CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp RSZ en OER (geanonimiseerd)

Raadsvergadering 28 oktober 2025, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Ruimtelijke Strategie Zoetermeer 204020.148 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp Ruimtelijke Strategie Zoetermeer en Omgevingseffectrapport (OER) BIJLAGE 6 (GEANONIMISEERD)

Afdeling Stedelijke Ontwikkeling Gemeente Zoetermeer Augustus 2025

1.

Inleiding

Op 17 maart 2025 heeft de gemeenteraad ermee ingestemd dat het college de ontwerp Ruimtelijke Strategie Zoetermeer en het Omgevingseffectrapport ter inzage legt, gedurende 6 weken van 4 april t/m 15 mei 2025. Gedurende deze termijn kon eenieder zienswijzen indienen op de ontwerp Ruimtelijke Strategie Zoetermeer en het Omgevingseffectrapport. Hiervan is op de gebruikelijke wijze kennisgegeven door een publicatie in het Gemeenteblad en een verwijzing in het Streekblad. Daarnaast is er op de gemeentelijke website aandacht gegeven aan de publicatie en de bijbehorende stukken. Verder zijn gedurende de zienswijzeperiode op diverse social mediakanalen berichten en een video gepost om publiciteit te geven aan de ontwerp Ruimtelijke Strategie Zoetermeer en het Omgevingseffectrapport RSZ en inwoners, organisaties en andere belanghebbenden op te roepen een reactie te geven op de stukken. Ook heeft als aftrap van de zienswijzeperiode een speciale bijeenkomst plaatsgevonden in het Stadstheater, waarin specifiek aandacht is besteed aan de ter inzagelegging. De Ruimtelijke Strategie Zoetermeer is het resultaat van de input uit de brede participatie en consulatie met inwoners, organisaties, overheden en externe experts die afgelopen periode heeft plaatsgevonden.

In die periode is op diverse momenten overleg geweest met inwoners, organisaties, overheden en experts over de gewenste ontwikkeling van Zoetermeer. Tijdens de zienswijzetermijn zijn 20 zienswijzen ingediend. De gemeente spreekt haar dank en waardering uit naar de inwoners, organisaties en overheden die gedurende de zienswijzeperiode een reactie hebben ingediend op de ontwerp Ruimtelijke Strategie Zoetermeer en het Omgevingseffectrapport. Een deel van de zienswijzen heeft geleid tot aanscherping of aanvulling van de Ruimtelijke Strategie en het Omgevingseffectrapport, of vormen aandachtspunten voor de verdere uitwerking van de Ruimtelijke Strategie of zijn vooral een bevestiging en ondersteuning ervan. Sommige zienswijzen richten zich op onderwerpen die bij de verdere uitwerking van de Ruimtelijke Strategie aan de orde zullen komen. Deze zienswijzen hebben niet geleid tot een inhoudelijke aanpassing. Maar waar dat aan de orde is gaat de gemeente graag het gesprek aan met de indieners van de zienswijzen en met andere partners van de stad, om gezamenlijk uitvoering te geven aan de Ruimtelijke Strategie. De gemeente Zoetermeer is ook dankbaar voor alle bijdragen die zij in de afgelopen periode vanuit de samenleving heeft ontvangen. En voor de betrokkenheid van vele partners in de stad en de gesprekken die met hen zijn gevoerd bij de totstandkoming van de Ruimtelijke Strategie.

Deze hebben mede vormgegeven aan de Ruimtelijke Strategie zoals die nu voorligt. Hieronder worden de ingediende zienswijzen op volgorde van binnenkomst samengevat en van een antwoord voorzien. Als de zienswijze aanleiding is geweest tot aanpassing van de stukken dan is dat bij het antwoord vermeld. In verband met de privacywetgeving zijn de ingediende zienswijzen van personen geanonimiseerd. Het college van B&W heeft kennisgenomen van alle zienswijzen en deze beantwoord. De beantwoording van de zienswijzen is betrokken bij de besluitvorming over de vaststelling van de Ruimtelijke Strategie en het Omgevingseffectrapport.

2.

Samenvatting en beantwoording zienswijzen ontwerp Ruimtelijke Strategie Zoetermeer en Omgevingseffectrapport RSZ

INHOUD ZIENSWIJZE

BEANTWOORDING

Indiener mist verbinding IN de stad. Indiener is van mening dat het OV in Zoetermeer op dit moment alleen gericht is op de stad verlaten en vraagt waar de verbinding TUSSEN de wijken is. Indiener geeft aan dat Zoetermeer vooral ingericht is om zo snel mogelijk te verlaten, of binnen te komen, maar dat je zonder fiets of auto nergens komt.

De Ruimtelijke Strategie Zoetermeer (RSZ) zet nadrukkelijk in op het verbeteren van verbindingen tussen de wijken in Zoetermeer. Hiervoor wordt een netwerk van gezonde routes geïntroduceerd. Dat netwerk bestaat uit gezonde, aantrekkelijke en sociaal veilige routes voor actief verkeer (wandelen en fietsen). Dit netwerk betekent een doorontwikkeling van en een aanvulling op de bestaande verbindingen in de stad. Wat de bestaande situatie betreft kan worden opgemerkt dat de randstadrail bijna alle wijkcentra aandoet en verbindt, dit is een uniek systeem. Bovendien is er een ontsluitend systeem van buslijnen aanwezig.

Zienswijze 1 1.1

Hoogwaardige openbaar vervoerverbindingen (HOV) zoals de Randstadrail, R-netbussen en de trein zijn daarnaast goede voorzieningen voor bovenlokale verplaatsingen en zijn daarmee een alternatief voor autoverkeer. Zienswijze 2 2.1

Indiener geeft de volgende aandachtspunten mee: - Laat geen natuur verloren gaan (indiener geeft aan dat dit in de RSZ 2040 wel achteruit gaat), want dat gaat ook ten koste van koelte en opvang van water. - Beeld van Entree straks is niet reëel, want het autoverkeer daar verdwijnt niet en zorgt voor grote files tijdens de spits met lagere snelheden. - Breng de auto's bij de Entree en Europaweg onder de grond en zorg voor natuur of bebouwing daarboven. Ook beter voor luchtkwaliteit. - Zorg voor meer fietsverbindingen tussen de wijken zelf.

In de RSZ zijn zogenoemde Groene Wiggen opgenomen om te garanderen dat koelte van het buitengebied door grotere groenen waterstructuren de stad in kan komen. Hiernaast is het uitgangspunt dat het groen ‘meegroeit'; bij elk leefmilieu is aangegeven op welke wijze groen, water en natuur onderdeel uitmaakt van de leefomgeving. Doorstromingsberekeningen in de verkeerseffectenrapportage Entree en de MER effectenrapportage Verkeer geven aan dat doorstroming in voldoende mate is gewaarborgd voor het autoverkeer. In de visie Entreegebied 2017 en het Masterplan 2019 is door de gemeenteraad al een keuze gemaakt om de Afrikaweg als stadsstraat aan te leggen. Naar aanleiding van het coalitieakkoord 2022-2026 heeft het college nog een keer een onafhankelijk haalbaarheidsonderzoek laten uitvoeren of een landtunnel over de Afrikaweg mogelijk is. Alles overwegend heeft het college in 2023 besloten om geen verdere stappen te ondernemen met betrekking tot de overkapping. Hoewel een aantrekkelijk perspectief kan worden geboden, was het college van mening dat de geraamde kosten niet opwegen tegen de voordelen van de komst van de overkapping. Door het toevoegen van twee oversteken over de Afrikaweg worden ten opzichte van de huidige vier tunnels (Stationsplein,

Boerhaavepad, Abdissenpad, Voorweg) de naastliggende wijken extra ontsloten. Zienswijze 3 3.1

Verouderde wijken Indiener herkent dat de wijk Driemanspolder verouderd en toe is aan grootschalig onderhoud. Indiener vraagt welke rolt de gemeente inneemt in het verbeteren van de openbare ruimte? Indiener stelt dat de constatering dat er ambitie is om bestaande wijken aantrekkelijker te maken vaag is als geen beeld wordt geschetst van de inzet en bijdrage van de gemeente op dit punt. Indiener stelt dat op het gebied van de openbare ruimte de gemeente aan zet is.

