CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Plantoelichting

Raadsvergadering 6 november 2023, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Centraal Park25.857 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Water Het plangebied maakt deel uit van een waterstaatkundige eenheid (peilvak) en valt binnen de beheersgrenzen van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Een waterstaatkundige eenheid is een gebied waarin het watersysteem een geheel vormt en waarbinnen één waterpeil wordt gehanteerd. Het water van de Leidse Wallenwetering en de Grote Dobbe en het gebied ten zuiden daarvan maken deel uit van een de waterstaatkundige eenheid 'De Zoetermeerse Tussenboezem'. Het waterpeil binnen deze eenheid is - 1,74 m t.o.v. N.A.P. Voor het Waterplan Zoetermeer is gekeken naar het waterbezwaar in onder meer dit peilvak. Daarbij zijn de eventuele knelpunten per grondgebruik in het peilvak in kaart gebracht. Voor het peilvak 'De Zoetermeerse Tussenboezem' zijn op diverse plekken knelpunten in het stedelijk gebied geconstateerd. Op die plekken is de kans dat een stuk grond onderloopt bij veel regenval groter dan de landelijke normen. In en rondom het plangebied ligt een gescheiden rioolstelsel. Het vuilwater van de gebouwen wordt afgevoerd naar het vuilwaterstelsel. Het hemelwater van zowel de daken, als de parkeerterreinen wordt afgevoerd naar het hemelwaterstelsel. Het hemelwaterstelsel loost het water in de aanwezige watergangen en waterpartijen binnen het plangebied. 3.3

Cultuurhistorie en archeologie

In de rapportage "Archeologisch waardevolle gebieden in Zoetermeer" is het gebied "de Dorpsterp" aangewezen als archeologisch waardevol gebied. Mogelijke archeologische resten in dit gebied zijn bewoningsresten uit de periode 1250 tot heden, waaronder resten van het veertiende-eeuwse kasteel Palensteijn. De in de grond aanwezige sporen zijn van groot belang voor reconstructie van de bewoningsgeschiedenis van de voormalige dorpen Zoetermeer en Zegwaart. Een deel van dit archeologisch waardevol gebied ligt binnen het bestemmingsplangebied. Binnen dit deel wordt in het bestemmingsplan een nieuwe ontwikkeling, het graven van een watergang, voorzien. Voorafgaand aan deze werkzaamheden dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Als indieningsvereiste voor deze omgevingsvergunning geldt een archeologisch onderzoek waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

Centraal Park versie vastgesteld

25/81

Figuur 3.1 Uitsnede Beleidskaart archeologie Zoetermeer (plangebied als ster gemarkeerd).

Op grond van de gemeentelijke erfgoedverordening (vastgesteld door de gemeenteraad op 15 november 2010) zijn vijf beschermde stadsgezichten aangewezen. In het gemeentelijk beleidsdocument “Toelichting op de gemeentelijke beschermde stadsgezichten” zijn de karakteristieken en waarden van deze gebieden toegelicht. Eén van die beschermde stadsgezichten betreft het gebied “de Dorpsstraat”. Een deel van dit gemeentelijk beschermde stadsgezicht is gelegen in het bestemmingsplangebied Centraal Park Zoetermeer. Het gaat hierbij om de Grote Dobbe, het Dobbepark en de strook tussen de zuidzijde van de Grote Dobbe en de Dorpsstaat. Aangezien voorliggend plan geen nieuwe bebouwing mogelijk maakt heeft het bestemmingsplan geen negatieve invloed op het beschermd stadsgezicht. Het plangebied is in de huidige situatie, op een horecagelegenheid na, onbebouwd. Gemeentelijke-, provinciale dan wel Rijksmonumenten zijn niet aanwezig. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling waar voorliggend plan in voorziet.

Centraal Park versie vastgesteld

26/81

Hoofdstuk 4 4.1

Beschrijving plan

Projectplan

Dit bestemmingsplan voorziet hoofdzakelijk in het planologisch/juridisch mogelijk maken van de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen zodat het Centraal park kan worden gerealiseerd. De wijzigingen vinden met name plaats in en rond de Grote Dobbe. Zo wordt het huidige eiland vergroot, worden nieuwe speeleilanden in de Dobbe aangelegd en een wandel-/vlonderpad gerealiseerd rondom de Dobbe. Nabij het Nicolaasplein wordt een nieuw stukje water aangelegd. Voor het nieuw gerealiseerde terras boven het water, van de bestaande horecagelegenheid aan De Grote Dobbe, is in het bestemmingsplan een aanduiding 'horeca' opgenomen om dit terras planologisch vast te leggen. Ter plaatse van 'horeca' is dan een terras toegestaan (geen bebouwing). Tot slot worden twee onbenutte bestemmingen wegbestemd. Ten eerste lag aan de Londenstraat nog een onbenut bouwvlak voor 'Wonen', dat wordt geschrapt en vervangen door 'Groen'. Ten tweede lag nabij de brug op het Marseillepad een onbenutte bestemming voor 'Horeca'. Deze wordt ook geschrapt en vervangen door de bestemming 'Verkeer Verblijfsgebied'. Beide bestemmingen passen niet in de Visie Centraal Park.

