Bijlage 1 A 2344 1 RES 1.0 Z21.001002
Tekst van het document
4.2 Uitkomsten peiling volksvertegenwoordigers
Op 18 februari 2021 heeft een (tweede) bijeenkomst met volksvertegenwoordigers plaatsgevonden waarop zij zijn geconsulteerd op de testbeelden. In een plenair deel zijn de uitkomsten van de inwonersparticipatie gepresenteerd, hebben bestuurders hun opvattingen over de RES gedeeld en zijn de volksvertegenwoordigers gevraagd hun voorkeur uit te spreken over de testbeelden via de Mentimeter. Daarna zijn de testbeelden in gemengde deelgroepen van volksvertegenwoordigers en bestuurders bediscussieerd. Van de bijeenkomst en de deelsessies zijn verslagen gemaakt. Deze verslagen zijn aan de volksvertegenwoordigingen teruggekoppeld.
4.3 Overall beeld peilingen testbeelden
In de tweede participatieronde is - middels een regionale enquête van en een regionaal webinar met inwoners en maatschappelijke organisaties (4.1) en een politieke consultatie tijdens een regionale bijeenkomst voor volksvertegenwoordigers (4.2) - zijn de testbeelden kwalitatief getoetst op inhoud en draagvlak. Tezamen levert dit op hoofdlijnen het volgende overall-beeld op: Reacties op testbeeld ‘Energieke bedrijventerreinen’ Inwoners Maatschappelijke partners Dit is een populair testbeeld bij bewoners. Zon op bedrijfsdaken en zon op waterbassins bij kassen worden als zeer kansrijk gezien.
Bedrijfsdaken benutten voor zon heeft volgens de maatschappelijke partners prioriteit. Uitvoering met investeerders en ondernemers wordt als uitdaging genoemd. Bedrijventerreinen worden de nieuwe duurzame energiecentrales: energie opwek, opslag, uitwisseling en gebruik. De overheid moet condities en randvoorwaarden scheppen om dit meer te faciliteren en stimuleren.
Volksvertegenwoordigers Zeer positieve reacties op testbeeld. Bedrijfsdaken benutten voor zonneenergie heeft prioriteit. De locaties hebben al een beperkte ruimtelijke kwaliteit, liggen dichtbij netinfrastructuur en dichtbij gebruikers. Er worden mogelijkheden gezien voor wind bij bedrijventerreinen, mits langs infrastructuur en zonder overlast voor directe omgeving. Verspreide opstelling van wind door de regio zorgt voor verrommeling en horizonvervuiling.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
64
Reactie testbeeld ‘Energiewegen’ Inwoners
Maatschappelijke partners
Volksvertegenwoordigers
Inwoners vinden over het algemeen dat windmolens langs de weg (A12, A20 en N11) ter hoogte van bedrijventerreinen kunnen komen. Er is steun voor het plaatsen van zonnepanelen langs de A12, A20 en N11 op geluidsschermen en als stroken ter hoogte van bedrijventerreinen.
Het plaatsen van windturbines langs infrastructuur wordt als de meest kansrijke plek gezien.
Infrastructuur moet zo goed mogelijk benut worden, in ieder geval voor zon (A20/A12/N210/N11)
Het is daarbij nog steeds van belang om een goede ruimtelijke inpassing te garanderen.
Wind en zon kunnen langs rijkswegen waar ruimtelijke kwaliteit niet hoog (o.a. bedrijventerreinen) en overlast minimaal is. Geen wind in open gebieden, bewoonde gebieden of langs provinciale wegen.
Reacties testbeeld ‘Energieke burgers en boeren’ Inwoners
Maatschappelijke partners
Volksvertegenwoordigers
Er is verdeeldheid over dit testbeeld. Ongeveer 50/50 verdeeldheid over de wenselijkheid van kleine zonnevelden en kleine windmolens op land van boeren. De consensus neigt naar negatief. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheden van kleine zonnevelden en kleine windmolens in de stads- en dorpsranden.
Er is enthousiasme over de mogelijkheden op boerenerven voor zon en beperkt kleine windmolens
Er is twijfel over dit testbeeld. Het past bij provinciaal beleid, maar vraagt om veel inspanning en gaat gepaard met hoge kosten en relatief beperkte opbrengst.
Hoe groter de spreiding van opwek mogelijkheden, hoe groter de impact op natuur en landschapswaarden.
Volksvertegenwoordigers zijn overwegend positief over zon op en direct naast agrarische bedrijfspercelen.
Nuancering: het is niet zo dat er alleen in dit testbeeld mogelijkheden voor lokaal eigendom zijn, dat is het geval bij alle vier testbeelden.
Twijfel over het nut van kleine windturbines bij agrarische bedrijfspercelen: wekt niet genoeg op, zorgt voor verrommeling.
Inwoners
Maatschappelijke partners
Volksvertegenwoordigers
Er is vanuit het maatschappelijk advies geen overtuigend enthousiasme voor een van de aangewezen potentiële transformatiegebieden. . Dit testbeeld kan dus ook op beperkte steun rekenen van inwoners.
Er heerst twijfel over dit testbeeld. Er worden door sommige partners kansen gezien voor zonneweides in gebieden waar grote opgaven spelen. Maar andere partners vinden het onwenselijk om het areaal agrarische grond verder te
Er is twijfel over dit testbeeld. Het vraagt veel ruimtegebruik, met relatief weinig opbrengst en hoge kosten.
Reacties testbeeld ‘Energieparken’
Mogelijk wel op locaties met lage ecologische kwaliteit, of problemen zoals bodemdaling.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
65
verkleinen. De combinatie met het creëren van nieuwe natuur op gebieden met momenteel een lage kwaliteit wordt wel als een kans gezien.
Waar landeigenaren enthousiast zijn. Uitgesloten op landbouwgrond met hoge kwaliteit, of wanneer het conflicteert met huidig gebruik. Wel worden mogelijkheden gezien voor pauzelandschappen.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
66
Bijlage 3: Ruimtelijke analyse
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
67
Ruimtelijke analyse van de regio maart 2021
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
68
Inhoud 1 Achtergrond: RES Midden-Holland
3
2. Ontstaansgeschiedenis van het landschap 3. Beschrijving van het landschap
7
3.1 Het rivierenlandschap 3.1.1 Rivier met buitendijksgebied
8 9-10
3.2 Het veenweidelandschap 3.2.1 Veenweide met rivierinvloed 3.2.3 Veenstroom 3.2.4 Veenplassen 3.2.5 Veenweide polders 3.2.6 Bovenland
11 11-13 14-15 16-17 18-19 19-20
3.3 Het droogmakerijenlandschap 3.3.1 Droogmakerij met kleibodem 3.3.2 Droogmakerij met veenbodem 3.3.3 Droogmakerij getransformeerd
21 22-23 24 25
3.4 Het bebouwd gebied 3.4.1 Woonkernen 3.4.2 Stads- en dorpsranden 3.4.3 Bedrijventerreinen 3.4.4 Kassengebied
26 27 28 29 30
2.5 De infrastructuurzones 2.5.1 Snelwegen, spoorwegen, N-wegen
31 32
4. Principes voor zonne- en windenergie in het landschap
34
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
69
1. Achtergrond: RES Midden-Holland Landelijk is bepaald dat de energietransitie in belangrijke mate op regionale schaal moet worden opgepakt via een Regionale Energie Strategie (RES). Daartoe zijn 30 RES-regio’s aangewezen en de regio Midden-Holland is er daar een van. Voor deze regio is een concept-RES opgesteld, die een eerste duiding van de opgaven en denkrichtingen bevat over hoe deze door de regio kunnen worden ingevuld. In de periode oktober 2020- juli 2021 worden de opgaven en denkrichtingen uitgewerkt in concrete ruimtelijk-energetische plannen. Deze ruimtelijke analyse van het landschap in de regio Midden-Holland maakt onderdeel uit van het proces waarin opgaven en denkrichtingen worden uitgewerkt in concrete ruimtelijk-energetische plannen. De gebiedsanalyse bevat vijftien gebiedsbeschrijvingen. In iedere gebiedsbeschrijving is een specifiek deel van het landschap binnen de regio Midden-Holland gekarakteriseerd. Deze kenmerken en karakteristieken zijn bepalend voor de kansen en uitdagingen die het landschapstype biedt voor zon- en windenergie.
