Bijlage 1b - Bestemmingsplan Du Meelaan 578-582, 588 - Toelichting
Tekst van het document
Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. 4.1.2
Onderzoek
In de omgeving van het plangebied zijn diverse functies toegestaan. Zo zijn bijvoorbeeld aan de west- en zuidzijde van het plangebied woningen aanwezig, zijn aan de noordzijde maatschappelijke functies (tot en met categorie 2 van de bij de regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten) toegestaan. Aan de oostzijde van het perceel is een bedrijfsbestemming aanwezig. Daar zijn bedrijven tot ten hoogste milieucategorie 2 toegestaan. In de huidige situatie is daar een kantoorverzamelgebouw aanwezig waar in de huidige situatie Ambiance Zonwering en Balkon Beglazing zijn gevestigd. Gezien de aanwezigheid van diverse functies kan het gebied worden aangemerkt als een Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 29/55
gemengd gebied. Bedrijven tot en met milieucategorie 2 kennen in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Het beoogde woongebouw zal buiten de richtafstanden van de omliggende activiteiten worden gerealiseerd. Door de komst van woningbouw op het perceel Du Meelaan 578-582, 588 worden de bedrijven dan ook niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. De bedrijfsactiviteiten leiden niet tot een negatieve beïnvloeding van het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. 4.1.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 4.2
Verkeer en parkeren
4.2.1
Regelgeving en beleid
Verkeersaantrekkende werking Het plan omvat de realisatie van woningen. Woningen kennen een verkeersaantrekkende werking. Om te bepalen wat de invloed hiervan op de omgeving is, is de verkeersaantrekkende werking in deze paragraaf inzichtelijk gemaakt. Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de rekentool 'Verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW (zie ook CROW-publicatie 317 “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan moet in de rekentool aangegeven worden 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Zoetermeer is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'schil centrum'. Parkeren De gemeente beschikt over de Nota Parkeerbeleid 2019 en de Nota Parkeernormen & Uitvoeringsregels, welke zijn vastgesteld op 16 december 2019. Een bestuursorgaan dient te handelen overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zie ook art 4:84 Algemene wet bestuursrecht. 4.2.2
Onderzoek
Verkeersaantrekkende werking Woningen kennen een verkeersaantrekkende werking. Dit betekent dat de ontwikkeling kan leiden tot een toename van de verkeersintensiteiten in de directe omgeving. In deze paragraaf wordt de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Voor het berekenen van de verkeersaantrekkende werking kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het CROW. Voor de onderhavige ontwikkeling is uitgegaan van een zeer sterk stedelijk gebied, met de ligging in de schil van het centrum. In het gebouw zullen zowel koop- als huurwoningen worden gerealiseerd. Worst case wordt ervan uitgegaan dat sprake is van 72 koopwoningen. De verkeersaantrekkende werking hiervan is namelijk hoger dan voor huurwoningen. Voor appartementen (koop, etage duur) geldt een verkeersaantrekkende werking van 5,4 tot 6,2 verkeersbewegingen per appartement. Daarmee zal sprake zijn van toename van maximaal 447 verkeersbewegingen per etmaal. Dit zal een worst case situatie zijn. In de huidige situatie is reeds immers ook sprake van een verkeersaantrekkende werking en er zullen ook middeldure huurwoningen worden gerealiseerd die een lagere verkeersaantrekkende werking kennen. Daarbij is het aantal van 72 woningen een maximaal aantal en is de kans aanwezig dat minder woningen worden gerealiseerd.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 30/55
De omliggende wegen beschikken over voldoende capaciteit om de verkeersaantrekkende werking van het plan op te vangen. Ontsluiting Gemotoriseerd verkeer De ontwikkeling is gelegen aan de Du Meelaan. Op dit moment is dit een 50 km/uur-weg. Het plangebied wordt ontsloten via de Du Meelaan. Via de Australiëweg kan de A12 worden bereikt. Het stadshart is bereikbaar via de Osylaan. De omliggende wegen beschikken over voldoende capaciteit om de verkeersaantrekkende werking van het plan op te vangen. De huidige inrit naar het parkeerterrein aan de Du Meelaan wordt aangepast, zodat een inrit ontstaat die voldoende breed is om het verkeer van en naar de nieuwbouwlocatie af te wikkelen, zie ook figuur 4.1.
Figuur 4.1 Indicatieve situatietekening met de beoogde in-uitrit
Openbaar vervoer Het plangebied is goed te bereiken met het openbaar vervoer. De randstadrailhalte 'Zoetermeer, Palenstein' is op een afstand van circa 300 meter gelegen van het plangebied. De dichtsbijzijnde bushalte is gelegen aan de Bordeauxstraat op een afstand van circa 400 meter. Zowel het Centrum als het treinstation Lansingerland zijn met het openbaar vervoer goed bereikbaar. Parkeren Het plangebied is gelegen is volgens het gemeentelijke beleid gelegen in het gebied 'zone B'. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de normen die in het parkeerbeleid zijn opgenomen voor dit gebied. In deze paragraaf worden twee scenario's toegelicht: een scenario waarbij 49 appartementen worden gerealiseerd en een scenario waarbij sprake is van maximaal 72 appartementen. Scenario 49 appartementen Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 31/55
Eén appartement krijgt een gemiddeld oppervlakte van 70 - 90 m2 bvo. Hiervoor geldt een parkeernorm van 0,9 parkeerplaats per appartement. Van de appartementen zullen er 24 een oppervlakte tussen de 90 en 120 m2 bvo krijgen. Deze woningen vallen in de categorie gestapeld, groot. Voor deze woningen geldt een parkeernorm van 1,1 parkeerplaatsen per woning. 24 woningen krijgen een oppervlakte van meer dan 120 m2 bvo. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per appartement. In totaal bedraagt daarmee de parkeerbehoefte 58,5 parkeerplaatsen (0,9+26,4+31,2). Met de beoogde ontwikkeling wordt aan de parkeernormen voldaan. Binnen het plangebied wordt voldaan aan de parkeereis voor auto's, zie ook figuur 2.3.
