Bijlage 1 - Zoetermeer FM Aanvraag aanwijzing
Tekst van het document
JACOBSE HULSEBOSCH DOORDUYN NOTARISSEN
Blad 8.
a. b. c. d.
het bepalen van het beleid voor het media-aanbod; toetsing van de in het programmabeleid verwoorde uitgangspunten; het geven van adviezen, gevraagd en ongevraagd, aan het bestuur; het opstellen van een jaarlijkse rapportage aangaande het gevoerde en— gerealiseerde programmabeleid. 2. Het pbo wordt voor de eerste maal bij deze akte benoemd. Het aantal leden,— met een minimum van vijf, wordt door het pbo, met in achtneming van lid 3 en— lid 4 van dit artikel, vastgesteld. 3. Het pbo dient zodanig te zijn samengesteld dat het representatief is voor de in— de gemeente Zoetermeer voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen. 4. Het pbo bestaat uit ten minste vijf leden die afgevaardigd zijn door organisaties/instellingen die een van de volgende stromingen vertegenwoordigen: etnische en culturele minderheden; jongeren; kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag; kunst en cultuur; maatschappelijke zorg en welzijn; natuur en milieu; onderwijs en educatie; vrije tijd, recreatie en sport; werkgevers; werknemers. 5. Het pbo kan naast de in lid 4 genoemde representatieve leden, bestaan uit leden op persoonlijke titel. De representatieve leden vormen te allen tijde een— meerderheid ten opzichte van de leden op persoonlijke titel. 6.
Bij huishoudelijk reglement dan wel afzonderlijk reglement worden nadere regels gegeven aangaande de samenstelling van het pbo. 7. Het pbo wijst uit haar midden een voorzitter aan. 8. De vergaderingen van het pbo worden bijgewoond door een vertegenwoordigervan het bestuur. Deze heeft een adviserende stem. 9. De leden van het pbo worden door het pbo benoemd uit een of meer bindende— voordrachten, behoudens het bepaalde in lid 8 van dit artikel. Tot het opmaken— van zulk een voordracht zijn bevoegd het bestuur, de leden van het pbo dan wel bij huishoudelijk reglement aan te wijzen organisaties of groepen van organisaties. 10. Aan elke voordracht kan het bindend karakter worden ontnomen door een met— -
-
-
-
-
-
-
-
-
-
JACOBSE HULSEBOSCH DOORDUYN NOTARISSEN
Blad 9.
ten minste twee/derde van de uitgebrachte stemmen genomen besluit van het— pbo, genomen in een vergadering waarin ten minste twee/derde van de leden— van het pbo vertegenwoordigd is. 11. Als geen voordracht opgemaakt, of het pbo besluit overeenkomstig het voorgaande lid de opgemaakte voordrachten het bindend karakter te ontnemen, dan is het pbo vrij in de keuze. 12. Indien er meer dan een bindende voordracht is, geschiedt de benoeming uit dievoordrachten. 13. Een lid van het pbo neemt niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming— indien hij daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig— is met het belang van de stichting en de met haar verbonden organisatie. Wanneer hierdoor geen besluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door het pbo onder schriftelijke vastlegging van de overwegingen die— aan het besluit ten grondslag liggen. 14. Bij het ontstaan van een (of meer) vacature(s) in het pbo zullen de overblijvende leden (of zal het enig overblijvende lid) binnen vier maanden na— het ontstaan van de vacature(s) daarin voorzien door de benoeming van een (of meer) opvolgers(s), met inachtneming van het minimumaantal van vijf leden.— 15. Mocht(en) in het pbo om welke reden dan ook één of meer leden ontbreken,— dan vormen de overblijvende, ten minste vijf, leden een wettig pbo. EINDE LIDMAATSCHAP PROGRAMMABELEIDBEPALEND ORGAAN Artikel 10. 1.
Het lidmaatschap van het pbo eindigt: a. indien het lid van het pbo heeft opgehouden vertegenwoordiger te zijn van— een stroming; b door bedanken; c. als het lid van het pbo gaat fungeren als medewerker of als bestuurder van ZFM. 2. Elk lid van het pbo treedt uiterlijk vijf jaar na zijn benoeming af, volgens een— door het pbo te maken rooster van aftreding. 3. De aftredende lid is terstond herbenoembaar voor ten hoogste éénmaal de maximale benoemingstermijn. REDACTIE HOOFDREDACTEURISTATIONMANAGER Artikel 11. 1. De stichting kent een redactie, bestaande uit een door het bestuur te bepalen— aantal medewerkers onder wie een hoofdredacteur/stationmanager, belast met— de leiding van de redactie. Het redactiestatuut, de taakomschrijving van de redactie en de nadere regels ter zake van de verhouding tussen -
JACOBSE HULSEBOSCH DOORDUYN NOTARISSEN
Blad 10.
hoofdredacteur/stationmanager, redactie en andere organen van de stichting— worden goedgekeurd door het pbo. 2. De hoofdredacteur/stationmanager wordt door het bestuur, na overleg met het— pbo, aangesteld. 3. De hoofdredacteur/stationmanager kan uitsluitend met instemming van het pbo— door het bestuur worden ontslagen. Zodanig besluit dient tevoren eveneens aan overleg met de redactie te worden onderworpen, indien het ontslag op journalistieke gronden wordt verleend. 4. Het bestuur kan de hoofdredacteur/stationmanager in de uitoefening van zijn— functie voor onbepaalde tijd schorsen; de schorsing vervalt indien niet binnen— een maand na het schorsingsbesluit het in het lid 3 van dit artikel bedoelde overleg een aanvang heeft genomen. 5. De overige leden van de redactie worden op voorstel van de hoofdredacteur/stationmanager benoemd door het bestuur. Ontslag wordt hun— verleend door het bestuur na overleg met de hoofdredacteur/stationmanager.— Wil het ontslag op journalistieke gronden verleend kunnen worden, dan behoefthet de voorafgaande instemming van de hoofdredacteur/stationmanager en de— redactie. 6. Voor de inhoud van het media-aanbod en voor alle werkzaamheden is de hoofdredacteur/stationmanager verantwoording verschuldigd jegens het bestuur. COMMISSIES EN WERKGROEPEN Artikel 12. 1. Het bestuur kan commissies en werkgroepen instellen. 2.