In de RSZ wordt naast de groei van de stad ook het belang van de bestaande stad, de bestaande wijken en buurten, benadrukt. Veel van de opgaven moeten ook een plek krijgen in de wijk, waarbij ingezet wordt op het slim combineren van verschillende opgaven. In de visie Zoetermeer 2040 zijn al enkele wijken benoemd waar urgentie gevoeld wordt om mee aan de slag te gaan: de wijken van de toekomst Meerzicht, Buytenwegh en Seghwaert. In overige gebieden (waaronder Driemanspolder) worden zoveel als mogelijk kansen gekoppeld aan nieuwe investeringsmomenten die zich voordoen: dit kan grootschalig beheer- en onderhoud zijn, (kleinschalige) nieuwbouwinitiatieven of renovatieplannen van bijvoorbeeld woningcorporaties. De gemeente is daarin een belangrijke stakeholder. Echter, de RSZ biedt ook de ruimte en roept op om buurtinitiatieven te stimuleren en eigenaarschap te vergroten. Verdere concretisering hoe de verschillende opgaven en verbetering van de openbare ruimte er concreet uit komen te zien, wordt niet in de RSZ bepaald, maar is een verdere uitwerking in gebiedsprogramma's en plannen en projecten.

3.2

Indiener geeft aan geen beeld van de inzet van de gemeente te hebben voor het aardgasvrij maken van de laagbouwwoningen van hun wijk, en aandacht voor energie-opslag (buurtbatterijen), onderzoek naar kleinschalige WKO -oplossingen of afspraken over all-electric oplossingen nog steeds ontbreken. Indiener wijst op het risico dat op weg naar 2040-2050 kansen worden gemist. Indiener verwijst naar de kaart op pagina 75 van de RSZ waar wél is opgenomen dat de Clauslaan een zoekgebied is voor een ondergrondse warmteleiding door de stad. Indiener nodigt de gemeente uit actief de handschoen op te pakken en samen met de wijk naar oplossingen te zoeken die haalbaar en betaalbaar zijn.

De RSZ maakt de strategische keuze om als gemeente regie te pakken op collectieve systemen in de (hoog)stedelijk gebieden en de laagbouw (suburbane) woongebieden in te zetten op individuele oplossingen en buurtinitiatieven te ondersteunen. Het is daarbij inderdaad de bedoeling na vaststelling van de RSZ om hiermee aan de slag te gaan. Daarover treedt de gemeente graag in overleg met de partners in de stad. De afbeeldingen op de pagina’s 75 en 77 zijn mede gebaseerd op de Transitievisie Warmte van de gemeente. Die maakt onderscheid tussen gebieden waar collectieve warmteoplossingen mogelijk zijn (centrumbuurten met relatief veel hoogbouw) en de overige gebieden met overwegend laagbouw waar individuele oplossingen het meest kansrijk zijn. In deze laatste gebieden bevinden zich ook buurten met verspreide hoogbouw waar ook kleinschalige collectieve warmteoplossingen mogelijk zijn. In de kaarten op pagina 75 en77 is een omissie opgetreden. Het studiegebied van een ondergronds warmtenet wekt de indruk dat dit tracé in studie is, dat is op dit moment niet zo. De stippellijn op kaart en bijbehorende legenda zijn komen te vervallen. Dit zal worden aangepast.

Overigens liggen in de collectieve gebieden ook grondgebonden woningen. Grondgebonden woningen gaan conform de Transitievisie warmte naar een individuele oplossing. Daarnaast zijn naar aanleiding van deze zienswijze enkele tekstuele aanpassingen en aanvullingen gedaan in de RSZ. Deze zijn weergeven in de Nota van Wijzigingen. 3.3

Stedelijk woonmilieu Indiener is het oneens met de typering “stedelijk’ van de laagbouw van de wijk Driemanspolder in de ontwerp-RSZ. Indiener wijst op een aantal onduidelijke conclusies en inconsequenties in de RSZ die niet passen bij de werkelijkheid van de wijk: een suburbaan woonmilieu.

De RSZ introduceert de typering in leefmilieus om nader invulling te geven op welke wijze de verschillende opgave en generieke strategische keuzes een doorwerking hebben in verschillende gebieden in de stad. De leefmilieus onderscheiden zich in typologie, ligging in de stad, de nabijheid van (stedelijke) voorzieningen, mobiliteitskansen, mate van functiemenging (o.a. werk) e.d. De gekozen indeling schetst een beeld naar de verdere toekomst (en vormt geen typering van uitsluitend de huidige situatie). Door de centrale ligging in de stad, de nabijheid van de hoogstedelijke milieus ten oosten (Entree) en noorden (Binnenstad) en de aanwezigheid en nabijheid van (stedelijke) voorzieningen en strategisch gelegen tussen verschillende OV-stations worden voor de wijk Driemanspolder kansen gezien om anders om te gaan met de opgaven die spelen op stadsniveau. De centrale ligging en bereikbaarheid maakt dat het gebied kansrijk is voor een hogere mate van menging dan de suburbane wijken aan de rand van de stad. De menging van wonen, werken en voorzieningen en goede verbindingen naar de hoogstedelijk leefmilieus (met de daar aanwezige functies) vraagt ook om het stimuleren van andere vormen van mobiliteit: wandelen, fietsen en openbaar vervoer is dichtbij. Dit alles vraagt een geleidelijke transitie en lange termijn visie naar een meer stedelijk gebied.

Binnen het stedelijk leefmilieu ligt ook een aantal laagbouwbuurten. Het is niet de bedoeling om deze buurten om te vormen naar hoogbouwgebieden. Het dichtbijgelegen Vernedepark biedt daarbij ruimte voor stedelijke sportvoorzieningen, passend binnen het leefmilieu Groen. Voorbij 2040 ziet Zoetermeer dat niet alle opgave opgelost en alle wijken vernieuwd zijn. Daarvoor wordt bijvoorbeeld ook het wijkcentrum Vijverhoek in Driemanspolder aangehaald. Op basis van wijkanalyse moet bekeken worden wat noodzakelijk en kansrijk is voor vernieuwing en de mate van verdichting. Ten aanzien van de inconsequentie rondom het ziekenhuis geldt dat het gebied, ten noorden van de hoogstedelijke concentratie en op grotere afstand van verschillend openbaar vervoer minder geschikt maakt als stedelijk leefmilieu, zoals bedoeld in de RSZ. De feitelijke situatie met de aanwezigheid van een stedelijke voorziening is daarbij een bestaand gegeven. Indien zich kansen voordoen voor andere ruimtevragers wordt bekeken wat passend is.

3.4

Indiener merkt op dat de RSZ in stedelijk gebied 30 km per uur als maximumsnelheid wordt voorgesteld, maar voor de Paltelaan/Van Stolberglaan dit niet als voorstel is opgenomen.

In de RSZ wordt gesproken over een stapsgewijze invoering onder voorwaarden van maximumsnelheid van 30km/u op gebiedsontsluitingswegen in de wijken en een maximumsnelheid van 50km/u op de hoofdwegen. De specifieke uitwerking op straatniveau zal nog moeten worden gemaakt.

Overigens is bij instemming van het Omgevingsprogramma Vernedepark en Paltelaan door de raad specifiek Paltelaan-oost (rotonde tot spoorwegovergang) als deelgebied toegevoegd om aandacht te vragen voor nader verkeersonderzoek. Dit onderzoek hangt nauw samen met het in ontwikkeling zijnde (stadsbrede) verkeersveiligheidsbeleid. 3.5

3.6

Indiener is van mening dat er geen enkele aanleiding is autobezit in de wijk Driemanspolder te ontmoedigen, wel om overloop van parkeerdruk uit de Entree te voorkomen, mocht de Entree gerealiseerd worden. Indiener geeft aan dat de haltes van lijn 3 (Delftsewallen en Dorp) van waarde zijn voor de huidige bewoners en de leerlingen van de school voor VO aan de Clauslaan, in de gebiedsvisie voor Vernèdepark en Paltelaan gestreefd wordt naar verdichting in de omgeving van deze haltes, maar aan de zijde van Driemanspolder is daar geen ruimte voor. Cultuurhistorie Indiener verwijst naar de kaart bij het thema cultuurhistorie waarop bebouwing is aangegeven die als waardevol wordt beschouwd en vindt het onduidelijk waarom de overige laagbouwwoningen deze kwalificatie niet krijgen, waaronder de zogenoemde BOB-woningen.

3.7

3.8

Voor de leefbaarheid en bereikbaarheid van Zoetermeer in de toekomst is het noodzakelijk dat in verhouding meer mensen gaan fietsen, lopen en van het openbaar vervoer gebruik maken. Daarom is de mobiliteitstransitie als opgave genoemd. De gemeente Zoetermeer hecht waarde aan alle haltes van lijn 3, ook Delftsewallen en Dorp.