Tabel 4.1 Parkeerbehoefte auto's bij 49 appartementen Oppervlakte (m2 bvo)
Aantal Parkeernorm Parkeerbehoeft Parkeerbehoef Totaal woningen (parkeerplaatse e bewoners te bezoekers parkeerbehoef n per woning, te incl 0,2 bezoek)
70-90
1
0,9
0,7
0,2
0,9
90-120
24
1,1
21,6
4,8
26,4
120+
24
1,3
26,4
4,8
31,2
48,7
9,8
58,5
Totaal '
Voor fietsparkeren geldt voor gestapelde woningen met een oppervlakte tussen 70 m2 en 120 m2 een norm van 4 fietsparkeerplaatsen per woning. Voor grotere woningen bedraagt de behoefte 5 fietsparkeerplaatsen. De parkeerbehoefte voor 49 appartementen bedraagt 220 fietsparkeerplaatsen. Binnen het plangebied wordt hier invulling aan gegeven en worden 171 fietsparkeerplaatsen voor bewoners en 49 ten behoeve van bezoekers.
Tabel 4.2 Parkeerbehoefte fiets bij 49 appartementen Oppervlakte (m2 bvo)
Aantal woningen
Parkeernorm Parkeerbehoef Parkeerbehoef Totaal (parkeerplaatse te bewoners te bezoekers parkeerbehoeft n per woning, e incl 1 bezoek)
70-90
1
4
3
1
0,9
90-120
24
4
72
24
96
120+
24
5
96
24
120
171
49
220
Totaal
Scenario 72 appartementen Bij realisatie van 72 woningen zal sprake zijn van kleinere woningen. Het merendeel van de woningn (64) krijgt een oppervlakte van 70-90 m2 gbo. Daarnaast krijgen 8 woningen een oppervlakte tussen de 90 en 120 m2 bvo. In totaal bedraagt daarmee de parkeerbehoefte 66,4 parkeerplaatsen, zie ook tabel 4.3. Ook wanneer sprake is van 72 appartementen wordt binnen het plangebied voldaan aan de parkeereis voor auto's, zie figuur 4.2 voor een indicatieve situatietekening voor dit scenario
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 32/55
Tabel 4.3 Parkeerbehoefte auto's bij 72 appartementen Oppervlakte (m2 bvo)
Aantal Parkeernorm Parkeerbehoeft Parkeerbehoef Totaal woningen (parkeerplaatse e bewoners te bezoekers parkeerbehoeft n per woning, e incl 0,2 bezoek)
70-90
64
0,9
44,8
12,8
57,6
90-120
8
1,1
7,2
1,6
8,8
120+
0
1,3
0
0
0
52
14,4
66,4
Totaal
Figuur 4.2 Indicatieve situatietekening parkeersituatie in geval van 72 appartementen
Voor fietsparkeren geldt dat de parkeerbehoefte voor 72 appartementen 288 fietsparkeerplaatsen bedraagt. Binnen het plangebied kan hier invulling aan gegeven worden, zodat 216 fietsparkeerplaatsen voor bewoners en 72 ten behoeve van bezoekers worden gerealiseerd.
Tabel 4.4 Parkeerbehoefte fiets bij 72 appartementen Oppervlakte (m2 bvo)
Aantal woningen
Parkeernorm Parkeerbehoef Parkeerbehoef Totaal (parkeerplaatse te bewoners te bezoekers parkeerbehoeft n per woning, e incl 1 bezoek)
70-90
64
4
192
64
256
90-120
8
4
24
8
32
120+
0
5
0
0
0
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 33/55
Totaal
4.2.3
216
72
288
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit plan. Er wordt voldaan aan de gestelde normen, zoals vastgelegd in het PUK; oftewel het in 2019 vastgestelde parkeerbeleid en de daarbij behorende parkeernormen. In de planregels is een regel opgenomen waarmee is geborgd dat in het kader van de omgevingsvergunning moet worden aangetoond dat daadwerkelijk in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. 4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Regelgeving en beleid
Luchtkwaliteitseisen De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'in betekenende mate' (NIBM) van belang. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van ‘in betekenende mate’ projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is een anti-cumulatieartikel opgenomen. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Deze maatregelen, zowel rijksmaatregelen als lokale, meer gebiedsgerichte, maatregelen, moeten leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit waardoor de 'in betekenende mate' ontwikkelingen alsnog doorgang kunnen vinden.
Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als: wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 34/55
een met het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1 onder b Wet milieubeheer), of de ontwikkeling is opgenomen in het NSL. 4.3.2
Onderzoek
Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van maximaal 72 woningen mogelijk. Hiermee draagt het plan niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. Goed woon- en leefklimaat Met behulp van www.nsl-monitoring.nl is op 19 februari 2020 vastgesteld wat de achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide zijn ter plaatse van het plangebied. Dit om te bepalen of het realiseren van de beoogde woonfunctie op deze specifieke plek in het kader van een goed leefklimaat te motiveren is, gelet op de verkeersaantrekkende werking die uitgaat van het project. Het dichtstbijzijnde rekenpunt is punt 125767. Uit de resultaten van de monitoringstool blijkt dat de achtergrondconcentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 onder de grenswaarden van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 liggen. Zie hiertoe figuur 4.3.
Figuur 4.3 Uitsnede NSL Monitoringskaart (Bron: www.nsl-monitoring.nl)
4.3.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien is sprake van een goed woon- en leefklimaat, gelet op de achtergrondconcentraties en de verkeersaantrekkende werking van het project. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 35/55
4.4
Geluid
4.4.1
Regelgeving en beleid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wet geluidhinder biedt onder andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. De Wet geluidhinder is daarom sterk gelinkt aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Wegverkeerslawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai bij de aanleg/wijziging van wegen of bij de bouw van woningen in de buurt van wegen. De reikwijdte van de Wgh is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs wegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Een andere beperking is dat de Wgh niet geldt voor 30-km wegen en voor woonerven. Een eventueel noodzakelijke akoestische afweging wordt in dergelijke gevallen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening gemaakt. Industrielawaai De Wgh verplicht om industrieterreinen waarop lawaaiveroorzakende bedrijven zijn of kunnen worden gevestigd te zoneren. Bij de zonering worden primair de grenzen vastgelegd van het gebied waarbinnen de lawaaimakende bedrijven gevestigd mogen zijn.
Vervolgens wordt ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein de zonegrens bepaald en vastgesteld. Het gebied binnen de zonegrens vormt het aandachtsgebied. De binnen het aandachtsgebied geldende wettelijke voorkeursgrenswaarde, dan wel de binnen de zone vastgestelde hogere waarden zijn bepalend voor de toelaatbaarheid van geluidproducerende activiteiten. Buiten de geluidszone mag de geluidsbelasting als gevolg van de bedrijven op het gezoneerde industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Spoorweglawaai De Wgh biedt geluidsgevoelige bestemmingen bescherming tegen geluidhinder van spoorweglawaai bij de aanleg/wijziging van spoorwegen of bij de bouw van woningen in de buurt van spoorwegen. De reikwijdte van de Wet geluidhinder (Wgh) is beperkt tot een aandachtsgebied (een geluidszone) langs spoorwegen. Binnen deze geluidszone zijn de regels van de Wgh van toepassing. Normstelling De normstelling onderscheidt voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. De voorkeursgrenswaarde wordt voor alle (nieuwe) situaties nagestreefd. Realisatie hiervan is echter niet altijd mogelijk. De wet biedt de mogelijkheid om ontheffing te verkrijgen van de voorkeursgrenswaarde tot de maximale ontheffingswaarde. Gemeentelijk geluidbeleid De gemeente Zoetermeer heeft in 2009 geluidbeleid vastgesteld en geactualiseerd in 2017.
Wanneer de wettelijke voorkeursgrenswaarde niet haalbaar is, wordt de hogere waarde procedure doorlopen. Het doel van de procedure is om het aantal woningen dat een hoge geluidbelasting ondervindt zoveel mogelijk te beperken. Een hogere geluidbelasting wordt daarmee alleen onder voorwaarden toegestaan. De voorwaarden voor het toekennen van een hogere waarde gelden in de situatie waarbij de voorkeursgrenswaarde met meer dan 5 dB (bij wegverkeer 53 dB en bij railverkeer 60 dB) wordt overschreden. In de nota uit 2009 is opgenomen dat de volgende aanvullende voorwaarden van toepassing zijn bij een hogere geluidbelasting: het stedenbouwkunding ontwerp wordt zodanig vormgegeven dat daarbij zoveel mogelijk Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 36/55
afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat; bij een aanvraag om bouwvergunning moet een bouwakoestisch onderzoek worden gevoegd en wordt getoetst of wordt voldaan aan de binnenwaarde zoals genoemd in het Bouwbesluit; bij appartementen en andere woningen dient minimaal 1 verblijfsruimte in de woning aan de geluidluwe zijde (maximaal 48 dB) te worden gesitueerd; aan de geluidluwe zijde wordt een volwaardige buitenruimte (tuin of balkon gesitueerd (minimaal 6 m²). 4.4.2
Onderzoek
