CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - GoFlo-rapport met bijlagen

Commissie Plenair 17 november 2025, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Advies van instemming aanvraag omgevingsvergunning nieuwbouw 86 woningen Hart van Meerzicht30.338 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Indien locaties aan één van de volgende criteria voldoen, is er geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit benodigd: • relatief korte verblijven (blootstellingscriterium); • arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl); • als mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel), bestaand uit (artikel 5.52 Bkl): o locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is; o de rijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn de volgende agglomeraties waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl): 1. Amsterdam/Haarlem (gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerck, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort) 2. Den Haag/Leiden (gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delftland, Oestgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland) 3. Rotterdam/Dordrecht (gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de Ijssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht) 4.

Utrecht (gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein) 5. Eindhoven (gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven) Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO 2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: • Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen; • Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m 2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m 2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen; Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 49

•

Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties.

Omgevingswaarden De nadruk ligt op verbetering van de luchtkwaliteit via lokale maatregelen. Daarvoor kunnen gemeenten en provincies lokale omgevingswaarden opstellen, bijvoorbeeld een aanvullende omgevingswaarde voor roet. Decentrale overheden kunnen ook strengere omgevingswaarden stellen. Ze moeten lokale omgevingswaarden zelf monitoren en een programma opstellen bij dreigende overschrijding. De provincie Zuid-Holland heeft een programma vastgesteld om te werken aan de luchtkwaliteit. Middels het omgevingsprogramma committeert de provincie zich aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en het voldoen aan de WHO advieswaarden. De gemeente Zoetermeer heeft vooralsnog geen omgevingswaarden opgenomen met betrekking tot de luchtkwaliteit. Relatie tot ontwikkeling In onderhavig geval is er sprake van de realisatie van een woongebouw met circa 86 woningen, verdeeld over 8 verdiepingen. Gelet op de toekomstige verkeersgeneratie leidt de beoogde ontwikkeling mogelijk tot een toename van de uitstoot van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). Om de gevolgen van de ontwikkeling in kaart te brengen is door db/a consultants op 28 januari 2025 een notitie luchtkwaliteit opgesteld. De notitie met kenmerk AR.10.939/1 is als bijlage 7 toegevoegd aan deze onderbouwing. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies.

In onderstaande tabel worden allereerst de normen afkomstig uit de Europese richtlijn en Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen weergegeven. Tabel 2. Normstelling Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen

De projectlocatie is niet gelegen binnen een aandachtsgebied. In onderhavig geval is er sprake van de sloop van een leegstaand kantoorpand, waarna er een appartementencomplex wordt teruggebouwd. Er worden 86 woningen verdeeld over 8 lagen. In de plint is er ruimte voor voorzieningen, waaronder een supermarkt en een horecavoorziening met terras. Om inzicht te krijgen in de te verwachten uitstoot op en rondom de projectlocatie is er een worst-case verkeersgeneratie opgesteld. De uitgangspunten voor het worstcasescenario zijn als volgt: • Full-service supermarkt in een plint van 4.248 m2 bvo in, een sterk stedelijke stedelijkheidsgraad, een ligging binnen het gebiedstype centrum. Dit leidt tot een generatie van 2.507 motorvoertuigen per etmaal. • 86 koopappartementen, gemiddelde van de maximale norm van een sterk stedelijke stedelijkheidsgraad, ligging in centrum en ligging in schilcentrum, wat leidt tot een generatie van 576 motorvoertuigen per etmaal.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 50

De te verwachten uitstoot is in de tabel hieronder weergegeven. Tabel 3. Te verwachten planbijdrage aan lokale luchtkwaliteit (bron: notitie db/a consultants)

Op basis van het worst-case scenario wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een overschrijding van de maximale grenswaarden op of rondom de projectlocatie. De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij. Er zijn geen randvoorwaarden of belemmeringen. Conclusie In het kader van lucht is sprake van een ETFAL.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art.

11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 51

Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit). Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject zoals omschreven onder, categorie J.11. Derhalve is het doorlopen van de m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dit kader dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Hiertoe is een aanmeldnotitie opgesteld, welke als bijlage 9 toegevoegd aan deze goflo. Conclusie Omdat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dient een m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden.

MOBILITEIT EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 Op 16 december 2019 heeft de gemeenteraad van Zoetermeer de Nota Parkeerbeleid Zoetermeer 2019 en de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 vastgesteld. Het parkeerbeleid is tot stand gekomen in overleg met inwoners, ondernemers en belangenorganisaties. Het grondgebied van de gemeente is opgedeeld in drie parkeernormzones, waarin gebiedsspecifieke parkeernormen gelden. Er zijn parkeernormen opgenomen voor autoparkeren maar ook voor fietsparkeren.

Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling beslaat de sloop van het aanwezige, leegstaande kantoorpand. Hierna wordt er een appartementencomplex teruggebouwd dat ruimte biedt aan 86 appartementen die verdeeld worden over 8 bouwlagen. De appartementen zijn allen circa 50 m2 groot. Ten behoeve van deze ontwikkeling is door Creating Living Spaces op 31 januari 2025 een onderbouwing parkeeropgave opgesteld, welke als bijlage 8 aan deze onderbouwing is toegevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste punten uit deze onderbouwing. Vrijgekomen parkeerplaatsen en overcapaciteit De sloop van het bestaande kantoorpand gaat gepaard met een reductie van het winkeloppervlak, waardoor er 60 parkeerplaatsen vrij komen in de openbare ruimte. De capaciteit van de bestaande parkeergelegenheid is bij een onderzoek van Mobycon in kaart gebracht, hieruit blijkt dat dat er een overcapaciteit bestaat van 173 parkeerplaatsen. Normatieve parkeeropgave De projectlocatie is gelegen in zone C. De normatieve parkeerbehoefte is berekend en afgezet tegen de oude situatie. De resultaten zijn hieronder in tabel 4 weergegeven.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 52

