Bijlage 1 Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 – Toelichting, versie 29 maart 2024 A24.000166
Tekst van het document
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 76/120
betreft fijnstof. Deze toename van concentraties voldoet ruimschoots aan de wettelijke normen. De gemeente Zuidplas heeft het Schone Luchtakkoord ondertekend. Op het moment van ondertekenen golden de WHO advieswaarden uit 2005 als basis voor het akkoord. Daarmee is de ambitie van de gemeente om onder de WHOadvieswaarde uit 2005 te blijven en dus strengere eisen toe te passen dan die strikt genomen gelden op grond van de Wet milieubeheer. De toenmalige advieswaarden waren 40 µg/m³ NO2, 20 µg/m³ PM10 en 10 µg/m³ PM2,5. Deze waarden liggen onder de grenswaarden uit de Wet Milieubeheer, maar boven de advieswaarde van het WHO uit 2021. Na realisatie van het plan wordt aan deze oude advieswaarde voldaan. Er wordt echter niet aan de advieswaarden uit 2021 voldaan. Aangezien deze geen onderdeel uitmaken van het wettelijk kader en evenmin van het Schone Lucht Akkoord, staat dit niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Tabel 4.1 Fijnstof en stikstofoxiden: grenswaarden en maximale waarden het voorkeursalternatief Stof Type norm GrensWHO WHO VKA (alle waarde advieswaarde advieswaarde beoordelings(µg/m3) 2005* 2021 punten) (µg/m3) NO2
Jaargemiddelde concentratie (μg/m3)
40
NO2
Aantal overschrijdingsuren grenswaarde uurgemiddelde concentratie
18
PM10
Jaargemiddelde concentratie (μg/m3)
40
PM10
Aantal overschrijdingsdagen grenswaarde daggemiddelde concentratie
35
PM²,5
Jaargemiddelde concentratie (μg/m3)
25
40
20
10
10
15
5
VKA (beoordelingspunten Vijfde dorp) (µg/m3)
25
14
0
0
18
15
7
6
9
8
*Deze advieswaarden lagen ten grondslag aan het door de gemeente ondertekende Schone Luchtakkoord
Geurhinder In de huidige situatie is er een aantal bedrijven in en in de nabijheid van het plangebied die een geurhindercontour hebben. Voor veel bedrijven geldt een richtlijn van 10 – 30 meter als geurcontour. Vanwege deze geringe afstand, vallen deze contouren in de meeste gevallen niet samen met ontwikkellocaties van geurgevoelige objecten, met name woningen. Deze bedrijven vormen daarmee geen belemmering voor de woningbouw. Andersom zal de bouw van woningen geen belemmering vormen voor de bedrijfsvoering van deze bedrijven. Van een drietal bedrijven zijn de contouren groter, waardoor er wel overlap is met de beoogde ontwikkellocaties van geurgevoelige objecten.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 77/120
Het gaat om de veehouderijen aan de Zuidelijke Dwarsweg 8 te Moordrecht, de Zuidelijke Dwarsweg 17 te Zevenhuizen en aan de Middelweg 19 te Moordrecht. In onderstaande figuur zijn de geurcontouren van de desbetreffende bedrijven geprojecteerd op de inrichtingsschets voor het plan.
Veehouderij Middelweg 19 Richtafstand 100 meter
Figuur 4.4 Geurcontouren bedrijven en veehouderijen met een geurcontour die over het ontwikkelgebied ligt (de ligging van de betreffende bedrijven is met pijlen aangeduid) De geurcontouren van de veehouderij aan de Zuidelijke Dwarsweg 17 liggen over een groot deel van het plangebied. Onderdeel van de ontwikkelingen is dat deze veehouderij verdwijnt, om plaats te maken voor woningen. Dit is in de planregels (artikel 29) geborgd door een omgevingsvergunning bouwen alleen te verlenen indien er geen intensieve veehouderij meer plaatsvindt op het perceel Zuidelijke Dwarsweg 17 te Zevenhuizen. De geurcontouren van de Zuidelijke Dwarsweg 8 te Moordrecht liggen ook over het plangebied. De 2 OU/m3 contour ligt gedeeltelijk op het bedrijventerrein Doelwijk II, waardoor plaatselijk de normen voor geurhinder worden overschreden. Binnen deze contour mogen daarom geen geurgevoelige objecten worden gerealiseerd. Het bestemmingsplan laat deze objecten in de geurzone ook niet toe. Daarmee wordt ook voorkomen dat de veehouderij aan de Zuidelijke Dwarsweg 8 door het plan wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering. De contour van het bedrijf aan de Middelweg 19 ligt voor een beperkt deel (10 – 30 meter) over het plangebied, op een plek waar woningbouw mogelijk is. In artikel 29.1.1.
van de regels is daarom geregeld dat bij de realisatie van bebouwing in het woongebied en bosgebied geen sprake mag zijn van onaanvaardbare hinder vanuit bedrijfsactiviteiten, waaronder begrepen geurhinder. Omdat het om een beperkte zone gaat, levert dit geen belemmering op voor de ontwikkeling van het dorp. Door het opnemen van de regel is geborgd dat de realisatie van woningen geen belemmering oplevert voor de huidige activiteiten van het
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 78/120
betreffende bedrijf. Samengevat betekent bovenstaande dat de geurhinder in het plangebied gaat afnemen door het verdwijnen van de veehouderij aan de Zuidelijke Dwarsweg 17 te Zevenhuizen. Conclusie Het plan leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden wat betreft fijnstof en stikstofdioxide. De ontwikkelingen zorgen daarnaast voor een afname van geurhinder. Luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.6 Externe veiligheid Kader Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s door de opslag, productie en het transport van gevaarlijke stoffen. In ruimtelijke plannen dient aandacht te worden besteed aan de relatie tussen risicovolle activiteiten en de omgeving. Er zijn twee situaties waarbij externe veiligheid een rol speelt, namelijk bij het ontplooien van een risicovolle activiteit en bij het realiseren van een (beperkt) kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een dergelijke “activiteit”. De voor dit bestemmingsplan belangrijkste kaders worden gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is om mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. In het Bevi worden afstandsnormen gesteld met betrekking tot risicovolle inrichtingen. Hierbij is de relatie met risicogevoelige objecten in de omgeving van belang. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes voor gevaarlijke stoffen en de omgeving van deze transportroutes. Betekenis voor het bestemmingsplan: Voor onderhavig plan is een onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid (bijlage 17).
Hieruit volgden de volgende conclusies: Plaatsgebonden risico Het Plaatsgebonden risico is het risico dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als gevolg van calamiteiten met een gevaarlijke stof. De plaatsgebonden risicocontour voor het transport over weg, spoor en buisleidingen overschrijdt de grenswaarde niet. Als gevolg van de ontwikkelingen komen er geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen bestaande plaatsgebonden risicocontouren. Wel wordt er een tweetal bedrijventerreinen gerealiseerd, waarbij op het bedrijventerrein Doelwijk II bedrijven in de milieucategorie 3 en in beperkte mate milieucategorie 4 zijn toegestaan. Dit kunnen ook bedrijven zijn die onder het Bevi vallen en daardoor een risicocontour (PR 10-6/jaar) hebben. Het gemeentelijk beleid is om de PR 10-6 contour binnen de inrichtingsgrens te laten vallen. Dit is geborgd in het bestemmingsplan. In onderhavige ontwikkelingen komen bestaande of nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten niet binnen nieuwe risicocontouren te liggen.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 79/120
Groepsrisico Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep personen van een bepaalde grootte tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen als gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied. Het is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting die ontstaat door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Relevant hiervoor is enerzijds de aanwezigheid van risicobronnen, waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan ontstaan, en anderzijds de aanwezigheid van grote groepen mensen. In en rond het plangebied zijn verschillende risicobronnen aanwezig met veiligheidscontouren. Als gevolg van het initiatief neemt de personendichtheid in het plangebied toe. Dit komt zowel door de ontwikkeling van het Vijfde Dorp als door de ontwikkeling van de twee bedrijventerreinen. De maximale personendichtheid in het Vijfde Dorp wordt 106 personen per hectare (= 50 woningen per hectare) en de maximale personendichtheid op de bedrijventerreinen wordt 40 personen per hectare voor Doelwijk II en 60 personen per hectare voor Gouwepark II. Dit heeft tot gevolg dat het groepsrisico zal toenemen. Het groepsrisico van transport van gevaarlijke stoffen over de weg en over het spoor zal naar verwachting lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijven.
