Bijlage 2 - Achtergrondrapportage Transitievisie warmte Zoetermeer 2021
Tekst van het document
De energiekosten zijn gelijkwaardig aan een MT-net.
________________________________ 11
Ook wanneer de isolatieambities van 50 kWh/m²/jaar en 75 kWh/m²/jaar niet bereikt zouden worden is MT-net het goedkoopste gasvrije alternatief.
31
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Verdieping: eindgebruikerskosten voor specifieke woningtypen Hieronder worden voor een aantal veelvoorkomende woningtypen in Zoetermeer de eindgebruikerskosten weergegeven voor verschillende warmtestrategieën.
De grafieken en conclusies in dit hoofdstuk zijn specifiek weergegeven voor eigenaar-bewoners: de koopsector. De eindgebruikerskosten zijn ook berekend voor de huursector: particuliere en sociale huurders/verhuurders. De kosten om woningen te verduurzamen in de huursector verschillen weinig van de koopsector, enkel op vlak van subsidies is er een beperkt onderscheid. Ook verschilt het per verhuurder hoe hij/zij deze kosten doorberekend aan de huurder. Om deze reden gaan wij in deze achtergrondrapportage niet verder in op de eindgebruikerskosten voor de huursector. Verdere informatie over de verdeling van lasten tussen huurder en verhuurder is beschikbaar in het Dashboard Eindgebruikerskosten.
32
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Figuur 18 - Meerkosten eigenaar-bewoner met een gemiddeld verbruik en een lening bij het duurzaam warmtefonds 2020
Meerkosten t.o.v. verwarmen met aardgasketel
Meerkosten t.o.v. verwarmen met aardgasketel
500
200 150
500
100
50 0
0 s1a s1b s2a s2b s2d s2e s3a s3b s3d s3e s3f s3h s4a s4b s4c s4d
Strategie Startanalyse
Strategie Startanalyse Rijwoning label B
Meerkosten t.o.v. verwarmen met aardgasketel
Meerkosten t.o.v. verwarmen met aardgasketel
400 300
1000 800
MT-net
500
1200
MT-net
600
1400
€/jaar
700
MT-net
800
MT-net
900
Gasopties
Meergezinswoning label B
600
Gasopties
s1a s1b s2a s2b s2d s2e s3a s3b s3d s3e s3f s3h s4a s4b s4c s4d
1000
€/jaar
300 200
100
400
200
200
100
0
0 s1a s1b s2a s2b s2d s2e s3a s3b s3d s3e s3f s3h s4a s4b s4c s4d
s1a s1b s2a s2b s2d s2e s3a s3b s3d s3e s3f s3h s4a s4b s4c s4d
Strategie Startanalyse
Strategie Startanalyse
Meergezinswoning label D
33
400
Warmtepomp
250
600
€/jaar
300
Gasopties
€/jaar
350
Warmtepomp
400
Gasopties
700
450
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Rijwoning label D
Richting 2030 verwacht TNO dat de eindgebruikerskosten wijzigen ten gevolge van veranderende energietarieven en verwachtte kostendalingen op investeringen. — Door een stijging van de gasprijs wordt warmtevoorziening met elektriciteit relatief goedkoper. De tarieven voor warmtelevering zijn gekoppeld aan de gasprijs en stijgen even sterk. Het Dashboard neemt aan dat de koppeling tussen gas en warmte tot 2030 blijft gelden. Echter is de verwachting dat met de invoering van Warmtewet 2.0 de koppeling tussen gasprijs en warmteprijs ophoudt. — Door kostendalingen verwacht TNO dat investeringen zoals het isoleren van een woning en het installeren van een warmtepomp 5 tot 20% goedkoper worden. Op basis van de voorgaande aannames blijkt uit de resultaten dat, wanneer deze verwachtingen worden gerealiseerd, het omschakelen naar verwarmen met een warmtepomp voor de eindgebruikers in 2030 de voordeligste gasvrije verduurzamingsstrategie is voor alle woningtypen in 2030, zie Figuur 19. Voor goedgeïsoleerde woningen (energielabel A of B ~ isolatieniveau van 50 kWh/m²/jaar) zijn de eindgebruikerskosten met een warmtepomp zelfs lager dan de referentie met aardgasketel. De gemeente Zoetermeer streeft er naar haar woningen te isoleren tot een isolatieniveau van 50-75 kWh/m²/jaar. Eengezinswoningen die voldoen aan de ambitie van 50 kWh/m2/jaar kunnen dus voordelig verwarmen met een warmtepomp.
De kosten van het isoleren van woningen naar dit isolatieniveau is door Endule voor Zoetermeer nader in beeld gebracht. Zie hiervoor de volgende paragraaf.
34
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Figuur 19 - Meerkosten eigenaar-bewoner met een gemiddeld verbruik en een lening bij het duurzaam warmtefonds 2030
Meerkosten t.o.v. verwarmen met aardgasketel
400
500
300
0
0
s1a s1b s2a s2b s2d s2e s3a s3b s3d s3e s3f s3h s4a s4b s4c s4d
-100
-200
-300
Meergezinswoning label B
Rijwoning label B
Meerkosten t.o.v. verwarmen met aardgasketel
Meerkosten t.o.v. verwarmen met aardgasketel
300
1000
800
200
600
MT-net
Gasopties
MT-net
MT-net
1200
€/jaar
€/jaar
400
Warmtepomp
800
500
Strategie Startanalyse
Gasopties
Strategie Startanalyse
900
600
s1a s1b s2a s2b s2d s2e s3a s3b s3d s3e s3f s3h s4a s4b s4c s4d
-200
-300
700
100
MT-net
-100
200
Warmtepomp
100
400
€/jaar
€/jaar
200
Gasopties
300
Gasopties
600
Warmtepomp
500
Warmtepomp
Meerkosten t.o.v. verwarmen met aardgasketel
400 200
100 0
0
-100
s1a s1b s2a s2b s2d s2e s3a s3b s3d s3e s3f s3h s4a s4b s4c s4d Strategie Startanalyse Meergezinswoning label D
35
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
s1a s1b s2a s2b s2d s2e s3a s3b s3d s3e s3f s3h s4a s4b s4c s4d
-200
Strategie Startanalyse Rijwoning label D
4.4
Kosten warmtetransitie Zoetermeer In de zomer van 2021 heeft Endule de notitie ‘Kosten aardgasvrij Zoetermeer EigenaarBewoner’ opgesteld (Endule, 2021). Deze notitie is bedoeld om inzicht te geven in de te verwachtte kosten om woningen energiezuiniger te maken en op termijn van het aardgas af te sluiten. Het gaat hierbij om het toepassen van isolatie en ventilatie in de woning. Daar waar de eindgebruikerskosten (Paragraaf 4.3) generiek hebben gekeken naar kosten, is in deze notitie specifieker gekeken naar de kosten voor het nemen van maatregelen in een specifiek woningtype in Zoetermeer. Zo wordt bijvoorbeeld ook aandacht gegeven aan het bouwjaar en de bouwkwaliteit van woningen van die leeftijd. Bouwverordeningen en bouwbesluiten hebben door de jaren heen de bouwkwaliteit van woningen sterk verbeterd. Om de kosten te bepalen is een maatregelpakket per bouwdeel opgesteld voor een gemiddelde jaren ‘70 woning in Zoetermeer met als startpunt de bouwkwaliteit zoals de woning werd opgeleverd. Daarna zijn verschillende ‘verzachtende’ omstandigheden benoemd die het uiteindelijke kostenniveau kunnen beïnvloeden en waar mogelijk verlagen. Deels afhankelijk van leeftijd van de woning, zoals verwachte kwaliteitsverbetering gedurende de levenscyclus van de woning en afhankelijk van het type woning. Maar ook het slim combineren met gepland (groot)onderhoud.