Bij huishoudelijk reglement worden taak en werkwijze van commissies en werkgroepen vastgelegd. BOEKJAAR, JAARSTUKKEN Artikel 13. 1. Het boekjaar van de stichting valt samen met het kalenderjaar. 2. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de stichting zodanig— aantekeningen te houden dat daaruit te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. 3. Per einde van elk boekjaar worden de boeken der stichting afgesloten. 4. Het bestuur stelt binnen zes maanden na afloop van het stichtingsjaar zijn jaarverslag op. De penningmeester doet, onder overlegging van een balans en— een staat van baten en lasten, rekening en verantwoording over het in het afgelopen boekjaar gevoerde bestuur. De jaarrekening wordt opgesteld conform de eisen die het Commissariaat voor—
JACOBSE HULSEBOSCH DOORDUYN NOTARISSEN
Blad 11.
de Media stelt en die zijn opgenomen in het Handboek Financiële Verantwoording Publieke Lokale Media-instellingen. 5. Het pbo stelt binnen zes maanden na afloop van het stichtingsjaar de jaarlijkse— rapportage aangaande het gevoerde en gerealiseerde programmabeleid vast,— zoals bedoeld in artikel 9, lid 1 onder d, van deze statuten. 6. Het bestuur stelt de jaarstukken vast. 7. Na vaststelling kan door eenieder kennis worden genomen van het jaarverslag,— de rapportage van het pbo en de jaarstukken. STATUTENWIJZIGING Artikel 14. 1. In de statuten van de stichting kan geen wijziging worden aangebracht dan door een besluit van het bestuur, genomen in een vergadering waartoe is opgeroepen met de mededeling dat bij die gelegenheid een wijziging van de— statuten zal worden voorgesteld. 2. Voor zover het een wijziging betreft inzake artikel 9 wordt het pbo vooraf gehoord. 3. Het besluit tot wijziging van de statuten moet worden genomen met algemene— stemmen in een vergadering waarin alle bestuurders aanwezig zijn, zonder dat— in het bestuur enige vacature bestaat. 4. Een statutenwijziging treedt niet in werking dan nadat hiervan een notariële akte is opgemaakt. Tot het doen verlijden van de akte is iedere bestuurder bevoegd. 5.
Het bestuur is verplicht een authentiek afschrift van de akte van statutenwijziging en, voor zover niet in die akte opgenomen, een volledig doorlopende tekst van de statuten, zoals deze na de wijziging luiden, te deponeren bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. ONTBINDING EN VEREFFENING Artikel 15. 1. Het bestuur is bevoegd de stichting te ontbinden. Op het daartoe te nemen besluit zijn artikel 14 lid 1, 2 en 3 van overeenkomstige toepassing. 2. Het bestuur is met de vereffening belast, tenzij bij het besluit tot ontbinding één— of meer andere vereffenaars zijn benoemd. 3. De vereffenaars dragen er zorg voor, dat van de ontbinding inschrijving geschiedt in het in lid 5 van het voorgaande artikel bedoelde register. 4. Het bestuur stelt bij het besluit tot ontbinding de bestemming van het batig liquidatiesaldo vast, met dien verstande dat dit batig saldo moet worden besteed ten behoeve van een algemeen nut beogende instelling met een soortgelijke doelstelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en die een soortgelijke
JACOBSE HULSEBOSCH DOORDUYN NOTARISSEN
Blad 12.
doelstelling heeft. Na de ontbinding blijft de stichting voortbestaan voor zover dit tot vereffening— van haar vermogen nodig is. Gedurende de vereffening blijven de bepalingen van deze statuten zoveel mogelijk van kracht. In stukken en aankondigingen die van haar uitgaan, moet aan de naam van de— stichting worden toegevoegd de woorden “in liquidatie”. 6. Na afloop van de vereffening blijven de boeken en bescheiden van de ontbonden stichting gedurende de door de Wet bepaalde termijn onder berusting van de jongste vereffenaar. Deze persoon is gehouden zijn aanwijzing ter inschrijving op te geven aan voormeld handelsregister. HUISHOUDELIJK REGLEMENT Artikel 16. 1. Het bestuur stelt een huishoudelijk reglement vast waarin die onderwerpen worden geregeld, welke niet in deze statuten zijn vervat. 2. Het huishoudelijk reglement mag niet in strijd zijn met de wet of deze statuten.— 3. Het bestuur is te allen tijde bevoegd het huishoudelijk reglement te wijzigen of— op te heffen. 4. Op de vaststelling, wijziging en opheffing van het reglement is het bepaald in— artikel 14, lid 3 van overeenkomstige toepassing. SLOTBEPALING Artikel 17. In alle gevallen, waarin zowel de wet als deze statuten niet voorzien, beslist het bestuur. SLOT AKTE De comparante is mij, notaris, bekend. WAARVAN AKTE, in minuut opgemaakt en verleden te Zoetermeer op de datum in— het hoofd van deze akte vermeld.
Na zakelijke opgave van en een toelichting op de inhoud van deze akte aan de comparante heeft deze verklaard tijdig van de inhoud van deze akte te hebben kennisgenomen en op volledige voorlezing daarvan geen prijs te stellen. Vervolgens is deze akte, na beperkte voorlezing, door de corn parante en mij, notaris, ondertekend. (w.g.:) volgt ondertekening
5.
JACOBSE HULSEBOSCH DOORDUYN NOTARISSEN
Blad 13.
UITGEGEVEN VOOR AFSCHRIFT
8.Redactiestatuut 2021
Redactiestatuut Doelstelling lokale publieke media-instelling Artikel 1 De lokale publieke media-instelling (hierna: lokale omroep) stelt zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel het op lokaal niveau uitvoeren van de publieke media-opdracht door het verzorgen van media-aanbod dat gericht is op de bevrediging van maatschappelijke behoeften die in het verzorgingsgebied waarop de instelling zich richt leven, en het verrichten van alle activiteiten die nodig zijn om daarmee een publieke taak te vervullen. Beginselverklaring Artikel 2
1. De uitgangspunten die betrekking hebben op het samenstellen van het omroepprogramma/media-aanbod van de lokale omroep zijn neergelegd in de Mediawet, in de statuten van die instelling, in het door het programmabeleid bepalend orgaan (pbo) vastgestelde programmabeleid en in de door de lokale omroep vastgestelde regelingen. De hoofdredacteur en de programmastaf zijn aan deze uitgangspunten gebonden. De desbetreffende stukken worden geacht bij hen bekend te zijn.