Het groepsrisico van de buisleidingen neemt sterker toe en komt boven de 0,1 maal de oriëntatiewaarde te liggen (namelijk op 0,36 maal de oriëntatiewaarde). De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt dus niet overschreden. Dit komt doordat de reeds bestaande buisleidingenstraat en een aantal hogedruk aardgasleidingen door het Vijfde Dorp komt te lopen. Hoewel aan weerzijde van de buisleidingen een vrije ruimte is gereserveerd, neemt het groepsrisico wel toe met meer dan 10% ten opzichte van de huidige situatie. Daarbij is er reeds rekening mee gehouden dat het afblaaspunt met de grootste veiligheidscontour langs de Vierde Tocht in het plan wordt aangepast tot een afsluitergroep met een kleinere veiligheidscontour. In de planregels is geborgd dat tot dat moment geen omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen in het Vijfde Dorp kan worden verleend. Verleggen van hogedruk aardgasleiding In het bebouwingsgebied van het Vijfde Dorp liggen verschillende buisleidingen. De meeste buisleidingen liggen centraal in een buisleidingenzone die - parallel aan de Vierde Tocht - dwars door het Vijfde Dorp loopt. Deze buisleidingenzone is in het stedenbouwkundige ontwerp geheel vrijgehouden van bebouwing. Ter hoogte van de Middelweg ligt een aardgasleiding (W-521-18) die ook door het centrumgebied van het Vijfde Dorp loopt.
Er is in overleg met Gasunie voor gekozen om deze buisleiding voor een groot deel te verplaatsen naar buiten het bebouwingsgebied van het Vijfde Dorp. De nieuwe ligging van de buisleiding is voorzien direct langs de Middelweg.. Het verleggen van deze buisleiding zal leiden tot gelijke danwel een iets minder grote toename van het groepsrisico rondom deze buisleiding ten opzichte van de situatie waarbij de buisleiding blijft liggen op de huidige locatie. . Deze zal echter ruim onder de 0,1 maal de oriëntatiewaarde blijven. Daarom zou in die situatie geen verantwoording nodig zijn voor dit deel van de buisleiding. De verlegging van de gasleiding (W-521-18) van de westzijde van de Middelweg naar de oostzijde van de Middelweg is voorzien door een gestuurde boring toe te passen waardoor de leiding op veel grotere diepte komt te liggen. Voor een groot deel wordt de nieuwe leiding op tenminste 10m -mv gerealiseerd. Deze diepteligging is ook geborgd in het bestemmingsplan.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 80/120
Gezien deze diepe ligging en verlegging buiten de toekomstige bouwactiviteiten vermindert de kans op schade en een calamiteit aanzienlijk. Met deze diepteligging is het uit oogpunt van externe veiligheid mogelijk om ook zeer kwetsbare gebouwen nabij deze gasleiding te realiseren. Conclusie Op basis van de toename van het groepsrisico door de buisleiding die door het Vijfde Dorp loopt, dient een zogenoemde ‘verantwoording’ uitgevoerd te worden. Voor onderhavig plan is een ‘volledige verantwoording’ uitgevoerd. Deze verantwoording is terug te vinden bij bijlage 17 van dit bestemmingsplan. Daaruit komt naar voren dat -met in achtneming van een aantal maatregelende toename van het groepsrisico verantwoord wordt geacht. In het plangebied worden onderstaande maatregelen toegepast. Een uitzondering hierop is gemaakt voor de leiding die wordt verlegd en die door het uitvoeren van een gestuurde boring op grote diepte komt te liggen. Maatregelen voor de leidingstrook 1. Geen niet-zelfredzame personen binnen 100% letaliteit buisleidingen mogelijk, tenzij leidingstrook is geïsoleerd voor groot materieel (om graafschade te voorkomen) én vergunningsplicht inclusief advies van VRHM noodzakelijk. In de planregels is opgenomen dat geen omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend als de leidingstrook niet is geïsoleerd.
De 100% letaliteitszone is op de verbeelding opgenomen en in de planregels is geborgd dat in die zone geen zeer kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. 2. Realiseren van een (beperkt) kwetsbaar object binnen 100% letaliteit buisleidingen is mogelijk, maar voorafgaande is een schriftelijk advies nodig met betrekking tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid van de VRHM. Dit is opgenomen in het bestemmingsplan. De 100% letaliteitszone is op de verbeelding opgenomen en in de planregels is geborgd dat in die zone voor (beperkt) kwetsbare gebouwen een vergunningplicht geldt, inclusief advies van VRHM. Ook kunnen nadere eisen worden gesteld ter verhoging van de zelfredzaamheid van personen in gebouwen en ter verhoging van de bestrijdbaarheid. 3. Buiten de 100% letaliteitszone zijn alle objecten en niet zelfredzame personen toegestaan, mits de bereikbaarheid versus opkomsttijden brandweer, bluswater, handmatig kunnen afschakelen ventilatie en invulling van de energietransitie toereikend zijn. In de planregels is geborgd dat mechanische ventilatie handmatig is uit te schakelen. 4. De Vierde tocht en de kleinere sloot naast de leidingstrook als bluswatervoorziening gebruiken. 5. Indien leidingstrook geïsoleerd wordt, dan dient de gehele leiding door het woongebied geïsoleerd te zijn. Dit is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan.
De leidingstrook is voorzien van een groenbestemming en dubbelbestemming ter bescherming van de leiding. In de planregels is opgenomen dat een omgevingsvergunning voor bouwen alleen wordt verleend als de leidingstrook is geïsoleerd, waarbij is voorzien in een fysieke afscherming waardoor deze gronden niet zonder meer toegankelijk zijn voor zwaar materiaal zoals graafmachines. 6. Houtbouw woningen binnen de 100% letaliteit buisleidingen is mogelijk mits een voorafgaande schriftelijk advies met betrekking tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid van VRHM is aangevraagd. Voor alle (beperkt) kwetsbare gebouwen in de 100% letaliteitzone van de buisleidingen is advies van VRHM vereist op grond van het bestemmingsplan.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 81/120
7. Graven mag uitsluitend plaatsvinden onder actief toezicht van Gasunie. 8. Bij de toegangen van de leidingstrook wordt met bebording gewezen op de verboden. 9. De leidingstrook heeft nu nagenoeg geen beplanting. Eventuele nieuwe beplanting moet voldoen aan eisen van Gasunie. Maatregelen voor de individuele buisleidingen 10. Geen niet-zelfredzame personen binnen 100% letaliteit buisleidingen én vergunningsplicht inclusief advies van VRHM noodzakelijk. Dit is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. 11. (Beperkt) kwetsbaar object binnen 100% letaliteit buisleidingen is mogelijk, mits voorafgaand een schriftelijk advies met betrekking tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid van de VRHM is aangevraagd. Dit is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. 12. Buiten de 100% letaliteitszone van de individuele buisleidingen zijn alle objecten en niet zelfredzame personen toegestaan, mits de bereikbaarheid versus opkomsttijden brandweer, bluswater, handmatig kunnen afschakelen ventilatie en invulling van de energietransitie toereikend zijn. Dit is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. 13. Houtbouw woningen binnen de 100% letaliteit individuele buisleidingen is mogelijk mits een voorafgaande schriftelijk advies met betrekking tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid van VRHM is aangevraagd. 14. Graven mag uitsluitend plaatsvinden onder actief toezicht van Gasunie.
