CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Achtergrondrapportage Transitievisie warmte Zoetermeer 2021

Raadsvergadering 20 december 2021, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Transitievisie warmte21.414 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ø

Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer

Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer

Dit rapport is geschreven door: Pien van Berkel, Joram Dehens, Jasper Schilling Delft, CE Delft, oktober 2021 Publicatienummer: 21.200235.088 Gemeenten / Beleid / Energievoorziening / Warmte / Woonwijken / Kosten Opdrachtgever: Gemeente Zoetermeer Alle openbare publicaties van CE Delft zijn verkrijgbaar via www.ce.nl Meer informatie over de studie is te verkrijgen bij de projectleider Jasper Schilling (CE Delft) © copyright, CE Delft, Delft

CE Delft Committed to the Environment CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toonaangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al 40 jaar werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.

1

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel In de transitievisie warmte (TVW) legt de gemeente Zoetermeer het tijdspad vast voor de stapsgewijze aanpak richting een aardgasvrije gebouwde omgeving. In de TVW staat waarmee de gemeente in de periode tot 2030 aan de slag gaat met het van het aardgas halen van gebouwen, en wat potentiële alternatieve energie-infrastructuren zijn. Bij het opstellen van de TVW zijn zowel subjectieve criteria en uitgangspunten als inhoudelijke kennis nodig. Er zijn al verschillende studies gedaan voor de gemeente Zoetermeer, de regio Rotterdam Den Haag, en de provincie Zuid-Holland. In deze achtergrondrapportage bij de TVW bundelen we deze bestaande kennis, met een focus op technisch-economische aspecten zoals de potentie van warmtebronnen en kostenberekeningen van warmtetechnieken per buurt. Deze achtergrondrapportage dient ter ondersteuning van de TVW.

1.2

Geraadpleegde studies Tabel 1 geeft een overzicht van de geraadpleegde documenten. Per document hebben we aangegeven waarover deze informatie levert. Tabel 1 – Geraadpleegde documenten Type informatie

2

Warmtebronnen in (regio) Zoetermeer

Nationale kosten van warmtetechnieken

X

X

Overig/ achtergrondinformatie

Nr.

Documentnaam

1

Startanalyse 2020 (PBL, 2020b)

2

Openingsbod Warmtetransitie (Stedin, 2020)

3

RES Rotterdam Den Haag 1.0 (RES Rotterdam Den Haag, 2021)

4

Palenstein aardgasvrij: Plan van aanpak (Gemeente Zoetermeer, 2018a)

X

5

Meerzicht & Driemanspolder aardgasvrij: Gezamenlijke energietransitieplan voor het vastgoed van gemeente en woningcorporaties (Gemeente Zoetermeer, 2019)

X

6

WSO: Management eindpresentatie(WSO, 2019)

X

7

WSO: Inpassing warmtenet Oostland in Integraal Ontwerp Oostland (WSO, 2020)

X

8

Binnenstad Zoetermeer: Bodemenergieplan (IF Technology, 2020a)

X

9

Entreegebied Zoetermeer (IF Technology, 2021)

X

10

Tracéstudie en kostprijsberekening warmtelevering meerzicht (Royal HaskoningDHV, 2021)

X

11

Bodempotentieelstudie Zoetermeer (Merosch, 2020a)

X

X X

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Type informatie Warmtebronnen in (regio) Zoetermeer

Nationale kosten van warmtetechnieken

Overig/ achtergrondinformatie

Nr.

Documentnaam

12

Potentieelstudie bodemenergie Zoetermeer (IF Technology, 2020b)

X

13

Potentie Aquathermie (KWR, in opdracht van Dunea, 2020)

X

14

Systeemstudie Zuid Holland (CE Delft et al., 2020)

X

15

Voorstel Clusterindeling Zoetermeer (Wattopia et al., 2021b)

X

16

Datamodel verblijfsobjecten Zoetermeer (Wattopia et al., 2021a)

X

Hiernaast zijn voor het opstellen van deze achtergrondrapportage gesprekken gevoerd met de Warmte-Samenwerking Oostland, Netbeheerder Stedin en drinkwaterbedrijf Dunea.

1.3

Onderzoeksvragen en leeswijzer Deze rapportage geeft antwoord op de volgende vragen: — Wat is de huidige warmtevoorziening in de gemeente Zoetermeer? (H2) — Welke warmtebronnen zijn beschikbaar in (de regio) Zoetermeer? (H3) — Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste nationale kosten? (H4) — Welke aardgasvrije warmtetechnieken hebben de laagste kosten voor eindgebruikers? (H4) — Aan welke aardgasvrije oplossingen wordt momenteel al gewerkt in Zoetermeer? (H4.4) — Wat zijn de gevolgen van de energietransitie voor het elektriciteitsnet? (H6) — Hoe is de clusterindeling tot stand gekomen? (H7) We sluiten af met een conclusie met de belangrijkste bevindingen van deze achtergrondrapportage voor de transitievisie warmte van de gemeente Zoetermeer.

3

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

2 Huidige warmtevoorziening in Zoetermeer 2.1

Huidig gasgebruik Volgens de Klimaatmonitor van Rijkswaterstaat bedroeg het aardgasgebruik van de gebouwde omgeving in de gemeente Zoetermeer 74,8 miljoen m3 in 2019 (dit is het meest recente jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn). 1 Dit komt overeen met een CO2-uitstoot van 148 kton (Rijksoverheid, 2020b)2. Woningen zijn verantwoordelijk voor het merendeel (driekwart) van het aardgasgebruik in de gebouwde omgeving in Zoetermeer (zie Figuur 1). Figuur 1 – Aardgasgebruik van de gebouwde omgeving

80 70

miljoen m3

60 50 40

Woningen Publieke dienstverlening

30

Commerciële dienstverlening 20 10 2019

Bron: Klimaatmonitor.

2.2

Bestaand warmtenet Niet alle woningen en andere gebouwen in Zoetermeer gebruiken aardgas voor verwarming en warm tapwater. Een deel van de wijk Oosterheem (Oosterheem-Zuid-West: 11% en Oosterheem-Noord-Oost: 49%) is aangesloten op stadsverwarming. Figuur 2 geeft de ligging van dit warmtenet weer. Dit warmtenet wordt gevoed door de warmtekrachtcentrale Oosterheem. Het gaat hierbij voornamelijk om warmte die vrijkomt bij de productie van elektriciteit. De CO2-uitstoot van de warmte in het warmtenet is 13% lager dan bij het ________________________________ 1 2

4

Klimaatmonitor : database Energie-inhoud aardgas (bovenwaarde): 0,03517 GJ/m3; emissiefactor aardgas: 56,4 kg CO2/GJ.

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

verwarmen van een woning met een gasgestookte cv-ketel, maar de warmte uit dit warmtenet is nog wel voor 100% gebaseerd op een fossiele energiebron, namelijk aardgas (Eneco, sd). In 2017 ondertekende de gemeente samen met Zoetermeerse woningcorporaties en Netbeheerder Stedin de Green Deal aardgasvrij Palenstein. Na het opstellen van een Plan van Aanpak vroeg de gemeente met succes subsidie aan vanuit de nationale Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) om de uitvoering te versnellen en duurzaam te maken. Er is een samenwerkingsovereenkomst getekend tussen de vijf gebouweigenaren om een collectieve WKO-installatie te realiseren voor 1.117 woningen en twee gemeentelijke complexen3. De aanbesteding is gestart. Figuur 2 – Ligging huidige warmtenet in Zoetermeer

2.3

NOM-woningen en het Entreegebied Nul-Op-de-Meter-woningen (NOM-woningen) zijn gasvrij en verbruiken netto geen energie. Ze voorzien over het jaar heen zelfstandig in hun energiebehoeften. Deze woningen verwarmen met een warmtepomp en wekken zelf elektriciteit op met zonnepanelen. In Palenstein zijn 120 woningen gerenoveerd tot Nul-Op-de-Meter. Ook zijn er in Palenstein 28 nieuwbouw-NOM-woningen opgeleverd. In Meerzicht zijn 214 woningen gerenoveerd tot Nul-Op-de-Meter-woningen. De focus bij NOM-woningen in Zoetermeer ligt op laagbouw. In het Entreegebied in Zoetermeer vindt stadsuitbreiding plaats. Dit nieuwbouwproject omvat circa 4.500 gasloze nieuwbouwwoningen. ________________________________ 3

https://www.zoetermeer.nl/inwoners/aardgasvrij-zoetermeer_48080/item/1e-aardgasvrije-wijkpalenstein_107434.html

5

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

2.4

Huidige en toekomstig isolatieniveau Figuur 3 laat zien dat de gebouwen in Zoetermeer over het algemeen al vrij goed geïsoleerd zijn. De buurt Dorp vormt hierop de uitzondering. Hier staan de oudste gebouwen met de laagste isolatieniveaus. Ook in de buurten Driemanspolder, Palenstein, Meerzicht-Oost en Meerzicht-West staan gebouwen die minder goed geïsoleerd zijn dan gemiddeld in de gemeente. Ook aan de Zegwaartseweg zien we oude gebouwen die niet goed geïsoleerd zijn. Figuur 3 – Energielabels (definitief en voorlopig volgens NEN7120) van de gebouwen in Zoetermeer

Bron: Startanalyse (PBL, 2020b).

