CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 18 Omgevingsprogramma Bijlage 3 Nota van beantwoording zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan

Raadsvergadering 14 juli 2025, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling kaderstellende beleidsdocumenten ten behoeve van Omgevingsprogramma Entree47.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan ‘Entree Midden’

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 1

Inhoud

1

Inleiding 1.1. Kennisgeving terinzagelegging 1.2. Doel Nota zienswijzen en vervolg onder de Omgevingswet 1.3. Opzet beantwoording

3 3 3 4

2

Beantwoording van de gemeenschappelijke zienswijzen 2.1. Gemeenschappelijke zienswijze 1 over bezonning en lichtinval 2.2. Gemeenschappelijke zienswijze 2 over aantasting persoonlijke belangen 2.3. Gemeenschappelijke zienswijze 3 over belang van een goed wooncomfort

5 5 5 7 7 11 11

3

Beantwoording zienswijzen per indiener 3.1. Inleiding

13 14

3.2.

Zienswijzen

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 2

14

1

Inleiding

1.1. Kennisgeving terinzagelegging Burgemeester en wethouders van Zoetermeer hebben op 3 februari 2022 op de wettelijk voorgeschreven wijze kennis gegeven van de ter inzagelegging van:  het ontwerpbestemmingsplan Entree Midden (inclusief milieueffectrapport (MER);  het ontwerpbesluit hogere waarden geluid;  het ontwerpbesluit Stap 3 Interimwet Stad- en milieubenadering;  het ontwerpbeeldkwaliteitsplan Entree Midden;  het ontwerp-exploitatieplan Entree Midden. Ter inzage Het ontwerpbestemmingsplan (inclusief het MER) en de hierboven genoemde ontwerpbesluiten (met bijbehorende stukken) hebben met ingang van vrijdag 4 februari 2022 tot en met donderdag 18 maart 2022 ter inzage gelegen. Zienswijzen Gedurende de termijn van terinzagelegging, kon eenieder over het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerpbesluiten schriftelijk gemotiveerde zienswijzen kenbaar maken of mondeling indienen, maar ook digitaal via een formulier op de pagina Zienswijze over ontwerpomgevingsbesluit. Informatie Gedurende de periode dat zienswijzen konden worden ingediend, is op 15 februari 2022 een informatiemoment georganiseerd. In verband met coronamaatregelen konden belangstellenden op afspraak vragen stellen over de terinzagegelegde ontwerpstukken. In 3 sessies van 1 uur zijn de vragen van belangstellenden beantwoord. Er is geen verslag gemaakt. 1.2.

Doel Nota zienswijzen en vervolg onder de Omgevingswet

In totaal zijn er 82 unieke zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan Entree Midden. In juni 2023 is geconstateerd dat het ontwerp-bestemmingsplan voor Entree Midden op een aantal wezenlijke onderdelen gewijzigd en aangevuld diende te worden. De noodzakelijke

wijzigingen konden niet afgerond worden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. De gemeente werkt nog aan de Omgevingsvisie en het omgevingsplan. Dit betekent dat voor Entree ingezet wordt op twee sporen: het opstellen van een Omgevingsprogramma voor het plangebied Entree en het vervolgens plotgewijs verlenen van vergunningen. Wel is afgesproken om de zienswijzen die zijn ingediend op het ontwerpbestemmingsplan alsnog te beantwoorden in het Omgevingsprogramma Entree. Voor het Omgevingsprogramma en het bijbehorend Plan-MER zijn eerder uitgevoerde onderzoeken geacutaliseerd of opnieuw verricht vanwege de wezenlijke wijzigingen ten opzichte van het eerdere ontwerp-bestemmingsplan. Bij het opstellen van het ontwerp-Omgevingsprogramma Entree is daar waar mogelijk inhoudelijk al rekening gehouden met de ingediende zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Bij de beantwoording van de zienswijzen is uitgegaan van de nieuwe stukken en bijbehorende onderzoeken. Een beantwoording van de zienswijzen uitgaande van de oude situatie van het ontwerp-bestemmingsplan is immers door de wezenlijke wijzigingen niet meer reëel. Dit betekent ook dat de beantwoording niet op elk detail van de zienswijze ingaat, maar dat de beantwoording gericht is op de hoofdlijnen van de zienswijze.

Het ontwerp-Omgevingsprogramma wordt ook ter inzage gelegd zodat een ieder daar op kan reageren. Daarna pas zal het College een besluit nemen over de vaststelling van het Omgevingsprogramma , de ontwerp Plan-MER en de daartegen gerichte zienswijzen. Anonimiseren Op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens is het niet toegestaan om persoonsgegevens (zogenaamde NAW-gegevens: naam, adres en woonplaats) van natuurlijke personen openbaar te maken op een website, zonder bijvoorbeeld een wettelijke grondslag, dringende noodzaak of toestemming van de betreffende personen. Er is geen wettelijke grondslag of dringende noodzaak om de NAW-gegevens van natuurlijke personen te vermelden. Vandaar dat we bij natuurlijke personen spreken van ‘indiener’ (van een zienswijze) en een anonieme versie van de Nota Beantwoording Zienswijzen op de website zullen plaatsen.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 3

De indieners krijgen ook een anonieme nota toegezonden met vermelding van het nummer dat hun zienswijze heeft gekregen. 1.3. Opzet beantwoording Een groot aantal indieners heeft een gemeenschappelijke zienswijze ingediend. Het gaat om 3 verschillende zienswijzen. Deze 3 zienswijzen zijn in hoofdstuk 2 van deze nota beantwoord.

Sommige indieners hebben een aanvulling gegeven op deze gemeenschappelijke ingediende zienswijzen. Deze aanvullingen zijn opgenomen in de individuele beantwoording in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 3 volgt een reactie van het college per individuele indiener.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 4

2

Beantwoording van de gemeenschappelijke zienswijzen 2.1.

2.1.1

Gemeenschappelijke zienswijze 1 over bezonning en lichtinval Zienswijze

Beantwoording

Op basis van de vigerende plannen c.q. maquette en plankaders, verwachten indieners dat de bezonning en de lichtinval om- en in de woning in ernstige mate zal worden aangetast zodra De Entree zal zijn bebouwd. Een te voorkomen ernstige aantasting op het leef-en wooncomfort achten indieners onnodig, onterecht en ook niet acceptabel. De analyse in de MER achten indieners oppervlakkig, doet geen recht aan individuele belangen en is derhalve misplaatst en ontoereikend. De eis van indieners is dan ook aan de verantwoordelijken om tenminste de strenge TNO richtlijn voor de woningen van indieners te respecteren en te borgen, en om deze richtlijn als uitgangspunt te nemen bij het bouwontwerp en de bouwrealisatie van De Entree.

De nieuwe bebouwing in Entree, zal aan bepaalde stedenbouwkundige kaders en uitgangspunten moeten voldoen. Die zijn opgenomen in de Ontwikkelvisie Entree als onderdeel van het Omgevingsprogramma Entree. Die kaders, zoals rooilijnen en minimale /maximale bouwhoogtes, zijn getoetst op ruimtelijke aanvaardbaarheid. Zodoende wordt zorggedragen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor zowel nieuwe bewoners als omwonenden. Een van de aspecten waar het totaalplan aan getoetst wordt, is de vraag hoe het staat met de bezonning/lichtinval op de bestaande woningen als gevolg van de nieuwbouw Entree. In Nederland is er geen wet- of regelgeving over bezonning van woningen of andere bouwwerken. Gemeenten zijn dus vrij om hun eigen eisen te stellen aan de bezonning. Wel bestaat er de zogenaamde 'lichte' en 'strenge' TNO-norm voor bezonning van woonkamers. Deze vinden hun oorsprong in het woonwaarderingsstelsel uit 1962. Veel gemeenten hanteren daarom deze normen om iets te kunnen zeggen over de bezonning van woningen bij nieuwbouw. Volgens de lichte TNO-norm is er sprake van een voldoende bezonning bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober (gedurende 8 maanden) ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam.