2. Dit redactiestatuut beoogt de programmamedewerkers waarborgen te bieden voor het onafhankelijk uitoefenen van de uit het redactiestatuut voortvloeiende taken, zonder rechtstreekse beïnvloeding door of van wie dan ook anders dan op de wijze als in dit redactiestatuut is voorzien.
3. Deze onafhankelijke taakuitoefening houdt in dat de programmamedewerkers bij de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod:
-
zonder vooroordelen te werk gaan en streven naar een zo nauwgezet mogelijke weergave van de werkelijkheid; de informatievoorziening en de uitwisseling van verschillende meningen voorop stellen; zorgvuldige verificatie betrachten van hetgeen zij voornemens zijn te publiceren; een zo herkenbaar mogelijk onderscheid maken tussen feiten, analyses en meningen; betrokkenen de gelegenheid geven tot hoor en wederhoor in die zin dat zij een eerlijke kans krijgen, in tijd en in informatie, om te reageren; zich niet dienstbaar maken aan winst van derden, sluikreclame weren en zich terughoudend opstellen tegenover sponsoractiviteiten; geen (neven)activiteiten verrichten die met hun onafhankelijke taakuitvoering strijdig zijn.
Bevoegdheden/verplichtingen betrokken organen De lokale omroep Artikel 3 Het bestuur van de lokale omroep is verantwoordelijk voor de vorm en de inhoud van het door de lokale omroep verzorgde omroepprogramma/media-aanbod. De samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod is opgedragen aan de hoofdredacteur met inachtneming van het door het pbo vastgestelde programmabeleid. Het bestuur van de lokale omroep oefent achteraf en met terughoudendheid toezicht uit op de naleving van de statuten, de naleving van het door het pbo vastgestelde programmabeleid en de naleving van de uit de statuten en het programmabeleid voortvloeiende regelingen.
De programmamedewerker Artikel 4 De programmamedewerker is de medewerker van de lokale omroep die is belast met werkzaamheden in het kader van de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod, voor zover deze een arbeidscontract of medewerker-overeenkomst heeft gesloten. Uitgangspunten voor het beleid bij benoeming, schorsing of ontslag van de programmamedewerker is vastgelegd in door het bestuur en de hoofdredacteur opgestelde regelingen. De hoofdredacteur cq stationmanager Artikel 5 De hoofdredacteur is degene aan wie op grond van het bepaalde in de statuten de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod van de lokale omroep is opgedragen. Uitgangspunten voor het beleid bij benoeming, schorsing of ontslag van de hoofdredacteur zijn vastgelegd in de statuten van de lokale omroep. Artikel 6
1. Bij voorziening in een vacature voor de functie van hoofdredacteur wordt, met inachtneming van hetgeen hierover is opgenomen in de statuten, door het bestuur een sollicitatie- en selectiecommissie ingesteld.
2. In de sollicitatie- en selectiecommissie hebben zitting: -
twee leden van het pbo; twee leden van het bestuur, waaronder het bestuurslid belast met het personeelsbeleid; een lid, aangewezen door de redactieraad.
3. Het bestuurslid belast met het personeelsbeleid zit de vergaderingen van de sollicitatie- en selectiecommissie voor.
4. De sollicitatie- en selectiecommissie stelt een voordracht op en legt deze, vergezeld van een verslag van haar werkzaamheden, voor aan het bestuur. Artikel 7
1. De hoofdredacteur kan worden ontslagen overeenkomstig de betreffende bepalingen in de statuten van de lokale omroep.
2. De redactieraad is bevoegd een voorstel tot ontslag of schorsing van de hoofdredacteur in te dienen bij het bestuur. Een dergelijke voorstel vereist de instemming van twee-derde van de leden van de redactieraad. Artikel 8
1. De hoofdredacteur is verantwoordelijk voor de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod van de lokale omroep, waaronder begrepen: hij/zij is met betrekking tot het omroepprogramma/media-aanbod verantwoordelijk voor de naleving van statuten, programmabeleid en regelingen; - hij/zij draagt binnen dit kader de verantwoordelijkheid voor de inhoud van het omroepprogramma/media-aanbod; - hij/zij heeft de dagelijkse leiding over de programmastaf; - hij/zij bepaalt de inzet van menskracht en budget en bindt hieraan eventueel nadere instructies.
-
2. De hoofdredacteur woont de vergaderingen van het bestuur bij. Hij/zij heeft bij die gelegenheid een adviserende stem.
De programmastaf Artikel 9
1. De gezamenlijke programmamedewerkers vormen de programmastaf. 2. De programmastaf kiest periodiek uit zijn midden een afvaardiging voor de redactieraad, zodanig dat deze een afspiegeling vormt van de diverse bij de samenstelling van het omroepprogramma/media-aanbod betrokken geledingen van de programmastaf.
3. De programmastaf vergadert tenminste éénmaal per jaar. Voorts vergadert hij telkenmale wanneer de hoofdredacteur dit wenselijk acht of wanneer tenminste één vijfde van de leden van de programmastaf daartoe de hoofdredacteur verzoekt.
4. De oproeping tot de vergadering geschiedt door de hoofdredacteur, die tevens de vergadering voorzit en zorgdraagt voor de verslaglegging. De redactieraad cq. studiostaf Artikel 10
1. De redactieraad is door de programmastaf uit zijn midden aangewezen vertegenwoordiging die bestaat uit minimaal drie personen.
2. De redactieraad ondersteunt de hoofdredacteur bij de vormgeving van de uitgangspunten van het te voeren redactioneel beleid. De redactieraad beziet in het kader daarvan onder meer: - de coördinatie van het omroepprogramma/media-aanbod; - de bewaking van de interne en externe communicatie; - de technische kwaliteit van het omroepprogramma/media-aanbod. 3. De redactieraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een secretaris; de secretaris draagt zorg voor de verslaglegging van de vergaderingen van de redactieraad in de vorm van ten minste een besluitenlijst. 4. De hoofdredacteur kan de vergaderingen van de redactieraad bijwonen; de hoofdredacteur heeft in die vergadering geen stemrecht. 5. De redactieraad kan besluiten vertegenwoordigers van andere geledingen binnen de lokale omroep aan zijn vergaderingen deel te laten nemen. Zij hebben een adviserende stem. Verhouding/samenwerking bestuur, hoofdredacteur cq. stationmanager en redactieraad cq. studiostaf Artikel 11
1. Alvorens het bestuur en/of de hoofdredacteur een beslissing neemt/nemen over zaken die van wezenlijk belang zijn voor de werkzaamheden van de programmastaf, wordt de redactieraad zo tijdig mogelijk geïnformeerd en gehoord.