Het plangebied aan de Du Meelaan is volgens de Wet geluidhinder gelegen in de geluidzones van de Australiëweg en de Randstadrail. Dit betekent dat voor deze locatie een akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden naar de geluidbelastingen als gevolg van deze bronnen. Het akoestisch onderzoek is in bijlage 3 en 4 toegevoegd. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt door het wegverkeer op de Du Meelaan (30 km/u) en de Australiëweg (70 km/u), maar dat de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet wordt overschreden. De hoogste geluidbelasting vanwege de Australiëweg is 53 dB. De geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer (Randstadrail) voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Daarmee levert dit geen belemmeringen voor het beoogde plan. De hoogste geluidbelasting ten gevolge van de Du Meelaan is 52 dB op de zuidgevel van het woongebouw. Aangezien dit een 30 km/uur-weg betreft vraagt dit niet om nadere aandacht. Vanwege het overschrijden vanvoorkeursgrenswaarde ten gevolge van het geluid afkomstig van de Australiëweg is in het akoestisch onderzoek ingegaan op de mogelijkheid om geluidbeperkende maatregelen te treffen die ervoor kunnen zorgen dat de geluidbelasting wordt teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Om de geluidbelasting te reduceren zou een geluidreducerend wegdek kunnen worden aangebracht of een geluidscherm kunnen worden gerealiseerd. De gemeente Zoetermeer kan een hogere waarde voor de geluidbelasting op de gevels vaststellen, als, verdergaande, geluidbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn of op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige of financiële aard stuiten. Voor de Australiëweg zijn geluidbeperkende maatregelen (geluidreducerend wegdek) getroffen. Verdergaande maatregelen, zoals het toepassen van een geluidscherm langs de Australiëweg, zullen bezwaren van financiële aard ontmoeten. Voor de ontwikkeling zijn geluidbeperkende maatregelen voor de Australiëweg geen optie. De maatregelen zijn niet doelmatig genoeg en kennen technische, financiële en stedenbouwkundige bezwaren. Gezien voorgaande zijn voor de ontwikkeling hogere waarden nodig. Voor de Australiëweg gaat dit om maximaal 40 woningen. De geluidbelasting bedraagt maximaal 53 dB. De Wet geluidhinder verplicht bij verlening van een hogere waarde de cumulatie van verschillende geluidbronnen in beeld te brengen. De gecumuleerde geluidbelasting vanwege omliggende wegen bedraagt ten hoogste 57 dB op de oost- en zuidgevel van het plan. Bij de verdere uitwerking van het plan zal hiermee rekening worden gehouden, zodat een goed woon- en leefklimaat wordt geborgd. 4.4.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. Wel dienen hogere waarden te worden vastgesteld, zoals op basis van het onderzoek door LBP Sight verantwoord geacht.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 37/55
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
4.5.1
Regelgeving en beleid
In 1992 werd in Valletta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed', beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend. De wet tot goedkeuring van het verdrag is aangenomen door het Nederlands parlement en op 9 april 1998 in het Staatsblad gepubliceerd. Na enkele malen uitstel is het wetsvoorstel in april 2006 door de Tweede Kamer aangenomen en in december van dat jaar door de Eerste Kamer bekrachtigd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is op 1 september 2007 in werking getreden. De nieuwe wet heeft zijn beslag gekregen via een wijziging van de Monumentenwet 1988, aanpassingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en enkele andere wetten. De Monumentenwet 1988 is inmiddels opgegaan in de Erfgoedwet (9 december 2015). Met de huidige wetgeving is het accent komen te liggen op het streven naar het behoud en beheer van archeologische waarden in de bodem (in situ) en het beperken van (de noodzaak van) archeologische opgravingen. Uitgangspunt van het beleid is tevens het principe "de verstoorder betaalt".
Bij het voorbereiden van werkzaamheden die het bodemarchief kunnen verstoren (zoals de aanleg van een weg, een nieuwe woonwijk, een bedrijventerrein), dient onderzocht te worden of daardoor archeologische resten verstoord kunnen worden (dat kan bijvoorbeeld door booronderzoek of sleuvenonderzoek - beide na een gedegen bureauonderzoek). Als uit het onderzoek blijkt dat er archeologische waarden aanwezig zijn en deze niet ter plaatse behouden kunnen blijven, dan dient de initiatiefnemer van het werk de kosten die gepaard gaan met het opgraven en conserveren van de plaats te dragen. Met de huidige wetgeving zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. Eén van de belangrijkste consequenties is, dat gemeenten een centrale rol is toegekend in de bescherming van archeologisch erfgoed. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen. Bescherming van het archeologisch erfgoed kan onder meer vorm krijgen door in bestemmingsplannen regels ter bescherming van bekende en te verwachten archeologische waarden op te nemen. Besluit ruimtelijke ordening Sinds 1 januari 2012 dient in bestemmingsplannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg.
Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland De Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland geeft een overzicht van de cultuurhistorische kenmerken en waarden in Zuid-Holland. De atlas bestaat uit kaarten voor de drie onderdelen van de cultuurhistorie: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap. Ieder onderdeel bestaat uit twee kaarten die inzichtelijk maken wat in Zuid-Holland cultuurhistorisch van belang is en waarom: de kenmerkenkaart, waarop de kenmerkende nederzettingspatronen, landschapspatronen en de archeologische opbouw van het landschap zijn weergegeven; de waardenkaart, waarop de waardevolle structuren van de kenmerkenkaart zijn gewaardeerd. Deze cultuurhistorische kenmerken en waarden vormen de input bij processen van culturele planologie.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 38/55
4.5.2
Onderzoek
Volgens het bestemmingsplan kent het plangebied geen archeologische dubbelbestemming. Ook volgens het gemeentelijke beleid is geen sprake van een archeologische verwachtingswaarde. Volgens de Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland is sprake van een redelijk tot hoge archeologische verwachtingswaarde, zie ook figuur 4.4.