BodegravenReeuwijk Waddinxveen Gouda Zuidplas
De in dit document gepresenteerde gebiedsbeschrijvingen met landschappelijke en ecologische kenschetsen kunnen bijdragen aan het maken van keuzes voor wind en zon in het landschap en het uiteindelijk goed inpassen ervan. Het laatste hoofdstuk bevat dan ook een ruimtelijk advies voor zon en wind in Midden-Holland op basis van de ruimtelijke analyse.
Krimpenerwaard
De vijf gemeenten in RES regio Midden-Holland
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
3 70
2. Ontstaansgeschiedenis van het landschap De regio Midden-Holland bestaat uit de gemeentes BodegravenReeuwijk, Gouda, Krimpenerwaard, Waddinxveen en Zuidplas. Bezien vanuit de ontstaansgeschiedenis van het landschap is de regio niet verdeeld aan de hand van bestuurlijke grenzen, maar aan de hand van landschappelijke kenmerken en karakteristieken. De landschappelijke onderlegger van de regio wordt zo gevormd door drie ruimtelijke lagen: het landschap, de infrastructuurzones en het bebouwd gebied. In de landschap-laag zijn drie hoofdlandschappen te onderscheiden: het veenweidelandschap, het rivierenlandschap en het droogmakerijenlandschap (zie de kaart hiernaast).
Onstaansgeschiedenis Circa duizend jaar geleden bestond het gebied Midden-Holland uit een uitgestrekt, nauwelijks begaanbaar veenmoeras. In deze beknopte ontstaansgeschiedenis zijn een aantal belangrijke ontwikkelingen beschreven die een rol gespeeld hebben in de totstandkoming van het huidige landschap.
De ontginning van het veenweidegebied Rond de 10e eeuw na Chr. werd het veenmoeras in cultuur gebracht. De kolonisten betrokken de plekken die iets beter ontwaterd en toegankelijk waren, zoals de oeverwallen en donken aan de grote rivieren. Ook de aanwezige veenstromen waren, door de aanwezigheid van smalle oeverwalletjes en de toegankelijkheid, aantrekkelijk voor de vestiging. Om landbouw te kunnen bedrijven,was het nodig om het veen te ontwateren en dat kon in de uitgestrekte, natte gebieden alleen maar collectief. Vanuit de ontginningsbasis gelegen op de hogere delen werden de karakteristieke evenwijdige, door sloten gescheiden, opstrekkende verkavelingen aangelegd. De tussen de percelen gelegen ontwateringsloten monden aanvankelijk uit in de veenstroompjes. Wanneer geen veenstroom aanwezig was, werd een wetering gegraven. De kolonisten stonden vaak onder contract van de grootgrondbezitter. In het contract, een “cope” genaamd, werden de wederzijdse rechten en plichten vastgelegd, stond de belasting en de omvang van de ontginningen. De kolonisten moesten zich houden aan specifieke maten en de percelen hadden daarom allemaal een lengte van 1250-1350 meter en een breedte van 100-125 meter. Dit duizend jaar oude copeverkavelingspatroon is nog steeds aanwezig en herkenbaar in de regio Midden-Holland.
De hoofdeenheden van de landschappelijke onderlegger van de regio
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
4 71
Aanvankelijk werd akkerbouw bedreven op de veengronden. Er werd vooral graan en boekweit verbouwd. Dit was gunstig voor de voedsellevering aan de nabijgelegen steden. Door de akkerbouw vond er echter een sterke veenoxidatie plaats. Toen het veen in de 16e eeuw te nat was geworden door klink en oxidatie moest men overschakelen op grasland. Om het water afkomstig uit het achterliggende nietontgonnen veenweidegebied uit de ontginning te weren, werd een kade opgeworpen met parallel daaraan een eerste ontginningswetering. Deze waterde af op sloten rondom de ontginning en op deze manier werd het moeraswater er langs geleid. Bij de latere ontginning van het achterliggende veenmoeras werden deze kaden en weteringen door een nieuwe groep kolonisten als ontginningsbasis gebruikt. Zo ontstonden achter elkaar liggende dorpen die een karakteristieke lintbebouwing vertonen. Omdat de bodem daalde en het rivierpeil steeg, werden dijken steeds verder opgehoogd en was er steeds meer kracht nodig om het water uit de polder naar de rivieren af te voeren. In de loop van de eeuwen werd een geavanceerd systeem met boezemwateren, molens en gemalen aangelegd. De boezems dienen nog altijd als een soort buffers voor het overtollige water en liggen hoog in het landschap doordat de bodems er omheen verder gedaald zijn.
Gezicht op de veenderijen te Breukeleveen, getekend door H. van Brussel in 1806 (Het Utrechts Archief) © CC via https://www.canonvannederland.nl/nl/utrecht/noordwest/de-turfwinning
De turfwinning en het ontstaan van droogmakerijen Vanaf de 15e eeuw steeg de vraag naar turf. Dit had te maken met de uitbreiding van de omliggende steden Gouda en Rotterdam, de groei van de bevolking en de toenemende brandstofbehoefte van de industrie. Van de 16e tot 18e eeuw werd in het gebied Midden-Holland op grote schaal turf gewonnen. In eerste instantie werd het veen droog gewonnen. Later werd het slagturven uitgevonden, waardoor het veen onder de waterspiegel ook gewonnen kon worden. Als gevolg van deze turfwinning ontstond een uitgestrekt plassengebied. De veenplassen waren slechts van elkaar gescheiden door smalle stroken hoger gelegen oud land waarover de doorgaande wegen liepen met aan weerszijden de boerderijen.
Vijzelmolen H van de Zuidplaspolder: Kaart van de Zuidplaspolder (1850) © CC BY-SA 4.0 via https://nl.wikipedia.org/wiki/Zuidplaspolder#/media/Bestand:Kaart_van_de_Zuidplaspolder_ (1850)_-_Moordrecht_-_20160893_-_RCE.jpg)
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
72
Omdat de veenplassen door de golfwerking een bedreiging vormden voor het resterende land en er behoefte was aan meer landbouwgrond, werden de veenplassen vanaf de 17e eeuw één voor één drooggelegd. Door het grote hoogteverschil waren vaak meerdere molens nodig om het water uit de polders te pompen. De bodems van deze nieuwe droogmakerijen waren zeer geschikt voor akkerbouw. De landbouw is door de jaren steeds verder geïntensiveerd, er heeft schaalvergroting plaatsgevonden en in verschillende droogmakerijen heeft zich glastuinbouw ontwikkeld.
Verstedelijking Vanaf halverwege de 20e eeuw zijn delen van het landschap sterk verstedelijkt. De dorpen in Midden-Holland krijgen ook steeds meer betekenis als woongebied voor forenzen die in de grotere steden in de omgeving werken. Het gebied ligt strategisch in de dynamische zuidvleugel van de Randstad. Vanuit Rotterdam, Gouda en Zoetermeer staat er grote druk op het gebied. Stadsuitbreidingen hebben als resultaat dat de openheid van het gebied verkleind wordt en dat de horizon voortdurend aan verandering onderhevig is. Daarnaast is er een steeds grotere recreatieve druk op het gebied komen te staan. Aan de rand van steden en dorpen zijn landbouwgronden getransformeerd tot recreatiebos, waterbergingsgebied of sportfaciliteiten.
1820
1950
1999
2017
De ontwikkeling van het landschap in Midden-Holland op de topografische kaarten van www.topotijdreis.nl
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
6 73
3. Beschrijving van het landschap Rivieren landschap
Rivier met buitendijksgebied Veenweide met rivierinvloed Veenstroom
Veenweide landschap
Veenplassen Veenweide polders Bovenland Droogmakerij met kleibodem
Droogmakerijen landschap
Droogmakerij met veenbodem Droogmakerij getransformeerd Woonkernen
Bebouwd gebied
Stads- en dorpsranden Bedrijventerreinen Kassengebied
Infrastructuur zone
Snelwegen, Spoorwegen, N-wegen De landschappelijke onderlegger van de regio, de legenda links verklaart de kaartkleuren
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
7 74
3.1 Het rivierenlandschap In de regio Midden-Holland liggen de rivieren De Lek, de Hollandse IJssel en de Oude Rijn. De landschappelijke eenheid van het rivierenlandschap wordt beschreven in de gebiedsbeschrijving ‘rivier met buitendijksgebied’.