2. Zaken van wezenlijk belang zijn in ieder geval: a. ingrijpende wijzigingen in statuten, programmabeleid en regelingen, voor zover deze wijzigingen betrekking hebben op het voorbereiden en samenstellen van het omroepprogramma/media-aanbod;
b. ingrijpende wijzigingen in het uitzendschema van het omroepprogramma/media-aanbod; c. ingrijpende wijzigingen in de huisvestingssituatie; d. overeenkomsten voor programmatische samenwerking met derden voor zover deze een ander dan incidenteel karakter hebben;
e. de benoeming van de hoofdredacteur, met inachtneming van het bepaalde daaromtrent in de statuten en in het redactiestatuut;
f. ingrijpende wijziging in de samenstelling van de programmastaf;
g. wijzigingen in het redactiestatuut, met inachtneming van het daaromtrent in het redactiestatuut bepaalde;
h. wijzigingen in de techniek, voor zover deze ingrijpende gevolgen hebben voor de werkzaamheden van de programmastaf;
i.
disciplinaire maatregelen ten aanzien van medewerkers van de lokale omroep, voor zover deze ingrijpende gevolgen hebben voor de werkzaamheden van de programmastaf.
3. Tijdig voordat het bestuur van de lokale omroep de begroting vaststelt, legt het bestuur deze voor aan de redactieraad en wel in ieder geval voor wat betreft de posten die rechtstreeks betrekking hebben op de werkzaamheden van de programmastaf. De redactieraad brengt zijn opmerkingen bij de begroting ter kennis van het bestuur. Persoonlijke verantwoordelijkheid programmamedewerker Artikel 12
1. Wanneer een programmamedewerker ernstige (gewetens)bezwaren heeft tegen een aan hem/haar verstrekte opdracht met betrekking tot een omroepprogramma en hij/zij zich niet kan neerleggen bij een door de hoofdredacteur ter zake te nemen of genomen beslissing, dan kan hij/zij zich wenden tot de redactieraad met het verzoek om een uitspraak.
2. Wanneer de hoofdredacteur besluit ingrijpende wijzigingen aan te brengen of te doen aanbrengen in een omroepprogramma, dan kan de betrokken programmamedewerker verzoeken om het omroepprogramma niet uit te zenden. Indien de hoofdredacteur niettemin besluit tot uitzending, dan zal het omroepprogramma niet van de naam van de betrokken programmamedewerker worden voorzien. Als de betrokken programmamedewerker het niet met deze beslissing eens is, dan kan hij/zij zich achteraf wenden tot de redactieraad met het verzoek om een uitspraak.
3. Indien de hoofdredacteur een uitspraak van de redactieraad, zoals hierboven in het eerste en het tweede lid bedoeld, niet aanvaardt, dan maakt hij zijn/haar standpunt gemotiveerd kenbaar aan de redactieraad.
4. Indien het bestuur van de lokale omroep ernstige klachten heeft over het gevoerde redactioneel beleid of over een uitgezonden omroepprogramma, dan dienen de hoofdredacteur en de betrokken leden van de programmastaf ter zake te worden gehoord. Als het bestuur daarna de klacht handhaaft, kan het maatregelen ten aanzien van de hoofdredacteur treffen zoals in de statuten voorzien. Geschillen Artikel 13 Geschillen omtrent dit redactiestatuut of het redactioneel beleid worden voorgelegd aan een geschillencommissie. Artikel 14 Deze geschillencommissie bestaat uit drie leden: een lid aan te wijzen door de redactieraad, een lid aan te wijzen door het bestuur en een lid aan te wijzen door redactieraad en bestuur gezamenlijk. Artikel 15 De uitspraken van de geschillencommissie zijn voor alle betrokkenen bindend. Wijziging redactiestatuut Artikel 16 Met inachtneming van het bepaalde daaromtrent in de Mediawet kan het bestuur het redactiestatuut wijzigen met instemming de voltallige redactieraad. Zoetermeer, 7 juni 2021
9.Reglement PBO 2020
REGLEMENT PROGRAMMABELEIDBEPALEND ORGAAN (pbo) van ZFM Artikel 1 Taak pbo 1. Het pbo bepaalt het media-aanbodbeleid van de lokale publieke media-instelling, rekening houdend met het in artikel 2.70 van de Mediawet opgenomen programma-aanbodvoorschrift. 2. Het pbo controleert of het door hem vastgestelde beleid voor het media-aanbod wordt uitgevoerd. Het pbo rapporteert zijn bevindingen hierover ten minste twee maal per jaar aan het bestuur van de lokale publieke media-instelling. 3. Het pbo kan het bestuur van de lokale publieke media-instelling adviseren over aangelegenheden die direct verband houden met het door het pbo vastgestelde media-aanbodbeleid. Artikel 2 Samenstelling pbo 1. Het pbo is representatief voor de belangrijkste in de gemeente(n) voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen en streeft naar een evenredige vertegenwoordiging naar leeftijd en geslacht. In geval het verzorgingsgebied van de lokale publieke media-instelling twee of meer gemeenten omvat streeft het pbo tevens naar een evenredige vertegenwoordiging naar gemeenten. 2. Het pbo bestaat uit ten minste vijf leden die een van de in het eerste lid genoemde stromingen vertegenwoordigen dan wel zijn afgevaardigd door een organisaties/instellingen die actief is binnen een van die stromingen. 3.