De RSZ heeft hierin het Post-45-onderzoek gevolgd dat tot een beperkt aantal objecten en structuren is gekomen om aan te merken als waardevol. Dit wil overigens niet zeggen dat andere woningen niet waardevol kunnen zijn. Indien nodig en gewenst, kunnen in de toekomst altijd nog meer waardevolle objecten toegevoegd worden. De afweging daarover wordt niet binnen de RSZ gevoerd, maar binnen het erfgoedbeleid. De RSZ kan indien nodig t.z.t. daarop geactualiseerd worden.

Indiener verzoekt de gemeente af te zien van het verkwanselen van het waardevolle historisch lint door een fietspad aan te leggen, zoals beoogd in het gebiedsprogramma Vernèdepark-Paltelaan en opgenomen op de kaart op p. 71 van de RSZ.

Binnen het omgevingsprogramma Vernèdepark-Paltelaan wordt inderdaad ingezet op het versterken en verbinden van het groen en water. Daarbij biedt het mogelijkheden voor recreatie door de fiets- en wandelroutes te verbeteren en aan het groen te koppelen. Even een ommetje maken wordt makkelijker.

Indiener stelt voor dat de raad zich richt op de onderwerpen waar hij zelf zeggenschap over heeft: versterk de culturele voorzieningen, waarborg voldoende sportvoorzieningen, wees zuinig op werklocaties en richt de stad in op “alles binnen 15 minuten bereikbaar” per fiets of lopend, zodat nieuwe inwoners van buiten

De gemeente neemt kennis van het voorstel van indiener. Nabijheid van voorzieningen is een belangrijk onderdeel van de RSZ. Niet alleen nieuwe inwoners, maar ook huidige bewoners en bezoekers worden op die manier gestimuleerd vaker te lopen en te fietsen. Daarnaast legt de RSZ de nadruk op een evenwichtige groei, in lijn met wat de indiener stelt. Daarbij wordt naast woningbouw met de RSZ ook ingezet op groei van voorzieningen (waaronder

Dit is in lijn met de strategische keuze van de RSZ om het groen meer gebruikswaarde te geven en 'groen om de hoek’ te benutten. Daarnaast wordt deze lange lijn als schakel en als kans gezien om op lange termijn te werken aan gezonde routes en vanuit mobiliteit om aan te sluiten op een gewenste aansluiting op de ontbrekende verbinding over de A12. Vanuit de RSZ worden met respect voor de historisch groene lijn kansen gezien om dit gebied beter te benutten. Het versterken en activeren van het historische lint geeft het juist meer waarde voor de stad. Hoe dit uiteindelijk exact invulling krijgt, volgt in de verdere uitwerking van het betreffende omgevingsprogramma.

Zoetermeer verleid worden hun vrije tijd in Zoetermeer door te brengen, waardoor de behoefte aan automobiliteit beperkt wordt.

sociaalmaatschappelijk, sport en onderwijs) en ruimte voor werk.

Indiener is van mening dat de uitspraken op p. 74 (RSZ) dubbel blijven en niet getuigen van visie op de rol van de gemeente ten opzichte van de voorzieningen. 3.9

Indiener maakt zich zorgen over de toename van de automobiliteit, die uit alle verkeersmodellen blijkt, omdat hierdoor ook een aanzienlijke verslechtering van de luchtkwaliteit optreedt.

Bij verdere groei van de stad groeit ook de mobilteitsbehoefte. Met de RSZ wordt dit ook gesignaleerd en ingezet op minder autoafhankelijkheid. Een beperking van toename aan automobiliteit is alleen mogelijk als de alternatieven goed en op orde zijn (sociaal) veilig, betrouwbaar, comfortabel). Zodoende wordt met de RSZ sterk ingezet op lopen, fietsen, openbaar vervoer en deelmobiliteit. Als onderdeel van het Omgevingseffectrapport is voor het Voorkeursalternatief (de RSZ) een analyse gemaakt van de luchtkwaliteitssituatie. De beoordeling van dit aspect leidt in z'n totaliteit tot een licht positieve score (0/+). Stadsbreed en rondom de bedrijventerreinen is een positief effect aanwezig. Wel kan de toename van concentraties door ontwikkelingen op lokaal niveau mogelijk tot een licht negatief effect leiden. Uit het Omgevingseffectrapport dat voor de RSZ is opgesteld blijkt ook dat het zinvol is om (geleidelijk) te werken aan snelheidsverlaging omdat dit gunstige effecten heeft op de gezondheid in de stad.

3.10

Indiener geeft aan dat het OER een aantal kritische noten kraakt, waar in de ontwerpvisie van de RSZ geen antwoord op wordt gegeven. Indiener mist de integrale visie en bijbehorende strategie, gericht op uitvoerbare ambities voor ruimtelijke ontwikkeling. Indiener geeft als voorbeeld dat de uitwerking van het gebiedsprogramma Entree niet klopt als uitwerking van de RSZ (p. 6 OER). Indiener vraagt wat dan de waarde van de RSZ nog is voor toekomstige ontwikkeling?

Op basis van de effectbeoordeling zijn in het OER positieve en negatieve effecten geduid. Niet alle negatieve effecten kunnen in deze fase volwaardig voorkomen worden, noch kunnen alle kansen op positieve effecten nu al volledig ingeboet worden. Om grip te krijgen op die onzekerheid en als belangrijke basis voor het belang van de fysieke leefomgeving zijn in het OER per thema aanbevelingen opgesteld. Deze functioneren als agenda voor het vervolg en zullen voor een belangrijk deel nader uitgewerkt worden in omgevingsprogramma's en concrete gebiedsontwikkelingen die volgen op de RSZ. Daarbij zal ook steeds weer een afweging gemaakt (moeten) worden tussen enerzijds het milieubelang en effect en anderzijds het belang om bijvoorbeeld de sociaaleconomische kracht van de stad te versterken zodat de Zoetermeerse samenleving meer in balans komt en het kunnen keren van de ‘Zoetermeerse mechanismen’. De gemeente is van mening dat de RSZ tezamen met de Visie Zoetermeer 2040 juist de integrale visie en strategie vormen voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in de stad. Volgend op de RSZ wordt een Uitvoeringsagenda opgesteld. Deze uitvoeringsagenda zal beschrijven wat er nodig is om de ambities uit de RSZ succesvol uit te voeren. Zoetermeer kiest ervoor de verdere groei van de stad binnen de centrale stadsdelen te accommoderen.

Dit biedt de stad nieuwe toekomstvaste leefmilieus die het bestaande voorzieningenaanbod versterken en de gewaardeerde kwaliteit van de parken en landschappen in stand houdt en verbetert. Het

gebiedsprogramma Entree is parallel opgesteld aan de RSZ en is een voorbeeld uitwerking van de visie. De ‘7 Zoetermeerse principes voor vernieuwing van de New Town’ uit RSZ vormen onderliggende waarden voor (de uitwerking van) het gebiedsprogramma Entree. Daarnaast wordt met de Entree invulling gegeven aan een aantal strategische keuzen binnen de RSZ. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan het toevoegen en concentreren van verstedelijking in een hoogstedelijk leefmilieu, functiemenging en verdichting rondom OV-knooppunten, meervoudig ruimtegebruik, het realiseren van een stadsstraat en transitie in mobiliteit, een evenwichtige groei van wonen, werken en voorzieningen en het verbinden van de groene kraag rondom de Entree met omliggende groengebieden. Daarnaast zijn in de ontwikkelvisie Entree toetsingscriteria opgenomen om het gebied klimaatadaptief te ontwikkelen. Indiener refereert in haar reactie op een passage op pagina 6 van het OER. In het OER RSZ (o.a. in de voetnoot) wordt de relatie tussen OER RSZ en Entree verduidelijkt. 3.11

Indiener merkt op dat uit de groei van het fietsverkeer die met de RSZ wordt beoogd, afgeleid kan worden dat er meer voorzieningen, zoals fietsenstallingen, gerealiseerd moeten worden, een optie is daarbij om de fietsenstalling aan de Markt weer terug te laten komen.

