwe situaties: voorfinanciering door de gemeente alsmede financiering door kinderopvangorganisaties blijven beide mogelijk. Gezien de onderstaande voorwaarden ligt voorfinanciering door de gemeente voor de hand.
Pagina 15 van 50
In het geval dat de gemeente financiert wordt gesproken over voorfinanciering, omdat het doel is dat de kapitaallasten volledig door huuropbrengsten worden terugverdiend. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: • Het gaat om exclusief gebruik van ruimten door een aanbieder van kinderopvang. • De kapitaallast wordt binnen een redelijke termijn terugverdiend uit de huurinkomsten. • Het beoogde gebruik is beargumenteerd aan de hand van een behoefteonderzoek. b.
In het geval dat de kinderopvang financiert zijn de volgende voorwaarden toepassing: • De organisatie voor kinderopvang maakt met de bouwheer afspraken over de betrokkenheid van de ondernemer bij het ontwerp en de realisatie van de kinderopvangruimten. Deze afspraken worden contractueel vastgelegd. • De organisatie voor kinderopvang participeert risicodragend in het totale proces van ontwerp en realisatie (aanbestedingsrisico, meer/minderwerk e.d.). • De organisatie voor kinderopvang krijgt geen eigendom of ander zakelijk recht in/op het schoolgebouw of het onderliggende terrein.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Pagina 16 van 50
4. Methodiek Dit hoofdstuk behandelt de gehanteerde methoden voor de analyse en scenarioontwikkeling.
4.1. Capaciteitsanalyse Voor alle gebouwen is de beschikbare capaciteit voor het onderwijs geanalyseerd. De capaciteitsanalyse maakt een ruimtetekort of -overschot per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van het onderwijs wordt bepaald door de leerlingentelling en de prognose te vertalen naar ruimtebehoefte (op basis van de criteria in de verordening). Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met het aantal vierkante meters dat beschikbaar is: de brutovloeroppervlakte (bvo). Opmerking: dit is een genormeerde ruimtebehoefteberekening. In de praktijk zijn er efficiënte en minder efficiënte gebouwen. Wanneer een school bijvoorbeeld veel gangen heeft, of een grote aula, kan er een genormeerd ruimteoverschot zijn, terwijl dit niet zo wordt ervaren. Er is relatief immers minder effectieve onderwijsruimte. Ook wordt in de praktijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot medegebruik of verhuur van ruimten. In het IHP is vanwege het beleidsrijke karakter ruimte voor nuance op de resultaten uit deze ruimtebehoefteberekeningen. Naast het inzichtelijk maken van eventuele ruimtetekorten is de capaciteitsanalyse van belang omdat een eventueel ruimteoverschot de schoolbesturen geld kost voor exploitatie en onderhoud. Schoolbesturen ontvangen een vergoeding op basis van het aantal leerlingen en niet op basis van het aantal m² in een school.
Bovendien vormen ruimteoverschotten een risico voor de gemeente. Wanneer een gebouw geheel leeg komt te staan, zal de eigenaar (het schoolbestuur) dit terug willen geven aan de gemeente. Daarnaast dient de gemeente (op basis van de verordening) te voorzien in oplossingen voor ruimtetekorten.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
4.2. Quickscans Op basis van de verordening is alleen de bouwkundige staat een formeel toetsingscriterium. Voor het IHP is het echter niet alleen de vraag of een pand een goed gebouw is, maar of een pand een goed schoolgebouw is. In de beoordeling van het gebouwenbestand is daarom naast de bouwkundige staat ook gekeken naar onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, veiligheid, exploitatie en uitstraling van de schoolgebouwen. Dit zijn thema’s voor strategisch vastgoedbeleid.
Figuur 1: Elementen van quickscan-beoordelingsmethodiek
Op basis van de door HEVO ontwikkelde ‘quickscan’ zijn alle gebouwen op deze criteria beoordeeld en voorzien van een gewogen score, die inzicht geeft in de vervangingstermijn. De score is tijdens het vorige IHP tot stand gekomen aan de hand van bureaustudie van opgevraagde gebouwgegevens, een locatiebezoek en dialoog met schooldirecteur, schoolbesturen en gemeente. Deze scores zijn bij het opstellen van het nieuwe waar nodig IHP herijkt. De totaalscore geeft op uniforme wijze richting aan de mate van urgentie tot een levensduurverlengende ingreep in relatie tot de gebouwkwaliteit: • < 63 punten: binnen 0-5 jaar renovatie of nieuwbouw (rood) • 63-66 punten: binnen 5-10 jaar renovatie of nieuwbouw (oranje) • 66-73 punten: binnen 10-20 jaar renovatie of nieuwbouw (lichtgroen) • >73 punten: na 20 jaar of langer renovatie of nieuwbouw (donkergroen)
Pagina 17 van 50
De quickscan leidt tot een advies voor de vervangingstermijn, ofwel het ‘natuurlijke vervangingsmoment’ van een schoolgebouw. Daarbij worden de verantwoordelijkheden van de gemeente en de schoolbesturen op elkaar afgestemd. Het natuurlijke vervangingsmoment voor schoolgebouwen is van belang omdat het effectief is wanneer bij ingrepen zoals nieuwbouw of renovatie) alle thema’s integraal aangepakt worden. De quickscanscores zijn input voor de scenario ontwikkeling.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Pagina 18 van 50