Ecologische kenschets De dynamische buitendijkse gebieden van de rivieren de Lek en de Hollandse IJssel zijn belangrijke ecologische structuren, zowel de uiterwaarden als de rivieren zelf. Vooral de Lek vormt een ecologische corridor van (inter)nationaal belang. Binnen Midden-Holland zijn echter niet overal uiterwaarden aanwezig maar grenst de dijk soms direct aan de rivier. Hierdoor vormen de buitendijkse gebieden niet een aaneengesloten (droge) verbinding. Hetzelfde geldt voor de uiterwaarden van de Hollandse IJssel. In de uiterwaarden komen desalniettemin veel verschillende soorten planten en dieren voor. Dit komt door de grote verscheidenheid aan leefgebieden: gebufferde sloten, dynamische rivierbegeleidende wateren, petgaten, moerassen, natte strooiselruigtes, natte matig voedselrijke graslanden, bloemrijke graslanden, rivierduinen en -strandjes, zoom- en mantelvegetaties en droge struwelen, wilgenstruwelen en ooibossen.
De smalle oeverwallen langs de Oude Rijn (binnendijks gelegen) bestaan feitelijk uit een bebouwingslint en een smalle strook landschap dat iets kleinschaliger is dan het aangrenzende open landschap van de veenweidepolders. Er zijn niet of nauwelijks landschapselementen aanwezig die karakteristiek zijn voor de veel bredere oeverwallen langs de grote rivieren, zoals hoogstamboomgaarden, hagen en poelen, laat staan traditionele landgoedbossen en -lanen. De natuurwaarden op de oeverwallen langs de Oude Rijn komen grotendeels overeen met die van de (boerderijlinten in de) veenweidepolders.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
8 75
3.1.1 Gebiedsbeschrijving
Rivier met buitendijksgebied
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
In het gebied Midden-Holland liggen drie grote rivieren: de Lek, Hollandse IJsel en Oude Rijn. Hoewel de rivieren verschillen van karakter zijn ze samengevoegd in één gebiedsbeschrijving omdat ze uit vergelijkbare ingrediënten bestaan en daardoor ook vergelijkbare kansen en uitdagingen voor zon en wind energie bieden. De Lek is een brede weidse rivier met duidelijk zichtbare getijdeninvloed die gebruikt wordt als doorgaande vaarroute voor de beroepsvaart. Het winterbed van de rivier ligt vaak tot aan de voet van de brede en hoge dijk. Voor de dijk liggen verspreid buitendijkse natuur- en werkgebieden. De bebouwing in de linten en woonkernen ligt wisselend aan de voet of op de brede dijk.
A. Uiterwaarden Hollandse IJssel A
De Hollandse IJssel is smaller dan de Lek en heeft een kronkeliger verloop. Tussen de stormvloedkering bij Krimpen en de waaiersluis bij Gouda is de Hollandse IJssel een zoetwatergetijdenrivier met duidelijk zichtbaar verschil tussen eb en vloed. Ten oosten van de waaiersluis bij Gouda is de Hollandsche IJssel een rivier zonder getijdenwerking en daar zijn de oevers zijn daar strakker, bijna kanaalachtig. Ook aan de Hollandse IJssel liggen natuur-, werk- en woongebieden verspreid voor de dijk. De buitendijkse gebieden die voorheen voor de winning van klei werden gebruikt worden ‘Zellingen’ genoemd. De Oude Rijn is het minst breed van de drie rivieren maar vormt, met dijken en oeverwallen op een grote schaal een belangrijke structuurdrager in het landschap. Van oudsher is het een druk bevaren rivier en op de oevers is daarom veel woonen bedrijfsbebouwing aanwezig. Bij de Oude Rijn zijn geen buitendijkse gebieden aanwezig maar wat karakteristiek is voor de Oude Rijn is het jaagpad aan de zuidzijde over bijna de gehele lengte van de rivier.
B B. Uiterwaarden Lek
Uiterwaarden
Buitendijks bedrijventerrein Binnendijks dorp
Blokvormige percelen
Dijkbebouwing
Buitendijkse natte natuur
Ruimtelijke karakteristieken • • • • • • • •
Relatief smalle open gebieden Onregelmatige blokvormige percelen, soms onderbroken door al dan niet watervoerende nevengeulen en voormalige zand-, grind- en kleiputten Soms bebouwde (werk)gebieden gelegen aan de dijk, afgewisseld met soms natuurlijke en agrarisch gebruikte graslanden met waterbergende functie Veelal verharde oevers, weinig wegen, bebouwing grotendeels direct ontsloten vanaf de dijk Vlak en laag gelegen, tussen de winterdijk en de rivier Buitendijkse natuur met struweel Buitendijkse bedrijventerreinen Relatief weinig beplanting, voornamelijk rond bebouwing, veelal riet, soms struweel en populierenbosjes
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
Karakteristieken op tegel
9 76
Karakteristieke leefgebieden
Gebufferde sloten, dynamische rivierbegeleidende wateren, petgaten, moerassen, natte strooiselruigtes, natte matig voedselrijke graslanden, bloemrijke graslanden, rivierduinen en -strandjes, zoom- en mantelvegetaties en droge struwelen, wilgenstruwelen en ooibossen
Karakteristieke soorten
Overwinterende eenden, ganzen en zwanen, broedende moeras- en watervogels (aalscholver, blauwborst, dodaars, fuut, ijsvogel, oeverzwaluw, porseleinhoen, roerdomp, watersnip, woudaap, zwarte stern), rugstreeppad, bever, kleine modderkruiper, grote modderkruiper, meervleermuis, rosse vleermuis
Kansen en aandachtspunten met betrekking tot natuurwaarden
De uiterwaarden in Midden-Holland vallen vrijwel geheel binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarvoor een harde restrictie geldt ten aanzien van het plaatsen van zonnevelden en windturbines. Er zijn dan ook geen kansen op ontwikkeling van natuurwaarden in combinatie met het opwekken van duurzame energie met zonnepanelen of windturbines in de uiterwaarden.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
10 77
3.2 Het veenweidelandschap Een groot deel van het landschap binnen de regio Midden-Holland behoort tot het veenweidelandschap. Binnen de landschappelijke eenheid veenweide landschap wordt in deze analyse onderscheid gemaakt tussen vijf subeenheden: veenweide met rivierinvloed, veenstroom, veenplassen, veenweide polders en bovenland.
Ecologische kenschets De open veenweidepolders zijn van groot belang voor broedende weidevogels en riet-/moerasvogels en voor overwinterende zwanen, ganzen en smient. Het veenweidelandschap herbergt veel water/sloten met daartussen zeer open graslanden met hoge grondwaterstanden. Het beheer van de open veenweides is veelal extensief. Hierdoor zijn ze zeer geschikt voor weidevogels om te broeden en de jongen op te laten groeien en voor zwanen, ganzen en smient om te foerageren in de winterperiode. De aanwezige rietmoerasjes en natte strooiselruigtes zijn van belang als foerageergebied en als broedplek voor onder meer riet- en moerasvogels. De veengebieden (binnendijks langs de Lek, Hollandse IJssel en de Oude Rijn) die in het verleden onder invloed hebben gestaan van de rivieren hebben meer opgaande beplanting dan de open veenweides die verder van de rivieren zijn gelegen. Tussen en langs de weides staan onder meer (elzen) bosjes, rijen knotwilgen en kleine hoogstamboomgaarden. Net als de open veenweides zijn dit natte gebieden met veel sloten en enkele wielen. Voor weidevogels zijn deze gebieden wat minder belangrijk door de opgaande beplanting. Ze zijn wel waardevol als foerageer-/leefgebied voor soorten als gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, groene specht, steenuil, kerkuil en roek.