Tabel 4. Bepaling normatieve parkeerbehoefte ‘nieuw voor oud’ (bron: onderbouwing Creating Living Spaces)

Op basis van het geldende parkeerbeleid is saldering technisch gezien niet toegestaan. De norm kan echter worden verlaagd door de inzet van deelmobiliteit. De normcorrectie is gebaseerd op het uitgangspunt dat 1 deelauto 4 autoparkeerplaatsen voor bewoners vervangt. De maximale correctie bedraagt 25% van de totale normatieve parkeerbehoefte van bewoners (exclusief maatgevend moment). Bij een normatieve parkeerbehoefte van 41 plaatsen voor bewoners mogen maximaal 2 deelauto’s worden geplaatst. De ontwikkeling behelst de realisatie van woningen. De normatieve parkeeropgave wordt geoptimaliseerd op basis van dubbelgebruik. De ontwikkeling van 86 appartementen valt samen met de reeds toegestaane 1.320 m2 wijkcentrum, waarvan de functie niet wijzigt. Voor dit wijkcentrum blijven de openbare parkeerplaatsen beschikbaar. De maximale parkeerbehoefte met inbegrip van dubbelgebruik bedraagt op het maatgevende moment (zaterdagmiddag) 111 parkeerplaatsen, waarvan het wijkcentrum 74 parkeerplaatsen in gebruik heeft. De voor dubbelgebruik gecorrigeerde normatieve parkeeropgave door de 86 appartementen bedraagt daarmee 37 (111-74= 37) parkeerplaatsen. Dit is weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 5. Normatieve parkeeropgave op basis van dubbelgebruik (bron: onderbouwing Creating Living Spaces)

De parkeerbehoefte van 37 parkeerplaatsen is niet oplosbaar binnen de grenzen van de beoogde ontwikkeling. Maatschappelijk gezien is er behoefte aan de herontwikkeling van het winkelcentrum, inclusief het appartementencomplex dat ruimte biedt aan 86 woningen en voorzieningen in de plint (zie ook paragraaf 4.5 en 6.2.1). Hoewel er technisch gezien geen saldering kan plaatsvinden, wordt benadrukt dat in de directe omgeving een overcapaciteit is ten aanzien van parkeerplaatsen. De initiatiefnemer heeft daarom een aanvraag gedaan voor een ontheffing voor het gebruik van 37 parkeerplaatsen, waarvan 21 bestemd voor bewoners en 16 voor bezoekers. De initiatiefnemer neemt hierbij een inspanningsplicht op zich om zich maximaal in te spannen voor de oplevering van 21 bewoners van parkeerplaatsen elders in de omgeving. Dit zou resulteren in de effectieve ontheffing van 16 parkeerplaatsen voor bezoekers. Op basis van het vigerend beleid is het bevoegd gezag, de gemeente Zoetermeer hiermee akkoord gegaan.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 53

Fietsparkeren Zoals opgenomen in de vastgestelde PUK is de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 ook voor leidend voor het onderdeel fietsparkeren. Het fietsparkeren voor bewoners wordt inpandig opgelost in de plint van het nieuw te realiseren gebouw, naast de hoofdentree. Het fietsparkeren voor bezoekers zal plaatsvinden op maaiveld in de openbare ruimte, hiervoor worden stallingen geplaatst. Op basis van de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 gelden de er een aantal kwaliteitseisen: • De hart-op-hart-afstand tussen twee fietsparkeerplaatsen bij een hoog/laag parkeersysteem is minimaal 400 mm breed voor zowel onder- als bovenlaag; • De gangpaden in de fietsparkeervoorziening zijn minimaal 2100 mm breed en een hoofdgang is minimaal 3000mm breed, zowel voor fiets als scooter; • De fietsparkeervoorziening moet voldoende parkeermogelijkheden bieden voor fietsen die afwijken van de standaard maten: - minimaal 5% van de plaatsen is geschikt voor bakfietsen of andere fietsen met sterk afwijkende maten (vakken minimaal 100 mm breed); - minimaal 15% van de plaatsen is geschikt voor fietsen die niet in een standaard fietsenrekpassen (hart-op-hart afstand minimaal 500 mm); Er worden 86 appartementen tussen de 40 en 70 m2 bvo gerealiseerd, waarbij een fietsparkeernorm geld van 2 fietsparkeerplaatsen per appartement.

Dit resulteert in 172 te realiseren fietsparkeerplaatsen, waarvan 138 hart-op-hart 400 mm breed dient te zijn, 26 hart-op-hart 500 mm in de breedte en 9 fietsparkeerplaatsen voor bakfietsen. Binnen de ontwikkeling wordt voorzien in 154 fietsparkeerplaatsen met een hart-op-hart breedte van 400mm, 26 fietsparkeer plaatsen met een hart-op-hart van 500 mm breedte en 3 bakfietsparkeerplaatsen. Dit betekent dat er 6 bakfietsen te weinig worden gerealiseerd, gelet op de typologie van de woning en de beoogde doelgroepen is het echter niet aannemelijk dat er veel of überhaupt enig gebruik zal worden gemaakt van bakfietsen. Daarnaast wordt opgemerkt dat er in totaal 182 fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd, wat er 10 meer zijn dan de gestelde norm. Ontsluiting Omdat het nog onduidelijk is of en waar de parkeerplaatsen voor bewoners gerealiseerd worden, kan er nog niet een precieze ontsluitingsroute worden vastgesteld. De meest nabijgelegen parkeerplaats bevindt zich aan de voorzijde van het te slopen kantoorgebouw. Voertuigen afkomstig van deze parkeerplaatsen kunnen zich ontsluiten op de Meerzichtlaan. Vanaf de Meerzichtlaan kan het verkeer zich in oostelijke richting afwikkelen op de Afrikaweg. In westelijke richting kan het verkeer zich via de Meerzichtlaan afwikkelen richting de Amerikalaan.