Figuur 4.4 Uitsnede archeologische verwachtingenkaart (Bron: Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland) Volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart is echter geen sprake van een archeologische verwachtingswaarde, zie ook figuur 4.5.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 39/55
Figuur 4.5 Archeologische beleidskaart Zoetermeer
In het kader van de ontwikkeling is door Transect een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). Daaruit blijkt dat voor de locatie een zeer lage archeologische verwachting geldt en dat er geen potentieel archeologische niveaus zijn waargenomen. Er zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten voor het aspect archeologie en is geen nader archeologisch onderzoek nodig. Daarnaast zijn ter plaatse van het plangebied geen cultuurhistorische elementen aanwezig en vraagt ook dit aspect niet om nadere aandacht. 4.5.3
Conclusie
Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1
Regelgeving en beleid
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging in de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 40/55
daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak 4.6.2
Onderzoek
In de direct omgeving van het plangebied hebben bedrijven met bodembedreigende activiteiten hun vestiging (gehad), onder anderen een autowasserij. Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Door Tauw is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. Tijdens het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat het grondwater sterk verontreinigd is met minerale olie. Tijdens de bemonstering van het grondwater is een geur en een oliefilm waargenomen in een van de peilbuizen, alsook een hoeveelheid brandstof op de vloeistofdichte vloer naast de peilbuis. De grond is slechts licht verontreinigd met PAK en minerale olie. Daarom is nader onderzoek middels afperking uitgevoerd om de aard en omvang van de sterke verontreiniging met minerale olie in het grondwater in beeld te brengen. Tijdens het nader onderzoek is echter gebleken dat er geen minerale olie in de grond noch het grondwater boven de detectiegrens is gemeten. Er zijn geen zintuiglijke waarnemingen gedaan (geur of oliefilm) die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met minerale olie tijdens het plaatsen van de peilbuizen en tijdens grondwatermonstername. Er is ook geen drijflaag gemeten in de peilbuizen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat er geen geval van ernstige bodemverontreiniging op locatie aanwezig is.
De oorzaak van de sterke minerale olie verontreiniging in de peilbuis is vooralsnog onbekend. Tijdens de tweede ronde van het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat de grond ter plaatse van de autowasserij en de ondergrondse dieseltank niet verontreinigd zijn. De bodem ter plaatse van de waargenomen oliefilm is nader onderzocht, en hieruit is gebleken dat de bovengrond niet verontreinigd is De belangrijkste conclusies van het verkennend en nader onderzoek zijn: De kleiige bovengrond (traject 0,2 – 0,5 m -mv bij boorpunt 4 en 8) is niet verontreinigd (alle gemeten parameters < AW). De zandige ondergrond (traject 0,05 – 0,5 m -mv, de rest van de onderzoekslocatie) is licht verontreinigd met PAK en minerale olie Alleen ter plaatse van peilbuis 301 is er mogelijk nog een sterke verontreiniging met minerale olie in het grondwater aanwezig. Uit het nader onderzoek middels afperking volgt dat er verder geen verontreiniging met minerale olie in grond en grondwater aanwezig is en kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De bodem ter plaatse van de autowasserij en ondergrondse dieseltank is niet verontreinigd. De waargenomen oliefilm heeft niet geleid tot een bodemverontreiniging. De bodemkwaliteit is hiermee voldoende in beeld gebracht en vraagt niet om nadere aandacht. 4.6.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 41/55
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving en beleid
Onderdeel van de ruimtelijke opgave is dat er bijzondere aandacht wordt besteed aan onder meer de externe veiligheidsaspecten. Bij Externe Veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Hierbinnen worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats. Bij plaatsgebonden risico gaat het om de kans per jaar dat een gemiddelde persoon op een bepaalde geografische plaats in de omgeving van een transportroute overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op deze transportroute, er van uitgaande dat die persoon onbeschermd en permanent op deze plaats aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten: risicocontour).
Dergelijke contouren zijn van belang bij de beoordeling of een risicovolle activiteit of een risicogevoelige bestemming op een bepaalde plaats kan worden toegelaten. Voor plaatsgebonden risico is door de rijksoverheid voor nieuwe situaties een grenswaarde vastgesteld van 10-6/jaar. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van één ongeval op de transportroute waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Dit risico laat zich niet in de vorm van een risicocontour op een kaart weergegeven, maar kan wel worden vertaald in een dichtheid van personen per hectare. Hoe meer personen per hectare in het schadegebied van een hier bedoeld ongeval aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico is in tegenstelling tot het plaatsgebonden risico een oriënterende waarde. Besluit externe veiligheid transportzones Sinds 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van kracht.
In dit besluit zijn de normen voor het plaatsgebonden risico en de doorwerking daarvan op het gebied van de ruimtelijke planvorming geregeld voor zover de risico's worden veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen. Daarnaast beoogt dit besluit te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Hiervoor bevat het besluit onder andere regels over de wijze waarop de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk moet worden gemaakt en de wijze waarop dit risico transparant wordt afgewogen ten opzichte van toe te laten ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) / Regeling basisnet Het basisnet beoogt een duurzaam evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren, de bebouwde omgeving langs die wegen, hoofdspoorwegen en binnenwateren en de veiligheid van omwonenden. Op basis van de Wvgs worden in de Regeling basisnet, de tot het basisnet Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 42/55
behorende infrastructuur vastgelegd inclusief de daarbij behorende risicoplafonds. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is sinds 27 oktober 2004 van kracht. Het besluit verplicht gemeenten risicovolle situaties van inrichtingen ten opzichte van kwetsbare bestemmingen binnen 3 jaar te saneren als het plaatsgebonden risico hoger is dan 10-6 voor 2010. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Krachtens het Bevi moeten alle besluiten in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke Ordening integrale aspecten van externe veiligheid afwegen. Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1 januari 2011 geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierin zijn risicoafstanden opgenomen voor ondergrondse buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Voor wat betreft het groepsrisico is de verantwoordingsplicht wettelijk geregeld. Het Bevb werkt door in besluitvorming op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening, zoals bestemmingsplannen. 4.7.2
Onderzoek
Ten behoeve van de beoordeling van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande figuur bevat hier een uitsnede van.