Goede stallingen voor fietsen zijn belangrijk voor het faciliteren van het fietsverkeer en staan daarom ook genoemd in de strategie rondom ov-haltes en winkelcentra. De beslissing om geen openbare fietsenstalling op de Markt aan te leggen is onderdeel geweest van het raadsdebat over Markt 10. De RSZ is echter een visie voor de lange termijn, wanneer een mogelijkheid zich presenteert om toch een fietsenstalling in de buurt van de markt aan te leggen, zal dat zeker in lijn zijn met de visie uit de ruimtelijke strategie en mobiliteitsstrategie binnenstad onderzocht worden.

3.12

Indiener concludeert dat de RSZ verrassend weinig ambitie laat zien, vooral beschrijft wat er nu is en daar min of meer op voortbouwt en abstract blijft ten opzichte van de grote opgaven voor de komende jaren.

In de visie Zoetermeer 2040 zijn reeds stevige ambities en opgaven opgenomen om de stad meer in balans te krijgen en onderliggende mechanismen die de stad onder druk hebben gezet te keren in een opwaartse beweging. De RSZ is een doorvertaling van de ambities en opgaven uit Visie Zoetermeer 2040 en heeft deze geconcretiseerd in een 10-tal strategische keuzen met bijbehorende maatregelen voor de fysieke leefomgeving. De strategische keuzes zijn gekoppeld aan gebieden en plekken in de stad. In enkele gevallen generiek en in enkele gevallen zeer concreet, zoals beschreven in aan de hand van verschillende leefmilieus: hoogstedelijk, stedelijk, wijkcentrum, suburbaan, historisch, werk en groen. Daarbij kiezen bijvoorbeeld specifiek voor het concentreren van de stedelijkheid. De RSZ probeert daar op logische wijze aan te sluiten bij lopende projecten en opgaven en focus aan te brengen op welke gebieden urgent zijn. Een deel van de ambities zal ook nader invulling krijgen in omgevingsprogramma's en projecten.

3.13

Indiener stelt voor dat investeringen in de openbare ruimte in de oudste wijken van Zoetermeer, zoals Driemanspolder,

De RSZ maakt duidelijk dat de woonaantrekkelijkheid van bestaande wijken onder drukt staat en dat vernieuwing kan bijdragen aan de sociaaleconomische balans. Binnen Zoetermeer 2040 zijn de wijken Meerzicht, Buytenwegh en Seghwaert al als

inzichtelijk worden gemaakt (groot onderhoud en vernieuwing).

aandachtswijken benoemd die prioriteit krijgen. Een omgevingsvisie is niet het product waarin de investeringen in de openbare ruimte concreet worden gemaakt. Volgend op de RSZ maakt de uitvoeringsagenda wel inzichtelijk op welke wijze en in welke gebieden prioriteit gegeven moet gaan worden. Inzicht in de wijze waarop dit gefinancierd moet worden is daar ook onderdeel van.

3.14

Indiener stelt voor dat over het voorzieningenniveau in de wijken met de wijkbewoners gesproken wordt om inzichtelijk te maken waar behoefte aan is (betreft zowel openbare ruimte als ruimte voor maatschappelijke en commerciële voorzieningen).

De RSZ bepaalt de ambities en strategische keuzes op stadsniveau. De uitwerking daarvan op wijkniveau wordt vanzelfsprekend met stakeholders en inwoners afgestemd. Zie hiervoor het voorbeeld van het gebiedsprogramma Meerzicht en de wijkverkenning van Buytenwegh waar nadrukkelijk met wijkbewoners de behoefte is geïnventariseerd.

3.15

Indiener stelt voor dat over de planvorming voor het gasloos maken van woningen proactief door de gemeente contact wordt opgenomen met betrokken bewonersorganisaties en buurtinitiatieven zoals van indiener.

De RSZ beschrijft de strategische keuzes op stadsniveau en is niet het document waarin de concrete acties op korte termijn, per buurt, worden voorgesteld. De verdere concretisering vindt plaats binnen gebiedsprogramma's en/of thematische programma's (zoals Energietransitie). Verder bereidt de gemeente momenteel een actualisatie van de Transitievisie Warmte voor. Daarin zal de gemeente voor de komende tien jaar activiteiten opnemen om buurten te faciliteren in de route naar een aardgasvrije warmteoplossing. De gemeente zal later dit jaar bekendmaken hoe u hierover kunt meedenken. Daarbij hebben wij speciale aandacht voor de betrokken bewonersorganisaties en buurtinitiatieven zoals ook verbonden aan het Energienetwerk Zoetermeer.

3.16

Indiener verzoekt de raad het volgende aan te passen in de RSZ:

1. De wijk Driemanspolder te kenmerken

als suburbaan in plaats van stedelijk woonmilieu (typering woonmilieus p. 43); 2. Bij de inrichting van de stad klimaatbestendigheid (voorkomen van hittestress en wateroverlast onder meer door vergroening), biodiversiteit (waaronder natuurwaarden), cultuurhistorie en circulariteit voorrang te geven boven woningaantallen, mede met het oog op het beperken van de (auto)mobiliteit.

Zie ook antwoord 3.3 en andere voorgaande antwoorden. 1.

De ligging van de wijk Driemanspolder – centraal in de stad, dichtbij voorzieningen en OV biedt voor deze wijk andere oplossingsmogelijkheden ten aanzien van toekomstig programma en/of mobiliteitsoplossingen. Zodoende wordt geen reden gezien om het leefmilieu hierop aan te passen. Binnen het stedelijk leefmilieu ligt ook een aantal laagbouwbuurten. Het is niet de bedoeling om deze buurten om te vormen naar hoogbouwgebieden. 2. De RSZ streeft met strategische keuze 4 juist voor een evenwichtige groei. De genoemde aspecten waar indiener voorrang voor vraagt boven woningaantallen worden specifiek benoemd in enkele andere strategische keuzes, die gezamenlijk een plek krijgen in de stad.

Zienswijze 4 4.1

Indiener verzoekt om bij strategische keuze 2 nuance aan te brengen in de passage ‘’In de binnenstad wonen is een bewuste keuze, mensen wonen hier vanwege de nabijheid van voorzieningen en

In het hoogstedelijk leefmilieu is het de ambitie om meer stedelijke functies toe te voegen en meer te mengen. Daarbij accepteren we dat dat soms leidt tot meer reuring, levendigheid en soms ook meer geluid. Daarbij hoort een belangenafweging tussen nieuw en bestaand, maar de RSZ geeft wel de ambitie

4.2

4.3

bedrijvigheid, niet in eerste instantie voor hun rust.’’ Indiener denkt dat de lijn hier moet zijn dat de gemeente wat meer wil mengen, maar wel met respect voor de omgeving en de wensen van de buurtbewoners (ofwel goede participatie). Indiener geeft aan geen voorstander te zijn van een grote transformatie van de Australiëweg tot een woonomgeving of stadsstraat en noemt daarbij een aantal argumenten. Indiener vraagt of het mogelijk is om op basis van de genoemde argumenten de Australiëweg als toekomstig transformatiegebied buiten beschouwing te laten. En of het mogelijk is om explicieter de groene waarden van de voormalige H-structuur te verwerken in de RSZ. Indiener vraagt of het mogelijk is om bij strategische 5 de passage ‘’Daarnaast benutten we kansen door het optoppen, uitplinten en aanplakken van bestaande woningen, complexen en bedrijfsruimtes.’’ aan te vullen met de volgende zin: Dit gebeurt uiteraard in samenspraak met de buurt en zonder het openbare groen en de parkeerdruk in de wijk aan te tasten.’’ Indiener stelt dat op deze wijze zorgvuldigheid van de beoogde accupunctuuroplossingen in bestaande suburbane wijken wordt geborgd en onnodige ruis (zienswijzen/procedures) bij de kleinere gemeentelijke projecten wordt voorkomen.

aan om naar een meer hoogstedelijke Binnenstad toe te groeien. Goede inpassing in de omgeving is daarbij altijd het uitgangspunt, net als goede participatie. Dit geeft op dit moment geen reden om de RSZ aan te passen. Er is weloverwogen de keuze gemaakt om het (hoog)stedelijke leefmilieu in de toekomst langs de Australiëweg mogelijk te maken. De Australië weg kan dan niet buiten beschouwing worden gelaten. Hoe dat vorm krijgt, ofwel als stadsstraat of in een andere stedelijke woonomgeving, zal in nadere uitwerking (bijvoorbeeld via ontwerpend onderzoek) verder onderzocht worden. Daarbij zal altijd aandacht zijn voor de bestaande kwaliteiten bij stadstransformaties van o.a. bestaande waardevolle structuren en het groen. De bestaande kwaliteiten hoeven ook niet verloren te gaan bij een transformatie van het gebied, maar kunnen ook nieuwe betekenis krijgen. Deze nuancering wordt in de RSZ verduidelijkt en leidt tot aanpassing (verduidelijking). Participatie is altijd een belangrijk uitgangspunt bij ontwikkelingen in de stad. Ontwikkelingen betekenen echter inherent ook veranderingen, dat is onvermijdelijk. De gemeente zet zich in om bewoners bij iedere ontwikkeling zo goed mogelijk te betrekken. Door in de RSZ leefmilieus te beschrijven wordt het duidelijker welk type ontwikkeling bewoners in hun wijk mogelijk kunnen verwachten.