Op basis van deze aspecten is uiteindelijk een inschatting gemaakt welk gemiddeld kostenniveau te verwachten valt. Het maatregelpakket heeft als doel de woning geschikt te maken voor een verwarmingstemperatuur van 50 °C. Dat wordt bereikt door de energievraag van de woningen te beperkten tot 50–75 kWh_th/m2/jaar. Hiermee is de woning geschikt voor alle duurzame warmtetechnieken. Naar verwachting liggen de gemiddelde kosten per woning ergens tussen de € 2.000 en € 35.200 met een gemiddelde van € 20.180 voor isoleren en ventileren van de woning. De laatste stap naar aardgasvrij is in deze kostenindicatie niet opgenomen. Die is afhankelijk van het uiteindelijke alternatief, bijvoorbeeld een warmtepomp of een warmtenetaansluiting. Uitgangspunt is dat op natuurlijke momenten een investering wordt gedaan in samenhang met de reguliere onderhoudsmomenten om de verschillende bouwdelen op het gewenste niveau te krijgen. In individuele gevallen is het goed mogelijk dat er een forse afwijking is op de kosten voor maatregelen. Een gewogen gemiddelde afwijking van plus of min 17% wordt ingeschat op basis van afwijkingen op bouwdeelniveau. Voor Zoetermeer geldt dat voor alle wijken het natuurlijk moment voor groot onderhoud er in de komende 10 à 15 jaar aankomt, met uitzondering van de wijk Oosterheem en verdere nieuwbouw van na 2000 (Tabel 6).
36
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Tabel 6 – Verwachte start groot onderhoud in de wijken in Zoetermeer Wijk
Bouwjaar
Start groot onderhoud > 50 jaar
Palenstein
1965
2015
Driemanspolder
1966
2016
Meerzicht
1969
2019
Buytenwegh de Leyens
1974
2024
Seghwaert
1976
2026
Noordhove
1985
2035
Stadscentrum
1981
2031
Rokkeveen
1987
2037
Oosterheem
2000
2050
Door het slim combineren van onderhoud en verduurzamen en te kiezen voor materialen die een lagere totale gebruikskosten kennen en een betere prestatie leveren zijn hier voordelen te behalen. Het lijkt dan logisch om nu alle gepland onderhoud in het licht van het doel aardgasvrij 2040 te plaatsen, anders zal er voor 2050 toch een extra investering moeten worden gedaan om woningen extra te isoleren. Dit vraagt om goede communicatie richting de Zoetermeerse woningeigenaren.
4.5
Energiearmoede
4.5.1 Wat is energiearmoede? We spreken van energiearmoede wanneer een huishouden onvoldoende toegang heeft tot energievoorzieningen (verwarming, koeling, verlichting en energie voor apparaten) in huis. Voldoende toegang tot deze energievoorzieningen is nodig om de gezondheid en kwaliteit van leven van bewoners te kunnen garanderen (EPOV, 2021). In verschillende Europese landen, met name in het Verenigd Koninkrijk, staat het onderwerp energiearmoede al jaren op de kaart. Ook de EU beschouwt energiearmoede als urgent probleem. In Nederland is lange tijd weinig aandacht geweest voor het onderwerp. Er is dan ook (nog) geen nationale definitie van de term energiearmoede (RVO, 2020). Volgens de EU Energy Poverty Observatory (EPOV, 2021) wordt energiearmoede veroorzaakt door een combinatie van vier factoren: — laag inkomen; — lage energetische kwaliteit van de woning (laag energielabel)/niet-energiezuinige apparaten; — hoge energierekening; — specifieke energiebehoeften van een huishouden. Energiearmoede wordt geassocieerd met verschillende gezondheidseffecten. Deze hebben vaak te maken met de kwaliteit van woningen. In de ‘Housing and health guidelines’ van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO, 2018) staat dat lage binnentemperaturen kunnen leiden tot luchtweg-, hart- en vaataandoeningen.
Lage binnentemperaturen ontstaan bijvoorbeeld als gevolg van slechte isolatie of door onderconsumptie van energie wanneer huishoudens willen besparen op de energierekening. Overigens hebben niet alleen lage,
37
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
maar ook hoge binnentemperaturen negatieven gevolgen voor de gezondheid (WGO, 2018; Platform31 & Pharos/GezondIn, 2020).12
4.5.2 Meten van energiearmoede Energiearmoede is niet enkel een betaalbaarheidsprobleem dat wordt veroorzaakt door een hoge energierekening en laag inkomen. Ook huishoudens die (om financiële) redenen hun energieverbruik terugschroeven tot onder hun basisbehoefte, hebben te maken met energiearmoede. Deze huishoudens hebben weliswaar geen problemen met het betalen van de energierekening, maar wonen wel in een koud en oncomfortabel huis. Dit kan negatieve gezondheidseffecten tot gevolg hebben. Omdat energiearmoede een multidimensionaal probleem is, kan het niet met één indicator worden aangetoond (EPOV, 2021; Europese Commissie, 2020). Onlangs is energiearmoede in kaart gebracht voor de buurten in Zuid-Holland (CBS, 2021) aan de hand van drie indicatoren: — Hoge energiequote: huishoudens die meer dan 8% van het inkomen aan de energierekening besteden. — Sociaal minimum en hoge energierekening: huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum en een energierekening die hoort bij de hoogste 50% van Nederland. — Sociaal minimum en ongunstig energielabel: huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum en energielabel D of slechter. Tabel 7 laat zien hoe de verschillende buurten in Zoetermeer scoren op deze drie indicatoren.
Vergeleken met de andere buurten in Zoetermeer, hebben huishoudens in de buurten Meerzicht-Oost, Palenstein en Buytenwegh vaker een hoge energiequote (respectievelijk 11%, 10% en 9% van de huishoudens in deze buurten heeft een hoge energiequote). In de buurten Buytenwegh, Meerzicht-Oost en Palenstein hebben huishoudens vaker een laag inkomen in combinatie met een hoge energierekening (5-7% van de huishoudens in de buurt heeft een laag inkomen en een hoge energierekening). Tot slot blijkt dat ongeveer een kwart tot een vijfde van de huishoudens in Palenstein en Meerzicht-Oost zowel een laag inkomen als een ongunstig energielabel heeft. In het kort lijkt energiearmoede volgens deze indicatoren dus vooral voor te komen in de buurten Palenstein, Meerzicht-Oost en Buytenwegh. Het percentage corporatiebezit in de buurten Palenstein (75%), Buytenwegh (55%) en Meerzicht-Oost (55%) is hoog in vergelijking met de meeste andere Zoetermeerse buurten. Corporaties kunnen dus een belangrijke rol spelen bij het voorkomen en terugdringen van energiearmoede (zie Paragraaf 4.5.4).
________________________________ 12
Langdurige blootstelling aan hoge temperaturen kan leiden tot uitdroging en oververhitting en klachten als vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn, oftewel hittestress. Groepen met een verhoogd gezondheidsrisico zijn thuiswonende 75-plussers, mensen met een chronische aandoening zoals hart- of ademhalingsproblemen en (zeer) jonge kinderen (Platform31 & Pharos/GezondIn, 2020). Het RIVM (2019) stelt dat in 17% van de woningen in Nederland in de zomer een te hoge temperatuur heerst.
38
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Tabel 7 – Energiearmoede-indicatoren voor de buurten van Zoetermeer (CBS, 2021) Aantal woningen
Indicatoren voor energiearmoede Aandeel woningen met gegevens voor 1 en 2
1. Hoge 2. energieSociaal quote minimum (130%) en hoge energierekening
Aandeel woningen met gegevens voor 3
Aantal
Soort eigendom woning
3. Sociaal minimum (130%) en ongunstig label
Koopwoning
Corporatie -woning
Overige verhuur of onbekend
%
Buurtnaam Balijbos
10
90
.
.
100
.
90
0
10
BuitengebiedWest
50
50
.
.
73
.
69
0
31
Meerpolder
30
23
.
.
90
.
93
0
7
Scheidingszone
10
.
.
.
.
.
.
.
.
Van Tuyllpark
5
.
.
.
.
.
.
.
.
Westerpark c.a.
25
58
.
.
79
.
79
0
21
Buytenwegh
4.730
88
9
7
94
5
39
55
6
De Leyens
4.320
82
2
1
92
4
62
18
20
Dorp
2.545
83
7
4
91
8
65
22
12
Driemanspolder
3.415
76
7
2
92
12
50
22
28
Palenstein
2.880
76
10
5
87
24
24
75
2
Stadscentrum
2 .615
83
3
1
92
4
19
41
40
Hoornerhage c.a.
60
86
.
.
95
.
92
0
8
Lansinghage c.a.
40
26
.
.
79
.
71
0
29
Rokkehage c.a.
55
79
.
.
95
.
61
26
12
Zoeterhage c.a.
15
47
.
.
76
.
