Bijlage 1 Gebundelde reacties gemeenteraadsladen adviesraden A23.000235
Tekst van het document
Gebundelde reacties gemeenteraadsleden en adviesraden: 1. Gezamenlijke fracties PvdA en Groenlinks uit de 5 gemeenteraden Midden-Holland (p. 2 – 5) 2. Motie ‘keuzevrijheid’ gemeenteraad Waddinxveen (p. 6) 3. Motie ‘alternatieve inkoop gesloten jeugdzorg’ gemeenteraad Waddinxveen (p. 7) 4. Motie ‘Verandering in beleidsvisie zorg’ gemeenteraad Waddinxveen (p. 8) 5. Motie ‘lokale zorg en samenhang in regio’ gemeenteraad Waddinxveen (p. 9) 6. Reactie commissie samenleving Bodegraven-Reeuwijk (p. 10 – 12) 7. Reactie fracties gemeenteraad Zuidplas (p. 13 – 14) 8. Zienswijze commissie samenleving gemeente Krimpenerwaard (p. 15 – 18) 9. Zienswijze commissie samenleving gemeente Gouda (p. 19 – 20) 10. Reactie adviesraad Zuidplas (p. 21 – 23) 11. Advies adviesraad Krimpenerwaard (p. 24 – 30) 12. Advies adviesraad Bodegraven-Reeuwijk (p. 31 – 35) 13. Reactie Goudse adviesraad sociaal domein (p. 36 – 37) 14. Advies Participatie adviesraad Waddinxveen (p. 38 – 40)
Colleges van B&W van de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Zuidplas en Waddinxveen, t.a.v. de wethouders Sociaal Domein/Jeugd/WMO BOSD, t.a.v. voorzitter D. de Haas
Krimpen aan de Lek, 29 december 2022
Geacht college, Afgelopen 1 december vond een regionale radenbijeenkomst plaats inzake het Sociaal Domein. Tijdens deze bijeenkomst werd door de aanwezige raads-, commissie- en collegeleden uit de vijf gemeenten van Midden-Holland uitvoerig gesproken over het Consultatiedocument inkoop Jeugd en WMO 2025. Afgesproken is dat wensen en bedenkingen aangeleverd kunnen worden tot uiterlijk 31 december 2022. De PvdA en GroenLinks fracties uit de vijf gemeenteraden van Midden-Holland bieden u daarom in deze gezamenlijke reactie een aantal punten ter nadere overweging aan.
1. Regioperspectief: complementair Het consultatiedocument lijkt op twee gedachten te hinken, te weten het bieden van een visie op jeugdhulp en WMO, zoals vooral in de inleiding en in hoofdstuk 3 wordt beschreven en aan de andere kant het bieden van handvatten voor de ‘ínkoop’ van diensten om mensen te helpen, zorg te bieden of te ondersteunen. De visie is beschreven in het stuk Scherper aan de wind. Daarom hadden we liever gezien dat dit stuk was geschreven vanuit de opgave voor de regio om het inkoopproces zo goed mogelijk vorm te geven gegeven het beleid van de vijf gemeenten. Dat betekent wat ons betreft dat het gaat om het selecteren van de beste aanbieders en het monitoren/meten of ze de beste zorg leveren, aansluitend op de behoefte aan zorg/hulp/ondersteuning in elke gemeente. We beseffen dat wanneer elke gemeente op een eigen manier omgaat met de hulpvraag van een inwoner, bijvoorbeeld door te na te gaan in hoeverre de hulpvraag lokaal kan worden beantwoord, dit kan leiden tot verschillen in de aard van de hulpvraag die aan ‘regionale’ aanbieders wordt gesteld. Dit vinden wij echter geen argument om de ‘toegang’ te uniformeren. Het stelt wel eisen aan de regio om diensten op een voldoende gedifferentieerd niveau in te kopen. Doordat toch al wordt voorgesteld om diensten te segmenteren, moet dat mogelijk zijn.
Van aanbieders mag worden verwacht dat zij hiermee kunnen omgaan. In het stuk zien we voorts op verschillende punten een verschuiving van het hoofddoel om de inwoner goede zorg te bieden naar allerlei ‘bureaucratische’ doelen, zoals het uniformeren van de ‘toegang’, het creëren van een overzichtelijk zorglandschap en het verkorten van zorgtrajecten (‘goed is goed genoeg’) zonder dat duidelijk wordt wat dit bijdraagt aan het hoofddoel. Overigens vinden wij het niet een taak van de regio om te bepalen wanneer voldoende hulp of zorg is geboden.
2. Inkoop: kwaliteit centraal In hoofdstuk 4 gaat het over de vraag hoe de inkoop gaat worden vormgegeven en welke uitgangspunten gelden, te weten: 1. 2. 3. 4.
Kwaliteit bieden Zorg beschikbaar en toegankelijk houden Passende zorg bieden Zorg betaalbaar houden
Op elk van deze punten gaan we kort in.
Kwaliteit bieden Bij kwaliteit bieden gaat het om het selecteren en behouden van goede aanbieders. Wat de selectie betreft zijn wij het eens met het hanteren van criteria zoals het werken volgens professionele standaarden, zoals de richtlijnen jeugdhulp van het NJI. Wat ons betreft mag de nadruk ook komen te liggen op dit criterium. Aanbieders die niet werken volgens dit soort evidence-based richtlijnen kunnen dan worden geweerd. Daarnaast blijven natuurlijk de eisen ten aanzien van organisatie en financieel beheer van belang. Financiële integriteit moet onderdeel uitmaken van het inkoopkader, zodat zorgaanbieders geen exorbitant hoge winsten kunnen maken. Uiteindelijk is de kwaliteit van de geboden diensten van doorslaggevend belang. Om te weten of onze inwoners kwalitatief de goede ondersteuning en hulp ontvangen, is het cruciaal dat de kwaliteit wordt gemeten. We beseffen dat dit niet altijd even gemakkelijk is. Soms kan een inwoner bijvoorbeeld tevreden zijn met de geboden hulp, maar zou een andere vorm van hulp beter zijn geweest. Met andere woorden: tevredenheidsonderzoek is nuttig, maar volstaat niet. Goede vastlegging over het te bereiken doel van de hulp gepaard aan metingen of het doel is gehaald, is nodig. Dat betekent overigens niet dat een heel ingewikkeld systeem van indicatoren moet worden opgetuigd. Houd het zo simpel mogelijk.
Het meten of het doel is behaald, is ook van belang om te kunnen beslissen over voortzetting of beëindiging van hulp. Van aanbieders die geen goede kwaliteit leveren, blijkend uit tevredenheidsonderzoek en resultaatmetingen, zou het contract moeten worden beëindigd. Een aspect dat bij het bereiken van het doel in een aantal gevallen een rol speelt, is dat de aanbieder het probleem niet alleen kan oplossen, maar dat samenwerking met anderen nodig is. Dit aspect moet uitdrukkelijk worden meegenomen in een kwaliteitssysteem. Een inwoner heeft recht op hulp en niet op hulp die beperkt wordt door wat de toevallige aanbieder kan bieden.
Zorg beschikbaar en toegankelijk houden én passende zorg bieden De regio heeft een wezenlijke taak als het gaat om het beschikbaar en toegankelijk houden van zorg/hulp/ondersteuning. Er moet voor alle vormen van benodigde hulp voldoende capaciteit worden ‘ingekocht’. Een Open-House-constructie is dan ideaal: alle aanbieders die aan de selectiecriteria voldoen, mogen hulp aanbieden aan onze inwoners en onze inwoners hebben meestal keus uit meer aanbieders. Dat kan prettig zijn in verband met reisafstanden, wachtlijsten of vanwege een andere reden. Daarom is het beperken van het aantal aanbieders anders dan op basis van de hierboven genoemde selectiecriteria geen goed idee. Dat een ‘overvloed aan aanbieders’ verhindert dat inwoners passende zorg krijgen, lijkt
een drogreden. Dit is alleen het geval als verwijzers (vooral het lokale team en de huisartsen) inwoners met een hulpvraag verwijzen naar een slechte aanbieder. Goede selectie vooraf gecombineerd met goede kwaliteitsmetingen moet dit onmogelijk maken. Wij zijn er van overtuigd dat het toepassen van de bovengenoemde criteria (evidence-based werken, een robuuste organisatie en deugdelijk financieel beheer) het aantal aanbieders overzichtelijk houdt.