Gelet op de beperkte parkeerbehoefte van de nieuwe functies in combinatie met het verwijderen van de oude functies, is het aannemelijk dat de ontsluiting voldoende in staat is de verkeersgeneratie af te wikkelen. Immers, door weghalen van functies vervallen er ook verkeersbewegingen. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren levert geen randvoorwaarden of belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 54

Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit. Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.

Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: -

Natura 2000-activiteiten; Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) Vellen en beheren van houtopstanden

Omgevingswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden (besluit kwaliteit leefomgeving, 2018, paragraaf 2.2.1, art. 2.3 lid 1; art. 2.4 lid 2). Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen; • 20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen;

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 55

•

5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken.

Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop van een kantoorpand. Op de vrijgekomen locatie wordt een appartementencomplex van circa 30 meter teruggebouwd. Het appartementencomplex biedt ruimte aan 86 appartementen, verdeeld over 8 bouwlagen. De beoogde ontwikkeling kan invloed hebben op habitat en flora en fauna. De mogelijke gevolgen zijn inzichtelijk gemaakt door een stikstofdepositieberekening en een natuurwaardenonderzoek. Bescherming gebieden Zoals hierboven aangeven is er een stikstofdepositieberekening opgesteld. Het onderzoek is op 3 november 2025 uitgevoerd door Ecofect B.V. en is als bijlage 10 aan deze GOFLO toegevoegd. Het meest nabijgelegen Natura 2000 – gebied ligt op ongeveer 11,3 kilometer afstand van de projectlocatie en betreft het gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Het gebied ‘Meijendel & Berkheide’ is op basis van de Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 – gebied en is reeds overbelast ten aanzien stikstof. In de aanlegfase kent de beoogde ontwikkeling een stikstofdepositie 0,0 mol/ha/ja. De bouwfase (bestaande uit sloop en nieuwbouw) loopt tussen januari 2026 en december 2027, met een uitloop naar het eerste kwartaal van 2028. de nieuwe gebruiksfase bedraagt de stikstofdepositie van 0,0 mol/ ha/ja.

Hierbij is er uit gegaan van een sterke stedelijkheidsgraad, een gebied gelegen in de rest bebouwde kom, 88 appartementen onder de 75 m2 en 1.320 m2 bvo. Dit betekent dat de gehele ontwikkeling een stikstofdepositie kent van 0,0 mol/ha/ja, waardoor de grenswaarde niet verder overschreden wordt. De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor beschermde gebieden. Stikstofdepositie levert geen randvoorwaarden of belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Bescherming soorten De beoogde ontwikkeling heeft, vanwege de aard en omvang van de beoogde werkzaamheden, mogelijk gevolgen voor beschermde dier- en plantsoorten. Derhalve is het uitvoeren van een onderzoek noodzakelijk. Er is op 11 juli 2024 een natuurwaardeonderzoek uitgevoerd door Ecofect B.V. Dit onderzoek bestaat uit bureauonderzoek en veldonderzoek en is als bijlage 11 toegevoegd aan deze goflo. Hieronder worden de belangrijkste resultaten en conclusies behandeld. Flora Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen. De aanwezigheid van beschermde flora is op basis van bureauonderzoek niet aannemelijk Vogels Geen huismussen, geen gierzwaluw, geen uilen en roofvogels, geen spechten en holtenbroeders, geen categorie 5 soorten. Bij het bureauonderzoek is er geen recente, relevante waarneming van beschermde vogelsoorten naar voren gekomen.

Tijdens het veldonderzoek zijn er geen (nesten van) beschermde uilen of roofvogels aangetroffen. De op de projectlocatie aanwezige bomen, holten, bosjes en andere verblijfsplaatsen bieden voldoende bescherming voor potentieel aanwezige huismussen, gierzwaluwen en spechten en holtebroeders. Negatieve effecten als gevolg van de realisatie van de beoogde ontwikkeling zijn daarmee niet aan de orde voor de genoemde vogelsoorten. De projectlocatie is in potentie geschikt voor vogelsoorten uit beschermingscategorie 5. Op en rondom de projectlocatie kunnen de vink, pimpelmees, koolmees, ekster, gekraagde en zwarte roodstaart en de spreeuw aanwezig zijn. Deze zijn echter niet aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Daarnaast zijn er geen soorten met een jaarrond beschermd nest waargenomen. Om negatieve effecten zo goed mogelijk uit te sluiten is het advies om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 56

Vleermuizen Op de projectlocatie zijn er geen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig. Ondanks realisatie van de beoogde ontwikkeling blijft het foerageergebied intact. Ook onmisbare vliegroutes blijven behouden. Ten aanzien van vleermuizen worden geen negatieve effecten verwacht. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren aangetroffen. Daarnaast zijn er geen sporen van de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten aangetroffen. Er zijn geen relevante, recentelijke waarnemingen opgenomen in de geraadpleegde databases. Negatieve effecten op beschermde zoogdiersoorten zijn daarmee niet aan de orde. Reptielen en amfibieën De projectlocatie en de nabije omgeving zijn niet geschikt voor beschermde reptielen of amfibieën doordat er geen geschikte waterlichamen aanwezig zijn. Negatieve effecten zijn daarmee niet aannemelijk. Vissen Doordat er geen wateren op de projectlocatie aanwezig zijn, is er geen sprake van de aanwezigheid van beschermde vissoorten. Negatieve effecten zijn daardoor uitgesloten. Vlinders en libellen De projectlocatie heeft geen potentie als leefgebied voor beschermde vlindersoorten en/of libellensoorten. Er zijn recente, relevante waarnemingen in de geraadpleegde databases opgenomen.

