Bijlage 5 - Ruimtelijke onderbouwing zonnepark
Tekst van het document
Door het zonnepark landschappelijk en ecologisch in te passen, wordt de identiteit en functie van de groene buffer behouden. In paragraaf 2.4 wordt nader ingegaan op de landschappelijke en ecologische inpassing van het zonnepark. Zo worden bermen van de watergangen natuurvriendelijk ingericht en worden bosschages aangebracht, zodat o.a. zoogdieren vanuit de passage onder de A12 veilig het plangebied kunnen bereiken. Daarnaast wordt een ruiter- en struinpad aangelegd voor recreatief medegebruik. Hiermee zorgt het voorgenomen zonnepark niet voor een onevenredige aantasting ter plaatse van de ‘Groene buffers’en ‘recreatiegebied’ en past binnen de provinciale omgevingsverordening.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 27
Afbeelding 17. Uitsnede zone beschermingscategorie 2 ter plaatse van het plangebied. (bron: provincie Zuid-Holland).
Daarnaast is voorliggend plangebied gelegen in ‘Beschermingscategorie 3 Buitengebied’. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier toegestaan mits de openheid en het groene karakter niet onevenredig worden aangetast. In paragraaf 2.4 wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van het landschap als droogmakerij ter plaatse van het plangebied. Daarbij wordt ook beargumenteerd dat de landschappelijke inpassing van voorliggend zonnepark aansluit bij de schaal en structuur van het bestaande polderlandschap, de relatie met de omliggende steden en het behoud van groenblauwe structuren door de groenblauwe infrastructuur te versterken en de herken- en beleefbaarheid van het landschap als droogmakerij.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 28
Artikel 6.28a Zonnevelden 1. Dit artikel is van toepassing op een nieuw zonneveld buiten bestaand stads- en dorpsgebied. 2. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op een nieuw zonneveld, laat het bestemmingsplan dit alleen toe op de volgende locaties: a.
agrarische bouwpercelen;
b.
gronden met een functie verkeersinfrastructuur of ten dienste daarvan;
c.
slibdepots, waterbassins, spaarbekkens, waterbergingsgebieden en voormalige stortplaatsen;
d.
glastuinbouwgebied mits er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied;
e.
gronden waar een stedelijke functie is toegekend, maar waar die functie nog niet is gerealiseerd;
f.
een windpark.
3. In afwijking van het tweede lid zijn in zoekgebieden voor zon uit de Regionale Energiestrategieën die door provinciale staten zijn vastgesteld ook buiten deze locaties zonnevelden mogelijk, mits het zoekgebied verder is uitgewerkt en regionaal is afgestemd. 4. Een bestemmingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid bevat in aanvulling op artikel 6.9 een toelichting over: a.
de bijdrage die wordt geleverd aan het behouden en versterken van de biodiversiteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
b.
het combineren met andere relevante opgaven.
5. Een bestemmingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, verzekert de realisatie en de instandhouding van de inrichtingsmaatregelen op het gebied van de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en het behouden en versterken van de biodiversiteit. 6. In de toelichting van een bestemmingsplan dat voorziet in het plaatsen van een nieuwe zonneveld als bedoeld in het tweede en derde lid, wordt verantwoord op welke wijze wordt verzekerd dat het zonneveld en de bijbehorende andere bouwwerken na afloop van de opwekking van energie worden gesloopt.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Voorliggend zonnepark voldoet aan artikel 6.28a uit de omgevingsverordening. Voorliggend plangebied is gelegen buiten de locaties zoals benoemd in lid 2, maar wel gelegen in een van de zoekgebieden vanuit de Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag (zie 3.4.1.). Met ligging in een zoekgebied vanuit de RES, wordt voldaan aan de voorwaarden uit lid 1 van artikel 6.28a. Daarnaast wordt het zonnepark landschappelijk en ecologisch ingepast, waarbij de aanwezige Groenblauwe slinger (aaneengesloten ketting van natuur- en recreatiegebieden tussen de stedelijke gebieden van Den Haag en Rotterdam) wordt versterkt. Zo worden bermen van de watergangen natuurvriendelijk ingericht en worden bosschages aangebracht, zodat o.a. zoogdieren vanuit de passage onder de A12 veilig het plangebied kunnen bereiken. Hiermee wordt ook een bijdrage geleverd aan de verbetering van de faunapassage onder de A12, waarmee meerdere doelen worden bediend. Daarnaast wordt een ruiter- en struinpad aangelegd voor recreatief medegebruik. In paragraaf 2.4 wordt nader ingegaan op de landschappelijke en ecologische inpassing van het zonnepark. Na afloop van de exploitatieperiode worden alle aanwezige installaties uit het zonnepark verwijderd en wordt het plangebied teruggebracht in de originele staat, zoals deze aanwezig was, voorafgaand de exploitatie van het zonnepark.
Hiermee past het voorgenomen grondgebonden binnen artikel 6.28a van de omgevingsverordening ZuidHolland.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 29
3.3.5 Conclusie provinciaal beleid Voorliggend plan is in lijn met de ambities en het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland.
3.4 Regionaal beleid 3.4.1 RES 1.0 Rotterdam Den Haag Nationaal programma RES vormt een platform voor onderling samenwerken, vergelijken, leren en uitdagen om met een regionale aanpak de energietransitie te versnellen. Het is de doorvertaling van het Parijs-akkoord en het Klimaatakkoord van het Rijk naar een regionale schaal. In het programma is Nederland onderverdeeld in 30 regio’s, die samen de ambitie hebben om te werken aan een opwekking van 35 TWh aan duurzaam opgewekte energie. Gemeenten, provincie, waterschap en andere stakeholders uit eenzelfde regio werken gezamenlijk aan het opstellen van één document met daarin de contouren van de strategie voor besparing, grootschalige opwek van duurzame energie en de warmtetransitie. Gemeente Zoetermeer is aangesloten bij de Regionale Energiestrategie (RES) Rotterdam Den Haag. In samenwerking met 23 gemeenten, 4 waterschapen en de provincie Zuid-Holland is in de RES 1.0 de gezamenlijke ambitie voor 2030 beschreven. Vanuit de RES 1.0 worden kansen gezien om 2,8-3,2 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken. Bij de zoektocht naar kansen voor opwekking van duurzame elektriciteit wordt ruimtelijke kwaliteit centraal gezet en wordt gewerkt vanuit de draagkracht van het landschap. In de RES zijn zoekgebieden geformuleerd waar binnen verder onderzoek plaatsvindt naar de concrete inpassing van duurzame elektriciteitsproductie.
