CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 GEWIJZIGD Reglement van orde (geldig vanaf januari 2025) A24.002781

Gemeenteraad 22 januari 2025, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv voorstel wijziging Spelregels BOPA-raadsvergaderingen26.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Paragraaf 3.3 Procedures bij stemmingen in besluitvormende deel raad Artikel 29. Algemene bepalingen over stemming Indien een lid van de raad te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid van de Gemeentewet, welke een hoofdelijke stemming verplicht. De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een lid van de raad verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is geregeld in het vierde lid van dit artikel.

Pagina 33 van 48

In de Winsumuitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (7 augustus 2002 LJN: AE6228) bepaald dat het bestreden besluit in strijd met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht is genomen, omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Hierbij is ook bepaald dat artikel 2:4 Awb voorrang heeft boven hetgeen in artikel 28 van de Gemeentewet is bepaald. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak heeft de minister geadviseerd in een beschouwing van 19 mei 2003: "de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit bijv.

opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk." Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden, waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het ‘voor’ of ‘tegen’. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de besluitenlijst. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de Gemeentewet. Een elektronisch stemsysteem kan wel problemen opleveren bij de geheime stemming over personen (artikel 31 Gemeentewet). Indien het een vrije ronde betreft waar elk raadslid eigen kandidaten kan voordragen, is dit met de huidige systemen vaak niet mogelijk. Elektronische stemsystemen hebben een aantal beveiligingsmechanismen. Hierdoor zal doorgaans maar één persoon gemachtigd zijn om gegevens in te voeren. Bij vrije stemrondes over personen dient ieder raadslid de mogelijkheid te hebben kandidaten voor te dragen. Artikel 30.

Stemming over amendementen en moties Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening en dergelijke. wordt verwezen naar de artikelen 1, 34 en 35 van dit reglement. Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Artikel 31. Stemming over personen Eind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het stemmen over personen. Voorheen was in artikel 31, eerste lid bepaald dat, indien er wordt gestemd over de benoeming, voordracht of aanbeveling van personen, dit schriftelijk dient te geschieden door middel van gesloten en ongetekende stembriefjes. Op deze wijze zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting om dit bij stembriefjes te doen, is nu vervallen. Gemeenten kunnen dus ook door middel van een elektronisch systeem stemmen over personen, mits de geheimhouding gewaarborgd is. Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn.

Sinds 1 februari 2016 is artikel 31 ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder (artikel 35, eerste lid, van de Gemeentewet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de Gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim.

Pagina 34 van 48

Het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. In het vijfde lid is opgenomen wat onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan. Overigens heeft de raad altijd het laatste woord in het geval van twijfel over een behoorlijk stembriefje. Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' vermeld. Het gaat hier overigens niet over de benoeming tot raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat in artikel 7 van dit reglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend. Op de stembiljetten dienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen'.

Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije stemming (zie ook toelichting bij artikel 29). Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en 'tegen' én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld. Af en toe blijkt er in gemeenten verwarring te bestaan over het meestemmen in de raad van kandidaat-wethouders over hun eigen benoeming (artikel 28 van de Gemeentewet). In de eerste plaats is er, indien raadsleden genomineerd worden voor de functie van wethouder, sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht. De beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot benoeming gaat hem persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt" (artikel 28, eerste lid, onder a, derde lid van de Gemeentewet). Dat is echter in casu niet aan de orde omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard van de stemming is derhalve van belang. Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander).

Er is in dit geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen naam invullen. De stemming in de raad over een wethoudersbenoeming is dus een vrije stemming waar de beoogde wethouder gewoon over zijn eigen benoeming kan meestemmen. De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:  een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;  een aanbeveling is geen voordracht.

Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht; Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken. De verwarring komt mede door de veelheid aan opvattingen die de afgelopen periode ten aanzien van de interpretatie van artikel 28 van de Gemeentewet is verschenen.

Pagina 35 van 48

Artikel 32. Herstemming over personen De formulering van het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term 'herstemming' in artikel 31, tweede lid van de Gemeentewet te voorkomen. Artikel 33. Beslissing door het lot In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31, derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven.