Acupunctuur in de suburbane wijken vraagt altijd om maatwerkoplossingen om ontwikkelingen mogelijk te maken en tegelijkertijd de leefbaarheid in de wijk te bewaken.

4.4

Indiener vraagt of het bij strategische keuze 6 mogelijk is om functiemenging (met wonen voor young professionals, expats, studenten) ook een rol te gaan laten spelen bij Dutch Innovation Park (bijvoorbeeld langs de Bleiswijkseweg), en noemt in dat verband een aantal voordelen.

Dit is een begrijpelijke suggestie, echter is in de RSZ ervoor gekozen om stedelijkheid te concentreren in de hoogstedelijke gebieden van de stad en daar voor de benoemde doelgroepen woningen te realiseren. Op het Dutch Innovation Park kan dan meer ingezet worden op de wisselwerking tussen onderwijsinstellingen en de arbeidsmarkt. De opgave richting 2040 is om goede verbindingen te maken naar het Dutch Innovation Park (en station Lansingerland-Zoetermeer) en deze een volwaardig onderdeel te laten zijn van de stad.

4.5

Indiener vraagt of in de tekst bij strategische keuze 7 mogelijk de volgende aspecten opgenomen kunnen worden:

Genoemde aspecten zijn goede voorbeelden van uitwerkingen van doelen zoals vergroening en klimaatadaptatie die zijn opgenomen in de RSZ. Aan deze aspecten zal in omgevingsprogramma's en projecten nader invulling worden gegeven.

4.6

Vergroening van grote parkeervlakten Meer biodiversiteit langs lanen

Indiener mist in de tekst bij strategische keuze 8 dat er nadrukkelijk wordt gestreefd

De ambitie is om de stad in zijn geheel te vergroenen, daarbij gaat het om kwantiteit maar ook om het toevoegen van

om ook het bestaande groen te behouden. Indiener vraagt of de laatste zin mogelijk aangevuld kan worden met de volgende tekst ‘’…en het behoud van bomen en struiken’’.

kwaliteit. Dit kan in allerlei vormen, bomen, struiken, maar ook bijvoorbeeld op daken en/gevels. Er wordt bij (gebouwde) ontwikkelingen altijd gekeken of bestaand groen zoveel mogelijk behouden kan worden, maar gezien alle ruimtevragers in de stad is het niet mogelijk om te kunnen stellen dat dat altijd kan. De zienswijze geeft aanleiding om het behoud te benadrukken, maar wordt algemener geformuleerd tot behoud van groenstructuren (waaronder bomen en struiken). Zie ook beantwoording bij 4.13 en Nota van Wijzigingen.

4.7

Indiener mist bij strategische keuze 9 dat sportvoorzieningen en moes- en volkstuinen zoveel mogelijk in de stad worden behouden, dicht bij de burger. Indiener wijst op een aantal voorbeelden waar dat in het verleden anders is gegaan en vraagt of dit past in een duurzame stad met voorzieningen op maximale fietsafstand van 15 minuten. Indiener is van mening dat we terughoudend moeten zijn met nieuwe bestemmingen geven aan sportvoorzieningen, zoals gebeurd is bij Olympus, Mulder Sport en Racket Centrum Zoetermeer. Indiener stelt dat hoe vaker dit wordt gedaan, hoe meer sportmogelijkheden uit de stad verdwijnen.

Het punt dat voldoende aanwezigheid en spreiding van sportvoorzieningen in de stad wordt onderschreven. Dit sluit aan bij strategische keuzes 4 en 9. Sommige voorzieningen die als voorbeelden worden genoemd zijn van gebruik veranderd door gemaakte keuzes in bestemmingsplannen die lang geleden tot stand zijn gekomen, toen nog niet alle inzichten van nu er waren. Nu de Omgevingsvisie wordt vastgesteld wil de gemeente hier meer regie op voeren, bijvoorbeeld met de voorgestelde leefmilieus in de RSZ. Wel is daarin ook altijd een afhankelijkheid van eigenaren van dergelijke voorzieningen. Bij het programmeren van de genoemde voorzieningen zal de beschikbare ruimte en de gevraagde ruimte daarbij tegen elkaar afgewogen moeten worden. Daarbij zal bereikbaarheid per fiets in mee worden genomen.

4.8

Indiener verwijst naar een impressie van het hoogstedelijk leefmilieu dat hoogbouw laat zien op de plek van een cultuurhistorisch waardevolle kerk. Indiener vraagt of het daarom niet beter is om het ingetekende hoogbouwvolume op de locatie van de kerk uit de impressie te schrappen?

Er is sprake van een schema waarin geen plan wordt neergelegd maar waar voorbeelden van ontwikkelingen in het hoogstedelijk leefmilieu geschetst. Dit geeft op dit moment geen reden om de RSZ aan te passen.

4.9

Indiener vindt het onjuist om zowel heel Palenstein als heel Driemanspolder grotendeels als stedelijk leefmilieu te classificeren. De laagbouw en de bebouwingsdichtheid in deze wijken duiden namelijk sterk op een suburbane opzet. Indiener acht het om die reden raadzaam om met name de hoogbouwbuurten binnen deze gebieden als stedelijk aan te merken, en de (oudere) laagbouwwijken als suburbaan te classificeren. Indiener stelt dat op die manier wordt voorkomen dat suburbane gebieden worden geconfronteerd met een mate van dynamiek en reuring waarvoor ze niet zijn ontworpen. En wordt voorkomen dat

De RSZ introduceert de typering in leefmilieus om nader invulling te geven op welke wijze de verschillende opgave en generieke strategische keuzes een doorwerking hebben in verschillende gebieden in de stad. De leefmilieus onderscheiden zich in typologie, ligging in de stad, de nabijheid van (stedelijke) voorzieningen, mobiliteitskansen, mate van functiemenging (o.a. werk) e.d. De gekozen indeling schetst een beeld naar de verdere toekomst (en vormt geen typering van uitsluitend de huidige situatie). Door de centrale ligging in de stad, de nabijheid van de hoogstedelijke milieus ten oosten (Entree) en noorden (Binnenstad) en de aanwezigheid en nabijheid van (stedelijke) voorzieningen en strategisch gelegen tussen verschillende OVstations worden voor de wijk Driemanspolder kansen gezien om anders om te gaan met de opgaven die spelen op stadsniveau. De centrale ligging en bereikbaarheid maakt dat het gebied kansrijk is voor een hogere mate van menging dan de suburbane

cultuurhistorisch waardevolle jaren-60 ensembles aangetast raken.

wijken aan de rand van de stad. De menging van wonen, werken en voorzieningen en goede verbindingen naar de hoogstedelijke leefmilieus (met de daar aanwezige functies) vraagt ook om het stimuleren van andere vormen van mobiliteit: wandelen, fietsen en openbaar vervoer is dichtbij. Dit alles vraagt een geleidelijke transitie en lange termijn visie naar een meer stedelijk gebied. Uit het onderliggende beleidsthema Wonen worden tot 2040 ook maar een zeer beperkt aantal woningen geprogrammeerd, waarmee het karakter van de wijk op korte termijn niet zal wijzigen. Binnen het stedelijk leefmilieu ligt ook een aantal laagbouwbuurten. Het is niet de bedoeling om deze buurten om te vormen naar hoogbouwgebieden. Het nabij gelegen Vernedepark biedt ruimte voor stedelijke sportvoorzieningen, passend binnen het leefmilieu Groen. Voorbij 2040 ziet Zoetermeer dat niet alle opgave opgelost en alle wijken vernieuwd zijn. Daarvoor wordt bijvoorbeeld ook het wijkcentrum Vijverhoek in Driemanspolder aangehaald. Op basis van wijkanalyse moet bekeken worden wat noodzakelijk en kansrijk is voor vernieuwing en de mate van verdichting. Cultuurhistorische panden en ensembles worden bij deze analyse betrokken.