Volgens de strenge TNO-norm is er sprake van een goede bezonning bij tenminste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari t/m tot 22 november (gedurende 10 maanden) ter plaatse van het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam. Zoetermeer heeft in 2020, bij de vaststelling van de Visie Binnenstad, gekozen voor het toepassen van bezonningsnormen die zijn gebaseerd op de lichte TNO-norm. Deze normen worden ook gehanteerd bij Entree. Deze norm wordt toegepast in hoog stedelijk gebied en is daarmee vergelijkbaar met de normen die worden gehanteerd in de Binnenstad.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 5

Deze luiden als volgt: − Toetsingsperiode tussen 19 februari en 21 oktober. − Minimale zonshoogte 10°. − Minimale potentiële bezonningsduur van 2 uur per dag. − Geen verdere verslechtering in bestaande situaties met minder dan 2 mogelijke zonuren. − Meetpunt op 1 meter hoogte in het midden van de gevel van de onderste woonlaag, in geval van woning op verdieping 0,75m boven vloerpeil. − Maximale afname bezonningsduur als gevolg van nieuwbouw is 50%. − Bezonningsduur ter plaatse van voor- en achtergevel worden bij elkaar opgeteld. − Bij dakopbouw: maximale afname bezonningsduur 50%. − Voorts is de norm van toepassing op openbare en semi-openbare ruimten met een recreatieve functie en op buitenruimten bij scholen en kindercentra. Er is hier in de berekening van de bezonningsduur sprake van voldoende bezonning als meer dan 50% van de oppervlakte in de zon ligt. Om te bezien in hoeverre hieraan wordt voldaan is een bezonningsstudie uitgevoerd door Peutz. Hierin is het stedenbouwkundig model opgenomen met de vertaling van de spelregels van de Ontwikkelvisie. Deze bouwhoogtes zijn mede n.a.v. ingediende zienswijzen, aangepast naar maximaal 70 meter hoogte en daarmee lager dan het geval was op grond van het ontwerp-bestemmingsplan (in casu bij de zogenaamde accenten). Het stedenbouwkundig model volgt de uitgangspunten van de spelregelkaart van de Ontwikkelvisie [zie paragraaf 4.2].

In de bezonningstudie van Peutz is zowel binnen als buiten het plangbied in beeld gebracht. Het rapport van Peutz is één van de Effectstudies bij het MER. De conclusie uit de bezonningsstudie luidt dat het effect qua bezonning/lichtinval als gevolg van de nieuwbouw in Entree, op de omgeving, aanvaardbaar is. De effecten van de bebouwingsmogelijkheden binnen Entree hebben invloed op de omliggende wijken maar voldoen ruimschoots aan de gehanteerde lichte TNO-normen. De bezonningsstudies laten zien dat de gunstige Noord-Zuid opzet van Entree een meer dan acceptabele bezonningssituatie van de bestaande bebouwing tot gevolg heeft. Voor de beperkte bestaande bebouwing binnen Entree wordt nauwkeurig gekeken of de lichte TNO norm wordt behaald. Dit kan met het omgevingsprogramma globaal, maar wordt zal bij de aanvraag BOPA concreet nogmaals inzichtelijk gemaakt.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 6

2.2.

2.2.1

Gemeenschappelijke zienswijze 2 over aantasting persoonlijke belangen Zienswijze

Beantwoording

Indieners geven aan door de ontwikkeling van het Entreegebied in hun persoonlijke belangen te worden geschaad. Dit betreft de volgende onderwerpen.

De ontwikkeling van Entree is grootschalig en zal tenminste10-15 jaar in beslag nemen. Een binnenstedelijke ontwikkeling van deze omvang heeft onmiskenbaar effect op de omgeving en huidige bewoners. Per onderwerp is hierna aangegeven met welke uitgangspunten rekening is gehouden en hoe de afweging van belangen heeft plaatsgevonden. Het uitzicht van de indieners zal vanzelfsprekend veranderen. Volgens vaste jurisprudentie bestaat er echter geen recht op een blijvend ongestoord uitzicht. Dit neemt niet weg dat het belang van indieners bij het behoud van hun uitzicht is betrokken bij de belangenafweging. De gemeente is van mening dat de ontwikkeling van Entree van groot algemeen belang is voor Zoetermeer. Het Omgevingsprogramma, de Ontwikkelvisie en Beeldkwaliteitsplan omvatten de kaders en uitganspunten voor grondeigenaren cq. ontwikkelaars om tot een hoogwaardige uitstraling van de bebouwing te komen. Daar komt bij dat Entreegebied juist bijdraagt aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het gebied transformeert van een monotoon en leegstaand kantorengebied met een dominante verkeersader naar gebied met verblijfskwaliteit en uitstraling, naar een levendige stadswijk die uitnodigend, actief, verbindend, vernieuwend en gezond is.

Verlies van uitzicht en bezonning door hoge toekomstige bebouwing.

Ten aanzien van het aspect bezonning wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.1.1 2.2.2

Verlies van groen en bomen; mogelijke waterschade door aan te leggen waterpartijen die direct aan de kelderberging van de woningen van indieners grenzen.

Ten aanzien van verlies van groen en bomen: Entree wordt een nieuwe wijk met een hoge dichtheid. Het is daarom belangrijk, voor zowel nieuwe bewoners als omwonenden, dat de nieuwe openbare ruimte een prettige plek wordt om te verblijven en te ontmoeten. De aanleg van groen heeft daarin een grote rol. Waar mogelijk wordt de openbare ruimte zoveel als mogelijk groen ingericht en wordt de ecologische kwaliteit versterkt. De afgelopen jaren zijn er veel bomen gekapt, voornamelijk vanwege ziekte. Voor die kap is vooralsnog geen vervangende aanplant gedaan met oog op de start van Entree. Het ontwerp van de openbare ruimte in Entree gaat uit van het terugbrengen van minimaal het aantal bomen dat aanwezig was voor de kap. Hierbij gaat de gemeente uit van het referentiejaar 2020. Op dit moment is nog niet exact voorzien hoe het definitieve ontwerp van de openbare ruimte van Entree eruit komt te zien, maar er

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 7

wordt gestreefd naar het aanbrengen van meer bomen dan voor de kap in Entree aanwezig waren. Ten aanzien van mogelijke waterschade: Het schetsontwerp openbare ruimte is aangepast. In het huidige schetsontwerp wordt er geen nieuw water aangelegd tegen bestaande gebouwen aan, zoals dat eerder wel het geval was bij de Boerhaavelaan. Nieuwe watergangen zijn zo ontworpen dat deze aan alle zijden zijn omringd door taluds. Naast de taluds wordt ruimte gemaakt voor groene inrichting. Met de aanpassing van de inrichting van de openbare ruimte, wordt tegemoetgekomen aan de vrees voor mogelijke waterschade van de huidige bewoners met kelderbergingen. 2.2.3

Toenemende verkeersintensiteit op de Boerhaavelaan, waardoor meer geluidhinder door verkeer, meer stikstof en fijnstof, waardoor de woonomgeving van indieners flink ongezonder wordt.

Uit de Effectstudie Verkeer en de onderliggende onderzoeken blijkt inderdaad dat het drukker wordt op het Bredewater (van circa 3.000 naar circa 8.000 mvtg/etmaal). De intensiteit van 8.000 motorvoertuigen/etmaal is overigens wel passend bij een gebiedsontsluitingsweg met een maximale snelheid van 30 km/uur. In de Effectstudie Luchtkwaliteit en Natuur is inzicht gegeven in de gevolgen van de toename van het verkeer.

2.2.4

Toenemende parkeerdruk, dus verlies van parkeergelegenheid, door onzekerheid over voldoende aantal bewonersparkeerplaatsen en idem ten aanzien van parkeerplaatsen voor bezoekers, die bovendien op het maaiveld gerealiseerd worden, waardoor nog meer vervuiling door "autoblik op straat" voor de woningen van indieners.