HOOFDSTUK 4. RECHTEN VAN LEDEN Artikel 34. Amendementen Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in het tweede tot en met het vijfde lid. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft (geen drempelsteun). Door het recht van amendement kan de regelgevende taak van de raad reëel inhoud krijgen en mede ten dienste staan van de inkadering en de controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de effectuering van de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad. Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen.

Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander lid van de raad aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien, in uitzonderlijke situaties een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad op grond van artikel 22, van dit Reglement besluiten tot een derde termijn. Amendementen en moties proberen een conceptbesluit te wijzigen (amendement) of over een onderwerp een politieke uitspraak van de raad te ontlokken (motie). Deze instrumenten beogen dus juist debat en horen daarom thuis in het opiniërend deel van de vergadering. Amendementen en moties die (tijdig) digitaal zijn ingediend (vandaar het bepaalde in het eerste lid van dit artikel), kunnen ten behoeve van de belangstellenden op de publieke tribune geprojecteerd worden op het projectiescherm in de raadzaal. Tevens kunnen de amendementen en moties gemakkelijker worden verspreid onder de raadsleden, voorzitter en wethouders.

Willen de raadsleden ná het opiniërend deel van de vergadering toch nog een amendement op een voorstel indienen, dat al voor de besluitvormende ronde geagendeerd is, dan zal het voorstel òf van de betreffende agenda worden gehaald en voor de volgende vergadering (opiniërend deel) worden geagendeerd òf –indien de agenda dat toelaat- naar het opiniërend deel van dezelfde vergadering worden geagendeerd. Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 30 van dit Reglement. Voorstel tot splitsing van een voorgestelde beslissing kan, indien aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander niet wordt aanvaard. Artikel 35. Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht.

Pagina 36 van 48

Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt, dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 37 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt.

Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Bij de wijziging van de Gemeentewet van april 2009 is dit artikel 49 gewijzigd. Voortaan is het een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij dit zelf niet doet, dient de raad actie te ondernemen. Hoewel ieder lid van de raad tijdens het opiniërend deel van de vergadering een motie kan indienen (zie het eerste lid), is voor de motie vreemd aan de orde een aanvullende bepaling opgenomen in het vierde lid. Raadsleden kunnen moties vreemd aan de orde tot 12.00 uur op de dag voorafgaande aan de dag van de vergadering via de griffie ter kennis brengen aan de voorzitter. Het onderwerp of de motie zelf –als deze al beschikbaar is- wordt tevens aan de agenda op de website toegevoegd, tenzij de indienende fractie(s) kenbaar maakt (maken) dat dit niet gewenst is. Dat deze motie vooraf wordt aangekondigd en gepubliceerd, houdt verband met de voorbereiding van de vergadering (zowel inhoudelijk door het college als agendatechnisch). Zo kunnen de fracties de moties ook betrekken bij de interne spreektijdverdeling in de fracties. Overigens kan de indiening van moties vreemd aan de orde van de vergadering wel consequenties hebben voor de beschikbare spreektijd.

Als spreektijd is toegekend, zal de toegekende spreektijd niet groter worden. Het vierde lid laat ook nog ruimte om van de termijn tot 12.00 uur af te wijken. Indien deze motie een spoedeisend karakter heeft ter beoordeling aan de voorzitter van de raad; kunnen deze voor het opinierend deel van de raadsvergadering geagendeerd worden. Anders agendeert het presidium deze de vergadering erna. In de toelichting bij artikel 34 Amendementen is al aangegeven dat moties in het opiniërend deel van de raadsvergaderingen behoren te worden ingediend en behandeld. Artikel 36. Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, artikel 32, vierde lid van de Gemeentewet is hierop niet van toepassing. Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 37). Artikel 37. Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Een lid van de raad kan ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen.

Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Het eerste tot en met het derde lid van artikel 37 voorzien hierin. Artikel 147a, derde lid, van de Gemeentewet bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid van de Gemeentewet dat voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorgeschreven is. Dit betekent dat de raad

Pagina 37 van 48

(aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft hiervoor - in aanvulling op de eerste drie leden voorschriften. Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel echter niet meer op de agenda, nadat de conceptagenda van de betreffende vergadering door het presidium is vastgesteld. Aangezien het voor de hand ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp te behandelen, is dit in het derde lid opgenomen.

Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het college, maar in geval het voorstel personele (en financiële) consequenties heeft, kan het raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te leggen voor advies. De positie van de raad, in zijn kaderstellende rol, is echter het uitgangspunt. De tendens, dat het college meer betrokken moet worden bij de beleidsvoorbereiding, is evident. Toch dienen gemeenten ervoor te waken dat het college de kaderstellende rol van de raad niet gaat overnemen. De VNG heeft duidelijk aangegeven dat samenspel tussen beide organen een oplossing is voor eventuele fricties. Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een initiatiefvoorstel, niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen deze op basis van het vierde lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan strijd met het algemeen belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk beleid. De raad bepaalt of een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van de gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private samenwerking die gericht is op het renoveren van achtergestelde woonwijken) of het gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergarage in het centrum als enkele maanden geleden de binnenstad autoluw is gemaakt).

In antwoord op vragen vanuit de Tweede Kamer heeft de minister van BZK vragen gesteld over het initiatiefrecht. De minister heeft aangegeven: "Het recht op initiatief houdt niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden het recht moeten hebben om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het houdt in dat zij in beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het is immers aan de raad om, aan het begin van de raadsvergadering, met meerderheid van stemmen, de agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad die beslist welke onderwerpen worden behandeld. Zou elk individueel raadslid het recht toekomen om agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zou het effectief functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij herhaling onderwerpen op de agenda plaatst, waarover de raadsmeerderheid niet wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de raad ernstig belemmeren". Artikel 38. Collegevoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen, dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken, indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is.

De raad moet hier toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad

Pagina 38 van 48

bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten. Artikel 39. Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Minister Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de GroenLinks-fractie in Schoonhoven aangegeven, dat de raad de ruimte heeft eigen beleid te ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden.

De minister juicht dit echter niet toe. Voor de democratie lijkt het hem goed om de regels van de Tweede Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming ven een betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat. In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor gezorgd. Op het recht van interpellatie is de spreektijdregeling van artikel 23 van toepassing. Artikel 40. Schriftelijke vragen Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord.

De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om die reden is in het vijfde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. Overigens zijn op het nader aan de orde stellen van de beantwoording of op het mondeling beantwoorden van vragen van raadsleden ook de spreektijdregels van artikel 23 en de spelregels van het nieuwe vergaderen behandeling in het opiniërend deel van de vergadering van toepassing. Artikel 41. Vragenkwartier Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste lid van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van een vragenkwartier, en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het reglement van orde, wenselijk is.

Wel kan het vragenkwartier bijdragen aan een vergroting van de betrokkenheid van burgers bij het bestuur (één van de doelstellingen van dualisering). Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenkwartier. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen, wordt verlaagd en de

Pagina 39 van 48

media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenkwartier krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen. Het karakter van het vragenkwartier verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Leden van de raad vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen, zodat portefeuillehouders de gelegenheid hebben antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden. Vanwege het minder zware karakter van het vragenkwartier vergeleken met de interpellatie is gekozen voor een aanmeldingstermijn die om 15.00 uur sluit op de dag voorafgaand aan de dag van de vergadering. Op het vragenkwartier zijn ook de spreektijdregels van artikel 23 van dit Reglement en de spelregels van het nieuwe vergaderen, behandeling in het opiniërend deel van de vergadering van toepassing. De bepaling van het vierde lid geeft de voorzitter de mogelijkheid om vragen die door verschillende fracties gesteld zijn, gelijkmatig over het vragenkwartier te verdelen.

De gebruikte spreektijd per fractie gaat af van de voor de betreffende vergadering toegekende spreektijd (zie lid 9). Artikel 42. Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. Overigens zijn op het vragenkwartier ook de spreektijdregels van artikel 23 en de spelregels van het nieuwe vergaderen (behandeling in het opiniërend deel van de vergadering) van toepassing.