76
0
24
Meerzicht-Oost
3.105
74
11
7
94
21
39
55
6
Meerzicht-West
4.140
71
7
4
94
13
48
47
6
Noordhove-Oost
2.100
92
3
2
96
1
71
18
11
Noordhove-West
1.405
93
4
3
95
0
56
43
1
OosterheemNoord-Oost
6.020
43
3
2
94
0
59
36
6
OosterheemZuid-West
2.385
70
2
2
93
0
73
25
1
Rokkeveen-Oost
5.125
94
2
1
96
0
71
20
9
Rokkeveen-West
3.435
94
2
1
96
0
63
29
9
SeghwaertNoord-Oost
3.875
91
5
3
94
4
58
33
8
SeghwaertZuid-West
3.550
82
4
2
90
5
56
35
8
De DEGO13-viewer (https://tvw.commondatafactory.nl/) laat op kaart zien hoe de verschillende buurten in Zoetermeer scoren op de eerste twee indicatoren.
________________________________ 13
39
DEGO staat voor Datavoorziening Energietransitie Gebouwde Omgeving.
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
4.5.3 Aandacht voor energiearmoede belangrijke voorwaarde voor haalbaarheid warmtetransitie Enerzijds zijn er zorgen dat de warmtetransitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving energiearmoede in Nederland kan vergroten. Met name huishoudens die een relatief groot aandeel van hun inkomen aan de energierekening besteden, of die niet de mogelijkheid hebben om te investeren in isolatie en aardgasvrije warmtetechnieken 14, zijn gevoelig voor stijgingen in de energieprijs en daarmee vatbaar voor energiearmoede. Anderzijds kan energiearmoede ook een bedreiging zijn voor het slagen van de energietransitie. In het Klimaatakkoord staat namelijk dat de duurzame transformatie van de gebouwde omgeving enkel slaagt als “iedereen mee kan doen. Daarvoor moet ze ook voor iedereen betaalbaar zijn” (Rijksoverheid, 2019, p. 15). Onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau laat zien dat mensen die aangeven zeer moeilijk rond te komen gemiddeld minder positief zijn over het aardgasvrij-beleid, en dat de verwachte impact op de kosten voor levensonderhoud negatief samenhangt met steun voor het aardgasvrij-beleid (SCP, 2020). Tot slot is sociaal rechtvaardig klimaatbeleid essentieel om draagvlak voor de energietransitie te versterken.
Kortom: de aanwezigheid van energiearmoede komt het draagvlak voor de warmtetransitie waarschijnlijk niet ten goede, wat vertraging in de transitie op kan leveren.
4.5.4 Energiearmoede bij huur- en koopwoningen In Paragraaf 4.5.2 beschreven we dat energiearmoede in Zoetermeer met name lijkt voor te komen in buurten met een hoog aandeel corporatiewoningen. Eén van de manieren waarop woningcorporaties energiearmoede kunnen aanpakken, is door de woningen van huishoudens die te maken hebben met energiearmoede met voorrang te renoveren. Een aandachtspunt hierbij is dat een eventuele huurverhoging of energieprestatievergoeding (EPV) ruimschoots wordt gecompenseerd door de verlaging van de energielasten, zodat betaalbaarheid van huurders kan worden gegarandeerd. Aedes en de Woonbond hebben een vergoedingentabel opgesteld voor het bepalen van een faire huurverhoging voor huurders bij duurzaamheidsinvesteringen. 15 Een van de andere mogelijkheden is het inzetten van energiecoaches.
Betaalbaarheid van verduurzaming in de sociale huursector in Zoetermeer: de energieprestatiegarantie De gemeente Zoetermeer zet zich in om de energietransitie te benutten om energiearmoede tegen te gaan. Zo werkt de gemeente samen met onder andere De Goede Woning in een landelijk samenwerkingsverband (Stroomversnelling) aan de toepassing van innovatieve aardgasvrije concepten met een energieprestatiegarantie. De energieprestatie wordt in deze woningen nauwkeurig gemonitord en wanneer niet aan de garantie wordt voldaan, kunnen huurders met behulp van de huurcommissie de energieprestatievergoeding terugvragen. Bovendien zijn in dit project de energiekosten niet meer aan de aardgasprijs gekoppeld maar aan het inflatieniveau. Met name met de verwachte forse stijging van de gasprijs, levert dit voordeel op voor de huurders. In Zoetermeer zijn er momenteel al enkele honderden woningen gerenoveerd met een dergelijke prestatiegarantie.
________________________________ 14
Huishoudens kunnen om verschillende redenen niet de mogelijkheid om te investeren in verduurzaming,
bijvoorbeeld doordat zij niet beschikken over de financiële middelen. Ook huurder kunnen niet zelf investeren in het verduurzamen van hun woning. Verhuurders zijn hier namelijk voor verantwoordelijk. 15 https://www.aedes.nl/artikelen/klant-en-wonen/huurbeleid/huurprijsbeleid/verbeterdevergoedingentabel.html
40
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Energiearmoede komt echter niet alleen voor in de sociale huursector. Bij het terugdringen van energiearmoede is het ook belangrijk te richten op de particuliere huursector. Verhuurders zijn namelijk verantwoordelijk voor het uitvoeren van renovaties, maar hebben geen prikkel om te investeren in het verbeteren van de huurwoning, behalve als dit betekent dat zij een hogere huurprijs kunnen vragen (Maxim, et al., 2016). Dit noemen we de split incentive16. Ook particuliere huurders hebben echter afspraken gemaakt in het kader van het Klimaatakkoord om hun woningen te verduurzamen. De gemeente kan dit echter niet afdwingen, maar wel het goede gesprek met deze partijen aangaan. Tot slot komt energiearmoede ook voor bij huishoudens met een eigen koopwoning. Eigenaar-bewoners moeten namelijk zelf investeren in verduurzamingsmaatregelen. Woningeigenaren beschikken echter niet altijd over de financiële middelen of motivatie om zulke investeringen te doen. Onderzoek door Nibud (2020) in opdracht van Vereniging Eigen Huis laat bijvoorbeeld zien dat minstens twee miljoen huishoudens onvoldoende financiële middelen hebben om de verduurzaming van hun huis te kunnen betalen en hiervoor dus geld moeten lenen. De gemeente kan zulke huishoudens op verschillende manieren ondersteunen, zodat zij toch mee kunnen komen in de energietransitie.
Voorbeelden zijn: informatievoorziening, ontzorging of het beschikbaar stellen van leningen zonder dat kredietwaardigheid noodzakelijk is. Woningeigenaren met een te hoge hypotheekschuld en/of onvoldoende inkomen komen namelijk vaak niet in aanmerking voor financieringsconstructies.
________________________________ 16
Dit houdt in dat de verhuurder de investering voor de verduurzaming betaalt en de huurder profiteert van een lagere energierekening.
41
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
5 Bestaande energietransitieplannen in wijken Zoetermeer In Zoetermeer zijn er plannen om de wijken Meerzicht, Driemanspolder en Palenstein van het aardgas af te halen. In Palenstein is een plan van aanpak opgesteld samen met de corporaties, de gemeente en de inwoners. Het doel is om voor 2025 ca. 1.100 hoogbouwwoningen en 2 gemeentelijke complexen (Cluster 1 op de kaart) aan te sluiten op een collectief WKO-net. De gebouweigenaren zijn gestart met de aanbesteding. Deze woningen zijn onderdeel van de landelijke Proeftuinregeling aardgasvrije wijken. Daarnaast wordt ook gekeken of 344 particuliere eengezinswoningen zonder aanvullende ondersteuning van het aardgas af kunnen gaan (Gemeente Zoetermeer, 2018b). Figuur 20 - Clusters Palenstein
Bron: (Gemeente Zoetermeer, 2018a).
42
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Voor de wijken Meerzicht en Driemanspolder is een energietransitieplan opgesteld voor het vastgoed van gemeente en woningcorporaties (Gemeente Zoetermeer, 2019). Hierin staat wanneer en hoe corporatiewoningen en gemeentegebouwen van het aardgas gaan. He einddoel waar partijen gezamenlijk naartoe werken is dat hun gebouwen in Meerzicht en Driemanspolder in 2040 geen aardgas en alleen nog maar schone energiebronnen gebruiken. Het energietransitieplan is een strategische aanpak om aardgasvrije wijken tot stand te brengen. Het omvat plannen voor samenwerking alsook concrete aanduiding van voorkeursalternatieven. Op basis van een clusterindeling en een beoordeling van type systeem (collectief of individueel) wordt uit een menu aan aardgasvrije alternatieven een beoogde oplossing geselecteerd voor iedere cluster. De clusters van Meerzicht en Driemanspolder zijn verder in het rapport weergegeven bij het hoofdstuk over de clusterindeling.