De gemeente Zoetermeer heeft een ambitieniveau opgesteld voor de warmtevraag van de woningen in de gemeente: — maximale warmtevraag van 50 kWh/m2/jaar voor eengezinswoningen; — maximale warmtevraag van 75 kWh/m2/jaar voor de gestapelde bouw. Het ambitieniveau is vastgesteld op basis van een afweging over de beschikbare duurzame warmtebronnen in de gemeente en de benodigde isolatie om woningen voldoende warm te krijgen met warmte van lage- of middentemperatuur. Een maximale warmtevraag van 50 kWh/m2/jaar is geschikt voor verwarmen met LT-warmte (ca. 50 °C), zonder grote aanpassingen aan het afgiftesysteem. Verwarmen op lage temperatuur vereist een erg goede schilkwaliteit. De gemeente participeert in de landelijke lobby om deze waarden op nationaal niveau vastgesteld te krijgen in de isolatiestandaarden voor bestaande woningen.

6

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Standaard- en streefwaarden In het Klimaatakkoord is afgesproken dat er een ’Standaard’ (in kWh/m2/jaar) met bijbehorende streefwaarden voor individuele bouwdelen (zoals muren, vloer en glas) komt voor het isolatieniveau van woningen. De Standaard moet woningeigenaren, verhuurders en particulieren meer duidelijkheid geven over wat als goede en toekomstbestendige woningisolatie wordt beschouwd. Met isoleren naar de Standaard worden woningen voorbereid op verwarming met lagere temperaturen dan nu gebruikelijk is. In de kamerbrief over de Standaard voor woningisolatie van 18 maart 2021 (MinBZK, 2019) staat dat wanneer woningen worden geïsoleerd volgens de voorgestelde Standaard, dit betekent dat woningen van na 1945 geschikt zijn voor verwarming met warmte van 50 °C. Bij oudere woningen ontbreekt vaak een spouwmuur, waardoor verduurzamen tot dat niveau meer kostbaar en ingrijpend is. Voor woningen van voor 1945 geldt daarom een lagere standaard, namelijk isoleren tot een niveau dat deze woningen kunnen worden verwarmd met warmte van 70 °C. Een woning die voldoet aan de vooroorlogse Standaard (verwarmen 70 °C) is vergelijkbaar met een label D woning met HR-ketel en geen zonnepanelen.

Een woning die voldoet aan de naoorlogse Standaard (verwarmen met 50 °C) is vergelijkbaar met een label A/B-woning met HR-ketel, zonder zonnepanelen (MinBZK, 2021b).4 De standaard- en streefwaarden zijn (nog) niet verplicht.

Figuur 3 laat de energielabels zien. Deze zijn niet één-op-één te refereren aan deze verwarmingsvragen. Echter, globaal kun je stellen dat woningen met energielabel A/B al (bijna) voldoen aan de gemeentelijke norm van 50 kWh/m²/jr (verwarmen op 50 °C). Woningen met energielabel C/D komen globaal overeen met 75 kWh/m²/jaar (verwarmen op 70 °C).

2.5

Koudevraag Naast een warmtevraag, hebben gebouwen in toenemende mate een koudevraag. Dit komt doordat de gemiddelde buitentemperatuur stijgt door klimaatverandering. Een andere reden waarom de koudevraag toeneemt, is dat woningen een steeds beter isolatieniveau hebben (zowel nieuwbouwwoningen als bestaande woningen die extra isolatie hebben aangebracht). Woningen met een hoog isolatieniveau houden de warmte zo goed vast, dat ze op warme dagen hun warmte niet goed kwijt kunnen en de binnentemperatuur hoog blijft (RVO, 2018). Bij een isolatieniveau van 50 kWh/m2 kan koeling aan de orde komen: de ene bewoners zal koelingsmaatregelen toepassen en de ander niet. Bij een nog hoger isolatieniveau (denk aan NOM-woningen) kunnen koelingsmaatregelen een serieus aandachtspunt worden (Merosch, 2020b). De koelbehoefte is niet enkel afhankelijk van de isolatiegraad, maar bijvoorbeeld ook van de oriëntatie van de woning. Weren en afvoeren van warmte zijn slimme stappen om te nemen voordat je gaat koelen met een installatie. Weren van warmte kan bijvoorbeeld met zonwering, zonwerend glas of bomen die zorgen voor schaduw en daarmee warmtestraling voorkomen. Afvoeren van warmte gebeurt door middel van ventilatie.5 Momenteel gaat de meeste aandacht uit naar het beperken van de warmtevraag in de winter, niet zozeer naar de koudevraag in de zomer (RVO, 2018).

Het is dan ook nog niet duidelijk welke maatregelen zullen worden gekozen om in de groeiende koudevraag van ________________________________ 4 5

7

De relatie tussen Standaard en Energielabel is niet eenduidig! Topsector Energy : Factsheets koudetechnieken

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

woningen te voorzien. In de utiliteitsbouw is koeling momenteel al meer gangbaar dan bij woningen, met name in bepaalde typen utiliteitsgebouwen, zoals zorginstellingen, winkels, en kantoren (PBL, 2020b). Buurten met een substantiële koudevraag naast een warmtevraag zijn geschikt voor toepassing van WKO-systemen6 of andere bodemenergiesystemen, mits de ondergrond daarvoor geschikt is. De warmte die het systeem onttrekt aan woningen in de zomer regenereert de bodem. In deze buurten kan aquathermie in combinatie met een WKOsysteem een interessante oplossing zijn, omdat hierbij zowel warmte als koude kan worden onttrokken uit de waterbron. Ook kunnen warmtepompen voor koeling worden ingezet. Dit stelt wel eisen aan het warmteafgiftesysteem van gebouwen: vloerverwarming is meer geschikt dan LT-radiatoren (PBL, 2020b). Figuur 4 geeft de huidige koudevraag per woningequivalent 7 (afkorting: weq) weer voor de verschillende buurten in Zoetermeer. In de gebieden aan de rand van de gemeente is de gemiddelde koudevraag het hoogst. Dit zijn buurten met een groot aandeel utiliteitsgebouwen. Figuur 4 – Gemiddelde koudevraag per buurt (GJ/weq/jaar)

Bron: Startanalyse (PBL, 2020b).

________________________________ 6 7

8

WKO staat voor warmte-koudeopslag. In de Startanalyse staat een woningequivalent gelijk aan één woning of 130 m2 utiliteitsbouw.

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

3 Warmtebronnen in (regio) Zoetermeer In dit hoofdstuk presenteren we de beschikbare warmtebronnen in (de regio) Zoetermeer. De onderverdeling tussen bronnen voor individuele warmtetechnieken en bronnen voor grootschalige collectieve warmtetechnieken is niet strikt. Er zijn ook kleinschalige collectieve oplossingen waarbij individuele warmtepompen aangesloten worden op een gezamenlijke (bodem)bron. Daarnaast kunnen aquathermie, lagetemperatuurrestwarmte of zonthermie lokaal en kleinschalig ingezet worden voor enkele honderden woningen. In het wetvoorstel collectieve warmtevoorziening wordt gesproken van een grootschalig collectief warmtenet bij het aansluiten van meer dan 1.500 woningen, hierbij is vaak sprake van grootschalige warmtebronnen op hogere temperaturen zoals geothermie, biomassa, of MT- of HT restwarmte van de industrie of afvalverbranding (VBK, 2020).