HOOFDSTUK 5. BEGROTING, REKENING EN RAADSPLANNING Artikel 43. Procedure begroting en artikel 44. Procedure jaarrekening In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de Handreiking voor de financiële verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet) is de inhoudelijke kant uitgewerkt. Artikel 45. Raadsplanning Als sturingsinstrument voor de behandeling van de raadsdocumenten is de raadsplanning van groot belang. Daarom is artikel 46 over de raadsplanning in dit reglement opgenomen. De raadsplanning wordt voor iedere vergadering van het presidium geagendeerd en besproken. Vandaar dat een wijziging voor het eerste lid wordt voorgesteld. De raadsplanning is tevens instrument om (meer) majeure en complexe onderwerpen meer planmatig te behandelen. Bij (meer) majeure en complexe onderwerpen gaat het bijvoorbeeld om onderwerpen die een grote impact op inwoners, verenigingen, organisaties e.d. kunnen hebben. Het kan ook gaan om onderwerpen die een complexer karakter hebben. Denk bijvoorbeeld aan onderwerpen als de wijzigingen van het subsidiebeleid, wijzigingen in de Wmo, AWBZ of Jeugdzorg. Het tweede lid voorziet erin dat het college dergelijke onderwerpen bij de raad introduceert met een procesvoorstel.

In dat procesvoorstel kunnen informatiebijeenkomsten, themabijeenkomsten, activiteiten van ‘de raad op straat’, betrokkenheid van andere participanten et cetera een plaats krijgen (kortom, een mogelijke uitwerking van maatschappelijke oriëntatie door de gemeenteraad). De raad kan dergelijke procesvoorstellen amenderen. Voordat het proces begint, bestaat daardoor bij de raad een beeld hoe het proces van beeldvorming – opinievorming – besluitvorming gestalte krijgt. Niet alleen het presidium kan onderwerpen toevoegen aan de raadsplanning of wijzigingen daarin aanbrengen, maar ook de raad heeft deze gelegenheid.

Pagina 40 van 48

HOOFDSTUK 6. LIDMAATSCHAP VAN ANDERE ORGANISATIES Artikel 46. Verslag en verantwoording Leden van de raad de burgemeester, een wethouder of de gemeentesecretaris, die lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad die hen heeft aangewezen. Ook de gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten. In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging, uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen in het opiniërend deel van de raadsvergadering. Het ligt voor de hand dit punt onder te brengen bij het agendapunt ‘Mededelingen (waaronder uit gemeenschappelijke regelingen)’ op de raadsagenda van het opiniërend deel. In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 40 van dit Reglement. Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor inlichtingen.

Net als bij andere artikelen is ook op dit artikel de spreektijdregeling van artikel 23 van dit reglement van toepassing (vierde lid) met uitzondering van de inbreng van de raadsleden die namens de raad zitting hebben in een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling of in een ander overlegorgaan. Het zou niet redelijk zijn dat de spreektijd die gemoeid is met het verslag dat het betreffend raadslid doet, afgaat van de spreektijd die zijn fractie heeft toegemeten gekregen. HOOFDSTUK 7. BESLOTEN VERGADERING Artikel 47. Algemeen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement en het recht van motie. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties openbaar gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding, als bedoeld in de artikelen 87, 88 en 89 van de Gemeentewet, wordt opgelegd dan wel de gemeenteraad heft op.

In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt. Artikel 48. Beknopt verslag / besluitenlijst In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid van de Gemeentewet. In overeenstemming met artikel 19 is de griffier verantwoordelijk voor het beknopt verslag dan wel besluitenlijst van het besloten deel van de raadsvergadering. Dit beknopt verslag dan wel de besluitenlijst wordt onder geheimhouding en op naam verspreid onder de raadsleden. Het document ligt ook ter inzage bij de griffier. Maar omdat geheime documenten met de raad digitaal gewisseld worden, is deze mogelijkheid ook toegevoegd aan het eerste lid. De wijzigingen in de leden twee en drie regelen de aanbieding aan en de behandeling door de raad van de besluitenlijst, dan wel het verslag. De besluitenlijst of het verslag worden via de lijst van ingekomen stukken aangeboden. Mocht de raad over die besluitenlijst of het verslag willen beraadslagen, dan zal dat pas kunnen gebeuren, wanneer de deuren gesloten zijn. Artikel 49. Geheimhouding Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt van rechtswege onder de geheimhoudingsplicht, volgens artikel 89, gemeentewet.