De waterrijke bovenlanden aan de westzijde van Gouda en aan weerszijden van Moordrecht zijn qua leefgebieden vergelijkbaar met de veenweides,
maar ze bestaan uit relatief kleine oppervlaktes die bovendien voor een groot deel bebouwd zijn. Hierdoor is geen sprake van zeer grootschalige openheid. Toch is een deel ervan (aan de westzijde van Gouda, ten zuiden van de spoorlijn) een belangrijk weidevogelgebied met bloemrijke graslanden en open moerasvegetaties. Ten noorden van de spoorlijn ligt natuurgebied ’t Weegje, met open water, moerasvegetaties, bloemrijke graslanden en wilgenstruwelen/-bosjes. In de overige delen die nog onbebouwd zijn (vooral ten zuidwesten van Moordrecht), zijn smalle oppervlaktes bloemrijke graslanden en open moerasvegetaties aanwezig met hier en daar opgaande beplanting. De Reeuwijkse Plassen zijn belangrijke leefgebieden voor riet- en moerasvogels en overwinterende eenden. Dat geldt vooral voor de meest oostelijke van deze veenplassen die onderdeel zijn van het Natura 2000-netwerk en het Natuurnetwerk Nederland. De plassen ’s-Gravenbroek en Elfhoeven zijn ecologisch gezien wat minder waardevol omdat hier meer recreatie plaatsvindt. De boerderijlinten in de open veenweides, langs de rivierdijken en langs de veenstromen herbergen sloten, elzenbeplantingen, rijen knotwilgen en kleine hoogstamboomgaarden. Hier leven soorten als gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, groene specht, steenuil, kerkuil, roek, ringmus en ringslang.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
11 78
3.2.1 Gebiedsbeschrijving
Veenweide met rivierinvloed
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
Bij de Lek en Hollandse IJsel loopt de veenweidepolders door tot aan de rivierdijken. Het hoogteverschil is geleidelijk en er is geen duidelijke oeverwal te onderscheiden. Wel is door de directe invloed vanuit de rivier hier meer klei in de bodem aanwezig en liggen de gronden hierdoor iets hoger. Deze rivierzone is smal langs de IJssel en breder langs de Lek, met de meest herkenbare hoger gelegen zone tussen Schoonhoven en Bergambacht. Hier is het landschap kleinschaliger en verdicht met boomgaarden en moestuinen. Bij de Oude Rijn vormt de oeverwal de overgang tussen de rivier en het veenweidegebied met rivierinvloed. De oeverwallen gaan hier geleidelijk over in het aangrenzende veengebied. Door de aanwezige klei in de ondergrond is het veen hier minder klinkgevoelig en is daarom in de loop van de tijd steeds hoger komen te liggen ten opzichte van de omgeving. Dit microreliëf is nog altijd in het landschap te zien.
A
A. Meijepolder B
Ruimtelijke karakteristieken • • • • • • • •
B. Polder Kattendijksblok
Grootschalig halfopen gebied Karakteristieke veenontginningen met regelmatige strokenverkaveling van smalle lange kavels Overwegend agrarisch gebruikt grasland met een fijnmazig slotenpatroon, veel brede (vaar)sloten Verdichte dijklinten met enkele erven Enkele rechte wegen haaks op de dijk, veelal onbeplant Iets hoger gelegen gebied achter de dijk, microreliëf van kleiruggen Opgaande beplanting rond erven, op tiendwegen en kades, enkele boomgaarden, moestuinen en populierenbosjes Blokboezems met beplanting
Regelmatige strokenverkaveling met een fijnmazig slotenpatroon
Rechte wegen haaks op de dijk
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
Populierenbosje en beplante blokboezems
Overwegen agrarisch gebruik Boomgaard
Bebouwingslint aan de dijk
12 79
Karakteristieke leefgebieden
Gebufferde sloten, gebufferde poelen en wielen, moerassen, natte strooiselruigtes, veenmosrietlanden, natte schraalgraslanden, dotterbloemgraslanden, natte matig voedselrijke graslanden, kruiden- en faunarijke graslanden, wilgenstruwelen, laagveenbosjes, hoogstamboomgaarden
Karakteristieke soorten
Gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, groene specht, steenuil, kerkuil, roek, ringslang, bittervoorn
Kansen en aandachtspunten met betrekking tot natuurwaarden
Voor de veengebieden die vroeger onder invloed stonden van rivieren gelden onderstaande ecologische principes. Deze principes sluiten aan op de bouwstenen en beschrijven de wijze waarop de energietransitie kan bijdragen aan het creëren van ecologische meerwaarde. Daarbij zijn ook verschillende aandachtspunten van belang. • •
• • •
•
Aanleggen van wilgenstruweel, rijen knotwilgen en/of elzenbosjes langs de randen van een zonneveld. Vernatten (maar niet tot aan maaiveld) van ontwaterde veengebieden: dit geeft kansen voor het verhogen van de biodiversiteit en zorgt tegelijk voor het afremmen van bodemdaling en een hoge reductie in het vrijkomen van CO2. Ontwikkelen van kruiden- en faunarijke graslanden. Ontwikkelen van (lage) moerasvegetaties: open wateren, moerassen, natte strooiselruigtes, veenmosrietlanden, natte schraalgraslanden, dotterbloemgraslanden, natte matig voedselrijke graslanden. Ecologische verbindingszones ontwikkelen: dit zijn doorlopende lijnvormige zones tussen twee leefgebieden. Ze kunnen bestaan uit (bestaande) watergangen met daarlangs een mozaïek van vochtige hooilanden, natte schraalgraslanden, ruigtes, geïsoleerde wateren/poelen en natuurvriendelijke oevers. In totaal zijn ze minimaal 25-50 meter breed (inclusief de watergang). Langs de corridors dienen om de maximaal 400 meter grotere oppervlaktes natuur (zogenaamde ‘stapstenen’) te liggen met poelen van bij voorkeur 400-1000 m2.
Voor overvliegende purperreigers (in de broedtijd) en voor overvliegende zwanen, ganzen en eenden (in de winter) kunnen de risico’s op verstoring, aanvaring en/of barrièrewerking door windturbines groot zijn, onder meer doordat deze vogels grotere afstanden afleggen (tussen foerageergebieden en respectievelijk broedplaatsen en slaapplaatsen), onder meer naar de naastgelegen rivieren. Hier is locatie-specifiek onderzoek voor nodig.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
13 80
3.2.2 Gebiedsbeschrijving
Veenstroom
Waar
Twee voorbeeldlocaties A
Kenschets
In het gebied Midden-Holland liggen veenrivieren. Sommigen zijn in het verleden deels of in hun geheel gekanaliseerd voor de scheepvaart maar er zijn ook veenrivieren die hun oorspronkelijke kronkelende verloop behouden hebben. De Vlist is een voorbeeld van een veenrivier met kronkelend verloop. Het kronkelend verloop vormt een sterk contrast met de lange rechte lijnen van de ontginningslijnen. Karakteristiek zijn kleine voorlanden met boomgaarden en rietoevers langs de kades. De Meije is een kronkelig, voormalig veenstroompje begeleid door een dicht bebouwingslint. Alleen het laatste stuk, de verbinding met de Oude Rijn, is gegraven. Hier loopt de Meije recht door open landschap.
Ruimtelijke en ecologische karakteristieken • • • • • • • •
Smal kleinschalig half open gebied Karakteristiek profiel met groene kades en kleine voorlanden Voorlanden met boomgaarden en rietoevers langs de kades Overwegend agrarisch gebruikt grasland met een fijnmazig slotenpatroon Kronkelende bebouwingslinten in contrast met de omliggende rechte verkaveling Kronkelende wegen veelal aan beide zijden van de veenstroom. Beplant met knotwilgen. Hogergelegen gebied tussen veenweidepolders Opgaande beplanting rond erven
A. Meije B
A
A B. Vlist
Dichtbebouwd dorpslint Weg aan beide zijden veelal beplant met knotwilgen
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
Veenrivier met kronkelend verloop Agrarisch grasland met fijnmazig slotenpatroon
14 81
Karakteristieke leefgebieden
Gebufferde sloten, kruiden- en faunarijke graslanden, wilgenstruweel, laagveenbosjes, hoogstamboomgaarden.
Karakteristieke soorten
Gewone en ruige dwergvleermuis, laatvlieger, groene specht, spotvogel, steenuil, kerkuil, roek, ringmus, heikikker, (alleen in het oostelijk deel van de regio), rugstreeppad, ringslang, bittervoorn, grote modderkruiper, libellen.