Zorg betaalbaar houden Het leveren van kwaliteit is vaak de beste manier om de zorg betaalbaar te houden, omdat problemen beter worden opgelost. Als het gaat om hulp en zorg, is het sturen op kosten vaak eerder kostenverhogend dan kostenbeperkend. Dit komt omdat de ambtenaren die op kosten willen sturen, niet de middelen hebben om dat te doen. Het is immers – gelukkig – de professional die samen met de hulpvragende inwoner bepaalt of het doel is behaald. De zogeheten budgetplafonds lijken handig om te sturen op kosten, maar zijn dat niet, zeker niet als het aantal zorgaanbieders ook nog eens wordt beperkt en de capaciteit aan hulpverleners schaars is. AEF heeft in het rapport “Stelsel in groei” het volgende over budgetplafonds gezegd: “Uit het onderzoek bleek dat het budgetplafond in de praktijk niet tot besparingen leidt. Dit komt met name omdat het bereiken van het budgetplafond vooral leidt tot het verhogen van het budget of het onderbrengen van jeugdigen bij andere aanbieders en niet tot andere afwegingen van professionals over bijvoorbeeld uitstroom.” Er is wel een situatie denkbaar waar een budgetplafond wèl zin heeft, namelijk als je weet dat een bepaalde aanbieder onder de maat presteert, maar niet zodanig slecht dat je die aanbieder kunt uitsluiten.
In zo’n geval kun je een volumebeperking afspreken, zodat je inwoners die hulp nodig hebben, naar een betere aanbieder kunt laten gaan. Ook hier is een voorwaarde dat de kwaliteit van de verschillende aanbieders bekend is, opdat de beste aanbieders de meeste cliënten krijgen.
3. Besluitvorming Het consultatiedocument roept de vraag op wie precies waarvoor verantwoordelijk is. Dat geldt ook voor de besluitvorming over het document. Het lijkt ons een goed idee om, bijvoorbeeld in een tabel, aan te geven wie op welke momenten aan zet is: het regiobestuur, de wethouder of de raad. Onderdeel daarvan is de vraag hoe omgegaan wordt met aangenomen moties. Betekent een afwijkend geluid van één raad bijvoorbeeld dat de motie niet wordt uitgevoerd? Voorts is het wenselijk om aan te geven hoe en hoe frequent de raden informatie kunnen verwachten over de voortgang en resultaten van het contractmanagement.
4. Tot slot De gedachte achter de decentralisatie van 2015, namelijk het zo laagdrempelig en lokaal mogelijk bieden van hulp/zorg aan inwoners die dat nodig hebben volgens het principe van één gezin, één plan, één regisseur, steunen wij nog steeds. Helaas blijkt het niet altijd even gemakkelijk te zijn om dit ideaalbeeld te realiseren. In de praktijk zijn gemeenten niet goed in
staat geweest om onnodige overhead te vermijden, om te zorgen dat lokale hulp- en zorgverleners in staat zijn om naar goede aanbieders te verwijzen, om te vermijden dat zorgaanbieders te maken krijgen met onnodige administratieve lasten en om te vermijden dat handige 'zorgaanbieders' de zorg vooral als melkkoe zien. De marktwerking, die vooral bedoeld was om inwoners te kunnen laten kiezen uit de beste zorgaanbieders, heeft niet geleid tot de gewenste empowerment van degenen die zorg nodig hebben, maar eerder tot fragmentering van het aanbod. Segmentering van het aanbod, het bieden van meer inzicht in wat elke aanbieder te bieden heeft en het betalen voor het gewenste resultaat in plaats voor uren hulp/zorg (uurtje-factuurtje) kunnen hierin verbetering brengen. Als dit niet lukt, zullen we een alternatief voor het huidige model van concurrentie tussen aanbieders moeten zoeken.
OPEN HOUSE: De regio sluit een overeenkomst af met alle partijen die voldoen aan de voorwaarden van de regio en die de hulp willen leveren tegen het tarief dat de regio heeft vastgesteld. De regio maakt de opdracht voor de uitvoering van jeugdhulp openbaar en aanbieders kunnen daar op inschrijven. Essentieel is dat burgers zelf hun aanbieder kiezen. De regio heeft zo met verschillende aanbieders een overeenkomst, maar er is pas sprake van levering wanneer een burger zich bij een aanbieder meldt. De regio kan dus een overeenkomst hebben waarbij het nooit komt tot levering. De regio hoeft bij deze vorm niet aan te besteden.
Wij kijken uit naar de afronding van het document dat begin volgend jaar ter besluitvorming wordt voorgelegd en de wijze waarop alle commentaren worden verwerkt. Wij wensen u veel succes en wijsheid in uw afwegingen.
Met vriendelijke groet,
De PvdA en GroenLinks fracties uit de vijf gemeenteraden van Midden-Holland,
Reinoud Doeschot, GroenLinks Bodegraven-Reeuwijk Monique Jonker, PvdA Bodegraven-Reeuwijk Tim Geluk, GroenLinks Gouda Ahmed El Haddaoui, PvdA Gouda Sandro Kovačić, PvdA-GroenLinks Krimpenerwaard Jacques Bovens, PvdA-GroenLinks Zuidplas Martin Kraaijestein, PvdA-GroenLinks Waddinxveen
Het consultatiedocument is besproken in de vergadering van de commissie Samenleving van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk op 14 december 2022. Hieronder volgt de gezamenlijke reactie op drie hoofdpunten, te weten het regioperspectief, kwaliteit als voornaamste criterium en de betrokkenheid van de Raden. ---------------------------------1. Regioperspectief: complementair Het consultatiedocument lijkt op twee gedachten te hinken, te weten het bieden van een visie op jeugdhulp en WMO, zoals vooral in de inleiding en in hoofdstuk 3 wordt beschreven en aan de andere kant het bieden van handvatten voor de ‘ínkoop’ van diensten om mensen te helpen, zorg te bieden of te ondersteunen. Wij hadden liever gezien dat het stuk was geschreven vanuit de opgave voor de regio om het inkoopproces zo goed mogelijk vorm te geven gegeven het beleid van de vijf gemeenten. Dat betekent wat ons betreft dat het gaat om het selecteren van de beste aanbieders en het monitoren/meten of ze de beste zorg leveren, aansluitend op de behoefte aan zorg/hulp/ondersteuning in elke gemeente. We beseffen dat wanneer elke gemeente op een eigen manier omgaat met de hulpvraag van een inwoner, bijvoorbeeld door te na te gaan in hoeverre de hulpvraag lokaal kan worden beantwoord, dit kan leiden tot verschillen in de aard van de hulpvraag die aan ‘regionale’ aanbieders wordt gesteld.
Dit vinden wij echter geen argument om de ‘toegang’ te uniformeren. Het stelt wel eisen aan de regio om diensten op een voldoende gedifferentieerd niveau in te kopen. Doordat toch al wordt voorgesteld om diensten te segmenteren, moet dat mogelijk zijn. Van aanbieders mag worden verwacht dat zij hiermee kunnen omgaan. In het stuk zien we voorts op verschillende punten een verschuiving van het hoofddoel om de inwoner de goede zorg te bieden naar allerlei ‘bureaucratische’ doelen, zoals het uniformeren van de ‘toegang’, het creëren van een overzichtelijk zorglandschap en het verkorten van zorgtrajecten (‘goed is goed genoeg’) zonder dat duidelijk wordt wat dit bijdraagt aan het hoofddoel.
2. Inkoop: kwaliteit centraal In hoofdstuk 4 gaat het over de vraag hoe de inkoop gaat worden vormgegeven en welke uitgangspunten gelden, te weten: ● ● ● ●
Kwaliteit bieden Zorg beschikbaar en toegankelijk houden Passende zorg bieden Zorg betaalbaar houden
Op deze punten gaan we kort in.
Kwaliteit bieden Bij kwaliteit bieden gaat het om het selecteren en behouden van goede aanbieders. Wat de selectie betreft zijn wij het eens met het hanteren van criteria zoals het werken volgens professionele standaarden, zoals de richtlijnen jeugdhulp van het NJI. Wat ons betreft mag de nadruk ook komen te liggen op dit selectiecriterium. Aanbieders die niet werken volgens dit soort evidence based richtlijnen kunnen dan worden geweerd. Uiteindelijk is de kwaliteit van de geboden diensten van doorslaggevend belang. Om te weten of onze inwoners kwalitatief de goede ondersteuning en hulp ontvangen, is het cruciaal dat de kwaliteit wordt gemeten. We beseffen dat dit niet altijd even gemakkelijk is. Soms kan een inwoner bijvoorbeeld tevreden zijn met de geboden hulp, maar zou een andere vorm van hulp beter zijn geweest. Met andere woorden: tevredenheidsonderzoek is nuttig, maar volstaat niet. Goede vastlegging over het te bereiken doel van de hulp gepaard aan metingen of het doel is gehaald, is nodig. Dat betekent overigens niet dat een heel ingewikkeld systeem van indicatoren moet worden opgetuigd. Houd het zo simpel mogelijk. Van aanbieders die geen goede kwaliteit leveren, blijkend uit tevredenheidsonderzoek en resultaatmetingen, zou het contract moeten worden beëindigd.