Het pbo kan, naast de in het tweede lid genoemde representatieve leden, bestaan uit leden op persoonlijke titel. De representatieve leden vormen te allen tijde een meerderheid ten opzichte van de leden op persoonlijke titel. 4. Tot lid van het pbo kan uitsluitend worden benoemd een persoon die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt en die woonachtig is in het gebied waarvoor het media-aanbod van de lokale publieke media-instelling is bestemd. 5. Met het lidmaatschap van het pbo zijn onverenigbaar: - een lidmaatschap van de raad van de betrokken gemeente; - de functie van burgemeester of wethouder van de betrokken gemeente; - een lidmaatschap van een van de commissies als bedoeld in Hoofdstuk V van de Gemeentewet; - een bestuurslidmaatschap of een betrekking, al dan niet tegen betaling, bij een commerciële media-instelling; - betrokkenheid bij een productiebedrijf waaraan de lokale publieke media-instelling de verzorging van (een deel van) haar media-aanbod heeft uitbesteed. 6. Het pbo wijst uit zijn midden een voorzitter aan. 7. Een lid van het pbo stemt ermee in dat het bestuur van de lokale media-instelling zijn/haar naam en contactgegevens, alsmede de gegevens van de stroming en/of organisatie die hij/zij vertegenwoordigt, bekend maakt aan de inwoners van de betrokken gemeente. Artikel 3 Benoeming leden pbo 1.
De leden van het pbo worden voorgedragen en (her)benoemd op de wijze als in de statuten van de lokale publieke media-instelling voorzien. 2. Een vacature dient zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden te worden vervuld. 3. De leden van het pbo worden voor maximaal een periode van vijf jaar benoemd met de mogelijkheid van één herbenoeming voor dezelfde periode. Artikel 4 Defungeren leden pbo Een lid van het pbo defungeert door: a. zijn of haar overlijden b. zijn of haar aftreden c. het bekleden van een functie die onverenigbaar is met het lidmaatschap van het pbo d. ontslag.
Artikel 5 Ontslag leden pbo 1. Leden van het pbo worden benoemd en ontslagen op de wijze als in de statuten van de lokale media-instelling voorzien. 2. De gronden van ontslag kunnen zijn: - taakverwaarlozing - structurele onverenigbaarheid van inzichten - onverenigbaarheid van belangen - In het geding zijn of dreigen te komen van zijn/haar integriteit Artikel 6 Besluitvorming pbo 1. Het pbo vergadert ten minste viermaal per jaar, waarvan in ieder geval éénmaal ten behoeve van de vaststelling van het media-aanbodbeleid en voorts zo dikwijls als een lid van het pbo dit nodig acht of het bestuur van de lokale publieke media-instelling daarom verzoekt. 2. De vergaderingen van het pbo kunnen worden bijgewoond door leden van het bestuur van de lokale publieke media-instelling en/of door leden van de (hoofd)redactie. De leden van het bestuur en van de (hoofd)redactie hebben geen stemrecht in de pbo-vergadering. 3. De termijn van oproeping en kennisgeving bedraagt ten minste vier weken 4. Het bestuur van de lokale publieke media-instelling draagt zorg voor de verslaglegging van de vergadering waarin het media-aanbodbeleid wordt vastgesteld. Voor de verslaglegging van de overige vergaderingen draagt het pbo zorg. 5. Het pbo beraadslaagt en besluit omtrent de vaststelling van het media-aanbodbeleid, uitsluitend indien ten minst de helft plus één van zijn leden aanwezig is. 6.
Besluiten worden genomen bij meerderheid van stemmen; bij het staken van de stemmen beslist de voorzitter. Artikel 7 Het media-aanbodbeleid De vaststelling van het media-aanbodbeleid door het pbo heeft in ieder geval betrekking op het zogeheten “lokaal toereikend media-aanbod”(LTMA) en wel voor zover het betreft de inhoud en de verspreiding van het productaanbod. Het beleid wordt vastgelegd in een document waarin tevens is opgenomen welke programma’s en/of programmatypen de lokale publieke media-instelling zelf verzorgt en welke in zijn opdracht door derden worden verzorgd. Artikel 8 Vorm en geldigheidsduur vastgestelde media-aanbodbeleid 1. Het door het pbo vastgestelde media-aanbodbeleid is vastgelegd in een schriftelijk document en binnen vier weken na vaststelling overhandigd aan het bestuur. 2. Het door het pbo vastgestelde media-aanbodbeleid geldt voor één jaar. 3. Het door het pbo vastgestelde media-aanbodbeleid kan door het pbo tussentijds gewijzigd worden. Zoetermeer, 17 juni 2020
TOELICHTING reglement pbo Inleiding Een instelling die in aanmerking wil komen voor een aanwijzing als publieke lokale media-instelling (hierna: lokale omroep) moet daartoe een aanvraag indienen bij het Commissariaat voor de Media. Een van de voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen is dat zij volgens haar statuten een orgaan heeft dat representatief is voor de belangrijkste in de gemeente(n) (het verzorgingsgebied) voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen. Een overzicht van deze stromingen en van de namen van de leden van dit programmabeleid bepalende orgaan (pbo) maken onderdeel uit van de aanvraag. Het pbo is door de wetgever opgedragen om het media-aanbodbeleid van de lokale omroep te bepalen. Een nadere aanduiding van het media-aanbodbeleid ontbreekt in de Mediawet. Ook over de wijze waarop het pbo dat beleid moet vaststellen en waarmee het pbo bij die vaststelling rekening moet houden, is in de Mediawet niets opgenomen. Het gevolg hiervan is dat er onduidelijkheid bestaat over de taken en bevoegdheden van het pbo, al dan niet in relatie tot de taken en bevoegdheden van bestuur en redactie.
Ten behoeve van de naleving van de Mediawet, maar ook ten behoeve van het verkrijgen van het Keurmerk Nederlandse Streekomroepen (zie hierna) om optimaal te functioneren als lokale omroep, is het van belang dat de NLPO een modelreglement beschikbaar stelt waarin in ieder geval de taken, de bevoegdheden en de werkwijze van het pbo nader zijn omschreven. De Mediawet ziet het pbo als een belangrijk orgaan dat als zodanig moet functioneren. Vanaf het moment dat het Commissariaat vaststelt dat het pbo niet functioneert, krijgt de lokale omroep vier maanden de tijd het functioneren daarvan te herstellen. Indien het bestuur van de lokale omroep daarin niet slaagt dan trekt het Commissariaat de aanwijzing als lokale omroep in. Media-aanbodbeleid Zoals gezegd heeft het pbo de taak om het media-aanbodbeleid te bepalen en te controleren of dat beleid ook daadwerkelijk is uitgevoerd. Het pbo zorgt er met zijn vaststelling van het mediaaanbodbeleid voor dat de lokale omroep de met het media-aanbod nagestreefde doelstellingen haalt en de doelgroepen bereikt. Een nadere aanduiding van dat media-aanbodbeleid is daarbij onontbeerlijk. In dit kader zij opgemerkt dat het pbo zich niet inlaat met de inhoud van de individuele programma’s.
