CConstaterende datZuidplas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Algemene toelichting Omgevingsplan gemeente Zuidplas A25.002893

Gemeenteraad 3 februari 2026, gemeente ZuidplasBij agendapunt: Rv Vaststellen 1e wijziging omgevingsplan gemeente zuidplas - beleidsneutrale regels13.407 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties: Kwetsbare gebouwen zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50

personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om: • • • • • • •

woonfunctie bijeenkomstfunctie kantoorfunctie sportfunctie scholen voor volwassenen gezondheidszorg zonder bedden locatie voor evenementen in de open lucht voor ten minste 5.000 personen

Deze afstand (de PR-contour) is een gegeven of berekende afstand vanaf de risicobron. Het Bkl geeft instructieregels voor het toelaten van milieubelastende activiteiten en zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties moet het omgevingsplan de grenswaarde in acht nemen. Binnen die afstand zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het omgevingsplan rekening houden met de standaardwaarde. Groepsrisico – aandachtsgebieden Het groepsrisico is de kans op het overlijden van een groep mensen als deze, zowel beschermd als onbeschermd, op een plaats bevinden. Naast het plaatsgebonden risico, wordt het groepsrisico ingevuld aan de hand van aandachtsgebieden. Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die inzicht geven in waar mensen binnenshuis, zonder extra maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Dat wil zeggen, waar zich bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Bij risicovolle activiteiten moet de gemeente deze aandachtsgebieden opnemen. Er is onderscheid gemaakt tussen de risico’s van warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk).

Er zijn dan ook drie categorieën aandachtsgebieden: •

brandaandachtsgebied;

•

explosieaandachtsgebied;

•

gifwolkaandachtsgebied.

De aandachtsgebieden liggen rondom activiteiten met veiligheidsrisico’s die buiten de grenzen van het eigen perceel vallen en gelden zodra de activiteit wordt verricht. Een brandaandachtsgebied ligt het dichtst bij de bron, het gifwolkaandachtsgebied spreidt zich het verst uit. Afhankelijk van het type activiteit is sprake van één of meerdere aandachtsgebieden rondom locaties. Binnen een aandachtsgebied moet het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Aan de instructieregel wordt in ieder geval voldaan als binnen het aandachtsgebied geen zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties worden toegelaten. Het Bkl biedt wel een beetje afwegingsruimte (‘rekening houden met’), om binnen een aandachtsgebied deze gebouwen of locaties toe te laten. In het omgevingsplan moet dan geregeld zijn dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of dat het aantal aanwezige personen of de tijd dat deze mensen aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt wordt. Voor bestaande, legaal aanwezige activiteiten, gebouwen en locaties hebben de aandachtsgebieden geen gevolgen. De gemeente kan voor (een deel van) brand- en explosieaandachtsgebieden in het omgevingsplan een voorschriftengebied aanwijzen.

Als op een locatie zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten is het aanwijzen van een voorschriftengebied verplicht.

Binnen een voorschriftengebied gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw. Deze aanvullende eisen hebben als doel om mensen in een gebouw te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie. Voor bestaande gebouwen binnen een voorschriftengebied gelden de aanvullende bouweisen niet. 5.3 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl staan ook instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Het omgevingsplan moet regelen dat het geluid binnen een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een aandachtsgebied is een gebied waar het geluid hoger kán zijn dan de gebruikelijke standaardwaarde. Op verschillende manieren kan een aanvaardbare situatie geregeld worden op het gebied van geluid. Ten eerste kan de situatie aanvaardbaar zijn door geen geluidgevoelige gebouwen toe te laten in het geluidaandachtsgebied. Daarnaast kan het een aanvaardbare situatie zijn als het omgevingsplan, dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, regelt dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. In veel gevallen zal het echter niet mogelijk zijn om aan de standaardwaarde te voldoen.

Bij een overschrijding (het geluid op het gebouw is hoger) van de standaardwaarde kan alsnog sprake zijn van een aanvaardbare situatie als: • • •

aangetoond is dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde.

Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan regelen dat het geluid hoger is dan de grenswaarde. Bij overschrijding van de grenswaarde moet echter sprake zijn van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen. Om, net als bij een overschrijding van de standaardwaarde, te voorzien in een aanvaardbare situatie dient: • •

aangetoond te worden dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde te voldoen; de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt;

Geluidsbeperkende maatregelen: Maatregelen om het geluid te beperken zoals bijvoorbeeld stil asfalt of het gebruiken van andere, stillere machines bij bedrijven.