3.1

Omgaan met potenties In de rest van dit hoofdstuk worden potenties weergegeven in TJ. Eén TJ komt ongeveer overeen met de warmtebehoefte van 25 woningen (CBS, lopend). Niet alle potentie kan ingezet worden. Bij potenties van warmtebronnen is het belangrijk om te beseffen dat deze potentie veelal een theoretische of technische potentie is (zie Figuur 5). Zowel de theoretische als de technische potentie kijken nog niet naar hoeveel warmte van de bron in de praktijk benut zal worden. Om dat te doen is het namelijk belangrijk om ook te kijken naar of de warmte op locatie ook praktisch gebruikt kan worden (is er wel vraag naar deze warmte?). Ook het praktische potentieel zal niet volledig worden ingezet. Dat hangt onder andere nog af van de maatschappelijke acceptatie voor de warmtebron, de vraag of er een verdienmodel kan worden gevonden, zodat de warmte ook daadwerkelijk kan worden ontsloten.

9

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Figuur 5 – Schematische weergave van de verhouding tussen verschillende vormen van potentieel

Theoretisch potentieel

Theoretische maximumhoeveelheid

Technisch potentieel

Houdt rekening met technische beperkingen

Praktisch potentieel

Houdt rekening met de match tussen vraag en aanbod

Inzetbare warmte

3.2

Daadwerkelijk in te zetten warmte

Bronnen voor individuele (of kleinschalige collectieve) oplossingen Ondiepe bodemenergie Ondiepe bodemwarmte kan met een warmtepomp benut worden om gebouwen te verwarmen. We onderscheiden twee typen ondiepe bodemenergiesystemen, namelijk: — Gesloten systeem (bodemlus): geschikt voor verwarmen van individuele woningen. — Open systeem (WKO): geschikt voor een flatgebouw of groot kantoorgebouw met minimaal 1.000 m2 vloeroppervlak, of een cluster van (bijvoorbeeld 100) gebouwen of woningen (ECW, 2020). IF Technology en Merosch hebben de geschiktheid van de bodem onderzocht in Zoetermeer voor open en gesloten bodemenergiesystemen die verschillende bodemreservoirs en diepten aanboren. Het onderzoek richtte zich op vier gebieden: Palenstein, Meerzicht, Driemanspolder en de Binnenstad, zie Figuur 6. De gebieden omvatten enkel hoogbouw, waarvoor grootschalige (open) bodemenergiesystemen geschikt zijn. De gebieden met laagbouw zijn niet meegenomen omdat het de verwachting is dat hier geen grootschalige bodemsystemen of andere grootschalige collectieve oplossingen zullen worden toegepast; en dat voor mogelijke individuele systemen van bewoners voldoende ruimte is. Tabel 2 geeft de capaciteit van de bodem in Zoetermeer voor bodemenergie weer.

Indien open en gesloten bodemenergiesystemen op verschillende diepte worden gecombineerd, is er tezamen meer dan voldoende potentie in ieder gebied om de warmtevraag te voorzien. In Palenstein is zelfs per techniek voldoende theoretische potentie beschikbaar.

10

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Figuur 6 - Gebieden waar de geschiktheid voor ondergrondse bodemenergietechnieken onderzocht is

Bron: (Merosch, 2020a).

Tabel 2 - Beschikbare capaciteit ondiepe bodemenergie(opslag) Gebieden

Capaciteit van de bodem

Palenstein

Voldoende

Meerzicht

Beperkt, combinatie van open en gesloten systemen vereist die verschillende bodemreservoirs en diepten aanboren, om de volledige warmtevraag te voorzien

Driemanspolder

Beperkt, combinatie technieken vereist die verschillende bodemreservoirs en diepten aanboren om de volledige warmtevraag te voorzien

Binnenstad

Beperkt, combinatie van open en gesloten systemen vereist die verschillende bodemreservoirs en diepten aanboren, om de volledige warmtevraag te voorzien

Warmtevraag gebouwen (TJ/jaar)

Maximale theoretische potentie bodem (TJ/jaar)

25,4

128

124-158

210

81-99

132

31

51

Bron: (Merosch, 2020a).

Er wordt concreet gewerkt aan een bodemenergieplannen voor de Entree (nieuwbouw), en de binnenstad zodat bodemenergiesystemen efficiënt gecombineerd kunnen worden. IF Technology heeft al het bodemenergieplan voor de Binnenstad opgesteld. Dit plan is weergegeven in Figuur 7. Ook het bodemenergieplan voor de Entree is opgesteld. Daaruit blijkt dat in het Entreegebied ruim voldoende potentie (23.570 MWh, ofwel 85 TJ) beschikbaar is om aan de verwachte warmtevraag (6.920 MWh, ofwel 25 TJ) te voldoen (IF Technology, 2021).

11

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Figuur 7 - Bodemenergieplan Binnenstad Zoetermeer

Bron: (IF Technology, 2020a).

De koudevraag van de gebieden in Tabel 2 en ook in het Entreegebied is substantieel lager dan de warmtevraag. Om de bodem energetisch in balans te houden, is het van belang om met een aanvullende warmtebron de bodem jaarlijks weer in balans te brengen (IF Technology, 2020b). Dit kan bijvoorbeeld door middel van aquathermie (warmte uit water), zonthermie of warmte uit de lucht.

Buitenlucht Warmtepompen op buitenlucht kunnen in heel Nederland toegepast worden, en dus ook in Zoetermeer. De buitenlucht is hierin geen beperkende factor.

Zonthermie Zonneboilers worden al lange tijd ingezet voor het verwarmen van tapwater. Hiermee kun je ongeveer de helft van je gasverbruik voor warm tapwater besparen (MilieuCentraal, lopend). Met behulp van zonnecollectoren of PVT-panelen (een zonnepaneel dat zowel elektriciteit als warm water levert) en een warmtepomp kun je de ruimtes in een woning verwarmen. Zonnecollectoren leveren warmte met een temperatuur hoger dan 70 °C. PVT-panelen leveren warmte met een temperatuur lager dan 50 °C en elektriciteit. Zonnewarmte voor ruimteverwarming wint de laatste jaren pas aan aandacht. Zonthermie kan ook worden gebruikt om WKO-systemen in balans te houden.

Waterstof In 2021 komt er naar verwachting een waterstoftankstation op het grondgebied van Lansingerland. Hier wordt door diverse partijen aan gewerkt in het kader van Energy Hub A12. In eerste instantie is dit waterstoftankstation bedoeld voor zwaar transport, bussen en vuilniswagens. In de toekomst kan dit mogelijk ook interessant zijn als hub voor de oudere delen van de gebouwde omgeving en buurten, zoals Dorp, die naar verwachting als laatste in de gemeente van het aardgas gaan. Wellicht is tegen die tijd er voldoende duurzame

12

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

waterstof om dit als bron mee te nemen. Of dit zo gaat zijn is momenteel nog niet bekend. Zowel de toekomstige beschikbaarheid, en daarmee ook de kosten van deze waterstof, zijn nog zeer onzeker.

3.3

Lokale bronnen voor collectieve oplossingen Restwarmte lage temperaturen Restwarmtebronnen op middentemperatuur (55-70 °C) of hogetemperatuur (>70 °C) zijn niet aanwezig in Zoetermeer. Er is wel lagetemperatuurcondenswarmte (< 50 °C) aanwezig van koelinstallaties van kleinere bedrijven. Deze condenswarmte kan benut worden als kleinschalige collectieve warmtebron. Het benutten van deze bronnen is maatwerk, waarbij ook leveringszekerheid op langere termijn een belangrijke afweging is. Er moeten langetermijncontracten met de leverancier worden afgesloten. Meerdere gemeenten in Nederland hebben hier inmiddels ervaring mee. Figuur 8 geeft de LT-warmtebronnen, waaronder restwarmte, weer. Twee bedrijven in Zoetermeer produceren veel restwarmte, namelijk CALL2 BV (1.180 TJ) en JF Luijten Vleeswaren BV (45 TJ). In de omgeving van Zoetermeer zijn twee datacenters aanwezig. Datacenters leveren over het algemeen een grote hoeveelheid LT-restwarmte (afhankelijk van de grootte kan een datacenter meerdere duizenden woningen van warmte voorzien). Specifieke gegevens van deze datacenters over de mogelijke capaciteit van de warmtelevering zijn niet publiek gemaakt. Het gaat hier om een datacentrum op het Forepark in Den Haag. Hiernaast zou er een datacentrum staan bij de dutch innovation factory, in de buurt Rokkehage. Dit datacentrum is niet weergegeven in Figuur 8.