5. Analyse en Scenario’s In dit hoofdstuk worden de scenario’s per kern en per school benoemd.
5.1. Toelichting analyse en scenario’s onderwijshuisvesting De scenario’s worden onderbouwd aan de hand van de quickscanscores, de capaciteitsanalyse en strategische overwegingen. De scenario’s en de prioritering zijn tot stand gekomen in samenspraak met de schoolbesturen. Er wordt nog geen afweging gemaakt ten aanzien van nieuwbouw of renovatie. Dit vereist bij de uitvoering van het IHP per locatie een gedegen afweging middels haalbaarheidsonderzoeken.
5.2. Toelichting analyse en scenario’s kinderopvang De scenario’s zijn opgesteld in overleg met de gemeente en de schoolbesturen. De exacte behoefte aan kinderopvang per school en per scenario is (nog) geen onderdeel van dit IHP. Deze inventarisatie wordt reeds door de gemeente uitgevoerd. In de haalbaarheidsstudies die volgen op dit IHP wordt deze inventarisatie en de kinderopvang betrokken zodat ook hun ruimtebehoefte aan een scenario kan worden toegevoegd. Voor het Vijfde Dorp zijn de verwachte m2’s ruimtebehoefte aan kinderopvang in beeld gebracht, zodat er voldoende kavelgrootte beschikbaar is bij de scholen.
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Pagina 19 van 50
5.3. Quickscanscores
Bouwkundige staat
Veiligheid
Binnenmilieu
Exploitatie
Onderwijskundige functionaliteit
Bouwjr.
Leeftijd
1
3
1
2
2
3
1978/1988/2006
45
Loofboom (Rehoboth)
5,5
4
6
4,5
4
5
55,5
1949/1959
74
De Terp (oude deel)
6
4
5,5
5
4
5
56,5
PCPONWK
1980
43
Gideonschool (Kroonkruid)
5,5
4
6
5
4
5
56,5
RVKO
1980
43
De Wingerd
5,5
4
6
5
4
5
56,5
SGH
1978
45
Prins Willem Alexander (Goudmos)
5,5
4
6
4,5
4
6,5
60,0
Monton
1966/1991
57
Montessorischool (oude deel)
5,5
4
5,5
4
6
6
61,0
D4W
1913/1950/1985
73
De Nessevliet (Hoofdgebouw)
7
4
6
5
6
5
62,0
SGH
2002
21
De Terp (nieuwe deel)
6
6
5,5
5,5
4
5
63,5
SGH
1998
25
Ixieje
6
5,5
6
5,5
5
5
64,5
D4W
2015
8
De Nessevliet (Semi-permanent)
6
6
6
5,5
7
4
67,0
Monton
2002
21
Montessorischool (nieuwe deel)
5,5
6,5
5,5
5,5
6
6
71,5
SGH
2006
17
’t Reigerbos
D4W
2006
17
De Eendragt
PCPONWK
2008
15
Elim
RVKO
2008
15
De Wingerd (Beethovenlaan)
SGH
2010
13
Prins Willem Alexander (Donge)
PCPONWK
2010
13
Gideonschool (Donge)
De Groeiling
2015
8
Sint Jozefschool
D4W
2015
8
Meester Lalleman
SGH
2018
5
Keijzerschool
VSISMDBM
2018
5
Rehoboth
SGH
2021
2
’t Reigerbos (Koningskwartier)
D4W/De Groeiling
2022
1
IKC Koningskwartier
Boor
1968
55
Thorbecke (oude deel)
6
4,5
6
5
5
5,5
62,0
Boor
2004
19
Thorbecke (nieuwe deel)
6
7
6
5
6
5,5
71,5
CVO
2014
9
Comenius
Schoolbestuur PCPONWK SGH
Referentie: 1559605-0062.0.1.
Schoolnaam
Totaalscore
Uitstraling gebouw
Het overzicht toont de resultaten van de quickscans. De bandbreedte van de scores is 4-8, er wordt op ieder individueel onderwerp dus nooit boven de 8 en nooit onder de 4 gescoord. Nieuwere schoolgebouwen (gerealiseerd na 2005) zijn niet beoordeeld. Immers, deze scholen hebben geen vervangingsopgave in de looptijd van dit IHP.
De beoordelingscriteria zijn als volgt: 1. Uitstraling: de basis voor de beoordeling van de uitstraling van een schoolgebouw is de architectuur. Dit onderdeel heeft betrekking op de buitenkant van het gebouw en is vaak afhankelijk van de bouwperiode. Er wordt tevens gekeken naar de stedenbouwkundige kwaliteit in relatie tot de omgeving én de uniformiteit van het gebouw. 2.