Ten slotte dienen aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw, waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen te worden getroffen die: • •

bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.

Scheidingsconstructie: Een vorm van een geluidscherm rondom het gebouw als een soort jas om het gebouw

Ook dient in het omgevingsplan te worden geregeld dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Op deze manier kan ook bij een situatie, waarin het geluid hoger is dan de grenswaarde, worden voorzien in een aanvaardbare situatie. 5.4 Geluid door activiteiten Besluit kwaliteit leefomgeving Voor geluid door activiteiten zijn instructieregels opgenomen voor het beheersen van dat geluid. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluid door specifieke activiteiten (zoals geluid door windturbines en windparken) en andere activiteiten. In de instructieregels is ook onderscheid gemaakt in de wijze waarop in een aanvaardbare situatie wordt voorzien. Geluid door andere dan specifieke activiteiten In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten anders dan specifieke activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het omgevingsplan moet regelen dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het omgevingsplan voorziet in ieder geval in een aanvaardbare situatie als de standaardwaarde wordt opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw. Daarnaast moet de grenswaarde opgenomen worden voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aangebouwde bouwwerken geluidgevoelige gebouwen.

In een omgevingsplan kan de standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, op een aangewezen bedrijventerrein, verhoogd worden met 5 dB(A). Ook kan in een omgevingsplan de standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, in een aangewezen agrarisch gebied, verlaagd worden met 5 dB(A). Het omgevingsplan kan andere waarden bevatten dan de standaardwaarde. Een hogere waarde kan alleen worden opgenomen als dit niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarde in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast is het stellen van een hogere waarde een mogelijkheid als sprake is van een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op basis waarvan al een hogere waarde gold. 5.5 Geur Besluit kwaliteit leefomgeving Het omgevingsplan moet regelen dat de geur die door activiteiten wordt veroorzaakt op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Er zijn instructieregels voor drie categorieën milieubelastende activiteiten die geur produceren, waarvoor in ieder geval in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen. Het gaat hier om: • • •

het exploiteren van zuiveringstechnische werken (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf; en andere agrarische activiteiten.

Zuiveringstechnisch werk: Een zuiveringtechnisch werk is een werk (gebouw of locatie) voor het zuiveren van stedelijk afvalwater

Voor elk van deze verschillende categorieën wordt in het Bkl aangegeven op welke manier in een omgevingsplan in ieder geval sprake is van een aanvaardbare situatie. Voor andere geurveroorzakende activiteiten, die niet in het Bkl staan, moet de gemeente zelf bepalen en verantwoorden of en welke geurregels in het omgevingsplan nodig zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om industrie, horeca-activiteiten, dierenpensions en -klinieken, maneges en het hobbymatig houden van dieren. Hierbij bepaalt de gemeente zelf welke mate van geurhinder aanvaardbaar is, en in hoeverre daarvoor waarden, afstanden en/of gebruiksregels in het omgevingsplan nodig zijn. De locatie van (in het omgevingsplan toegelaten) geurveroorzakende activiteiten enerzijds en geurgevoelige gebouwen anderzijds is daarbij bepalend. In de instructieregels is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De formulering van de instructieregel geeft aan dat voor dit aspect ruimte bestaat om op lokaal niveau een afweging te maken. De belangrijkste afweging die het bevoegd gezag op het gebied van geur dient te maken is het aanwijzen van de bebouwingscontour(en) geur.

Binnen deze gebieden wordt de uitstoot van geur minder snel aanvaardbaar geacht omdat andere kwaliteiten en functies in deze gebieden een hogere prioriteit hebben dan het belang van het uitstoten van geur als gevolg van activiteiten. Gebieden die beschermd dienen te worden tegen geuroverlast kunnen met behulp van een contour worden aangewezen.

Geurgevoelig gebouw Een geurgevoelig gebouw is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: • • • •

woonfunctie; onderwijsfunctie; gezondheidszorgfunctie met bedden; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedden.