Pagina 41 van 48

Artikel 50. Opheffing geheimhouding Op grond van artikel 87, van de wet, kan geheimhouding op informatie worden opgelegd door de raad, het college, de burgemeester en een commissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt, indien de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde lid, van de wet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft, wil dat niet zeggen dat de desbetreffende informatie dan actief openbaar gemaakt moet worden. De Wet open overheid (Woo) is nog steeds op deze informatie van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus aan de uitzonderingsgronden in de Woo worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet openbaar maken van de betreffende informatie. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren.

HOOFDSTUK 8. INFORMATIEBIJEENKOMSTEN, THEMABIJEENKOMSTEN, WERKGROEPEN EN FRACTIEADVISEURS Paragraaf 8.1 Algemene bepalingen Artikel 51. Begripsomschrijving Behoeft geen nadere toelichting Artikel 52. Besloten vergadering Gezien het karakter van de informatie- of themabijeenkomsten en de werkgroepen zullen deze in principe openbaar zijn. Paragraaf 8.2 Informatie- of themabijeenkomsten Artikel 53. Algemeen De raad kan informatie- of themabijeenkomsten beleggen waarbij raadsleden èn burgers welkom zijn. Deze laagdrempelige bijeenkomsten passen in de beeldvormende fase. De fracties nemen nog geen standpunten in, maar nemen informatie op en wisselen die uit. Zo bereiden de gemeenteraadsleden raadsvergaderingen voor. Op deze bijeenkomsten kunnen presentaties verzorgd worden door het college, de raad, externen (deskundigen bijvoorbeeld) of burgers. Aan de hand van de raadsplanning kunnen het presidium en de raad een keuze maken of en zo ja, wanneer, zij het instrument van een informatie- themabijeenkomst willen inzetten. Het college kan daarin ook een advies geven.

Artikel 54. Taak Een informatie- of themabijeenkomst draagt bij aan de beeldvorming bij raads- en commissieleden. In deze beeldvormende fase kan een informatie- of themabijeenkomst raadsleden in positie brengen in een opiniërende ronde. Artikel 55. Deelname De informatie is voor een breed publiek toegankelijk. De bijeenkomsten zijn openbaar; burgers kunnen ook direct geïnformeerd worden over gemeentelijke ontwikkelingen. De ‘politiek’ is op deze wijze laagdrempelig voor iedere inwoner. Artikel 56. Vergaderfrequentie

Pagina 42 van 48

De gemeenteraad vergadert doorgaans om de drie weken op dinsdag. De overige dinsdagavonden buiten de recesweken om, zijn beschikbaar voor de informatie- of themabijeenkomsten, programmacommissies en werkgroepen. Daarbij kan eventueel uitgeweken worden naar een reservedatum. De woensdagen in de even weken zijn (buiten de recesweken) aangewezen als reservedata. Informatie- of themabijeenkomsten zijn niet aan één vergaderlocatie (het gemeentehuis) gebonden. Ook elders kunnen de vergaderingen belegd worden. Artikel 57. Agenda Gezien het karakter van deze bijeenkomsten stelt het presidium de agenda voor de informatie- of themabijeenkomsten vast. Willen raadsleden, het college, dan wel burgers iets agenderen, dan melden zij dat aan het presidium. Zie daarvoor ook het bepaalde in artikel 9. Het presidium maakt vervolgens de afweging waarom onderwerpen niet geagendeerd worden. Daarvan maakt het presidium melding in het verslag van zijn vergaderingen Artikel 58. Oproeping van de openbare vergadering en kennisgeving daarvan De oproeping zal niet schriftelijk gebeuren, maar geheel digitaal. De agenda en bijbehorende stukken zullen tien dagen vóór de betreffende vergadering ter beschikking worden gesteld en op de website worden gepubliceerd. Uiteraard zijn de agenda en stukken waarop geheimhouding rust van deze bepaling uitgesloten. Artikel 59.