43
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
6 Gevolgen voor het elektriciteitsnet Het energiesysteem verandert. Door meer gebruik van elektriciteit voor verwarmen, koken, en rijden, en door de groei van het opwekken van elektriciteit met zonnepanelen, neemt de gevraagde capaciteit op het elektriciteitsnet toe. De huidige elektriciteitsnetten zijn nog niet berekend op deze grote groei in de vraag en het aanbod van elektriciteit. Het elektriciteitsnet in Zoetermeer is aangelegd met de bouw van de stad. Grote delen zijn 40 tot 50 jaar oud. Destijds is sterk op de toekomst ontworpen, maar in de komende 10 jaar loopt Netbeheerder Stedin in bijna de gehele stad tegen capaciteitsknelpunten aan die moeten worden opgelost. In Zoetermeer zijn 14 middenspanningsstations, hiervan verwacht Stedin er 6 te moeten verzwaren. De rest van de stations kunnen dan worden ontlast. In Figuur 21 zijn de huidige locaties van de stations weergegeven. Deze verzwaring is nodig vanwege de autonome groei van vraag en aanbod naar elektriciteit. Hiermee streeft de netbeheerder dat het elektriciteitsnet geen onoverkomelijke beperkingen kent voor de keuze van de warmtechniek. Wel is medewerking van de gemeente noodzakelijk voor deze aanpassingen, zoals vergunningverleningen en ruimte voor stations, kabels en leidingen. Ook de zal de warmtetransitie invloed hebben op welke aanpassingen eerder of later in de tijd worden uitgevoerd.
Samenwerking met alle betrokken partijen is hierbij onontbeerlijk. Hieronder werken wij verder uit wat dit betekent voor Zoetermeer. Figuur 21 – Overzicht van het elektriciteitsnet in Zoetermeer (bron: Stedin)
44
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Stedin verwacht in de komende decennia slechts beperkt kabels te hoeven vervangen op grond van kwaliteit. Wel is het noodzakelijk om een nieuw station te realiseren voor de nieuwbouw in het Entreegebied. Een nieuw station bestaat in zijn meest compacte vorm uit een gebouw met transformatoren en een schakelinstallatie direct aan elkaar zoals in de volgende foto’s van nieuwe stations in Pijnacker en Berkel. Het gebouw heeft een formaat van ongeveer 20x30x8 meter. Het terrein heeft een oppervlak van 55x35 meter. Deze ruimte is nodig voor het invoeren van kabels en het laden en lossen van zware componenten.
6.1
Wat betekent de energietransitie voor het elektriciteitsnet in de buurt Wanneer woningen voorzien worden van een warmtepomp, zonnepanelen of gebruik gaan maken van duurzame laadfunctionaliteit, kunnen aanpassingen aan het elektriciteitsnet in de buurt noodzakelijk zijn. Om voldoende capaciteit in de wijk te realiseren zijn verschillende maatregelen mogelijk zoals het verzwaren van transformatoren en eventueel plaatsen van extra distributiestations. De energietransitie heeft dan ook op buurtniveau gevolgen voor de openbare ruimte. Hieronder wordt de ruimtelijke impact van distributiestations verder uitgewerkt.
Ruimte voor distributiestations Vanuit een distributiestation vertrekken de elektriciteitskabels naar woningen. Eén distributiestation kan 200 woningen bedienen in een straal van 200 meter. In de volgende foto zijn de afmetingen van een distributiestation weergegeven.
45
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Met de ontwerpcirkel van Stedin kunnen planners de benodigde aantal distributiestations inschatten en bepalen welke locaties geschikt zijn. Dit is met name relevant voor grootschalige nieuwbouwontwikkelingen. Figuur 22 – Ontwerpcirkel van Stedin
Om rekening mee te houden Voor het mogelijk maken van de energietransitie heeft Stedin de hulp van de gemeente nodig wat betreft het beschikbaar stellen van ruimte voor stations en kabels en leidingen. Dit geldt niet alleen voor de gebouwde omgeving, maar ook voor duurzame mobiliteit. Zo dient er bij een laadplein ook rekening gehouden worden met ruimte voor een distributiestation. Voor stations en tracés geldt dat deze te allen tijde bereikbaar moeten zijn, dus ook bij calamiteiten. Stedin baseert haar investeringsplan op te verwachten lange termijn ontwikkelingen binnen de gemeente Zoetermeer. De plannen die voortkomen uit de verduurzaming van de gebouwde omgeving worden hier in meegenomen. Om de benodigde investeringen op het juiste moment gerealiseerd te hebben, is een verregaande mate van zekerheid en concreetheid noodzakelijk. Betrek Stedin in het verder uitwerken van de plannen, zoals ook het geval is bij de wijkaanpakken in Palenstein en Meerzicht/Driemanspolder. Houdt rekening met doorlooptijden bij het verder concretiseren van de verduurzamingsplannen van de gemeente. Voor aanpassingen in de wijk gelden doorlooptijden van ongeveer een tot anderhalf jaar. De aanpassingen van middenspanningstations vergen anderhalf tot vijf jaar doorlooptijd. Een belangrijk onderdeel in deze doorlooptijd zijn de
46
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
gemeentelijk plan- en vergunningsprocedures. Zie Figuur 23 voor indicatieve doorlooptijden. Figuur 23 - Indicatieve doorlooptijden netuitbreidingen
Bron: (Stedin, 2021).
6.2
Systeemstudie Zuid-Holland De ‘Systeemstudie Zuid-Holland’ heeft door middel van een scenario-analyse gekeken naar de impact van de energietransitie in de provincie Zuid-Holland. Hierin blijkt dat tot 2030 er capaciteitsoverschrijdingen zijn op het laagspanningsniveau, wat zal leiden tot aanpassingen of investeringen in de middenspanningsruimten. Ook ontstaat er een knelpunt op het koppelpunt Zoetermeer, waar het hoogspanningsnet van Tennet verbonden wordt met de netten van de regionale netbeheerder Stedin. Richting 2050 rekent de systeemstudie met een viertal scenario’s. In alle scenario’s worden de knelpunten op het lokale net van Zoetermeer groter. Deze conclusies zijn reeds verwerkt in de inzichten die Stedin heeft gegeven in de vorige paragraaf.
47
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
7 Clusteranalyse voorziene warmtetechniek 7.1
Hoe is de clusterindeling tot stand gekomen? In de meeste transitievisies warmte wordt de warmtetoekomst van een buurt bekeken op het niveau van een CBS-buurt. De gebouwvoorraad van een CBS-buurt is vaak erg heterogeen, namelijk een combinatie van verschillende gebouwtypes, bouwjaren en eengezins-/meergezinswoningen. Op CBS-buurtniveau eenzelfde warmtetoekomst voorstellen houdt rekening met gemiddelde karakteristieken van al die verschillende gebouwen, en laat de sterktes van specifieke woningclusters onbenut. Daarom heeft de gemeente Zoetermeer een clusterindeling aangemaakt. Clusters zijn groepen van vergelijkbare woningen en gebouwen. Wanneer gebouwen dezelfde kenmerken hebben, hebben deze ook vaak een vergelijkbare voorkeur voor een aardgasvrije warmtetechniek.
