Bijlage 1 - Plantoelichting
Tekst van het document
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
52/69
Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 5.3.2
Bodemonderzoek
De gronden van onderhavig bestemmingsplangebied zijn in eigendom van de gemeente Zoetermeer. Bij overdracht van de eigendom zullen, ten behoeve van de geplande ontwikkeling, de gronden bouwrijp worden opgeleverd. Daarbij draagt de gemeente Zoetermeer zorg voor het opleveren van een planlocatie waarvan de gronden geschikt zijn voor de beoogde woonfunctie. 5.4
Luchtkwaliteit
5.4.1
Luchtkwaliteitseisen
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'in betekenende mate' (NIBM) van belang. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van ‘in betekenende mate’ projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is een anti-cumulatieartikel opgenomen. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Deze maatregelen, zowel rijksmaatregelen als lokale, meer gebiedsgerichte, maatregelen, moeten leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit waardoor de 'in betekenende mate' ontwikkelingen alsnog doorgang kunnen vinden.
Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als: wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of een met het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
53/69
onder b Wet milieubeheer), of de ontwikkeling is opgenomen in het NSL. 5.4.2
Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM
Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het voorliggende bestemmingsplan maakt 85 nieuwe woningen mogelijk. Volgens bovenstaande voorbeelden mag reeds geconcludeerd worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Voor de volledigheid is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. In paragraaf 4.3.1 is vastgesteld dat het beoogde programma vanuit een worst-case benadering ca. 170 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal genereert. Daarnaast dient conform de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren' (publicatie 381) bij woningen uit te worden gegaan van een aandeel vrachtverkeer van 0,02 vrachtautobewegingen per woning. Deze gegevens hebben dan ook als invoergegevens voor de worst-case berekening gediend.
Figuur 5.2: Worst-case berekening luchtkwaliteit (bron: www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/nibm-tool/)
Ook aan de hand van de NIBM-tool kan worden geconcludeerd dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek in verband met luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk. 5.4.3
Goed woon- en leefklimaat
Met behulp van www.nsl-monitoring.nl is op 21 april 2020 vastgesteld wat de achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide zijn ter plaatse van het project gebied. Dit om te bepalen of het realiseren van de beoogde woonfunctie op deze specifieke plek in het kader van een goed leefklimaat te motiveren is, gelet op de verkeersaantrekkende werking die uitgaat van het project. Uit de resultaten van monitoringstool blijkt dat de achtergrondconcentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 in 2020 onder de grenswaarden van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 liggen. In 2030 zijn deze resultaten zelfs nog gunstiger.
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
54/69
Tabel 5.2: grootschalige achtergrondconcentraties ter hoogte van plangebied (bron: nsl-monitoring.nl)
Het bovenstaande betekent dat een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. 5.4.4
Conclusie
Het ontwikkelplan draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Daarnaast kan een goed woon- en leefklimaat worden gewaarborgd. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 5.5
Water
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem zijn neergelegd in de Keur, de bijbehorende Algemene Regels en de Legger en dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. 5.5.1
Bevoegd gezag en beleid
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is de waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerder in het plangebied. Het Stadscentrum, en daarmee het plangebied, valt geheel in de Nieuwe Driemanspolder van het Hoogheemraadschap van Rijnland en heeft een polderpeil van - 5,82 N.A.P. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is primair verantwoordelijk voor de waterhuishouding in het plangebied. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoon water ook relatief schoon blijft. Een toename van het verharde oppervlak in risicogebieden moet worden gecompenseerd met extra waterberging. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen. 5.5.2
Watertoets