5.6 Luchtkwaliteit Omgevingswet Op grond van de Omgevingswet moet het omgevingsplan gericht zijn op het bereiken en in stand houden van veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of de luchtkwaliteit gezond genoeg is dient in het kader hiervan bekeken worden. Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor luchtkwaliteit heeft het rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn ook instructieregels opgenomen over luchtkwaliteit. Dit zijn instructieregels voor specifieke situaties. Op grond van deze regels zijn omgevingswaarden opgenomen voor de kwaliteit van de buitenlucht (stikstofdioxide en fijnstof) bij de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een wegtunnelbuis en wanneer dit toegestaan is.

5.7 Trillingen Besluit kwaliteit leefomgeving In het omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw.

Trillinggevoelig gebouw: • • •

Woningen Scholen Ziekenhuizen

Een aanvaardbare situatie wordt in ieder geval gecreëerd als in het omgevingsplan de standaardwaarde van toepassing wordt verklaard voor continue en herhaald voorkomende trillingen. Het omgevingsplan kan ook een lagere of een hogere waarde bevatten. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde dan de standaardwaarde bevatten, als op basis van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift al een hogere waarde gold. Ook is een hogere waarde mogelijk als het gaat om een activiteit die verricht wordt op een bedrijventerrein dat in het omgevingsplan is aangewezen. Indien sprake is van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen kan dit het rechtvaardigen om in het omgevingsplan een hogere waarde op te nemen dan de standaardwaarde en zelfs hoger dan de grenswaarde. 5.8 Bodem Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl geeft instructieregels over het toelaten van bodemgevoelige gebouwen (bijvoorbeeld woningen) op bodemgevoelige locaties (bijvoorbeeld een plaats waar een woning is toegelaten). Het omgevingsplan moet de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem bevatten. Daarnaast is bepaald dat het omgevingsplan geen bodemgevoelige gebouwen (op bodemgevoelige locaties) toelaat waar de kwaliteit van de bodem ongeschikt is.

In het omgevingsplan kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Bij het vaststellen van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit. Door het overnemen van deze interventiewaarden wordt in ieder geval voorzien in een aanvaardbare situatie. Besluit activiteiten leefomgeving In het Bal zijn rechtstreeks werkende regels vanuit het Rijk gesteld over bodemhandelingen. Het gaat onder meer om graven in de bodem en het toepassen van grond of baggerspecie. Voor deze activiteiten bevat het Bal rechtstreeks geldende regels. De gemeente kan afwijken van deze regels door maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Ook buiten het omgevingsplan kunnen maatwerkvoorschriften gesteld worden. 5.9 Licht Omgevingswet Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. De verdere uitwerking van het beleid en de juridische vertaling hiervan volgt in een volgende wijziging omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl bevat instructieregels die gaan over kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Besluit activiteiten leefomgeving Voor lichthinder bij sportvelden bevat de bruidsschat (Hoofdstuk 22 regels omgevingsplan) specifieke regels.

Het gaat om regels die niet vanuit het Activiteitenbesluit zijn overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving en dus opgenomen zijn in de bruidsschat.

5.10 Cultuurhistorie en archeologie Omgevingswet Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is een van de belangen van de Omgevingswet. De Omgevingswet vervangt deels de Erfgoedwet. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gelijk met de oude situatie. De duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor dat erfgoed dat in bezit is bij de overheid blijft staan in de Erfgoedwet. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). De bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten is opgenomen in het Bal. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl bevat instructieregels die gaan over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De gemeente moet in het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, inclusief bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.

5.11 Natuur en ecologie Omgevingswet Natuur en ecologie maken onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Op grond van de Omgevingswet moet de gemeente zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Dit is een uitwerking van Europese richtlijnen. De bescherming richt zich op de kwaliteit van natuurwaarden de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich ook op het thema faunabeheer. Besluit activiteiten leefomgeving In het Bal zijn regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. De gemeente mag met maatwerkregels afwijken van de regels in het Bal. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn regels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. De provincie moet maatregelen treffen voor het behoud of herstel van habitats en soorten.

Ook moet de provincie maatregelen vaststellen om Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan.

Habitat: Leefomgeving of leefgebied waar bepaalde planten of dieren voorkomen.

Invasieve exoten: Planten, dieren of andere organismen die van nature niet in Nederland voorkomen en schadelijk kunnen zijn voor de natuur.