15. De individuele buisleidingen hebben nu nagenoeg geen beplanting. Eventuele nieuwe beplanting moet voldoen aan eisen van Gasunie. 16. Belemmeringstrook van 4 -5 meter aan weerszijde van de buisleiding aanhouden waarin zich binnen geen (beperkt) kwetsbare objecten en niet zelfredzame personen mogen vestigingen. Dit is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Overige maatregelen met betrekking tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid: In de onderstaande maatregelen is het advies van de VRMH reeds meegenomen. B1. Meer dan twee toegangswegen tegenover elkaar gesteld naar het Vijfde Dorp en de industrieterreinen Gouwepark II en Doelwijk II. B2. De opkomsttijden van de brandweer naar het Vijfde Dorp en de industrieterreinen moeten minimaal binnen 10 minuten en mag niet boven de 18 minuten zijn. B3. De Vierde Tocht en de sloot naast leidingstrook als openbare secundaire bluswatervoorziening beschouwen. B4. Geadviseerd wordt om het bluswatervoorziening en bereikbaarheid minimaal te voldoen aan het Beleidsdocument Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands-Midden10. B5. Opstellen van een risicocommunicatieplan voor bewoners van het Vijfde Dorp en de industrieterreinen. B6. Effecten buisleidingen meenemen in V&G plannen van werkzaamheden bouw en graafwerkzaamheden nabij buisleidingen. B7.
Ambulances dienen de mogelijkheid te hebben om te kunnen keren/vertrekken op locatie.
10
Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Veiligheidsregio Hollands Midden d.d. 10 november 2022
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 82/120
B8. Opstellen van een mobiliteitsplan van het plangebied in geval van een calamiteit met de buisleidingen en/of transport met gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor. B9. Het opstellen van voorlichting- en communicatieplan voor het personeel gemeente in geval van een calamiteit met de buisleidingen en transport van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor. B10. In de nabijheid van het plangebied dient een WAS (waarschuwings- en alarmeringssysteem) gerealiseerd te worden. Z1. Sluiten van mechanische ventilatie in gebouwen moet handmatig kunnen worden bediend. Dit is geborgd in de planregels. Z2. Men moet van de risicobron af kunnen vluchten. Z3. Gebieden selecteren als verzamelplaats en inrichten op het scenario fakkelbrand. Dit houdt in dat de verzamelplaats voldoende worden afgeschermd door gebouwen. Z4. Haaks op de wind kunnen vluchten bij wolkbrand bij de industrieterreinen. Isoleren buisleidingenstrook Een algemene maatregel is het sterk isoleren van de leidingenstrook die door het Vijfde Dorp loopt. Dat betekent dat deze zone slechts beperkt toegankelijk is. Extensieve recreatie is daarbij wel toegestaan. Naast de reeds bestaande 4e Tocht, is ook aan de andere zijde van de leidingenstrook een watergang gepland. Dit draagt bij aan de isolatie van de leidingenstrook.
Waar de leidingstraat doorkruist wordt door verkeersinfra, kunnen afsluitingen gerealiseerd worden die alleen toegang geven voor extensieve recreatie. Zwaarder materieel kan alleen toegang krijgen indien een sleutel is verstrekt door de gemeente/ de leidingstraatbeheerder. Graven mag alleen onder actief toezicht van Gasunie en toevoegen van beplanting moet voldoen aan de eisen van Gasunie. Maatregel voorwaarden bedrijven Voor de bedrijventerreinen geldt dat risicovolle inrichtingen in beginsel niet zijn toegestaan. Deze kunnen alleen onder voorwaarden worden toegestaan, als de plaatsgebonden risicocontour 10-6 niet buiten de inrichtingsgrens reikt. Bovendien dient het groepsrisico verantwoord te worden op het moment dat een risicovolle inrichting zich vestigt. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen van het Vijfde Dorp. Met inachtneming van de genoemde maatregelen acht de gemeente het groepsrisico verantwoord.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 83/120
4.7 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Kader In de Erfgoedwet is de bescherming van het archeologisch erfgoed geregeld. Deze wet verplicht om bij de bestemming van de in het bestemmingsplan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, aangezien ze grotendeels verborgen liggen in de bodem. Hierdoor zijn ze niet eenvoudig te karteren. Bij bodemverstoringen dient getoetst te worden of de archeologische waarden niet verstoord of beschadigd worden. Betekenis voor het bestemmingsplan: Voor de ontwikkeling van het Middengebied is een onderzoek uitgevoerd naar archeologie, cultuurhistorie en landschap (zie bijlage 18). Hieruit vloeiden de volgende conclusies: Archeologie In het plangebied liggen geen archeologische monumenten. Uit de archeologische beleidskaart en de parapluherziening Archeologie van de gemeente Zuidplas blijkt dat op de plekken waar bebouwing is voorzien (het Vijfde Dorp en de twee nieuwe bedrijventerreinen) grotendeels sprake is van een waarde Archeologie 3. Onder het beleid van de gemeente Zuidplas betreft dit gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde.
Ten tijde van het opstellen van de verwachtingswaardenkaart is daarmee ingeschat dat er in deze gebieden een trefkans bestaat dat archeologische resten in de diepere ondergrond aanwezig zijn. Voor plannen groter dan 1.000 m² en ingrepen dieper dan 3 m onder het maaiveld, is daarom voorafgaand archeologisch onderzoek nodig. Bij de ontwikkeling van de woningen en het bedrijventerrein is derhalve een archeologisch onderzoek nodig. Plaatselijk komt een waarde Archeologie 2 voor (hoge archeologische verwachtingswaarde). Dit gebied ligt deels binnen de bedrijventerreinuitbreiding Doelwijk II en deels binnen het Koning Willem I bos. Het beleid vanuit de gemeente Zuidplas geeft hier een hoge verwachtingswaarde, waaraan strengere regels verbonden zijn. Archeologisch onderzoek is hier nodig, wanneer een plan groter is dan 100 m² en ingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld nodig zijn. Binnen de ontwikkeling van het bedrijventerrein is hiervan sprake. Cultuurhistorische waarden Binnen het ontwikkelgebied zijn geen rijksmonumenten aanwezig. Buiten het plangebied zijn wel enkele rijksmonumenten te vinden. In het zuidwesten ligt de boerderij ‘Geertruida-hoeve’. In het oosten ligt de boerderijschuur ‘Huis de Merwede’. Deze rijksmonumenten liggen op de uiterste grenzen van het plangebied.