Waterkwantiteit Op basis van de Keur van Rijnland geldt een vrijstellingsgrens voor ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak tot 500 m2. In de huidige situatie is sprake van een grasveld. Het bestemmingsplan maakt hier een woontoren en de noodzakelijke herinrichting van het omliggende terrein nodig. Daarmee wordt meer dan 500 m2 van de locatie verhard, namelijk een totaal van 1.325 m2 (footprint woontoren en bestrating omliggend terrein). Aangezien de vrijstellingsgrens overschreden wordt, is een watervergunning noodzakelijk op basis van artikel 3.2 van de Keur. Daarnaast zal moeten worden voorzien in extra waterberging, bij voorkeur elders binnen hetzelfde peilgebied. Voor de berekening van de benodigde watercompensatie wordt gerekend met de totale toename van het verhard oppervlak. De maatregelen worden daarmee berekend over een oppervlakte van 1.325 m2. 15% hiervan dient te worden gecompenseerd middels het realiseren van extra waterberging. De te realiseren extra waterberging komt daarmee op ca. 200 m2
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
55/69
(198,75 m2). Het voorzien in extra waterberging dient in beginsel op eigen terrein te gebeuren. Indien dit niet mogelijk is, kan worden gezocht naar andere oplossingen in hetzelfde peilgebied. Een mogelijkheid kan zijn gebruik te maken van de Berging Rekening Courant (BRC) bij Rijnland, van de gemeente Zoetermeer. Dit betekent dat, indien beschikbaar en met instemming van de gemeente, gebruik kan worden gemaakt van een surplus elders in het peilgebied. In voorliggende bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van de Berging Rekening Courant van de gemeente Zoetermeer. Op verzoek van de ontwikkelaar, De Goede Woning, heeft het college van B&W Zoetermeer op 20 april 2021 ingestemd met het ten laste brengen van 200 m2 water van het surplus in de BRC bij Rijnland. Waterkwaliteit Met het oog op de waterkwaliteit dient bij de realisatie van het woongebouw toepassing van uitloogbare materialen te worden voorkomen op plekken waar die in contact kunnen komen met het hemelwater. Riolering Conform het geldende beleid dient een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd. Het schone hemelwater van verharde oppervlakken kan op deze wijze via het hemelwaterriool worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Beschermingszones en veiligheid Binnen het plangebied zijn geen beschermingszones van waterkeringen en/of watergangen aanwezig.
De projectlocatie bevindt zich in kwelgevoelig gebied (zoute kwel). Dit heeft gevolgen bij de realisatie van de woontoren. Zonder watervergunning mag niet dieper dan 1,50 m worden gegraven en mag evenmin grondwater worden bemalen in verband met het risico van opbarsten van de bodem. 5.5.3
Conclusie
Het bestemmingsplan heeft een beperkte invloed op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Daarbij speelt de noodzakelijke toename van het verhard oppervlak een rol. Voor het project dient te worden voorzien in compensatie middels extra waterberging. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Berging Rekening Courant van de gemeente Zoetermeer bij Rijnland. Hiervoor is door de gemeente toestemming verleend. Een watervergunning dient te worden aangevraagd bij Rijnland in verband met eventuele bemaling van grondwater.
5.6
Bedrijven en milieuzonering
5.6.1
Begrip milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken,
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
56/69
winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. 5.6.2
VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering
De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Binnen gemengde gebieden kan echter ook sprake zijn van functiemenging. Dit betekent dat op gebouwniveau meerdere functies gecombineerd zijn, zoals wonen boven winkels. In de VNG-uitgave “Bedrijven en milieuzonering” is voor gebieden met functiemenging een aparte lijst (bijlage 4 VNG-uitgave) opgenomen. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan: stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden met dorpskernen; horecaconcentratiegebieden; woon-werkgebieden met kleinschalige, vooral ambachtelijke bedrijvigheid; gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies; lintbebouwing in buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. In tegenstelling tot rustige woonwijken zijn in dergelijke levendige gebieden desgewenst ook milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Het kan gaan om gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen. 5.6.3
Relatie tot bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen een gemengd gebied. 5.7
Externe Veiligheid
5.7.1
Regelgeving en beleid
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
57/69
Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW).
Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risico veroorzakende bedrijven (inrichtingen) die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. 5.7.2
Inrichtingen
In of in de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen inrichtingen of contouren van inrichtingen waarop het Bevi van toepassing is. 5.7.3
Transport gevaarlijke stoffen
Alle rijkswegen en de meeste provinciale wegen zijn aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt op circa 1.350 meter ten noorden van de rijksweg A12. In geval van een calamiteit kan zich een incident voordoen waarbij giftige stoffen vrijkomen. Gezien de afstand van het plangebied tot aan de rijksweg A12 zal het groepsrisico als gevolg van de (eventuele) ontwikkelingen niet significant toe - of afnemen. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd. De gemeente Zoetermeer heeft een dergelijke route gevaarlijke stoffen niet vastgesteld wat tot gevolg heeft dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in principe altijd via de snelste weg moet plaatsvinden. Aangenomen kan worden dat er over de Europaweg transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De intensiteit van dit transport ter hoogte van het plangebied is laag, omdat in de nabijheid van het plangebied geen inrichtingen gelegen zijn waar gevaarlijke stoffen van of naar getransporteerd worden. Vanuit dit oogpunt bezien is het risico verwaarloosbaar klein. Bovendien is het plangebied gelegen op meer dan 200 meter afstand (circa 300), de afstand waarbinnen eventueel ruimtelijke beperkingen gelden, gelegen van de Europaweg.
In de nabijheid van het plangebied zijn eveneens geen LPG-tankstations gesitueerd.
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
58/69
5.7.4
Buisleidingen
In het plangebied bevinden zich geen buisleidingen of contouren van buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is. Buiten het plangebied bevindt zich aan de Frankrijklaan en aan het Marseillepad een aardgasleiding van Eneco met een dikte van 110 mm. Met betrekking tot externe veiligheid zijn er enkel planologische consequenties als een buisleiding met aardgas een druk heeft van 20 bar of hoger. Voor de aanwezige aardgasleidingen in het plangebied geldt echter dat de druk onder de 8 bar blijft, zodat de aanwezigheid van buisleidingen in het plangebied geen consequenties heeft. 5.7.5
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
5.8
Natuurwaarden
5.8.1
Beleid en normstelling
Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden.
Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Voorheen gold hier de Regeling PAS (Programmatische aanpak Stikstof) voor, maar naar aanleiding een tweetal belangrijke uitstpraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (mei 2019) is deze regeling komen te vervallen. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden, en kan al sprake zijn van een negatief effect op het moment dat de rekenresultaten meer depositie dan 0,00 mol/ha/jr weergeven. Nationaal Natuurnetwerk De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hoofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen.
Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
59/69
gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'. Gemeentelijk beleid De gemeente Zoetermeer heeft haar groenbeleid in drie documenten vastgelegd, namelijk de Groenkaart, de Visie Biodiversiteit en het Bomenbeleid, samen vormen deze documenten de ‘Groentrilogie’ van Zoetermeer9. Voor dit groenbeleid en de Zoetermeerse gedragscode Floraen faunawet is onderzoek gedaan naar vleermuizen. De wijk van het plangebied is hierbij in 2008 geïnventariseerd door bureau Stadsnatuur Rotterdam. 5.8.2
Onderzoek
Voor het plangebied is een Quickscan Wet natuurbescherming verricht door bureau ATKB. De resultaten zijn opgenomen in de rapportage van 25 november 2020. Daarnaast is door Mees Ruimte & Milieu een berekening van de stikstofdepositie uitgevoerd en opgenomen in de rapportage van 23 december 2020. De resultaten worden hieronder integraal weergegeven. De rapportages en rekenresultaten zijn opgenomen in Bijlage 5 en Bijlage 6 bij voorliggende toelichting. Gebiedsbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming dient uitgesloten te worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000-gebieden. De projectlocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of het NNN. Ook van andere beschermde gebieden, zoals een belangrijk weidevogelleefgebied of ander provinciaal beschermd (groen)gebied is geen sprake. Direct negatieve effecten en effecten als gevolg van visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht kunnen worden uitgesloten. Stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn.