Aquathermie Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) biedt mogelijkheden in de plassen en sloten in de gemeente. In de meeste gevallen bedraagt de potentie minder dan 1.000 GJ/jr (max. 25 huishoudens). Een uitzondering hierop is de Zoetermeerse plas waar een hoge potentie is (zie Figuur 8). Waterschap Rijnland heeft de haalbaarheid van TEO onderzocht in verschillende gebieden. Palenstein beschikt niet over haalbare opties voor aquathermie. De Nieuwe- Driemanspolder lijkt veel kansrijker voor TEO dan de Palensteinerpolder aangezien in dit gebied veel meer oppervlaktewater aanwezig is. Deze potentie is echter nog niet gekwantificeerd. Thermische energie uit afvalwater (TEA) heeft in de vorm van rioolleidingen en rioolgemalen in het westen van de gemeente een potentie van ca. 50 TJ (1.250 woningen). Het grootste rioolgemaal is AWTG Meerzicht, eigendom van Hoogheemraadschap Rijnland. In de gemeente zijn geen waterzuiveringsinstallaties aanwezig.

13

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Figuur 8 - Lagetemperatuurwarmtebronnen in Zoetermeer en omgeving

Thermische energie uit drinkwater (TED). Er liggen twee grote waterleidingen in Zoetermeer (zie Figuur 9): — een rivierwaterleiding tussen de snelweg en het spoor; — een 1.000 mm drinkwatertransportleiding aan de noordzijde van de snelweg. In Figuur 10 is de potentie van deze leidingen weergegeven. Warmte uit drinkwaterleidingen heeft een hoge potentie in het westen en zuiden van de gemeente.

14

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Figuur 9 - Ligging drinkwaterleidingen Dunea (zwarte lijn)

Bron: Dunea, 2021.

Figuur 10 - Potentieel energie uit drinkwaterleidingen in Zoetermeer

15

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Zonthermie Zon, opgevangen met zonnecollectorvelden, kan warmte op middentemperatuur (70 °C) leveren. Volgens een onderzoek dat CE Delft voor de provincie Zuid-Holland heeft uitgevoerd, is er in de gemeente Zoetermeer maximaal ruimte voor de opwek van 32 TJ aan warmte beschikbaar (goed voor ca. 750 woningen), rekening houdend met de beleidsregels uit de omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland (CE Delft, 2020). Deze ruimte is ook benodigd voor het plaatsen van zonnepanelen. Ook met collectoren op daken kan een collectief systeem gevoed worden. Zo word in de plannen voor het WKO-net in Palenstein gevoed met zonthermie van de daken van corporatieflats. In Haarlem is het bewonersinitiatief SpaarGas bezig met het ontwikkelen van het ZonneWarmteNet, een WKO-net voor eengezinswoningen gevoed door PVT-panelen, die zowel warmte als elektriciteit opwekken. Wanneer dit project succesvol blijkt, kan in soortgelijke wijken eenzelfde oplossing verkend worden (SpaarGas, 2020).

Geothermie Zoetermeer ligt op de grens van het gebied waar geothermie aanwezig is (Figuur 11). In grote delen van Zoetermeer is geothermie naar verwachting dan ook lastig te winnen. In de directe omgeving is echter wel veel potentie aanwezig. Er is reeds een opsporingsvergunning afgegeven vanuit de gemeente Zuidplas die de wijk Oosterheem omvat. Een opsporingsvergunning is aangevraagd voor het grootste deel van Zoetermeer. Deze vergunning is momenteel nog niet verleend (zie Figuur 12). Figuur 11 - Technische potentie van Geothermie

Bron: (Thermogis 2020).

16

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Figuur 12 – Vergunningen geothermie (aardwarmte)

Bron: (NLOG.nl, 2021).

De haalbaarheid van een tracé om ca. 900 hoogbouwwoningen van corporaties in Meerzicht te koppelen aan een geothermiebron in Noukoop is recent onderzocht in een tracéstudie (Royal HaskoningDHV, 2021), dit wordt in Paragraaf 3.4 verder omschreven. Warmtetransport over de gemeentegrenzen biedt kansen voor geothermie die net buiten Zoetermeer aanwezig is. Grootschaliger warmtetransport wordt besproken in de volgende paragraaf over Regionale warmtenetten.

Aandacht voor drinkwaterleidingen bij collectieve warmtetechnieken Overheden hebben, samen met de drinkwaterbedrijven, een wettelijke zorgplicht voor de (ruimtelijke) bescherming van de drinkwatervoorziening. Dunea benadrukt dat de komst van (midden en hoge temperatuur) warmtenetten de drinkwaterinfrastructuur op verschillende manieren beïnvloedt: — Opwarming van drinkwater door warmtebeïnvloeding van nabij liggende warmte-afgevende infrastructuren. Drinkwater mag niet warmer worden dan 25 °C om de kwaliteit en gezondheid te garanderen. — Ruimtedruk in de ondergrond door aanleg of uitbreiding van warmte- en elektriciteitsinfrastructuur. Deze hebben impact op bestaande en toekomstige drinkwaterleidingtracés, met dure aanpassingen en gebrek aan ruimte voor toekomstige uitbreidingen tot gevolg. In Zoetermeer is aandacht nodig voor de drinkwaterinfrastructuur, er zijn geen grondwaterreserves en waterwingebieden aanwezig.

17

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

3.4

Regionale warmtenetten In het kader van de RES Rotterdam Den Haag zijn er twee verkenningen uitgevoerd naar de mogelijkheden van een regionaal warmtetransportsysteem. Dit warmtetransportsysteem zou restwarmte uit de Rotterdamse haven, en geothermie regionaal over gemeentegrenzen kunnen transporteren. Uit de verkenningen komt naar voren dat de mogelijkheden van zo een warmtetransportsysteem naar de gemeente Zoetermeer in grote mate afhangen van het project Warmte Samenwerking Oostland.

Standpunt regionale warmtenetten van gemeente Zoetermeer Het voorlopige standpunt is dat er nog geen keuze wordt gemaakt of commitment wordt uitgesproken voor één warmtealternatief bij voorbaat, inclusief de WarmtelinQ of een aftakking daarvan (Gemeente Zoetermeer, 2020). Het is niet helder of het haalbaar en betaalbaar is én Zoetermeer kan de extra kosten als gemeente niet dragen. Er is wel volledig commitment voor de verkenning van opties. Dus ook voor de verkenning op een aansluiting op een regionaal warmtenet (WarmtelinQ) met restwarmte als bron ter vervanging van aardgas. De keuze voor het alternatief voor aardgas wil Zoetermeer zoveel mogelijk in overleg met woningeigenaren maken.

Warmte Samenwerking Oostland (WSO) Het project Warmte Samenwerking Oostland richt zich op het ontwikkelen van een gezamenlijke warmtestructuur voor een deel van de gebouwde omgeving en de glastuinbouw van de gemeenten Lansingerland, Pijnacker-Nootdorp, Zoetermeer, Waddinxveen en Zuidplas, gebaseerd op de beschikbaarheid van geothermie in deze gemeenten. Een gezamenlijke warmtestructuur voor de gebouwde omgeving en de glastuinbouw biedt samenwerkingskansen. Tuinbouw kan ’s nachts warmte afnemen, waardoor het warmtevraagpatroon gelijkmatiger wordt. De tuinbouw kan ’s nachts de warmtebuffers laden en indien mogelijk daarmee zelfs de pieklast van het warmtenet leveren. Hierdoor krijg je een optimaal en gelijkmatig leveringsprofiel. Daarnaast is er ook de mogelijkheid van cascadering waarbij eerst warmte wordt geleverd aan de gebouwde omgeving en vervolgens de retourwarmte aan de glastuinbouw. Figuur 13 laat zien welke bestaande en potentiële duurzame bronnen aanwezig en beschikbaar zijn in Oostland. Lokale geothermiepotentie aangevuld met biomassapotentie in Oostland zijn interessant voor regionale uitwisseling van warmte. Geothermie en biomassa kunnen 2,4-5,1 PJ of 17 tot 35% van de warmtevraag in Oostland voorzien, waarbij de ondergrens de bestaande levering is en de bovengrens de maximale benutting van het beschikbare potentieel (zie Tabel 3).

Tabel 3 – Warmtelevering lokale regionale warmtebronnen Oostland

Geothermie

Bestaande installaties (PJ/jaar)

Maximale potentie (PJ/jaar)

2,1

4

Biomassa

0,3

1,1

Totaal Oostland

2,4

5,1

Bron: (WSO, 2019).

18

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Figuur 13 – Geografisch overzicht bestaande en potentiële duurzame bronnen Oostland8

Bron: (WSO, 2019).