Daarnaast zijn de woningen langs de Middelweg aangemerkt als ‘beeldbepalende panden’ op de gemeentelijke monumentenlijst. Bij de ontwikkeling worden deze panden en rijksmonumenten behouden. Op enige afstand van het plangebied liggen meerdere molenbiotopen en ligt het kroonjuweel ‘Middengebied Krimpenerwaard’ (ten zuidoosten buiten het plangebied). De molenbiotopen liggen op relatief grote afstand van het
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 84/120
plangebied (minimaal 800 meter ten opzichte van de plangrens). De planontwikkeling zal de molenbiotopen daarom niet aantasten. Landschappelijke waarden Grondgebruik Op dit moment is het gebied voor het grootste deel in agrarisch gebruik. De ontwikkeling van het Middengebied zorgt ervoor dat een groot deel van het agrarisch gebruik uit het gebied verdwijnt. Dit gebeurt in ieder geval ter plaatse van het Vijfde Dorp, de bedrijventerreinen, het Koning Willem I bos en het energielandschap. Fysieke landschapskenmerken Door de ontwikkeling van het Middengebied veranderen de huidige fysieke landschapskenmerken. De openheid die nu in het Middengebied aanwezig is zal voor een groot deel verdwijnen door de ontwikkeling van het Vijfde Dorp en de realisatie van natuur met opgaande begroeiing (met name in het Koning Willem I bos), de bedrijventerreinen en het energielandschap. Het gebied wordt gekenmerkt door de historische verkaveling. Belangrijke landschappelijke lijnelementen zijn de Derde Tocht/Knibbelweg, Vierde Tocht, Vijfde Tocht, Middelweg/Bredeweg en de Zuidelijke Dwarsweg. Allen zijn nu onderdeel van het wegennetwerk, behalve de Vierde Tocht, die nog als waterloop het gebied doorsnijdt. Bij de ontwikkeling blijven al deze lijnelementen behouden en ze worden als belangrijke structuurdragers van de ontwikkeling beschouwd.
Ook de bestaande lintbebouwing blijft nadrukkelijk behouden als kenmerkende lijnstructuur in het gebied. In de gebieden waar het energielandschap en het Koning Willem I bos komen, zal tevens de karakteristieke fijnere verkavelingsstructuur behouden blijven. Deze zal wel verdwijnen in een deel van het Vijfde Dorp en de bedrijventerreinen. In het deel van het Vijfde Dorp waar de Watertuinen zijn gepland zal de verkavelingsstructuur worden gevolgd, op de kreekrug zal de verkavelingsstructuur grotendeels verdwijnen. Tot slot ligt in een groot deel van het plangebied een aardkundig waardevol gebied. Dit aardkundig waardevolle gebied markeert de kreekrug (ook wel inversierug genoemd) die in de droogmakerijen herkenbaar is (zie voor de kreekrug figuur 2.2). Deze kreekrug is een gebiedseigen kenmerk met landschapshistorische waarde dat wat vorm betreft in het plan wordt uitvergroot en meer zichtbaar wordt gemaakt. De contour van het Vijfde Dorp is gebaseerd op deze kreekrug en de stevigere bodem die hiervan het gevolg is. Binnen deze contour zal tevens een dichter woonmilieu ontstaan. De contour van het Vijfde Dorp verwijst dus naar dit stuk van de ontstaansgeschiedenis. Daarmee wordt het aardkundig waardevolle gebied geaccentueerd. Conclusie Wat betreft de cultuurhistorische waarden, zijn er geen rijksmonumenten binnen het plangebied aanwezig.
De enkele rijksmonumenten en beeldbepalende panden die zich buiten het plangebied bevinden, zullen behouden blijven en worden niet aangetast door de ontwikkeling. Alhoewel er bij de ontwikkeling van het Middengebied sprake is van het behoud van verschillende landschapswaarden zoals het behoud van de historische verkaveling, belangrijke landschappelijke lijnelementen en lintbebouwing, zullen het grondgebruik en de fysieke landschapswaarden veranderen. Hier komen echter nieuwe landschapswaarden voor in de plaats. Zo wordt bijvoorbeeld de
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 85/120
aardkundig waardevolle kreekrug geaccentueerd. In het Masterplan Middengebied Zuidplaspolder is uitvoerig beschreven hoe deze nieuwe landschapswaarden eruit komen te zien. Voor archeologie geldt dat er sprake is van archeologische waarden in het plangebied. Binnen dit bestemmingsplan worden deze dubbelbestemmingen overgenomen met een onderzoeksplicht voor vergunningverlening. Bij de ontwikkeling van woningen en de bedrijventerreinen wordt derhalve een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Archeologie vormt daarmee ook geen belemmering voor het bestemmingsplan. Archeologie, cultuurhistorie en landschap vormen daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.8 Bodem Kader In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging, dient in enkele gevallen een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop en waarbinnen deze ontwikkelingen plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Betekenis voor het bestemmingsplan: Voor onderhavige ontwikkeling heeft een bodemonderzoek plaatsgevonden (zie bijlage 19). Bodemkwaliteit In het kader van het MER is een milieuhygiënisch bureauonderzoek uitgevoerd (deelrapport Water, bodem en klimaat). Daarbij is op basis van historisch bodemgebruik en beschikbare bodemonderzoeken een inschatting gemaakt van aanwezigheid van bodemverontreinigingen. Uit dat onderzoek blijkt dat in het plangebied op enkele plekken bodemverontreinigingen te verwachten zijn. In het kader van de verdere uitwerking van het planvoornemen moet middels bodemonderzoek worden bepaald waar bodemverontreiniging daadwerkelijk aanwezig is. De aanwezige verontreinigingen kunnen bij het nemen van de juiste maatregelen (voldoende dikke leeflaag en isolatiedoek) in de grond aanwezig blijven.
Wel dient rekening gehouden te worden met de ligging van tuinen ten opzichte van diffuus lood. Dit geldt met name voor de Kreekrug. In de Watertuinen wordt het risico op het verspreiden van verontreinigingen groter door het verhogen van waterpeilen. Dit geldt zowel voor mobiele grondverontreinigingen als grondwaterverontreinigingen. In de Watertuinen wordt het peil dusdanig verhoogd dat het maaiveld permanent onder water staat of op sommige delen in een bepaalde periode van het jaar. Dit betekent dat eventuele mobiele verontreinigingen op het maaiveld terecht kunnen komen met verhoogde verspreiding en blootstelling van de bewoners met al dan niet risico`s voor de humane gezondheid. Bij de ontwikkelingen worden verontreinigingen om die reden gesaneerd om risico’s te verkleinen.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 86/120
Bodembeweging Veenoxidatie In het plangebied komt het peil in nagenoeg alle delen van het gebied op -5,8 m NAP te liggen. Dit terwijl de praktijkpeilen van HHSK momenteel variëren tussen de -7,45 m en -5,9 m NAP. Mocht het peil over het hele gebied worden gehanteerd, dan komen delen buiten de Kreekrug onder water te staan waardoor bodemdaling als gevolg van veenoxidatie stopt. Of een gebied daadwerkelijk onder water komt te staan hangt af van of het peil op die locatie afneemt of toeneemt ten opzichte van de huidige situatie en van de maaiveldhoogte (die varieert tussen ca. -7,00 m NAP tot lokaal -4,50 m NAP). Op basis van de kaarten met praktijkpeilen en maaiveldhoogtes is de inschatting dat in het hele gebied sprake is van een peilstijging. Er zullen daardoor geen gebieden zijn waar de ontwatering toeneemt. Veenoxidatie en bodemdaling worden hiermee gestopt. Zetting In het plangebied wordt uitgegaan van minimaal ophogen en een restzettingseis van 10 – 20 cm in 30 jaar excl. autonome bodemdaling. In bepaalde gebieden wordt gekeken naar alternatieve vormen van bouwen die niet grondgebonden zijn zoals paalwoningen en drijvend wonen. Het aspect bodemdaling zal voor deze type bebouwing minder of geen factor spelen waardoor de overlast voor bodemdaling daar tot een minimum beperkt wordt.