Om vast te stellen of daar sprake is, is door Mees Ruimte & Milieu een stikstofberekening uitgevoerd (rapport d.d. 23 december 2020) met behulp van de AERIUS Calculator 2020. Uitkomst van de berekeningen is dat zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Het aspect stikstof vormt hiermee geen belemmering voor de realisatie van het voorgenomen initiatief. De rapportage met de stikstofberekening en de gehanteerde uitgangspunten is opgenomen in de bijlagen. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk. Soortenbescherming Het plangebied kan mogelijk worden gebruikt door broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten, algemene broedvogels en vleermuizen. Voor overige (streng) beschermde soorten is binnen het plangebied geen geschikt habitat aanwezig. Voor broed vogels met niet-jaarrond beschermde nesten zijn negatieve effecten gemakkelijk te voorkomen door eventueel verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te laten vinden. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Door de voorgenomen werkzaamheden gaat dit foerageergebied verloren. Het plangebied is niet-optimaal geschikt en mede daarom als niet-essentieel foerageergebied beschouwd. Het verdwijnen van niet-essentieel foerageergebied leidt niet tot overtreding van de Wnb.
Door de werkzaamheden overdag uit te voeren wordt vermeden dat (mogelijk) foeragerende vleermuizen verstoord worden en hoeft geen ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. De naburige gebouwen (‘City House’ en ‘Dutch Port’) zijn geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Bij de geplande werkzaamheden voor het realiseren van de nieuwbouw in het plangebied (zoals heien) kunnen negatieve effecten op naburige vleermuisverblijfplaatsen niet op voorhand worden uitgesloten. Een nader onderzoek wordt uitgevoerd om te bepalen of verblijven in de naburige gebouwen zitten en er daarmee sprake is van een negatief effect (en
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
60/69
overtreding Wnb). Wanneer de Wnb wordt overtreden (en dit niet te voorkomen is middels maatregelen) is een ontheffing noodzakelijk. Door ATKB/buro bakker is het nader ecologisch onderzoek (21 oktober 2021) uitgevoerd (zie Bijlage 7) naar de omliggende bebouwing als mogelijke geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. Hierbij is de bebouwing onderzocht die binnen de invloedssfeer van de beoogde werkzaamheden vallen. Uit het vleermuisonderzoek blijkt dat het plangebied wordt gebruikt door circa drie gewone dwergvleermuis en één ruige dwergvleermuis als niet-essentiële foerageergebied en dat de ten zuiden gelegen bomenrij dienst doet als niet-essentiële vliegroute voor circa drie gewone dwergvleermuizen. Tevens zijn er in de directe omgeving twee paar-/winterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen en één paarterritoria van ruige dwergvleermuis aanwezig. Enkel bij werkzaamheden met zware trillingen raakt één verblijfplaats tijdelijk ongeschikt. Doordat het gras en enkele bomen verdwijnen, gaat er tevens (een deel van een) niet-essentieel foerageergebied verloren. Tot slot is er tevens een tijdelijke verstoring bij het gebruik van tijdelijke extra kunstmatige (bouw)verlichting gedurende de nacht in de vleermuis actieve periode (april t/m oktober).
Om de effecten op vleermuizen en een overtreding van de wet natuurbescherming te voorkomen zijn de volgende maatregelen nodig: - De tijdelijke effecten door werkzaamheden met harde trillingen (bijvoorbeeld heien) kunnen worden voorkomen door niet in de paar- en winterperiode (15 augustus tot april) te werken. Doordat er geen zomerverblijfplaatsen zijn aangetroffen, wordt de aanwezigheid van vleermuizen buiten deze periode uitgesloten. Voor het uitvoeren van heiwerkzaamheden in de periode 15 augustus tot april is het nemen van mitigerende maatregelen en het aanvragen van een ontheffing op de Wnb voor het verstoren van vleermuizen echter wél noodzakelijk. Het nemen van compenserende maatregelen is in ieder geval niet nodig, doordat de oorspronkelijke verblijfplaats na de werkzaamheden weer door vleermuizen te gebruiken is. - In de periode april t/m oktober enkel werkzaamheden bij daglicht uitvoeren zodat er geen extra verlichting aanwezig is gedurende de nacht. Wanneer dit niet mogelijk is, dient er gebruik gemaakt te worden van gerichte (LED) armaturen welke de omgeving en groenstructuren onverlicht laten. - Groenstructuren zoveel mogelijk behouden, zodat zo min mogelijk foerageergebied verdwijnt. 5.8.3
Conclusie
Door bovengenoemde maatregelen op te volgen is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Ecologie vormt hiermee geen belemmering om het bestemmingsplan vast te stellen.