Binnen het project wordt ook gekeken naar een aftakking van het geplande tracé van de WarmtelinQ om het warmtesysteem aanvullend te voorzien in restwarmte vanuit de haven en de RoCa-energiecentrale. Figuur 14 geeft het grand design van de Warmte Samenwerking Oostland weer. Er zijn twee concrete projecten die momenteel door WSO worden onderzocht met kansen voor Zoetermeer. Het gaat hier om een onderzoek naar de haalbaarheid van het aanleggen van een warmteleiding tussen een geothermiebron in Noukoop richting de wijk Meerzicht, en de verkenning van een leiding ten zuiden van Zoetermeer. Beide projecten worden hierna nog verder omschreven. Figuur 14 – Grand design Warmte Samenwerking Oostland

Bron: (WSO, 2020).

________________________________ 8

Eén SDE++-aanvraag voor een biomassaketel is niet gegund. Dit verlaagt het biomassapotentieel met ca. 12,5 MW (13% van de totale toekomstige biomassalevering).

19

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Verkenning tracé Noukoop-Meerzicht In het glastuinbouwcluster Noukoop is er een initiatief van Haagse Aardwarmte en Engie om een geothermiebron te slaan. Voor dit project is reeds SDE-subsidie en een concessieverlening afgegeven. Het doel is om deze bron in 2023 in bedrijf te hebben. De bron is groot genoeg om ook woningbouw in de omgeving op aan te sluiten. Om deze reden heeft er een verkenning plaatsgevonden die kijkt naar de haalbaarheid en kansrijkheid om corporatiewoningen in de wijk Meerzicht via een warmteleiding aan te sluiten op deze geothermiebron. Deze verkenning is berekend voor een achttal corporatieflats, met in totaal 1.382 appartementen. Het laat zien dat het tracé technisch kan worden gerealiseerd, maar dat voor enkel de bekeken woningen er nog geen rendabele businesscase te vormen is. Het uitbreiden (meer woningen aansluiten) van het net leidt ertoe dat de businesscase wel rendabel kan worden. Deze studie is nog een eerste verkenning, er zullen aanvullende studies gedaan moeten worden om uiteindelijk een keuze te kunnen maken of dit tracé aantrekkelijk is. Momenteel lopen er gesprekken tussen WSO, de gemeente Zoetermeer en de woningcorporaties of, en zo ja op welke wijze, er een vervolgstudie zal worden uitgevoerd.

Verkenning oost-west leiding ten zuiden van Zoetermeer De Warmtesamenwerking Oostland is aan het verkennen of de glastuinbouwclusters Klapwijk en Noordpolder aan elkaar verbonden kunnen worden met een warmteleiding. Momenteel worden hier verkennende studies naar gedaan. Naar verwachting is voor 2025 duidelijk of deze leiding ook daadwerkelijk gerealiseerd gaat worden. Het beoogde tracé loopt ten zuiden van het bedrijventerrein Lansinghage en de wijk Rokkeveen. Er is nog flexibiliteit in het tracé-ontwerp, waarmee mogelijk ook warmte geleverd kan worden voor deze gebieden. De verkenning voor Meerzicht kan duidelijk maken onder welke condities zo een aansluiting aantrekkelijk is en mogelijk weer gebruikt kan worden voor deze gebiedsontwikkeling.

Restwarmte uit Rotterdam Bovenregionale warmte-uitwisseling van warmte uit Rotterdam en het havengebied kan ook bijdragen aan de warmtevoorziening in het WSO. WSO rekent voor de invulling van de warmtevraag naast de lokale regionale warmtebronnen op een aanvullende 4,1-9,2 PJ restwarmtetransport vanuit Rotterdam. Dit is 28–64% van de totale warmtevraag van de deelnemende partijen van het WSO (2019). Momenteel wordt nagedacht over aansluiting van de WSO op het WarmtelinQ tracé nabij Delft. Deze aftakking zal dan aansluiten op de Oost-West leiding van de WSO zoals hiervoor beschreven. Er wordt momenteel gekeken naar de mogelijkheid om een T-stuk te laten plaatsen wanneer de WarmtelinQ wordt aangelegd om latere aansluiting op de WarmtelinQ mogelijk te maken. Hiernaast geeft WSO aan dat het eventueel ook nog mogelijk zou zijn om, bij verlenging van het WarmtelinQ tracé richting Leiden, een aftakking te plaatsen op dit tracé. Deze aftakking zou mogelijk de A12 kunnen volgen, en daarmee dwars door de gemeente Zoetermeer lopen. Deze aftakking is nog niet onderzocht, en zeer onzeker.

20

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

3.5

Conclusie In de gemeente Zoetermeer zelf is warmte op lage temperatuurniveaus (<55 °C) beschikbaar. Warmte uit water (aquathermie) is overvloedig aanwezig in het zuidelijk en westelijk deel van de gemeente en voor de buurten rondom de Zoetermeerse plas. Daarnaast zijn er ook nog twee bedrijven met een omvangrijke restwarmtepotentie. In het oostelijk deel van Zoetermeer is de LT-warmtelevering beperkt. De bodem in Zoetermeer is geschikt voor bodemenergiesystemen en lijkt in de gehele gemeente over een hoge potentie te beschikken. Nader onderzoek heeft aangetoond dat de potentie voldoende is om de warmtevraag te voorzien van gebieden in het Entreegebied, Meerzicht, Palenstein, Driemanspolder en de Binnenstad. Andere gebieden in Zoetermeer zijn nog niet nader onderzocht. Warmte met hogere temperaturen (circa 70 °C) kan via de WSO of koppeling met de WarmtelinQ naar Zoetermeer getransporteerd worden. Warmte op hogere temperaturen is direct bruikbaar zonder opwaardering met elektriciteit, maar vereist wel piekvoorziening. Mogelijk is er potentie voor geothermie in Zoetermeer, maar dit is nog erg onzeker en vereist verder onderzoek. Geothermie-warmtetransport afkomstig van buiten de gemeentegrenzen wordt onderzocht en kan in 2023 beschikbaar komen in Meerzicht.

21

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

4 Studies naar de kosten van warmtetechnieken In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten hun keuze voor een aardgasvrije warmtetechniek programmeren op basis van de laagste nationale kosten en kosten voor de eindgebruiker. Een ander belangrijk uitgangspunt bij de transitie naar aardgasvrij is woonlastenneutraliteit (Rijksoverheid, 2019). In dit hoofdstuk leggen we allereerst uit wat het verschil is tussen de termen nationale kosten, eindgebruikerskosten en woonlastenneutraliteit. Vervolgens gaan we in op verschillende studies die de nationale kosten van warmtetechnieken hebben berekend. Deze studies worden in Zoetermeer niet gebruikt om een keuze te maken over warmtetechnieken, maar geven wel een beeld van mogelijk technieken. Gezien de afspraken uit het Klimaatakkoord is het belangrijk om bij het opstellen van de transitievisie de analyses in Zoetermeer te vergelijken met deze studies op basis van nationale kosten. Aan het eind van het hoofdstuk gaan we nog nader in op de werkwijze die de gemeente Zoetermeer hanteert bij het bepalen van een haalbare en betaalbare energietransitie.

4.1

Nationale kosten, eindgebruikerskosten en woonlastenneutraliteit Nationale kosten Nationale kosten zijn de totale kosten voor de maatschappij van alle maatregelen die nodig zijn om ergens (bijvoorbeeld in een buurt) over te stappen op een aardgasvrije warmtetechniek, ongeacht wie die kosten betaalt. Nationale kosten zijn de totale kosten over de hele keten: — Productie: kosten voor het in gebruik nemen van warmtebronnen. — Distributie: kosten voor het eventueel aanleggen van een warmtenet, verzwaren van het elektriciteitsnet, aanpassen of verwijderen van het gasnet. — Gebouwmaatregelen: kosten voor de warmte-installatie en isolatiemaatregelen. — Consumptie: inkoop van energie (zoals elektriciteit). Door te rekenen met nationale kosten, kunnen technieken objectief met elkaar vergeleken worden, zonder dat de keuze wordt beïnvloed door huidige marktwerking, winstoogmerken, belastingen en subsidies. De nationale kosten wijken af van de kosten die de verschillende partijen in de keten dragen. De verschillende partijen hebben te maken met tarieven, in plaats van daadwerkelijke kosten. Vanuit de gedachte dat de nationale kosten uiteindelijk worden doorberekend aan de eindgebruikers, kan het echter wel een logische keuze zijn te richten op de warmtetechniek met de laagste nationale kosten.