4.2

Ruimtelijke inpassing

Stedenbouwkundige inpassing Het plangebied is gelegen aan de rand van het Stadshart, een omgeving met een stedelijke uitstraling. Als uitgangspunt geldt dat de inrichting van de openbare ruimte van het plangebied aan dient te sluiten bij de stedelijke centrumsfeer. Het centraal park zal worden voorzien van een kwaliteitsimpuls door de aanleg van speeleilanden en een wandelpad in het water. Hierdoor ontstaat een aantrekkelijk openbaar gebied met een hoge verblijfskwaliteit. Dit is noodzakelijk om de bewoners in de binnenstad te voorzien van een gezonde woon- en fysieke leefomgeving. 4.3

Functionele inpassing

Verkeer en vervoer De bestaande situatie zoals beschreven in paragraaf 3.2.2 voor wegen en openbaar vervoer blijft ongwijzigd. Parkeren Voor parkeren geldt hetzelfde. Zowel in de huidige als toekomstige situatie zijn binnen het plangebied geen parkeervoorzieningen aanwezig. Groen, natuur, landschap en water In de Grote Dobbe wordt meer groen gecreëerd door het bestaande eiland te vergroten en een viertal eilanden toe te voegen. Dit brengt wel met zich mee dat er water wordt gedempt in De Grote Dobbe. Aan de zuidkant nabij het Nicolaasplein wordt circa 116 m2 aan nieuw water gerealiseerd. Zie ook paragraaf 5.4.2.

Centraal Park versie vastgesteld

27/81

Hoofdstuk 5 5.1

M ilieu en leefkwaliteit

Geluidhinder

De Wet geluidhinder, en het hierop gebaseerde Besluit geluidhinder, bevatten normen en regels ter voorkoming of beperking van geluidhinder ten gevolge van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai afkomstig van een gezoneerd industrieterrein. Aangegeven wordt welke objecten bescherming genieten tegen geluid. Naast woningen gaat het onder meer om scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, psychiatrische ziekenhuizen. Woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen worden aangemerkt als geluidsgevoelige terrein. 5.1.1

Situatie in het plangebied

Aangezien het bestemmingsplan geen geluidsgevoelige objecten mogelijk maakt is akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. 5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Regelgeving en beleid

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of project locatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's.

Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. 5.2.2

Situatie in het plangebied

Het plangebied betreft een stadspark waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. In het geldende bestemmingsplan is opgenomen dat de bodem binnen het plangebied over het algemeen niet tot plaatselijk licht verontreinigd is. Aangezien geen nieuwe functies worden mogelijk gemaakt is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Wel is nog een bodemonderzoek noodzakelijk voor het graven van nieuw water nabij het Nicolaasplein.

Centraal Park versie vastgesteld

28/81

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Regelgeving en beleid

De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer, ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Deze wijziging van de Wet milieubeheer is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wijziging houdt in dat de in Nederland toegepaste koppeling tussen ruimtelijke ordening en luchtkwaliteit voor een deel wordt ontkoppeld. Dit maakt het mogelijk om niet voor elk ruimtelijk plan te hoeven toetsen aan de normen. Hierbij is met name het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) van belang. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Sinds de verlening van derogatie door de Europese Unie en de inwerkingtreding van het NSL per 1 augustus 2009 is de definitie van NIBM een bijdrage van niet meer dan 3% aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 van zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk gemaakt kan worden dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Om versnippering van ‘in betekenende mate’ projecten in meerdere NIBM-projecten te voorkomen is een anti-cumulatieartikel opgenomen. De bijdrage van NIBM-projecten aan de luchtverontreiniging wordt binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) gecompenseerd met algemene maatregelen. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel alle ruimtelijke ontwikkelingen die 'in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als een bundeling van alle maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit. Deze maatregelen, zowel rijksmaatregelen als lokale, meer gebiedsgerichte, maatregelen, moeten leiden tot een verbetering van de luchtkwaliteit waardoor de 'in betekenende mate' ontwikkelingen alsnog doorgang kunnen vinden.