Ook dient er een algemeen programma opgesteld te worden om te komen tot vermindering van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit doet de gemeente niet zelf. Dit programma kan gevolgen hebben voor het omgevingsplan van de gemeente. De gemeente kan ook een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vaststellen. De provincie kan beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels neerleggen bij de gemeente. Deze moet de gemeente Zuidplas dan overnemen in haar omgevingsplan. 5.12 Water Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De belangen van de waterbeheerder worden bij het omgevingsplan betrokken (vergelijkbaar met de ‘watertoets’ in bestemmingsplannen). Daarnaast staan er instructieregels voor primaire waterkeringen, grote rivieren en specifieke gebieden in het Bkl. In de gemeente Zuidplas zijn geen specifieke gebieden aangewezen. 5.13 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Omgevingswet Duurzaamheid en klimaatadaptatie komen prominent terug in de doelstelling van de Omgevingswet.

Die luidt als volgt: “deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” De verdere uitwerking van het beleid en de juridische vertaling hiervan volgt in een volgende wijziging omgevingsplan. 5.14 Mobiliteit Omgevingswet Overheden moeten mobiliteit meewegen bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Er zijn instructieregels gericht op de ontwikkeling en het in stand houden van de rijksinfrastructuur. De gemeente kan het beleid verder zelf invullen. Besluit activiteiten leefomgeving De regels voor verduurzaming van werkgebonden personenmobiliteit staan in afdeling 18.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het gaat om het reduceren van emissies van kooldioxide door werkgebonden personenmobiliteit. Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur.

Mobiliteit is verder een aspect dat in de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. De verdere uitwerking van het beleid en de juridische vertaling hiervan volgt in een volgende wijziging omgevingsplan.

Hoofdstuk 6 Relaties met andere onderdelen Omgevingswet 6.1 Algemeen Hoewel het omgevingsplan juridisch primair bepalend is voor de vraag welke activiteiten op welke locatie mogen en onder welke voorwaarden. Toch staat het omgevingsplan niet helemaal op zichzelf. Het hangt samen met andere onderdelen van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt kort uitgelegd hoe deze onderdelen met elkaar verbonden zijn. 6.2 Gemeentelijke beleidsinstrumenten 6.2.1 De omgevingsvisie: kaderstellend beleid voor de lange termijn De omgevingsvisie is het beleid voor de langere termijn. Hierin staat hoe de gemeente zich op een duurzame manier wil ontwikkelen. Het gaat over een brede kijk op de fysieke leefomgeving en hoe alles met elkaar verbonden is. De visie geeft richting aan wat de gemeente op de langere termijn wil bereiken. 6.2.2 Het programma - uitvoeringsbeleid De gemeente kan plannen voor de uitvoering vastleggen in een of meerdere programma’s. Zo’n programma is een apart hulpmiddel en is dus geen onderdeel van de omgevingsvisie. Dit zorgt ervoor dat de uitvoering flexibel kan blijven zonder het beeld voor de lange termijn uit het oog te verliezen. Zo kan een evenwicht zijn tussen continuïteit en zekerheid en ruimte om aan te passen. Een programma over de ontwikkeling van een gebied kan helpen bij het aanpassen van het omgevingsplan. Een programma geldt alleen voor de gemeente zelf.

Het geldt dus niet voor een initiatiefnemer, ontwikkelaar of inwoner. Het is dus geen officiële regel waaraan plannen getoetst worden. Maar het kan wel uitleggen waarom de gemeente besluit om van het omgevingsplan af te wijken, bijvoorbeeld bij een vergunning. Maatregelen in een programma kunnen worden omgezet in algemene regels in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld als er maatwerkregels nodig zijn voor milieubelastende activiteiten. 6.2.3 Beleid en juridische besluitvorming Zoals eerder uitgelegd, zijn de omgevingsvisie en programma’s belangrijke onderdelen van het beleid van de gemeente. De keuzes die in de omgevingsvisie worden gemaakt, kunnen leiden tot aanpassing van het omgevingsplan. Het omgevingsplan laat dus ook zien welke delen van de omgevingsvisie regels nodig heeft voor inwoners en bedrijven. Er is geen juridische koppeling tussen de omgevingsvisie, een programma, en het aanpassen van het omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning. Dat betekent dat een onderwerp niet eerst in de omgevingsvisie hoeft te staan voordat er een programma over gemaakt mag worden, of voordat het omgevingsplan of de omgevingsvergunning gebruikt mag worden. Als de gemeente afwijkt van het beleid in de omgevingsvisie, dan ligt dat gevoeliger. Vanwege het zelfbindende karakter van de omgevingsvisie mogen anderen verwachten dat het gemeentebestuur zich daaraan houdt.