Een aspect dat bij het bereiken van het doel in een aantal gevallen een rol speelt, is dat de aanbieder het probleem niet alleen kan oplossen, maar dat samenwerking met anderen nodig is. Dit aspect moet uitdrukkelijk worden meegenomen in een kwaliteitssysteem. Een inwoner heeft recht op hulp en niet op hulp die beperkt wordt door wat de toevallige aanbieder kan bieden. Zorg beschikbaar en toegankelijk houden en passende zorg bieden De regio heeft een wezenlijke taak als het gaat om het beschikbaar en toegankelijk houden van zorg/hulp/ondersteuning. Er moet voor alle vormen van benodigde hulp voldoende capaciteit worden ‘ingekocht’. Een Open-House-constructie is dan ideaal: alle aanbieders die aan de selectiecriteria voldoen, mogen hulp aanbieden aan onze inwoners en onze inwoners hebben meestal keus uit meer aanbieders. Dat kan prettig zijn in verband met reisafstanden, wachtlijsten of vanwege een andere reden. Daarom is het beperken van het aantal aanbieders anders dan op basis van de hierboven genoemde selectiecriteria geen goed idee. Dat een ‘overvloed aan aanbieders’ verhindert dat inwoners passende zorg krijgen, lijkt een drogreden. Dit is alleen het geval als verwijzers (vooral het lokale team en de huisartsen) inwoners met een hulpvraag verwijzen naar een slechte aanbieder. Goede selectie vooraf gecombineerd met goede kwaliteitsmetingen moet dit onmogelijk maken.
Zorg betaalbaar houden Het leveren van kwaliteit is vaak de beste manier om de zorg betaalbaar te houden, omdat problemen beter worden opgelost. Als het gaat om hulp en zorg, is het sturen op kosten vaak eerder kostenverhogend dan kostenbeperkend. Dit komt omdat de ambtenaren die op kosten willen sturen, niet de middelen hebben om dat te doen. Het is immers - gelukkig - de professional die samen met de hulpvragende inwoner bepaalt of het doel is behaald. De zogeheten budgetplafonds lijken handig om te sturen op kosten, maar zijn dat niet, zeker niet als het aantal zorgaanbieders ook nog eens wordt beperkt en de capaciteit aan hulpverleners schaars is. AEF heeft in het rapport “Stelsel in groei” het volgende over budgetplafonds gezegd: “Uit het onderzoek bleek dat het budgetplafond in de praktijk niet tot
besparingen leidt. Dit komt met name omdat het bereiken van het budgetplafond vooral leidt tot het verhogen van het budget of het onderbrengen van jeugdigen bij andere aanbieders en niet tot andere afwegingen van professionals over bijvoorbeeld uitstroom.” Er is overigens wel een situatie denkbaar waar een budgetplafond wèl zin heeft, namelijk als je weet dat een bepaalde aanbieder onder de maat presteert, maar niet zodanig slecht dat je die aanbieder kunt uitsluiten. In zo’n geval kun je een volumebeperking afspreken, zodat je inwoners die hulp nodig hebben, naar een betere aanbieder kunt laten gaan. Ook hier is een voorwaarde dat de kwaliteit van de verschillende aanbieders bekend is, opdat de beste aanbieders de meeste cliënten krijgen.
OPEN HOUSE: De regio sluit een overeenkomst af met alle partijen die voldoen aan de voorwaarden van de regio en die de hulp willen leveren tegen het tarief dat de regio heeft vastgesteld. De regio maakt de opdracht voor de uitvoering van jeugdhulp openbaar en aanbieders kunnen daar op inschrijven. Essentieel is dat burgers zelf hun aanbieder kiezen. De regio heeft zo met verschillende aanbieders een overeenkomst, maar er is pas sprake van levering wanneer een burger zich bij een aanbieder meldt. De regio kan dus een overeenkomst hebben waarbij het nooit komt tot levering. De regio hoeft bij deze vorm niet aan te besteden.
3. Betrokkenheid raden Het consultatiedocument roept de vraag op wie precies waarvoor verantwoordelijk is. Dat geldt ook voor de besluitvorming over het document. Het lijkt ons een goed idee om, bijvoorbeeld in een tabel, aan te geven wie op welke momenten aan zet is: het regiobestuur, de wethouder of de raad. Onderdeel daarvan is de vraag hoe omgegaan wordt met aangenomen moties. Betekent een afwijkend geluid van één raad bijvoorbeeld dat de motie niet wordt uitgevoerd? Voorts is het wenselijk om aan te geven hoe en hoe frequent de raden informatie kunnen verwachten over de voortgang en resultaten van het contractmanagement.
Reactie consultatiedocument Strategische kaders inkoop 2025 23-12-2022 Namens nagenoeg alle fracties van de gemeenteraad van Zuidplas geven wij graag de volgende aandachtspunten mee, geformuleerd langs de hoofdlijnen van het document. 1. Visie op hulp en ondersteuning (3.2 p11): vanuit oogpunt zelfredzaamheid en zelf regie en het idee van positieve gezondheid wordt het uitgangspunt ‘goed is goed genoeg’ voorgesteld, waarbij onduidelijk is wat dat dan is, wie dat bepaalt, en op basis waarvan. Wij stellen voor om ‘doen wat nodig is’ als uitgangspunt te nemen. Dit doet meer recht aan het verschil in behoefte aan ondersteuning van inwoners (wat ook te maken kan hebben met aanwezige beschermende factoren zoals veerkracht) en dit vraagt verantwoordelijkheid van zowel inwoners als aanbieders. 2. Visie op de uitvoeringspraktijk van de lokale toegang (3.4 p12): er wordt hier gesproken over harmonisatie van de toegang. Wat ons betreft maken we alleen heldere afspraken over welke producten, waarvoor, wanneer en door wie (lokaal of regionaal) ‘geleverd’ worden. Wij willen wegblijven van verdergaande regionale harmonisatie van de toegang. Laat het principe van lokale toegang overeind. 3. Inhoudelijke uitgangspunten voor de inkoop (4 p.14): Wij willen benadrukken dat het leidende principe bij de inkoop moet zijn het leveren van effectieve zorg, dus zorg waar de inwoner beter van wordt.
Dit kan ook gaan om de inzet van ervaringsdeskundigheid. 4. Visie op inkoop (6.1 p22): uitgangspunt is partnerschap, samen leren, sturen op maatschappelijke resultaten (p14) en tegelijk wordt er gesproken over zakelijk afrekenen en in gesprek bij problemen/uitschieters. Wij willen afrekenen met de afrekencultuur en zien graag een nadere uitwerking van de visie op sturing en monitoring. Waarbij uitgewerkt wordt hoe partnerschap en lerend vermogen op basis van monitoring datagericht op het vergroten van maatschappelijke impact samen voorop staan. En dus niet waarbij er op basis van diezelfde data ‘zakelijk’ afgerekend wordt. Alleen zo, met die inhoudelijke kennis, kan er ook grip op de kosten ontstaan en ontstaat er ruimte voor innovatie. Verder wensen we afspraken over winstmaximalisatie. 5. Participatietraject (7.2, p26): de voorgestelde participatie van cliënten en/of ervaringsdeskundigen is correct, maar we vragen ons af of hiermee de juiste ervaringskennis boven komt om goed beleid te maken. Bijvoorbeeld: is er genoeg inwonerperspectief op de overgang Jeugdwet naar de WMO, hoe wordt daar gezorgd voor samenhang en voor continuïteit voor cliënten in de hulpverlening? We zien de urgentie van participatie niet terug.