Op basis van bovenstaande volgt dat bestuursorganen een ruimtelijk plan kunnen vaststellen als: wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden, of een plan (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit, of een plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt, of een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van een ontwikkeling wordt gecompenseerd met een verbetering door een als gevolg van dat plan optredend effect of een met het besluit samenhangende maatregel (saldering zoals bedoeld in art. 5.16 lid 1 onder b Wet milieubeheer), of de ontwikkeling is opgenomen in het NSL.

Centraal Park versie vastgesteld

29/81

5.3.2

Toetsing beoogde ontwikkeling aan het NIBM

Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling niet in betekenende waarde uitgewerkt in concrete voorbeelden. Voor woningbouw geldt dat de realisatie van 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Zodoende kan voor het plan, dat voorziet in slechts de aanpassing van een stadspark en niet leidt tot een verkeersaantrekkende werking, geconcludeerd worden, dat het niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied en directe omgeving. 5.3.3

Goed woon- en leefklimaat

Met behulp van www.nsl-monitoring.nl is vastgesteld wat de achtergrondconcentraties fijnstof en stikstofdioxide zijn ter plaatse van het plangebied. Dit om te bepalen of het realiseren van de beoogde woonfunctie op deze specifieke plek in het kader van een goed leefklimaat te motiveren is, gelet op de verkeersaantrekkende werking die uitgaat van het project. Het dichtstbijzijnde rekenpunt is punt 125769 gelegen aan het Beatrijspad. Uit de resultaten van monitoringstool blijkt dat de achtergrondconcentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 onder de grenswaarden van 40 µg/m3 voor NO2 en PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 liggen. Zie hiertoe onderstaand figuur 5.4.

Figuur 5.1: Totale concentraties v an stikstof dioxide en f ijnstof in nabijheid v an het plangebied (bron: www.nsl-monitoring.nl)

5.3.4

Conclusie

De beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien is sprake van een gezond woon- en leefklimaat, gelet op de achtergrondconcentraties en de verkeersaantrekkende werking van het project. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied. 5.4

Water

5.4.1

Regelgeving en beleid

Het Hoogheemraadschap van Rijnland is de waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheerder in het plangebied. Samen met gemeente Zoetermeer en het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft Rijnland het Waterplan Zoetermeer opgesteld met als doelstelling het behouden en versterken van een duurzaam watersysteem. Onder de verantwoordelijkheden vallen onder andere beveiliging tegen hoog water, peilbeheer en aan- en afvoer van water. Daarnaast wordt geadviseerd hoe om te gaan met hemelwater. In het algemeen zoekt het waterschap naar duurzame oplossingen. Uitgangspunt is dat het water zoveel mogelijk binnen een plangebied wordt vastgehouden en dat relatief schoon water ook relatief schoon blijft. Een toename van het verharde oppervlak in risicogebieden moet worden gecompenseerd met extra waterberging. Daarbij geldt dat het regenwater, dat op verharde oppervlaktes valt en schoon genoeg is (zoals van gevels en daken), zoveel mogelijk wordt vastgehouden of wordt geborgen.

Centraal Park versie vastgesteld

30/81

5.4.2

Watertoets

Op basis van de Keur van Rijnland geldt een vrijstellingsgrens voor ontwikkelingen met een toename van het verhard oppervlak tot 500 m2. Er wordt geen verharding toegevoegd maar het bestemmingsplan maakt ter plaatse van De Grote Dobbe wel vier nieuwe eilanden en een vergroting van het bestaande eiland mogelijk. Dit zorgt voor een gedeeltelijke demping van De Grote Dobbe. In totaal wordt er 4.285 m2 water gedempt en 116 m2 nieuw water gegraven. Per saldo wordt er 4.169 m2 water gedempt. Voor het dempen en graven van water is een watervergunning noodzakelijk. Deze is aangevraagd bij het Hoogheemraadschap.

Figuur 5.2: Ov erzicht te dempen en te grav en water binnen het plangebied

Conform de uitvoeringsregels van de Keur is een demping toegestaan, wanneer: a. de wateraanvoer en waterafvoer naar en uit het achterliggend/aangrenzend gebied en gemaal als gevolg van een demping niet worden belemmerd, en; b. het verlies aan bergend vermogen wordt gecompenseerd door: 1. conform artikel 6 een oppervlak water aan te leggen dat minimaal even groot is als het oppervlak van de demping, of; 2. afboeking van een saldo, even groot als het oppervlak van de demping, van de Berging Rekening Courant, of; 3. aantoonbaar extra gegraven water, even groot als het oppervlak van de demping, in de vijf jaar direct voorafgaand aan de datum van de vergunningaanvraag voor de demping, en; c. de demping in de gebieden op kaart 3 geen negatieve effecten heeft op de (ondiepe) grondwaterhuishouding, en; d. bij demping in de kern- en/of beschermingszone van een waterkering deze demping geen negatieve invloed heeft op de stabiliteit van de waterkering. De wateraanvoer en waterafvoer naar en uit het achterliggend/aangrenzend gebied en gemaal zal als gevolg van de dempingen niet worden belemmerd. Daarnaast vindt de demping niet plaats binnen een gebied zoals aangegeven op kaart 3. Binnen het plangebied is een beschermingszone van een regionale polderkade aanwezig. Binnen deze zone wordt water gedempt om het Dobbe eiland te vergroten.