Negatieve effecten van de ontwikkeling op vlinders en libellen zijn daarmee uitgesloten. Overige soorten ongewervelden De projeclocatie heeft geen potentie voor overige, beschermde soorten. Daarnaast is de projectlocatie niet gelegen in bekend verspreidingsgebied van beschermde soorten ongewervelden. Tot slot zijn er geen recente, relevante waarnemingen in de geraadpleegde databases bekend. Negatieve effecten op overige beschermde soorten ongewervelden zijn daarmee niet aan de orde. Specifieke zorgplicht Bij het verrichten van activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor alle dier- en plantsoorten, ongeacht hun wettelijke status, geldt er een specifieke zorgplicht op basis van artikel 11.27 van het Bal. De specifieke zorgplicht bestaat onder andere uit: • Controleren op de aanwezigheid van soorten en habitats voorafgaand aan de activiteit • Nagaan of er manieren zijn om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten uit te sluiten • Indien nadelige gevolgen niet uit te voorkomen zijn, de te verwachten gevolgen in kaart brengen • Indien nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dienen er passende preventieve maatregelen getroffen te worden om nadelige gevolgen te voorkomen. Daarnaast moet de effectiviteit van deze maatregelen getoetst worden tijdens en na de activiteit.

• Wanneer de maatregelen niet doeltreffend zijn, dient de activiteit gestopt te worden of moeten er herstellende maatregelen getroffen worden. Daarnaast kunnen er maatwerkregels en maatwerkvoorschriften worden toegepast bij verlening van de vergunning. De initiatiefnemer heeft middels een ecologische quickscan de aanwezigheid van soorten en habitats gecontroleerd, hierbij is gebleken dat er geen beschermde soorten of habitats aanwezig zijn. Hoewel de projectlocatie deel uitmaakt van foerageergebieden, loopt de integriteit van deze gebieden ten gevolge van de activiteit geen gevaar.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 57

De benodigde werkzaamheden vinden alleen plaats aan een gebouw, er is geen sprake van groen dat wordt aangetast. Bij deze bouwwerkzaamheden worden waar mogelijk maatregelen getroffen om gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen. Daarnaast worden er nestkasten voor vogels toegepast om zo een positieve bijdrage te leveren aan de situatie voor diersoorten ter plaatse. Initiatiefnemer is zich bewust van zijn zorgplicht en heeft voldaan aan de eisen van die zorgplicht die voor dit stadium gelden. Er kunnen geen aanvullende maatregelen die getroffen kunnen worden om voorafgaand aan de activiteit de bescherming van soorten en habitats te garanderen. De eisen die gelden tijdens de uitvoering van de activiteit zijn bekend voor de initiatiefnemer. Bij uitvoering is monitoring van de situatie en de doeltreffendheid van de maatregelen van belang. Tussenconclusie De projectlocatie is geen (onderdeel van het) leefgebied van beschermde soorten. Om negatieve effecten zo goed mogelijk uit te sluiten is het advies om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Bescherming houtopstanden Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen bomen of bossen zoals bedoeld in het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet aanwezig die zullen worden gekapt. Een meld-of herplantingsplicht is niet van toepassing. Conclusie In het kader van natuur is sprake van een ETFAL.

ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen Niet gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze verplaatst of geraakt worden bij werkzaamheden in de grond, kunnen ze een gevaar opleveren. Conform Arbowetgeving dient het terrein daarom voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen. In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Gemeenten dienen hierin een eigen afweging te maken. Voor zover gemeenten in de Algemene Plaatselijke Verordening / Verordening van de fysieke leefomgeving regels hebben opgenomen met betrekking tot dit onderwerp, blijven die regels onverkort van kracht zolang ze niet actief worden meegenomen in het gemeentelijk omgevingsplan. De Omgevingswet heeft daarnaast geen invloed op gemeentelijk beleid ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten. Relatie tot ontwikkeling Binnen de gemeente Zoetermeer is geen vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten uitgevoerd. In het omgevingsplan “Omgevingsplan gemeente Zoetermeer” zijn ook geen bepalingen inzake dit onderwerp opgenomen.

De gronden van de projectlocatie zijn in het verleden al geroerd en zijn momenteel bebouwd. Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie In het kader van ontplofbare oorlogsresten is sprake van een ETFAL.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 58

TRILLINGEN Algemeen Onder de Omgevingswet worden trillinggevoelige gebouwen – zoals gebouwen voor woongebruik, onderwijs of kinderopvang – beschermd tegen trillingen veroorzaakt door activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hiervoor in paragraaf 5.1.4.4 instructieregels opgenomen. Instructieregels zijn bindende regels voor bestuursorganen. De instructieregels in paragraaf 5.1.4.4 Bkl zijn van toepassing op het toelaten van: a. een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit; of b. een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz plaatsvinden die veroorzaakt worden door een activiteit, anders dan het wonen, die is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit. De paragraaf is in beginsel niet van toepassing op: a. een trillinggevoelige ruimte in een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk is gelegen op een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder; b.

met uitzondering van artikel 5.82 en 5.83, op een trillinggevoelig gebouw dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; en c. doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Trillinggevoelige gebouwen en ruimten Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Bovenstaande geldt niet voor een gedeelte van een gebouw als het omgevingsplan in dat gedeelte geen trillinggevoelige ruimten toelaat. Ook zijn woonwagens en drijvende woonfuncties geen trillinggevoelige gebouwen. Een trillinggevoelige ruimte is een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de functies die in sub a t/m d zijn beschreven. Aanvaardbaarheid Het Bkl bepaalt dat in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Het omgevingsplan dient er daarnaast in te voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn.