Figuur 4.6 Uitsnede risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl) Uit figuur 4.6 volgt dat op een afstand van circa 350 meter een LPG-tankstation gelegen. Dit betreft het LPG-tankstation aan de Van Aalstlaan. Volgens het vigerende bestemmingsplan is de jaarlijkse LPG-doorzet van dit tankstation is middels de vergunning van 16 maart 2012 beperkt tot 500 m3 per jaar. De bevoorrading van LPG zal volgens het vigerende bestemmingsplan naar het tankstation Van Aalstlaan zal plaatsvinden via de Australiëweg en de Van Aalstlaan. De gemeente Zoetermeer heeft geen route gevaarlijke stoffen vastgelegd. Uitgegaan kan worden dat het aantal transporten op deze wegen (bevoorrading van één tankstation) dusdanig laag is dat dit, vanuit het oogpunt van externe veiligheid, geen ruimtelijke gevolgen met zich meebrengt. In en in de omgeving van het plangebied liggen geen relevante (ondergrondse) transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Over de A12 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Over deze route worden brandbare vloeistoffen, brandbare gassen en giftige vloeistoffen vervoerd. De invloedsgebieden van brandbare vloeistoffen en brandbare gassen heeft een afstand van respectievelijk 45 en 325 Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 43/55
meter. Het invloedsgebied van giftige vloeistoffen is 880 meter. Vanwege de ligging ten opzichte van de A12 (op een afstand van circa 1,5 km) valt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze transportroutes. 4.7.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 4.8
Natuur
4.8.1
Beleid en regelgeving
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2017 in werking getreden en voegt drie "oude" natuurwetten samen: de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (artikel 1.11) nog drie hoofdstukken die van belang zijn voor ruimtelijke ingrepen. Dit betreft hoofdstuk 2 (gebiedsbescherming), hoofdstuk 3 (soortbescherming) en hoofdstuk 4 (houtopstanden). Hoofdstuk 2 van de Wet richt zich op de gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Natura 2000-gebieden. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de soortenbescherming. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten is vastgelegd in de bijlage bij de Wet natuurbescherming.
Dat houdt in dat, bij planvorming uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dan planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het plangebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. (Het vervallen van de) Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur.
In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Met een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 44/55
Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de aanlegfase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). 4.8.2
Onderzoek
Soortbescherming De voorgenomen werkzaamheden zijn te kwalificeren als ruimtelijke ontwikkeling. De bouwwerkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van aanwezige soorten. Ter plaatse is door Bureau Stadsnatuur het plangebied onderzocht. Uit het veldonderzoek van Bureau Stadsnatuur (zie bijlage 5) blijkt dat er naast algemene soorten, geen strikt beschermde soorten aangetroffen of te verwachten zijn en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. De Du Meelaan en vooral de sloot en het Randstadrail talud ten noorden van de locatie zijn fourageer routes van vleermuizen. Bovendien is het talud van belang voor egels en andere grondgebonden soorten. Vanuit de groenkaart, de visie Palenstein en de wens om natuurinclusief te bouwen (Klimaatadaptie convenant Zuid-Holland) is het van belang deze ecologische verbinding te versterken en indien mogelijk nestkasten in te bouwen. Gebiedsbescherming De dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn De Wilck, Meijendel & Berkheideen Westduinpark & Wapendal. De afstand van het plangebied tot deze Natura 2000-gebieden is respectievelijk ruim 6, 12 en 16 kilometer. Om te beoordelen wat het effect op de omliggende Natura 2000-gebieden van de voorgenomen ontwikkeling is, is op 22 september 2020 een Aerius-berekening uitgevoerd. De Aerius-berekening is zowel voor de tijdelijke (realisatie)fase als voor de permanente fase (gebruiksfase) uitgevoerd.
De Aerius-berekening is verwerkt in een notitie, welke in bijlage 8 van deze toelichting is opgenomen. De berekening geeft als uitkomst dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/ja zijn. Het aspect stikstof vormt geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief en het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk. 4.8.3
Conclusie
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor voorliggend plan. Het natuurinclusief bouwen biedt kansen om de biodiversiteit te verbeteren. Bovendien vanuit de regels van de groenkaart moet de verbindingsfunctie van de stedelijke verbinding worden versterkt door de groene invulling aan de noordkant. Hier wordt met het plan invulling aan gegeven.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 45/55
4.9
Water
4.9.1
Regelgeving en beleid
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is de waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerder in het plangebied en primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aanen afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoon water ook relatief schoon blijft. Een toename van het verharde oppervlak in risicogebieden moet worden gecompenseerd met extra waterberging. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. In verband met de waterkwaliteit dient bij het realiseren van het woongebouw geen uitloogbare materialen toe te worden gepast die in contact kunnen komen met het hemelwater. Tevens dient een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd. Het schone hemelwater van verharde oppervlakken kan op deze wijze via het hemelwaterriool worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. 4.9.2
Onderzoek
Het plan leidt niet tot een toename van verharding in het plangebied en een daarmee samenhangende versnelde afvoer van hemelwater. Door het realiseren van (nu nog niet aanwezig) groen neemt het waterbergende vermogen van het perceel toe, zodat zelfs sprake is van een beperkte verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Het plangebied is daarnaast niet gelegen ter plaatse van of in de nabije omgeving van een (beschermingszone van een) waterkering. Ook worden geen negatieve effecten verwacht als gevolg van graaf- en heiwerkzaamheden tijdens de bouwfase. In de beoogde situatie zal de bebouwing, net als de huidige situatie, worden aangesloten op het bestaande riool. Gezien de toename van het bebouwingsvolume alsmede het gebruik ten behoeve van de woonfunctie valt een toename van het waterverbruik te verwachten. Deze toename is echter niet zodanig dat significant negatieve gevolgen voor het milieu aan de orde zijn. Naar verwachting is er een toename in de hoeveelheid afvalwater, maar is de kwaliteit van het afvalwater wel beter dan als gevolg van de bestaande bedrijfsgebouwen. Gezien de omvang van de ontwikkeling wordt niet verwacht dat de ontwikkeling leidt tot een verontreiniging van het oppervlakte- of grondwater. Vanwege de ligging in een kwelgevoelige locatie is mogelijk een watervergunning nodig op het moment dat wordt gegraven/geboord.