Als het beleid sterk verandering van het beleid vraagt dan ook om een aanpassing van de omgevingsvisie. 6.2.4 De omgevingsvergunning De Omgevingswet gaat ervan uit dat er zo veel mogelijk wordt volstaan met het stellen van algemene regels voor activiteiten. Daardoor is het vaak niet nodig voor de initiatiefnemer om eerst toestemming

van de gemeente te krijgen. Maar als een activiteit veel invloed kan hebben op de leefomgeving, is het soms wel nodig dat de gemeente of een ander bestuur de plannen van tevoren beoordeelt. Dat kan worden geregeld in de vorm van een vergunningplicht. Een vergunningplicht kan in het omgevingsplan opgenomen worden voor vergunningen die vaak voorkomen (binnenplanse omgevingsvergunning). Als een activiteit in strijd is met de regels van het omgevingsplan, kan er soms toch een vergunning worden gegeven om daarvan af te wijken (buitenplanse omgevingsvergunning) Gemeenten bepalen zelf door middel van de regels in het omgevingsplan voor welke activiteiten een vergunning nodig is. Buitenplanse omgevinsplanactiviteit (BOPA) Initiatieven die niet passen in het omgevingsplan (in strijd zijn met de regels) maar die wel wenselijk zijn, kunnen worden verleend met een BOPA. Binnenplanse omgevingsvergunning Het initiatief voldoet aan alle regels die al eerder vastgesteld zijn. Deze kan en mag zonder extra procedure verleend worden. 6.3 Binnenplans instrumentarium omgevingsplan 6.3.1 Algemeen De Omgevingswet geeft verschillende mogelijkheden om regels op te nemen in het omgevingsplan. Een aantal van die onderdelen bestonden al in gemeentelijke verordeningen, maar nog niet in bestemmingsplannen.

In het omgevingsplan kunnen onder andere de volgende zaken staan: • algemene verboden; • algemene regels waarbinnen bepaalde activiteiten zijn toegestaan; • algemene beoordelingsregels voor toepassing van bevoegdheden; • vergunningplichten met specifieke beoordelingsregels; • meldingsplichten; • mogelijkheden bieden voor maatwerk- of vergunningvoorschriften; • informatieplicht; en • er kunnen specifieke zorgplichten worden vastgesteld. Per onderdeel wordt kort uitgelegd wat het doel is van dat onderdeel. 6.3.2 Algemene verboden Het omgevingsplan bevat algemene verboden om nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen. Deze regels gelden voor iedereen. 6.3.3 Algemene regels Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk te werken met algemene regels voor activiteiten. Daardoor is vooraf geen toestemming nodig voor iemand die een activiteit wil uitvoeren. Maar als een activiteit veel invloed heeft of kan hebben op de leefomgeving, is het soms nodig om aan deze activiteiten een vergunningplicht te koppelen. Algemene regels zijn regels die precies aangeven binnen welke grenzen een bepaalde activiteit is toegestaan. Er is dan geen beoordeling die vooraf plaatsvindt door de gemeente. Degene die de activiteit wil ondernemen, moet zelf bepalen of dat volgens de regels mag. Algemene regels moeten

daarom duidelijk en begrijpelijk zijn, zodat iedereen zelf kan beoordelen of zijn of haar activiteit is toegestaan. Als iemand denkt dat een ander zich niet aan de regels houdt, kan diegene een verzoek doen bij de gemeente om handhavend op te treden. Een verschuiving van vergunningplichten naar algemene regels betekent dus dat er meer nadruk komt te liggen op toezicht en handhaving in plaats van op toestemming vooraf. 6.3.4 Algemene beoordelingsregels De beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden de gemeente Zuidplas de vergunning kan verlenen of weigeren. Ook kunnen de beoordelingsregels aangeven hoe de gemeente Zuidplas de gevolgen van activiteiten moet berekenen of afwegen. 6.3.5 Vergunningplichten met specifieke beoordelingsregels De vergunningplicht geeft aan voor welke activiteiten er een vergunning aangevraagd moet worden en aan onder welke voorwaarden de vergunning verleend kan worden. Deze specifieke beoordelingsregels zijn aanvullend op de algemene beoordelingsregels. Het is aan de initiatiefnemer om te controleren of er voor een activiteit een vergunning nodig is en aan welke voorwaarden de vergunning moet voldoen. 6.3.6 Meldingsplicht Als er voor een bepaalde activiteit duidelijke regels zijn, is vooraf toestemming (zoals een vergunning) meestal niet nodig. Dan gelden er algemene regels.