Conform de uitgangspunten in hoofdstuk 5 van de Ontwikkelvisie moeten deontwikkelaars de parkeerbehoefte van de bouwplannen op eigen terrein oplossen. Voor Entree is voorts een specifieke Nota maatwerkparkeernormen en uitvoeringsregels 2025 opgesteld. Daarbij kan de keuze worden gemaakt voor het zogenaamde "Normscenario” (toets op basis van de vigerende beleid (Nota parkeernormen en uitvoeringsregels Zoetermeer 2019, vastgesteld op 16 december 2019) of toetsing op basis van het zogenaamde “Ambitiescenario”. In het Ambitiescenario zijn aanvullend maatwerkparkeernormen voor Entree benoemd. Aan het toepassen hiervan zijn extra uitvoeringsregels verbonden. Alleen als aan de eisen die in deze aanvullende regels zijn beschreven wordt voldaan, kan de normatieve parkeerbehoefte worden berekend op basis van de maatwerk autoparkeernorm. Om de maatwerkparkeernorm te kunnen toepassen, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning aan alle eisen te voldoen. De wijze waarop aan deze eisen moet worden voldaan en bij indiening van de aanvraag omgevingsvergunning worden getoetst, is nader omschreven in de Nota Maatwerk Parkeernormen en Uitvoeringsregels Entree dat als bijlage bij het Omgevingsprogramma is gevoegd.

Daarnaast wordt door de gemeente een monitoringsplan opgesteld met daarin de spelregels op welke wijze en door wie de parkeerdruk in- en rondom Entree gemonitord gaat worden zodra het eerste bouwblok is opgeleverd.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 8

Als blijkt uit de monitoring dat sprake is van uitwijkgedrag moet het verschil alsnog worden gerealiseerd. De mogelijke realisatie van die parkeerplaatsen in de toekomst moet bij de aanvraag van de omgevingsvergunning al inzichtelijk zijn op welke wije dat kan worden opgelost. Feitelijk zal de parkeerbehoefte binnen de contouren van de bouwblokken worden opgelost. In de openbare ruimte in en rond Entree worden geen nieuwe openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. Wel komen aan het Bredewater de openbare parkeerplaatsen terug in de openbare ruimte. Deze kunnen echter niet ingezet worden door ontwikkelaars als (extra) oplossing van de parkeerbehoefte. De vrees voor meer ‘autoblik op straat’ is daarmee ondervangen. 2.2.5

Jarenlange overlast door bouwlawaai en bouwverkeer. Dit geldt eveneens voor al mijn buren die wonen langs de Boerhaavelaan in de flats Oranjestein, Noorderbosch, De Blankaard, Molenwijk, en (deels) Antoni van Leeuwenhoek, direct langs de grens van het bestemmingsplangebied. In totaal gaat het om vele honderden mensen.

Uit het MER blijkt dat overlast tijdens de sloop- en bouwfase niet te voorkomen is. Met name het transport van materialen kan effect op de omgeving hebben (vooral geluid). In het plangebied kan er geluidshinder worden ervaren door heiwerkzaamheden, graafwerkzaamheden en ander werkmaterieel en/of apparaten die bij de bouw zullen worden gebruikt. Van aannemers in Entree wordt een BLVC-plan (bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid en communicatie) verlangd voor aanvang werkzaamheden. In dit plan wordt vastgelegd op welke wijze aannemers de eisen ten aanzien van de leefbaarheid tijdens werkzaamheden in het gebied gaan invullen. Om de overlast voor bouw zoveel als mogelijk te beperken, zijn in het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) algemene rijksregels voor geluid bij bouwwerkzaamheden opgenomen die gaan over tijdstippen van wanneer te bouwen en het maximale geluidsniveau door de werkzaamheden. In het Bbl is ook opgenomen dat de uitvoerder van de bouwwerkzaamheden maatregelen moet nemen om visueel waarneembare stofverspreiding buiten het bouwterrein te beperken. Tot slot geldt voor bouwwerkzaamheden een specifieke zorgplicht op grond van het Bbl. De specifieke zorgplicht gaat over het voorkomen van gevaar voor de gezondheid of veiligheid in de directe omgeving van de bouwwerkzaamheden.

Bij een aanvraag omgevingsvergunning wordt specifiek gekeken naar de wijze waarop overlast zoveel mogelijk kan worden voorkomen en wordt tevens bezien welke maatregelen nodig zijn. Voor de activiteit bouwen is het verplicht een bouwveiligheidsplan in te dienen. Hierin dient duidelijk te worden gemaakt welke maatregelen worden genomen ter voorkoming van overlast. Dit betreft geluids-, stofen verkeersoverlast. Gezien de grootte van de voorgenomen ontwikkeling(en) is in dit

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 9

geval sprake van een (uitgebreider) (bouw)veiligheidsplan dat voor aanvang van de bouwactiviteiten moet worden overlegd. Voor alle werkzaamheden in het openbaar gebied wordt tenslotte een integraal faseringsplan gemaakt waarbij er gekeken wordt wat er eventueel gelijktijdig, of juist niet, uitgevoerd kan worden. Daarmee wordt vooraf voorkomen dat er op één bepaald moment bijvoorbeeld te veel verkeersoverlast is, omdat er op dat moment te veel wegen tegelijk afgesloten moeten worden. 2.2.6

Indieners dringen erop aan om het ontwerp bestemmingsplan en het ontwerp beeldkwaliteitsplan aan te passen, door het aantal te bouwen woningen te beperken tot maximaal 3.500, en de in de plannen vermelde bruto vloeroppervlaktes en bouwhoogtes evenredig te reduceren. Zodoende zullen de genoemde nadelige gevolgen voor de woningen en woonomgeving enigermate afnemen.

De Zoetermeerse woningbouwambitie voor Entree komt mede voort uit afspraken met het Rijk om tot 2030 landelijk 250.000 sociale huurwoningen en 50.000 middenhuur woningen te bouwen. Het beperken van het aantal woningen tot maximaal 3.500 komt niet overeen met de woningbouwambitie van Zoetermeer als geheel die door de gemeenteraad is vastgesteld. Ook is dit afwijkend ten opzichte van het raadsbesluit van juli 2024 waarbij de bandbreedten van het aantal woningen voor Entree is gesteld op 6250-7250. De afgelopen jaren hebben zich gekenmerkt door fors gewijzigde (markt)omstandigheden. Er is een demografische trend waarneembaar die laat zien dat de gemiddelde grootte van huishoudens afneemt; er zijn steeds meer 1persoonshuishoudens. Dit heeft gevolgen voor de gemiddelde oppervlakte van woningen. De woningnood blijft en de urgentie neemt steeds meer toe. Er zijn steeds minder betaalbare huur- en koopwoningen voor starters beschikbaar. Ook de doorstroming op de woningmarkt is laag. Daarnaast is er financieel veel veranderd in de vorm van stijgende bouwkosten. En de renteontwikkeling heeft een groot effect gehad op de beleggersmarkt en de particuliere hypothekenmarkt. Tegelijkertijd is de vraag naar (grootschalige) kantoren veranderd. Dit heeft geleid tot een nieuw onderzoek naar de kantoorbehoefte zoals die was opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan Entree-Midden.

Het nieuwe kantoorbehoefte-onderzoek (Cushman & Wakefield 2023) heeft aangetoond dat het kantoorprogramma van ruim 133.000 m2 bvo niet meer in overeenstemming is met de actuele behoeftevraag. Er kan volgens het onderzoek nog slechts ca 40.000 - 50.000 m2 bvo kantoren onderbouwd worden. Deze gewijzigde (markt-) omstandigheden zijn aanleiding geweest om opnieuw naar de programmering van Entree te kijken. Dit gewijzigde programma leidt niet tot meer of hogere bebouwing. Ruimte die eerst door kantoren zou worden ingenomen, kan nu voor woningen worden gebruikt. Daarnaast wordt de gemiddelde woninggrootte kleiner, waardoor er ook meer woningen gerealiseerd kunnen worden. Aangezien de verplaatsing van de brandweerkazerne naar West 8 niet doorgaat, kunnen er op die

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 10

locatie ook woningen gerealiseerd worden. Hierdoor is het plangebied van Entree ook groter t.o.v. het ontwerp-bestemmingsplan. Om er voor te zorgen dat de impact op de omgeving binnen de wettelijke kaders blijft en de eventuele nadelige effecten op het woon- en leefklimaat van omwonenden te minimaliseren, is een nieuw MER opgesteld. Dat MER wordt ook weer ter inzage gelegd voor zienswijzen en ter advisering en toetsing aan de onafhankelijke commissie MER voorgelegd.