Bij en langs infrastructuur zijn een aantal zoekgebieden gelegen. Hier worden kansen gezien om de duurzame elektriciteitsproductie in te passen en tegelijkertijd de ruimtelijke kwaliteit te behouden en te versterken. Nabij infrastructuur wordt de potentie gezien voor 188 GWh, wat resulteert in 96-240 ha. aan opstelling van pvpanelen. Onderstaande afbeelding geeft de zoekgebieden voor 2030 in de RES-regio Rotterdam Den Haag weer. Het Nationaal Programma RES vormt een platform voor onderling samenwerken, vergelijken, leren en uitdagen. De energietransitie kan een hefboom zijn voor kwaliteitsverbetering, zowel ruimtelijke als bijvoorbeeld voor ecologische, economische of sociale verbeteringen. Zonneparken kunnen bijvoorbeeld economische dragers voor het landelijk gebied worden. Daarnaast moeten zonneparken in het landschap worden ingepast. De afwegingprincipes van de NOVI leiden tot een voorkeur voor zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen. Vanuit diezelfde principes hebben daarna onbenutte terreinen in bebouwd gebied de voorkeur. Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, kunnen ook locaties in het landelijk gebied nodig
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 30
Afbeelding 18. Zoekgebieden voor 2030 in de RES-regio Rotterdam Den Haag, met binnen de rode cirkel het plangebied (bron: RES 1.0 Rotterdam Den Haag).
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het voorgenomen zonnepark sluit met een omvang van circa 9,7 hectare en een opgesteld vermogen van circa 14 MWp aan bij de doelstellingen uit de RES 1.0. Met een opgesteld vermogen van 14 MWp wordt een bijdrage geleverd aan de ambitie om 2,8-3,2 TWh aan duurzame elektriciteit op te wekken. Het plangebied van voorliggend zonnepark is gelegen in een van de zoekgebieden, langs infrastructuur. Gemeente Zoetermeer heeft hiervoor zelf onderzocht welke mogelijkheden er zijn om bij te kunnen dragen aan het bod voor de RES. Voorliggend plangebied en zonnepark is onderdeel van dit bod. Met de realisatie van het zonnepark wordt naast de opwerk van duurzame energie ook ingezet op het behouden van de herken- en beleefbaarheid van het landschap, het behoud van het recreatieve medegebruik en de versterking van de groenblauwe ecologische verbindingen. Hiermee past de voorgenomen ontwikkelingen binnen de ambities van de RES Rotterdam Den Haag.
3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Lokale verkenning potentie en wenselijkheid windenergie en zonnestroom binnen en buiten de stad Zoetermeer Om haar bod aan de RES-regio te kunnen doen en daaropvolgend ook akkoord te kunnen gaan met het bod dat de RES als ambitie aan het rijk geeft, heeft Gemeente Zoetermeer, als onderdeel van de RES-regio Rotterdam Den Haag, specifiek zoekgebied ‘A12-zone’, eerst zelf onderzoek gedaan en naar de mogelijkheden voor de opwek van duurzame energie. Dit heeft de gemeente gedaan op basis van het participatietraject en besluitvormingstraject door de gemeenteraad van Zoetermeer. Met de ‘Lokale verkenning potentie en wenselijkheid windenergie en zonnestroom binnen en buiten de stad Zoetermeer’ geeft de gemeente Zoetermeer weer waar ruimte is om bij te dragen aan de ambities uit de RES. Uit de verkenning zijn drie locaties naar voren gekomen welke zijn verkend: Slootweg, Oosterheem en Roeleveenseweg. Van deze drie locaties zijn een tweetal locaties bestempeld als mogelijke locaties, namelijk Roelevenseweg en Oosterheem. Gezamenlijk hebben deze twee locaties een potentie van tussen de 4 en 11,1 GWh. Onderstaande afbeelding geeft de zoekgebieden voor zonneparken weer.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 31
Afbeelding 19. Potentiële locatie zonneparken binnen de gemeente Zoetermeer, waarbij de gemeenteraad heeft ingestemd om de locaties Roeleveenseweg en Oosterheem verder te onderzoeken (bron: gemeente Zoetermeer).
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Het voorgenomen zonnepark is gelegen in het zoekgebied aan de Roeleveenseweg. Het plangebied omhelst het gehele zoekgebied. Vanwege de ligging tussen de A12 aan de zuidzijde en het spoor aan de noordzijde is er geen visuele relatie met het aan de andere zijde van de infrastructuur liggende landschap. Hierdoor zijn vanuit landschappelijk oogpunt op voorhand geen belemmeringen voor het zonnepark. Wel wordt met de landschappelijk inrichting van het zonnepark ingezet op het herkenbaar en beleefbaar houden van de karakteristieken van het landschap. Zo worden de pv-panelen op een hoogte van maximaal 1,5 meter geplaatst om de kenmerken van het polderlandschap te behouden. Daarnaast wordt over het plangebied een ecologische infrastructuur aangelegd, waarbij de verbinding met landschap achter de infrastructuur wordt verbeterd. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling bij de uitgangspunten uit de lokale verkenning van de gemeente Zoetermeer.
3.5.2 Uitvoeringsagenda lokale opwek duurzame elektriciteit gemeente Zoetermeer De gemeente Zoetermeer heeft de ambitie om in de periode 2030 149 GWh aan duurzame energie op te wekken. Hiervoor heeft de gemeente een aantal actiepunten geformuleerd om dit te kunnen realiseren. Dit zijn: 1. Gemeentelijk daken 2. Maatschappelijk vastgoed en scholen 3. Bedrijven 4. Zonneveld Roeleveenseweg 5. Particulieren/VVE en zonnepanelen 6. Dezo, zon op andermans dak/terrein 7. (Sociale) verhuurders en nieuwbouw 8. Bestaande windmolens Lansinghage 9. Grote infra en zonnepanelen (OER) 10. Zon in wegdek/ boven parkeerterreinen 11. Oosterheem Baggerdepot en zon 12. Innovaties zon en stedelijke windturbines.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 32
Met deze twaalf actiepunten wil de gemeente toewerken naar de opwek van 149 GWh in 2030 aan duurzame energie en daarmee bijdragen aan de ambitie uit de RES van 2,8-3,2 GWh en het doel uit het Klimaatakkoord om in 2030 35 TWh aan duurzame energie op land op te wekken. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling, de realisatie van Zonnepark Roeleveen, is onderdeel van een van de twaalf actiepunten, namelijk actiepunt 4. Het voorgenomen plan, met een opgesteld vermogen van circa 14 MWp, sluit aan bij de doelstellingen uit de uitvoeringsagenda van Zoetermeer.