Het Commissariaat licht toe dat het media-aanbodbeleid in elk geval de vraag beantwoordt welke media-/omroepdiensten (radio, televisie en/of teksttelevisie, internet) de lokale omroep inzet, welke programma’s en/of welke soort programma’s de lokale omroep uitzendt op grond van welk programma-aanbodschema en van welke programma’s de lokale omroep de verzorging uitbesteedt. Het media-aanbodbeleid geeft volgens het Commissariaat ook aan tot welke categorieën (informatie, cultuur en educatie) de programma’s behoren. Daarnaast is in het “Vernieuwingsconvenant gemeenten-lokale omroepen 2015-2018” (zie hierna) een omschrijving opgenomen van het zogeheten “lokaal toereikend media-aanbod” (LTMA). In de artikelsgewijze toelichting op artikel 7 van het Modelreglement is aangegeven wat het LTMA inhoudt. De bepalingen in de Mediawet, het Mediabesluit en de Mediaregeling die van belang zijn voor de vaststelling van de taken, het functioneren en de samenstelling van het pbo zijn opgenomen in de bijlage. Representativiteit Zoals gezegd schrijft de Mediawet voor dat het pbo representatief is voor de belangrijkste in de gemeente(n) voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen. De samenstelling van het pbo is dus representatief voor de verscheidenheid binnen de lokale gemeenschap.
De leden van het pbo zijn vertegenwoordigers en/of afgevaardigden van instellingen die actief zijn binnen een van de stromingen in de gemeente(n). Welke de belangrijkste stromingen binnen het verzorgingsgebied van de lokale omroep zijn verschilt per verzorgingsgebied. Het verdient derhalve aanbeveling de samenstelling van het pbo met het betrokken gemeentebestuur of de betrokken gemeentebesturen af te stemmen. Om een indruk te krijgen welke concrete stromingen vallen onder de in de Mediawet genoemde hoofdstromingen kan worden gedacht aan maatschappelijke zorg en welzijn, kunst en cultuur, kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag (zoals het humanisme), onderwijs en educatie, werkgevers, werknemers, etnische en culturele minderheden, sport en recreatie, jongeren, ouderen en agrarische sector. Leden die geen stroming in de gemeente vertegenwoordigen maar deskundig zijn op een bepaald aandachtsgebied, hebben zitting op persoonlijke titel. Deze leden behoren echter wel in aantal een minderheid te vormen. Voor de slagvaardigheid van het pbo is het verstandig om het aantal leden te beperken. Het minimum aantal leden is evenwel vijf.
Keurmerk Nederlandse Streekomroepen en streekvorming In juni 2012 is het “Vernieuwingsconvenant gemeenten-lokale omroepen 2012-2015” gesloten tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Organisatie van Lokale Omroepen in Nederland (OLON). VNG en OLON zagen samen met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en het Commissariaat het belang en de noodzaak in om de publieke lokale omroep sector op een nieuwe koers te brengen. Vanwege de voortschrijdende ontwikkelingen is dit streven geactualiseerd en vastgelegd in “Vernieuwingsconvenant gemeenten-lokale omroepen 20152018”. Medeondertekenaar van dit convenant is de Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen (NLPO). Onderdeel van het convenant is de ontwikkeling door de NLPO van een keurmerk voor de lokale omroepen. Eind 2015 is besloten om samen met het Keurmerkinstituut op basis van de uitgangspunten van het laatste vernieuwingsconvenant dit keurmerk te ontwikkelen. Een van die uitgangspunten, en tevens vereiste voor het verkrijgen van het keurmerk, is het door de lokale omroep verzorgen van een LTMA in de natuurlijke habitat (de woon-en leefomgeving, dit is een stad of twee of meer gemeenten tezamen) van de burger.
De bij het convenant betrokken partijen zijn van oordeel dat het verzorgen van LTMA in beginsel slechts mogelijk is in een groter verband, lees: streekverband, waarbij een structurele interactie en participatie van burgers en groeperingen onontbeerlijk is. Met name de leden van het pbo zijn de aangewezen personen om de interactie tot stand te brengen. Zij vertegenwoordigen de stromingen binnen het verzorgingsgebied, de streek, en worden geacht te weten wat er binnen de stroming leeft. Ook met betrekking tot het keurmerkvereiste dat er een beleidsmatige samenwerking met organisaties binnen verzorgingsgebied tot stand is gebracht, kan het pbo een rol spelen. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt, uiteraard, bij het bestuur van de omroep, maar met de daadwerkelijke uitvoering hiervan kan ook het pbo (mede) worden belast. De leden van dat orgaan vertegenwoordigen immers de stromingen waarbinnen die lokale organisaties actief zijn. De professionalisering van de lokale omroepsector zoals hierboven omschreven, brengt met zich dat het pbo mee professionaliseert. Het gedetailleerde modelreglement (NLPO/29-09-2017) en de uitgebreide toelichting moeten daartoe de aanzet vormen.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Taak pbo De in de Mediawet opgenomen taak van het pbo om het media-aanbodbeleid te bepalen heeft slechts zin als ook gecontroleerd wordt of dat beleid daadwerkelijk is uitgevoerd. Weliswaar is het bestuur van de lokale omroep hiervoor verantwoordelijk, maar het pbo is het aangewezen orgaan om deze controle uit te oefenen. Teneinde het bestuur in staat te stellen zijn verantwoordelijkheid te nemen dient het pbo de bevindingen ter zake van die controle aan het bestuur te rapporteren. Deze rapportage kan geschieden in de vorm van het overleggen van de notulen van de desbetreffende pbovergadering. Artikel 2 Samenstelling pbo De in artikel 2.61 van de Mediawet genoemde hoofdstromingen kunnen in de statuten van de lokale omroep worden uitgewerkt in een aantal meer concreet aan te duiden stromingen. Naast de vertegenwoordiging van de hoofdstromingen is een streven naar een evenredige vertegenwoordiging naar leeftijd en geslacht alsmede in geval van een streekomroep naar geografische spreiding op z’n plaats. Een te grote omvang van het pbo is niet bevorderlijk voor het functioneren van dat orgaan. De onverenigbare functies vloeien voort uit het bepaalde in artikel 2.1, tweede lid, van de Mediawet.