De initiatiefnemer moet dan zelf beoordelen of de activiteit is toegestaan. De gemeente en andere belanghebbenden weten meestal niet dat de activiteit wordt uitgevoerd. In veel gevallen is dat niet erg, maar in sommige gevallen kan een melding vooraf gewenst zijn. De activiteit mag dan pas starten, als de melding is gedaan en de tijd die in de algemene regels staat (tussen melden en starten) voorbij is. Als iemand geen melding doet, kan de gemeente niet op tijd actie ondernemen. Dat kan een voordeel zijn voor de initiatiefnemer, maar het is niet toegestaan. Daarom staat in de regels dat een activiteit verboden is totdat er op tijd een melding is gedaan. Als een initiatiefnemer toch aan de slag gaan zonder melding, mag de gemeente ingrijpen. De gemeente kan de activiteiten dan stoppen om te kijken wat er nodig is. 6.3.7 Maatwerkvoorschrift Soms is het mogelijk om algemene regels te gebruiken, maar er zijn specifieke gevallen waarin extra regels nodig zijn (maatwerkvoorschriften). Dan kan de gemeente een maatwerkvoorschrift stellen. Dit betekent dat de gemeente via een officiële beslissing (beschikking) bepaalt dat de initiatiefnemer moet voldoen aan bepaalde regels, in aanvulling op of afwijking van de algemene regels. Maatwerkvoorschriften worden gegeven via een beschikking, wat betekent dat de initiatiefnemer bezwaar kan maken of in beroep kan gaan.

Het stellen van maatwerkvoorschriften mag alleen als dat in het omgevingsplan is vastgelegd. 6.3.8 Informatieplicht Naast een meldingsplicht kan het omgevingsplan ook informatieplichten bevatten. Dit betekent dat iemand verplicht is om informatie te geven aan de gemeente of een andere instantie. Bijvoorbeeld tijdens een activiteit of binnen een bepaalde tijd voordat de activiteit begint. Dit gebeurt zonder dat er een verbod is op de activiteit zelf.

6.3.9 Specifieke zorgplichten Een specifieke zorgplicht is een bijzondere vorm van een algemene regel. Deze zorgplicht geldt voor degene die een bepaalde activiteit uitvoert. De specifieke zorgplicht betekent dat de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk is om de activiteit op een manier uit te voeren die goed is voor de leefomgeving. Er worden dus geen gedetailleerde regels gemaakt voor elke mogelijke situatie of handeling. Bij een evenwichtig gebruik van van de specifieke zorgplicht hoort in ieder geval dat voor de initiatiefnemer duidelijk moet zijn wat de specifieke zorgplicht in een duidelijk geval inhoudt. Is dat niet het geval, dan moet de gemeente maatwerkvoorschrift of maatwerkregel opstellen. 6.4 Buitenplanse omgevingsplanactiviteit Het is ook mogelijk dat een initiatiefnemer een vergunning aanvraagt die niet binnen het omgevingsplan past. In dat geval gaat het om een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan (en niet vergunningsvrij is). Er zijn twee varianten: • •

een activiteit waarvoor het omgevingsplan zegt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet direct mogelijk is de vergunning te verlenen; een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

Een initiatief voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, kan mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning. Daarvoor gelden inhoudelijk dezelfde eisen als voor (wijziging van) het omgevingsplan: • •

er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en er moe voldaan worden aan de instructieregels van het Rijk en de provincie.

Een andere optie voor initiatieven die niet binnen het omgevingsplan passen, is een wijziging van het plan zelf.