Gezien de complexiteit van de maatschappij op zich, problemen die mensen ervaren en stelsels, toenemende angst of wantrouwen van mensen richting de overheid en de wetenschap dat de weg naar hulp en ondersteuning voor groepen mensen niet te vinden is, zouden wij willen voorstellen hier met een innovatieve manier van participatie te komen. We willen er daarnaast graag bij aangeven dat onze lokale partners, bijvoorbeeld de adviesraad, later in het traject ook nog moeten kunnen reageren op de kaders en plannen die aan de raden worden voorgelegd. 6. Overall zouden we nog wel een inhoudelijke prognose verwachten. Hoe gaat het met de inwoners, de jeugd in onze regio, welke trends zien we hierin, maar ook in jeugdhulp - en WMO gebruik. Welke groepen blijven stelselmatig buiten beeld, of zien we pas laat. En dus wat kunnen we verwachten qua jeugdhulp en WMO, cq wat is de verwachte zorgvraag? (Het prognosemodel Den Haag WMO is slechts een indicatie, gebaseerd op trends in WMO gebruik, de te ontwikkelen regiobeelden ikv IZA zijn hier wellicht ook helpend)
Tot slot enkele algemene uitgangspunten naast bovengenoemde: minimale (alleen nodige) bureaucratie, minimale administratieve lasten, integraliteit van hulp, jeugdhulpbudget besteden aan jeugdhulp en niet aan aanverwante zaken zoals examentraining. Namens de fracties van, ChristenUnie/SGP, PvdA/GroenLinks, VVD, Nieuw Elan Zuidplas, CDA, Groep Pouwels en SP van de gemeenteraad Zuidplas.
gemeente
£& Krimpenerwaard nn,
College van B&W gemeente Krimpenerwaard ta.v. wethouder H.C. Bultman cc. BOSD, t.a.v. voorzitter D. de Haas
Lekkerkerk, 13 december 2022
Geacht college,
Afgelopen 1 december vond een regionale radenbijeenkomst plaats met het als thema Inkoop Sociaal Domein Jeugd/WMO. In aanwezigheid van ongeveer 45 raads- en commissieleden uit de 5 gemeenten van de regio Midden-Holland werd met de Collegeleden sociaal domein van de respectievelijke gemeenten gesproken over het Consultatiedocument Inkoop sociaal domein. Punten ter overweging In het kader van de consultatie leverden zij na afloop nog een groot aantal informatieve en technische
vragen aan met het verzoek deze te beantwoorden. Daarnaast heeft in de gemeente Krimpenerwaard een aantal raads- en commissieleden zich gebogen over de vraag of zij als individuele fracties of als
raad - in aanvulling daarop een zienswijze zouden willen indienen. Daarvoor heeft u tot 31 december de tijd geboden. De volgendefracties namen deel aan dit overleg: Leefbaar Krimpenerwaard, VGBK, VVD, CDA, CU, PvdA-Groen Links, D66.
Deze fracties bieden u in deze brief een aantal punten ter nadere overweging aan. Wij claimen niet de
wijsheid in pacht te hebben, maar gaan ervan uit dat u bij de voorbereiding van het document dat
begin volgend jaar ter besluitvorming wordt voorgelegd ook daaraan aandacht besteed wordt en onze punten worden meegewogen.
Kaderstellend en op hoofdlijnen
De door u gepresenteerde visie, die wij beschouwen als richtinggevend voor de keuzes die u maakt in het inkoopbeleid, bevat vier hoofdlijnen: -_ Stevige sociale en pedagogische basis
-
Positieve gezondheid
-__
Alleen wie het echt nodig hebben
-
Van dekkende naar passende hulp
Versterken lokale toegang. Deze hoofdlijnen liggen wat u betreft ten grondslag aan de volgende uitgangspunten voor inkoop: -_ Doelmatigheid: stabilisatie ipv herstel Toegankelijke hulp (tijdig en passend) -_ Financieel beheersbaar Onze focusligt op die hoofdlijnen — wij nemen onze kaderstellende rol serieus. In de uitvoering verwachten wij onze controlerende taken te kunnen uitvoeren met een goede monitoring en worden bij de inrichting daarvan tzt graag betrokken. Grip
De door u gepresenteerde visie is gebouwd op meer of minder onderbouwde aannames en
veronderstellingen. Ons is (nog) niet duidelijk of de voorgestelde kaders en hoofdlijnen en daaruit
voortvloeiende inkoop-combinatie ook gaatleiden tot meer grip op de toedeling van zorg en grip op de
zorgkosten. Watzijn de concrete taakstellingen die u hanteert en hoe wordttijdig bijgestuurd?
Goed is goed genoeg
Uit het document en tijdens de regionale avond bleek nog veel onduidelijk rond het uitgangspunt *
goed is goed genoeg’.
Het is overduidelijk dat we op zoek moeten naar een nieuwe robuustheid teneinde zorgkosten en te
dure uitvoering terug te dringen. Dat vraagt heroverweging van de huidige situatie. Tegelijk vragen we ons af of de toegang tot hulp niet te moeilijk gaat worden? Vallen door het voorkomen van instroom en tegelijk het sturen op uitstroom niet veel mensen buiten de boot voor wie goed niet goed genoeg is? Bijsturen van de jeugdhulp gaat niet makkelijk zijn.
Hoe gaan we ervoor zorgen dat het bevorderen van zelfredzaamheid niet leidt tot medicalisering? Hoe gaat doorbroken worden dat we blijven hangen in symptoombestrijding? Zijn de huidige zorgverleners professioneel genoeg om te kunnen beoordelen wanneer goed inderdaad genoeg is? Preventie Om te voorkomen dat mensen een beroep op zorg gaan doen moet geïnvesteerd worden in preventie. U spreekt over het creëren van een stevige sociale en pedagogische basis. Daarnaast wordt
gesproken van het actief beroep doen op het eigen netwerk van de hulpvrager.
Vraag is of, en in hoeverre, er nog sprake van is van veerkracht in de eigen netwerk(en) nu het beroep
daarop steeds groter geworden is in onze maatschappij? Het ontbreken van veerkracht en rek blijkt bijvoorbeeld uit een toename van eenzaamheid, toename van het aantal alleenstaanden. Met een hogere arbeidsparticipatie is er ook simpel geen tijd voor extra zorg thuis. Welke taak ziet u voorhet onderwijs? En is het reëel de school te belasten met extra taken? Professionalisering van de uitvoering
U veronderstelt dat professionalisering van de uitvoering gediend is met ‘opschonen’ van het aantal zorgaanbieders. Wij zijn (nog) niet overtuigd van uw argumentatie.
Belangrijker dan het aantal aanbieders is wat ons betreft de aard van het aantal aanbieders. Wij
vernemen graag aan welke kwaliteitscriteria zij volgens u moeten voldoen? En voegen graag een criterium toe: excessieve winsten en topsalarissen zijn onwenselijk. Wat wordt gedaan om (te) grote
winsten bij zorgaanbieders te voorkomen? Zijn er signalen van misstanden in de zorg in onze regio en hoe wordt eventuele zorgfraude voorkomen? Wat zijn uw criteria bij selectie? En welke indicatoren voor kwaliteit worden gehanteerd (keurmerk voor zorg?)? En hoe gaan prestatie-afspraken gemaakt en gehandhaafd worden? De organisatiebelangen in de jeugdhulp zijn groot. De mogelijkheden om verbeteringen af te dwingen zijn beperkt. Wij zijn ons bewust van de beperkte mogelijkheden die gemeenten hebben om verbeteringen af te dwingen — slim sturen vraagt stuurmanskunst.
Wij wensen u wijsheid en succes bij de afronding van dit document en verwerking van alle
commentaren. Bij de regionale afstemming over het besluitvormingsdocument ontmoeten wij elkaar ongetwijfeld weer. |
Vriendelijke groet, Fractievoorzitters, Y. van Dortmont, Gemeente Belang Krimpenerwaard
Krimpene paard
J. Verburg, SGP
ï
\
M.L. PO CDA
OO 7
\
S. Kovadié,
\
dA-GroenLinks
Zienswijze van Commissie Samenleving aan
College van B&W
onderwerp
Zienswijze op consultatiedocument Strategische kaders inkoop 2025
van datum
Commissie Samenleving 30 december 2022
Zienswijze Naar aanleiding van het aanbieden van het consultatiedocument Strategische kaders inkoop 20251, door het college aan de raad, op 08 november 2022. Is op verzoek van meerdere fracties (D66, LG, PvdD en GV) en het college, het document geagendeerd in de commissie Samenleving op 14 december 2022. Het doel van deze agendering is, het informeren van de commissie over het document en het ophalen van wensen & bedenkingen. Om zo gezamenlijk te komen tot een zienswijze. Deze zienswijze vervolgens aan te bieden aan het college van B&W, specifiek aan wethouder van Popering-Kalkman, om in te brengen in het regionaal overleg m.b.t. de inkoop Jeugd en WMO. Onderstaande wensen & bedenkingen zijn door een meerderheid van de commissie aangenomen. De wensen & bedenkingen zijn genoteerd per wens of bedenking en per fractie, maar ondervinden allen steun vanuit de commissie. D66 D66 vindt het realiseren van een bestuurbaar zorglandschap van belang. Er dient daarom helder te worden gemaakt wat de regio aankan. D66 vindt het van belang dat wordt gestuurd op kwaliteit. Door te doen wat werkt en niet te doen wat niet werkt. D66 wenst dat er wordt voorzien in een manier van bijsturen. Gezien er langdurige contracten (7 jaar) worden aangegaan, met de zorgaanbieders. GroenLinks GroenLinks (GL) vindt een nadere invulling op het leveren van kwaliteit van belang.