Desalniettemin zal er wel sprake zijn van een (licht) verhoogde onderhoudsfrequentie van de infrastructuur en overige gebouwen. Dit betekent dat binnen de termijn van de levensduur van de infrastructuur van 60 jaar, de gemeente of particulier moet overgaan tot een reconstructie of ophogen. Beïnvloeding bestaande (lint) bebouwing Uitgangspunt is dat bestaande woningen worden opgenomen in de peilvakken van het gebied waarin ze staan. Dus als voorbeeld: woningen langs de Middelweg vallen, afhankelijk van de plek, binnen het peilvalk van het Vijfde Dorp of het peilvak van het Koning Willem I bos. Mocht het vanuit waterhuishoudkundig oogpunt nodig zijn, krijgen woningen een eigen peilvak (indien mogelijk geclusterd met meerdere woningen). Indien nodig is het opvijzelen van woningen een mogelijkheid. Alleen als het vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet anders kan, is amoveren van een woning een optie. Uitgangspunt is echter dat bestaande woningen behouden blijven. Maatregelen Verontreinigde grond Direct bouwen op verontreinigde grond is niet toegestaan. Om bouwen mogelijk te maken is saneren van de grond nodig of het isoleren van de verontreiniging. Saneren houdt in het verwijderen van de verontreiniging en schone grond op dezelfde plek aanbrengen van tenminste 1 meter dik.
Een andere mogelijkheid is het isoleren van de verontreiniging, dit kan gedaan worden door een isolatiedoek aan te brengen en een leeflaag aan te brengen van ca. 1 meter dik. Op sommige plekken is diffuus lood aanwezig. Het saneren van diffuus lood is complex en kostbaar. Het is daarom meer gangbaar om in het ontwerp rekening te houden met de locatie van tuinen en/of kinderspeelplaatsen. Wanneer het niet mogelijk is hier rekening mee te houden zal sanering en/of isolering van de verontreiniging nodig zijn.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 87/120
Verontreinigd grondwater Gezien het fijnmazige watersysteem in de polder is de kans groot dat grondwaterverontreinigingen in geval van kwel in oppervlaktewater terecht komt. Er is verder onderzoek nodig om de precieze situatie en omvang vast te stellen. Het isoleren van grondwaterverontreinigingen is ingewikkeld en duur. Daarom is het saneren van grondwaterverontreiniging nodig, dit kan gedaan worden door grondwater weg te pompen en grond er omheen schoon te maken. (Actualiserend) Bodemonderzoek De aard en omvang van de maatregelen kan pas volledig worden bepaald als duidelijk is welke verontreinigingen en hoeveel van deze verontreiniging aanwezig is. Voor verdere ontwikkeling moet een (actualiserend) bodemonderzoek worden verricht voor dat een vergunning voor bouwen wordt verleend. Conclusie Bij de nieuwe ontwikkelingen worden alle zaken die nodig zijn qua bodem(verontreiniging) voor uitvoer van de werkzaamheden opgepakt of wordt er tijdens de werkzaamheden rekening gehouden met de bodemverontreinigingen. Dit gebeurt onder andere door het uitvoeren van een (actualiserend bodemonderzoek). De ontwikkeling is met in achtneming van maatregelen uitvoerbaar. De ontwikkeling leidt zelf niet tot nieuwe bodemverontreiniging. Bodem vormt daarmee geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.9 Water Kader Conform artikel 1.3.6. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op een evenwichtige manier laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Door het doorlopen van het watertoetsproces wordt de waterbeheerder in een vroegtijdig stadium bij de plannen betrokken. Betekenis voor het bestemmingsplan: Voor onderhavige ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd (zie bijlage 20) en een waterstructuurplan (zie bijlage 21) opgesteld. Deze zijn als basis gebruikt voor de waterparagraaf. Het waterstructuurplan leidt tot een enkele wijziging ten opzichte van het Voorkeursalternatief zoals dat in het MER is onderzocht. Bij de betreffende punten wordt aangegeven welke afweging hierbij is gemaakt.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 88/120
Oppervlaktewater Het vertrekpunt voor een toekomstbestendig watersysteem met goede waterkwaliteit is het verhogen van het waterpeil: hierdoor wordt de kwel, van slechte kwaliteit, weggedrukt. Als uitgangspunt wordt hiervoor een principe peil van NAP -5,8m gehanteerd op de Kreekrug en de Watertuinen. In de praktijk zal het waterpeil op de meeste plekken fluctueren tussen de NAP -5,95m en 5,65m. In de Watertuinen en Kreekrugdorp is het vertrekpunt dat het peil fluctueert binnen een bandbreedte van 0,30 meter. Onderzocht wordt of een peilfluctuatie van bijvoorbeeld 0,50 meter beter aansluit bij de ecologische ambities voor het woongebied. Het waterpeil in het Energielandschap en de 4e tocht zal eveneens fluctueren. Er wordt voor een ander waterpeil gekozen dan in de Watertuinen en Kreekrugdorp in verband met bestaande en nieuwe infrastructuur. Verder is het maaiveld hier relatief laag en met de beoogde toekomstige functies wordt het maaiveldniveau niet verhoogd. Het waterpeil ligt in de toekomst tussen het huidige waterpeil (NAP -7,12/-6,92m) en het toekomstige waterpeil van de Watertuinen en het Kreekrugdorp. Het bedrijventerrein en het bos behouden het huidige peil, dat fluctueert tussen de NAP -6,42 m en -6,32 m. Deze waterpeilen blijven gehandhaafd, in verband met toekomstige functies kan er voor een ander peilregime gekozen worden binnen deze bandbreedte.
Een stedenbouwkundig uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat de huidige structuur van het watersysteem, voornamelijk de tochten, op hoofdlijnen blijft bestaan. De kavelsloten zullen vooral op de Kreekrug en het bedrijventerrein worden aangepast. De Kreekrug en de Watertuinen functioneren als één bergingsgebied bij extreme neerslag en als buffer voor in droge tijden. Bij een maalstop of zeer extreme neerslag gebeurtenis functioneert het Energielandschap samen met de 4e Tocht als bergingsgebied door extra water te bergen op maaiveld. Er wordt overwogen om het in het Energielandschap binnen een bredere bandbreedte peil te laten fluctueren. Het bedrijventerrein wordt samen met het Koning Willem I bos een apart peilvak met bestaand peil van NAP -6,32 m tot -6,42 m. Om wateroverlast in het plangebied te voorkomen dient voldoende waterberging gerealiseerd te worden. In overleg met HHSK moet worden bepaald of het nieuwe wateroppervlak volstaat om te compenseren voor extra verhard oppervlak. Het uitgangspunt is dat een extreme bui (143mm/ 24 uur, met maalstop) geborgen kan worden in gebied zonder dat er schade ontstaat aan bebouwing, infrastructuur en vitale voorzieningen. Hierbij mag een deel van de compensatie als alternatieve berging worden vormgegeven, zoals wadi’s, waterpleinen en groenblauwe structuren.