3.5.3 Groenkaart en Visie Biodiversiteit (Groentrioligie) In 2011 heeft gemeente Zoetermeer de ‘Groentriologie’ vastgesteld. Deze bestaat anno 2023 uit de ’Groenkaart’ en de ‘Visie Biodiversiteit’. Met de groenkaart zet de gemeente Zoetermeer in op een duurzame, samenhangende recreatieve en ecologische groenstructuur voor de stad, die is verbonden met het regionale netwerk. Hiervoor heeft de gemeente de ambitie verder uitgewerkt in een viertal deelambities, namelijk; 1) Gerichte kwaliteitsimpulsen voor parken; 2) het versterken van de samenhang van de groene ruimte; 3) het verbeteren van de bereikbaarheid en vindbaarheid van de parken en 4) het verhogen van de biodiversiteit. Tevens zijn spelregels opgesteld om te bepalen hoe omgegaan dient te worden met ontwikkelingen in de groengebieden.
Afbeelding 20. Groenkaart Zoetermeer (bron: Gemeente Zoetermeer)
Het plangebied van het voorgenomen zonnepark is gelegen in ‘Regiogroen’, welke categorie van regionale betekenis is. Voor de Nieuwe Driemanspolder geldt dat deze in de subcategorie ‘recreatiegebied’ valt, welke in de toekomst gaat transformeren tot een gebied voor recreatie, natuur en waterberging.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 33
Binnen de ‘Visie biodiversiteit heeft de gemeente Zoetermeer de ambitie om de biodiversiteit en de waardering van de inwoners hiervoor, op peil te houden en waar mogelijk te vergroten. Deze ambitie leidt tot een tweesporen benadering. Spoor 1 richt zich op wat de gemeente zelf kan en wil doen voor de biologische diversiteit. Spoor 2 richt zich op participatie en samenwerking met inwoners, ondernemers en anderen die betrokken zijn bij de biodiversiteit in Zoetermeer. Doel hierbij is het vergroten van de biodiversiteit ook op terreinen die in particulier eigendom en/of beheer zijn en het op peil houden van de waardering (de trots) van inwoners en ondernemers voor deze biodiversiteit. Voorliggend zonneveld zet naast de opwek van duurzame energie in op de versterking van natuurlijke kwaliteiten, waaronder een schakel in de Groen-blauwe slinger, versterking van de biodiversiteit en recreatief medegebruik. Zo ontstaat door het verschralen en vernatten een grotere variatie aan verschillende milieus en habitats. Door binnen het zonnepark struin- en ruiterpaden aan te leggen alsmede picknickbanken te plaatsen wordt ook een bijdrage geleverd aan de recreatieve ambities. Hiermee past voorliggend zonnepark binnen de ambities van de Groentriologie.
3.5.4 Conclusie gemeentelijk beleid Het voorliggende plan voor de realisatie van het Zonnepark Roeleveen is passend binnen het beleid van de gemeente Zoetermeer.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 34
4 Waardentoets 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de impact van de ontwikkeling op de verschillende waarden beschreven. Hieronder vallen flora & fauna, archeologie, cultuurhistorie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.
4.2 Natuurwaarden Eelerwoude heeft een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling van het zonnepark aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid (Wet natuurbescherming) uitgevoerd om duidelijk te maken hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. De rapportage van deze toetsing is als bijlage opgenomen. In de hiernavolgende paragrafen volgen de belangrijkste conclusies uit het onderzoek.
4.2.1 Soortenbescherming Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als haas, konijn en diverse algemene (spits)muizensoorten. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke en plaatselijke verstoring, en daarnaast voldoende leefgebied aanwezig blijft in de omgeving en het relatief algemene soorten betreft. Ten behoeve van kleine zoogdieren wordt bijvoorbeeld faunavriendelijk hekwerk toegepast, waarbij kleine zoogdieren de mogelijkheid hebben om het zonnepark te passeren. Amfibieën en vissen Geadviseerd wordt om de werkzaamheden aan de oever en watergangen uit te voeren wanneer de larven zijn volgroeid, vanaf augustus, en voordat volwassen exemplaren zich ingraven voor de winterslaap, voor november (zorgplicht). Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Met de volgende soorten en/of soortgroepen dient rekening te worden gehouden. Vleermuizen Door het ontbreken van bebouwing en bomen binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen van zowel gebouw als boom bewonende vleermuissoorten worden uitgesloten.
Met betrekking tot het foerageergebied van de vleermuizen zal de herinrichting geen effect hebben op de functionaliteit van het gebied als zodanig. Door de plannen gaat er geen tot nauwelijks geen foerageergebied verloren. Wel wordt geadviseerd rekening te houden met onderstaande maatregelen: werkzaamheden uitsluitend overdag uitvoeren (m.n. in actieve periode van vleermuizen- april t/m november); verlichting minimaliseren; toepassen van niet uitstralende armaturen (zie kader- Verlichting); plaatsen van afschermende beplanting rond weiland; voorkom verlichting van boomkronen langs het plangebied. Met deze maatregelen blijft het plangebied en het aangrenzend gebied (golfbaan en de plas) en de bomen daar geschikt als potentieel leefgebied. Aangezien het plangebied, door de ligging in een groene omgeving, geen Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 35
essentieel leefgebied vormt is nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen niet noodzakelijk. Een ontheffing in het kader van de beschermde soorten van de Wet natuurbescherming is eveneens niet noodzakelijk. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen 3 uit te voeren. Algemene zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld door de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
4.2.2 Gebiedsbescherming Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten: Een stikstofberekening is noodzakelijk om aan te tonen dat de tijdelijke stikstofdepositie die wordt veroorzaakt door de bouwwerkzaamheden geen significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Daarnaast wordt de bouw van het zonnepark uitgevoerd met zo duurzaam mogelijke (indien mogelijk elektrisch) mobiele werktuigen. Door Hedgehog Company is een stikstofberekening uitgevoerd, welke separaat is bijgevoegd. Het resultaat van deze berekening is dat zowel de aanleg- als gebruiksfase geen resultaten kent voor de betreffende situatie. De ontwikkeling heeft hiermee geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura-2000 gebieden.