In dit artikellid is opgenomen dat het media-aanbod van de publieke mediadiensten, waaronder de lokale omroep, onafhankelijk dient te zijn van commerciële invloeden en van overheidsinvloeden. De leden van het pbo zijn de aangewezen personen om de in het kader van het keurmerk vereiste interactie met de inwoners van de betrokken gemeente(n) tot stand te brengen. Zij vertegenwoordigen de stromingen binnen het verzorgingsgebied en worden geacht te weten wat er binnen die stroming leeft. Hun namen en contactgegevens dienen derhalve aan die inwoners bekend te zijn. Het bestuur van de lokale omroep is daarvoor verantwoordelijk. Artikel 3, 4 en 5 Benoeming, defungeren en ontslag leden pbo De bepalingen betreffende de benoeming, het defungeren en het ontslag van de leden van het pbo zijn opgenomen in de statuten van de lokale omroep. De nadere uitwerking, met name met betrekking tot de ontslaggronden, kan een plaats krijgen in het pbo-reglement. Artikel 6 Besluitvorming pbo Onder vaststelling van het media-aanbodbeleid wordt mede verstaan het door het pbo goedkeuren van het door het bestuur en/of de redactie voorgestelde media-aanbodbeleid. Door deze veelvuldig
voorkomende gang van zaken is het van belang dat de vergaderingen van het pbo toegankelijk zijn voor het bestuur en de redactie. In dit kader moet niet worden vergeten dat het bestuur verantwoordelijk is voor het functioneren van de lokale omroep en derhalve verantwoordelijk is voor het functioneren van het pbo. Bovendien is de (hoofd)redactie verantwoordelijk voor de inhoud van de programma’s, waarbij deze rekening houdt met het door het pbo vastgestelde media-aanbodbeleid. De (hoofd)redactie legt daarover, op grond van de statuten, verantwoording af aan het bestuur. Dit samenspel tussen pbo, bestuur en (hoofd)redactie maakt het noodzakelijk dat er tussen deze organen met betrekking tot (de vaststelling van) het media-aanbodbeleid en de verzorging en verspreiding van het media-aanbod een regelmatige, voortdurende en open informatie-uitwisseling plaatsvindt. Een vergadering van het pbo is daartoe de aangewezen gelegenheid. Artikel 7 Media-aanbodbeleid Kerndoel van het “Vernieuwingsconvenant gemeenten-lokale omroepen 2015-2018” is om een minimaal kwalitatief niveau vast te leggen waaraan een lokale omroep moet voldoen. Aanknopingspunt is het in de Mediawet ten behoeve van de gemeentelijke bekostigingsvraag opgenomen begrip “lokaal toereikend media-aanbod” (LTMA).
Hierbij spelen 3 aspecten een rol: het productaanbod (1), de kwaliteit van de lokale omroep voor wat betreft de bedrijfsvoering en de redactie/journalistiek (2) alsmede de exploitatie (3). De vaststelling van het media-aanbodbeleid door het pbo heeft betrekking op de inhoud en de verspreiding van het productaanbod (content). Het pbo dient bij de vaststelling van het media-aanbodbeleid ermee rekening te houden dat de inhoud van het productaanbod ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet: - gericht op de natuurlijke habitat van de burger, dit is het gebied waarin hij/zij woont, leeft, werkt, inkopen doet, uitgaat, sport, onderwijs volgt e.d.; het gaat om een streek of centrumstad met een eigen geografische, economische en sociaal-culturele identiteit, die veelal gemeentegrens overstijgend is; - evenwichtige en volledig dekkende redactionele aandacht voor de burgers, straten, buurten, dorpen en steden in het verzorgingsgebied; - dagelijks, op werkdagen, op alle kanalen multimediaal nieuws en informatie; - interactie en participatie van burgers en groeperingen; - tenminste 50% van de content is informatief, cultureel en/of educatief.
Voor wat betreft de verspreiding van het productaanbod dient het pbo bij de vaststelling van het media-aanbodbeleid ermee rekening te houden dat deze tenminste via de volgende kanalen plaatsvindt: - radio (audio): analoog en digitaal, ether, kabel, IP-based/computer; - tv (video): analoog en digitaal, ether, kabel, IP-based/computer; - internet (tekst/foto/audio/video): interactieve internetsite inclusief gebruik mobile devices (via smartphones, tablets e.d.) en social media; - (non-)lineaire distributie: must carry/wettelijk verplichte deel en must offer van lineaire radio/tv-uitzendingen en centrale non-lineaire distributie. Het media-aanbodbeleid geeft ook aan van welke programma’s de verzorging wordt uitbesteed en tot welke categorieën (ICE: informatie, cultuur en educatie) de onderscheiden programma’s behoren. Het pbo zorgt er met zijn vaststelling van het media-aanbodbeleid voor dat de met het media-aanbod nagestreefde doelstellingen worden gehaald en dat de doelgroepen worden bereikt. Het pbo ziet erop toe dat de wettelijk verplichte ICE-percentages (het programma-aanbodvoorschrift) worden gehaald. De verantwoordelijkheid voor de naleving van deze wettelijke verplichting ligt evenwel bij het bestuur van de lokale omroep.
Artikel 8 Vorm en geldigheidsduur vastgestelde media-aanbodbeleid Het is zoals gezegd niet ongebruikelijk dat de vaststelling van het media-aanbodbeleid door het pbo inhoudt dat het pbo het door bestuur en/of redactie voorgestelde media-aanbodbeleid goedkeurt en dat de vastlegging van dat vastgestelde media-aanbodbeleid niet meer is dan de zin in de notulen van de pbo-vergadering: het pbo stelt het media-aanbodbeleid vast of het pbo keurt het voorgestelde media-aanbodbeleid goed. Om ervoor te zorgen dat alle betrokkenen bij de lokale omroep, ook de eventuele derde aan wie (een deel van) de programmaverzorging is uitbesteed, steeds op de hoogte (kunnen) zijn van de uitgangspunten van de door de lokale omroep uit te zenden en uitgezonden programma’s, is het van belang dat het media-aanbodbeleid wordt uitgeschreven en vastgelegd. Teneinde te bewerkstelligen dat de betrokkenheid van het pbo bij het media-aanbodbeleid geen wassen neus is, dient het media-aanbodbeleid elk jaar opnieuw aan het oordeel van het pbo te worden onderworpen. Het pbo stelt het media-aanbodbeleid dan ook elk jaar opnieuw vast.