Kansen en aandachtspunten met betrekking tot natuurwaarden
Voor de (linten langs) veenstromen en (andere) boerderijlinten in de veenweidegebieden gelden onderstaande ecologische principes. Deze principes sluiten aan op de bouwstenen en beschrijven de wijze waarop de energietransitie kan bijdragen aan het creëren van ecologische meerwaarde. • • • • • •
Aanleggen van wilgenstruweel, rijen knotwilgen en/of elzenbosjes langs de randen van een zonneveld. Aanleggen van hoogstamboomgaarden (fruitbomen als appel en peer). Ontwikkelen van kruiden- en faunarijke graslanden. Ontwikkelen van (lage) moerasvegetaties: open wateren, moerassen, natte strooiselruigtes, veenmosrietlanden, natte schraalgraslanden, dotterbloemgraslanden, natte matig voedselrijke graslanden. Creëren van natuurvriendelijke oevers met een riet-/moerasvegetatie langs watergangen. Ecologische verbindingszones ontwikkelen: dit zijn doorlopende lijnvormige zones tussen twee leefgebieden. Ze kunnen bestaan uit (bestaande) watergangen met daarlangs een mozaïek van vochtige hooilanden, natte schraalgraslanden, ruigtes, geïsoleerde wateren/poelen en natuurvriendelijke oevers. In totaal zijn ze minimaal 25-50 meter breed (inclusief de watergang). Langs de corridors dienen om de maximaal 400 meter grotere oppervlaktes natuur (zogenaamde ‘stapstenen’) te liggen met poelen van bij voorkeur 400-1000 m2.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
15 82
3.2.3 Gebiedsbeschrijving
Veenplassen
Waar
Een voorbeeldlocatie
Kenschets
Waar tijdens de veenontginningen op grote schaal veengrond werd weggebaggerd om te gebruiken als turf, ontstonden langgerekte putten. Tussen deze putten, ook wel petgaten of trekgaten, bleven langgerekte smalle stroken grond over om de turf die werd gewonnen uit te leggen. Deze legakkers werden bij golfslag van het water in de putten ondermijnd en kalfden in de loop der tijd steeds verder af. Zo ontstonden grote veenplassen, zoals de Reeuwijkse plassen. Tegenwoordig zijn deze plassen meestal recreatie- of natuurgebied.
A
Ruimtelijke karakteristieken: • • • • • • •
Grootschalig open waterrijk gebied doorsneden met langgerekte beplante eilanden Karakteristieke regelmatige strokenverkaveling is nog herkenbaar door overgebleven legakkers en rechthoekige vorm van de plassen Grote plassen, overwegend in gebruik als recreatie- en natuurgebied, waterbergingsfunctie Enkele rechtlijnige smalle bebouwde linten met afwisselende kaveldiepte en grillige oeverlijnen Rechte wegen als ontginningsassen, veelal bebouwd en beplant Vlak open gebied met hoge waterstand en enkele eilandjes Veel opgaande beplanting op de bebouwde linten en de eilandjes, langs wegen veel knotwilgen
A. ‘s-Gravenkoop
Beplante kades met wegen en bebouwing
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
Bebouwingslint Veenplas
16 83
Karakteristieke leefgebieden
Gebufferde meren, moerassen, natte strooiselruigtes, veenmosrietlanden, natte schraalgraslanden, dotterbloemgraslanden, natte matig voedselrijke graslanden, kruiden- en faunarijke graslanden, wilgenstruwelen, laagveenbossen.
Karakteristieke soorten
Riet- en moerasvogels (blauwborst, kleine karekiet, rietgors, rietzanger, roerdomp) en overwinterende eenden.
Kansen en aandachtspunten met betrekking tot natuurwaarden
Voor de veenplassen die onderdeel zijn van het Natura 2000-netwerk en het Natuurnetwerk Nederland geldt een harde restrictie ten aanzien van het plaatsen van zonnevelden en windturbines. Er zijn dan ook geen kansen op ontwikkeling van natuurwaarden in combinatie met het opwekken van duurzame energie met zonnepanelen of windturbines. De plassen ’s-Gravenbroek en Elfhoeven vallen buiten deze restricties. Daar zijn kansen, maar ook aandachtspunten, voor het creëren van ecologische meerwaarde in combinatie met de energietransitie. • Een bedekking van een grote veenplas met zonnepanelen tot 10% zal nauwelijks effect hebben op de waterkwaliteit en de ecologie onder water als de panelen boven diep water worden geplaatst. Diepe delen zijn ecologisch gezien minder interessant dan ondiepe oeverzones. Een aandachtspunt is wel dat grote plassen belangrijke rust- en foerageergebieden kunnen zijn voor trekvogels en overwinterende watervogels. De plaatsing van zonnepanelen heeft naar verwachting een negatief effect op deze vogels. Het is daarom belangrijk van tevoren ecologisch onderzoek te doen naar de ecologische waarde van een grote veenplas. • Door drijvende eilanden of kunstmatige onderwaterstructuren toe te voegen kan er een ecologische meerwaarde worden gecreëerd, waar watervogels ook van kunnen profiteren (voedsel).
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
17 84
3.2.4 Gebiedsbeschrijving
Veenweide polders
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
In Midden-Holland liggen op verschillende plekken veenweide polders. De Krimpenerwaard is een samenstel van laaggelegen veenpolders in het rivierengebied. Het middendeel van de Krimpenerwaard heeft een meer gevarieerd en kleinschalig landschapsbeeld door de aanwezigheid van linten met wegbeplantingen, eendenkooien en pestbosjes. Ondanks de gefaseerde ontginning is een gelijkvormig ontginningspatroon ontstaan met lange, smalle noordzuid georiënteerde kavels en brede sloten. In het middengebied liggen achter de lintbebouwing brede vaarsloten en zones met veenputten, ontstaan door kleinschalige veenwinning. De graslanden hebben grotendeels een agrarische functie in de vorm van weidegebied en zijn waardevolle weidevogelgebieden. De veenweidepolders tussen de Oude Rijn en Hollandsche IJssel worden gekenmerkt door de slagenverkaveling met lange en smalle kavels en relatief brede sloten met hoge waterstanden. Het oorspronkelijke verkavelingspatroon is goed bewaard gebleven. De oudste ontginningen in het gebied liggen langs de Oude Rijn. Daar is sprake van een waaiervormige verkaveling. Deze zijn later gevolgd door de meer regelmatige verkavelingen: de copeontginning. De maat van de polders varieert sterk.
Een bijzondere kwaliteit is dat verschillende stadia van de veenontginning naast elkaar te zien zijn: polders met intacte eeuwenoude verkaveling zoals Polder Reeuwijk of de Meijepolder, Polder Oukoop met kleinschalige veenwinning – zichtbaar aan de veenputten en verbrede sloten – en de Reeuwijkse Plassen als eindstadium van de grootschalige veenwinning.
A
A. Oukoop
B
B. Graafwetering
Rechtlijnig bebouwingslint
Kade
Eendenkooi of pestbosje
Lange, smalle kavels en brede sloten
Weidevogelgebied Agrarisch grasland
Ruimtelijke karakteristieken: • • • • • • • • •
Grootschalig open gebied met enkele bosjes als coulissen Karakteristieke veenontginningen met regelmatige strokenverkaveling van smalle lange kavels Overwegend agrarisch gebruikt grasland met een fijnmazig slotenpatroon, veel brede (vaar)sloten en zones met veenputten Enkele rechtlijnige bebouwde linten met enkele (grote) erven Rechte wegen als ontginningsassen, veelal onbeplant Kades onbeplant en beplant vaak met essenhakhout of wilgen Laaggelegen gebied tussen de dijken Opgaande beplanting rond erven, soms langs wegen (m.n. bomenrijen), enkele (populieren)bosjes en dicht beplante eendenkooien Boezemwateren hoger gelegen in het landschap
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
18 85
Karakteristieke leefgebieden
Gebufferde sloten, moerassen, natte strooiselruigtes, veenmosrietlanden, natte schraalgraslanden, dotterbloemgraslanden, natte matig voedselrijke graslanden, kruiden- en faunarijke graslanden.
Karakteristieke soorten
Hermelijn, otter, rosse vleermuis, waterspitsmuis, broedende weidevogels, moerasvogels (blauwborst, porseleinhoen, purperreiger, roerdomp) en overwinterende zwanen, ganzen en eenden, kwartel, heikikker (alleen in het oostelijk deel van de regio), rugstreeppad, ringslang, bittervoorn, grote modderkruiper, libellen.