4.2.3 Bescherming houtopstanden Er worden binnen het plangebied geen bomen gekapt. Een nadere toetsing van houtopstanden is daarom niet noodzakelijk.
4.2.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten het NNN. Het NNN kent in deze provincie ook geen externe werking. Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen een gebied toegewezen als leefgebied akker- of weidevogels. Een toetsing aan het natuurbeleid is daarom niet noodzakelijk.
3
het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli. Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 36
4.2.5 Uitvoerbaarheid Met de voorgenomen ontwikkeling wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze rekening gehouden. Met de werkzaamheden zal rekening worden gehouden met het broedseizoen van de vogels, de aanbevelingen voor vleermuizen en de algemene zorgplicht. Vanuit de eisen van de Wet natuurbescherming en het provinciale voor gebiedsbescherming (NNN en weidevogelgebieden) wordt voorliggend plan uitvoerbaar geacht.
4.3 Archeologische waarden Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Gemeenten beschermen de archeologische waarden binnen de gemeentegrenzen door de waardevolle gebieden vast te leggen middels dubbelbestemmingen, die zijn gebaseerd op een archeologische verwachtingskaart. Binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Nieuwe Driemanspolder – Roeleveen’ is ter plaatse van het bestemmingsplan geen dubbelbestemming opgenomen ten behoeve van de bescherming van de archeologische waarden.
Afbeelding 21. Kaart archeologische verwachtingswaarde gemeente Zoetermeer (bron: gemeente Zoetermeer).
In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft RAAP in januari-februari 2022 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd om na te gaan of er geen archeologische waarden worden geschaad ter plaatse van het plangebied. Dit onderzoek is separaat als bijlage 4 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Uit dit onderzoek en toetsing door het bevoegd gezag blijkt dat de kans op archeologische resten nihil wordt geacht. Hiermee wordt voorliggend plan uitvoerbaar geacht voor wat betreft de archeologische waarden.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 37
4.4 Cultuurhistorische waarden Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het projectgebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Binnen de grenzen van het plangebied zijn geen monumenten aanwezig, welke mogelijk aangetast worden met de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling. Aan de noordwestzijde van het plangebied, ter plaatse van de Landscheiding is binnen het bestemmingsplan ‘Nieuwe Driemanspolder – Roeleveen’ de functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ opgenomen. Deze aanduiding is bedoeld ter bescherming van de Landscheiding als eeuwenoude scheidslijn tussen de beheersgebieden van de Hoogheemraadschappen van Rijnland en Delfland. Conform het bestemmingsplan dienen de cultuurhistorische waarden gehandhaafd te worden. Met de voorgenomen ontwikkeling vindt ter plaatse van de landscheiding geen fysieke ingrepen plaats, waardoor de cultuurhistorische waarden niet geschaad worden. Nabij de Landscheiding worden sloten o.a. verbreed/ en natuurvriendelijk ingericht en ter bevordering van de Groenblauwe Slinger. Met de landschappelijk inrichting wordt hiermee rekening gehouden met de aanwezigheid van de Landscheiding.
4.5 Water De toelichting van een omgevingsvergunning dient, conform artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op het voor dit plan relevante waterbeleid. Vervolgens is de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie van het projectgebied beoordeeld. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel) stroomgebied beheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
Rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Er wordt gewerkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuust zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 38
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Provinciaal beleid De provincie werkt nauw samen met waterschappen om haar ambities te realiseren. Hiervoor hebben de waterschappen eigen regionale waterbeheerplannen opgesteld. De Provinciale Staten hebben de wettelijke bevoegdheid tot het instellen en opheffen van waterschappen, tot regeling van hun gebied, taken, inrichting, samenstelling van hun bestuur en tot de verder reglementering van waterschappen. De manier waarop de waterschappen hun taak uitoefenen is onderhevig aan provinciaal toezicht doordat het waterbeheerplan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten behoeft. Dus de provincie stelt de regels en de waterschappen doen verder de uitvoering van het waterbeheer. Hoogheemraadschap van Delfland Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in een ‘Waterbeheerprogramma 2022-2027’. Hiertoe heeft De Verenigde Vergadering van Delfland heeft in de vergadering van 10 maart 2022 het ‘Waterbeheerprogramma 2022-2027’ vastgesteld. In het waterbeheerplan wordt het waterbeleid beschreven voor de primaire taakgebieden van het Hoogheemraadschap.
Hoogheemraadschap Delfland heeft een missie welke centraal staat. Alles wat daaraan bijdraagt is volgende het Hoogheemraadschap onderdeel daarvan. De missie van het Hoogheemraadschap bestaat uit: droge voeten; voldoende water; schoon water; gezuiverd afvalwater. Met deze missie wil het Hoogheemraadschap werken aan trends en ontwikkelingen van vandaag, morgen en overmorgen. De missie met de verschillende relevante thema’s vinden onder andere een concretere doorwerking in de beschikbare instrumenten van het hoogheemraadschap: de Keur, Legger en stimuleringsregelingen. Keur De keur is een waterschapsverordening en omvat samen met de Waterwet alle gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen of activiteiten die consequenties hebben voor de waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterveiligheid. De keur is verder uitgewerkt in beleids- en algemene regels. Legger De Keur verwijst in de gebods- en verbodsbepalingen volop naar de legger. De legger legt de status en afmetingen, behorende bij de regels van de Keur, vast in een overzichtskaart van het waterbeheersgebied. Op deze kaart zijn onder andere dijken, waterlopen en bijbehorende beschermingszones aangegeven. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De leggerkaart is geraadpleegd. Een uitsnede hiervan is weergegeven in afbeelding 21.
Binnen het plangebied zijn een aantal secundaire watergangen gelegen, waarbij de onderhoudsverplichtingen bij de aangrenzende eigenaar ligt. Voor de exploitatie van het zonnepark kunnen een aantal watergangen die op korte afstand van elkaar liggen niet worden vrijgehouden. Deze worden, gedeeltelijk en waar nodig, gedempt en gaan daardoor de functie als waterafvoer verliezen. Als compensatie hiervoor wordt onder andere de grenswatergang met de Landscheiding 2 meter verbreed met een plasberm. Hiervoor zal een separate watervergunning worden aangevraagd bij het Hoogheemraadschap van Delfland. Ook is de initiatiefnemer in nauw gesprek met het Hoogheemraadschap inzake dit onderwerp. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap problemen met afwatering in natte periodes. Hiertoe wordt door de initiatiefnemer een stuw geplaatst binnen het plangebied.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 39
Afbeelding 22. Uitsnede Legger van het Hoogheemraadschap van Delfland (bron: Hoogheemraadschap van Delfland, bewerking: Eelerwoude).