BIJLAGE Artikel 2.1 Mediawet 1.
Er is een publieke mediaopdracht die bestaat uit: a. het op landelijk, regionaal en lokaal niveau verzorgen van publieke mediadiensten door het aanbieden van media-aanbod op het terrein van informatie, cultuur, educatie en verstrooiing, via alle beschikbare aanbodkanalen; en b. het verzorgen van publieke mediadiensten waarvan het media-aanbod bestemd voor landen en gebieden buiten Nederland en voor Nederlanders die buiten de landsgrenzen verblijven.
2. Publieke mediadiensten voldoen aan democratische, sociale en culturele behoeften van de Nederlandse samenleving door het aanbieden van media-aanbod dat: a. evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand is en zich tevens kenmerkt door een grote verscheidenheid naar vorm en inhoud; b. op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving geeft en de pluriformiteit van onder de bevolking levende overtuigingen, opvattingen en interesses op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied weerspiegelt; c. gericht is op en een relevant bereik heeft onder zowel een breed en algemeen publiek, als bevolkingsen leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling met in het bijzonder aandacht voor kleine doelgroepen; d. onafhankelijk is van commerciële invloeden en, behoudens het bepaalde bij of krachtens de wet, van overheidsinvloeden; e. voldoet aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen; en f. voor iedereen toegankelijk is. 3. Het programma-aanbod van de algemene programmakanalen van de landelijke, regionale en lokale publieke mediadiensten wordt via omroepzenders verspreid naar alle huishoudens in het verzorgingsgebied waarvoor de programma’s zijn bestemd zonder dat zij voor de ontvangst andere kosten moeten betalen dan de kosten van aanschaf en gebruik van technische voorzieningen die de ontvangst mogelijk maken. 4.
In het kader van de uitvoering van de publieke mediaopdracht volgen en stimuleren publieke mediainstellingen technologische ontwikkelingen en benutten de mogelijkheden om media-aanbod aan het publiek aan te bieden via nieuwe media- en verspreidingstechnieken. Artikel 2.61 Mediawet 1. Voor de verzorging van de publieke mediadiensten op regionaal en lokaal niveau kan het Commissariaat regionale respectievelijk lokale instellingen als publieke media-instellingen aanwijzen volgens de bepalingen van deze paragraaf. 2. Voor aanwijzing komen slechts in aanmerking instellingen die: a. rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid zijn; b. zich volgens de statuten uitsluitend of hoofdzakelijk ten doel stellen het op regionaal respectievelijk lokaal niveau uitvoeren van de publieke mediaopdracht door het verzorgen van media-aanbod dat gericht is op de bevrediging van maatschappelijke behoeften die in een provincie, een gemeente of een deel van de provincie waarop de instelling zich richt leven, en het verrichten van alle activiteiten die nodig zijn om daarmee een publieke taak te vervullen; en c. volgens de statuten een orgaan hebben dat het beleid voor het media-aanbod bepaalt en dat representatief is voor de belangrijkste in de desbetreffende provincie of gemeente voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen.
Artikel 2.70 Mediawet Het programma-aanbod van de regionale en lokale publieke mediadienst bestaat per programmakanaal: a. voor ten minste vijftig procent van de duur uit aanbod van informatieve, culturele en educatieve aard dat in het bijzonder betrekking heeft op de provincie respectievelijk gemeente waarvoor het aanbod bestemd is; en b. voor ten minste uit een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage aanbod als bedoeld in onderdeel a dat door de regionale respectievelijk lokale publieke media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd. Artikel 2.71 Mediawet 1.Een lokale publieke media-instelling kan met de regionale publieke media-instelling in wier verzorgingsgebied zij werkzaam is een samenwerkingsovereenkomst sluiten. 2.De overeenkomst wordt overgelegd aan het Commissariaat. 3.Bij een samenwerkingsovereenkomst voor de verzorging van programma-aanbod kan in afwijking van artikel 2.70 het programma-aanbod van de lokale publieke mediadienst: a.
voor ten minste vijftig procent van de duur bestaan uit aanbod dat in het bijzonder betrekking heeft op de gemeente waarvoor het programma-aanbod bestemd is, of op de provincie waarbinnen die gemeente ligt; en
b.
voor ten minste het percentage, bedoeld in artikel 2.70, onderdeel b, bestaan uit aanbod dat: i. geproduceerd is door de lokale publieke media-instelling zelf; ii. geproduceerd is door de regionale publieke media-instelling waarmee zij de samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten; of iii. uitsluitend in opdracht van een van hen of van hen beiden, is geproduceerd.
4.Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald: a.
dat een gedeelte van het aanbod, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, in het bijzonder betrekking heeft op de gemeente waarvoor het programma-aanbod is bestemd; en
b.
dat een gedeelte van het aanbod, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, door de lokale publieke media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd.
Artikel 4 Mediabesluit 1.
Het programma-aanbod van de regionale en de lokale publieke mediadienst bedoeld in artikel 2.70, aanhef en onderdeel b, van de wet, bestaat voor ten minste vijftig procent uit aanbod dat door de media-instelling zelf of uitsluitend in haar opdracht is geproduceerd.
2.
Als artikel 2.71, derde lid van de wet op een lokale publieke media-instelling van toepassing is, zijn de gedeelten, bedoeld in artikel 2.71, vierde lid, onderdelen a en b, van de wet, ten minste de helft.
Artikel 5 Mediaregeling De aanvraag voor een aanwijzing, bedoeld in artikel 2.65 van de wet, gaat vergezeld van: a. b.
c. d.
Een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten; Een overzicht van de belangrijkste in de gemeente respectievelijk provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen van waaruit de leden worden benoemd in het in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde orgaan; Een overzicht van de leden van het orgaan, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en Een aanduiding van het gebied waarbinnen het media-aanbod zal worden verspreid.
©ZFM/januari 2023