2.3.

2.3.1

Gemeenschappelijke zienswijze 3 over belang van een goed wooncomfort Zienswijze

Beantwoording

Indieners doen een dringend beroep om het ontwerp bestemmingsplan en het ontwerp beeldkwaliteitsplan te herzien door uit te gaan van een ontwerp van een mooie, groene wijk, waarbij de leefbaarheid, de gezondheid, de woonoppervlakte, de balkonoppervlakte, het wooncomfort, de bezonning en de (parkeer) voorzieningen voor de toekomstige- en de huidige bewoners voorop staat. Het aantal bewoners en het aantal woningen dient de uitkomst te zijn van een mooi en goed ruimtelijk ontwerp, en niet als uitgangspunt te worden genomen. De gekozen beleidsinsteek is volgens indieners principieel verkeerd. De binnen een te overziene “ruimte-eenheid” (van 25.000 m2?) behorende samenhangende kengetallen zijn voor een goede leefomgeving en voor een adequaat wooncomfort niet berekend, niet onderzocht en niet genormeerd. Er is m.a.w. geen goede ontwerpbasis gelegd. FSI alléén (zonder een bredere context aan leefbaarheidsindicatoren) is onvoldoende. Daarom lopen indieners een groot risico dat de bestaande ontwerp ideeën en de daarbij beoogde volumecriteria ten koste gaan van wooncomfort en leefomgeving. Indieners eisen dan ook dat (op basis van concrete en ook onderling samenhangende criteria, zoals bijvoorbeeld die van RUDIFUN en daarbij behorende NEN normen) aantoont en ook garandeert - dat nóch het wooncomfort, nóch de leefomgeving, nóch de gezondheid zullen worden aangetast.

Gezondheid is bovendien onvervreemdbaar recht en de milieueffecten/de gezondheidsgevolgen dienen derhalve sowieso voor 100% na de realisatie van de bouw te zijn geborgd dan wel geenszins als gevolg van de bouw te worden geschaad. De op een integere wijze toepassen van wetgeving en het ethisch en professioneel handelen van het gemeentebestuur.

Het idee om een nieuwe woonwijk Entree te gaan realiseren start met een bestuurlijk vastgestelde woningbouwambitie. Daarin worden aantallen woningen genoemd. Aan de hand van deze bestuurlijke ambitie om in een bepaald gebied een bepaald aantal woningen te realiseren wordt een eerste stedenbouwkundig ontwerp opgesteld. Daarin wordt onderzocht of het wenselijk geachte aantal woningen, en andere functies, ook daadwerkelijk ruimtelijk haalbaar en aanvaardbaar is. Al deze onderzoeken, op het gebied van geluid, verkeer en parkeren, ecologie, bodem, erfgoed, water, bezonning, stikstofuitstoot, luchtkwaliteit, etc, moeten uitwijzen of het gewenste programma haalbaar is. En als dit niet het geval is zal het stedenbouwkundig ontwerp aangepast moeten worden. Op het moment dat alle onderzoeken uitwijzen dat voldaan wordt aan wet- en regelgeving en dat het ontwerp ruimtelijk aanvaardbaar is, kan gesteld worden dat het woon- en leefcomfort van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast. Bij grootschalige stedelijke inbreidingslocaties zal altijd sprake zijn van enige vorm van aantasting van woon- en leefcomfort van omwonenden. Daar valt in een stedelijke omgeving bijna niet aan te ontkomen omdat het aantal bewoners toeneemt en dus ook de vraag naar woningen en voorzieningen.

Uiteraard wordt rekening gehouden met de effecten van de nieuwbouw op die bestaande omgeving en worden de wederzijdse belangen hieromtrent gewogen. Doorgang van de gebiedsontwikkeling is

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 11

afhankelijk of uit de onderzoeken blijken dat die effecten voor de omgeving niet onevenredig groot zijn. Deze onderzoeken zijn openbaar, toetsbaar, opgesteld door deskundige en onafhankelijke adviesbureaus en vormen een belangrijk onderdeel van de belangenafweging bij de besluitvorming van het bevoegd gezag. Als gevolg van o.a. de ingediende zienswijzen tegen het ontwerp-bestemmingsplan Entree Midden, gewijzigde stedenbouwkundige inzichten en gewijzigde marktomstandigheden, is het programma voor Entree aangepast. Daarop zijn vanzelfsprekend ook alle onderzoeken geactualiseerd om te bezien wat de effecten zijn van het aangepaste plan op de omgeving. Het nieuw vastgestelde programma is in de Ontwikkelvisie en in het Beeldkwaliteitsplan vertaald in een ruimtelijk functionele (stedenbouwkundige) opzet voor Entree, die als toetsingskader geldt voor toekomstige aanvragen voor omgevingsvergunning. In deze documenten is door de schalen heen een aantal thema's en criteria benoemd die belangrijk is in een gebiedsontwikkeling van deze omvang. Thema's en criteria zoals menselijke maat, collectiviteit, herkenbaarheid, ruimte voor ontmoeten, verhoudingen openbaar-prive, mobiliteit en de inrichting van de openbare ruimte worden ingezet om de bouwplannen aan te toetsen. Hiermee wordt de gewenste kwaliteit voor een leefbare en toekomstbestendige wijk gewaarborgd.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 12

3

Beantwoording zienswijzen per indiener

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 13

3.1.

Inleiding

Hieronder is per indiener de zienswijze beantwoord. Veel indieners hebben één of meerdere gemeenschappelijk opgestelde zienswijzen ondertekend en ingediend. Bij deze zienswijzen wordt voor de beantwoording verwezen naar Hoofdstuk 2. Voor de overige individuele zienswijzen kan gelden dat op een bepaald thema al in een eerdere zienswijze in de tabel al een beantwoording is opgenomen die ook van toepassing is op andere zienswijze(n). Als dat het geval is, wordt voor de beantwoording verwezen naar deze eerdere beantwoording. 3.2.

Zienswijzen

3.1

Beantwoording Indiener heeft door middel van zes verschillende brieven zienswijzen ingediend. Drie zienswijzen zijn door meerdere personen ondertekend en ingediend.

De drie zienswijzen die door meerdere personen zijn ondertekend, zijn beantwoord in Hoofdstuk 2. In dit deel 3 worden de overige drie zienswijzen beantwoord die enkel door indiener zijn ingediend.

Zienswijze 001, 25 februari 2022 3.1.1

Indiener heeft zienswijzen voor wat betreft de informatievoorziening en het ontwerp van De Entree. Indiener acht de informatievoorziening volstrekt ontoegankelijk. Het is voor indiener menselijkerwijs onmogelijk om alles te lezen en te beoordelen. Indiener vraagt zich af hoe het mogelijk is dat Raadsleden op een verantwoorde en gefundeerde wijze besluiten kunnen nemen. Indiener stelt voor alle hoofdstukken en paragrafen te herschrijven en daarbij puntsgewijs en met een minimum aan woorden en met een maximum aan kengetallen (zoals m2/kavel, FSI, etc.) aan te geven wat de inhoud en de vigerende status is. Indiener wil in 2 A4tjes duidelijk krijgen wat de feitelijke effecten op het woongenot zijn als gevolg van de Entree.

Ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan Entree Midden was het verplicht op grond van de Wet ruimtelijke ordening, om het ontwerp bestemmingsplan (bestaande uit de verbeelding, plantoelichting en planregels) met alle bijbehorende stukken en onderzoeken beschikbaar te stellen op www.ruimtelijkeplannen.nl. Daarnaast zijn alle documenten ook op de gemeentelijke website geplaatst en afzonderlijk te raadplegen. Voor een dergelijke grote nieuwe woonwijk is veel onderzoek vereist en verricht. Alles bij elkaar is het zeer veel informatie. Om dit toegankelijk te maken is er de plantoelichting. Deze overzichtelijke plantoelichting bevat de samenvatting en conclusies van alle onderzoeksresultaten. Per thema wordt een korte beschrijving gegeven van de wettelijke vereisten en de conclusie van de onderzoeken. Zodoende kan snel en overzichtelijk een goed beeld van het bestemmingsplan en de onderbouwing daarvan worden verkregen. Op deze manier is het in principe niet nodig om alle onderzoeken te lezen. Als men toch gedetailleerd de onderzoeksrapporten wil inzien en controleren dan is dat mogelijk door de bijlagen met de onderzoeken te openen. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet is voor de ontwikkeling van Entree een Omgevingsprogramma opgesteld, met als bijlagen de Ontwikkelvisie en het Beeldkwaliteitsplan. Ook is een nieuw MER opgesteld.