Daarnaast kan regenwater tussen de panelen infiltreren in de bodem. Hiervoor wordt tussen de pv-panelen een 10 millimeter ruimte gehouden, aangezien de pv-panelen niet strak tegen elkaar worden gelegd. Onderstaande collage geeft een impressie van de ruimte tussen de panelen, waardoor regenwater in de bodem kan infiltreren. Daarnaast laten de afbeeldingen tevens zien dat er voldoende regenwater de bodem bereikt, aangezien er voldoende groen aanwezig is onder de pv-panelen.
Afbeelding 23. Opstelling pv-panelen, waardoor voldoende ruimte is voor infiltratie regenwater (bron: Eelerwoude/TR).
Digitale watertoets Op 30 maart 2023 is de digitale watertoets uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling. De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen, waaruit blijkt dat contact dient te worden gezocht bij Hoogheemraadschap van Delfland. Een uitdraai van het resultaat van de digitale watertoets is separaat bijgevoegd, als bijlage 5 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Voorliggend plan is met het Hoogheemraadschap afgestemd.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 40
5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: • Bodem. • Geluid. • Luchtkwaliteit. • Externe veiligheid. • Bedrijven en milieuzonering. • Verkeer en parkeren. • Vormvrije m.e.r.-beoordeling. • Kabels en leidingen. • Elektromagnetische straling. • Warmteontwikkeling. • Lichtreflectie.
5.2 Bodem Sinds 1 januari 2008 is in het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) vastgelegd hoe we in Nederland omgaan met het hergebruik van schone en licht verontreinigde grond en de bescherming van de bodem. Bij de verlening van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik.
Afbeelding 24. Uitsnede kaart bodemloket (bron: bodemloket.nl, bewerking Eelerwoude).
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 41
Om de bodemkwaliteit binnen het plangebied te bepalen is de kaart van het Bodemloket (bodemloket.nl) geraadpleegd. Op deze kaarten zijn gebieden aangewezen waar (mogelijk) sprake is geweest van bodemverontreiniging. Ook is informatie van uitgevoerde bodemonderzoeken te raadplegen. Op deze kaart is te zien dat het plangebied door de jaren heen voldoende is onderzocht en/of gesaneerd. Een zonnepark is geen gevoelige functie. Wat betreft het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling en is nader bodemonderzoek niet aan de orde. Voorafgaand aan de bouwfase van het zonnepark voert de intiatiefnemer altijd een bodemonderzoek uit als nulmeting van het plangebied.
5.3 Geluid Voor de beoordeling van het onderdeel geluid moet in algemene zin aan de volgende drie punten worden voldaan: • de normen uit de Wet geluidhinder worden in acht genomen; • bedrijven in de omgeving worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; • op en rond het projectgebied blijft sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wet geluidhinder Per 1 januari 2007 is de gewijzigde Wet geluidhinder (Wgh) in werking getreden. Hierin staat dat inzichtelijk moet worden gemaakt welke geluidsbronnen in het gebied aanwezig zijn en wat de geluidsbelasting is voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij nieuwe ruimtelijke plannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai. Artikel 76 Wgh stelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een geluidzone de grenswaarden uit de Wgh in acht genomen moeten worden wat betreft de geluidsbelasting van de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Een zonnepark is geen geluidgevoelige functie. Met de realisatie van het zonnepark worden ook geen geluidgevoelige functies aangebracht, waardoor het zonnepark zelf geen bescherming tegen geluidsoverlast vereist.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de richtafstanden uit de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden. Voor transformatorstations met een vermogen minder dan 10 MVA geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid. Transformatorstations met een vermogen tot 100 MVA geldt een richtafstand van 50 meter. Binnen het zonnepark worden drie transformatoren van 6 MVA en inkoopstation en een BESSS geplaatst. De dichtstbijzijnde gevoelige (woon)bestemming (Roeleveenseweg 10) is gelegen op circa 20 meter van de rand van het plangebied. Echter komen de technische installaties, zoals het transformatorstation en de BESS, op meer dan 200 meter van de woning aan de Roeleveenseweg 10 te staan. Hiermee wordt voldoende afstand tot de woningen gehouden, waardoor er geen sprake zal zijn van geluidshinder door de installaties in het zonnepark. Binnen het BESS worden omvormers, transformatoren en batterijen geplaatst. Hier kan tevens een vergelijking worden gemaakt met ‘elektriciteitsdistributiebedrijven’. Een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geluid kan worden gegarandeerd. Geluidsreflectie Hierboven is aangegeven dat de installaties welke geluid produceren niet zorgen tot geluidshinder. Hieronder wordt ingegaan op het effect van het zonnepark op de reeds aanwezige geluidsbelasting. Hiervoor is rijksweg A12 relevant.
De A12 betreft waarlangs het projectgebied is gelegen. Afbeelding 24 geeft de geluidsbelasting van de A12 weer (in Lden). Voorliggend zonnepark kan het geproduceerde geluid zowel blokkeren als verder dragen, afhankelijk van de oriëntatie en hellingshoek van de pv-panelen. Vanwege de oriëntatie en hellingshoek van de panelen, wordt geluid omhoog gereflecteerd. Daarnaast wordt de geluidsbelasting van de A12 vanwege de aanwezigheid van groenstructuren. Geluidsgevoelige
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 42
bestemmingen zijn nabij het zonnepark gelegen. De pv-panelen binnen Zonnepark Roeleveen worden in een oost-west oriëntatie geplaatst. De oriëntatie van de pv-panelen (zuid-opstelling of oost/west-opstelling) is van invloed op de locatie waar reflectie op zou kunnen treden. Echter, als de geluidbron bijzonder groot is (de weg of het spoor) wordt dit effect ‘uitgesmeerd’ over een groot gebied, volgens onderzoek van LPB Sight4. Daardoor is de oriëntatie van beperkte invloed. Op basis van het onderzoek kan wel worden gesteld dat ongewenste reflecties iets minder zijn bij een zuidelijke oriëntatie dan bij een oost/westelijke oriëntatie, maar nog steeds beperkt. Uit eerdere onderzoeken, van onder andere Peutz5 , LBP Sight6 en Bureau Geluid7, is gebleken dat de geluidsbelasting over het algemeen gesproken met niet meer dan 2 dB toeneemt. Wanneer er sprake is van een toename van minder dan 2 dB kan worden gesteld dat er geen sprake is van een ontoelaatbare toename van de geluidshinder. Gemiddeld genomen ligt de toename tussen de 0,4 en 1,2 dB wat gezien kan worden als een geringe, niet significatie toename. In de hierboven benoemde onderzoeken is tevens sprake van een zonnepark nabij een snelweg, waardoor deze onderzoeken als referentie zijn genomen. Voor wat betreft het aspect geluidreflectie wordt de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar geacht.