22

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Eindgebruikerskosten De eindgebruikerskosten zijn alle kosten die een bewoner of pandeigenaar betaalt voor de omschakeling naar aardgasvrij verwarmen. De eindgebruikerskosten bestaan uit investeringskosten (o.a. aanschaf van installaties en isolatie) en doorlopende kosten (kosten voor energie en onderhoud). Daarnaast zijn er subsidies en belastingen. Het belangrijkste verschil met de nationale kosten, is dat de eindgebruikerskosten rekening houden met alle kosten en opbrengsten die specifiek zijn voor de eindgebruiker, wat betekent dat deze ook tarieven, belastingen en subsidies omvatten. De eindgebruikerskosten geven inzicht in de rekening die de eindgebruiker uiteindelijk betaalt bij verschillende warmtetechnieken: is de techniek betaalbaar? In het volgende tekstkader staat een voorbeeld van het verschil tussen nationale kosten en eindgebruikerskosten.

Voorbeeld: verschil nationale kosten en eindgebruikerskosten Een buurt wordt aangesloten op een warmtenet. De kosten voor deze aanpak bestaan onder andere uit het aanleggen van een warmtenet, het plaatsen van installaties in de woning om van de warmte gebruik te maken, het aanbrengen van eenvoudige isolatie om de warmte beter binnen te houden en de kosten voor het gebruik van warmte. Bij nationale kosten worden al deze kosten bij elkaar opgeteld. Er wordt geen rekening gehouden met het feit dat de warmteleverancier de kosten inclusief winstmarge voor het aanleggen uiteindelijk doorrekent naar een woningeigenaar: de kosten worden gemaakt, en bij wie de kosten terechtkomen is voor deze berekening niet relevant. Op deze wijze kunnen verschillende technieken, waarbij er andere regels gelden over eigendom en doorrekenen van kosten, objectief met elkaar worden vergeleken. De eindgebruikerskosten voor een bewoner zijn slechts deels gerelateerd aan deze nationale kosten. Een bewoner draagt de kosten aan installaties en woningisolatie, en betaalt verder een energierekening. De energierekening is gebaseerd op leverancierstarieven en belastingtarieven en is geen één-op-één doorrekening van de kosten van de infrastructuur en energieproductie. Hiernaast kan een bewoner gebruik maken van subsidies waardoor de kosten voor de bewoner lager worden.

Op basis van deze kostenberekening bepaalt een woningeigenaar of deze een warmtetechniek kan en wil betalen. De nationale kosten die dit vraagt zijn hiermee echter buiten beeld.

De warmtetechniek met de laagste nationale kosten is dus niet vanzelfsprekend de warmtetechniek met de laagste eindgebruikerskosten voor bewoners, bij vastgelegde tarieven en belastingen. De gemeente Zoetermeer kijkt met de doelstelling Haalbaar en Betaalbaar meer focus op de kosten voor eindgebruikers dan op de nationale kosten. Een analyse van de verschillen tussen de techniek met laagste eindgebruikerskosten en laagste nationale kosten, geeft input aan discussies over waar de marktordening of het nationaal beleid aangepast moet worden.

Woonlastenneutraliteit Woonlastenneutraliteit is het gelijk blijven of lager worden van de maandelijkse lasten die een huishouden betaalt aan energie (gas, elektriciteit en warmte) en hypotheeklast of huur. Dat wil zeggen dat de verlaging van de energierekening van een huishouden minimaal gelijk

23

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

is aan de maandelijkse financieringskosten of huurverhoging op het moment dat de energiebesparende maatregelen worden genomen. 9 Zoetermeer hanteert zelf een eigen definitie van woonlastenneutraliteit: De maatregelen uit de transitievisie moeten haalbaar en betaalbaar zijn. Waarbij betaalbaarheid wordt gedefinieerd als passend binnen de kosten voor groot onderhoud en energielasten.

4.2

Nationale kosten In deze paragraaf gaan we nader in op de conclusies die twee studies, naar de nationale kosten, trekken over de warmtetechnieken in Zoetermeer. Het gaat hier om de landelijke Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving en het Openingsbod Warmtetransitie van Netbeheerder Stedin.

Rekenmodellen presenteren nationale kosten op buurtniveau Zowel de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving als het Openingsbod Warmtetransitie van Stedin geven inzicht in de warmtetechnieken met de laagste nationale kosten. Beide modellen presenteren de resultaten op CBS-buurtniveau. In het Klimaatakkoord staat dat in de transitie naar aardgasvrij verwarmen wordt gekozen voor een wijkgerichte aanpak. Dit houdt in dat gemeenten wijk voor wijk (of buurt voor buurt) aan de slag gaan met de warmtetransitie en op wijk-/buurtniveau bepalen wat de beste oplossing is als gebouwen niet langer met de cv-ketel worden verwarmd. Er is gekozen voor een wijkgerichte aanpak omdat het organiseren van de eventuele benodigde infrastructuur, bijvoorbeeld warmtenetten, of verbouwingen succesvoller verloopt als buren hierin met elkaar en de lokale overheid optrekken (Rijksoverheid, 2019). De gemeente Zoetermeer kiest in plaats van een wijk- of buurtgerichte aanpak op basis van nationale kosten, voor een projectmatige aanpak in woningclusters op basis van lokale businesscases. Hoofdstuk 4.4 beschrijft hoe deze indeling in clusters tot stand is gekomen. Toch kunnen de resultaten van de Startanalyse en het Openingsbod Warmtetransitie tot relevante inzichten leiden voor de TVW Zoetermeer.

Startanalyse De Startanalyse van het PBL is een technisch-economische doorrekening die inzicht geeft in de nationale kosten van verschillende aardgasvrije warmtetechnieken. De Startanalyse onderscheidt vijf zogenoemde strategieën (binnen deze strategieën bestaan verschillende varianten aangeduid met een kleine letter): — Strategie 1: Individuele elektrische warmtepomp. — Strategie 2: Warmtenet met midden- en hogetemperatuurbronnen. — Strategie 3: Warmtenet met lagetemperatuurbronnen. — Strategie 4: Groengas. — Strategie 5: Waterstof. Tabel 4 laat op buurtniveau zien welke aardgasvrije warmtetechniek volgens de Startanalyse de laagste nationale kosten heeft. Figuur 15 geeft de uitkomsten weer op kaart.

________________________________ 9

24

Klimaatakkoord : Afspraken voor Gebouwde omgeving. Wat is woonlastenneutraliteit?

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Een aantal Zoetermeerse buurten komen in de Startanalyse uit op een warmtenet (MT of LT) gevoed door een LT-bron. Deze optie is echter voor slechts een (klein) deel van de betreffende buurten de optie met de laagste nationale kosten. Tabel 4 geeft tevens aan voor welke percentage van de buurt het warmtenet optie met de laagste nationale kosten is, en welk percentage laagste nationale kosten heeft met het verwarmen met een elektrische warmtepomp. Hierbij benadrukken we dat om het aanleggen van een warmtenet betaalbaar te houden, een groot deel van de buurt op deze warmtetechniek over moet stappen. Tabel 4 – Uitkomsten Startanalyse10 Buurtnaam

Strategie

Beschrijving

Minimaal isolatieniveau bij de strategie

Dorp

s1a

Elektrische luchtwarmtepomp

Stadscentrum

s2d

MT-net gevoed door restwarmte

Palenstein

s2d

MT-net gevoed door restwarmte

Driemanspolder

s2e

MT-net gevoed door geothermie

Meerzicht-West

s2d

MT-net gevoed door restwarmte

Meerzicht-Oost

s2e

MT-net gevoed door geothermie

Buytenwegh

s2d

MT-net gevoed door restwarmte

De Leyens

s3h

84% Elektrische warmtepomp 1 6% MT-net gevoed door LT-bron (TEO)

Seghwaert-Zuid-West

s2d

MT-net gevoed door restwarmte

Seghwaert-Noord-Oost

s2d

MT-net gevoed door restwarmte

Noordhove-West

s1a

Elektrische luchtwarmtepomp

Noordhove-Oost

s3f

100% Elektrische warmtepomp 0% MT-net gevoeld door LT-bron (restwarmte)

Rokkeveen-West

s1a

Elektrische luchtwarmtepomp

Rokkeveen-Oost

s1a

Elektrische luchtwarmtepomp

Oosterheem-Zuid-West

s1a

89% Elektrische luchtwarmtepomp 11% MT-net (bestaand warmtenet)