5.9
Windhinder
5.9.1
Regelgeving en beleid
In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder staat in art. 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling nodig. In de NEN 8100; 2006 nl 'Windhinder en gevaar in de gebouwde omgeving' is aangegeven wanneer er aanleiding is om een onderzoek te doen naar windhinder. Hierin wordt gewerkt
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
61/69
met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). In deze norm is een beslismodel weergeven wanneer een windonderzoek mogelijk nodig kan zijn: gebouwen hoger dan 30 meter, windonderzoek noodzakelijk; beschut gelegen gebouwen met een hoogte van 15 tot 30 meter, specialist beoordeelt in hoeverre windonderzoek nodig is; onbeschut gelegen gebouwen met een hoogte hoogte tot 30 meter specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is. Aangezien voorliggend bestemmingsplan gebouwen hoger dan 30 meter mogelijk maakt is windonderzoek noodzakelijk. 5.9.2
Windhinderonderzoek
In het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening is door bureau Peutz een windhinderonderzoek uitgevoerd. Een dergelijk onderzoek wordt conform het beslismodel in de norm NEN 8100 noodzakelijk geacht bij een bouwhoogte van meer dan 30 meter. Gelet op de geplande bouwhoogte van de woontoren, is het windklimaat en mogelijk windgevaar onderzocht. De rapportage d.d. 10 september 2020 is opgenomen in Bijlage 8 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat rond de geplande nieuwbouw sprake is van een goed tot matig windklimaat. Het optreden van windhinder is met name het gevolg van de vrije aanstroom van de dominante zuidwestenwind over de laagbouwomgeving, in combinatie met een relatief grote bouwhoogte van het plan. Om het windklimaat hier te verbeteren zou kunnen worden gedacht aan een bouwkundige wijziging als toevoegen van een laagbouwvoet, of een uitgekiende terreininrichting met windbestendige begroeiing. Op basis van de resultaten is het aannemelijk dat in de huidige situatie al sprake is van een matig windklimaat. Voor windgevoelige functies zoals gebouwentrees dient het criterium slenteren te worden toegepast, waarbij wordt gestreefd naar een beoordeling goed. Ter plaatse van de hoofdentree van de geplande nieuwbouw op de noordoosthoek van het gebouw is een goed windklimaat te verwachten voor het criterium slenteren. 5.9.3
Conclusie
Gelet op de uitkomsten van het onderzoek, vormt windhinder geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Er wordt voldaan aan het criterium voor windgevoelige functies.
5.10
Bezonning
5.10.1 Regelgeving en beleid Bezonningsstudies worden uitgevoerd om de schaduwwerking ter plaatse van bestaande woningen inzichtelijk te maken. In Nederland bestaan geen landelijk, wettelijk vastgelegde normen of eisen waaraan plannen ten aanzien van de bezonning in relatie tot bestaande functies moeten voldoen. Gemeenten zijn dus vrij om wel of geen eigen eisen te stellen aan de bezonning. De gemeente Zoetermeer beschikt sinds de vaststelling van de Hoogbouw Effect Rapportage (HER) op 14 juli 2020, onderdeel van de Visie Binnenstad 2040, over beleid op het gebied van bezonning. Dit beleid geldt voor de Binnenstad, waar Engelandlaan 140 onderdeel van is. Het bezonningsonderzoek dat is uitgevoerd gaat daarom uit van de in HER vastgelegde lichte
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
62/69
TNO-norm. De lichte TNO-norm gaat uit van het criterium dat woningen ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam moeten krijgen gedurende de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 maanden). Bij minder dan twee uur zon kan nog steeds sprake zijn van een acceptabele bezonningssituatie. In dat geval dient te worden afgewogen of de bezonningssituatie aanvaardbaar is. 5.10.2 Bezonningsstudie 01-10 Architecten heeft in oktober 2020 een bezonningsstudie uitgevoerd waarbij de schaduwsituatie van de nieuwe situatie in beeld is gebracht voor drie referentiedagen: 19 februari als toetsmoment voor de lichte TNO-norm, 21 maart als begin van het voorjaar en 21 oktober als toetsmoment voor de lichte TNO-norm. De onderliggende aanname is dat het “tuinseizoen” loopt van 21 maart tot 21 september. De bezonningsstudie is opgenomen in Bijlage 9 bij deze toelichting. Per datum is van ‘s morgens 09.00 uur tot ‘s avonds 17.00 uur van elke 60 minuten een beeld gemaakt. Zo is het verloop van de schaduwen veroorzaakt door de bebouwing goed te zien. Uit analyse van de bezonningsstudie blijkt dat in de nieuwe situatie, op het toetsmoment 19 februari, bij een aantal woningen in het zuidelijk gelegen gebouw City House in het begin van de ochtend schaduw zal vallen als gevolg van dit project.