Van deze aanvaardbaarheid is sprake wanneer in het omgevingsplan toepassing is gegeven aan de waarden zoals benoemd in artikel 5.87, eerste en tweede lid, artikel 5.87, vierde lid, artikel 5.88 of 5.89 Bkl. Of aan deze waarden kan worden voldaan, dient te blijken uit een onderzoek naar trillingshinder. Beoordeling trillingshinder De meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) vormt de basis voor het bepalen van trillingen. De SBR-richtlijn heet voluit: Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006'. Deze richtlijn is ook het uitgangspunt voor de Beleidsregel trillinghinder spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Het beoordelingskader voor trillinghinder door activiteiten is overgenomen uit deze richtlijn. Dit beoordelingskader staat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 59

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als een trillinggevoelig gebouw en/of een trillinggevoelige ruimte als bedoeld in het Bkl, omdat de ontwikkeling van een gebouw met een woonfunctie is beoogd. Binnen 100 meter van de projectlocatie is een tramspoor aanwezig, dat mogelijk trillingshinder veroorzaakt. Een onderzoek is daarom noodzakelijk zodat hier bij de verdere planvorming voldoende rekening mee kan worden gehouden. Het onderzoek is al in gang gezet en de resultaten zullen worden betrokken bij de vergunningaanvraag voor de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit. Conclusie In het kader van trillingen is sprake van ETFAL.

WATERBELANG Algemeen Op grond van de Omgevingswet is het wegen van het waterbelang noodzakelijk bij het vaststellen van het omgevingsplan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl). De regeling voor weging van het waterbelang is geformuleerd als instructieregel. De betekenis van deze instructieregel moet gezien worden in het licht van de belangenafweging die plaatsvindt in het omgevingsplan. Art. 5.37 lid 1 verplicht de gemeente bij die belangenafweging om in het omgevingsplan met de relevante waterbelangen rekening te houden en daarbij de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken. Daarnaast is de weging ook noodzakelijk bij bijvoorbeeld een buitenplanse omgevingsactiviteit (paragraaf 8.1.1.2 Bkl). De waterbeheerder brengt het waterbelang bij de totstandkoming van een ruimtelijk plan onder de aandacht van het bestuursorgaan dat bevoegd is het betreffende ruimtelijk plan vast te stellen. Daarbij vormt de toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan het kader. De waterbelangen zien met name op het voorkomen en beperken van overstromingen (waterveiligheid), wateroverlast en droogte (waterkwantiteit). Verder strekt de weging van het waterbelang zich uit over het belang van een goede waterkwaliteit.

Ook de vervulling van op grond van de wet aan watersystemen toegekende maatschappelijke functies, zoals scheepvaart of zwemwater, is een van deze waterbelangen. Door ontwikkelingen als klimaatverandering, met meer extreem natte en droge periodes, en bodemdaling wegen waterbelangen steeds nadrukkelijker mee bij ruimtelijke beslissingen. Het is aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan om in het betreffende ruimtelijk plan rekening te houden met de waterbelangen. In zoverre zijn de opvattingen van de waterbeheerder dus niet doorslaggevend. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat via deze regeling de waterbelangen meer aan de voorkant van het planproces aan de orde komen (Stb. 2018, 292, p. 340). In de Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving geeft het Rijk aan welke vergunningplichten gelden voor verschillende wateractiviteiten. Zo stelt het Rijk een vergunningplicht voor onder andere een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteiten op zee en waterontrekkingsactiviteiten. Waterschappen kunnen ook een vergunningplicht hanteren in hun waterschapsverordening.

Beleid Kaderrichtlijn Water Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma is vastgesteld op 18 maart 2022. Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 worden de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen beschreven. In het Nationaal Water Programma zijn drie hoofdambities opgenomen: Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 60

• • •

Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

Een veilige en klimaatbestendige delta Vanwege het feit dat Nederland kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering, zijn maatregelen vereist die verdere klimaatverandering tegengaan. Daarnaast zijn stappen nodig om ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dit wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is een opgave die vele beleidsterreinen en sectoren raakt en daar dwars doorheen loopt. Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van het waterveiligheidsbeleid. Het Rijk bouwt voort op bestaande strategieën, zoals de overstromingsrisicobenadering en meerlaagsveiligheid. Uiterlijk in 2050 moeten de primaire waterkeringen aan de aangescherpte wettelijke normen voldoen. Ook wordt gewerkt aan het versterken van regionale keringen. Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta Een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Daarom moet Nederland in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Het Rijk werkt aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart.

Het Rijk wil de internationale concurrentiekracht van de mainports en van de Nederlandse maritieme sector op een duurzame manier versterken en daarom wordt gewerkt aan een vlot, veilig, robuust en duurzaam goederenvervoersystemen over water. Daarnaast richt Rijkswaterstaat op maatregelen voor het tegengaan van verzilting en het verkennen van mogelijke systeemingrepen voor een klimaatbestendige zoetwatervoorzieningen. Vervolgens werkt Rijkswaterstaat aan vlot, veilig, robuust en duurzaam verkeer van scheepvaart over water door de aanleg en het beheer en onderhoud van rijkswateren en vaarwegen. Hierbij wordt veel aandacht besteed aan het klimaatbestendig maken van het netwerk en aan de verduurzaming van aanleg, beheer en onderhoud. Met innovaties op het gebied van technologie, data en digitalisering wordt gewerkt aan veiliger, schoner en efficiënter vervoer over water. Ten slotte bezuinigt Rijkswaterstaat op het eigen energieverbruik en het zet in op klimaatneutraal werken. Door het onder voorwaarden laten gebruiken van het Rijkswaterstaat-areaal voor het opwekken van duurzame energie voor en door derden kan een bijdrage geleverd worden aan de energietransitie. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit.