Hoofdstuk 7 Tot slot 7.1 Participatie De gemeente zal gedurende het proces inwoners, ondernemers en overlegpartners meenemen door middel van participatie en informatievoorziening om zo te komen tot een omgevingsplan. Omgevingsvisie-, plan, - programma Om te komen tot een omgevingsvisie, omgevingsplan of een omgevingsprogramma zal de gemeente tijdens het proces inwoners, ondernemers en overlegpartners betrekken via participatie en/of informatievoorziening. Per onderdeel kijkt de gemeente wat aan participatie nodig is. Bij het omzetten van bestaand, vastgesteld beleid naar het omgevingsplan worden inwoners, ondernemers en overlegpartners alleen geïnformeerd. Bij veranderingen tijdens het omzetten van bestaand vastgesteld beleid naar het omgevingsplan, bekijkt de gemeente per wijziging wat er op dat moment nodig is aan participatie, eventueel in afstemming met de initiatiefnemer. 7.2 Procedure wijziging omgevingsplan Omdat er maar één gemeentelijk omgevingsplan is, betekent een aanpassing van regels over de fysieke leefomgeving een wijziging van dit gemeentelijke omgevingsplan. Naast het vullen van het omgevingsplan tijdens de transitiefase (zie Hoofdstuk 2 Transitiefase) kunnen er verschillende redenen zijn om het omgevingsplan te wijzigen. Allereerst om op locaties nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Een reden kan ook zijn dat een beleidswijziging vraagt om nieuwe regels.

Of aanscherpingen in regels die op basis van voortschrijdend inzicht niet langer voldoende zijn. De bevoegdheid om (delen van) het Omgevingsplan vast te stellen is gedelegeerd aan het college voor de volgende gevallen: •

• • • • • •

het vaststellen van een omgevingsplan gebaseerd op de uit te werken bestemmingen en de wijzigingsbevoegdheden die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan staan (voorheen de bestemmingsplannen) het aanwijzen, wijzigen en schrappen van gemeentelijke monumenten het actualiseren/aanpassen van het omgevingsplan aan veranderende wet- en regelgeving en beleidsnormen als dit beleidsneutraal is; het corrigeren van verschrijvingen, verkeerde verwijzingen en inventarisatiefoutjes; het toevoegen en of wijzigen van begripsbepalingen voor zover deze geen feitelijke wijzigingen tot gevolg hebben; het opnemen van een verleende omgevingsvergunning in het omgevingsplan; het aanpassen van informatieproducten van het omgevingsplan;

Bij elk besluit tot wijziging zal een aparte motivering van dat besluit worden opgesteld. Die motivering zal ingaan op de aanleiding en het doel van de wijziging, en onderbouwen hoe de nieuwe regels voldoen aan de eisen van de wet. Om een helder overzicht te geven van het proces rondom de opstellen en wijziging van het Omgevingsplan, is er een procedureschema opgesteld. Dit schema beschrijft de stappen van conceptfase tot vaststelling van de wijziging, inclusief de rol van participatie, zienswijzen, en eventuele beroepsprocedures. Stappen om te komen tot een wijziging omgevingsplan: 1. Kennisgeving van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen De gemeente geeft in het gemeenteblad (officielebekendmakingen.nl) en in Hart van Holland kennis van het voornemen om een omgevingsplan te wijzigen (artikel 16.29 Omgevingswet). 2. Conceptfase In deze fase wordt een eerste concept van de wijziging van het omgevingsplan opgesteld. Dit omvat

de beoogde regels en motivering van de wijziging. In deze fase vinden naast participatie ook het overleg met de zogenaamde ketenpartners plaats. Participatie: Belanghebbenden, zoals inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties, worden in deze fase geïnformeerd en uitgenodigd om hun input te leveren. De gemeente kan zelf de manier kiezen waarop geparticipeerd wordt. Dit kan bijvoorbeeld via informatieavonden, digitale bijeenkomsten of gerichte gesprekken. Indien er voorafgaand aan de omgevingsplanwijziging al een nota van uitgangspunten is opgesteld voor een gebiedsontwikkeling vindt de participatie vaak al voor de procedure van de omgevingsplanwijziging plaats. Vooroverleg: Het vooroverleg is onder de Omgevingswet niet meer verplicht. Toch maakt het vooroverleg wel deel uit van de procedure bij de gemeente Zuidplas. De gemeente Zuidplas vindt het waardevol om in een vroeg stadium al met de ketenpartners in gesprek te gaan. Onze ketenpartners zijn bijvoorbeeld de provincie, hoogheemraadschap, de veiligheidsregio, de ODMH en nutsbedrijven. 3. Ontwerpfase Op basis van de resultaten uit de conceptfase wordt een ontwerpbesluit en een ontwerpwijziging van het omgevingsplan opgesteld. Dit ontwerp bevat uitgewerkte regels en een motivering. Dit ontwerpbesluit wordt ter inzage gelegd.