Hier blijft echter op 19 februari (toetsmoment) nog 2 uur zon over van 10.20 uur tot 12.20 uur. Bij het noordelijk gelegen gebouw Dutch Port zal halverwege de middag schaduw vallen op een aantal woningen als gevolg van dit project. Deze woningen voldoen ook aan de TNO-norm van minimaal 2 uur zon, van 11.55 tot 14.15 uur. 5.10.3 Conclusie Gelet op de uitkomsten van het onderzoek, vormt schaduwhinder geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Er wordt voldaan aan de lichte TNO-norm voor bezonning bij nieuwbouwsituaties.
5.11
Bodemenergie
5.11.1 Beleid De te bouwen projecten zullen niet meer worden aangesloten op het gasnet. De gemeente gaat geen medewerking verlenen aan een verzoek om een gebiedsaanwijzing zoals bedoeld in de 'ministeriële regeling gebiedsaanwijzing gasaansluitplicht’ Een van de meest voor de hand liggende alternatieve energievoorzieningen zijn warmtepompen die gebruik maken van bodemenergie ter plaatse. In de binnenstad zijn al enkele bodemenergiesystemen en er zijn ook meerdere systemen in voorbereiding. Mogelijk worden op termijn ook delen van de bestaande binnenstad aangesloten op een bodemenergiesysteem als de woningen van het aardgas worden gehaald. Onderzoek heeft aangetoond dat de capaciteit van de bodem op langere termijn niet voldoende is als er niet regulerend wordt opgetreden. De gemeente bereidt daarom een bodemenergieplan voor, voor het gebied van het gehele stadshart. Dit bodemenergieplan zal worden verankerd in een verordening. Een en ander zal onder meer tot gevolg hebben dat warmtebronnen alleen in daarvoor aangewezen zones mogen worden gerealiseerd. Relatie tot bestemmingsplan Voor de verwarming van de woningen wordt bodemenergie gebruikt. De intentie is gebruik te maken van een bron en installatie van de in de directe nabijheid te ontwikkelen SeaTower. Daarmee wordt deze installatie geoptimaliseerd en wordt voorkomen dat een geheel nieuwe
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
63/69
installatie gerealiseerd moet worden. 5.11.2 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect (bodem)energie geen belemmering vormt voor onderhavig plan.
5.12
Strategische milieu-beoordeling
5.12.1 Wet- en regelgeving De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling kan gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (tabel 5.1).
Tabel 5.3: relev ant onderdeel D. Activ iteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarv an de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 t/m 7.20 v an de wet v an toepassing is.