Het hoofddoel dient te zijn, het leveren van de juiste zorg aan de juiste persoon. Dit is volgens GL de beste manier om de zorg betaalbaar te houden, omdat problemen zo beter worden opgelost. Dit in tegenstelling tot het sturen op kosten.
1
Het consultatiedocument is een regionaal document en gelijktijdig door de colleges in de regio aan de raden aangeboden. De volgende gemeenten vallen onder de regio: Bodegraven-Reeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas.
Daarbij wordt de wens uitgesproken om terughoudend te zijn met een budgetplafond, omdat dit volgens GL een averechts effect heeft op de wachtlijsten. ChristenUnie Volgens de ChristenUnie (CU) leidt de term ‘goed genoeg’ tot verwarring. De wens van de CU is om de term te vervangen door ‘doen wat nodig/ noodzakelijk is’. PvdA De PvdA wenst dat er afspraken gemaakt worden over winstmaximalisatie. Het blijkt uit landelijke onderzoeken dat kleine aanbieders veel winst maken. Dit zijn met name aanbieders die lichte vormen van hulp aanbieden. De PvdA vindt dat samenwerkingsverbanden tussen kleine aanbieders gestimuleerd moeten worden. Gouda Positief Gouda Positief (GoPo) vindt het van belang dat bij contracteren van aanbieders wordt geborgd, dat deze aanbieders meer eenduidige managementinformatie beschikbaar stellen, met een waarborg voor uniformiteit en vergelijkbaarheid. Zodat de contractafspraken tussentijds kunnen worden bewaakt. VVD De VVD wenst meer aandacht voor de cliënten in het gehele inkooptraject. De VVD vindt het belangrijk, dat goed wordt geluisterd naar signalen vanuit de adviesraden. Bij de regionale inkoop dient goed op de wachtlijsten te worden gelet. De VVD wenst dat dit vanuit de gemeente Gouda wordt benadrukt binnen de regio. De VVD vindt het van belang dat bij gezamenlijke inkoop, ook gezamenlijk wordt gestuurd op de overheadkosten.
CDA Het CDA staat voor inclusie. Wenst daarbij zorg die voor iedereen toegankelijk is. Preventie, waarbij de raden tussentijds op de hoogte worden gesteld en er de mogelijkheid is tot evalueren. Daarbij uit voorzorg de zorgaanbieders goed selecteren bij de start, indien nodig met de IBOB. Tot slot spreekt het CDA na een zorgvuldige selectie proces vertrouwen uit in de professionals. SGP De SGP wenst dat er per segment wordt gekeken naar het soort aanbieders. Benadrukt daarbij het belang van identiteitsgebonden zorg. PvdD De PvdD vindt dat het consultatiedocument meer op hoofdlijnen dient te worden opgesteld. Daarnaast pleit de PvdD voor minder bureaucratie. Leefbaar Gouda Leefbaar Gouda (LG) pleit voor het beëindigen van jeugdzorgtrajecten als het doel behaald is. LG vindt het van belang dat niet zonder instemming van de cliënt nieuwe doelen worden gesteld. Dit wenst LG te realiseren door het instellen van een kwaliteitsregister om bovenstaande onder controle te krijgen.
pagina 2
Adviesraad Sociaal Domein Zuidplas Kratonlaan 49 2761 SJ Zevenhuizen secretaris@adviesraadsociaaldomeinzuidplas.nl
www.adviesraadsociaaldomeinzuidplas.nl
Datum:
22-12-2022
Onderwerp: Consultatiedocument Strategische kaders inkoop Jeugd en WMO.
Geacht College,
Inleiding Bij brief dd. 8 november 2022 heeft uw college de adviesraad om advies gevraagd voor het opstellen van de kaders voor de inkoop van jeugd en WMO 2025. Daarvoor is een Consultatiedocument opgesteld dat als bijlage bij de brief is meegezonden. Zoals in het bestuurlijk overleg d.d. 24 november al door de adviesraad is aangegeven, zullen wij op uw verzoek tot het geven van een advies op dit moment niet ingaan. Zoals u zelf al in uw verzoek aan geeft is het voorliggende Consultatiedocument te beschouwen als een stap op weg naar een standpuntbepaling. De adviesraad volstaat dan ook thans met deze notitie. Zodra u tot een standpuntbepaling bent gekomen, verwacht de adviesraad een verzoek tot advisering en zullen wij tot een advies komen. Zowel in het werkveld van de jeugdhulpverlening als dat van de WMO zijn in de komende periode ingrijpende beslissingen c.q. wijzigingen in wet- en regelgeving voorzien. De gevolgen daarvan zijn op dit moment voor het Consultatiedocument en werkveld nog niet te overzien. Ook dat heeft bij de adviesraad meegewogen bij het opstellen van het achterliggend document. Deze notitie bestaat uit 2 delen: allereerst een algemene beschouwing met vervolgens een tekstuele opmerkingen.
Algemene beschouwingen Hierbij volgen wij grotendeels de samenvatting uit het Consultatiedocument: Beschikbaarheid: Er blijkt bij de bewoners van Zuidplas (maar niet alleen bij hen) een groeiende wens naar maatwerk in de zorg. Deze wens gekoppeld aan een tekort aan middelen en menskracht vraagt om een afbakening van het maatwerk in de zorg ten opzichte de vrij toegankelijke zorg. Meer uitgeven aan het één lijkt te betekenen dat er op een ander terrein moet worden bezuinigd. Gebrek aan voldoende alternatieven ligt op de loer. Als ook de vrees dat een categorie inwoners tussen wal en schip gaan vallen (geen toegang tot voorzieningen maar onvoldoende beschikbaarheid van
1
algemene voorzieningen of onvoldoende middelen daartoe). Het lijkt er daarbij op dat het beschikbare budget in grote mate de inkoop gaan bepalen. Kwaliteit: Behoud van kwaliteit doe je vooral door op voorhand bewezen kwaliteit in te kopen. Dit regel je bij het opstellen van het programma van eisen. Kwaliteit vraagt ook een goede prijs. Een minder presterende aanbieder zal bij hoge inkoopeisen geen kans hebben om een contract te krijgen. Daarmee leg je direct ook een goede basis voor het contractmanagement. Ook de mate waarin een zorgaanbieder getuigt van een grote mate van innovatie en/of een integraal aanbod, kan onderdeel zijn van de inkoopstrategie. Uitgangspunten gebaseerd op wat? Het inkoopbeleid wordt voor een deel gebaseerd op het gegeven/de verwachting dat in het verleden de geboden professionele jeugdhulp niet nodig was of zou zijn geweest. Om de effecten van het inkoopbeleid voor de burgers goed in te kunnen schatten is onderbouwing nodig. Ervaringen uit het verleden kunnen daarbij dienstig zijn. De adviesraad stelt dan ook voor in het Consultatiedocument een voorbeelden op te nemen waarbij duidelijk wordt in welke situaties mensen in hun situatie het zelf hadden kunnen oplossen en hoe hulp in het eigen netwerk kan worden gevonden.
Kunnen er in de tekstvoorbeelden van situaties waarbij het adagium “goed genoeg” van toepassing was maar waar er niet naar is gehandeld? Zelfredzaamheid Er wordt uitgegaan van zelfredzaamheid van de burger en zijn/haar netwerk. Hoe reëel is dat? De praktijk van alle dag leert dat velen (in toenemende mate) niet in staat zijn op een verantwoorde wijze tot zelfredzaamheid kunnen komen. De problematiek rond de gevolgen van armoede neemt toe. Jongeren ervaren in toenemende mate problemen rond stress, het aantal jongeren met zeer ernstige problemen groeit nog steeds. Het aantal hulp vragende ouderen neemt toe door de langere levensverwachting; de mantelverzorgers vergrijzen mee. Lokale toegang versus effectieve hulp- en ondersteuning Het maakt het voor iedereen een stuk makkelijker en overzichtelijker als er uniformering komt in de toegang en uitvoering door gemeenten. In het document wordt herhaaldelijk opgemerkt dat het niet de bedoeling is dat de gemeente onderling op elkaar afstemmen. Het is en blijft dus zo dat bij gelijke (regionale) inkoop en gelijke omstandigheden een inwoner in de ene gemeente andere hulp krijgt dan in een buurgemeente. Segmenten Dit biedt inderdaad de mogelijkheid te kunnen differentiëren in je wijze van inkoop/bekostiging. Wel moet er aandacht zijn voor verkokering van de zorg waarbij samenwerking niet vanzelfsprekend is.