Bij een dergelijk omvangrijk project als Entree, is er inderdaad sprake van een enorme hoeveelheid stukken. Dat kan ook bijna niet anders. Het Omgevingsprogramma Entree is de kapstok voor een groot aantal stukken en onderliggende onderzoeksrapporten. Daar is zoals hiervoor al aangegven helaas geen andere oplossing voor. Zoals in paragraaf 1.5 is aangegeven is

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 14

Omgevingsprogramma het overkoepelende omgevingsdocument waar in hoofdlijnen de ambities en de uitwerking in beleidsregels in zijn opgenomen. Indien meer gedetailleerde (achtergrond) informatie gewenst is, kan per thema/onderwerp in de achterliggende documenten meer informatie gevonden worden. In het Omgevingsprogamma worden daarvoor expliciete verwijzingen opgenomen. College en gemeenteraad worden over het project Entree periodiek bijgepraat en op de hoogte gehouden, o.a. via technische bijeenkomsten en raadsmemo's. 3.1.2

Door bijvoorbeeld in schemavorm te communiceren bewerkstellig je volgens indiener al een effectieve manier, waarbij de samenhang tussen kernwaarden (ambities) en de daarbij behorende functionele en technische bouwvereisten (- of ambities) kunt weergeven. En verder zou het bijzonder effectief zijn als kengetallen per onderwerp c.q. van alle onderwerpen op één overzicht dan wel in één duidelijke tabel, gebaseerd op de laatste stand van zaken (dus inclusief de gevolgen van verbetermaatregelen en op basis van één enkel bouwvolume), per kavelnummer, zouden worden samengevat. De kernvraag dient t.a.t. per doelgroep te zijn: "is het bruikbaar voor de betrokkenen” en “zijn misverstanden uitgesloten”? Ook kan op een paar “plattegronden” de belangrijkste bouwbedoelingen (volumeindicatoren) worden weergegeven.

Wij stellen het op prijs dat indiener meedenkt over alternatieve manier(en) van presenteren van beleid en onderliggende ambities en doelstellingen. Het Omgevingsprogramma vormt het overkoepelende omgevingsdocument waarin onder meer de Ontwikkelvisie, het Beeldkwaliteitsplan en het MER zijn opgenomen. Hoewel de weergave van indiener schematisch simpel lijkt, is de uitwerking en de integraliteit minder eenvoudig weer te geven. De bedoeling van het nieuwe Digitale Stelsel Omgevingswet (het DSO) sluit precies aan bij wat indiener wenst, namelijk een goede, toegankelijke ontsluiting van de documenten die behoren bij een Omgevingsvisie, -programma en/of een -plan. Onder de nieuwe Omgevingswet is een nieuw landelijk digitaal platform gebouwd: https://omgevingswet.overheid.nl. Onder deze website valt o.a. het ‘Omgevingsloket’ waarin aanvragen voor omgevingsvergunningen kunnen worden aangevraagd. En onder deze website valt ook het onderdeel ‘Regels op de Kaart’. Dit is de vervanger van de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl waarop alle oude bestemmingsplannen van alle gemeenten digitaal werden ontsloten en konden worden ingezien. Via Regels op de Kaart kunnen alle Omgevingsplannen van gemeenten worden bekeken. Ook Omgevingsprogramma's kunnen hierop worden ingezien.

Door op de digitale kaart van Nederland in te zoomen op Zoetermeer en specifiek naar het gebied van Entree, kan men het Omgevingsprogramma Entree openen en inzien. U ziet (uiteindelijk) alleen de relevante teksten en regels die voor dat gebied gelden dat wordt aangeklikt. Zowel via het DSO-loket als met behulp van de beleidsregels zal inzichtelijk zijn aan welke regels en uitgangspunten moet worden voldaan bij de ontwikkeling van de plots. Deze zijn in het Omgevingsprogramma opgenomen. Soms wordt hierbij ook verwezen naar een nadere uitwerking van essenties in de Ontwikkelvisie en

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 15

het Beeldkwaliteitsplan die meer duiding en achtergrond geven aan de regels. De essenties en principes worden door de ontwikkeldende partijen op individuele plots in detail uitgewerkt en de gemeente toetst deze op de het Omgevingsprogramma, de beleidsregels en de essenties en principes in de Ontwikkelvisie en het Beeldkwaliteitsplan. Voor de presentatie op het DSO-loket is de gemeente gebonden aan de digitale standaarden die gelden voor een omgevingsdocument. Daar waar mogelijk zijn teksten gekoppeld aan geografische gebieden. De onderzoeksresultaten van alle onderzoeken zullen hier ook in worden gepresenteerd en inzichtelijk gemaakt. De eigenschappen uitnodigend, actief, verbindend en vernieuwend zijn in de Ontwikkelvisie verder uitgewerkt (zie hoofdstuk 2). Indiener vraagt of met de termen uitnodigend, actief, verbindend en vernieuwend ruimtelijke voorzieningen zijn bedoeld en geeft aan dat deze termen niet kwantitatief kunnen worden vertaald. Deze termen zijn niet uitsluitend gericht op ruimtelijke voorzieningen. Het gaat hierbij om de beschrijving van de ambities van Entree. Een deel van die ambitie wordt inderdaad gerealiseerd door ruimtelijke voorzieningen, doordat Entree een brede programmering omvat met verschillende functies. Een deel van de ambitie is inderdaad gericht op kwalitatieve aspecten die invloed kunnen uitoefenen op het gedrag van inwoners.

Een deel van de onderzoeken van het MER zijn daarom ook kwalitatief uitgevoerd. Indiener geeft een tekstuele toelichting op dit schema. De zienswijzen die worden ingebracht hebben tot doel om:  de leefkwaliteit en het woongenot (als kernwaarden) van zowel de (huidige en toekomstige) bewoners in- en buiten het entreegebied op een duurzame wijze te borgen;  de daarbij overkoepelende kernwaarde als het behoud en de bevordering van de gezondheid en het welzijn van de bewoners te waarborgen; Deze kernwaarden zijn, gericht op het feit dat grofweg 90% van de (niet werkzame) tijd in huis (dus niet buiten de eigen woning) wordt doorgebracht, verder onder te verdelen in 4 hoofdmoten, zijnde:  de bezonning c.q. de hoeveelheid licht (= grootte van de ramen) in de woningen (dan wel op de balkons van de woningen);  zo min mogelijk geluidsoverlast in de woningen;  voldoende woonoppervlakte binnen- en buiten (= privé balkons/privétuin) uiteraard: warmtevoorziening (temperatuurregulering). De kernwaarden rondom “gezondheid als ambitie ” zijn te normeren. Indiener zou niet weten hoe de andere ambities van de Entree (“Uitnodigend, Actief, Verbindend, Vernieuwend”) naar (functionele en technische) ontwerpnormen (kwantitatief dus: het Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 16

gaat uiteindelijk om bouwvolumes) zou kunnen vertalen. Indiener vindt het heel bijzonder dat wordt geprobeerd om eigenschappen van objecten te projecteren op het (volstrekt niet aan te sturen en amper te voorspellen) gedrag van subjecten. Of wordt met “Uitnodigend, Actief, Verbindend, Vernieuwend” “Ruimtelijke Voorzieningen” bedoeld? Zo ja, waarom gebruikt u die term dan niet en wordt alles onnodig onduidelijk gemaakt? 3.1.3

Zie beantwoording 3.1.2. In aanvulling daarop wordt aangegeven dat het MER een overzichtstabel bevat met daarin de conclusie van de effectstudies opgenomen. IN het Omgevingsprogramma is ook op overzichtelijke wijze de beleidsregels aangegeven. Met deze informatie is een overzicht op hoofdlijnen beschikbaar.