De beoogde ontwikkeling valt niet binnen de richtwaarden van het Besluit m.e.r. ten aanzien van projecten waarbij milieusignificantie een rol speelt (kolom 2). De aard en omvang van het beoogde initiatief is zeer beperkt t.o.v. de richtwaarden van het Besluit m.e.r. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. 5.12.2 Vorm-vrije m.e.r. De vorm van een vorm-vrije m.e.r. is niet bepaald, maar de inhoud waar een m.e.r.-beoordeling aan dientte voldoen is wel bepaald (Bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU). In de vormvrije m.e.r. dient de volgende inhoud zijn vermeld: 1. Kenmerken van de projecten. 2. Plaats van de projecten. 3. Kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project Het plangebied is gelegen Engelandlaan te Zoetermeer. Het gebied maakt onderdeel uit van
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
64/69
de binnenstad en ligt aan de rand van het Stadshart. De gronden ter plaatse waren bestemd als 'Groen'. Het plan omvat de ontwikkeling van een woontoren van maximaal 50 meter. Het programma voorziet in de toevoeging van 85 appartementen. Het plan ligt hiermee ruim onder de grens van 2.000 woningen en 200.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. Het plan is daarmee niet MER-plichtig. Plaats van het project Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied. De locatie ligt niet in een gevoelig gebied, zoals een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied met archeologische verwachtingswaarde en tevens maakt het geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgebied. Ter plaatse zijn bovendien geen Rijks-, provinciale-, of gemeentelijke monumenten aanwezig. De plaats van het plangebied rechtvaardigt geen MER. Kenmerken van het potentiële effect De voorgenomen ontwikkeling heeft geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar de omgeving. De te verwachten effecten hangen onder meer samen met de verkeersaantrekkende werking van het plan. Het aantal motorvoertuigbewegingen pet etmaal als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal toenemen.
Doordat de huidige luchtkwaliteit en achtergrondconcentraties ruim onder de geldende grenswaarden zijn gelegen en de bijdrage van het verkeer er niet toe leidt dat de grenswaarden overschreden worden, heeft de voorgenomen woningbouwontwikkeling geen significante gevolgen voor de milieukwaliteit. Aangezien de projectlocatie gelegen in de nabijheid van onder andere de Randstadrail kunnen akoestische maatregelen of een hogere waarde nodig zijn. Aangezien de extra verharding van het plangebied wordt gecompenseerd middels de bergingsrekeningcourant, zijn er nagenoeg geen effecten op de waterhuishouding. Op basis van het ecologisch stikstofdepositie-onderzoek vormen soorten- en gebiedsbescherming geen belemmering voor het beoogde plan. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt bij de toetsing aan milieuen omgevingsaspecten nader ingegaan op de effecten van de woningbouwontwikkeling op het milieu en de omgeving. Er zijn geen kenmerken die een MER rechtvaardigen. 5.12.3 Conclusie Gelet op de aard en omvang van de woningbouwontwikkeling, de plaats en de kenmerken van de potentiële effecten kan op voorhand worden geconcludeerd dat er geen significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn die een MER rechtvaardigen.
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
65/69
Hoofdstuk 6
Juridische vormgeving
6.1
Inleidende regels
6.1.1
Begrippen
In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 6.1.2
Wijze van meten
In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten voor de bouwhoogte, inhoud en ondergeschikte bouwdelen van een bouwwerk moeten worden gemeten.
6.2
Bestemmingsregels
6.2.1
Flexibiliteitsregels
In het bestemmingsplan is in sommige gevallen een bevoegdheid opgenomen zodat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van de regels. De ontheffing is bedoeld om in concrete situaties een beperkte afwijking van de regels toe te staan. Hierdoor mag geen ruimtelijk ongewenste situatie ontstaan. Voordat ontheffing wordt verleend wordt een nadere planologische afweging gemaakt. Deze afweging vindt plaats aan de hand van de volgende ruimtelijk relevante aspecten: Straat- en bebouwingsbeeld Bepaalde buurten en straten ontlenen hun kwaliteit aan het ruimtelijk beeld, een ruimtelijke samenhang, bijvoorbeeld verspringende rooilijnen, dwarskappen. Nieuwe bebouwing en uitbreiding van bestaande bebouwing mag geen aantasting vormen van dit karakteristieke straat- en bebouwingsbeeld, maar moet daarin passen. Verkeersveiligheid Gedacht wordt hier bijvoorbeeld aan de noodzaak tot het vrijhouden van zichthoeken. Sociale veiligheid Het betreft hier het voorkomen van sociaal onveilige plekken, zoals smalle onoverzichtelijke plekken in het (semi) openbaar gebied. Ook het voorkomen van bijvoorbeeld situaties waarbij de (semi) openbare ruimte aan beide zijden wordt begrensd c.q. begeleid door lange blinde gevels of muren.
Gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken Het gaat hier om het criterium dat een uitbreiding van bebouwing geen onevenredige aantasting mag vormen voor de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen en bouwwerken. Hier spelen bijvoorbeeld aspecten als uitzicht, lichttoetreding en bezonning van tuinen een rol. 6.2.2
Wonen
De beoogde woningen in het plangebied zijn, inclusief de daarbij behorende erfbebouwing en tuin, bestemd tot "Wonen". Binnen de bestemmingen 'Wonen' is op de plankaart een bouwvlak aangegeven. Dit bouwvlak omvat het hoofdgebouw inclusief galerijen, balkons en noodtrappen. Voor het appartementencomplex is in de regels een maximale bouwhoogte van 50 meter opgenomen.
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
66/69
6.2.3
Verkeer - Verblijfsgebied
De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' omvat de buurt- en erfontsluitingswegen met de daaraan of daarlangs gelegen paden, woonstraten, parkeervoorzieningen, groen- en waterelementen. Deze wegen zijn uitsluitend van belang voor het buurtverkeer. De bestemming biedt ruimte voor nutsvoorzieningen met een beperkte omvang. 6.3
Algemene regels
6.3.1
Antidubbeltelregel
De antidubbeltelregel is een verplichte regel die voortkomt uit het Besluit ruimtelijke ordening. 6.3.2
Algemene afwijkingsregels
Dit artikel bevat de algemeen gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden. Deze afwijkingsmogelijkheden gelden voor het hele plangebied. 6.4
Overige regels
In dit artikel zijn de algemene bouw- en gebruiksregels opgenomen over parkeernormen overeenkomstig de gemeentelijke parkeernota, zoals deze geldt op het moment van indienen van een aanvraag omgevingsvergunning. 6.5
Overgangs- en slotregels
6.5.1
Overgangsrecht
Deze artikelen regelen de bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in strijd zijn met de bouwregels, gebruiksregels of beide. 6.5.2
Slotregel
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
67/69
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
7.1
Financiële uitvoerbaarheid
7.1.1
Grondexploitatie (artikel 6.12 Wro)
Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het onderhavige bestemmingsplan is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); 2. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; 3. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijpmaken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.
De gronden waarop in het onderhavige bestemmingsplan een bouwplan, als bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, is voorgenomen zijn in eigendom bij de gemeente. Het verhaal van kosten van grondexploitatie is hierdoor anderszins verzekerd via de gronduitgifte. Indien er een noodzaak bestaat om locatie-eisen of een fasering vast te stellen, dan zal dit eveneens worden gedaan via de gronduitgifte. 7.1.2
Economische uitvoerbaarheid
De grond waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, is eigendom van de gemeente. Door de gemeenteraad is voor deze locatie op 13 april 2021 een grondexploitatie (met een positief projectresultaat) vastgesteld. Dit betekent dat alle voor dit project gemaakte kosten gedekt zullen worden door de grondopbrengst. In het kader van de verkoop van de grond sluit de gemeente met De Goede Woning een koopen realisatieovereenkomst (KRO), waarin wederzijdse verplichtingen tussen partijen worden vastgelegd.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Bestuurlijk vooroverleg
Het concept ontwerp-bestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 Bro opgestuurd naar verschillende overheden en instanties. Het plan is verstuurd aan de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap Rijnland, de Veiligheidsregio Haaglanden, de HTM, Stedin, Dunea, Gasunie en Tennet. De reacties zijn gebundeld en beantwoord in de Nota van Beantwoording Overlegreacties. Zie Bijlage 10. De reacties luiden instemmend. De belangen van de instanties zijn niet in het geding. Alleen de reactie van het Hoogheemraadschap Rijnland heeft tot aanpassingen geleid in de toelichting van het bestemmingsplan.
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
68/69
7.2.2
Zienswijzen
Op 7 december 2021 heeft het college ingestemd met het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan met de bijbehorende stukken is vervolgens vanaf 17 december 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.
Engelandlaan 140 versie vastgesteld
69/69