4.10

De focus op vergroening en de bijbehorende kaart spreken indiener erg aan. Indiener vraagt hoe de gemeente aankijkt tegen het explicieter opnemen van een vijftal locaties als kansrijke plekken voor meer groen:

1. Zuidweg (Rokkeveen) 2. Oostweg (deel Rokkeveen) 3. Maximaplein en Oostweg (deel Zoeterhage)

4. Geluidsheuvel langs de A12 5. Voorgestelde zonneweide ten oosten

Op zich is er geen bezwaar tegen het vergroenen van diverse locaties in de stad. De RSZ benadrukt daarin het belang van het groen in en om de stad. Waar op welke plek daadwerkelijk vergroend gaat worden, is uiteindelijk ook een integrale afweging, waarbij ook profielaanpassing (mobiliteit/verkeersveiligheid) icm ontwikkelingen aanleiding geven om concreet met plekken aan de slag te gaan. Die concretisering zit nu niet expliciet in de RSZ maar krijgt navolging in verdere uitwerking in gebieds- en/of thematische programma's.

van de HSL

4.11

Indiener mist een aantal belangrijke zaken in de tekst van paragraaf 6.3 van de RSZ en acht de RSZ nu het moment voor goed doordachte keuzen op hoofdlijnen van het toekomstige woonprogramma. Indiener noemt daarbij de volgende aspecten:

1. Minimaal twee slaapkamers als

ondergrens voor nieuwbouwwoningen.

De RSZ doet geen uitspraken over de concrete invulling van het woonprogramma, maar geeft aan waar ontwikkelingen in de stad kunnen plaatsvinden. Wel geeft de RSZ richting aan kwaliteit van de leefomgeving, die de randvoorwaarden vormen voor een goede kwaliteit van wonen. In het (ontwerp) Volkshuisvestingsprogramma dat onlangs door de gemeente is opgesteld komen de door indiener genoemde aspecten aan bod komen.

2. Focus op hoge woonkwaliteit. 4.12

Indiener plaatst kanttekeningen bij de reservering voor twee zonneparken, aan de Roeleveenseweg en op het voormalig baggerdepot. Indien wordt vastgehouden aan deze locaties, lijkt het indiener in ieder geval wenselijk om, net als bij andere thema’s (bv. bij hoogbouw), een ruimtelijke

De locaties zijn opgenomen in de Regionale Energiestrategie als Zoetermeerse bijdrage om te voldoen aan de opwekdoelen van de regio. De ambities op gebied van groen en biodiversiteit zoals beschreven in strategische keuze 7 zijn ook van toepassing op de zonneparken. De landschappelijke inpassing is daarbij een belangrijke randvoorwaarde voor de zonneparken.

vormvereiste op te nemen. Bijvoorbeeld in de volgende bewoording: “Zonneparken worden zoveel mogelijk landschappelijk ingepast, bijvoorbeeld door beplanting of (lagere) houtwallen aan de randen, zodat de biodiversiteit wordt versterkt en de visuele impact op het landschap wordt verzacht.” 4.13

4.14

Indiener vraagt of in de tekst bij paragraaf 6.8 mogelijk opgenomen kan worden dat bij aanpassingen in de ondergrond gestreefd wordt naar maximale handhaving van het bestaande groen en dat bij eventuele kap hetzelfde aantal bomen met dezelfde boomgroottecategorie terug moet worden geplaatst.

De gemeente hanteert het uitgangspunt bij vervanging van bomen dat er bomen van eenzelfde categorie worden teruggeplaatst, tenzij er zwaarwegende redenen zijn.

Indiener is enthousiast over de ‘’Inventarisatie Post 45’’. Indiener stelt een kleine vijftig aanvullingen op deze lijst voor en vraagt hoe de gemeente daar tegenaan kijkt. Indiener geeft aan open te staan voor een gesprek over deze aanvullingen.

De Inventarisatie Post 45 maakt geen onderdeel uit van de Ruimtelijke Strategie. De gemeente gaat graag het gesprek aan over de lijst met aanvullingen. Een deel van de lijst is al opgenomen en een deel van de lijst is van na 1990, waardoor deze buiten de reikwijdte van de inventarisatie valt.

De tekst bij paragraaf 6.8 wordt aangevuld met de volgende passage: Het uitgangspunt is ook duurzaam behoud van de groenstructuren. Zie verder ook beantwoording bij 4.6 en Nota van Wijzigingen.

Zienswijze 5 5.1

Indiener mist een goede SWOT-analyse die zou kunnen bijdragen aan het verkrijgen van meer inzicht in de waardevaste elementen en mogelijkheden van de stad.

De RSZ is tot stand gekomen na een uitgebreide participatie. Zowel met Zoetermeer 2040 als met de RSZ is uitgebreid gesproken over de waarden van de (bestaande) stad. Daarbij zijn de sterke en zwakke punten en kansen en bedreigingen voldoende aan bod gekomen. Daarnaast heeft eerder aan de visie Zoetermeer 2040 een uitgebreide analyse ten grondslag gelegen in de vorm van de Staat van Zoetermeer. Ook zijn voor verschillende onderwerpen deelonderzoeken uitgevoerd. Dit alles heeft goede bouwstenen opgeleverd ter onderbouwing van de RSZ.

5.2

Indiener vraagt waarom de burger er in de RSZ 2040 zo bekaaid af komt en mist een hoofdstuk over de mens in de ruimtelijke toekomst van onze stad? Indiener verzoekt de gemeente transparant te zijn in de RSZ 2040 over de inhoud van de inbreng van burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties en te bewijzen dat het zin heeft om betrokkenheid bij de stad te tonen, om daar energie in te steken.

De RSZ kent een zorgvuldige opbouw met beschrijving van het dialoog (participatie), het DNA van Zoetermeer dat zich uiteindelijk vertaald naar een ruimtelijke visie, met als doel een aantrekkelijke stad te zijn en te blijven, voor mens (bestaande en toekomstige inwoners) en dier. Binnen de RSZ wordt dan ook ingezet op het faciliteren van initiatieven vanuit de stad.

Indiener geeft als kans mee om de burger een prominente plaats te geven bij het opstellen van de Uitvoeringsagenda. Indiener stelt dat participatie in die fase zelfs niet genoemd is en daarmee de

De uitvoeringsagenda biedt inzicht in belangrijke focusgebieden die met de RSZ geagendeerd worden en nadere uitwerking vragen. Bij verdere concretisering van die uitwerking in gebiedsprogramma's of thematische programma's is participatie, zoals ook met de RSZ heeft plaats gevonden, een belangrijk aspect. Samen maken we de stad.

uitspraak “Zoetermeer ontwikkelen we samen” betekenisloos is. 5.3

Indiener stelt in haar reactie de volgende vragen:

i. ii. iii. iv.

v.

vi.

vii.

Waarom is Zoetermeer interessant voor de regio? Waarom komen inwoners uit de regio naar Zoetermeer? Is alleen het aanbod van woningen dé trekker voor mensen om in Zoetermeer te gaan wonen? Welke betekenis heeft de Zoetermeerse cultuur, recreatie, werkgelegenheid bij een besluit om inwoner van Zoetermeer te worden? Sluit de werkgelegenheid in Zoetermeer inhoudelijk aan bij de beroepsbevolking van de Zoetermeerse inwoners? Wordt beleid ontwikkeld om bij uitbreiding van de werkgelegenheid op de bedrijventerreinen, en bij het creëren van kleinschalige bedrijvigheid in het centrumgebied en in de woonwijken prioriteit te geven aan de opleiding en ervaring van de Zoetermeers beroepsbevolking? Is Zoetermeer voor haar inwoners woon én werkstad?

i.

Zoetermeer heeft een grote ingaande pendel, culturele en vrijetijdsvoorzieningen die een (meer dan) regionaal bereik hebben, grote groengebieden, een strategische ligging in de Randstad en goede bereikbaarheid via meerdere modaliteiten en een interessante ontwikkelgeschiedenis, die in de stad is af te lezen. Specifieke kwaliteiten op het gebied van wonen worden hieronder bij ii. beantwoord.

ii.