Indien dit aan de orde is dan zal voor deze werkzaamheden een watervergunning worden aangevraagd. 4.9.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor voorliggend plan. 4.10
Bezonning
4.10.1 Regelgeving Voor de beoordeling van bezonning van woningen gelden geen landelijke normen. Om een indruk te krijgen van de bezonningssituatie wordt in de praktijk voor een bestemmingsplanprocedure vaak gebruik gemaakt van de 'lichte TNO- norm'. Een gebouw voldoet aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 46/55
4.10.2 Onderzoek Middels een bezonningsstudie, uitgevoerd door Venster Architecten, is inzichtelijk gemaakt of de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een wijziging in de bezonningssituatie van de omliggende panden. De bezonningssituatie is in beeld gebracht op zowel 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december. De volledige bezonningsstudie is bijgevoegd in bijlage 9 en 10 van deze toelichting. Uit de studie volgt dat er twee tijdstippen zijn waarop woningen te maken krijgen met schaduwwerking als gevolg van de beoogde ontwikkeling, namelijk op 21 maart om 9.00 uur en op 21 september om 09.00 uur. Voor beide dagen geldt dat al snel geen sprake meer is van schaduwwerking op de gevel van de woningen, zie ook onderstaande figuur. In de tussenliggende zomermaanden staat de zon hoog en is de schaduw dusdanig kort dat geen sprake is van schaduwwerking. Aangezien geen dan wel beperkt sprake is van schaduwwerking kan aan de lichte TNO-norm worden voldaan.
Figuur 4.7. Uitsnede bezonningsstudie (21 maart: 9.00 en 12.00 uur) 4.10.3 Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.11
Windhinder
4.11.1 Algemeen Voor het aspect windhinder bestaat geen wettelijk kader. Hiervoor wordt in de praktijk aangesloten bij de Nederlandse Norm (NEN 8100). Een windonderzoek wordt geadviseerd bij het mogelijk maken van gebouwen hoger dan 30 meter. In de NEN8100 worden 5 kwaliteitsklassen gegeven waarbij windhinder als goed, matig of slecht wordt geclassificeerd voor een drietal activiteiten. De kwaliteitsklasse is afhankelijk van het aantal uren dat de windhinder (overlast) drempelwaarde van 5 m/s wordt overschreden.
Figuur 4.8 Classificatie windklimaat conform NEN8100 (Bron: winderhinderonderzoek, zie bijlage 11)
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 47/55
4.11.2 Plangebied Aangezien het beoogde gebouw hoger is dan 30 meter is door SIMSTUDIO een windhinderonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is in bijlage 11 opgenomen. De gemeente Zoetermeer beschikt niet over windhinderbeleid, maar sluit aan bij het Haagse beleid. Conform de Haagse norm voor windhinder wordt een matig windklimaat voor de betreffende activiteit nagestreefd. Voor wat betreft windgevaar dient een gevaarlijk windklimaat te worden voorkomen. In het onderzoek is ervan uitgegaan dat vanwege de gebruiksfunctie rondom het woongebouw een wind 'kwaliteitsklasse D (doorlopen) matig' geclassificeerd voldoende is. Bij de entree is een 'klasse C (slenteren) matig' voldoende. Uit het onderzoek blijkt dat rondom het woongebouw geen gebieden zijn met een kwaliteitsklasse lager dan klasse D. Waar een kwaliteitsklasse D wordt gehaald liggen de resultaten echter dichtbij 'kwaliteitsklasse C' en zijn ze nooit hoger dan 14% (kwaliteitsklasse C loopt tot 10%). Tevens wordt bij de entree een 'kwaliteitsklasse A' gehaald en iets verder van de entree wordt 'kwaliteitsklasse B' gehaald. Hiermee voldoet het windklimaat aan de gestelde eisen. Op het voet- en fietspad ten zuiden van het woongebouw wordt grotendeels een 'kwaliteitsklasse A' tot en met 'kwaliteitsklasse C' gehaald, wat een goed klimaat geeft voor de betreffende functie.