In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet heef in 2021 het statiegeldsysteem uitgebreid naar kleine flesjes om de hoeveelheid plastic in het milieu te verminderen. Het Rijk neemt in de planperiode van dit NWP veel maatregelen voor een natuurlijkere inrichting van de grote wateren om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te bereiken. Deze maatregelen zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027. In de afgelopen periode zijn daarnaast extra middelen vrijgemaakt voor de Delta aanpak Waterkwaliteit, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). Al deze maatregelen betekenen een grote stap naar het halen van de doelen voor waterkwaliteit en natuur. In 2021 heef het Rijk de Beleidsnota Drinkwater 20212027 vastgesteld om schoon, gezond en genoeg (drink)water voor iedereen veilig te blijven

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 61

stellen. Het Programma Natuur en het Programma Versterken Biodiversiteit bevatten maatregelen om de waternatuur te versterken. De visie voor kringlooplandbouw draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van grond en oppervlaktewater. De aanpak van bodemdaling is ook voor het waterbeheer van groot belang. Het Programma Ontwikkeling Nationale Strategie (ONS) Landschap ondersteunt een landschapsinclusieve aanpak van de wateropgaven. Rijkswaterstaat richt zich in de planperiode van het NWP op het uitvoeren van de 3e tranche KRW-maatregelen, het opstellen en uitvoeren van Natura 2000beheerplannen en het verkennen en uitvoeren van de PAGW-maatregelen in de rijkswateren. Daarbovenop gaat extra aandacht uit naar opkomende en zeer zorgwekkende stoffen, zowel op het gebied van vergunningverlening als kennisontwikkeling. Voor het grondwatersysteem gaat Rijkswaterstaat samen met regionale waterbeheerders de effecten op het grondwater van de rijkswateren en eigen werkzaamheden daarin verkennen. Hierbij wordt ook gekeken of de rijkswateren een positieve bijdrage kunnen leveren aan de gewenste grondwatersituatie van het regionale grondwatersysteem. Dit mede ter bestrijding van gevolgen van wateroverlast en voornamelijk verdroging. Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 is vastgesteld op 1 december 2021.

Met dit programma laat de Provincie Zuid-Holland zien hoe ze, samen met haar partners, werkt aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. In het regionaal waterprogramma staat hoe de provincie uitwerking geeft aan de Europese richtlijnen over water en gaat ze in op onderwerpen zoals zoetwatervoorzieningen, wateroverlast, waterrecreatie en vaarwegen. Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgesteld. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan 2010-2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010-2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. Hoogheemraadschap Rijnland Waterbeheerprogramma 6 ‘Water wijst de weg’ 2022-2028 Het hoogheemraadschap Rijnland heeft in haar waterbeheerprogramma de aanpak en plannen voor goed waterbeheer ten behoeve van wonen, werken en genieten binnen haar beheersgebied vastgelegd.

Het programma gaat in op plichten vanuit Europese Richtlijnen ten aanzien van water, maar ook op extra onderdelen als klimaatadaptatie, de digitale transformatie en de waterketen. Daarnaast wordt de visie op samenwerking gegeven en ingegaan op de financiën van het waterschap. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Rijnland. Het hoogheemraadschap heeft vier leggers vastgesteld, namelijk de legger regionale waterkeringen, de legger primaire waterkeringen, de legger oppervlakte wateren en de legger ondersteunende kunstwerken. Uitsneden van deze leggerkaarten zijn hieronder toegevoegd. Daarnaast heeft het Hoogheemraadschap Rijnland op 1 mei 2025 de waterschapsverordening ‘de Rijnlandse Keur’ vastgelegd.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 62

Figuur 13. Legger regionale waterkeringen (bron: Hoogheemraadschap Rijnland, geraadpleegd op 10 juli 2025)

Figuur 14. Legger primaire waterkeringen (bron: Hoogheemraadschap Rijnland, geraadpleegd op 10 juli 2025)

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 63

Figuur 15. Legger kunstwerken vigerend (bron: Hoogheemraadschap Rijnland, geraadpleegd op 10 juli 2025)

Figuur 16. Legger kunstwerken vigerend (bron: Hoogheemraadschap Rijnland, geraadpleegd op 10 juli 2025)

Effect op waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden er geen uitloogbare materialen zoals lood, kopen en zink toegepast. Hierdoor is er geen sprake van een negatief effect op schoon hemelwater, de grondwaterkwaliteit op de projectlocatie wordt niet negatief beïnvloedt. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van gescheiden hemelwaterafvoer.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 64

Effect op waterkwantiteit Uit de leggerkaarten valt op de maken dat er geen oppervlakte wateren aanwezig zijn op de projectlocatie. In de huidige situatie is de projeclocatie geheel verhard. In de toekomstige situatie blijft de projectlocatie verhard. Er is geen sprake van een toename van verhard oppervlak. Hierdoor is er geen sprake van een vergunningenplicht. In het openbaar gebied wordt waar mogelijk minder verharding teruggebracht. Effect op beperkingengebieden De projectlocatie is niet gelegen in of nabij beschermingszones of beperkingengebieden van kunstwerken. Negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. Ook is er geen sprake van randvoorwaarden of belemmeringen. Conclusie In het kader van water is sprake van een ETFAL.