Afbeelding 25. Uitsnede kaart 'Geluid in Nederland'. (bron: atlasleefomgeving, bewerking: Eelerwoude).
5.4 Luchtkwaliteit Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Om te berekenen of de ontwikkeling met het aantal verkeersbewegingen een negatieve impact heeft op de luchtkwaliteit, is er een NIBM-tool ontwikkeld. In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden 4
https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1734.0305OVBzonparka15-VSG1/b_NL.IMRO.1734.0305OVBzonparka15VSG1_tb5.pdf 5https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0296.BGBKampbroek5-VG01/b_NL.IMRO.0296.BGBKampbroek5-VG01_bd10.pdf 6https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.1734.0305OVBzonparka15-VSG1/b_NL.IMRO.1734.0305OVBzonparka15-
VSG1_tb5.pdf 7
https://www.lcenergy.nl/wp-content/uploads/2020/09/20214016-notitie-definitiefbijlagen.pdf Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 43
aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Op grond van de NIBM-tool is een ontwikkeling ‘in betekende mate’ bij een toename van het aantal verkeersbewegingen met ruim 800 per dag (met 5% aandeel vrachtverkeer). In de voorgenomen ontwikkeling wordt een zonnepark gerealiseerd. Dit leidt niet tot een sterke toename van het aantal verkeersbewegingen. Tijdens de bouwperiode neemt het aantal verkeersbewegingen tijdelijk toe, maar blijft ruimschoots onder de 800 per dag. Gedurende de exploitatiefase neemt het aantal verkeersbewegingen weer af en beperkt tot het beheer en onderhoud van het zonnepark. Hiermee leidt de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit én kan de ontwikkeling niet als ‘niet in betekenende mate’ worden gezien. Op basis hiervan wordt gesteld dat nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.
5.5 Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire (chemische fabriek, lpg-tankstation) en de mobiele (tankwagen, gasleidingen) bronnen. Er wordt getoetst aan de volgende wet- en regelgeving: o Voor inrichtingen (bedrijven) wordt getoetst aan het besluit Externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en de bijbehorende regeling. o Voor transportroutes over weg, water en spoor wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT). o Voor buisleidingen wordt getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Om te controleren of er in het plangebied of de nabijheid daarvan risicobronnen aanwezig zijn is de Risicokaart Nederland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er binnen het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Echter is ten zuiden van het plangebied de A12 gelegen. De A12 is onderdeel van het ‘basisnet wegverkeer, zonder PAGindicatie’. Een zonnepark kent geen verblijfsfunctie en de realisatie ervan leidt daarmee niet tot een toegenomen groepsrisico. Een zonnepark is daarnaast geen gevoelig object of inrichting dat formeel een veiligheidscontour kent. Wel betreft een zonnepark een inrichting dat energie in de vorm van elektriciteit opwekt en op het elektriciteitsnet levert. Om de veiligheid te waarborgen wordt rondom een klein deel van het zonnepark een hekwerk van maximaal 2 meter hoog geplaatst en staat op ruime afstand van de zonnepanelen waardoor onbevoegde personen niet bij de zonnepanelen kunnen. Het hekwerk wordt waar mogelijk achter struweel geplaatst, zodat het hekwerk zoveel mogelijk uit het zicht wordt ontrokken. Daarnaast wordt het zonnepark niet openbaar toegankelijk. Toegang tot het terrein voor beheer, onderhoud en calamiteiten wordt gefaciliteerd met een afgesloten poort. Met hulpdiensten, zoals de Veiligheidsregio Haaglanden, worden afspraken gemaakt voor toegang in geval van nood.
Hiervoor zijn gesprekken met de veiligheidsregio gevoerd en is het plan aangepast waar nodig. Binnen de landschappelijke inpassing wordt een hek geplaatst van maximaal 2 meter hoog met 20 cm ruimte ter hoogte van het maaiveld om kleine zoogdieren te laten passeren. Daarnaast wordt het park geaard en worden elektriciteitskabels ondergronds aangelegd. Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 44
5.6 Bedrijven en milieuzonering In zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid is het behouden en bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu een belangrijke doelstelling. Milieuzonering is hiervoor een belangrijk instrument. Milieuzonering betreft het aanbrengen van voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, en anderzijds milieugevoelige functies zoals wonen en recreëren. Meestal bestaat deze ruimtelijke scheiding uit het houden van een bepaalde afstand tussen deze milieubelastende en milieugevoelige functies. De grootte van de onderlinge afstand is afhankelijk van de mate van milieubelasting: een hogere belasting leidt tot een grotere afstand tussen de verschillende functies. Milieuzonering heeft twee doelen: • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies. • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in eerste instantie doorgaans de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd, waarin richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar zijn opgenomen.
Relatie met de voorgenomen ontwikkeling Binnen het zonnepark worden technische installaties, zoals transformators, omvormers en een inkoop geplaatst. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' valt de voorgenomen ontwikkeling onder de catagorie 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tussen de 10 en 100 MVA'. De grootste richtafstand is die van geluid en bedraagt 50 meter. Voor de omvormers is de vergelijking gemaakt met de activiteit 'elektriciteitsdistributiebedrijven met transformatorvermogen tot 10 MVA'. Voor deze activiteit is in de richtafstanden tabel voor het aspect geluid 30 meter. Voor de benodigde technische installaties wordt een richtafstand voor geluid aangehouden van 50 meter. De dichtstbijzijnde woning (Roeleveenseweg 25) ligt op circa 50 meter van de rand van het zonnepark. De technische installaties worden in het midden van het zonnepark gerealiseerd, waardoor voldaan kan worden aan de richtafstanden uit de VNG-uitgave. Het aspect milieuzonering levert geen belemmeringen op voor de ontwikkeling.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 45
Afbeelding 26. Afstand van de dichtstbijzijnde woning tot het zonnepark.