Participatie burgers en belangstellenden Raadsleden en burgers kunnen door de informele opstelling tijdens een informatie- of themabijeenkomst gemakkelijker in contact met elkaar komen. Zij kunnen aan het college, aan de ambtelijke ondersteuning en aan elkaar vragen stellen. College en ambtelijke ondersteuning kunnen hun presentaties of toelichting op voorstellen verzorgen. Via de voorzitter kunnen zowel raadsleden als andere bezoekers hun (technische) vragen stellen aan het college, de ambtelijke ondersteuning of aan een raadslid. Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid dat burgers, bedrijven of instellingen ook onderwerpen kunnen presenteren aan raads- en collegeleden. Deze mogelijkheid komt in de plaats van De Dialoog. Voor bepaalde informatie- of themabijeenkomsten kan het presidium gericht inwoners, verenigingen, instellingen, organisaties en ondernemers uitnodigen om een actieve bijdrage aan een discussie te leveren en op die manier aan de beeldvorming van de gemeenteraad bij te dragen. Als het college aan de raad een startnotitie aanbiedt over een majeur onderwerp, kan het hiervoor ook een voorzet geven. Het presidium kan hierover uiteraard ook advies inwinnen van het college. Overigens moet voor degenen die actief worden uitgenodigd ook vooraf helder zijn wat hun rol en hun bijdrage is.

In het vierde lid wordt een aantal uitzonderingsgronden genoemd voor het indienen van onderwerpen. Er is een aantal aandachtspunten, waarbij de voorzitter een belangrijke rol heeft. Onderwerpafhankelijk kunnen individuele belangen bijvoorbeeld onderwerp van gesprek worden. Het kan hierbij om onderwerpen gaan, waarbij individuele belangen een grote rol kunnen spelen. Denk hierbij aan bestemmingsplannen. Individuele belangen kunnen dan een informatie- of themabijeenkomst domineren. Daarom moeten belanghebbenden voor een informatie- of themabijeenkomst al goed zijn geïnformeerd en de mogelijkheid hebben gehad hun eerste reactie daarop te geven. Het moment van het organiseren van een informatie- of themabijeenkomst vraagt dus om een goede planning en interne afstemming. Het kan evenmin de bedoeling zijn dat informatie- of themabijeenkomsten een platform worden voor ressentimenten vanuit de samenleving. Bij politiek en maatschappelijk gevoelige onderwerpen zouden burgers, organisaties of instellingen de informatie- of themabijeenkomsten kunnen benutten om hun ongenoegen of anderszins te uiten. Dat is niet de bedoeling. De voorzitter kan dan op grond van de verordening de vergaderorde handhaven. Artikel 60. Aanwezigheid burgemeester en wethouders Dit artikel behoeft geen toelichting.

Pagina 43 van 48

Artikel 61. Aanwezigheid ambtelijke organisatie De bijdrage van ambtelijke medewerkers kan een grote meerwaarde geven aan de gedachtewisseling tijdens de informatie- of themabijeenkomsten. Wanneer op de agenda van de informatie- of themabijeenkomst een onderwerp staat, dat door het college is aangedragen, zal over het algemeen ambtelijke ondersteuning aanwezig zijn. Het kan echter ook zijn, dat er onderwerpen, door anderen aangedragen, op de agenda staan, waarbij het nuttig is wanneer ambtelijke deskundigheid aanwezig is. Het presidium kan daarvoor dan een verzoek richten aan het college. Artikel 62. Videotulen of audioverslag Dit artikel maakt het mogelijk dat op een locatie vergaderd kan worden, zonder dat videotulen of een geluidsopname gemaakt worden. Bij de informatie- of themabijeenkomsten is geen sprake meer van een adviezen- of besluitenlijst. Er zijn mogelijk wel actiepunten die moeten worden afgedaan. Deze worden op dit moment via de lange termijn agenda geregistreerd, gecommuniceerd en afgehandeld. Paragraaf 8.3 Werkgroepen Artikel 63. Instellen van werkgroepen Soms zijn er onderwerpen of thema’s die wat uitgewerkt of verdiept moeten worden. Het kan dan gaan om thema’s die specifiek het functioneren van de raad raken of daarop betrekking hebben. Het betreft dan veelal een tijdelijke bezigheid. Om iets dergelijks op te pakken kan een werkgroep worden ingericht.