Uitgangspunten De genoemde uitgangspunten zijn vrij algemeen en er is inhoudelijk weinig op aan te merken. Wel komt iedere keer naar voren dat de focus toch vooral op de meest kwetsbare inwoners moet liggen met een tijdige afschaling. “Goed is genoeg” is daarvan de vertaling. Het is de vraag hoe dit uitganspunt zich zal gaan vertalen met mensen die niet zonder reden met een zorgvraag zitten. Partnerschap
2
Partnerschap met een leverancier is een nobel streven en zal meestal wel lukken als de aanbieder goed presteert, goed contractmanagement betekent ook hard op kunnen treden (ook als dat ten koste gaat van de goede verstandhouding). Ook hier moet de cliënt centraal staan. Belang van cliënten bij overgang naar nieuwe partijen Overgang van cliënten van niet (meer) gecontracteerde aanbieders naar wel gecontracteerde aanbieders. De praktijk leert dat het niet eenvoudig zal worden om de huidige aanbieders in een vorm van onderaanneming het werk voort te laten zetten. Die ruimte moet al binnen de aanbestedingsdocumenten geboden worden. Bij het overnemen van cliënten door nieuwe contractpartijen is het denkbaar dat de cliënt aangeeft niets te voelen voor die nieuwe organisatie. Hoe borg je dan de keuzevrijheid? Contractmanagement Het zou goed zijn om aan de zorgaanbieders te vragen hoe zij dat contractmanagement ervaren. Een soort clientervaringsonderzoek dus (cliënt is dan zorgaanbieder)! Ook zou een kosten/baten analyse o.i. op de plaats zijn. Levert contractmanagement nu werkelijk wat op en zo ja wat? Wat gaat er mis als je het niet doet of veel minder? Wij pleitten voor een goede en duidelijke taakstelling voor het contractmanagement.
Als het gaat om kwaliteitscontrole is de vraag: wat doet Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en wat moet het contractmanagement daaraan toevoegen, van belang. Opmerkingen/vragen per bladzijde blz. 3 Moet het inkoopbeleid ook niet gericht zijn op het terugdringen van de wachtlijsten. blz. 3. Wordt dit de facto niet een urgentielijst, waarbij mensen met een lichte zorgvraag permanent mensen boven zich zien verschijnen. Blz. 3 Punt 4 is verwarrend: kwaliteit is onafhankelijk van instroom doorstroom en uitstroom. blz. 4 Wat zijn de normen op basis waarvan men relatief tevreden is. En wat betekent ”relatief” in deze? blz. 6 Hoe wordt voorgesorteerd op komende landelijke ontwikkelingen. blz. 11 Het blijkt keer op keer dat zelfredzaamheid hoog staat genoteerd, maar dat de praktijk toch weerbarstiger is. Hoe gaat de gemeente deze spagaat aanpakken? blz.12 Uitgangspunt is logisch, maar wat voor degenen die niet in de categorie “het meest nodig” vallen. Nog langere wachtlijsten? Zijn er alternatieven? blz. 12 30 tot 35 % van de verwijzingen in de jeugdzorg gaat via toegang. Zijn er mogelijkheden tot meer sturing via de huisartsen? blz. 14 Het monitoren van doelen en resultaten is van essentieel belang. Daarom moet deze representatief zijn.
Dus een client tevredenheidsonderzoek moet niet alleen mensen betreffen die zich spontaan melden maar juist ook die niet reageren Hier vallen ook laaggeletterden en anderstaligen onder. blz. 16 5e bullit. Wat wordt bedoeld met de aard van het contractmanagement en is dit reëel?
3
College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Krimpenerwaard T.a.v. mw. T. Kouwenberg info@krimpenerwaard.nl
Datum:
21 december 2022
Onderwerp:
Advies m.b.t. ‘Consultatiedocument Strategische Kaders Inkoop 2025 Jeugd en Wmo Midden Holland‘
Geacht College, Naar aanleiding van het verzoek op 9 november jl. per brief aan de Adviesraad Sociaal Domein om advies uit te brengen t.a.v. het ‘Consultatiedocument Strategische Kaders Inkoop 2025 Jeugd en Wmo Midden Holland‘ stuur ik u hierbij de reactie van de Adviesraad. Op 15 november heeft een online bijeenkomst plaatsgevonden voor de Adviesraden van de vijf gemeenten in Midden-Holland waarbij het proces voor de komende twee jaar en de hoofdlijnen van het Consultatiedocument zijn toegelicht. Tijdens deze bijeenkomst is ook de participatie van de Adviesraden tijdens de verschillende fasen van het ontwikkel- en besluitvormingstraject aan de orde geweest. De formele adviesvraag vindt nu helemaal aan de voorkant van het traject plaats namelijk bij de voorbereiding van de kaderstelling. De aanwezigen vanuit de Adviesraden hebben hier kanttekeningen bij geplaatst en naar aanleiding daarvan heeft overleg plaatsgevonden tussen de betrokken wethouders in Midden-Holland. In afwachting van een reactie hebben wij in onderstaand advies een voorstel opgenomen voor verdere betrokkenheid van de Adviesraad Sociaal Domein bij het proces de komende twee jaar.
De wijze waarop de inkoop vanaf 2025 gestalte krijgt, raakt immers twee van de drie domeinen van de Adviesraad Sociaal Domein en heeft rechtstreeks impact op de inwoners van de Krimpenerwaard die gebruik maken van de geleverde zorg en ondersteuning. De Adviesraad ziet het als zijn opdracht op constructieve wijze hierover te blijven meedenken en adviseren. Algemene reactie op het Consultatiedocument Graag beginnen wij met een algemene reactie. Het doel klinkt simpel: zorg en ondersteuning inkopen van voldoende kwantiteit en kwaliteit, voor inwoners die daar rechtmatig aanspraak op maken, tegen aanvaardbare kosten en zonder al te veel administratieve lasten voor zorgaanbieders. Maar dit roept meteen vragen en dilemma’s op: wie bepaalt wat kwaliteit is, wanneer is bijvoorbeeld ‘goed goed genoeg’, wat is daarbij de eigen professionele verantwoordelijkheid van de aanbieders? En kunnen/mogen gebruikers daar zelf ook iets over zeggen? Hoeveel verstand hebben inkopers en contractmanagers van kwaliteit? Op grond waarvan beoordelen zij de rechtmatigheid van wat wordt geleverd? Hoeveel tijd zijn zorgaanbieders kwijt aan registreren en verantwoording afleggen als
1
antwoord op de behoefte aan control vanuit de gemeente, tijd die ten koste gaat van tijd voor hun cliënten? Het Consultatiedocument gaat wat de Adviesraad betreft slechts beperkt in op deze vragen en dilemma’s. Het bevat per hoofdstuk een veelheid aan uitgangspunten waarmee men het nauwelijks oneens zal of kan zijn. Tussen de uitgangspunten onderling wordt geen afweging gemaakt, terwijl daar de crux zit: de onderlinge prioritering en de uitwerking in de vervolgfasen van het proces zullen namelijk duidelijk maken wat precies de effecten zijn. Dat maakt dit Consultatiedocument in de ogen van de Adviesraad nogal ‘hoog over’. Niettemin geven we hieronder een aantal adviezen en aandachtspunten met, waar mogelijk, een verwijzing naar de tekst in het Consultatiedocument. 1. Behoud het goede en voer gericht verbeteringen door (p.4-5 Consultatiedocument) Blijkens de drie verkenningen naar de ervaringen met Jeugd en Wmo in de afgelopen jaren zijn “gemeenten, aanbieders, cliënten en samenwerkingspartners relatief tevreden”, is “de relatie tussen zorgaanbieders en gemeenten overwegend goed” en zijn “administratielasten relatief laag”. Verder draagt integrale inkoop Jeugd en Wmo bij aan een “soepele(re) overgang tussen Jeugdwet en Wmo” en “lijkt ook ambulantisering (…) positieve effecten” te hebben (p.4-5). De Adviesraad is uiteraard voorstander om dat wat goed gaat, te behouden.