Kansen en aandachtspunten met betrekking tot natuurwaarden
Grote delen van de open veenweides in Midden-Holland vallen binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of belangrijke weidevogelgebieden (zoals aangemerkt in de provinciale verordening), waarvoor een harde restrictie geldt ten aanzien van het plaatsen van zonnevelden en windturbines. Voor de overige open veenweides gelden onderstaande ecologische principes. Deze principes sluiten aan op de bouwstenen en beschrijven de wijze waarop de energietransitie kan bijdragen aan het creëren van ecologische meerwaarde. Daarbij zijn ook verschillende aandachtspunten van belang. • •
•
•
Vernatten (maar niet tot aan maaiveld) van ontwaterde veengebieden: dit geeft kansen voor het verhogen van de biodiversiteit en zorgt tegelijk voor het afremmen van bodemdaling en een hoge reductie in het vrijkomen van CO2. Ontwikkelen van (lage) moerasvegetaties: open wateren, moerassen, natte strooiselruigtes, veenmosrietlanden, natte schraalgraslanden, dotterbloemgraslanden, natte matig voedselrijke graslanden en kruiden- en faunarijke graslanden. Ecologische verbindingszones ontwikkelen: dit zijn doorlopende lijnvormige zones tussen twee leefgebieden. Ze kunnen bestaan uit (bestaande) watergangen met daarlangs een mozaïek van vochtige hooilanden, natte schraalgraslanden, ruigtes, geïsoleerde wateren/poelen en natuurvriendelijke oevers. In totaal zijn ze minimaal 25-50 meter breed (inclusief de watergang). Langs de corridors dienen om de maximaal 400 meter grotere oppervlaktes natuur (zogenaamde ‘stapstenen’) te liggen met poelen van bij voorkeur 400-1000 m2. Om bij een zonneveld zoveel mogelijk te voorkomen dat verstoring door zonnepanelen optreedt, dienen panelen plat te liggen en op maaiveld en niet te worden begrensd door opgaande elementen als bomen, struiken, hagen of riet. Aandachtspunt is dat het laag houden van de vegetatie (maaien van riet/ruigte) kostbaar is.
Bij voorkeur worden zonnevelden gesitueerd binnen 200 (tot 400) meter van wegen en/of opgaande structuren/beplanting, omdat weidevogels hier toch al een bepaalde afstand tot aanhouden.
•
•
Windturbines kennen een verstoringsafstand van (maximaal) 200 meter voor grutto’s. Er zijn waarschijnlijk geen significante effecten op populaties grutto’s als windturbines op meer dan 200 meter afstand staan van broedgebieden. Als het gaat om aanvaringsslachtoffers geldt dat hoe hoger de turbine, hoe kleiner het gevaar is omdat grutto’s er dan onderdoor vliegen. De tijd op de dag en de periode in het jaar zijn ook van belang. Om negatieve effecten op nabijgelegen broedpopulaties van de grutto met zekerheid te kunnen uitsluiten wordt aanbevolen om de turbines op de meest risicovolle locaties en op de meest risicovolle momenten (in de broedtijd tijdens daglicht, als de grutto’s vliegen) stil te zetten. Onderzoek maakt het mogelijk om een dergelijke stilstandvoorziening op maat te specificeren. Op deze wijze kunnen negatieve effecten op lokale broedpopulaties uitgesloten worden. Voor purperreigers (in de broedtijd) en voor (overwinterende) zwanen, ganzen en eenden kunnen de risico’s op verstoring, aanvaring en/of barrièrewerking door windturbines wel groot zijn, onder meer doordat deze vogels grotere afstanden afleggen (tussen foerageergebieden en respectievelijk broedplaatsen en slaapplaatsen). Hier is locatie-specifiek onderzoek voor nodig.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
19 86
3.2.5 Gebiedsbeschrijving
Bovenland
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
Tussen de Zuidplaspolder en de Hollandsche IJssel en de Gouwe ligt een smalle zone veenweide dat in het verleden niet verveend is. Dit gebied ligt hoger in het landschap en wordt duidelijk begrensd door de rivierdijk en de ringvaart. Vooral tussen de tweede en de vierde tocht is, waar het bovenland smal en grotendeels onbebouwd is, het getrapte hoogteverschil in het landschap goed beleefbaar. Het landschap heeft een opstrekkende verkavelingspatroon en is grotendeels in gebruik als grasland. Langs de ringvaart en de rivierdijk ligt verspreid gelegen bebouwing. Op een aantal plaatsen zijn naast natuurontwikkeling ook recreatieprojecten ontwikkeld (golfbaan en verblijfsrecreatie). Op deze plekken is het karakteristieke verkavelingspatroon en open weidelandschap (deels) verloren gegaan.
A
A. Bij Groenswaard B A
Ruimtelijke karakteristieken: • • • • • • •
Kleinschalig halfopen gebied Karakteristiek smalle langgerekte verkaveling, overwegend haaks op de dijk georiënteerd Afwisselend landgebruik, grotendeels agrarisch grasland, soms recreatie- en natuurgebied, veelal bebouwd Veelal bebouwd gebied met industrieterrein en buitenwijken, verder enkele verspreid gelegen erven in de open ruimtes langs de ringvaart en de rivierdijk Relatief weinig wegen, onbeplant, bebouwing vaak direct ontsloten aan de dijk Hoger gelegen gebied tussen de rivierdijk en de ringvaart Opgaande beplanting rond erven, verder af en toe een klein bosje
B.Bij Broekhuizen
Smalle langgerekte verkaveling
Onverveend bovenland Bebouwing aan Rinvaart/rivierdijk
Ecologie karakteristieken en aandachtspunten
Voor het deel van de bovenlanden die in de provinciale verordening zijn aangeduid als belangrijk weidevogelgebieden (dat is het gebied ten westen van Gouda, direct ten zuiden van de spoorlijn) geldt dat de karakteristieke leefgebieden en soorten overeenkomen met die van de open veenweides. Hier geldt een harde restrictie ten aanzien van het plaatsen van zonnevelden en windturbines. De overige delen van het Bovenland zijn qua leefgebieden en soorten vergelijkbaar met de veengebieden onder invloed van rivieren. Hier zijn dan ook dezelfde ecologische kansen en aandachtspunten van toepassing.
Bebouwdgebied
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
20 87
3.4 De droogmakerijen In de 17e eeuw begon men met het droogleggen van veenplassen die ontstaan waren als gevolg van de turfwinning. In de regio Midden-Holland liggen verschillende droogmakerijen. Binnen de landschappelijke eenheid droogmakerijen wordt in deze analyse onderscheid gemaakt tussen drie subeenheden: droogmakerij met kleibodem, droogmakerij met veenbodem, droogmakerij getransformeerd.
Ecologische kenschets Binnen de droogmakerijen zijn in de huidige situatie vooral de delen met een veenbodem ecologisch waardevol. Deze gebieden vertonen grote overeenkomsten met de open veenweides in de veenweidegebieden. Ze hebben hoge grondwaterstanden en kennen een extensief beheer en zijn mede daardoor van belang voor weidevogels als grutto, tureluur en slobeend. Ook soorten als ringslang, bittervoorn, platte schijfhoren (waterslakje) en hermelijn komen hier voor. Vooral de Groenblauwe zone bij Westergouwe kent een hoge biodiversiteit.
belang voor een aantal bijzondere diersoorten. Als katteklei ontwaterd wordt, ontstaan zeer zure omstandigheden waarop weinig groeit. Op katteklei liggen dan ook vooral kansen om (open) natte natuur te ontwikkelen.
De delen van de droogmakerijen met een kleibodem kennen in de huidige situatie veelal een lage biodiversiteit als gevolg van de intensieve landbouw. Hier ligt een grote opgave om de biodiversiteit te herstellen. Er komen nog soorten als patrijs en gele kwikstaart voor, maar deze gaan sterk in aantallen achteruit. In het noordelijk deel komt bovendien de rugstreeppad voor.
In de ‘getransformeerde droogmakerijen’ zijn vaak vrij veel natuurwaarden aanwezig of in ontwikkeling, zoals zoetwaterplassen, moerasvegetaties, natte graslanden, wilgenstruwelen en -bossen (rond) de Zevenhuizerplas en in de Eendragtspolder. In het Bentwoud zijn vooral drogere ruigtes, struwelen en bosjes aanwezig / in ontwikkeling.