Oosterheem-Noord-Oost

s1a

51% Elektrische luchtwarmtepomp 49% MT-net (bestaand warmtenet)

B

Rokkehage c.a.

s1b

95% Elektrische bodemwarmtepomp 5% MT-net (bestaand warmtenet)

B

Lansinghage c.a.

s3f

98% Elektrische warmtepomp 2% MT-net gevoed door LT-restwarmte

D

Zoeterhage c.a.

s3a

97% Elektrische warmtepomp 3% LT-net gevoed door LT-restwarmte

B

Hoornerhage c.a.

s3a

98% Elektrische warmtepomp 2% LT-net gevoed door LT-restwarmte

B

Balijbos

s1a

Elektrische luchtwarmtepomp

Westerpark c.a.

s1a

Elektrische luchtwarmtepomp

Buitengebied-West

s3f

99% Elektrische warmtepomp 1% MT-net gevoed door LT-restwarmte

B B D

B D D D D D D D D D B D

B B B

________________________________ 10

Als de strategie met de laagste nationale kosten een warmtenet met een LT-bron is, dan kijkt de Startanalyse voor welk deel van de buurt (% aansluitingen) zo’n warmtenet met LT-bron de laagste nationale kosten heeft, en voor welk deel van de buurt dat geldt voor individuele elektrische warmtepompen. Als deze situatie zich voordoet, geven we in de tabel de verdeling van deze twee oplossingen weer.

25

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Buurtnaam

Strategie

Beschrijving

Meerpolder

s4c

Hybride warmtepomp op groengas

Scheidingszone

s1a

Elektrische luchtwarmtepomp

Van Tuyllpark

s3f

94% Elektrische warmtepomp 6% MT-net gevoed door LT-restwarmte

Minimaal isolatieniveau bij de strategie

D B D

Figuur 15 – Strategie met de laagste nationale kosten

Bron: Startanalyse (PBL, 2020a).

De elektrische warmtepomp en het LT-warmtenet verwarmen op LT-niveau en vereisen daarom een isolatieniveau van 50 kWh/m2. Dit komt overeen met het minimale isolatieniveau dat Zoetermeer wil gaan hanteren voor eengezinswoningen. Voor de panden die uitkomen op deze warmtetechnieken en die nog niet aan deze isolatie-eis voldoen, zal een relatief groot deel van de nationale kosten bestaan uit de kosten voor isolatiemaatregelen. In de buurten die uitkomen op een warmtenet gaat een relatief groot deel van de totale nationale kosten naar distributiekosten (aanleggen en onderhouden van een warmtenet). De MT-warmtebronnen worden in de Startanalyse gevoed door restwarmte (uit het Rotterdamse havengebied), geothermie of LT-warmtebronnen waarvan de temperatuur met behulp van een collectieve warmtepomp naar MT-niveau wordt gebracht. De LT-bronnen die de Startanalyse in Zoetermeer voorziet, zijn restwarmte of thermische energie uit oppervlaktewater (TEO).

26

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Openingsbod Warmtetransitie Het Openingsbod Warmtetransitie is een hulpmiddel van Stedin om besluitvorming over de warmtetransitie te versnellen. Het vergelijkt uitkomsten van verschillende modellen voor verschillende scenario’s en komt hiermee tot een warmtetechniek per buurt. We hebben gekeken naar de uitkomsten van 2021. Figuur 16 laat zien welke warmtetechniek in de buurten van Zoetermeer de laagste nationale kosten heeft in verschillende scenario’s, oftewel ‘energietoekomsten’ (Stedin, lopend): — Energietoekomst Ruim Warmte & Ruim Gas: in de toekomst is duurzaam gas (groengas of waterstof) ruim beschikbaar voor de gebouwde omgeving. Voor warmtenetten zijn geothermie, restwarmte en TEO en TEA ruim beschikbaar. — Energietoekomst Ruime Warmte & Beperkt Gas: in deze toekomst is duurzaam gas beperkt beschikbaar voor de gebouwde omgeving. Voor warmtenetten zijn geothermie, restwarmte en TEO en TEA ruim beschikbaar. — Energietoekomst Beperkte Warmte & Beperkt Gas: in deze toekomst is duurzaam gas beperkt beschikbaar voor de gebouwde omgeving. Voor warmtenetten zijn geothermie, restwarmte en TEO en TEA beperkt beschikbaar. Figuur 16 – Uitkomsten van de verschillende scenario’s van het Openingsbod Warmtetransitie (aantallen in weq)

Opmerking: Geel (E) = all electric; Paars (G) = duurzaam gas; Rood (MT/HT) = MT-/HT-warmtenet.

We zien dat de beschikbaarheid van de hoeveelheid duurzaam gas in belangrijke mate bepalend is voor het aantal buurten met duurzaam gas als uitkomst. Toch zijn er in de energietoekomst waarin duurzaam gas ruim beschikbaar is, zeven buurten met laagste nationale kosten bij een all electric warmtetechniek en drie bij een MT-/HT-warmtenet. Het beperken van de beschikbaarheid van warmte, leidt tot minder woningequivalenten met uitkomst MT-/HT-warmtenet. De uitkomst is dus afhankelijk van de beschikbaarheid van warmtebronnen. In de gemeente Zoetermeer bevinden zich geen buurten met een LT-warmtenet als uitkomst. De andere warmtetechnieken hebben lagere nationale kosten. Het Openingsbod geeft ook aan hoe robuust de uitkomst is. Wanneer een buurt in verschillende modellen en energietoekomsten op dezelfde warmtetechniek met de laagste nationale kosten uitkomt, is de uitkomst zekerder. In Zoetermeer bevinden zich robuuste buurten met all electric en duurzaam gas als technologie met laagste nationale kosten. In de gemeente bevinden zich geen robuuste buurten voor MT-/HT-warmtenetten.

27

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

De volgende buurten hebben de hoogste robuustheidsscore, zie ook Figuur 17: — All electric: Buitengebied-West, Balijbos, Oosterheem-Zuid-West. — Duurzaam gas: Meerpolder, Hoornerhage c.a. Figuur 17 – Robuustheid van de uitkomsten uit het Openingsbod Warmtransitie: de robuuste buurten zijn donker gekleurd met de warmtetechniek die het meest robuust is voor die buurt

Conclusie Buurten aan de rand van de gemeente de laagste nationale kosten bij individuele warmtetechnieken Uit zowel de Startanalyse als het Openingsbod blijkt dat de buurten aan de rand van de gemeente de laagste nationale kosten hebben bij het inzetten van een individuele warmtetechniek. In de meeste gevallen is dit een elektrische warmtepomp, maar uit het Openingsbod komen twee buurten (Meerpolder en Scheidingszone) naar voren met de laagste nationale kosten bij het inzetten van een hybride warmtepomp met duurzaam gas. In deze buurten bevinden zich slechts een klein aantal gebouwen. Duurzame gassen zullen voorlopig niet beschikbaar zijn voor het verduurzamen van gebouwen (zie kader).

Waterstof en groengas spelen voorlopige geen significante rol bij verduurzamen gebouwde omgeving Groengas en waterstof zijn energiedragers die op termijn aardgas kunnen vervangen als brandstof voor de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving. Groengas en waterstof zullen zeker tot 2030 echter geen significante rol kunnen spelen in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Ook is de toekomstige beschikbaarheid en prijs van deze gassen is zeer onzeker, waardoor waterstof en groengas ook na 2030 voor

28

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

de gebouwde omgeving naar verwachting alleen een logische optie zijn als er geen andere reële warmtealternatieven voorhanden zijn (MinBZK, 2021a). Groengas De potentiële groengasproductie in de regio, maar ook de (inter)nationale potentie, ligt ver onder de huidige aardgasvraag. In het Klimaatakkoord heeft de groengassector het streven uitgesproken om in Nederland 70 PJ groengas te produceren in 2030. Dit is ongeveer 6% van de huidige aardgasvraag. Het is nog onbekend of deze ambitie gehaald wordt, maar groengas zal sowieso een schaars product blijven. Daarnaast is het lastig om al toekomstbestendig groengas te alloceren aan bepaalde wijken. In lijn met de Routekaart Groen Gas ligt het daarom voor de hand om de warmtetransitie niet te beginnen met het inzetten van groengas (MinBZK, 2021a). Waterstof Waterstof komt niet op grote schaal als molecuul in de natuur voor, maar kan worden geproduceerd uit aardgas, waarbij CO₂ vrijkomt, maar kan ook klimaatneutraal zijn. Dit kan door CO₂ af te vangen en op te slaan (‘blauwe waterstof’) of door waterstof direct te produceren uit duurzame elektriciteit of vergassing van biomassa (‘groene waterstof’). Waterstof opgewekt uit duurzame elektriciteit heeft in Nederland een beperkt productiepotentieel. De ambitie is om in 2030 250-350 kton aan waterstof te produceren.