7.2
Methode samenstelling clusters Clusters zijn groepen van vergelijkbare woningen en gebouwen. De clusters worden als volgt samengesteld (Wattopia et al., 2021b): 1. Stap 1: De gebouwen in Zoetermeer worden per CBS-buurt ingedeeld. 2. Stap 2: Hoge appartementsgebouwen (meer dan vier verdiepingen) krijgen een eigen clusternummer. 3. Stap 3: De laagbouw wordt gegroepeerd per woningtype: — vrijstaande woning; — 2-onder-1-kapwoning; — geschakelde woning; — halfvrijstaande woning; — tussenwoning; — hoekwoning; — drive-in woning; — maisonnette; — benedenwoning; — bovenwoning; — onverwarmd; — overig. 4. Stap 4: Iedere groep wordt verder onderverdeeld per eigenaarstype. Daarna wordt een specifiek clusternummer toegekend. Tabel 8 – Een voorbeeld van de eigenschappen van de clusters
48
Cluster
Buurtnaam
Hoog/Laag
Woningtype
Eigenaarschap
01H1
Palenstein
Hoogbouw
Galerijflat
Woningcorporatie X
01H2
Palenstein
Hoogbouw
Galerijflat
Gemengd
01L1
Palenstein
Laagbouw
Rijwoning
Eigenaar-bewoner
01L2
Palenstein
Laagbouw
Rijwoning
Woningcorporatie X
01L3
Palenstein
Laagbouw
Vrijstaande woning
Eigenaar-bewoner
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Deze methode automatiseert de clusterindeling en vormt de basis voor de definitieve clusterindeling. Hiervoor wordt maatwerk gebruikt om clusters te verbinden die bijvoorbeeld gescheiden worden door een buurtgrens. Figuur 24 – Voorbeeld clusterindeling in Meerzicht en Driemanspolder
7.3
Doel van de clusters De clusterindeling biedt veel inzichten in de karakteristieken van de woningen in Zoetermeer. Informatie is beschikbaar op cluster-, gebouw- of verblijfobjectsniveau, bijvoorbeeld over het eigenaarstype, natuurlijke vervangingsmomenten of renovatieplanningen, woningtype, bouwjaren, collectieve of individuele voorkeursoplossing, huidige en toekomstige warmtetechnieken voor koken, warm tapwater en ruimteverwarming. Met de clusters gaat de gemeente op zoek naar gewenste warmtetechnieken. In de eerste fase beoogt de gemeente Zoetermeer een onderscheid tussen voorkeur voor een collectieve oplossing of een individuele oplossing. We definiëren een collectieve oplossing wanneer meer dan 50 woningen aansluiten op een warmtenet en wanneer dit warmtenet meerdere gebouwen met elkaar verbindt. De individuele oplossingen bestaan uit individuele warmtetechnieken per woning of kleinschalige collectieve oplossingen, zoals meerdere woningen (een cluster) aan één gedeelde bodembron (zie Figuur 31 en Bijlage B voor een uitgebreid overzicht van de warmtetechnieken). Wanneer natuurlijke vervangingsmomenten van een cluster zich aanbieden, kan de gemeente een concrete verduurzamingsaanpak naar aardgasvrij opstellen.
49
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Figuur 25 - Indeling warmtetechnieken in individuele en collectieve warmtetechnieken
7.4
Geschiktheid van clusters voor een collectieve warmtetechniek Om te bepalen of een cluster geschikt is voor een collectieve warmtetechniek, hebben we gekeken naar drie factoren: dichtheid van de warmtevraag, cluster- en woningkarakteristieken en lokale randvoorwaarden (zie onderstaand kader voor een beschrijving van deze drie factoren). Hierbij ligt de focus op de eerste factor, namelijk de dichtheid van de warmtevraag. Een cluster wordt aangeduid als kansrijk voor een collectieve warmtetechniek wanneer de warmtevraagdichtheid voldoende is en wanneer in het cluster (eventueel gecombineerd met omliggende clusters) minimaal 50 woningen aangesloten kunnen worden. We hanteren een grens van minimaal 50 woningen voor een collectieve warmtetechniek, maar dit is geen sterke grens. Ook voor grondgebonden woningen die dicht bij elkaar liggen, kan een kleinschalige collectieve oplossing kansrijk zijn. Het gaat hierbij vaak om een variant van een gezamenlijke wko (aangevuld met bijvoorbeeld zonthermie, of een andere warmtebron). Deze kleinschalige netten zijn gelijkwaardig aan individuele warmtepompen met een gedeelde bodembron en hebben dus ook een sterk individueel karakter. Deze analyse is uitgevoerd op hoofdclusterniveau. We kijken daarmee met name naar de hoog- en laagbouw in de verschillende buurten van Zoetermeer.
Hierbij kijken we waar we clusters kunnen koppelen, op basis van geschiktheid voor een collectieve oplossing.
50
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Factoren die de geschiktheid van een cluster voor een collectieve oplossing bepalen 1. Dichtheid van de warmtevraag Voor een collectieve oplossing is een minimale dichtheid van de warmtevraag nodig om het zogenoemde vollooprisico te voorkomen. Dit is het risico dat de warmtevraag achter blijft bij de verwachte afzet, wat een bedreiging vormt voor een haalbare businesscase. Figuur 26 laat zien dat hoogbouw de hoogste warmtevraagdichtheid heeft. Dit komt doordat een flatgebouw vele woningen op een klein oppervlak bevat. Een minimale bebouwingsdichtheid van circa 20 woningen per hectare is nodig voor een interessant project.17 Figuur 26 – Warmtevraagdichtheid van de hoogbouw en laagbouw in Zoetermeer
2. Cluster- en woningkarakteristieken Denk bijvoorbeeld aan eigenaarschap: in Zoetermeer is veel hoogbouw in handen van enkele woningcorporaties. Dit kan de contracteerbaarheid van collectieve oplossingen bevorderen: samenwerken met één woningcorporatie is vaak eenvoudiger dan met een verzameling aan particuliere huishoudens en geeft een verzekerde hoge participatiegraad. Ook het temperatuurniveau waarmee woningen verwarmd kunnen worden speelt een rol in de keuze voor het type warmtenet. Lage temperatuurnetten zijn vaak kleinschalig terwijl netten op hogere temperaturen op grotere schaal worden ontworpen. 3. Lokale randvoorwaarden Is de aanleg van een warmtenet mogelijk: Is er voldoende ruimte in de ondergrond? Is de aanleg betaalbaar? Is er een geschikte warmtebron voorhanden? Is er naar verwachting maatschappelijk en politiek draagvlak voor het aanleggen van een warmtenet? Veel van deze randvoorwaarden zullen in nadere uitwerkingen duidelijk moeten worden. In deze analyse is vooral gekeken naar de eindgebruikerskosten voor eigenaar-bewoners, en of een warmtenet voor de eigenaar-bewoners ook aantrekkelijk is.
________________________________ 17
https://www.expertisecentrumwarmte.nl/themas/technische+oplossingen/techniekfactsheets+ energiebronnen/aquathermie+nieuw/default.aspx
51
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Resultaten Op basis van de analyse naar deze drie factoren komen wij tot een clusterindeling voor individuele en collectieve opties. Deze indeling is globaal: in gebouwen waar een collectieve oplossing voor de hand ligt, kan bijvoorbeeld blijken dat een individuele oplossing beter haalbaar of betaalbaar is of kan rekenen op meer draagvlak. Voor gebouwen waarvoor een individuele oplossing het meest logisch lijkt, kunnen buren de handen in elkaar slaan en bijvoorbeeld een bodembron delen. Figuur 27 – Individuele en collectieve warmteclusters in Zoetermeer
Hoogbouw De hoogbouw heeft een hoge warmtedichtheid en is dus erg interessant voor collectieve oplossingen. De hoogbouw kan worden onderverdeeld in twee groepen: Centrumbuurten: collectieve oplossing kansrijk voor hoogbouw In Stadshart, Meerzicht (oost en west) en Driemanspolder is een grote concentratie van hoogbouw die interessant is voor een collectieve oplossing. Er zijn meerdere warmtebronnen mogelijk voor dit cluster. Overige buurten: wko of individuele oplossing In de verspreide hoogbouw in de omliggende clusters is een grootschalig warmtenet niet zeer waarschijnlijk. Een kleinschalige collectieve oplossing kan voor deze woningen wel interessant zijn. Het zal hier veelal gaan om bodemenergie (warmte-koudeopslag oftewel wko). Een appartementencomplex is vaak omvangrijk genoeg om op zichzelf gebruik te maken van een wko-bron. Eventueel kan zo’n bron ook met een cluster van gebouwen worden ontwikkeld. Wanneer een kleinschalige collectieve oplossing niet mogelijk blijkt, kunnen deze gebouwen een individuele oplossing per appartement overwegen.