Aangetoond dient te worden dat de werkzaamheden binnen de beschermingszone geen negatieve invloed hebben op de stabiliteit van de waterkering. Het voorzien in extra waterberging dient in beginsel op eigen terrein te gebeuren. Indien dit

Centraal Park versie vastgesteld

31/81

niet mogelijk blijkt, kan worden gezocht naar andere oplossingen in hetzelfde peilgebied. In het kader van het verbeteren van de waterkwaliteit in de Zoetermeerse plas en het stedelijke gebied wil het Hoogheemraadschap van Rijnland nieuwe watergangen realiseren in het Bossenpark in de wijk Meerzicht (langs het Jagersbos) en aan de noordkant van het Westerpark (het Blauwe Goud). Deze geplande realisatie leidt tot een toename in de Berging Rekening Courant van de gemeente Zoetermeer. De dempingen vinden plaats in de Zoetermeerse tussenboezem (peilvak WW-18). De extra watergangen komen in de Nieuwe Driemanspolder (peilvak WW-17A). Aangezien water dat wordt afgevoerd uit peilvak WW-18, via peilvak WW-17A naar de Rijnlandse boezem wordt afgevoerd, kan in deze specifieke situatie gebruik worden gemaakt van een overschot aan water in peilvak WW-17A. Na overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland is het toegestaan vooruitlopend op het graven van de watergangen van het Blauwe Goud de realisatie van Centraal Park op te starten. Hiervoor is het noodzakelijk dat voor het uitvoeren van de werkzaamheden voor het Centraal Park Zoetermeer een watervergunning wordt aangevraagd, om de watercompensatie en de veranderingen in het watersysteem te borgen.

In verband met de waterkwaliteit dienen bij de uit te voeren werkzaamheden geen uitloogbare materialen toegepast te worden die in contact kunnen komen met het hemelwater. Tevens dient indien van toepassing een gescheiden rioolstelsel te worden aangelegd. Het schone hemelwater van verharde oppervlakken kan op deze wijze via het hemelwaterriool worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. 5.4.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor voorliggend plan. 5.5

Bedrijven en milieuzonering

5.5.1

Begrip milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. 5.5.2

VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering

De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de

Centraal Park versie vastgesteld

32/81

aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.

Figuur 5.3 Richtaf standen handreiking VNG

De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Door het hanteren van richtafstanden tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocatie en een gebied met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid), wordt de toelaatbaarheid van milieubelastende functies beoordeeld. Binnen gemengde gebieden kan echter ook sprake zijn van functiemenging. Dit betekent dat op gebouwniveau meerdere functies gecombineerd zijn, zoals wonen boven winkels. In de VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering" is voor gebieden met functiemenging een aparte lijst (bijlage 4 VNG-uitgave) opgenomen. Bij functiemengingsgebieden kan gedacht worden aan: stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden met dorpskernen; horecaconcentratiegebieden; woon-werkgebieden met kleinschalige, vooral ambachtelijke bedrijvigheid; gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies; lintbebouwing in buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. In bijlage 4 van de VNG-brochure is een voorbeeld-Staat-van-Bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging opgenomen, die specifiek gericht is op de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten binnen gebieden met functiemenging.

Deze voorbeeld-Staat-van-Bedrijfsactiviteiten bevat geen richtafstanden maar categorieën A, B en C die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen. Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen. Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Voor de toelaatbaarheid van deze activiteiten gelden de volgende randvoorwaarden: 1. het gaat om kleinschalige, meest ambachtelijke bedrijvigheid;

Centraal Park versie vastgesteld

33/81

2. productie en/of laad en loswerkzaamheden vinden alleen in de dagperiode plaats; 3. de activiteiten (inclusief opslag) geschieden hoofdzakelijk inpandig; 4. activiteiten uit categorie C beschikken daarnaast over een goede aansluiting op de hoofdinfrastructuur

5.5.3

Milieuzonering in het plan

Op basis van het vigerende bestemmingsplan "Stadscentrum Zuid" wordt gesproken van een gebied met functiemenging. Hierbinnen gelden geen richtafstanden maar categorieën A, B en C die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Relatie tot het plangebied Binnen het plangebied zijn geen woningen aanwezig en de enige vorm van bedrijvigheid betreft de horecafunctie aan de Grote Dobbe. Deze functie is hier al jaren aanwezig en op voldoende afstand van woningen gelegen. Het bestemmingsplan voorziet daarnaast niet in nieuwe woningen en/of bedrijven. 5.5.4

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavig plan. 5.6

Externe Veiligheid

5.6.1

Regelgeving en beleid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven. Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Normen voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden.

Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen) mogen liggen. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbaar aantal personen, de zogenaamde oriëntatiewaarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd door middel van een verantwoordingsplicht, kan afwijken. De verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR. Het Ipo (Interprovinciaal overleg) heeft een risicokaart ontwikkeld waarop verschillende

Centraal Park versie vastgesteld

34/81

risicobronnen en risico-ontvangers zijn aangegeven. Op de risicokaart staan gegevens die met risico te maken hebben, zoals risico veroorzakende bedrijven (inrichtingen) die gevaarlijke stoffen gebruiken, produceren of opslaan en ook het vervoer/transport van grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn in dit geval stoffen die een schadelijke invloed hebben op de gezondheid en het milieu. 5.6.2

Inrichtingen

In het plangebied bevinden zich geen inrichtingen of contouren van inrichtingen waarop het Bevi van toepassing is. Het plan voorziet niet in de realisatie van een risicovolle inrichting. 5.6.3

Transport gevaarlijke stoffen

Alle rijkswegen en de meeste provinciale wegen zijn aangewezen als route voor gevaarlijke stoffen. Gemeenten mogen voor de zogenaamde routeplichtige stoffen gemeentelijke wegen binnen hun grenzen aanwijzen waarover deze gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd. De gemeente Zoetermeer heeft een dergelijke route gevaarlijke stoffen niet vastgesteld wat tot gevolg heeft dat het vervoer van gevaarlijke stoffen in principe altijd via de snelste weg moet plaatsvinden. Aangenomen kan worden dat er over de Europaweg transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit transport zal dusdanig laag zijn, omdat in de nabijheid van het plangebied geen inrichtingen gelegen zijn waar gevaarlijke stoffen naar getransporteerd worden. Vanuit dit oogpunt bezien is het risico risico verwaarloosbaar klein. Bovendien is het plangebied gelegen op meer dan 200 meter afstand (circa 420 meter) van de Europaweg, de afstand waarbinnen eventueel ruimtelijke beperkingen gelden. In de nabijheid van het plangebied zijn eveneens geen LPG-tankstations gesitueerd. 5.6.4

Buisleidingen

In het plangebied bevinden zich geen buisleidingen of contouren van buisleidingen waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is. 5.6.5

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor het plan. 5.7

Ecologie

5.7.1

Beleid en normstelling

Sinds 1 januari 2017 is één wet van toepassing die de natuurwetgeving in Nederland regelt: de Wet natuurbescherming. De wet ligt in de lijn van Europese wetgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wet natuurbescherming vervangt de Boswet, de Flora- en Faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Wet natuurbescherming Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieen, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan de provincie ervoor kiezen om een gebied aan te wijzen als bijzonder nationaal natuurgebied- of landschap of als Nationaal Natuurnetwerk (NNN). Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Nationaal Natuurnetwerk

Centraal Park versie vastgesteld

35/81

De term EHS werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. In 2013 veranderde de naam van Ecologische Hofdstructuur naar Nationaal Natuurnetwerk (NNN). NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in of in de nabijheid van het NNN gelegen is, verlangt de provincie een "nee-tenzij-toets". 5.7.2

Natuurwaardenonderzoek

Door Buro Stadsnatuur is een onderzoek Wet natuurbescherming uitgevoerd en gerapporteerd op 12 augustus 2022 (Bijlage 1 Wet natuurbescherming onderzoek). In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden uitgevoerd mits: de beschermde functie als essentieel foerageergebied voor de Gewone dwergvleermuis en de Ruige dwergvleermuis niet wordt aangetast; daartoe zorg wordt gedragen voor behoud van de nog aanwezige bomen en struwelen aan de oever van de Grote Dobbe; fasering van (kap)werkzaamheden (dus niet al het groen op een plaats in één keer geheel verwijderen, mocht dat al noodzakelijk zijn), kan er voor zorgen dat beschermde foerageerfuncties voor genoemde vleermuizen niet worden aangetast en dus de wet niet wordt overtreden; bij onverhoopte, noodzakelijke grootschalige kap van bomen en struiken die leiden tot een verslechtering van het leefgebied van de Gewone dwergvleermuis en de Ruige dwergvleermuis een ontheffing wordt aangevraagd van verbodsbepalingen in de Wnb en een compensatieplan wordt opgesteld; er in de inrichtingsplannen rekening wordt gehouden met vleermuizen door geen extra verlichting te plaatsen, de duisternis aan de oost- en zuidoever te handhaven en noodzakelijke en nieuwe verlichting waar mogelijk vleermuisvriendelijk aan te leggen (door keuze van specifieke armaturen, lage masthoogten en/of lichtkleur); er bij