Per kernwaarde en invalshoek is dit toch systematisch af te werken dan wel in de loop van het project aan te vullen c.q. bij te stellen. Indiener is ervan overtuigd dat de medewerkers van het projectbureau een dergelijk overzicht in no-time kunnen opstellen, daar zij de vereisten waarschijnlijk uit hun hoofd weten.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 17

3.1.4

Zie beantwoording 3.1.3

Of maak hier volgens indiener één tabel van, eventueel aangevuld met minimum en maximum normen dan wel andere relevante kenmerken en dat conform de laatste plansituatie/beeldvorming. Dus: altijd de laatste stand van zaken als referentie benoemen (in plaats van diverse referentiepunten). PS: de maximale afmetingen van de torens schijnen vastgesteld te zijn, maar een overzichtelijke tabel daarvan vindt indiener nergens terug. Ook zou een (hiërarchisch geordende) thesaurus (trefwoordenregister), ergo: een goed ingericht documentmanagementsysteem (=gestructureerde en full-tekst retrieval zoekopties), uitkomst bieden.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 18

3.1.5

3.1.6

Zie beantwoording 3.1.2

Op basis van een unieke gebouwidentiflcatie kan eenvoudig naar de daarbij behorende detaildocumenten worden verwezen. De detaillering via https://www.ruimteliikeplanen.nl/?planidn=NL.IMR0.0637.BP00111-0002 is niet op kavel maar op GPS niveau ingestoken en dat bevordert het overzicht naar de mening van indiener onvoldoende. “Kavel” lijkt indiener het juiste aggregatieniveau/beheerseenheid te zijn mede omdat er logischerwijs ook per kavel zal worden gebouwd (en zo niet, voor een handigere beheerseenheid kiezen). Samengevat: indiener zou het (mede namens iedere betrokkene) bijzonder op prijs stellen als de informatievoorziening kort, bondig, doeltreffend en voorzien van kwantitatieve feiten op basis van de laatste inzichten, maatregelen en plannen zou worden ingericht en verstrekt, met als kernvraag: hebben de betrokkenen er iets aan en hoeven die niet lang te zoeken? Indiener gaat het om het resultaat en niet om stupide wettelijke regeltjes (en ook onzinnige uitkomsten daarvan, zoals die in de MER), dus het verzoek van indiener is om vooral het gezonde verstand te blijven gebruiken. Als u dat blijft doen en ook de informatievoorziening op orde brengt, dan is indiener ervan overtuigd dat het goed komt.

Het Omgevingsprogramma is het overkoepelende omgevingsdocument waar in hoofdlijnen de ambities en de uitwerking in beleidsregels in zijn opgenomen. Indien meer gedetailleerde (achtergrond) informatie gewenst is, kan per thema/onderwerp in de achterliggende documenten meer informatie gevonden worden. In het Omgevingsprogamma worden daarvoor expliciete verwijzingen opgenomen.

Zienswijze 002, 25 februari 2022 3.1.7

De kwaliteit van de Entree “zit aan de voorkant’ (niet in corrigerende maatregelen achteraf), dus in een fraai, slim en vooral ook duurzaam ontwerp zodat het gebied over

Het Omgevingsprogramma Entree bevat de ambities en beleidsregels voor de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk. De zorg voor een leefbare en bruikbare

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 19

100 jaar nog steeds goed leef- en bruikbaar is. Als dat betekent dat er voor een paar ton meer aan maquette en ontwerpen dient te worden geïnvesteerd, dan is dat nog altijd veel goedkoper dan leegstand, het achteraf aanpassen of slopen van bouwwerken. De vertaalslag tussen resultaat 1 en resultaat 2 uit de eerste brief treft u als voorbeeld aan. Tijdens het vragenuurtje op 15 februari jl. bleek er een fundamenteel verschil te zijn tussen de begrippen “Eis” en “Ambitie”. Indiener is van mening dat er wel degelijk “eisen” aan het ontwerp en aan de bouw dienen te worden gesteld omdat projectontwikkelaars in principe iedere “ambitie” naast zich neer kunnen leggen. Een “eis” definieert indiener als een norm die essentieel is voor de (duurzame) gezondheid, de leefkwaliteit en het woongenot van de (huidige en toekomstige) bewoners en die de Raad kan afdwingen. Deze verantwoording maakt integraal onderdeel uit van de 1e brief van indiener (zienswijze 1.1 t/m 1.6). Indiener schetst de logica achter de gedachtengang en werkt dit uit in een schema.

nieuwe woonwijk is natuurlijk ook een van de gemeentelijke uitgangspunten om mee te werken aan deze gebiedsontwikkeling. Daarom zijn er naast ambities ook ‘eisen’ opgenomen in de vorm van beleidsregels. Een voorbeeld van een beleidsregel is bijvoorbeeld de maximale bouwhoogte die per plot is aangegeven. Ook zijn er ambities in opgenomen. Die zijn minder hard vastgelegd dan de eisen maar worden wel – in overleg met de ontwikkelende partijen – zoveel als mogelijk ingevuld bij de individuele bouwplannen. Een voorbeeld hiervan is de invulling van het beschikbaar dakoppervlak voor zonnepanelen, groen- en waterberging. De ambities zijn in de Ontwikkelvisie opgesteld en onderverdeeld in doel, essenties en (ontwerp) middelen. Op basis van de doelen zal de kwaliteit worden bewaakt. Ook is een Beeldkwaliteitsplan (BKP) opgenomen zodat de eenheid en verscheidenheid wordt bewaakt. De plannen van architecten van de ontwikkelaars worden aan de hand van deze documenten begeleid en getoetst door Stedenbouw, een Kwaliteitsteam (Q team) en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK).

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 20

3.1.8

Geheel in het verlengde van deze opzet kunnen detailspecificaties per kavel of per voorziening worden ingevuld. Met een kleine moeite (en inbreng van creatieve ervaringsdeskundigen) wordt alles concreet, verantwoord en duidelijk. Bijlage 1: een beeld zegt volgens indiener meer dan 1000 woorden: Noorderbosch dan wel Oranjestein (projectie 23 appartementblokken van 190 appartementen/blok, 10 verdiepingen + 1 benedenverdieping op het Entreegebied.

In het Omgevingsprogramma Entree is een woningbouwprogramma opgenomen met voldoende voorzieningen, groen en infrastructuur, waar behoefte aan is. Vele specialisten op het gebied van onder andere stedenbouw, woningbouw, openbare ruimte, verkeer, geluid en erfgoed, hebben hieraan een (integrale) bijdrage

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 21

geleverd die hebben geleid tot een Ontwikkelvisie en het Beeldkwaliteitsplan. Dat is vervolgens vertaald in het Omgevingsprogramma. Voor het Omgevingsprogramma is daarnaast een Plan-MER uitgevoerd waarin de milieueffecten van de ontwikkeling van Entree is beoordeeld. Daarmee is dit Omgevingsprogramma onderzocht op alle relevante ruimtelijke aspecten die effect hebben op de fysieke leefomgeving waarmee de haalbaarheid van de plannen is aangetoond en de conclusie van indiener dus niet wordt gevolgd.

Een maximum van 4.500 woningen met groen ertussen lijkt indiener, in combinatie met plezierige woonoppervlakten en een goed leefklimaat, met voldoende groen en voldoende voorzieningen daarbij, onmogelijk te realiseren. Zienswijze 003, 3 maart 2022 3.1.9

“Bezonning” is volgens indiener de allesbepalende factor voor zowel het ontwerp van de Entree alsook voor wat betreft het leef- en wooncomfort van alle huidige en nieuwe (Entree) bewoners. Een goede bezonning voor iedereen betekent een goed ontwerp, verantwoorde gebouwafmetingen, passende afstanden tussen gebouwen (en dus plezierige groen- en watervoorzieningen), een goed leefklimaat, de mogelijkheid om lokaal energie op te wekken, en ga zo maar door.

Ten aanzien van het aspect bezonning wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.1.1.