Tegelijkertijd valt op dat in het overzicht van wat goed gaat, betrekkelijk weinig staat over de inhoudelijke kwaliteit van zorg en ondersteuning. Wel wordt vastgesteld dat hierop meer gestuurd moet gaan worden. “Contractmanagers sturen aan de hand van contractafspraken op kwaliteit, effectiviteit en veiligheid bij zorgaanbieders” staat op pagina 5. De vraag is hoe geëquipeerd contractmanagers hiervoor zijn en op basis van welke informatie die sturing kan plaatsvinden. Rol van cliënten en onafhankelijke cliëntondersteuners Het advies is om a) meer dan tot nu toe gebruik te gaan maken van informatie van cliënten zelf tijdens en na afloop van zorg- en ondersteuningstrajecten via bijvoorbeeld peilingen en evaluatiegesprekken en b) de onafhankelijke cliëntondersteuners (OCO) hierin een rol te geven. Zij zijn degenen die knelpunten signaleren voor zowel de zorg als het beleid, de versnippering, wetgeving en bureaucratie. Ze kunnen dan ook de cliënten goed bevragen hoe een traject is verlopen, of goed, goed genoeg is, of er op de juiste tijd is afgerond en hoe de samenwerking is verlopen. De onafhankelijke cliëntondersteuner zal dan wel nadrukkelijker dan tot nu toe onder de aandacht moeten worden gebracht bij cliënten, verwijzers, aanbieders en medewerkers van de gemeente.
2. Terugbrengen van het aantal aanbieders (p.5) Onder de kop Uitdagingen voor de komende jaren (p.5) wordt voorgesteld om het aantal aanbieders van 230 (!) te gaan terugbrengen ten behoeve van de “overzichtelijkheid van het zorglandschap en de aard van de sturing van het contractmanagement”. Beschikbaarheid bij toenemende personeelstekorten De Adviesraad onderschrijft de beperking van het aantal aanbieders, maar ziet wel het risico dat met minder aanbieders ook het totale beschikbare volume afneemt. Extra verontrustend in dit verband zijn de toenemende personeelstekorten, of zoals op p.16 wordt gesteld: “De verwachting is dat de personeelstekorten in de zorg uiteindelijk het probleem van de
2
betaalbaarheid zullen inhalen.” Het advies van de Adviesraad is om bij de selectie van aanbieders in ieder geval voldoende gerenommeerde en betrouwbare aanbieders te (blijven) contracteren die een aantoonbaar goed personeelsbeleid hebben en die, indien nodig, in staat zijn om op te schalen. Het terugbrengen van het aantal aanbieders kan effect hebben op de keuzevrijheid van cliënten en op de continuïteit van zorg en ondersteuning. Beschikbaarheid en bereikbaarheid van gespecialiseerde zorg De Adviesraad benadrukt het belang van beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en adviseert om bij de selectie van aanbieders niet alleen te kijken naar het aantal cliënten dat van een bepaalde aanbieder gebruik maakt. Het risico bestaat dan namelijk dat (zeer) gespecialiseerde zorg niet langer gecontracteerd wordt, uit de regio verdwijnt en letterlijk onbereikbaar wordt voor cliënten. Zorgcontinuïteit Mocht een cliënt van aanbieder moeten wisselen, dan is het advies om maatregelen te (laten) treffen voor overbruggingszorg, dit om de zorgcontinuïteit te waarborgen.
3. Visie op het op het ondersteuningsaanbod vanuit de Jeugdwet en Wmo (p.10-14) In het Consultatiedocument (p.10 en verder) wordt zwaar ingezet op een stevige sociale basis, een begrip waar op zichzelf niemand tegen zal zijn maar dat ook nog behoorlijk vaag is. “Sociale basisvoorzieningen raken aan álle aspecten van het dagelijks leven: ontmoeting, onderwijs, opvoeding, werk, gezondheid, wonen, bewegen, cultuur en veiligheid”, zo wordt gesteld. Blijkens onderzoek heeft de vage definitie van ‘sociale basis’ als risico dat a) onduidelijk is ‘van wie het is’ c.q. wie verantwoordelijk is, b) lastig te bewijzen valt wat het oplevert en c) initiatieven om de sociale basis te versterken, kwetsbaar zijn voor bezuinigingen als gevolg van a) en b) 1. Sociale basis In de ogen van de Adviesraad bestaat de sociale basis uit wat bewoners met en voor elkaar doen in hun persoonlijke omgeving en de georganiseerde voorzieningen die dat mogelijk (helpen) maken. Het gaat op de eerste plaats om (ogenschijnlijk) eenvoudige zaken als elkaar kunnen ontmoeten, buiten spelen, ouders en jongerenwerkers op straat, ‘thee drinken’ waarbij ook professionals kunnen aansluiten die zaken die mis dreigen te gaan, kunnen signaleren (denk bv. aan het maken van contact met hangjeugd die kwetsbaar is voor drugs en criminaliteit).
Daarnaast gaat het om elkaar ontmoeten in georganiseerd verband zoals binnen verenigingen en clubs. En als derde schil eromheen gaat het om vrij toegankelijke voorzieningen variërend van eerstelijnsvoorzieningen, Stichting Welzijn tot een steunpunt voor vrijwilligers en mantelzorgers, et cetera2. De inzet van de gemeente bij elk van de drie schillen is cruciaal. Dat begint bij het (helpen) creëren van laagdrempelige ontmoetingsplekken in elke kern, het activeren en ondersteunen van burger-, wijk- en 1
Onderzoek Leren sturen en verantwoorden in de sociale basis (Andrew Britt et al, Verwey-Jonker Instituut, 2022)
2 Deze drie schillen zijn ontleend aan het onderzoek Leren sturen en verantwoorden in de sociale basis van het Verwey-
Jonker Instituut, gepresenteerd op 12 december tijdens de Inspiratiesessie 'Versterken sociale basis' door co-auteur Andrew Britt.
3
buurtinitiatieven, het faciliteren van het verenigingsleven tot voortzetting van initiatieven zoals de Wijk-Ggd-er en het uitdagen van instituties (de derde schil) om meer ‘de boer op te gaan’ naar inwoners toe. Blijkens de tekst wordt erg veel verwacht van het versterken van de sociale basis: ze vergroot de zelfredzaamheid van burgers, werkt preventief en signaleert vroegtijdig problemen, voorkomt het gebruik van maatwerkvoorzieningen en biedt mogelijkheden voor “het afschalen van hulp en het borgen van wat tijdens het hulptraject is geleerd”. De volgende aandachtspunten en adviezen geeft de Adviesraad mee. Zelfredzaamheid In de ogen van de Adviesraad wordt zelfredzaamheid vaak overschat. In de praktijk blijkt het vaak niet mee te vallen om bij mensen die sociaal niet vaardig zijn, een goede sociale basis te leggen. Sommige mensen vinden geen aansluiting, simpelweg omdat ze de sociale vaardigheden missen. Dat is ook moeilijk op te lossen met cursussen e.d. omdat er inzicht mist en niet iedereen leerbaar is. Conclusie en advies: blijf uitdrukkelijk oog houden voor de meest kwetsbare burgers die met alle bovengenoemde initiatieven niet worden bereikt. Maatwerk en ‘afschalen van hulp’ De Adviesraad plaatst kanttekeningen bij de uitspraak “Stevige sociale basis voorkomt gebruik van maatwerk”. Hier lijkt het erop dat maatwerk alleen bij complexe problematiek mag worden ingezet.
Uiteraard verdient het inzetten van lichtere vormen van zorg de voorkeur op het moment dat er geschikte alternatieven zijn in de vorm van vrij toegankelijke voorzieningen. Echter, er zijn ook situaties waarin maatwerkvoorzieningen betrekking hebben op eenvoudige problematiek met als duidelijk doel: preventie van escalatie. De Adviesraad adviseert om deze nuancering aan te brengen in de inkoopkaders. Preventie en het vaststellen van effecten De Adviesraad vraagt aandacht voor de wijze waarop doelen voor preventie worden vastgesteld en vervolgens voortgang en uitkomsten worden gemonitord en gemeten. Immers bij preventie geldt doorgaans: wat je voorkomt, zie je niet en niet-gebruik laat zich lastig meten. Het advies is om met aanbieders vooraf duidelijke inspanningsverplichtingen af te spreken en bij het monitoren van effecten naast kwantitatieve meetmethoden ook gebruik te maken van kwalitatieve onderzoeksmethoden waarbij inwoners worden betrokken en bevraagd op hun ervaringen. Het Consultatiedocument benadrukt sterk het belang van de lokale toegang: “De lokale toegang speelt een cruciale rol in het vormgeven van eerder genoemde uitgangspunten. Zo wordt van hen verwacht uitvoering te geven aan begrippen als normaliseren, positieve gezondheid, maar ook afbakenen van het wettelijk kader. Concreet vertaald gaat dit ook om het teleurstellen van inwoners” (p.13).