evenementen rekening wordt gehouden met vleermuizen door donkere delen van de Grote Dobbe donker te houden en eventuele geluidsinstallaties, indien mogelijk, van de plas af te richten; er geen werkzaamheden in bosplantsoenvakken plaatsvinden in de periode 1 maart tot 1 september vanwege de op veel plaatsen voorkomende kans op bezette nesten van broedvogels; bij kap van vrijstaande bomen in de periode 1 maart tot 1 september eerst wordt gekeken of er een bezet nest in zit; bij werkzaamheden in/op/aan watergangen bezette nesten van vogels zoals Meerkoet worden ontzien; men bij werkzaamheden de verspreiding van Japanse duizendknoop tegengaat. In relatie tot de bosvakken de aanwezigheid van stinzenplanten als Daslook wordt meegenomen in het beheer van deze bosvakken (dus geen versnippering van hout ter plaatse, en andere zaken die leiden tot aantasting van groeiplaatsen). Indien een ontheffing nodig is kan vrijstelling worden verkregen wanneer voldaan kan worden aan de Gedragscode soortenbescherming Gemeenten Stadswerk van de Koninklijke Vereniging Stadswerk. Deze gedragscode is te gebruiken bij bestendig beheer, onderhoud en gebruik en ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Beschermde gebieden Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000.

Het dichstbijzijnde Natura 2000-gebied is "De Wilck" en is gelegen op circa 6,3 kilometer. Dit gebied is niet stikstofgevoelig. Op circa 12 kilometer van het plangebied is het Natura 2000-gebied "Meijendel & Berkheide" gelegen. Op circa 17,5 kilometer van de projectlocatie ligt zowel het Natura 2000-gebied

Centraal Park versie vastgesteld

36/81

"Nieuwkoopse Plassen & De Haeck" als "Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein". Voor het Natura 2000-gebied "Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein geldt dat dit gebied niet stikstofgevoelig is. Met inachtneming van uitspraak ECLI:NL:RVS:2019:1603 van Raad van State d.d. 29 mei 2019, is het Programma Aanpak Stikstofdepositie (PAS) onverbindend verklaard. In het verlengde hiervan heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 20 januari 2022 een herziene rekentool 'Aerius Calculator' beschikbaar gesteld.

Figuur 5.4 Af stand tot Natura 2000-gebieden (uitsnede sy nbiosy s.alterra.nl)

Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland en Groene Hoofdstructuur (GHS). Deze gebieden liggen op zeer grote afstand van het plangebied. De ontwikkelingen binnen het plangebied leiden dan ook niet tot negatieve effecten op deze gebieden. Stik stof Per 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De Wet wijzigt de Wet natuurbescherming middels de toevoeging van een aantal artikelen. Belangrijke onderdelen van de Wet zijn een zo ver mogelijke reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en een partiële vrijstelling voor de bouwsector. Tegelijkertijd ziet de wet toe op het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019. Hiermee wil de overheid invulling geven aan het rechtszekerheidsbeginsel voor bedrijven die op basis van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) te goeder trouw hebben gehandeld. Belangrijk voor nieuwe bouwprojecten is dat in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht is opgenomen voor activiteiten in de bouwsector (de bouwvrijstelling).

Recente jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft uitgewezen dat deze zogenaamde 'bouwvrijstelling' in strijd is met het recht en dus niet meer toegepast mag worden. Daarom is een stikstofonderzoek uitgevoerd voor de bouwfase (aanlegfase) door bureau MHC bv. Het rapport is bijgevoegd als Bijlage 2 Stikstofonderzoek bouwfase. Op basis van een ruime inschatting van de benodigde werktuigen, gebaseerd op een

Centraal Park versie vastgesteld

37/81

gedetailleerde beschrijving van alle (grond-)werkzaamheden, wijst de meest recente Aerius calculator uit dat er geen normen worden overschreden. 5.7.3