52
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Eengezinswoningen Eengezinswoningen in Zoetermeer zullen voor het grootste deel individueel worden verwarmd in de toekomst. Het woningbezit in Zoetermeer is grotendeels gebouwd na 1960. Veel van deze woningen zijn goed te isoleren. Uit landelijke studies blijkt dat de energiekosten voor een goed-geïsoleerde laagbouwwoning het gunstigst zijn bij verwarming met een elektrische warmtepomp. Dit is goedkoper dan een collectieve oplossing. Tenzij er een zeer aantrekkelijk financieel aanbod komt van collectieve netten, is het niet aannemelijk dat bewoners van eengezinswoningen overstappen op een warmtenet. Mogelijk dat ervaring in pilotprojecten in Nederland dit in de toekomst wel aantrekkelijker maakt. Vooroorlogse woningen: individueel, tenzij Voor vooroorlogse woningen (de oude lintbebouwing in Zoetermeer) geldt dat we verwachten dat deze niet alle maatregelen uit het isolatieadvies kunnen treffen in hun woning. Voor deze woningen is maatwerkadvies nodig. Een hybride warmtepomp is voor deze woningen het voorlopige eindbeeld. Onderzocht kan worden of woningen in de omgeving van een collectief initiatief (in bijvoorbeeld Stadshart, Meerzicht en Driemanspolder) kunnen aanhaken bij deze ontwikkelingen. Utiliteit (niet-woningen) Naast woningen staan er in Zoetermeer ook kantoren, winkels, scholen, zorginstellingen, et cetera.
Deze utiliteitsgebouwen volgen de landelijke verplichtingen, zoals bijvoorbeeld de isolatieverplichting voor kantoren. In gebieden met overwegend woningbouw volgt de utiliteit de oplossingen voor woningen: een individuele oplossing voor de buitenwijken, mogelijk aansluiten op collectieve oplossingen in de buurten Stadshart, Meerzicht en Driemanspolder. Voor de bedrijventerreinen van Zoetermeer is op basis van deze analyse nog geen voorkeursoplossing naar voren gekomen. Een collectieve oplossing lijkt met name op het bedrijventerrein Lansinghage de moeite van het onderzoeken waard. Hier is de warmtedichtheid hoog genoeg (er zijn genoeg panden met een warmtevraag die dicht bij elkaar liggen) en er zijn mogelijk interessante warmtebronnen in de omgeving om te benutten.
53
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
8 Conclusie In deze notitie gingen we in op zeven vragen. We beantwoorden deze vragen in dit hoofdstuk. 1. Wat is de huidige warmtevoorziening in de gemeente Zoetermeer? 2. Welke warmtebronnen zijn beschikbaar in (de regio) Zoetermeer? 3. Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste nationale kosten? 4. Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste kosten voor eindgebruikers? 5. Aan welke aardgasvrije oplossingen wordt momenteel al gewerkt in Zoetermeer? 6. Wat zijn de gevolgen van de energietransitie voor het elektriciteitsnet? 7. Hoe is de clusterindeling tot stand gekomen?
Wat is de huidige warmtevoorziening in de gemeente Zoetermeer? De gebouwde omgeving in Zoetermeer gebruikt voornamelijk aardgas om mee te verwarmen, jaarlijks 74,8 miljoen m3. Dit komt overeen met 148 kton CO2-uitstoot. Een deel van de wijk Oosterheem is al aangesloten op een warmtenet, maar deze wordt nog volledig door fossiele energie gevoed. In Palenstein wordt momenteel aan een plan gewerkt voor een collectief WKO-warmtenet. De gebouwen in Zoetermeer zijn over het algemeen al vrij goed geïsoleerd, met uitzondering van de buurt Dorp. De gemeente Zoetermeer heeft een ambitieniveau opgesteld voor de maximale warmtevraag van de woningen, namelijk 50 kWh/m 2/jaar voor eengezinswoningen en 75 kWh/m2/jaar voor gestapelde bouw. Een maximale warmtevraag van 50 kWh/m2/jaar is geschikt voor verwarmen met LT-warmte.
Welke warmtebronnen zijn beschikbaar in (de regio) Zoetermeer? In de gemeente Zoetermeer zelf zijn enkel warmtebronnen met lage temperatuurniveaus (<55 °C) beschikbaar. Warmte uit water (aquathermie) is overvloedig aanwezig in het westelijke deel van de gemeente en ook nabij de Zoetermeerse plas. Daarnaast zijn er ook nog twee bedrijven met een omvangrijke restwarmtepotentie. In het oostelijke deel van Zoetermeer is de LT-warmtelevering beperkt. De bodem in Zoetermeer is geschikt voor bodemenergiesystemen en lijkt in heel de gemeente over een hoge potentie te beschikken. Nader onderzoek heeft aangetoond dat de potentie voldoende is om de warmtevraag te voorzien van gebieden in het Entreegebied, Meerzicht, Palenstein, Driemanspolder en de Binnenstad. Andere gebieden in Zoetermeer zijn nog niet nader onderzocht. Warmte op hogere temperatuur (circa 70 °C) kan via de WSO of koppeling met de WarmtelinQ naar Zoetermeer getransporteerd worden. Deze warmte is direct bruikbaar zonder opwaardering met elektriciteit, maar heeft wel een piekvoorziening nodig. Mogelijk is er potentie voor geothermie in Zoetermeer, maar dit is nog erg onzeker en vereist verder onderzoek. Geothermie-warmtetransport afkomstig van buiten de gemeentegrenzen wordt onderzocht en kan in 2023 beschikbaar komen in Meerzicht.
54
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste nationale kosten? In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten hun keuze voor een aardgasvrije warmtetechniek programmeren op basis van de laagste nationale kosten en kosten voor de eindgebruiker. In de transitie naar aardgasvrij is woonlastenneutraliteit een belangrijk uitgangspunt. De warmtetechniek met de laagste nationale kosten is niet vanzelfsprekend de warmtetechniek met de laagste kosten voor bewoners bij de huidige tarieven en belastingen. Vanuit de gedachte dat de kosten uiteindelijk worden doorberekend aan de eindgebruikers, kan het echter wel een logische keuze zijn te richten op de warmtetechniek met de laagste nationale kosten. Nationale kosten zijn de totale kosten voor de maatschappij van alle maatregelen die nodig zijn om ergens (bijvoorbeeld in een buurt) over te stappen op een aardgasvrije warmtetechniek, ongeacht wie die kosten betaalt. Modellen die de nationale kosten berekenen, presenteren deze op CBS-buurtniveau. Uit de berekeningen met nationale kosten komt dat de buurten rondom het stadshart de laagste nationale kosten hebben bij een MT-/HT-warmtenet. Hierbij benadrukken we dat de rekenmodellen deze uitkomsten niet classificeren als robuust.
Ook is in de gemeente enkel LT-warmte beschikbaar, en is het nog niet zeker of Zoetermeer op warmte van hogere temperaturen van buiten de gemeente kan rekenen. Wel zou de beschikbare LT-warmte met een collectieve warmtepomp naar hogere temperatuur gebracht kunnen worden. Hiernaast komt naar voren dat de buurten aan de rand van de gemeente de laagste nationale kosten hebben bij het inzetten van individuele warmtetechnieken. In de meeste gevallen is dit een elektrische warmtepomp. Ook lijken enkele buurten de laagste nationale kosten te hebben wanneer zij worden verwarmd met duurzaam gas. Duurzame gassen als waterstof en groengas zijn echter voorlopig niet beschikbaar (en in de toekomst waarschijnlijk zeer beperkt) voor verduurzaming van de gebouwde omgeving. In de wijk Oosterheem ligt een warmtenet. Opvallend is dat de woningen in deze wijk die niet zijn aangesloten op dit warmtenet de laagste nationale kosten hebben bij het verwarmen met een elektrische warmtepomp. Dit komt waarschijnlijk doordat de gebouwen in deze wijk al goed geïsoleerd zijn. Deze woningen hebben dan ook lagere nationale kosten bij het plaatsen van een warmtepomp, dan met een aansluiting op dit warmtenet.
Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste kosten voor eindgebruikers? De eindgebruikerskosten geven inzicht in de kosten die een eigenaar bewoner moet maken bij verschillende warmtetechnieken. De eindgebruikerskosten geven daarmee inzicht in de betaalbaarheid van de warmtetransitie. ECW heeft samen met TNO een landelijke studie gedaan naar de eindgebruikerskosten. Hierbij is gekeken naar gemiddelde kosten voor verschillende typen woningen. Voor individuele woningen geven deze kosten daarmee enkel een indicatie. Uit deze studie blijkt dat de kosten voor eindgebruikers voor alle aardgasvrije warmtetechnieken duurder zijn dan het blijven verwarmen met een gasketel. Aardgasvrij is dan ook nog niet woonlastenneutraal. Deze berekening gaat niet uit van het nemen van
55
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
maatregelen op natuurlijke momenten. Dit kan gevolgen hebben voor de hoogte van de weergegeven kosten, en daarmee de betaalbaarheid van de oplossing. De gemeente Zoetermeer streeft er naar haar woningen te isoleren tot een warmtevraag van 50-75 kWh/m²/jaar. Endule heeft berekend dat naar verwachting de gemiddelde kosten per woning ergens tussen de € 2.000 en € 35.200 liggen, met een gemiddelde van € 20.180 voor isoleren en ventileren van de woning. De laatste stap naar aardgasvrij is in deze kostenindicatie niet opgenomen. Dit is wel gedaan in de landelijke studie naar de eindgebruikerskosten. Voor goed geïsoleerde woningen (energielabel A of B ~ isolatieniveau van 50 kWh/m²/jaar) is een elektrische warmtepomp de voorkeursoptie. Echter, wanneer we kijken naar het nemen van de totale set aan maatregelen (isolatie + overstappen naar een aardgasvrije warmtetechniek) komt voor woningen met een energielabel lager dan C een MT-warmtenet als voordeligst naar voren. TNO verwacht een aanzienlijke kostendaling van warmtepompen tot aan 2030. Als deze verwachting gerealiseerd wordt zullen de eindgebruikerskosten van een warmtepomp zelfs lager kunnen gaan liggen dan het verwarmen met een aardgasketel.
Aan welke aardgasvrije oplossingen wordt momenteel al gewerkt in Zoetermeer? In Zoetermeer zijn er plannen om de wijken Meerzicht, Driemanspolder en Palenstein van het aardgas af te halen. — In Palenstein is een plan van aanpak opgesteld samen met de corporaties, de gemeente en de inwoners. Het doel is om voor 2025 ca. 1.100 hoogbouwwoningen aan te sluiten op een collectief WKO-net. — In 2018 zijn 120 woningen in Palenstein vernieuwd tot Nul-Op-de-Meter. Deze worden verwarmd met behulp van een luchtwarmtepomp en wekken elektriciteit op met zonnepanelen. — Voor de wijken Meerzicht en Driemanspolder is een energietransitieplan opgesteld voor het vastgoed van gemeente en woningcorporaties. Het einddoel waar de partijen gezamenlijk naartoe werken is dat hun gebouwen in Meerzicht en Driemanspolder in 2040 geen aardgas en alleen nog maar duurzame energiebronnen gebruiken. — In 2020 zijn in de landenbuurt (Meerzicht) 210 woningen vernieuwd naar Nul-Op-deMeter.
Wat zijn de gevolgen van de energietransitie voor het elektriciteitsnet? Door meer gebruik van elektriciteit voor verwarmen, koken en rijden, en door de groei van het opwekken van elektriciteit met zonnepanelen, neemt de gevraagde capaciteit op het elektriciteitsnet toe. Hierdoor loopt Netbeheerder Stedin in de komende tien jaar in bijna de gehele stad tegen capaciteitsknelpunten aan die moeten worden opgelost. Hiermee streeft de netbeheerder dat het elektriciteitsnet geen onoverkomelijke beperkingen kent voor de keuze van de warmtechniek. Wel is medewerking van de gemeente noodzakelijk voor deze aanpassingen, zoals vergunningverleningen en ruimte voor stations, kabels en leidingen. Ook de zal de warmtetransitie invloed hebben op welke aanpassingen eerder of later in de tijd worden uitgevoerd. Wegens de nieuwbouw in het Entreegebied is het nodig een nieuw middenspanningsstation te bouwen. Samenwerking met alle betrokken partijen is bij al deze werkzaamheden onontbeerlijk.
56
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Geschiktheid van clusters voor een collectieve warmtetechniek Om doelgericht soortgelijke woningen aan te pakken is de gemeente gestart met het indelen van woningen in clusters. Hiertoe wordt van de grote heterogene CBS-buurten afgestapt. De clusterindeling groepeert op een niveau lager, op pand- en woningniveau, woningen die op elkaar lijken aan de hand van verschillende criteria, zoals hoog-/laagbouw, woningtype en eigenaarschap. Voor de clusters kan de gemeente concreet een haalbare en betaalbare energietransitie bewerkstelligen. Voor de clusters is op hoofdniveau (hoog- en laagbouw in de verschillende buurten van Zoetermeer) gekeken naar de mate van geschiktheid voor een collectieve oplossing. Hierbij is gekeken naar de dichtheid van de warmtevraag, cluster- en woningkarakteristieken, en lokale randvoorwaarden. Op basis van de analyse naar deze drie factoren komen wij tot een clusterindeling voor individuele en collectieve opties, die in Figuur 28 is weergegeven. Figuur 28 – Individuele en collectieve warmteclusters in Zoetermeer
57
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
Literatuur CBS. lopend. Statline [Online]. Available: https://opendata.cbs.nl/statline [Accessed 2021]. CE Delft, 2020. Verkennend onderzoek zonthermie Zuid-Holland. Delft, CE Delft. CE Delft, Quintel & TNO, 2020. Systeemstudie energie-infrastructuur Zuid-Holland : Integrale systeemstudie gas, elektriciteit, CO2 en warmte; 2020-2030-2050. Delft: CE Delft. ECW, 2020. Bodemenergie en WKO. EIB, 2021. Proeftuinen aardgasvrije wijken: Een maatschappelijk-economische analyse van de proeftuinen. Amsterdam, Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). Eneco, sd. Warmte-etiket 2019. Rotterdam, Eneco. Gemeente Zoetermeer, 2018a. Palenstein aardgasvrij: Plan van aanpak. Zoetermeer, Gemeente Zoetermeer. Gemeente Zoetermeer, 2018b. Voortgang energie transitie Palenstein. Zoetermeer, Gemeente Zoetermeer. Gemeente Zoetermeer, 2019. Meerzicht & Driemanspolder aardgasvrij: Gezamenlijk energietransitieplan voor het vastgoed van gemeente en woningcorporaties. Zoetermeer, Gemeente Zoetermeer. Gemeente Zoetermeer, 2020. Voorlopig standpunt bovenlokale/regionale warmtenetten. Zoetermeer, Gemeente zoetermeer. IF Technology, 2020a. Binnenstad Zoetermeer: Bodemenergieplan. IF Technology, 2020b. Potentieelstudie bodemenergie Zoetermeer. IF Technology, 2021. Entreegebied Zoetermeer: Bodemenergieplan Entreegebied. Merosch, 2020a. Bodempotentieelstudie Zoetermeer. Merosch, 2020b.
Isolatiepakketten ten behoeve van het CEGOIA model. Bodegraven, Merosh. MilieuCentraal. lopend. Zonneboiler [Online]. Available: https://www.milieucentraal.nl/energie-besparen/duurzaam-warmwater/zonneboiler/ [Accessed 2021]. MinBZK, 2019. Kamerbrief d.d. 18 maart 2021 : Standaard voor woningisolatie. Den Haag, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). MinBZK, 2021a. Stand van zaken Klimaatakkoord Gebouwde omgeving 12 januari 2021. Den Haag, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). MinBZK, 2021b. Standaard voor woningisolatie: PAW Netwerkbijeenkomst 29 April 2021. NLOG.nl. 2021. Nederlandse olie en gasportaal [Online]. Available: www.nlog.nl [Accessed 27-05 2021]. PBL, 2020a. Startanalyse aardgasvrije buurten Versie 2020. Den Haag, Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). PBL, 2020b. Startanalyse aardgasvrije buurten: Gemeenterapport met toelichting bij tabellen met resultaten van de Startanalyse. Den Haag, Planbureau voor de Leefomgeving. RES Rotterdam Den Haag, 2021. RES 1.0: Regionale Energiestrategie Rotterdam Den Haag. RES Rotterdam Den Haag. Rijksoverheid, 2019. Klimaatakkoord. Den Haag, Rijksoverheid. Rijksoverheid, 2020a. Kamerbrief over kabinetsvisie Waterstof. Den Haag, Rijksoverheid. Rijksoverheid, 2020b. Kennisgeving standaard CO2-emissiefactor aardgas voor emissiehandel 2020.
Staatscourant: Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Royal HaskoningDHV, 2021. Tracéstudie en kostprijsberekening warmtelevering Meerzicht.