Verder zijn in de droogmakerijen nu vooral ruige spoorbermen met riet, struwelen en plassen bij op- en afritten van rijkswegen en de erven van sommige boerderijen met bijvoorbeeld oude knotwilgen ecologisch waardevol. Op de erven komen soorten als steenuil en ringmus voor.
Op de overgang naar de delen met een veenbodem komt plaatselijk katteklei in de ondergrond voor, waarop zich blauwgrasland kan ontwikkelen, dat floristisch gezien heel bijzonder is, met plantensoorten als kleinste egelkop, stijve moerasweegbree, pilvaren en de knolrus. Ook is blauwgrasland van
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
21 88
3.3.1 Gebiedsbeschrijving
Droogmakerij met kleibodem
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
In een deel van de droogmakerijen op klei is het landschap nog zeer open en is de kenmerkende rationele opbouw van linten, tochten en orthogonale verkaveling nog als eenheid – begrensd door dijken – herkenbaar. De grootschaligheid en openheid van deze droogmakerijen brengen eenheid en rust in het verder sterk verstedelijkte en soms verrommelde gebied en vormen daarmee een bijzondere kwaliteit. De droogmakerijen zijn in gebruik als akkerland en hebben hoge agrarische waarde. Delen van de droogmakerij zijn bebouwd met kassen. Deze kassen worden geclusterd in het open landschap om de openheid in andere delen te behouden. Als opgaand element zijn de kassen in het open landschap erg zichtbaar.
A
B
A. Bij Zuidplas A
A
Ruimtelijke karakteristieken: • • • • • • • • •
Zeer open Grootschalige, rationele orthogonale verkaveling Rationele opbouw met linten en tochten Begrenst door dijken en/of ringvaart Deels ingevuld met kassen Dorpen zijn ontstaan aan ringvaart of linten Enkele kreekruggen nog zichtbaar (zuidplaspolder) Rechte wegen zonder beplanting Opgaande beplanting op erven
B. Bij Zevenhuizen
Kassen
Dijk
Grootschalige, rationele verkaveling
Erf met beplanting
Karakteristieke leefgebieden
Gebufferde sloten en poelen, vaarten, kruiden- en faunarijke akkers, zoom mantel en droog struweel van het zeekleigebied, natte strooiselruigtes, wilgenstruweel, bos van voedselrijke vochtige gronden (essen-iepenbos); op katteklei: natte schraalgraslanden (blauwgraslanden)
Karakteristieke soorten
Akkervogels (patrijs, gele kwikstaart), steenuil, ringmus, rugstreeppad; op katteklei: bijzondere flora (zoals kleinste egelkop, stijve moerasweegbree, pilvaren, knolrus), watersnip, ringslang, grote modderkruiper, dagvlinders en libellen
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
22 89
Kansen en aandachtspunten met betrekking tot natuurwaarden
Voor de droogmakerijen met kleibodems gelden onderstaande ecologische principes. Deze principes sluiten aan op de bouwstenen en beschrijven de wijze waarop de energietransitie kan bijdragen aan het creëren van ecologische meerwaarde. Daarbij zijn ook verschillende aandachtspunten van belang. • • • •
•
•
•
Vernatten van ontwaterde gebieden: dit geeft kansen voor het verhogen van de biodiversiteit, zeker in de delen met katteklei. Ontwikkelen van kruiden- en faunarijke graslanden of kruiden- en faunarijke akkers. Creëren van natuurvriendelijke oevers met een riet-/moerasvegetatie langs watergangen. Ontwikkelen van (lage) moerasvegetaties, vooral in de delen met katteklei: open wateren, moerassen, natte strooiselruigtes, veenmosrietlanden, natte schraalgraslanden (blauwgrasland op katteklei), dotterbloemgraslanden, natte matig voedselrijke graslanden. Een goede waterkwaliteit is daarbij belangrijk. Ecologische verbindingszones ontwikkelen: dit zijn doorlopende lijnvormige zones tussen twee leefgebieden. Er is door de provincie een verbindingszone gepland door de Zuidplaspolder; deze moet de Krimpenerwaard met het Bentwoud verbinden. De verbindingszone bestaat uit (bestaande) watergangen met daarlangs een mozaïek van vochtige hooilanden, natte schraalgraslanden, ruigtes, geïsoleerde wateren/poelen en natuurvriendelijke oevers. De corridor moet bestaan uit een strook van 25-50 meter breed (met daarbinnen de watergang). Langs de corridor dienen om de maximaal 400 meter grotere oppervlaktes natuur (zogenaamde ‘stapstenen’) te liggen met poelen van bij voorkeur 400-1000 m2. Vooral buiten de delen met katteklei in de bodem kan ook gekozen worden voor meer verdichting van het landschap.
Te denken valt dan aan het aanleggen van hagen (eenstijlige meidoorn), droge struwelen (eenstijlige meidoorn, sleedoorn, gewone vlier, hazelaar) en vochtige struwelen (grauwe wilg) en bossen/bosjes (gewone es, gladde iep, zwarte els), bijvoorbeeld langs de randen van een zonneakker. Ruigtes en struwelen kunnen ook worden ontwikkeld in overhoeken. Combinaties van natuurontwikkeling met windenergie zijn waarschijnlijk mogelijk in de droogmakerijen. Wel is locatie-specifiek onderzoek van belang, onder meer naar de vliegroutes van purperreigers.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
23 90
3.3.2 Gebiedsbeschrijving
Droogmakerij met veenbodem
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
Aan de oostkant van Boskoop liggen de droogmakerijen Middelburg en Tempel die opvallen door het hoogteverschil van ongeveer vier meter met de omgeving. Ze worden omringd door dijken. Polder Middelburg heeft een bijzonder strakke vorm; de langgerekte strook tussen de polderdijken is overal exact even breed. Binnen de verkaveling van Polder Middelburg zijn drie delen te onderscheiden met ieder hun eigen kavelrichting. De boerderijen staan overwegend langs de kaarsrechte Middelburgse Weg. De contouren van de Tempelpolder zijn minder rechtlijnig en voegen zich in de vormen van de omringende veenweidepolders. Ook in de verkaveling onderscheidt de Tempelpolder zich weinig van de veenweidepolders in de omgeving. Na de droogmakerij werd de oude verkaveling en ontsluiting weer teruggebracht. De oude bebouwing concentreert zich in linten langs de buitenrand van de droogmakerij. Na het droogleggen heeft zich langs de Zijdeweg, die door de droogmakerij loopt, een nieuw bebouwingslint ontwikkeld. De polders zijn overwegend in gebruik als grasland. In de Tempelpolder heeft zich een aantal sierteeltbedrijven gevestigd. Toenemende problemen met de waterhuishouding maken de toekomst van de polder onzeker.
• • • •
A. Polder Tempel B
B. Bij Moordrecht
Fijnmazige verkaveling en brede watergangen
Ruimtelijke karakteristieken: • • • •
A
Fijnmazige verkaveling Brede watergangen Richting van kavels verschilt per polder Oude bebouwing concentreert zich in linten langs de buitenrand van de droogmakerij Nieuwe bebouwingslinten in de droogmakerij Brede watergangen met hoog waterpeil Overwegend in gebruik als grasland en vogelweidegebied Sierteelt bedrijven
Nieuw bebouwingslint en woonkern in droogmakerij
Dijk met oud bebouwingslint aan de rand van de polder
Agrarisch grasland
Vogelweidegebied
Ecologie karakteristieken en aandachtspunten
De droogmakerijen met veenbodems zijn qua leefgebieden en soorten vergelijkbaar met de open veenweides in de veenweidegebieden. Hier zijn dan ook dezelfde ecologische kansen en aandachtspunten van toepassing als in de open veenweides.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
24 91
3.3.3 Gebiedsbeschrijving
Droogmakerij getransformeerd
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
Met de verstedelijking en toename van de bevolking is ook de vraag naar recreatiegebieden toegenomen. Een aantal droogmakerijen zijn in het verleden getransformeerd, bijvoorbeeld tot recreatiebos. En er zijn ook nog grote transformaties gaande zoals de ontwikkeling van het recreatieen waterbergingsgebied Eendragtspolder. Hier is het oorspronkelijke droogmakerijenlandschap niet of nauwelijks meer herkenbaar, ook de aanwezige oude kreekrug is niet tot nauwelijks meer te ervaren. Er is een nieuw landschap ontstaan met nieuwe kwaliteiten Ook zijn er een aantal gebieden, met name ten westen van de Rotte, versnipperd geraakt. Deze droogmakerijen vormen de overgang tussen stedelijk- en recreatiegebied. Ondanks hun kleine maat geven ze lucht en ruimte aan het gebied en zijn in dat opzicht zeer waardevol. Bij de eendrachtspolder is een oude kweekrug aanwezig maar deze is niet meer zichtbaar. Door de kreekruggen met hun grillige verloop bij ontwikkelingen in het gebied als basis te gebruiken kunnen ze, weer herkenbaar worden gemaakt in het landschap.