Conclusie

Op basis van de condities aangetroffen tijdens het onderzoek Wet natuurbescherming is mogelijk een ontheffing van de Wnb noodzakelijk om de openbare ruimte her in te richten. De definiteve herinrichtinsplannen en uitvoeringsmethode dienen beoordeeld te worden door een ecoloog om te bepalen in hoeverre een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Daarnaast zijn in voorliggend bestemmingsplan geen bouwmogelijkheden opgenomen. Aangezien het project na realisering geen extra verkeersaantrekkende werking met zich brengt zal de gebruiksfase ook stikstofloos zijn. Onderzoek naar de stikstofuitstoot tijdens de gebruiksfase kan achterwege blijven. Het onderzoek naar de stikstofuitstoot tijdens de bouwfase wijst uit dat er geen belemmeringen zijn en dat geen vergunning nodig is op grond van de wet Natuurbescherming. Het stikstofaspect vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

5.8

Strategische milieu-beoordeling

5.8.1

Wet- en regelgeving

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een m.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkeling kan niet gezien worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (figuur 5.5).

f iguur 5.5: relev ant onderdeel D. Activ iteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarv an de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 t/m 7.20 v an de wet v an toepassing is.

De beoogde ontwikkeling valt ook niet onder andere activiteiten die voorkomen op de C-lijst en D-lijst. 5.8.2

Conclusie

De ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt komt niet voor op de C- en/of D-lijst van het Besluit m.e.r. Hierdoor is Besluit m.e.r. niet van toepassing. De aard en omvang van de ontwikkeling is daarnaast van dien aard dat op voorhand geconcludeerd kan worden dat er geen significante negatieve milieueffecten te verwachten zijn die een MER rechtvaardigen.

Centraal Park versie vastgesteld

38/81

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische vormgeving

Inleidende regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels bepalen de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de gronden. De bestemming is zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het plan is opgesteld op basis van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Het bestemmingsplan is primair bedoeld om de beoogde ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk te maken. Het bestemmingsplan betreft dan ook een ontwikkelingsplan. De ruimtelijke en functionele kaders zijn voldoende duidelijk, waardoor gekozen is voor directe bouwtitels 6.1.1

Begrippen

In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 6.1.2

Wijze van meten

In artikel 2 wordt weergegeven hoe de in de regels opgenomen maten van een bouwwerk moeten worden gemeten. 6.2

Bestemmingsregels

6.2.1

Groen

Het Dobbe-eiland is opnieuw bestemd met een Groen-bestemming. De vier nieuw te vormen Dobbe-eilanden krijgen eveneens een Groen-bestemming. Hierop mogen speeltoestellen worden gerealiseerd. Het nieuw gerealiseerde terras van BO&RO dat boven het water hangt is als Groen bestemd met een aanduiding 'horeca'. Ter plaatse van deze aanduiding wordt een terras toegestaan. Aan de Londenstraat lag nog een onbenut bouwvlak voor 'Wonen'. De bestemming 'Wonen' wordt hier geschrapt en vervangen door de bestemming 'Groen'. De bestaande evenementenregeling blijft ongewijzigd. 6.2.2

Horeca

Restaurant Bo&Ro blijft opgenomen met een Horeca-bestemming. De nog onbenutte bouwmogelijkheid voor een nieuw horecagebouw op het Marseillepad wordt geschrapt. 6.2.3

Verkeer-Verblijfsgebied

Voor zowel het Marseillepad als de Markt blijft de bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied ongewijzigd van toepassing. Voor de Markt en omgeving is een evenementenregeling opgenomen, zoals deze al van toepassing is onder het huidig geldende bestemmingsplan. De aanduiding 'markt', die op het Marseillepad ligt, is eveneens ongewijzigd overgenomen uit het huidige bestemmingsplan. Onder een markt wordt een warenmarkt verstaan maar het kan ook een stoffenmarkt of een braderie zijn, waarbij door middel van kraampjes goederen aan de man worden gebracht. Deze markten vallen niet onder de evenementen.

Centraal Park versie vastgesteld

39/81

6.2.4

Water

De Dobbe is opnieuw bestemd voor Water, inclusief de evenementenregeling zoals die ook geldt voor de Markt. Ter plaatse van de nieuw aan te leggen vlonder/rondloop is een aanduiding 'specifieke vorm van water- vlonder' opgenomen op de verbeelding. Ook is het mogelijk om eventueel in het water groenvoorzieningen te realiseren, bijvoorbeeld in de vorm van drijvende eilandjes. 6.2.5

Dubbelbestemmingen

6.2.5.1 Waarde - Archeologie Een deel van het plangebied dat ligt op de oude dorpsterp, valt volgens de kaart Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zuid-Holland in een zone met een zeer grote kans op de aanwezigheid van archeologische sporen. Op grond van de Monumentenwet 1988 is de gemeente verplicht om archeologische waarden te beschermen. Zodoende is voor dat gebied de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" opgenomen. Dit houdt in dat deze grond primair is bestemd voor het behoud en bescherming van aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Daarnaast, secundair, is de grond bestemd voor de andere voorkomende bestemmingen. In de regels is als uitgangspunt opgenomen dat er in principe niet mag worden gebouwd of werken mogen worden uitgevoerd, dan alleen na het verlenen van een omgevingsvergunning door burgemeester en wethouders. Er mag alleen worden gebouwd, of een werk uitgevoerd, als de aanvrager een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden aanvraagt én een nader archeologisch onderzoek overlegt waarin de archeologische waarde van het terrein is vastgesteld. De gemeente beoordeelt een ingediend archeologisch rapport en bepaalt of de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld.