WINDHINDER Algemeen Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving, zoals bedoeld in artikel 2.1 Omgevingswet. Hiermee is windhinder ook een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. De gemeente heeft hier wel een ruime mate van beleidsvrijheid in, nu voor het aspect windhinder instructieregels van het Rijk ontbreken. Beoordelingskader NEN-norm voor windhinder De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: • gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is De NEN 8100 is vanuit de wet niet verplicht, maar wordt wel algemeen gebruikt om te beoordelen of de ontwikkeling in overeenstemming is met een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (voorheen: een goede ruimtelijke ordening).

Borging windhinder in het omgevingsplan In het omgevingsplan kan de gemeente regels opstellen over de wijze waarop windhinder in de planvorming betrokken dient te worden. Dit kan bijvoorbeeld door het opnemen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan, door het opnemen van maatregelen in het omgevingsplan (wanneer de maatregelen voor het beperken van windhinder reeds bekend zijn) of door het vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan. In onderstaand kader is een voorbeeld van een omgevingsvergunningplicht opgenomen. Voorbeeld omgevingsvergunningplicht De gemeente neemt een vergunningplicht op voor bebouwing hoger dan 30 meter. Hieraan koppelt de gemeente een beoordelingsregel. De beoordelingsregel stelt als voorwaarde dat de initiatiefnemer aantoont dat er een aanvaardbaar windklimaat ontstaat. Eventueel kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat de initiatiefnemer dit aantoont met een windonderzoek dat voldoet aan de NEN norm 8100 voor windhinder en windgevaar.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 65

Relatie tot ontwikkeling In het omgevingsplan van de gemeente Zoetermeer zijn er vooralsnog geen regels opgenomen over het uitvoeren van een windhinderonderzoek. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in bebouwing van circa 30 meter hoogte. Het betreft hier een gebouw dat deels afgeschermd wordt door omliggende gebouwen. Een verslechtering van een windhinderonderzoek is daarmee niet aannemelijk. Omdat er geen regels in het omgevingsplan zijn opgenomen en een verslechtering niet aan de orde lijkt, is er geen windhinderonderzoek uitgevoerd. Randvoorwaarden of belemmeringen zijn niet aan de orde. Conclusie In het kader van windhinder is sprake van een ETFAL.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 66

6

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie Ten behoeve van het plan ‘Hart voor Meerzicht’ is er tweemaal geparticipeerd. Eerste participatie moment heeft er op 11 februari 2025 een eerste participatieavond plaatsgevonden. Er is een verslag opgesteld, welke als bijlage 12 aan deze GOFLO is toegevoegd. Hieronder volgt een korte samenvatting van deze participatiebijeenkomst. De bijeenkomst werd georganiseerd door de initiatiefnemer in samenspraak met de gemeente. Onderwerp van de participatieavond was de geplande verbouwing van het winkelcentrum Meerzicht, en het eerste project dat van start gaat. Dit project betreft de voorliggende ontwikkeling en dus de sloop van een leegstaand deel en de bouw van een appartementencomplex met 86 appartementen dat in de plint ruimte biedt aan voorzieningen, waaronder horeca met terras. In het plenaire deel is er ingegaan op de behoefte aan een kwaliteitsverbetering van het winkelcentrum en de toevoeging van woningen in de wijk. Daarna zijn de plannen voor de voorliggende ontwikkeling verder toegelicht door de initiatiefnemer. Na het plenaire deel is er door middel van de informatiemarkt aan verschillende tafels input van omwonenden en andere stakeholders opgehaald. Het algemene sentiment is dat bewoners blij zijn dat Meerzicht een opknapbeurt krijgt.

Er is dan ook steun voor het versterken van het winkelcentrum en de komst van nieuwe woningen, maar ook voor de vestiging van nieuwe horeca. Er is echter ook veel input opgehaald over specifieke onderwerpen, waaronder: • Het winkelcentrum: de beoogde discounter wordt als waardevolle aanvulling beschouwd, wel is er onduidelijkheid over routing en entrees. Ook zijn er wensen geuit over de uitstraling, toegankelijkheid en het type winkels. • Parkeren: Er zijn zorgen over de parkeerdruk en onveiligheid. Daarnaast zijn er vragen over herinrichting en normering. • Fietsers en voetgangers: er moet veel aandacht zijn voor meer en veiligere fietsparkeerplekken, eventueel bewaakt. Ook is er de wens voor meer ruimte voor voetgangers. • Laden en lossen: verplaatsen van laden/lossen bij jumbo is positief, er zijn zorgen over ruimte, geluidsoverlast en verkeersveiligheid. • Horeca en woningen: enthousiasme over daghoreca met terras, verzoek om voorrang voor buurtbewoners bij toewijzing van de appartementen.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 67

• •

Bouwfase: overlast tijdens de sloop/bouw en de wens voor goede communicatie en afstemming met VVE’s. De openbare ruimte: er is een wens voor vergroening en een waterpartij. Ook een speelplek voor kinderen en jongeren is gewenst. Er is veel input voor het gebruik van de openbare ruimte voor zowel autoparkeren als fietsparkeren. Er zijn zorgen geuit over overlast door dieren, de rommelige openbare ruimte als mede een onveilig gevoel. Ook is er een wens voor meer verlichting en onderhoud. De gemeente is beheerder van de openbare ruimte, daarom is dit met name input voor de rol van de gemeente en de verdere versterking van Meerzicht.