5.7 Verkeer en parkeren De realisatie van zonnepark Roeleveen leidt niet tot een significante toename in verkeer. Enkel gedurende de aanleg- en ontmantelingsfase zal er tijdelijk een toename zijn van het aantal verkeersbewegingen. Tijdens de looptijd van het zonnepark beperkt het extra verkeer zich tot het beheer en onderhoud van het zonnepark. Dit beperkt zich tot een aantal keer per jaar. Het zonnepark wordt primair ontsloten via de Roeleveenseweg. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om te parkeren ten tijde van onderhoud.
5.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, ook wel genoemd de 'vergewisplicht'. Het komt erop neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst, deze aangeeft of er voor activiteiten en projecten beoordeeld moet worden of er een m.e.r. gemaakt moet worden. Voor projecten of activiteiten die beneden de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: o belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. beoordeling noodzakelijk; o belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 46
De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: o de kenmerken van het project; o de plaats van het project; o de kenmerken van de potentiële effecten. Het project maakt een (tijdelijke) functiewijziging naar een zonnepark mogelijk. De voorgenomen ontwikkeling is niet opgenomen in de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het zonnepark betreft bijvoorbeeld geen landinrichtingsproject (D9). De ontwikkeling van een zonnepark valt pas onder deze categorie als deze onderdeel uitmaakt van een groter landinrichtingsproject (het project dient een voldoende substantieel karakter te hebben). Uit jurisprudentie 8 is tevens gebleken dat een zonnepark niet kan worden aangemerkt als een ‘industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water’ (cat. D 22.1), omdat een zonnepark geen thermische (verbrandings)installatie betreft. In een zonnepark wordt immers geen thermische energie opgewekt of gebruikt voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, maar wordt stralingsenergie (zonlicht) rechtstreeks omgezet in elektrische energie. 1F
Daarnaast is uit diezelfde uitspraak gebleken dat een zonnepark evenmin kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (cat. D 11.2). Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Een zonnepark kan naar het oordeel van de Afdeling niet gelijk worden gesteld met dergelijke ontwikkelingen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de gevolgen voor het milieu van een zonnepark in de kern beperkt zijn tot visuele hinder en landschappelijke aantasting. Voor de volledigheid verwijzen wij ook naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 september 2018 en zaaknummer 18_689, waarin bevestigd wordt dat een vergelijkbaar project niet valt binnen de categorie D van het Besluit m.e.r. en er geen beoordeling nodig is. Deze uitspraak is op 14 augustus 2019 bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en na te zien onder het zaaknummer 2019:2770. Voor het voorgenomen plan is geen m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r. benodigd. Het zonnepark valt niet onder het Besluit milieueffectrapportage.
Aangezien het plan wel kenmerken vertoont van diverse beoordelingscategorieën zoals hiervoor omschreven, getuigt het van een goede en zorgvuldige ruimtelijke ordening en belangenafweging om voornoemde beoordeling van milieueffecten te doen. Hiertoe is deze vormvrije m.e.r. beoordeling wel opgesteld en separaat bijgevoegd. De conclusie is dat het zonnepark wordt aangelegd met respect voor de bodem, ecologie en natuur. De constructie wordt zodanig aangelegd dat er geen schade ontstaat en het systeem makkelijk demontabel is. De locatie is onderzocht op het gebied van aanwezige ecologische waarden. Hieruit blijkt dat het gebied geschikt is voor de voorgenomen planontwikkeling. Het realiseren van het zonnepark op de planlocatie is goed onderzocht in het kader van de onderzoeken welke deel uit maken van de voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Resumerend zullen er zowel tijdens de aanlegfase, als tijdens de gebruiksfase, als tijdens de ontmantelingsfase, geen significante negatieve effecten bestaan voor het milieu.
8
Zie: ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770. Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 47
5.9 Kabels en leidingen In de buurt van het plangebied bevinden zich mogelijk een aantal kabels en leidingen die mogelijk een belemmering zijn voor het zonnepark, zoals de aanwezige rioolleiding. Ten behoeve van de aanwezigheid van de rioolleiding is overleg geweest met de beheerder van de rioolleiding, Delffluent. De ontwerpvereiste vanuit de beheerder zijn meegenomen in het ontwerp van het zonnepark. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt tevens een KLIC-melding aangevraagd. Met de technische uitwerking van het voorgenomen zonnepark wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van deze kabels en leidingen. Zo wordt de zone rondom het riool vrij gehouden van pv-panelen en technische installaties. Hiermee vormen kabels en leidingen geen belemmering voor het zonnepark.
5.10 Elektromagnetische straling Zowel bij de omvormers als de transformatoren zullen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrijkomen. Ten aanzien van elektromagnetische straling bij hoogspanningsmasten hanteert de overheid een voorzorgprincipe waarbij een grens wordt aangehouden van 0,4 micro Tesla (ìT). De GGD adviseert om ook bij ander bronnen van ELF-EM velden, zoals onderstations en transformatorhuisjes, dit voorzorgsprincipe te hanteren. Vandaar het advies om dit voorzorgsprincipe ook te hanteren bij de ontwikkeling van een zonnepark door de afstand van een zonnepark tot woningen en gevoelige bestemmingen zodanig te laten zijn dat de magnetische veldsterkte bij de gevoelige bestemmingen niet boven de advieswaarde van 0,4 ìT komt. Gezien de relatief grote afstand (enkele honderden meters) van zowel omvormers als de transformatoren tot de dichtstbijzijnde burgerwoningen wordt ruimschoots voldaan aan de advieswaarde van 0,4 ìT. In het RIVM ‘Verkenning van extreem-laagfrequente (ELF) magnetische velden bij verschillende bronnen’ (RIVM-rapport 609300011/2009) wordt aandacht besteed aan elektromagnetische velden als gevolg van de aanwezigheid van transformatorstations. De sterkte van deze velden neemt sterk af wanneer de afstand tot de bron groter wordt.