Daarnaast hanteert HHSK het principe dat de absolute hoeveelheid water in het plangebied minimaal gelijk moet blijven. Water dat wordt gedempt moet worden terug gegraven (dempen=graven). De berekening van de toename in wateroppervlak, wadi’s en percentage nat oppervlak is hieronder weergegeven.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 89/120
Tabel 4.2 Huidig en toekomstig verhard oppervlak, wateroppervlak, wadi en percentage wateroppervlak Oppervlakte (ha) Water oppervlak huidige situatie
37,7
Water oppervlak toekomstige situatie
69,5 Toename
31,8
Oppervlakte wadi huidige situatie
0,0
Oppervlakte wadi toekomstige situatie
2,93 Toename
2,9
Percentage wateroppervlak, huidige situatie
4,9%
Percentage wateroppervlak, toekomstige situatie
12,7%
Toename
7,8%
De tabel laat zien dat al het gedempte water in ieder geval 1:1 gecompenseerd wordt. Het extra wateroppervlak is om te garanderen dat extreme buien geborgen kunnen worden in het plangebied, ondanks extra verhard oppervlak. Daarnaast zit in het huidige ontwerp voor het Kreekdorp, Energielandschap, bedrijventerrein en bos 12,7% wateroppervlak en er is ruimte ingepland voor wadi’s. Hiermee wordt ruim aan de eis voor voldoende waterberging voldaan. De gevolgen van neerslag op bebouwd gebied worden dus niet afgewenteld op omliggende gebieden omdat water in het plangebied wordt vastgehouden. De gegevens over de precieze inrichting zullen in een later stadium worden uitgewerkt. Aanvullend is geanalyseerd wat het effect van de meest extreme neerslaggebeurtenis in recente geschiedenis is op het gebied. Hiervoor is getoetst wat het effect van een bui van 200mm/48 uur is, de zogenoemde Limburg bui. Bij deze bui loop het waterpeil op tot ca. NAP -5,1m in het Kreekdorp en Watertuin. Hiermee ontstaat geen schade aan bebouwing en infrastructuur. Daarnaast wordt met de inrichting van het gebied voldaan aan de eis dat bij het ontwerp en de inrichting wordt ingezet op drinkwaterbesparing, regenwaterbenutting en verbetering van de waterkwaliteit. Door de grote bandbreedte in het flexibele peil in het Kreekdorp en Energielandschap wordt zo veel mogelijk regenwater opgeslagen.
Verder wordt ingezet op minder peilvakken, wat de waterkwaliteit ten goede komt. Het precieze aantal peilvakken zal worden bepaald in de uitwerking van het waterhuishoudingsplan. Maaiveldhoogte In de toekomstige situatie zal een deel van het plangebied worden opgehoogd, dit om te zorgen voor voldoende drooglegging. In het plangebied wordt een conventionele droogleggingseis gehanteerd van 1,0 meter onder wegen en 1,2 meter onder woningen. Om ervoor te zorgen dat in langere winterperioden met een hoger peil er geen grondwateroverlast ontstaat is gerekend met een drooglegging ten opzichte van het bovenpeil. Met deze droogleggingseis komt het wegpeil en het woningpeil respectievelijk op -4,65 en -4,45m NAP in de Watertuinen en het Kreekrugdorp. Ook het bedrijventerrein (Gouwepark en Doelwijk II) wordt zo aangelegd dat er voldoende drooglegging aanwezig is
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 90/120
onder wegen, bebouwing en voor infrastructuur. In de toekomstige situatie komt het maaiveld dan te liggen op minimaal -5,3m NAP en bebouwing tot -5,1m NAP. Bij de bestaande woonlinten wordt op kavelniveau nader onderzoek uitgevoerd om het nieuwe waterpeil mogelijk te maken. Daar waar dit niet mogelijk is zal gezocht worden naar een alternatieve maatwerkoplossing, zoveel mogelijk in collectief of in uiterst geval op kavelniveau. Grondwater Door het opzetten van het peil in de Kreekrug en Watertuin naar gemiddeld NAP -5,8m (bandbreedte NAP -5,95 tot -5,65m), wordt bestaande kwel naar verwachting jaarrond weggedrukt. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket wordt in de huidige situatie geschat op gemiddeld -6,0 meter NAP. Op basis van bestaande onderzoeken wordt aangenomen dat het effect van zeespiegelstijging te bepalen is op 5% tot maximaal 10% van de betreffende zeespiegelstijging. In het geval van 1,0 meter zeespiegelstijging is de geschatte toename van de stijghoogte 5 tot 10 cm, dus maximaal tot NAP -5,9m. Dit betekent dat er een neutrale kwel-situatie ontstaat in de Kreekrug en de Watertuin of zelfs infiltratie kan plaatsvinden. Ook in het Energielandschap zal de kwelflux sterk zal afnemen of mogelijk zelfs neutraliseren. In het bedrijventerrein en het bos blijft het peil gelijk aan de huidige situatie, tussen NAP -6,42 en -6,32m.
Hierdoor zal in de toekomstige situatie lichte kwel voorkomen. Er is rekening gehouden met een drooglegging ten opzichte van bovenwaterpeil van minimaal 1,2 en 1,0m voor woningen en wegen, respectievelijk. Deze drooglegging in combinatie met een goede ontwatering is voldoende om grondwateroverlast voor bebouwing en wegen te voorkomen. Het effect van grondwateroverlast naar de omgeving (lintbebouwing en gebied buiten de plangrens) is onvoldoende goed te beoordelen op basis van beschikbare gegevens. De gemeente Zuidplas gaat grondwatermonitoring opzetten voor het gehele projectgebied. Voor, tijdens en na realisatie van het Vijfde dorp wordt het grondwaterstandverloop gevolgd en worden, indien nodig, mitigerende maatregelen getroffen. Mogelijke mitigerende maatregelen zijn onder andere verlaagde waterpeilen in onderbemalingen; ontwatering door drainage; in het uiterste geval woningen amoveren of opkopen. De inschatting in de MER op basis van expert-judgement is echter dat het effect van grondwaterstijging klein of afwezig zal zijn. Waterkwaliteit Door het opzetten van het peil in de Watertuin, Kreekrug en het Energielandschap wordt potentiële kwel met slechte waterkwaliteit weggedrukt in de toekomstige situatie. Een hoger peil biedt tegendruk aan de hoge kweldruk waardoor de kwel afneemt, er een neutrale kwelsituatie ontstaat of zelfs infiltratie kan plaatsvinden.
Dit zal vooral een positief hebben op de chemische waterkwaliteit in het gebied. De ecologische waterkwaliteit volgt (over het algemeen) de chemische en zal hierdoor dus ook verbeteren. In het bedrijventerrein het bos blijft het peil gelijk aan de huidige situatie. Hiermee wordt kwel niet weggedruk, waardoor kwel invloed zal houden op de waterkwaliteit in deze gebieden.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 91/120
Naast het verhogen van het waterpeil worden verschillende maatregelen ingezet om de chemische en ecologische kwaliteit in het plangebied te verbeteren. Er wordt ingezet op de ontwikkeling van natte natuur via de aanleg van bodempassages, helofytenfilters en Natuurvriendelijke Oevers (NVO’s). Voor de uitwerking van NVO’s wordt ervanuit gegaan dat 50% van de oevers in het plangebied natuurvriendelijk wordt, zonder harde beschoeiing. In vervolgfasen van het stedenbouwkundig ontwerp en de uitwerking van het waterhuishoudingsplan wordt invulling gegeven aan de specifieke inrichting. Daarnaast neemt het aantal peilvakken af in de toekomstige situatie, waardoor het watersysteem robuuster wordt en er meer ruimte is voor doorspoeling. Het precieze aantal peilvakken zal worden bepaald in de uitwerking van het waterhuishoudingsplan en naar aanleiding van aanvullend onderzoek over de inpassing van lintbebouwing (zie thema maaiveldhoogte). Hemelwater van verharding wordt afgevoerd via bodempassages en geïnfiltreerd in het gronden oppervlaktewater. Op die manier wordt vervuiling zo veel mogelijk uitgefilterd en zo wordt de waterkwaliteit beschermd. Een van de uitgangspunten van de ontwikkeling van het Vijfde Dorp is dat de Groene Waterparel geen negatieve effecten mag ondervinden. Uit berekeningen voor de MER is gebleken dat door het hogere peil een toename van kwel kan plaatsvinden van ca.