Tweede participatie moment Op woensdagavond 16 juli 2025 vond in het voormalige Blokker-pand in winkelcentrum Meerzicht de tweede informatiebijeenkomst plaats over de herontwikkeling van het kantoorpand aan de Herenwaard (initiatief van Woonhave) en de verbouwing van het winkelcentrum Meerzicht (initiatief van Portico). Meer dan 60 buurtbewoners en geïnteresseerden werden verwelkomd door Creating Living Spaces (CLS), Woonhave en Portico. Tijdens een plenaire presentatie werden het definitieve ontwerp, de aansluiting op de openbare ruimte, de planning en de bouwactiviteiten besproken. Ook de verbouwingsplannen voor het winkelcentrum werden toegelicht. Een verslag van deze avond is als bijlage 13 aan deze goflo toegevoegd. Na de presentatie konden bezoekers plenair vragen stellen en werd het gesprek voortgezet op de informatiemarkt. De belangrijkste onderwerpen die uit deze gesprekken naar voren kwamen, zijn enthousiasme over de plannen, vragen over de invulling en zorgen over de impact op de buurt. Belangrijke thema’s waren de herontwikkeling van het kantoorpand, de verbouwing van het winkelcentrum, en aandachtspunten voor de openbare ruimte die door de gemeente verder uitgewerkt worden. Belangrijkste aandachtspunten: • De gepresenteerde ontwerpen en plannen wekten veel enthousiasme.

Vooral de toevoeging van horeca en een terras wordt gezien als een waardevolle impuls voor het gebied. • Bewoners waarderen de komst van een lunchroom en een discounter-supermarkt. Er zijn vragen over de exacte invulling en openingstijden. De compacte woningen worden als aantrekkelijk gezien voor zowel jongeren als ouderen, met interesse in voorrang voor wijkbewoners en eventueel een zorgteam bij ouderenwoningen. • De noodzaak voor vernieuwing van het winkelcentrum wordt breed gedeeld. Bewoners willen dat het centrum toegankelijk blijft tijdens de verbouwing. Er is aandacht voor overlast van jongeren en fietsers, en de wens dat een pinautomaat behouden blijft. • De reorganisatie van laden en lossen wordt als positief ervaren, maar er zijn zorgen over de uitwerking, veiligheid en geluidsoverlast. Dit onderwerp wordt verder afgestemd met gemeentelijke plannen en winkeliers. • De inrichting van de openbare ruimte is een belangrijk aandachtspunt waar de gemeente mee aan de slag gaat. Bewoners vragen om meer zitplekken, een prettigere inrichting onder de Randstadrail, en prullenbakken met deksel om overlast te beperken. • Er zijn zorgen over parkeerdruk door het nieuwe programma. CLS geeft aan dat er sprake is van overcapaciteit en dat hier onderzoek naar is gedaan.

Het onderwerp krijgt extra aandacht tijdens een gemeentelijke bijeenkomst na de zomer, met speciale zorg voor mindervalide bezoekers. • Er zijn vragen over de haalbaarheid van de planning in verband met mogelijke bezwaarprocedures. CLS heeft aangegeven dat alle benodigde onderzoeken zijn uitgevoerd en dat vertraging mogelijk is bij bezwaren. Na vergunningverlening neemt de aannemer de communicatie over, met aandacht voor bouwplanning, heien, nulmetingen en alternatieve looproutes voor kinderen. Er is geconstateerd dat niet alle buurtbewoners een uitnodiging hebben ontvangen. Voor toekomstige bijeenkomsten wordt gezorgd dat deze groep beter geïnformeerd wordt. De bijeenkomst bevestigt de grote betrokkenheid van de buurt en het belang van goede communicatie en afstemming met alle betrokkenen tijdens het vervolg van de herontwikkeling en verbouwing.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 68

Planologische procedure De Algemene wet bestuursrecht kent twee voorbereidingsprocedures: de korte voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Voor deze buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de korte voorbereidingsprocedure doorlopen. Bij een besluit op aanvraag geeft het bevoegd gezag kennis van dat besluit, tegelijkertijd met of zo spoedig mogelijk na de bekendmaking. Dan volgt voor eenieder de mogelijkheid om eventuele bezwaren tegen het besluit bekend te maken. Een bezwaarmaker moet het bezwaar binnen 6 weken indienen bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. Met bovenstaande procedures wordt de maatschappelijke betrokkenheid afdoende gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 69

7

CONCLUSIE ETFAL De initiatiefnemer heeft als doel het kantoorpand te slopen, waarna een appartementencomplex wordt teruggebouwd. Het appartementencomplex biedt ruimte aan 86 woningen verdeeld over acht lagen. Daarnaast wordt er een daktuin beoogd en inspanning geleverd om 21 parkeerplaatsen voor bewoners te realiseren. Het geldende omgevingsplan staat de beoogde ontwikkeling niet toe. Voor deze ontwikkeling dient dan ook een planologische procedure te worden doorlopen. De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van een omgevingsvergunning voor de ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (BOPA). In dit kader is voorliggende ‘goede onderbouwing van (de effecten op) de fysieke leefomgeving’ (GOFLO) opgesteld. Middels voorliggende GOFLO is het project gemotiveerd aan relevante beleidskaders en omgevingsaspecten. De uitvoerbaarheid van het initiatief is getoetst aan de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de bijbehorende regelgeving. Hieruit blijkt dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) is gewaarborgd.

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 70

– Berekening winkelruimte

Mees Ruimte & Milieu | 25157.GOFLO

Pagina | 71

Project Onderdeel Onderwerp Datum

Hart van Meeerzicht Renovatie winkelcentrum m2 nieuwe toestand 22-9-2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=edb298a7-4930-497c-8af3-ebdab0f846cf