Uit het onderzoek blijkt dat 0,4 μT wordt bereikt op een afstand van maximaal 7 meter van onderzochte transformatorstations. Relatie met voorgenomen ontwikkeling De woningen rondom het plangebied staan op geruime afstand van het zonnepark, waarmee kan worden aangenomen dat elektromagnetische straling geen gezondheidsrisico vormt en dus niet leidt tot een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.11 Warmteomtwikkeling Zonneparken, welke gerealiseerd worden op land, zijn doorgaans onbebouwde percelen, welke voorheen een agrarische functie kende. Met de realisatie van een zonnepark op onbebouwde percelen kan er mogelijk een hitte eiland ontstaan, welke vergelijkbaar is met een hitte-eilandeffect in binnenstedelijke gebieden. Dit hitteeilandeffect (Urban Heat Island (UHI)) is waarneembaar in de zin dat de temperatuur in stedelijk gebied gemiddeld hoger is dan in omliggende, onbebouwde, landelijk gebied. Een vergelijkbaar effect zou mogelijk op kunnen treden bij de realisatie van zonneparken op onbebouwde gronden, dit noemt men PV Heat Island (PVHI). Uit literatuurstudie blijkt dat er inderdaad een beperkte stijging is van de temperatuur binnen in het zonnepark ten opzichte van de omliggende gronden. De stijging van de temperatuur binnen het zonnepark ligt tussen de 1 en 2 graden Celsius. Eén onderzochte studie in het literatuuronderzoek laat zien dat bij één zonnepark een lichte stijging van de temperatuur is op een aantal meter van het zonnepark, waarbij op 100 meter van het zonnepark de temperatuur weer gedaald is tot de omgevingstemperatuur.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 48
De kanttekening die hierbij gemaakt dient te worden is dat alle onderzochten zonneparken in een andere omgeving (droger en woestijnachtiger), zoals de Verenigde Staten van Amerika, met een andere configuratie zijn gerealiseerd. De onderzochte zonneparken hebben allen of tracking-panelen of hellingshoek van boven de 30 graden. Dit betekent dat de onderzochte zonneparken een hogere instraling van energie/zonlicht hebben in een – over het algemeen – warmere omgeving. Zonneparken in Nederland hebben over het algemeen een hellingshoek van tussen de 10-20 graden. Hiermee wordt zonlicht terug omhoog gekaatst. Op basis van het literatuuronderzoek wordt verwacht dat een aanzienlijke stijging van de omgevingstemperatuur op 50 meter van Nederlandse zonneparken onwaarschijnlijk, gezien een lagere hellingshoek, een lagere beschikbare instraling in relatie tot een woestijnachtige omgeving en het gebruik van efficiëntere pv-modules ten opzichte van de modules die onderzocht zijn. Relatie met de voorgenomen ontwikkeling De zonnepanelen en technische installaties van voorliggend zonnepark zijn gelegen op circa 50 meter afstand van de woningen aan de Roeleveenseweg 10 en 25. Daarnaast is de achterliggende woonwijk op ruim 400 meter van de grens van het plangebied gelegen.
Hiermee is het aannemelijk dat de er geen sprake is van warmteontwikkeling en temperatuurstijging ter plaatse van nabijgelegen woningen. Daarnaast wordt het zonnepark landschappelijk ingericht met o.a. struweel wat zorgt voor een verkoelend effect. In relatie tot het aspect warmteontwikkeling wordt voorliggend zonnepark uitvoerbaar geacht.
5.12 Lichtreflectie Het zonnepark bestaat onder andere uit de realisatie van pv-panelen, welke het zonlicht opvangen. Hierdoor is het mogelijk dat het zonlicht zorgt voor schittering van de pv-panelen. Indien er sprake is van schittering door de pv-panelen, dan is dat op moment dat de zonnestralen zo erg reflecteren op de pv-panelen, dat de lichtweerkaatsing in het oog waargenomen kan worden. Voor de lichtweerkaatsing zijn twee soorten licht, welke gereflecteerd kunnen worden. Dit betreffen direct licht en diffuus licht. Direct licht wordt al meest hinderlijk ervaren, doordat direct bestaat uit zonlicht welke niet weerkaatst of afgebogen wordt. Bij reflecties van direct licht kan de schittering, ondanks de beperkte kans, in een uiterst geval zorgen voor verblinding. Diffuus licht is licht dat is verstrooid, doordat het bijvoorbeeld door wolken heen schijnt. Het licht komt hierbij niet uit één plek. Verblinding door diffuus licht is zeer onwaarschijnlijk. Het licht dat weerkaats wordt heeft altijd dezelfde uitgaande hoek als ingaande hoek (zie afbeelding 26). Hierdoor zijn factoren, zoals hoogte, oriëntatie en de hellingshoek van de pv-panelen van belang voor de lichtweerkaatsing. Daarnaast zijn ook de locatie van de waarnemer en de hoogte en hoek van de zon relevant voor de lichtweerkaatsing.
Afbeelding 27. Bij reflectie van zonlicht is de inkomende hoek altijd gelijk aan de uitgaande hoek, ten opzichte van een loodrechte lijn op het oppervlak van het paneel.
Relatie met voorgenomen ontwikkeling In het zonnepark worden pv-panelen van de modernste generatie toegepast. Dit zijn in voorliggend zonnepark glas-glas zonnepanelen. Zodoende ontstaat er geen hinderlijke schittering als gevolg van lichtweerkaatsing op de panelen. De panelen hebben een vlakke ligging met een kleine hellingshoek, waardoor enige restschittering/glinstering tot geen overlast leidt. Daarnaast wordt het zonnepark landschappelijk ingepast met o.a. struweel en bomen, waardoor het zicht (en daarmee ook mogelijke hinder van reflectie) gedeeltelijk wordt Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 49
weggenomen. Doordat de panelen op maximaal 1,5 meter hoog worden geplaatst met een kleine hellingshoek en mede vanwege de landschappelijke inpassing van het zonnepark op voorgesteld plangebied is geen reflectie te verwachten voor een waarnemer op hoogte van het maaiveld. Daarnaast zal er geen hinder ondervonden worden in de omringede woningen of omringende wegen. Hiermee vormt het aspect lichtreflectie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.13 Conclusie In dit hoofdstuk zijn alle relevante milieuaspecten beschreven. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen milieubelemmeringen met zich meebrengt.
Zonnepark Roeleveen, Zoetermeer | Eelerwoude | 50