De gemeente geeft vóór de terinzagelegging kennis van het ontwerp-omgevingsplan (ontwerpbesluit) in het gemeenteblad (officielebekendmakingen.nl) en in Hart van Holland. Terinzagelegging Het ontwerpbesluit wordt gedurende een termijn van zes weken, ter inzage gelegd. Belanghebbenden kunnen in deze periode zienswijzen indienen. Beoordeling van zienswijzen Alle ingediende zienswijzen worden zorgvuldig bekeken en van een antwoord voorzien. Dit resulteert in een nota van zienswijzen, waarin de zienswijzen worden samengevat en wordt toegelicht hoe met de zienswijzen is omgegaan. Indien nodig wordt het omgevingsplan hierop aangepast. 4. Vaststellingfase Het aangepaste ontwerp wordt aangeboden aan de gemeenteraad (of het college, afhankelijk van de inhoud van de wijziging) voor vaststelling. Bekendmaking Als de gemeenteraad de wijziging van het omgevingsplan vaststelt maakt de gemeente het besluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad (officielebekendmakingen.nl) en in Hart van Holland. Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. 5. Beroepsfase Na vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Inwerkingtreding Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt (artikel 16.78 Omgevingswet). Dit is een verschil met de procedure voor het bestemmingsplan, waarbij inwerkingtreding gelijk viel met het einde van de beroepstermijn van zes weken. De gemeente kan bij het besluit een latere inwerkingstredingsdatum opnemen.

7.3 Waar vindt u aankondigingen van nieuwe plannen? Voor de start van elke nieuwe wijziging van een omgevingsplan moet de gemeente een kennisgeving publiceren. Dit moet de gemeente doen op officielebekendmakingen.nl/. Daarnaast komt deze kennisgeving ook altijd in Hart van Holland op de gemeentepagina. In deze kennisgeving staat ook hoe en op welke manier de gemeente gaat participeren. Op het moment van deze kennisgeving liggen er nog geen stukken ter inzage. Ook kan u dan nog geen zienswijze indienen.

Als het ontwerp van de wijziging omgevingsplan bekend is, publiceert de gemeente dit op officiële bekendmakingen en in Hart van Holland. In dat bericht staat waar alle stukken te vinden zijn en hoe lang u de tijd heeft om hierop een zienswijze in te dienen. Ook zal er in dat bericht nog staan of er een informatieavond georganiseerd wordt tijdens de terinzagelegging. Na deze periode zal de wijziging van het omgevingsplan door de gemeenteraad besproken worden. Als de gemeenteraad instemt met de wijziging dan stellen ze de wijziging vast en wordt er weer een publicatie gedaan op officiële bekendmakingen en in Hart van Holland. Hierin zal dan staan hoe lang u de tijd heeft om eventueel beroep in te stellen bij de Raad van State. 7.4 Afrondend De gemeente Zuidplas werkt de komende jaren in stapjes aan één omgevingsplan voor de hele gemeente. De gemeente komt tot duidelijke algemene regels en specifieke aanduidingen per locatie of functie als dit nodig is. Dan blijven de lopende projecten doorgaan zodat de gewenste ontwikkeling van de gemeente en particuliere initiatiefnemers door kan gaan.

Bijlage 1 Procedureoverzicht Wijziging Omgevingsplan Gemeente Zuidplas Wijziging beleidsneutrale regels

Publicatie kennisgeving n.v.t. 16 april 2025 Kennisgeving

Datum vaststelling n.v.t.

Kenmerk

Aanleiding/beschrijving

Op001

Technische in beheer nemen Buirddschat in Omgevingsplan gemeente Zuidplas Opname beleidsneutrale regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan

Op002

Publicatie besluit Publicatie

Publicatie motivering n.v.t.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16481232/1