Het artikel bepaalt dat de raad bij de instelling van een werkgroep een instructie vaststelt. Vaste onderdelen van deze instructie zijn een heldere omschrijving van het onderwerp, de opdracht die de raad voor de werkgroep in gedachten heeft, maar ook een termijn waarbinnen de werkzaamheden verricht moeten worden. Een richtlijn hiervoor is een termijn van drie maanden. Dat is afhankelijk van de opdracht die de werkgroep moet uitvoeren. Die opdracht moet in redelijkheid binnen de bepaalde termijn kunnen worden uitgevoerd. De instructie maakt duidelijk welk resultaat van de werkgroep verwacht wordt. Het derde lid bepaalt dat de werkgroep bij het behalen van de einddatum of termijn zoals deze in de instructie is verwoord, automatisch wordt opgeheven. Het is ook mogelijk dat de raad de werkgroep eerder opheft dan gepland. Het vierde lid maakt het mogelijk dat bij het vaststellen van de instructie door de raad een voorzitter van de werkgroep wordt aangewezen. Doet de raad dit niet, dan bepaalt artikel 65 dat de werkgroep daarin zelf kan voorzien. Artikel 64. Taak De raad roept de werkgroep in het leven voor de uitwerking van een bepaald onderwerp. Dat kan betrekking hebben op het functioneren van de gemeenteraad. Het kan ook zijn dat een werkgroep voorbereidend werk verricht bij de uitwerking van een thema dat voor de raad van belang is.

Bij de rol van de werkgroep kan de raad ook denken aan de voorbereiding van een bestuursopdracht aan het college wanneer de raad heel intensief betrokken is bij een thema/onderwerp. Wel moet bij de instelling van de werkgroep helder zijn waarvoor de werkgroep wordt ingesteld en wat het resultaat is dat de raad van de werkgroep verwacht. De werkgroep kan geen (politieke) besluiten nemen. Is (politieke) besluitvorming nodig, dan bereidt de werkgroep een raadsdocument voor. De Regeling programmacommissies van de gemeente Zuidplas maakt het in artikel 2 van de regeling mogelijk dat een programmacommissie de raad kan adviseren een werkgroep in te stellen. De instelling verloopt dan echter altijd via de raad (raadsbesluit). Artikel 65. Samenstelling en voorzitterschap

Pagina 44 van 48

Er hoeft niet per se een raadslid per fractie vertegenwoordigd te zijn. Er kan ook een fractieadviseur namens een fractie deelnemen aan de werkgroep. De formulering van dit artikel is ook zodanig, dat een fractie zelf de afweging kan maken om in de werkgroep zitting te nemen. Deelname is op vrijwillige basis. Heeft de raad geen voorzitter aangewezen bij de instelling van een werkgroep dan wijst de werkgroep uit haar midden een voorzitter aan. Artikel 66. Vergaderfrequentie De werkgroep bepaalt haar eigen werkwijze (zie artikel 70). Daaronder valt ook de vergaderfrequentie. Wel is de afspraak dat de werkgroep de vergaderdata die door het presidium zijn vastgesteld op grond van het bepaalde in het reglement van orde, daarvoor gebruikt. Dit betekent dat concreet op de dinsdag waarop de gemeenteraad niet vergadert of de woensdag in de even weken kan worden vergaderd. Artikel 67. Aanwezigheid burgemeester en wethouders Het is niet standaard, dat het college van burgemeester of wethouders of leden daarvan aanwezig zijn in vergaderingen van de werkgroep. Het artikel voorziet erin, dat het college of een portefeuillehouder wordt uitgenodigd, wanneer een onderwerp dat hun portefeuille regardeert, op de agenda staat. Eveneens kan de gemeentesecretaris voor een toelichting of anderszins uitgenodigd worden of ook gewoon om aan het werk van de werkgroep deel te nemen. Artikel 68.

Aanwezigheid ambtelijke organisatie De werkgroep kan zich laten ondersteunen door medewerkers van de organisatie. Het is mogelijk dat zij in de werkgroep de aanwezige portefeuillehouders ondersteunen. Het is eveneens mogelijk dat zij op verzoek van de werkgroep hun deskundigheid inbrengen. Daartoe zal, voorafgaande aan de uitnodiging, ook overleg met de gemeentesecretaris gevoerd worden. Artikel 69. Agenda De voorzitter stelt de voorlopige agenda op en niet het presidium. Dit onderstreept het aparte karakter en de eigen werkwijze van de werkgroep. Artikel 70. Werkwijze De werkgroep is gebonden aan haar instructie. Zonder besluit van de raad kan zij haar taak niet wijzigen. Artikel 71. Openbare vergadering Hoewel een werkgroep op de achtergrond werkt, mag haar werk best gezien en gehoord worden. Daarom heeft de vergadering van een werkgroep een openbaar karakter, tenzij de werkgroep anders besluit.