Dit kent verschillende oorzaken. Vanuit de analyse van Louter zien we dat o.a. meespeelt dat wat buurgemeente voor beleid voeren dit effect heeft op verhuisbewegingen. De onbetaalbaarheid van woningen in de (grote) steden om ons heen en daarbij de betaalbaarheid van woningen in Zoetermeer speelt daarbij een rol. Daarnaast kiezen met ook voor de centrale ligging van Zoetermeer, het groen en de prettige omvang van de stad (niet te groot, niet te klein), met de basis op orde en een compleet aanbod van voorzieningen. Daarnaast speelt natuurlijk ook veranderingen in iemands levensloop een rol in relatie tot verhuizingen (bijvoorbeeld studeren/uit huis gaan of samenwonen). Voor meer informatie over verhuisbewegingen wordt verwezen naar waarstaatjegemeente.nl of dashboard verhuisbewegingen van het CBS.

iii.

Zie antwoord onder punt ii.

iv.

De afwegingen van mensen om in Zoetermeer te komen wonen of blijven wordt op individueel niveau gemaakt. De gemeente doet wel regelmatig onderzoek naar de Staat van Zoetermeer, de tevredenheid van bewoners met de wijk en de eigen woning, de mening van inwoners over de bereikbaarheid van/naar/binnen Zoetermeer, de werkgelegenheid en de woonbehoefte. De onderzoeken laten zien dat naast aanbod en beschikbaarheid van woningen ook de aanwezige voorzieningen, het groen en het aanbod en de nabijheid van werkgelegenheid belangrijke factoren zijn bij het bepalen van de woonkeuze.

v.

Dit sluit gedeeltelijk aan. Uit de Monitor SociaalEconomische Prestaties voor de gemeente Zoetermeer blijkt dat een groot deel van de werkende inwoners van Zoetermeer buiten de eigen gemeente (en vaak in de relevante woonregio) werkt. Deze pendel is kleiner als er een betere aansluiting is tussen het aanbod van werk en de beroepsbevolking. Onderzoek naar (o.a. kenmerken van de) uitgaande pendel is nodig om inzichten te krijgen in welk aanbod aan werkgelegenheid vraag is onder de beroepsbevolking.

5.4

Indiener vraagt of Zoetermeer een autostad, en fietsstad, en ov-stad tegelijkertijd kan zijn en blijven en of we niet naar het maken van keuzes toe moeten en daarvoor het experiment niet schuwen? Indiener refereert aan de RSZ waarin is gesteld dat ingezet moet worden op minder auto, meer fiets en meer lopen. De belangrijkste knop waaraan gedraaid wordt is het verlagen van de snelheid, van 70 naar 50, en van 50 naar 30 km per uur. Meer fietsen, dus meer fiets-parkeren? Indiener vraagt in dat verband of er ideeën zijn om het fietsen autonoom te bevorderen en noemt daarbij aantrekkelijke HUB’s waar de fiets veilig en droog staat en het gebruik van het souterrain van het stadshart nabij halte stadhuis? Indiener is van mening dat op die manier ontmoediging van autobezit, het parkeren in (parkeer)gebouwen ruimte kan geven aan meer groen en leefbare publieke ruimte, ook op bedrijventerreinen. Daarnaast oppert indiener om beleid te maken voor duurzame stadsdistributie met uiteindelijk een verbod op milieubelastende bezorging in de stad.

vi.

Nee, met als reden dat alleen vastgoedeigenaar bevoegd is om te bepalen wie zich daadwerkelijk gaat vestigen in het bedrijfsmatig vastgoed. De gemeente is in veel gevallen geen eigenaar. Zij kan via het omgevingsplan sturen op type bedrijvigheid dat zich mag vestigen op een locatie. Afhankelijk van de bedrijfsvoering wordt binnen de verschillende typen bedrijven werk aangeboden voor verschillende opleidingsniveaus.

vii.

Gedeeltelijk. De gemeente houdt in haar groeiopgave rekening met een woonwerkbalans die neerkomt op het faciliteren van ruimte voor werk waardoor er circa 1 arbeidsplaats per woning beschikbaar is. Het daadwerkelijke aanbod van werk is niet voor elke inwoner passend. Dat blijkt onder meer uit een toegenomen pendel naar buiten de gemeente (Bureau Louter, 31 mei 2024). Bij steden die, net als Zoetermeer, onderdeel zijn van een sterk vervlochten stedelijk netwerk komt het overigens niet voor dat alle inwoners in de eigen woonplaats werken.

Om de bereikbaarheid goed te houden met groeiende mobiliteit in zowel Zoetermeer als de regio is een modal shift onontbeerlijk en daarom onderdeel van de ruimtelijke strategie. Om het aantal autobewegingen gelijk te houden zal er flink meer gebruik gemaakt moeten worden van lopen, fietsen en OV dan nu het geval. Alle maatregelen van de RSZ zijn daarop gericht. Het maken van een verkeerscirculatieplan is een van de maatregelen die in de RSZ wordt genoemd. Dit circulatieplan zal meer inzicht bieden in welke keuzes er (on) nodig zijn, zonder dat het een experiment wordt. De ontwikkeling van multimodale hubs is ook onderdeel van de Ruimtelijke strategie. De aangewezen locaties daarvoor zijn rondom de haltes en stations. Er is nog geen uitwerkingsplan, maar de locaties die door de indiener worden genoemd vallen automatisch binnen die scope. We verwijzen de indiener graag ook naar de mobiliteitsstrategie binnenstad, waar aangegeven wordt dat er gebruik gaat worden gemaakt van de landelijke huisstijl voor hubs. Duurzame stadsdistributie is nog geen stadsbreed beleidsveld maar zal absoluut ten goede komen aan de ambities van de ruimtelijke strategie. In de gebiedsontwikkelingen Entree en Binnenstad wordt logistieke afwikkeling wel degelijk meegenomen. Hiervoor wordt een logistiek kader opgesteld.

5.5

Indiener ondersteunt het sluiten van de groene ring om Zoetermeer, maar is van mening dat zonder beleid gericht op het terugdringen van de glastuinbouw op die plek blijft het een wens blijft. Indiener vraagt of de regio in beeld is voor dit stukje vergroening annex verstedelijking van Zoetermeer?

De RSZ schets het voor Zoetermeer gewenste toekomstbeeld op de lange termijn. Als de ambitie breed ondersteund wordt, gaan we ons daarvoor in de regio hard maken en daarvoor de samenwerking zoeken om als zich kansen voordoen, de Zoetermeerse ambities te kunnen realiseren.

5.6

Indiener geeft aan dat de RSZ 2040 spreekt over het vergroten van de aantrekkelijkheid van de bestaande wijken, de nabijheid van voorzieningen maar tegelijk ook over het spreiden van voorzieningen en ook nog over het concentreren van voorzieningen. Indiener stelt dat elke vorm van toelichting op deze tegenstrijdigheden ontbreekt.

De nabijheid van voorzieningen vormt een belangrijk aspect binnen de RSZ. Daarbij is het goed om de verschillende typen voorzieningen te onderscheiden. De basisvoorzieningen bevinden zich bij voorkeur dicht bij de inwoners, in bestaande buurten en wijken, op loop- en fietsafstand. Denk hierbij aan dagelijkse voorzieningen en zorgvoorzieningen als huisarts en apotheek. Voor stedelijke voorzieningen, zoals bijvoorbeeld sport en middelbaaronderwijs is enige (geografische) spreiding over de stad gewenst, om bijvoorbeeld overlast in buurten te voorkomen. Daarbij speelt voor dit type voorziening een andere nabijheid – verspreid over de stad en goed bereikbaar met fiets, ov of auto. Daarbij wordt ingezet om dergelijk voorzieningen veel vaker strategisch te positioneren langs gezonde routes. Tot slot zijn er stedelijk voorzieningen die een zekere mate van reuring, geluid en/of bezoekers aantrekken, die we niet verspreid over de stad willen hebben, maar juist geconcentreerd. Denk aan horeca, grote cultuurtrekkers en winkelaanbod dat mensen trekt uit de regio en het land. Dergelijke voorzieningen passen goed in een levendige binnenstad. Zodoende wordt er afhankelijk van het type voorziening gesproken over nabijheid, spreiding dan wel concentratie. De RSZ wordt op dit punt verder verduidelijkt. Zie Nota van Wijzigingen voor aanpassingen in de tekst van de RSZ.

5.7

Bij de uitspraak ‘het groen groeit mee met de groei van het aantal woningen’ vraagt indiener of ervan uitgegaan mag worden dat dit groei is in de directe nabijheid van de nieuwe woningen, en niet als compensatie uitgevoerd door groei aan de rand van de stad?