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 22

3.1.10

Door de projectorganisatie is indiener vermeld dat de bezonningsuitkomsten in de rubriek “Leefbaarheid en gezondheid” van de MER kon terugvinden. Indiener heeft daarom de MER doorgenomen, en het is ronduit verbijsterend wat indiener aantrof en wat er gebeurt. Alles wordt, als het nodig wordt geacht, op een amorele manier uit de kast gehaald om het project te legitimeren en door te drukken. Enige bezinning, validatie en zelfreflectie is er, naar blijkt, bij het college en de (meeste?) raadsleden niet bij. Dit is natuurlijk een ernstige aantijging en uiteraard zal indiener deze constateringen dan ook aantonen of aannemelijk maken. Omdat de gang van zaken niet aan de ambtenaren zijn toe te rekenen, verzoekt indiener of het college een inhoudelijke reactie kan voorzien. Indiener heeft op 4 januari een aantal voorstellen aan het college en aan de Raad gedaan aangaande de bewonersvertegenwoordiging (als onderdeel van de “krachtenveldanalyse) en de bezonning. Op 10 Januari heeft indiener een reactie ontvangen. De feiten zijn dat: a. in het geheel niet wordt ingegaan op het verzoek de bewoners een formele positie te verstrekken bij de projectontwikkeling en een professionele verantwoording daarvan. b. in het ontwerpbestemmingsplan de TNO criteria zijn geborgd door de verplichting die bepaalt dat de bezonning op de gevel van de gebouwen dient te voldoen aan de lichte TNO norm.

Omdat er niet inhoudelijk op het punt a wordt ingegaan is de logische gevolgtrekking van indiener dat het verzoek dus door het college van B&W en de Raad is gehonoreerd. Met andere woorden: wanneer wordt er een professionele vertegenwoordiging (dus een onafhankelijk iemand die écht verstand heeft van bezonning, geluids- en luchtkwaliteit, noem maar op) namens de bewoners aangesteld? Voor een project van 500 miljoen tot 1 miljard euro zijn de competenties van een stel goedwillende vrijwilligers natuurlijk onvoldoende. Omdat indiener, vanwege het gegeven onder a, het vertrouwen in de gang van zaken is verloren, wil indiener onder het feit onder b een bevestiging dat het de gehele gevel zou moeten betreffen. Zoals het er nu staat kan daar ook namelijk door een lepe jurist, 1m2 gevel voor worden ingevuld.

Er wordt actief door het gebiedsteam Entree periodiek, ongeveer 1x per kwartaalr, zo’n 70 buurtvertegenwoordigers en andere actieve bewoners bijgepraat over de stand van zaken en actualiteiten in Entree. Tijdens dit overleg is ook ruimte om feedback te geven en om eigen onderwerpen aan de orde te stellen. Ook worden de buurtvertegenwoordigers actief geïnformeerd over tussentijdse mijlpalen en ontvangen zij de uitnodigingen om aan participatietrajecten deel te nemen. Verder is er een Klankbordgroep Station en Openbare Ruimte waar ook bewoners deel van uitmaken. Hier worden in een vroeg stadium plannen gedeeld en feedback gevraagd. Deelnemers hebben een geheimhoudingsplicht omdat dit vaak informatie betreft die nog niet openbaar is. De gevolgtrekking van indiener dat het verzoek de bewoners een formele positie te verstrekken wordt gehonoreerd deelt de gemeente uitdrukkelijk niet. De gemeente is verantwoordelijk voor de afweging van belangen en betrekt daarbij zowel de belangen van de huidige bewoners, toekomstige bewonersals de grondeigenaren/tontwikkelaars. De gemeente geeft opdracht aan diverse professionele bureaus voor het doen van onderzoek naar allerlei verschillende aspecten zoals geluid, verkeer, luchtkwaliteit etc. Deze onderzoeken zijn nodig om aan te tonen dat een bepaald programma aan bebouwing ruimtelijk aanvaardbaar is. Dat houdt o.a.

in dat de effecten op de omgeving (zoals die van bezonning, geluids- en luchtkwaliteit) door experts worden onderzocht en door de gemeente worden getoetst aan beleid, wet- en regelgeving. De gemeente staat dus niet alleen voor de taak om woningbouw mogelijk te maken maar dient daarbij tevens rekening te houden met de mogelijke effecten van die woningbouw op de omgeving. Om die effecten inzichtelijk te maken wordt in opdracht van de gemeente onderzoek gedaan, zodat de conclusies kunnen worden betrokken bij de planontwikkeling en de

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 23

uiteindelijke besluitvorming. Deze onderzoeken maken onderdeel uit van het MER, wat door de onafhankelijke Commissie mer wordt voorzien van advies. Bij de verdere uitwerking op bouwplanniveau worden de ontwikkelaars begeleid door het Q-team, waarna toets van de bouwplannen plaatsvindt door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en de Stadsbouwmeester. Ook deze partijen adviseren de gemeente voorafgaand aan de besluitvorming. De gemeente houdt dus zowel de belangen van de ontwikkelaars in het oog als de belangen van de omwonenden.

3.1.11

3.1.12

3.1.13

Het aantal planning stappen (“Planning Entree Middengebied) leidt volgens indiener tot allerlei tekstuele tegenstrijdigheden in de stukken en is voor niemand nog te volgen. Indiener beklaagt zich over de vele herhaling van teksten en het aantal bladzijden. Indiener is van mening dat de wetgever er een puinbak van heeft gemaakt, en dat niet alleen qua stappen alsook aan inhoudelijke criteria. Het is voor indiener onbegrijpelijk dat het college en de Raad stukken goedkeurt of gaat goedkeuren, die men niet inhoudelijk heeft kunnen lezen, laat staan heeft kunnen beoordelen.

Indiener beklaagt zich over de korte tijd dat mogelijkheid wordt geboden om de stukken door te nemen, gelet op de grote omvang, terwijl de raad ruim de tijd heeft om de zienswijzen te behandelen.

Indiener verzoekt het leefcomfort en het welzijn van de Zoetermeerse inwoners (met een FSI van 2,5) als basis te houden, en vast te houden aan de Zoetermeerse identiteit (ruime woningen, veel groen, mooie wijken). Indiener verzoekt daarnaast opgedrongen woonvolumecriteria (en andere uitvloeisels van wanbeleid, zoals de onuitvoerbare jeugdzorgproblematiek) van de Rijksoverheid terug te wimpelen naar de premier. Indiener doet de suggestie een groep architecten een mooie wijk te laten ontwikkelen (zoals Breevast dat in 2013 al heeft gedaan: appartementen van 6 verdiepingen hoog en waarbij er 690 appartementen zouden worden gerealiseerd). Dit dient dan als mores c.q. gangbare ontwikkelnorm binnen de gemeente.

Ten aanzien van het aspect bezonning wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.1.1. Het ontwerp bestemmingsplan Entree bestond uit een verbeelding met bijbehorende plantoelichting en planregels. Bij de plantoelichting zijn zoals gebruikelijk alle onderzoeksrapporten gevoegd. Alle informatie en onderzoeken zijn vervolgens, zoals wettelijk voorgeschreven, op www.ruimtelijkeplannen.nl, gepubliceerd en raadpleegbaar gemaakt. Bij een dergelijk omvangrijk project als Entree, is er inderdaad sprake van een enorme hoeveelheid stukken. Dat kan ook bijna niet anders. Echter, de plantoelichting bevat de samenvatting van de resultaten van alle onderzoeken. In feite kan men zich beperken tot het lezen van de plantoelichting. Als men meer wil weten over een bepaald aspect, dan kan men de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken raadplegen. De termijn om te reageren op een ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken is vanuit het Rijk wettelijk bepaald. Deze bedraagt 6 weken. Deze termijn mag niet door de gemeente worden verlengd. Deze wettelijke termijn voor terinzagelegging is ook voor het Omgevingsprogramma gehanteerd. De gemeente Zoetermeer neemt haar eigen verantwoordelijkheid om het grote woningtekort aan te pakken. Daarbij blijft een goed woon- en leefcomfort voorop staan. Hierbij is echter geen sprake van één Zoetermeerse identiteit, maar verschilt de invulling per wijk.