Lokale toegang – professionaliteit aan de voordeur De Adviesraad heeft in eerdere adviezen meermalen aandacht gevraagd voor het grote belang van deskundigheid bij de ‘voordeur’ bij de gemeente zelf en bij voorzieningen, zodat de juiste hulp zo snel mogelijk op de juiste plaats komt. In die zin onderschrijft de Adviesraad van
4
harte de oproep van staatsecretaris Van Ooijen aan gemeenten om de deskundigheid in de toegang te versterken, zodat er stevige lokale teams ontstaan “met goed opgeleide professionals, met de juiste expertise, ruimte en mandaat en voldoende tijd om te leren en reflecteren” (zie p.13). De Adviesraad adviseert om deze eisen m.b.t. de lokale toegang als niet vrijblijvend op te nemen in de kadernota. Teleurstellen van inwoners Op de Adviesraad komt deze uitspraak wat bevreemdend over. Uiteraard kunnen gemeente en aanbieders niet alle problemen van inwoners oplossen en is het zaak om verwachtingen daarover goed te ‘managen’. Echter, de uitdaging is om dat altijd in goede samenspraak te doen met inwoners die een beroep doen op hulp, en samen te kijken naar wat wel en wat niet mogelijk is. Hierin ligt dus een professionele uitdaging voor medewerkers bij de lokale toegang en bij aanbieders.
4. Segmenten (p.19-22) De ervaringen in de afgelopen jaren hebben geleerd dat de diversiteit van producten en diensten binnen het sociaal domein heel groot is en daarmee onoverzichtelijk en moeilijk beheersbaar. Vandaar dat nu wordt gekozen om producten met gelijksoortige doelen te clusteren in segmenten. “Bij de indeling in segmenten zijn jeugd en Wmo samengevoegd waar dat mogelijk is. Dit werken met segmenten maakt het mogelijk om doelen en uitgangspunten scherper te formuleren, maar ook om de inkoopsegmenten aan te laten sluiten op de specifieke wensen vanuit een segment.” (p. 19) De Adviesraad constateert dat de segmenten in de opsomming elkaar niet uitsluiten. Zo kan segment 1 ‘Hoog specialistisch/weinig voorkomende zorg’ betrekking hebben op de segmenten 4 ‘Behandeling’ en 5 ‘Begeleiding’. Dit geldt ook voor segment 2 ‘Crisis’. Met andere woorden: enkele segmenten gaan over de aard van de problematiek, terwijl de overige gaan over het soort interventie. Advies is om de indeling in segmenten opnieuw tegen het licht te houden om tot een logische en praktisch bruikbare indeling te komen.
5. Visie op inkoop (p.23-25) Ter aanvulling op de tekst in het Consultatiedocument is vanuit de gemeente Krimpenerwaard3 het verloop van het inkoopproces als volgt geschetst: via het inkoopkader wordt besloten wat de inkoop behelst. Daarna worden de inkoopdocumenten opgesteld op basis waarvan aanbieders hun biedingen kunnen doen. Als regio wordt dan besloten welke biedingen worden geaccepteerd. Dat aanbod komt vervolgens in een figuurlijke ‘inkoopkast’ met daarin al het beschikbare aanbod voor de inwoners van de regio. De consulenten kennen dat aanbod en zetten dit in voor de inwoners die ondersteuning nodig hebben. De afdeling Regionale Dienstverlening Sociaal Domein (RDS) onderhoudt via contractmanagers de relaties met de aanbieders en stuurt bij daar waar nodig.
3
Informatie verstrekt door Tirza Kouwenberg, beleidsmedewerker Team Advies Sociaal Domein n.a.v. vragen van de Adviesraad Sociaal Domein d.d. 7 december 2022 5
Contractmanagers – beoordeling van kwaliteit en rechtmatigheid “Contractmanagers sturen aan de hand van contractafspraken op kwaliteit, effectiviteit en veiligheid bij zorgaanbieders” staat op pagina 5. Bij de uitgangspunten op p.23 komt dit terug waarbij nadrukkelijk wordt aangegeven dat sprake moet zijn van “zakelijk partnerschap; stevig op de inhoud, zacht op de relatie“. De Adviesraad constateert dat de verwachtingen ten aanzien van de contractmanagers zeer hoog zijn en vraagt zich af of – zelfs nu het aantal aanbieders zal worden gereduceerd – deze kunnen worden waargemaakt. Met name het kunnen beoordelen van de inhoudelijke kwaliteit vereist grote deskundigheid van de contractmanagers. Hetzelfde geldt voor de rechtmatigheid: krijgen cliënten wel de zorg en ondersteuning die in de overeenkomst staat, hoe gaan aanbieders om met de verhouding cliëntgebonden tijd versus niet-cliëntgebonden tijd, kunnen contractmanagers inschatten of trajecten op tijd worden afgerond? Eerder in dit advies pleitte de Adviesraad daarom al voor het betrekken van zowel cliënten als Onafhankelijke Cliëntondersteuners. Verder adviseert de Adviesraad om contractmanagers aan te trekken met ervaring in het veld van Jeugd en Wmo en structureel te investeren in hun kennisniveau.
Zakelijk partnerschap en administratieve lasten De Adviesraad onderschrijft het belang van het onderhouden van “open relaties met korte lijnen“ met aanbieders (p.23) evenals het uitgangspunt van “vermijden van onnodige administratieve lasten” (p.25). Bij de uitwerking van de inkoopkaders wordt het een uitdaging om een goede balans te vinden tussen de verplichting tot registratie en verantwoording enerzijds versus het verlies aan cliëntgebonden tijd anderzijds bij aanbieders. Aanbieders in de velden Jeugd en Wmo klaagden de afgelopen jaren dat zodra zij verschillende gemeenten als opdrachtgever hebben, de variatie van regelingen groot is en dat dit buitensporig veel tijd kost. De Adviesraad adviseert om de variatie van regelingen waaraan aanbieders moeten voldoen, zoveel mogelijk te beperken en daartoe ook af te stemmen met de regelingen die gemeenten buiten Midden-Holland aan aanbieders opleggen. Benoemen en monitoren van doelen en resultaten De nieuwe inkoopkaders en de inkoopdocumenten die op basis daarvan worden opgesteld, beogen op een effectievere en efficiëntere manier passende zorg en ondersteuning vanuit Jeugd en Wmo in te kopen. De Adviesraad adviseert om in een volgende fase concreter de doelen en de te behalen resultaten te benoemen, alsmede de wijze waarop gemonitord gaat worden in hoeverre de doelen worden behaald.
6. Participatietraject In de inleiding van dit advies is reeds benoemd dat de Adviesraden van Midden-Holland vraagtekens zetten bij de wijze en mate van participatie van de raden tijdens de verschillende fasen van het ontwikkel- en besluitvormingstraject. Het lijkt erop dat slechts aan de voorkant van het traject namelijk bij de voorbereiding van de kaderstelling een formele adviesvraag uitgaat aan de Adviesraden.
6
De Adviesraad Sociaal Domein van de gemeente Krimpenerwaard heeft het volgende dringende advies: betrek de Adviesraad ook in de volgende fasen van dit proces om tot goede inkoop Jeugd en Wmo te komen. Dan namelijk krijgen de uitgangspunten - het ‘wat’ concretere vertaling in het ‘hoe’ en juist dan wordt zichtbaar wat het inkoopkader gaat betekenen voor de inwoners. Een belangrijk tweede argument hiervoor is dat diverse landelijke ontwikkelingen die nu nog onzeker zijn – de Hervormingsagenda Jeugdwet en aanpassingen in de Wmo – impact gaan hebben op de inkoop en dus ook op de inwoners die zijn aangewezen op deze voorzieningen. Bij voorkeur krijgt de betrokkenheid van de Adviesraad te zijner tijd gestalte via een of meer formele adviesaanvra(a)g(en). Tot slot enkele tekstuele opmerkingen: • In het document wordt afwisselend gesproken over ´hulp en ondersteuning´ en ´zorg en ondersteuning´. Gelet op het brede palet van diensten dat onder de Jeugdwet en Wmo valt, variërend van licht tot heel zwaar, geven wij de voorkeur aan de termen ´zorg en ondersteuning’. • Zoals eerder aangegeven is de tekst in het algemeen nogal ´hoog over´. Vaker voorbeelden geven bij de inhoudelijke uitgangspunten kan dit voor een deel ondervangen.