Ja, dit betreft nabijheid van groen in de directe nabijheid van nieuwe woningen in de stad. Deze is van groot belang voor de woon- en leefkwaliteit. Zowel kwantitatief (oppervlakte, op maaiveld of in 3D) als kwalitatief (verbeteren groen en de gebruikswaarde ervan). Dit is omschreven in de leefmilieus. Daarnaast bieden de grote recreatiegebieden rondom de stad wel mogelijkheden voor recreatie en ontspanning, waar de RSZ ook op inzet, met meer gebruikswaarde en beplantingstypen en goede verbindingen naar en onderling tussen de verschillende recreatiegebieden.

5.8

Indiener vraagt of de ruimtelijke strategie zich niet meer zou moeten richten op de diversiteit van de bewoners van wijken en buurten, en minder op de statistische balans van het percentage woonvormen? Indiener is van mening dat er over de voorzieningen in de wijken bijna niets

Het realiseren van een andere diversiteit in wijken en bewoners is complex en moeilijk maakbaar. We kunnen als gemeente met nieuwbouw wel de mix van woningbouwsegmenten beïnvloeden. Maar uiteindelijk zijn bewoners vrij om zelf te kiezen waar ze willen wonen. De diverse voorkeuren van inwoners vatten in doelgroepen is een hulpmiddel maar kent beperkingen. In de sociale huur is er alleen in samenwerking met woningbouwcorporaties de samenstelling van doelgroepen

wordt vermeld in relatie tot de groei van het aantal woningen.

binnen hun huurderspopulatie enigszins te beïnvloeden met labeling, maar van andere huur- en koopwoningen niet. Voor de verdere uitwerking van de wijze waarop de gemeente werkt aan de gewenste balans op stad en wijk- en buurtniveau wordt verwezen naar het (ontwerp) Volkshuisvestingsprogramma en de uitvoering daarvan. De RSZ benadrukt verder een evenwichtige groei van de stad, waarin ook voorzieningen meegroeien. Per wijk zal bekeken worden welke behoefte er aan welke type voorzieningen is. Aan de hand van leefmilieus wordt wel duidelijk gemaakt welke gebieden in de stad geschikter zijn voor stedelijke voorzieningen.

5.9

Indiener werpt de vraag op wat de waarde van deze RSZ 2040 is, als bij de concrete plannen voor de Entree (een ontwikkeling die doorloopt tot 2040) de uitgangspunten van de RSZ 2040 niet worden toegepast.

Zoetermeer kiest ervoor de verder groei van de stad binnen de centrale stadsdelen te accommoderen. Dit biedt de stad nieuwe toekomstvaste leefmilieus die het bestaande voorzieningenaanbod versterken en de gewaardeerde kwaliteit van de parken en landschappen in stand houdt en verbetert. Het gebiedsprogramma Entree is parallel opgesteld aan de RSZ en is een voorbeeld uitwerking van de visie. De ‘7 Zoetermeerse principes voor vernieuwing van de New Town’ uit RSZ vormen onderliggende waarden voor (de uitwerking van) het gebiedsprogramma Entree. Daarnaast wordt met de Entree invulling gegeven aan een aantal strategische keuzen binnen de RSZ. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan het concentreren van verstedelijking in hoogstedelijke woonmilieus, functiemenging en verdichting rondom OV-knooppunten, meervoudig ruimtegebruik, het realiseren van een stadsstraat en transitie in mobiliteit, het verbinden van de groen kraag rondom de Entree met omliggende groengebieden. Daarnaast zijn in de ontwikkelvisie Entree toetsingscriteria opgenomen om het gebied klimaatadaptief te ontwikkelen.

5.10

Indiener roept op om in de RSZ 2040 te laten zien dat de stad haar nek wil uitsteken, ideeën heeft die anderen nog niet hebben en oplossingen wil testen die vernieuwend zijn. En beleid te schrijven gericht op een nieuwe toekomst, niet op het vergroten van al het bestaande.

Zoetermeer heeft een grote ambitie om hoogstedelijke leefmilieus en kwaliteiten toe te voegen. De manier waarop we deze, als nieuwe tijdlaag, combineren met de cultuurhistorische waarde van het Dorp en van de New Town is tamelijk uniek en zal veel maatwerk vragen. Daar wordt in paragraaf 4.2.3 van de RSZ (strategische keuze 3) ruimte geboden voor het versterken van de ruimtelijke identiteit van Zoetermeer, met aandacht voor vernieuwende architectuur en experimentele woon- en werkvormen.

5.11

Indiener is van mening dat Zoetermeer gebaat is bij een permanent, publiek platform voor overleg, een stadslobby, een ambassade of de (t)huiskamer van de stad.

De gemeente is met indiener in gesprek. Er wordt getracht de behoefte duidelijk in beeld te krijgen. Hierbij is er ook aandacht voor de bestaande voorzieningen in de stad, zoals het stadhuis Forum, en in hoeverre deze reeds aan de vraag voldoen.

5.12

Met betrekking tot de strategische keuze 2;

De RSZ schept aan de hand van de strategische keuzes duidelijkheid over waar ruimtelijke opgaven een plek krijgen. Binnen strategische keuze 2 kiest Zoetermeer ervoor om de stedelijkheid te concentreren, en daarmee andere gebieden minder te verdichten. Dit is een strategie die aansluit op de lopen de gebiedsprogramma's. Binnen de gebiedsprogramma's

i.

Vraagt indiener of in de RSZ 2040 alsnog ruimte gemaakt kan worden voor een proces van geleidelijkheid, ruimte om

ii.

5.13

tussentijds in te spelen op onvoorzienbare veranderingen en beleid gebaseerd op stapsgewijs uitvoeren, toetsen, beleid aanpassen en een volgende stap. En flexibiliteit toe te passen op de inhoud van de woningbouwplannen, op de ontwikkelingen en technische innovaties van de energietransitie, op mobiliteit. Pleit indiener voor inspirerende vormen van ontwerpend onderzoek om de capaciteit van het bestaand (stedelijk) gebied slim te benutten. Indiener mist de durf om de totale controle los te laten en doet de suggestie om op avontuur te gaan en een aantal mogelijke, maar vooral wenselijke toekomsten te verkennen.

Met betrekking tot strategische keuze 3:

i.

ii.

iii.

Vindt indiener het met name voor het erfgoed van na 1945 onduidelijk in hoeverre deze waarden daadwerkelijk worden meegewogen bij toekomstige ruimtelijke keuzes. Indiener mist een expliciete beleidsmatige verankering. Indiener is van mening dat de Ruimtelijke Strategie helder zou moeten stellen dat deze cultuurhistorische waarden zwaarwegend zijn en als basis dienen voor een afwegingskader bij ruimtelijke ontwikkelingen. Indiener constateert dat het OER als enige aanbeveling een verwijzing naar de rol van de commissie ruimtelijke kwaliteit (hoofdstuk 7.4.7) doet, maar verder geen nadere uitwerking biedt. Indiener refereert aan de RSZ 2040 waarin voor het Historisch Leefmilieu is aangegeven dat de bouwhoogte in deze gebieden maximaal 1 à 2 bouwlagen met kap mag bedragen. Indiener is van

zit voldoende ruimte om tussentijds in te spelen op veranderingen met voldoende flexibiliteit. Waar nodig zal het gebiedsprogramma kunnen bij sturen op inhoud, gezien de lange doorlooptijd. De RSZ is geen blauwdruk, maar adaptief. Indien nodig wordt de RSZ, of onderdelen daarvan, met enige regelmaat geupdate tav actuele ontwikkelingen of nieuwe inzichten, geheel in lijn met de omgevingswet en de Zoetermeerse beleidscyclus (ontwikkeling, doorwerking, uitvoering, terugkoppeling). ii. Bij de totstandkoming van de RSZ is in het kader van de OER en tijdens participatie zijn de verschillende 'hoeken van het speelveld’ verkend en heeft een brede discussie gevoerd over waarden in de stad. Dit heeft geleid tot de RSZ met bijbehorende strategische keuzes en het bepalen van leefmilieus. Daarbinnen is voldoende ruimte om in de verdere doorontwikkeling van gebieden en/of programma nader (ontwerpend) onderzoek te doen. De wenselijke toekomst in in Zoetermeer 2040 vastgelegd en met de RSZ verder geconcretiseerd naar ruimtelijk strategische keuzes en focusgebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=e32a472f-bb58-499d-b194-fa9f7401e972