Zoetermeer gaat de woningen niet zelf bouwen maar biedt met het Omgevingsprogramma, het Beeldkwaliteitsplan en de beleidsregels het kader waarbinnen ontwikkelaars en hun architecten de vrijheid hebben om gebouwen te ontwerpen. Vandaar dat de gemeente bij deze gebiedsontwikkeling ook kijkt naar de vraag waar vanuit de markt behoefte aan is. Het heeft immers niet zoveel

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 24

3.1.14

3.1.15

3.1.16

Indiener beklaagt zich ten aanzien van de MER wederom over de omvang en de beoordeling daarvan: zo’n 2.100 pagina’s. Indiener is verbaasd dat uit de MER volgt dat het geen verschil uitmaakt in de diverse criteria of er 4.500 woningen of 6.300 woningen bijkomen.

Op blz. 75 van de MER staat dat er een “onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage” zou bestaan. Op 9 oktober jl. heeft wethouder Rosier tijdens de openingsceremonie verteld dat er een extra kwaliteitstoetsingsorgaan zou worden geïnstalleerd. Indiener stelt de vraag of dergelijke organen de MER rapportages hadden moeten tegenhouden.

Indiener stelt dat de milieueffecten (paragraaf 1.5 Wat blijkt uit het MER? ev) zijn gelegd naast een situatie die niet bestaat c.q. op basis van een fictieve situatie dat er kantoren op de lege terreinen zouden staan. Dit leidt volgens indiener tot verkeerde conclusies bijvoorbeeld op het gebied van CO2 en duurzaamheid. De wetgever zal volgens indiener ongetwijfeld deze zinsnede ponder 1.5 hebben voorgeschreven, maar op basis van het ontbreken van dit stukje duidelijkheid, kwalificeert indiener bij deze de uitkomsten van de MER - met uitzondering van de analyse van de GGD - als onzinnig. Indiener is dan ook van mening dat iets wat gunstig en iets anders ongunstig daar geen “neutraal” van mag worden gemaakt.

zin om kaders te scheppen voor de ontwikkeling van potentiële leegstand. Zie ook de beantwoording onder 2.2.6. en 2.3.1 Zowel het MER behorend bij het ontwerpbestemmingsplan als bij het Omgevingsprogramma is goed onderzocht en dus uitgebreid. Het MER bestaat uit twee delen; het deel A bevat de inleidende hoofdstukken en de hoofdlijnen van de resultaten van de effectstudies. In deel B zijn de volledige effectstudies opgenomen, inclusief het beleidskader en de referentiesituatie. Per thema is er een rapport opgesteld. In het MER voor het Omgevingsprogramma is één stedenbouwkundig model het uitgangspunt. Dat betekent dat voor een groot aantal thema’s inderdaad geen verschil in de twee verschillende planvarianten is. Overigens is dat niet voor elk thema het geval. In deel A van het MER is in hoofdstuk 4 de samenvattende tabel opgenomen voor de beoordeling van de twee varianten. In de effectstudies (MER, deel B) is gemotiveerd of sprake is van een verschil tussen de twee onderzochte varianten. In het kader van de in de Wet milieubeheer vastgelegde procedure, is de ontwerpMER die gekoppeld is aan het ontwerp-bestemmingsplan voorgelegd aan de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (mer). Het advies van de Commissie mer is betrokken bij het aangepaste plan voor Entree. Het advies heeft op diverse punten geleid tot aanpassingen in de gebiedsontwikkeling van Entree.

Voor het Omgevingsprogramma is een nieuwe MER opgesteld, waarbij ook het eerdere advies van de Commissie mer is meegenomen. Ook deze MER wordt voorgelegd aan de Commissie mer. Het advies van de Commissie mer zal- waar nodig – voorzien worden van een beantwoording en worden betrokken in de vaststellingsprocedure van het omgevingsprogramma Entree. Het MER geeft inzicht in verschillende situaties: de huidige situatie; referentiesituatie (de huidige situatie met autonome ontwikkelingen); en de plansituatie. Het MER vergelijkt de referentiesituatie met de twee planvarianten. Het MER gaat voor het bepalen van de referentiesituatie uit van de huidige feitelijke situatie aangevuld met autonome ontwikkelingen. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de effectstudie verkeer en vervoer, waar expliciet is toegelicht van welke plansituatie is uitgegaan en dat ook heeft geleid tot een (handmatige) aanpassing van het modelmatige uitgangspunt (waarin Entree volledig in gebruik is als kantorenlocatie).

Nota zienswijzen ontwerp-bestemmingsplan “Entree Midden” - 25

De toekomstige situatie zal niet de huidige situatie zijn, ook niet als de voorliggende plannen geen doorgang zouden vinden, daarom wordt er altijd vergeleken met een referentiesituatie. Het MER weegt veel dingen tegen elkaar af bij verschillende onderwerpen en is (letterlijk) een situatie van plussen en minnen – deze worden duidelijk gekwalificeerd en onderbouwd. In de effectstudies Verkeer, geluid en luchtkwaliteit is in detail inzichtelijk gemaakt wat de effecten zijn van de gebiedsontwikkeling Entree. In het bijbehorend MER (onderdeel A) is een samenvatting opgenomen van het totaal aan effecten.

3.1.17

Indiener is het niet eens met de zinsnede op pagina 75: “Op de omgeving zijn geen negatieve effecten te verwachten als gevolg van de transformatie van Entree. Het verkeersbeeld is vergelijkbaar met de referentiesituatie, en daarmee ook de situatie voor geluid en luchtkwaliteit.”

3.1.18

Indiener plaatst vraagtekens bij de volgende passage: Punt 5.6.1.7 Schaduwwerking Ook hier zal nader onderzoek nodig zijn om aan te tonen dat middels studies moeten worden aangetoond dat geen ernstige hinder zal ontstaan” en “Omdat naar verwachting aan de TNO-normen kan worden voldaan, wordt het effect neutraal beoordeeld (0)”. Volgens indiener is zonder onderzoek de beoordeling al geplaatst. Indiener verzoekt als beleid de strenge bezonningsnorm, daar waar nog mogelijk, voor heel Zoetermeer vast te stellen, en gaat voorschrijven.

Ten aanzien van het aspect bezonning wordt verwezen naar het antwoord onder nr. 2.1.1.

MER blz. 130, punt 5.3.2.5. In dit stuk staat dat de bebouwing langs de Afrikaweg ca. 30 meter zal bedragen. De hoogte aan de randen van de Entree bedragen 12-20 meter. Aan de randen is de bebouwing lager en meer open zodat aansluiting wordt gevonden bij de groene kraag en de omliggende wijken (Meerzicht en Driemanspolder). Ook staat dat er hoogte accenten tot 90 meter zijn. Deze hoogten wijken volgens indiener behoorlijk af van die zoals genoemd in andere documenten, en ik indiener gaat deze criteria (in het belang van alle bestaande bewoners) bij de bouwplannen als basis nemen. In concrete: tegenover het appartement van indiener eist hij dat er geen gebouw met een maximale hoogte van 25 meter komt, maar een van maximaal 20 meter. En er komen geen gebouwen van 120 meter hoog, maar gebouwen met een maximale hoogte van 90 meter. Indiener is het niet eens met het MER inzake blz 158 Stikstofdepositie omdat er gesaldeerd wordt op basis van niet bestaande gebouwen.

Naar aanleiding van de zienswijzen en de actualisatie en verrijking zijn in de Ontwikkelvisie zde hoogten aangepast. In de spelregelkaart in de Ontwikkelvisie, zie paragraaf 4.2, is opgenomen per bouwblok wat de maximale hoogte van de gebouwen en hoogteaccenten zijn. Daarbij zijn de accenten van 120 en 90 meter verlaagd naar 70 meter. Daarnaast is de basishoogte aan de Afrikaweg en de randen van Entree gehandhaafd. De accenten aan de randen van Entree zijn met de spelregelkaart nu rechtstreeks weergegeven, in plaats van een verdeling van accenten binnen een zone in het ontwerp-bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=78fd96c2-3d31-4241-be7c-1fde3e4e713c