0,05mm/dag in de Groene Waterparel. Er moeten daarom mitigerende maatregelen worden getroffen. Eventuele mitigerende maatregelen voor de waterkwaliteit zijn: subtiele aanpassing in waterpeilen; water met betere kwaliteit aanvoeren; drukverlaging uit 1e watervoerend pakket realiseren met vrij lozende putten; een kwelscherm; een bufferzone rond de Waterparel in de vorm van meer afstand en/of een extra peilvak tussen de Groene Waterparel en het Vijfde Dorp. Voor de laatste twee opties, een lager peilvak of een buffersloot is berekend dat deze maatregelen nauwelijks effect hebben. De gemeente Zuidplas gaat grondwater en oppervlaktewater in het gebied monitoren (kwantiteit en kwaliteit) om het effect van de ontwikkeling en eventuele mitigerende maatregelen te analyseren. Riolering Het rioleringsplan voor het Vijfde Dorp moet in overleg tussen met de gemeente Zuidplas en HHSK worden uitgewerkt. In navolging van de Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2021 – 2025 van de gemeente Zuidplas (2021) is niet toegestaan om bij nieuwbouw hemelwater uit openbaar gebied aan te sluiten op de gemengde riolering. Al het hemelwater moet dus via oppervlaktewater of hemelwaterriolering worden geborgen. Hemelwater wordt in de toekomstige situatie vertraagd afgevoerd door water zo veel mogelijk vast te houden in groen-blauwe netwerken en wadi’s in het woongebied.
Op privéterrein is de eigenaar zelf verantwoordelijk voor de bergen of afstromen van hemelwater, zodat het niet naar het gemengde riool gaat. Hierom wordt er sowieso een gescheiden rioleringssysteem aangelegd. Dit zal in overleg tussen de gemeente Zuidplas en HHSK worden uitgewerkt. Waterkering en waterveiligheid Het plangebied van het Vijfde Dorp ligt niet binnen een beschermingszone van een waterkering, waardoor er geen specifieke maatregelen nodig zijn voor de ontwikkeling van het dorp. De plangrens in het noorden ligt dicht langs de beschermingszone van de boezemkering langs de Ringvaart. Er mogen geen kabels en leidingen met een hogere maximale bedrijfsdruk dan 10 bar binnen 100m en geen windwatermolens werken binnen 400m van de beschermingszone worden aangelegd. Geen van beide voorzieningen zijn
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 92/120
onderdeel van de plannen voor het Vijfde Dorp in dit gedeelte van het plangebied. Daarnaast zijn verschillende simulaties gemaakt om overstromingsdiepten in kaart gebracht. Bij een dijkdoorbraak bij de Gouwe blijven infrastructuur en bebouwing in het plangebied droog. In een zeer extreme situatie waarbij de Maeslantkering, én de Hollandse IJsselkering én de kering langs de IJssel doorbreken worden diepere overstromingsdiepten verwacht. Om rekening te houden met deze extremen is als uitgangspunt genomen dat alle woningen tenminste een droge verdieping moeten hebben. Wanneer de zeespiegel 2,0 meter stijgt en er een overstroming ontstaat wordt uitgegaan van verdere verticale evacuatie. Een derde van de woningen in het plangebied heeft een droge 2e verdieping en er worden enkele gebouwen als shelter ingericht. Maatregelen Middengebied Zuidplaspolder Gemeente Zuidplas is voornemens een woongebied te ontwikkelen dat zodanig is ingericht dat het goed functioneert bij het huidige klimaat, om kan gaan met toekomstige klimaatverandering en rekening houdt met het water en bodemsysteem. Bij de nieuwe inrichting wordt ingespeeld op de toename van intensieve neerslag, perioden van droogte, hitte en zeespiegelstijging.
Maatregelen zoals hieronder opgenomen zijn zo veel mogelijk in lijn met het convenant Klimaatadaptief bouwen Zuid-Holland en de Kamerbrief ‘Water en Bodem sturend’ (november 2022). Deze waterparagraaf is in nauw overleg met HHSK tot stand gekomen, waarbij is afgesproken dat enkele maatregelen verdere aandacht en afstemming behoeven in het vervolgtraject van het waterhuishoudingsplan. Dit is in eerste instantie gedaan in het deelrapport Water, bodem en klimaat bij het MER. De maatregelen die daaruit naar voren zijn gekomen, zijn opgenomen in het Voorkeursalternatief. Het MER beschrijft de effecten van dit Voorkeursalternatief. Nadat het MER is afgerond, is een Waterstructuurplan opgesteld. Deze geeft een verdieping op enkele onderdelen. Dit heeft tot een paar wijzigingen geleidt ten opzichte van het Voorkeursalternatief. Hieronder worden de belangrijkste maatregelen op gebied van water samengevat. Een verdere beschrijving en onderbouwing hiervan is opgenomen in het deelrapport Water, bodem en klimaat bij het MER en het Waterstructuurplan Middengebied Zuidplaspolder (zie bijlage 21). Aan het einde wordt ingegaan op de wijzigingen ten opzichte van het Voorkeursalternatief uit het MER en de gevolgen daarvan voor het MER. Het waterhuishoudingsplan wordt in samenspraak met HHSK uitgewerkt. Op basis van de uitwerking hiervan wordt door HHSK een watervergunning verleend.
In dit plan zal nadere uitwerking om te komen tot vergunningverlening en realisatie een plek moeten krijgen. Het plangebied ligt in een diepe polder, waarbij in de huidige situatie het watersysteem versnipperd is en al het overtollige water wordt afgevoerd middels gemalen. Het gebied bestaat uit een relatief slappe bodem en heeft daarom te maken met bodemdaling. Als gevolg van de lage ligging van het gebied en de relatief lage grondwaterstand, is er sprake van kwel van slechte kwaliteit. Het kwelwater is rijk aan nutriënten en zeer ijzerrijk. Daarnaast is het zoet tot licht brak. Het gebied is in de huidige situatie in gebruik als agrarisch gebied, als gevolg waarvan ook in de toplaag van de bodem veel nutriënten aanwezig zijn. In grote delen van het jaar wordt water afgevoerd om het waterpeil in stand te houden. In droge perioden moet water worden ingelaten
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 93/120
om funderingsschade, verdroging en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen. Als gevolg van klimaatverandering neemt de kans op intensievere neerslag toe, waardoor het gebied met de geplande gebiedsontwikkeling zonder ingrepen meer afhankelijk is van afvoer door gemalen. In droge perioden zal meer water aanvoer nodig zijn om effecten van droogte tegen te gaan en kan hitte een negatief effect hebben op de waterkwaliteit. Daarnaast kan de te verwachten zeespiegelstijging tot een toename van de kweldruk vanuit de ondergrond zorgen. Zeespiegelstijging kan ook gevolgen hebben op een eventuele overstromingsdiepte wanneer er sprake is van een doorbraak van een waterkering. De belangrijkste maatregelen om het gebied toekomstbestendig te maken en te realiseren zijn: 1. In het gebied ligt een oude kreekrug in de ondergrond. Deze kreekrug heeft een steviger grondslag en is gemiddeld hoger gelegen dan het omliggende gebied. Op de kreekrug wordt daarom met een hogere dichtheid gebouwd. In het omliggende gebied de Watertuinen wordt gekozen voor wonen op terpen en worden alternatieve bouwvormen onderzocht zoals wonen op palen (stelten) en drijvend wonen. Er zal minder autonome bodemdaling zijn op de kreekrug. 2. Aanvoer van water van buiten het plangebied wordt zoveel mogelijk voorkomen.