Dit is 30-40% van de hoeveelheid waterstof die nu in Nederland wordt gemaakt uit aardgas voor gebruik in de industrie. De Rijksoverheid (2020a) en natuurorganisatie Natuur en Milieu hebben aangegeven waar waterstof het meest zinvol kan worden ingezet. Dit is allereerst in de industrie en voor het zwaar transport omdat hiervoor geen goede alternatieven voorhanden zijn.

De buurten rondom het centrum mogelijk lage nationale kosten bij een MT-/HT-warmtenet De Startanalyse laat zien dat verschillende buurten rondom het centrum de laagste nationale kosten hebben bij het inzetten van een warmtenet met een aanlevertemperatuur van rond de 70 °C. Het Openingsbod geeft een vergelijkbaar beeld, echter is de uitkomst voor deze buurten niet geclassificeerd als robuust.

4.3

Eindgebruikerskosten De eindgebruikerskosten zijn alle kosten die een bewoner of pandeigenaar betaalt voor de omschakeling naar aardgasvrij verwarmen. Het belangrijkste verschil met de nationale kosten, is dat de eindgebruikerskosten rekening houden met alle kosten en opbrengsten die specifiek zijn voor de eindgebruiker, wat betekent dat deze ook tarieven, belastingen en subsidies omvatten. De eindgebruikerskosten geven inzicht in de rekening die de eindgebruiker uiteindelijk betaalt bij verschillende warmtetechnieken.

Dashboard Eindgebruikerskosten Het Dashboard Eindgebruikerskosten van ECW is opgesteld door TNO en geeft de eindgebruikerskosten voor verschillende woningtypes (incl. energielabel), duurzame warmtestrategieën en eigenaarschappen. De duurzame warmtestrategieën zijn weergegeven in Tabel 5 en komen overeen met de strategieën uit de Startanalyse.

29

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Methodologie De eindgebruikerskosten zijn alle kosten en baten die gepaard gaan met verduurzaming. De eindgebruikerskosten bestaan uit investeringen, energiekosten en kosten voor onderhoud. De investeringen worden omgerekend naar jaarlijkse kosten via een lening. Voor eigenaar-bewoners geldt hierbij de voorwaarden van de Energiebespaarlening van het Duurzaam Warmtefonds. Particuliere en sociale verhuurders hebben andere financieringsvormen. De optelsom van de jaarlijkse leninglasten, jaarlijkse energiekosten en jaarlijkse onderhoudskosten geeft de totale jaarlijkse eindgebruikerskosten. Het doel van het Dashboard is om globale inschatting te geven van de verduurzamingskosten voor een woning. Het model gebruikt standaardwoningen en kijkt daarbij naar woningtype (rijwoning, vrijstaande woning, …) en energielabel en maakt bijvoorbeeld geen onderscheid in bouwjaar.

De modelresultaten in Figuur 18 en Figuur 19 tonen de eindgebruikerskosten voor eigenaarbewoners voor het jaar 2020 en het jaar 2030. Uitgebreide resultaten zijn terug te vinden in de tabellenbijlage. We noteren de belangrijkste bevindingen voor 2020 en leggen vervolgens uit welke ontwikkelingen er verwacht worden naar 2030. Tabel 5 - Duurzame warmtestrategieën Startanalyse Variantcode

Warmtebron of -installatie

Schillabel

Categorie warmtevoorziening

S1a

Lucht-warmtepomp (WP)

B+

Warmtepomp

S1b

Bodem-WP

B+

Warmtepomp

S2a

MT-restwarmte

B+

MT-net

S2b

MT-geothermie

B+

MT-net

S2d

MT-restwarmte

D+

MT-net

S2e

MT-geothermie

D+

MT-net

S3a

LT-warmtebron, levering 30 °C

B+

LT-net

S3b

LT-warmtebron, levering 70 °C

B+

MT-net

S3d

WKO, levering 50 °C

B+

LT-net

S3e

TEO + WKO, levering 70 °C

B+

MT-net

S3f

LT-warmtebron, levering 70 °C

D+

MT-net

S3h

TEO + WKO, levering 70 °C

D+

MT-net

S4a

Hybride-WP groengas

B+

Gasoptie

S4b

HR-ketel groengas

B+

Gasoptie

S4c

Hybride-WP groengas

D+

Gasoptie

S4d

HR-ketel groengas

D+

Gasoptie

Interpretatie van modelresultaten Het is van belang om bij de vergelijking tussen de kosten rekening te houden met het feit dat de gepresenteerde kosten een resultaat zijn van modelberekeningen. In iedere modelberekening zit een vorm van onzekerheid. De resultaten zijn dus geen absolute waarheid, maar een schatting op basis van de best beschikbare informatie. In de praktijk betekent dit dat modelresultaten nuttig zijn om mee te nemen in de afweging tussen aardgasvrije technieken, maar dat dit geen absolute zekerheid biedt. Het is dus van belang om met die bril de resultaten te interpreteren.

30

200235 - Achtergrondrapportage bij transitievisie warmte Zoetermeer – Oktober 2021

Conclusie Aan de hand van de resultaten uit het Dashboard kunnen we volgende globale conclusies trekken: — De kosten van de aardgasvrije strategieën zijn in bijna alle woningtypen hoger dan het blijven verwarmen met een gasketel. Dit betekent dat aardgasvrij worden op dit moment niet woonlastenneutraal is voor de gemiddelde woningeigenaar. Dit hoeft niet voor alle individuele woningen te gelden, het gaat immers om een gemiddelde. Hiernaast gaat deze berekening niet uit van het nemen van maatregelen op natuurlijke momenten. Dit kan gevolgen hebben voor de hoogte van de weergegeven kosten. — (Hybride) gasopties zijn het voordeligste voor de eindgebruiker. Omschakelen naar duurzame gassen vergt in vergelijking met de andere technieken weinig aanpassing in de woning en aansluiting. Deze opties zijn echter voorlopig nog niet aardgasvrij. In 2030 is er nog geen duurzame gasvoorziening, noch met groengas, noch met waterstof. — Om de woningen aardgasvrij te maken is een warmtepomp het voordeligste wanneer de woning reeds goed geïsoleerd is (energielabel A of B ~ isolatieniveau van 50 kWh/m²/jaar). Dankzij het goede isolatieniveau en het hoge rendement van een warmtepomp, verbruikt een woning met een warmtepomp minder energie, wat zorgt voor een lagere energierekening.

Een warmtepomp is interessant voor woningen met een goede schilkwaliteit (energielabel A of B ~ 50kWh/m²/jaar), dan zijn de investeringen in isolatie niet meer nodig. De gemeente Zoetermeer streeft ernaar eengezinswoningen (laagbouw) te isoleren tot een isolatieniveau van 50 kWh/m²/jaar. Als de woningen eenmaal deze stap hebben gemaakt is de warmtepomp het goedkoopste gasvrije alternatief voor eengezinswoningen. — MT-netten hebben de laagste eindgebruikerskosten wanneer het isolatieniveau van de woning niet voldoet aan 50 kWh/m²/jaar. De investeringskosten van MT-netten liggen hoger dan bij een gasketel (onder andere vanwege het betalen van een vaste aansluitbijdrage), maar zijn een stuk lager dan die van warmtepompen en LT-netten. Isolatie van woningen is nog steeds nodig voor woningen met een slechte schilkwaliteit. De isolatiemaatregelen zijn goedkoper dan de benodigde isolatie voor een elektrische warmtepomp. Een isolatieniveau van 75 kWh/m²/jaar (energielabel C of D) is nodig om met midden temperatuur, 70 °C, te verwarmen. De gemeente Zoetermeer streeft ernaar meergezinswoningen (hoogbouw) te isoleren tot een isolatieniveau van 75 kWh/m²/jaar. Bij deze ambitie is het MT-net het goedkoopste gasvrije alternatief voor meergezinswoningen.11 — LT-netten zijn het duurste. Hiervoor moet de bewoner isoleren én een bijdrage betalen voor een warmtenetaansluiting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=8f916e0e-b57f-42b1-99d4-0ada930d9027