Rondom de toren treedt geen windgevaar op waarmee voldaan wordt aan de gestelde eis. 4.11.3 Conclusie Rondom de beoogde woningen wordt voldaan aan de gestelde eisen ten aanzien van het windklimaat. Ter plaatse van het plangebied wordt eveneens voldaan aan de gestelde eisen en er is sprake van een bij de functie passend windklimaat.
4.12
Duurzaamheid
4.12.1 Regelgeving en beleid In het programma energietransitie en groen 2020-2023 ligt de nadruk op de energietransitie van de bestaande gebouwde omgeving. Voor nieuwbouw is opgenomen dat de gemeente Zoetermeer zich in zet om deze woningen nul op de meter of energieleverend op te leveren. Wij doen dit door afspraken te maken met bouwende partijen, en waar mogelijk dit te stimuleren. Naast dit programma zijn in het planuitwerkingskader (PUK) de volgende eisen opgenomen: De initiatiefnemer is verplicht om gasloos te bouwen. De woningen dienen zonder aardgasaansluiting te worden gebouwd: de gemeente gaat geen medewerking verlenen aan een verzoek om een gebiedsaanwijzing zoals bedoeld in de 'ministeriële regeling gebiedsaanwijzing gasaansluitplicht'. Daarnaast worden de volgende uitgangspunten meegegeven: Daken worden zo veel als mogelijk nuttig ingezet voor de verduurzaming van het gebouw: dat wil zeggen voor de plaatsing van zonnepanelen of de realisatie van groen, een tuin of combinaties daarvan bijvoorbeeld in de vorm van een smartroof; Natuurinclusief bouwen.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 48/55
4.12.2 Onderzoek De ontwikkeling ter plaatse van de Du Meelaan is in lijn met het Programma Duurzaam en Groen Zoetermeer en de uitgangspunten die in het planuitwerkingskader (PUK) dat specifiek voor het plangebied is vastgesteld. Voorliggend plan bestaat uit het realiseren van een woongebouw. De woningen worden gasloos gebouwd. Het gebouw zal duurzaam verwarmd en gekoeld worden door de realisatie van een WKO systeem; een Warmte Koude Opslag. Daarnaast worden de daken zo veel als mogelijk ingezet voor de verduurzaming van het woongebouw door het realiseren van een groene invulling op het dak en wordt natuurinclusief gebouwd door te voorzien in bijvoorbeeld vleermuiskasten. 4.12.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend plan. 4.13
Milieu-effectrapportage
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en valt daarmee onder de categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.
Figuur 4.9 relevant onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 t/m 7.20 van de wet van toepassing is De beoogde ontwikkeling valt niet binnen de richtwaarden van het Besluit m.e.r. ten aanzien van projecten waarbij milieusignificantie een rol speelt (kolom 2). De aard en omvang van het beoogde initiatief is namelijk zeer beperkt t.o.v. de richtwaarden van het Besluit m.e.r. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de richtwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Omdat sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld. In bijlage 2 is deze aanmeldnotitie bijgevoegd. Uitkomst van de aanmeldnotitie is dat belangrijke nadelige gevolgen in het kader van het Besluit m.e.r. voor het milieu niet te verwachten zijn (zie tevens de in deze toelichting beschreven milieu-aspecten).
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 49/55
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleidende regels
Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft dan ook een ontwikkelingsplan. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor gekozen is voor directe bouwtitels. 5.1.1
Begrippen
In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 5.1.2
Wijze van meten
In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwwerk moeten worden gemeten. 5.2
Bestemmingsregels
5.2.1
Wonen
Binnen de bestemming 'Wonen' is op de plankaart een bouwvlak aangegeven. Dit bouwvlak omvat het beoogde woongebouw inclusief balkons. Ter plaats zijn alleen gestapelde woningen toegestaan. 5.3
Algemene regels
5.3.1
Antidubbeltelregel
De antidubbeltelregel is een verplichte regel die voortkomt uit het Besluit ruimtelijke ordening. 5.3.2
Algemene afwijkingsregels
Dit artikel bevat de algemeen gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden. Deze afwijkingsmogelijkheden gelden voor het hele plangebied. 5.4
Overige regels
In dit artikel zijn de algemene bouw- en gebruiksregels opgenomen over parkeernormen overeenkomstig de gemeentelijke parkeernota, zoals deze geldt op het moment van indienen van een aanvraag omgevingsvergunning.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 50/55
5.5
Overgangs- en slotregels
5.5.1
Overgangsrecht
Deze artikelen regelen de bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in strijd zijn met de met de bouwregels, gebruiksregels of beide. 5.5.2
Slotregel
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Du Meelaan 578-582, 588 Zoetermeer versie vastgesteld 51/55
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
6.1.1
Grondexploitatie (artikel 6.12 Wro)
Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het onderhavige bestemmingsplan is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); 2. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; 3. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.
In het kader van de beoogde ontwikkeling van het plangebied is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarmee zijn de kosten anderszins verzekerd. Daarnaast is het niet noodzakelijk om een tijdvak of fasering vast te stellen en zijn eisen aan de werken en werkzaamheden niet benodigd. Om deze reden is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig. 6.1.2
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in deze toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de financieel economische uitvoerbaarheid. Er is sprake van een bouwplan dat past binnen het beleid van de overheden. Het gemeentelijke woonbeleid is mede gebaseerd op de vraag naar typen woningen. De initiatiefnemer is een ontwikkelende partij en heeft het economisch eigendom van de percelen. Om deze redenen is er sprake van een financieel-economisch uitvoerbaar plan. 6.2