A
A. Polder Waddinxveen B
B. Eendragtspolder
Ruimtelijke karakteristieken: • • • • • • •
Overgang van agrarisch naar recreatief- of bebouwdgebied Oorspronkelijke agrarische verkaveling op veel plaatsen niet of nauwelijks meer zichtbaar Landgebruik wisseld tussen recreatief-, natuur- en bebouwd gebied Recreatiebossen en golfbanen Waterbergingsgebieden Dijken nog aanwezig Oude stroomruggen niet ervaarbaar.
Land met agrarische functie Stads- of dorpsrand
Waterberging
Recreatie- en natuurgebieden
Ecologie karakteristieken en aandachtspunten
Daar waar al veel natuurwaarden aanwezig of in ontwikkeling zijn in de ‘etransformeerde droogmakerijen’, zijn er weinig kansen de biodiversiteit nog te verhogen door middel van het plaatsen van zonnepanelen. Op plekken waar die kansen er nog wel zijn, kan worden aangesloten bij de kansen en aandachtspunten met betrekking tot natuurwaarden in de droogmakerijen met kleibodems. Combinaties van natuurontwikkeling met windenergie zijn wellicht mogelijk in de ‘getransformeerde droogmakerijen’. Voor overvliegende purperreigers (in de broedtijd) en voor overvliegende zwanen, ganzen en eenden (in de winter) kunnen de risico’s op verstoring, aanvaring en/of barrièrewerking door windturbines groot zijn, onder meer doordat deze vogels grotere afstanden afleggen (tussen foerageergebieden en respectievelijk broedplaatsen en slaapplaatsen), onder meer naar de naastgelegen rivieren. Hier is locatie-specifiek onderzoek voor nodig.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
25 92
3.4 Bebouwd gebied Binnen de landschappelijke eenheid veenweide landschap wordt in deze analyse onderscheid gemaakt tussen vijf subeenheden: woonkernen, stads- en dorpsranden, bedrijventerreinen, kassengebied.
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
26 93
3.4.1 Gebiedsbeschrijving
Woonkernen
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
Onder de woonkernen vallen alle stedelijke ontwikkelingen, zoals stads- en dorpskernen en (uitbreidings)wijken. Deze gebieden worden gekenmerkt door een diverse opbouw aan programma’s en voorzieningen. De gebieden kennen allen een eigen opbouw en uitstraling. Deze is afhankelijk van de ontstaanswijze, specifieke inrichting, dichtheid en woontypologieën. De karakteristieken van het onderliggende landschap zijn niet overal meer herkenbaar of behouden gebleven. Het historisch centrum ligt vaak nog in het oorspronkelijke polder- of dijklint. Deze linten zijn door de tijd heen uitgebreid tot woonkernen. De latere uitbreidingswijken (vanaf circa de jaren ’50) zijn meestal los van de historische kern en in zichzelf gekeerd ontwikkelt, en ook los van de onderliggende landschapskarakteristieken. Deze karakteristiek is sterker bij de woonkernen aan de rivier dan die in de polder.
A. Gouda A
B
Ruimtelijke karakteristieken: • • • • • •
B. Stolwijk
Relatief kleinschalig, beperkte open ruimte Diverse verkavelingspatronen Diversiteit in grondgebruik (hoofdgebruik wonen) met een hoge dynamiek Diversiteit aan type en ligging van wegen Diversiteit aan bebouwing, relatief hoge dichtheid en concentratie Diversiteit in opgaande beplanting
Diversiteit in grondgebruik
Relatief beperkte open ruimte
Verschillende type bebouwing en wegen
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
27 94
3.4.2 Gebiedsbeschrijving
Stads- en dorpsranden
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
De bebouwingsranden als een schil rond stad en dorpen zijn bijzondere plekken in het landschap. Deze randen zijn vaak geen harde lijn, maar gemixte en dynamische zones. Het ruimtegebruik in de bebouwingsranden is divers. En ook de ruimtelijke karakteristieken verschillen naar gelang de ligging. Op de kaart onderscheiden we de ligging van randen langs een grote weg, langs een groot waterlichaam, langs open landschap, langs recreatie of stedelijk groen en langs bebouwing.
A
A. Bodegraven
Ruimtelijke karakteristieken: • • • • • •
B
Relatief kleinschalig Diverse verkavelingspatronen Diversiteit in grondgebruik (hoofdgebruik wonen) met een lage dynamiek? Diversiteit aan type en ligging van wegen Diversiteit aan bebouwing, relatief lage dichtheid en concentratie Diversiteit in opgaande beplanting
B. Stolwijk
Sportvelden Woningen Agrarisch grasland Recreatieve functie
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
Bedrijven
28 95
3.4.3 Gebiedsbeschrijving
Bedrijventerreinen
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
De bedrijventerreinen in de regio liggen binnen en buiten de bebouwde kom. Over het algemeen vormen deze gebieden nieuwe lagen die aan het onderliggende landschap zijn toegevoegd, zonder veel rekening te houden met de onderliggende ruimtelijke structuur. Veelal liggen bedrijventerreinen gekoppeld aan grotere infrastructurele lijnen zoals snelwegen, spoorlijnen en watergangen. Daarnaast zijn deze gebieden meestal gelegen tussen de randen van de woonkernen en de landschappelijke open gebieden. Heel grof is het onderscheid te maken tussen ‘nieuwe’ en ‘oude’ terreinen. Bij de nieuwe of nog te ontwikkelen bedrijventerreinen is/wordt doorgaans ingezet op een efficiënte indeling, grote percelen en goede bereikbaarheid. Deze bedrijventerreinen hebben een ruim opgezette openbare ruimte. Bij de verouderde bedrijventerreinen die aan herstructurering toe zijn of een transformatie naar gemixt gebied ondergaan, is de ruimte vaak volledig volgebouwd, is weinig openbare ruimte aanwezig en kan er sprake zijn van leegstand.
A
A. Distriparken A12
B
B. Bergambacht
Ruimtelijke karakteristieken: • • • • • •
Relatief grootschalig Vaak rechtlijnige en efficiënte verkaveling Monofunctioneel grondgebruik, bedrijfsbebouwing, open gebieden verhard Rechtlijnige wegen, vaak in een grootschalig grid Grotendeels bebouwd oppervlak, grote korrel en relatief lage dichtheid Zeer weinig opgaande beplanting, veelal bomenrijen langs (hoofd) wegen
Hoofdweg met beplanting
Waterberging
Bedrijven Snelweg Openbare ruimte veelal verhard
Regionale Energie Strategie 1.0 Midden-Holland
29 96
3.4.4 Gebiedsbeschrijving
Kassengebied
Waar
Twee voorbeeldlocaties
Kenschets
Glastuinbouw komt in de regio Midden Holland vooral voor in de droogmakerijen met kleibodem. De grote schaal van de kassen passen binnen het rationele, grootschalige verkavelinspatroon dat kenmerkend is voor deze droogmakerijen. De kassen zijn, als opgaand element, erg zichtbaar in het vooral open en kale agrarische landschap. In de loop van de tijd hebben gemeentes hun best gedaan om nieuwe kassen geconcentreerd te plaatsen en bestaande kassen te verplaatsen richting deze concentraties. Glastuinbouw wordt soms gecombineerd met bedrijventerreinen en er wordt daarom ook gesproken over het glastuinbouwbedrijvenlandschap. Om kansen voor wind en zon te benoemen zijn de kassengebieden wel verschillend ten opzichte van de bedrijventerreinen.
A A. Waddinxveen B
Ruimtelijke karakteristieken: • • • • •
B. NieuwerKerk aan den IJssel
Relatief grootschalig Vaak rechtlijnige en efficiënte verkaveling Wateropslag tussen de kassen Vaak onderdeel van erf, achter op het erf. Combinatie met bedrijfspanden, schuren