Het watersysteem van het plangebied is onlosmakelijk verbonden met het omliggende watersysteem en kan ook in de toekomst op het vlak van waterkwantiteit en waterkwaliteit (afvoer) beïnvloed worden door het achterliggende gebied, bijvoorbeeld door het resterend afvoergebied Bierhoogt (deel tussen Bredeweg, Noordeinde en A12). De precieze werking van aan- en afvoer naar en via het plangebied wordt in het waterhuishoudingsplan uitgewerkt. 3. De daadwerkelijk optredende peilfluctuatie in de verschillende gebieden is afhankelijk van neerslag, verdamping en kwel en aan- en afvoer tussen verschillende deelgebieden in het plangebied. a. Het waterpeil zal in de Watertuinen en het Kreekrugdorp in de toekomst fluctueren binnen een bandbreedte van tussen 0,30 meter en 0,50 meter rond een peil van -5,80 meter NAP. In het waterhuishoudingsplan wordt onderzocht of een peilfluctuatie van bijvoorbeeld 0,50 beter aansluit bij de ambities voor het woongebied. b. Het waterpeil in het Energielandschap en de 4e tocht zal tevens fluctueren. Er wordt hier voor een hoger waterpeil gekozen (gelegen tussen de huidige situatie en tot aan het nieuwe peil in de Watertuinen en Kreekrugdorp). Gelet op de toekomstige functies wordt het maaiveldniveau niet verhoogd. Het waterpeil komt hoger dan het vigerende waterpeil (-7,12/-6,92m NAP). Hiermee zal de kwelflux afnemen en mogelijk neutraliseren.
Nadere studie naar de relatie van het nieuwe waterpeil tot bestaande en nieuwe infrastructuur (o.a. wegen, buisleidingen en KV station) alsmede een relatief laag maaiveldniveau zal nog plaatsvinden. De exacte peiluitwerking wordt in het waterhuishoudingsplan vastgesteld.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 94/120
Ook in het deelgebied Energielandschap, inclusief 4e tocht is het vertrekpunt dat het peil fluctueert binnen een nader te bepalen bandbreedte (minimaal 0,30 meter). Nadere uitwerking volgt in het waterhuishoudingsplan. d. In het Koning Willem I Bos en de bedrijventerreinen Gouwepark II en Doelwijk II zal het waterpeil worden gehandhaafd zoals beschreven in het vigerende peilbesluit. De aanwezige peilafwijking in het toekomstige Gouwepark II wordt opgeheven. Het waterpeil fluctueert tussen een minimaal en maximaal peil van -6,32 / -6,42m NAP. De fluctuaties volgen waar mogelijk de seizoenen met neerslagoverschot en neerslagtekort. 4. Met het nieuwe waterpeil wordt ook ingespeeld op het effect van zeespiegelstijging op de kweldruk. Op basis van bestaande onderzoeken wordt aangenomen dat het effect van zeespiegelstijging op de kweldruk naar verwachting zeer klein is, en te bepalen is op 5% tot maximaal 10% van de betreffende zeespiegelstijging. Dus: in het geval van een zeespiegelstijging van 1 meter, is de geschatte toename van de stijghoogte 5 tot 10 cm. Met een peil van (onderkant minimale peilfluctuatie) -5,95 meter NAP en een huidige stijghoogte van -6 meter NAP zal een toename van een zeespiegelstijging van 1 meter nog niet leiden tot een potentiële kwelsituatie. 5. Met de voorgestelde waterpeilen wordt kwel jaarrond weggedrukt.
De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket wordt op dit moment namelijk geschat op gemiddeld -6,00 meter NAP. Met het accepteren van peilfluctuatie wordt geanticipeerd op de jaarrond optreden van neerslag- en verdampingsoverschot. De fluctuatie in waterpeil draagt bij aan de waterkwaliteit (door wateraanvoer van buiten het woongebied te beperken) en ecologische kwaliteit in het gebied. 6. Om de robuustheid van het systeem op het gebied van waterkwaliteit zo groot mogelijk te maken, moeten – naast het wegdrukken van kwel maatregelen getroffen worden om nutriëntenbelasting op het systeem zoveel mogelijk te beperken, zowel vanaf het land als vanuit de waterbodem. 7. Om in de toekomst de waterkwaliteit te verbeteren, moet oppervlaktewater in het plangebied voldoende en gevarieerde waterdiepte hebben. Daarnaast zorgen inrichtingsmaatregelen, waaronder natuurvriendelijke oevers (zonder harde beschoeiing) en plas-dras bermen voor een bijdrage aan de robuustheid van het watersysteem. 8. Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd om duurzaam te bouwen. De afvoer van hemelwater vindt plaats via afstroming naar watergangen en infiltratie in de bodem. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. 9.
Hemelwater wordt vertraagd afgevoerd door water zo veel mogelijk vast te houden in groen-blauwe netwerken en wadi’s in het woongebied. 10. Hemelwater van verharding wordt afgevoerd middels bodempassages en geïnfiltreerd in het grond- en oppervlaktewater. 11. Innovatieve vormen van sanitatie/circulaire waterstromen worden onderzocht in vervolgonderzoeken. c.
Sweco | Chw bestemmingsplan Middengebied Zuidplaspolder 1 Datum29-03-2024
Versie Vastgesteld 95/120
12. De gemeente (en provincie) zijn verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening en hebben een zorgplicht voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water (KRW). De bovengenoemde maatregelen hebben een positieve invloed op de waterkwaliteit, hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het behalen van de KRW doelstellingen. 13. Het wegpeil ligt minimaal 1 meter boven het maximale toekomstige waterpeil. Het minimale wegpeil komt hiermee op -4,65m NAP. 14. Het vloerpeil van woningen ligt minimaal 1,20 meter boven het maximale toekomstige waterpeil. Het minimale vloerpeil komt hiermee op -4,45m NAP. 15. Een deel van de bestaande watergangen wordt gedempt, het verlies aan wateroppervlak wordt in het gebied 1:1 gecompenseerd. 16. Uitgangspunt is dat de toename van verhard oppervlak gecompenseerd wordt. Gezien het oppervlak van de ontwikkeling van het Middengebied is sprake van maatwerk. a. De berging in het plangebied is groot genoeg om in het jaar 2100 een neerslaggebeurtenis van T=100 te kunnen bergen (vasthouden, bergen en later afvoeren). Voor het plangebied is gerekend met 143 mm/24 uur. Om deze neerslag te kunnen bergen is tenminste 10% wateroppervlak nodig in het gebied. Daarnaast worden de gevolgen van neerslag op bebouwd gebied niet afgewenteld op omliggende gebieden. b.
Ook in het geval van extreme neerslag, (200mm / 48 uur) kan neerslag in het plangebied worden geborgen, ook wanneer water niet uit het gebied kan worden afgevoerd in geval van een maalstop. Uitgangspunt daarbij is dat er geen significante schade ontstaat aan de functies wonen, bedrijven en infrastructuur. 17. Het bedrijventerrein Gouwe Park II ligt aan de regionale boezemwaterkering van de Ringvaart, het plangebied ligt net naast de beschermingszone. Bij aanleg van het bedrijventerrein dient rekening gehouden te worden met de zonering en stabiliteit van deze kering, conform de regels uit de Keur. 18. Er is in de planvorming veel aandacht besteed aan waterveiligheid in het plangebied. Bestaande waterkeringen worden in het algemeen al versterkt aan de hand van nationale overstromingsnormering via het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Wanneer onverhoopt het dijklichaam van de Hollandse IJssel doorbreekt en stormvloedkeringen niet sluiten (zeer kleine kans) en er is sprake van een zeespiegelstijging van 1 tot 1,25 meter, blijft bij het minimaal gehanteerde vloerpeil -4,45m NAP en een minimale verdiepingshoogte van 2,9m, de eerste verdieping droog11.
In het woongebied wordt 1/3 deel van de woningen toegerust met een 2e verdieping zodat er bij een combinatie van doorbraak van de kering van de Hollandse IJssel, falen van de stormvloedkeringen en een zeespiegelstijging van 2 meter de tweede verdieping droog blijft en afdoende vluchtmogelijkheid geeft voor de 11