58
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
RVO, 2018. Ontwikkeling van koudevraag van woningen. Utrecht, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). SpaarGas, 2020. Ramplaankwartier Haarlem in 2025 Aardgas-vrij. Stedin. 2020. Openingsbod warmtetransitie 2020 [Online]. Available: https://www.stedin.net/zakelijk/branches/overheden/het-openingsbod [Accessed 2021]. Stedin. lopend. Methode Openingsbod Warmtetransitie [Online]. Available: https://www.stedin.net/zakelijk/branches/overheden/het-openingsbod/methode [Accessed 5 januari 2021]. VBK, 2020. Nieuwsbrief energierecht en energietransitie nr. 27 november-december 2020. Wattopia, Zoetermeer & Endule, 2021a. Datamodel Zoetermeer. Wattopia, Zoetermeer & Endule, 2021b. Voorstel clusterindeling Zoetermeer. WSO, 2019. Management eindpresentatie. Warmte Samenwerking Oostland (WSO). WSO, 2020. Inpassing warmtenet Oostland in Integraal Ontwerp Oostland. Warmte Samenwerking Oostland (WSO).
59
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
A Indeling van Zoetermeer in wijken en buurten De gemeente Zoetermeer bestaat uit 9 wijken en 26 buurten. Figuur 29 – De wijken van Zoetermeer
Bron: Startanalyse (PBL, 2020a). Figuur 30 – De buurten van Zoetermeer
Bron: Startanalyse (PBL, 2020a).
60
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
B Overzicht warmtetechnieken Aardgasvrije warmtetechnieken Elektrische warmtepomp Een elektrische warmtepomp is een individuele elektrische warmtetechniek. Gebouweigenaren kunnen zelfstandig overschakelen op deze techniek. De luchtwarmtepomp, de bodemwarmtepomp en de PVT-warmtepomp18 zijn de bekendste typen warmtepomp. Deze warmtepompen gebruiken warmte uit de lucht, bodem en zonnewarmte en brengen dit met behulp van elektriciteit naar een temperatuurniveau dat geschikt is voor het verwarmen van gebouwen en tapwater. Doordat warmtepompen voornamelijk energie uit de lucht of bodem gebruiken en een kleiner deel elektriciteit, hebben ze een hoger rendement dan de HR-ketel. Voor het toepassen van een elektrische warmtepomp moet een woning of utiliteitsgebouw zeer goed worden geïsoleerd, naar een isolatieniveau van 50 kWh/m 2. Ook moeten de radiatoren meestal worden vervangen door vloerverwarming of LT-radiatoren. Wanneer een groep gebouwen overschakelt naar een elektrische oplossing, kan het zijn dat het elektriciteitsnet moet worden verzwaard. De luchtwarmtepomp maakt gebruik van de buitenlucht. De ventilator (buitenunit) die nodig is voor een luchtwarmtepomp, maakt geluid. De bodemwarmtepomp is duurder dan de luchtwarmtepomp om aan te leggen, maar is wel energiezuiniger. PVT-panelen worden op het dak geplaatst en leveren zowel warmte als elektriciteit.
Hybride warmtepomp De hybride warmtepomp combineert een elektrische warmtepomp met de HRketel op gas. De elektrische warmtepomp kan voor ongeveer de helft van de warmtebehoefte zorgen. Dit gaat zeer efficiënt, omdat de warmtepomp energie haalt uit de omgeving, bijvoorbeeld de buitenlucht. De energie wordt gebruikt voor ruimteverwarming en/of warmtapwaterbereiding. Ongeveer een vijfde van de tijd springt de HR-ketel bij op momenten dat de warmtepomp niet voldoende warmte kan leveren, bijvoorbeeld wanneer het buiten koud is en/of er (veel) warmtapwater nodig is. Hoe hoger het isolatieniveau van het gebouw, hoe minder vaak de HR-ketel hoeft bij te springen, en hoe groter de vermindering van het (aard)gasverbruik. Een hybride warmtepomp is nog niet aardgasvrij: deze gebruikt aardgas op die momenten dat de HR-ketel bijspringt. Op de langere termijn (verwacht wordt zeker na 2030), kunnen groengas of groen waterstof dit aardgas mogelijk vervangen. Op dat moment is het mogelijk om zonder CO2-uitstoot te verwarmen met een hybride warmtepomp. Het is echter nog zeer de vraag of, en zo ja wanneer, deze gassen beschikbaar komen.
Middentemperatuurwarmtenet Voor een middentemperatuur(MT-)warmtenet is een nieuwe infrastructuur nodig. Een MT-warmtenet heeft een temperatuur tussen de 55 °C en 75 °C en wordt gevoed met MT-bronnen of LT-bronnen, waarna de temperatuur wordt opgewerkt met een collectieve warmtepomp of met MT-bronnen. Diepe geothermie en zonthermie zijn voorbeelden van MT-bronnen. Voorbeelden ________________________________ 18
61
PVT-panelen zetten licht om in elektriciteit (photovoltaïsch) en warmte (thermisch).
200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021
van LT-bronnen zijn ondiepe geothermie (tot 1.250 meter diep, met een temperatuur van 15-40 °C). Bij aquathermie wordt warmte onttrokken aan water, zoals oppervlaktewater of afvalwater. Dit is doorgaans in combinatie met een WKO (warmte-koudeopslag). Door het omhoog brengen van de temperatuur van het water in het warmtenet met een collectieve elektrische warmtepomp, is het water dat bij de woningen en overige gebouwen aankomt warm genoeg voor het verwarmen van radiatoren en tapwater. De gebouwen moeten voor verwarmen met een MT-warmtenet wel een redelijk isolatieniveau hebben (70 kWh/m 2), maar niet zo goed als bij een LT-warmtenet. De geleverde temperatuur is immers hoger, waardoor de woningen sneller opwarmen.
Lagetemperatuurwarmtenet met individuele warmtepomp Ook voor een lagetempetuurwarmtenet met LT-bron is een nieuwe infrastructuur nodig. Bij een LT-warmtenet gaat het om warmte met een temperatuur tussen de 30 °C en 55 °C. De temperatuur van de warmte kan nog omhoog gebracht worden met een individuele warmtepomp in het gebouw naar middentermperatuur (55 °C en 75 °C). De warmtepomp zorgt ervoor dat het water in de woningen warm genoeg is voor het verwarmen van radiatoren en tapwater. De gebouwen moeten voor verwarmen met een MT-warmtenet wel een redelijk isolatieniveau hebben (70 kWh/m2), maar niet zo goed als bij een LT-warmtenet zonder individuele warmtepomp. De geleverde temperatuur is immers hoger, waardoor de woningen sneller opwarmen.
(Zeer)lagetemperatuurwarmtenet Ook voor een (zeer)lagetemperatuur (ZLT-/LT-)warmtenet is een nieuwe infrastructuur nodig. Bij een LT-warmtenet gaat het om warmte met een temperatuur tussen de 30 °C en 55 °C. Een ZLT-warmtenet, of bronnet, heeft een temperatuur van maximaal 30 °C. Bij een ZLT-warmtenet moet de temperatuur van de warmte nog omhoog gebracht worden met een individuele warmtepomp in het gebouw. LT-warmtebronnen zijn bijvoorbeeld warmte uit koel- en vrieshuizen, waterzuiveringsinstallaties en datacenters of aquathermie. Gebouwen moeten goed worden geïsoleerd, namelijk naar een isolatieniveau van 50 kWh/m2. Daarnaast moet worden overgeschakeld op een LT-afgiftesysteem (bijvoorbeeld vloerverwarming of LT-radiatoren) en is er een aparte voorziening nodig voor tapwater.
Samenhang warmtetechnieken en temperatuurniveau Onderstaande figuur toont de samenhang tussen aardgasvrije warmtetechnieken en temperatuurniveau. In een toekomst waarin we duurzame energiebronnen willen inzetten voor het verwarmen van woningen zal de aanlevertemperatuur van warmte dalen. Op lage temperatuur hebben we in Nederlands het meeste aanbod van duurzame alternatieven. Om een woning dan comfortabel te verwarmen is het van belang om de woning te isoleren. De bijbehorende isolatie prestatie die je hiervoor kan formuleren is de netto warmtevraag. De gemeente Zoetermeer heeft een ambitieniveau opgesteld voor de warmtevraag van de woningen in de gemeente: — maximale netto warmtevraag van 50 kWh/m2/jaar voor eengezinswoningen; — maximale netto warmtevraag van 75 kWh/m2/jaar voor de gestapelde bouw. Het ambitieniveau is vastgesteld op basis van een afweging over de beschikbare duurzame warmtebronnen in de gemeente en de benodigde isolatie om woningen voldoende warm te krijgen met warmte van lage- of middentemperatuur.