Artikel 72. Zittingsduur en vacatures Een lid van de werkgroep houdt op lid van die werkgroep te zijn, wanneer hij of zij raadslid of fractieadviseur af is. Paragraaf 8.4 Fractieadviseurs Artikel 73. Benoeming fractieadviseurs en artikel 74 fractieadviseurs en onderzoek geloofsbrieven Met name kleine(re) fracties staan voor een grote opgave om zich actief met alle onderwerpen en thema’s bezig te houden en om op iedere bijeenkomst en vergadering aanwezig te zijn. Er zullen op grond van deze verordening door de raad programmacommissies worden ingesteld, maar hierbij geldt

Pagina 45 van 48

wel het uitgangspunt dat deze commissies een min of meer tijdelijk karakter hebben. Om kleine(re) fracties de mogelijkheid van ondersteuning te geven, zijn de fractieadviseurs in de plaats gekomen van de commissieleden niet-raadsleden. Naast de praktische ondersteuning kunnen fractieadviseurs ook ervaring opdoen met het politieke handwerk. Bij raadsbesluit van 25 september 2012 is tevens aangegeven, dat het uitgangspunt om voor benoeming van fractieadviseur in aanmerking te komen is, een plaats op de kandidatenlijst van de betreffende fractie. Het kan echter voorkomen, dat een fractie op niemand van de kandidatenlijst een beroep kan doen. Daarom is in artikel 74, tweede lid, sub b, de mogelijkheid opgenomen een fractieadviseur die niet op de kandidatenlijst staat, voor benoeming voor te dragen. Het afdelingsbestuur en de fractievoorzitter moeten daartoe dan de voordracht doen. Fractieadviseurs kunnen deelnemen aan informatie- of themabijeenkomsten, programmacommissies èn werkgroepen. Raadsleden leggen alvorens hun functie uit te oefenen, conform artikel 14 van de Gemeentewet de eed (of verklaring en belofte) af.

Met de bepaling in het vijfde lid wordt deze voor raadsleden in de wet opgenomen regel ook van toepassing verklaard op de fractieadviseurs, met dien verstande dat bij het afleggen van de eed (of verklaring en belofte) in de eedsformule de passage “lid van de raad” gelezen wordt: “fractieadviseur”. Daarom spreekt het vijfde lid over “naar analogie van artikel 14 van de Gemeentewet”. Het afleggen van de eed (of verklaring en belofte) door fractieadviseurs onderstreept het gewicht van het fractieadviseurschap. Bovendien leggen raadsleden, collegeleden en ambtenaren een eed dan wel verklaring en belofte af. Dan is het logisch dat ook de fractieadviseurs dit ook doen. In het zesde lid is bepaald dat de gedragscode die de raad voor zijn leden vaststelt, ook voor de fractieadviseurs geldt. Het zevende lid stelt regels omtrent de beëindiging van het fractieadviseurschap. Paragraaf 8.5 Griffie Artikel 75. Ondersteuning door griffie Dit artikel regelt de ambtelijke ondersteuning door de griffie. Een aparte benoeming hoeft hierdoor niet plaats te vinden.

HOOFDSTUK 9. TOEHOORDERS EN PERS Artikel 76. Toehoorders en pers De hier aangegeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste en tweede lid van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de raad om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen. Artikel 77. Geluid- en beeldregistraties Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Artikel 78. Gebruik mobiele telefoons en andere communicatiemiddelen Dit artikel 51 heeft betrekking op onder meer het mobiele telefoonverkeer. Het mobiele telefoonverkeer kan verstorend werken tijdens de vergadering. Dit artikel maakt het mogelijk dat de voorzitter met de raad afspraken kan maken over het gebruik van telefoons en andere communicatiemiddelen.

HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN Artikel 79. Uitleg reglement Dit artikel behoeft geen toelichting.

Pagina 46 van 48

Artikel 80. Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen toelichting.

Pagina 47 van 48

Pagina 48 van 48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15023103/1