Afhankelijk van de inhoud van het rapport en de conclusies kan de gemeente verschillende vervolgstappen nemen. Deze legt de gemeente vast in een zogenaamd selectiebesluit. Dit kan inhouden dat: bij de voorgenomen werkzaamheden geen rekening behoeft te worden gehouden met archeologische waarden (bijvoorbeeld omdat die er simpelweg niet zijn); het voorgenomen werk niet mag worden uitgevoerd (de vergunning wordt dus geweigerd); het uitvoeren van de werkzaamheden alleen mag plaatsvinden wanneer de uitvoerders zich houden aan bepaalde verplichtingen die de gemeente in de vorm van regels aan de vergunning kan verbinden. Regels die aan een omgevingsvergunning kunnen worden verbonden, zijn opgenomen in artikel 7. Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat er eerst een opgraving moet plaatsvinden voordat er gebouwd mag worden. Dit is afhankelijk van de inhoud van het nader archeologisch onderzoek. De kosten van het archeologisch onderzoek zijn voor rekening van de aanvrager. Dat is een uitvloeisel van het principe in de Monumentenwet 1988 dat de verstoorder betaalt.

Centraal Park versie vastgesteld

40/81

6.2.5.2 Waterstaat - Waterkering De grond die als kade dient rond de Grote Dobbe heeft als dubbelbestemming "Waterstaat Waterkering". De zone is 20 meter diep vanaf het water. Deze bestemming voorziet in de bescherming, de instandhouding en het onderhoud van de waterkeringen en de waterhuishouding. Deze bestemming geldt primair ten opzichte van de daarmee samenvallende bestemmingen. Dat zijn: "Groen", "Horeca" en "Verkeer - Verblijfsgebied". Dit betekent dat bouwwerken in beginsel slechts zijn toegestaan voor zover deze ten dienste staan van de waterkering en de waterhuishouding. Bouwwerken ten behoeve van de samenvallende ondergeschikte bestemmingen zijn slechts toegestaan na ontheffing van burgemeester en wethouders. Voorwaarde hierbij is dat dit niet ten koste gaat van de belangen van de waterkering. Hierover moet vooraf advies worden ingewonnen bij de beheerder van de waterkering. Voor de uitvoering van werken en werkzaamheden wordt verwezen naar de keur van het Hoogheemraadschap Rijnland. 6.3

Algemene regels

6.3.1

Antidubbeltelregel

De antidubbeltelregel is een verplichte regel die voortkomt uit het Besluit ruimtelijke ordening. 6.3.2

Algemene afwijkingsregels

Dit artikel bevat de algemeen gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden. Deze afwijkingsmogelijkheden gelden voor het hele plangebied. 6.4

Overige regels

In dit artikel zijn de algemene bouw- en gebruiksregels opgenomen over parkeernormen overeenkomstig de gemeentelijke parkeernota, zoals deze geldt op het moment van indienen van een aanvraag omgevingsvergunning. 6.5

Overgangs- en slotregels

6.5.1

Overgangsrecht

Deze artikelen regelen de bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in strijd zijn met de met de bouwregels, gebruiksregels of beide. 6.5.2

Slotregel

In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Centraal Park versie vastgesteld

41/81

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1

Financiële uitvoerbaarheid

7.1.1

Grondexploitatie (artikel 6.12 Wro)

Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); 2. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; 3. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijpmaken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. Onderhavige bestemmingsplan voorziet niet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Hierdoor is het opstellen van een exploitatieplan niet van toepassing. 7.1.2

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in deze toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid. De (financiële) uitvoering van het bestemmingsplan vindt volledig plaats via een gemeentelijke gelden. Met de vaststelling van de Visie Centraal Park Zoetermeer op 11 september 2017 is tevens een voorbereidingskrediet beschikbaar gesteld. Daarnaast is er een reservering gemaakt in het Reserve Investeringsfonds (RIF) voor de uitvoering van het plan. Het kredietvoorstel zal in de gemeenteraad goedgekeurd dienen te worden waarmee de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is geborgd. 7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Bestuurlijk vooroverleg Op 15 december 2022 is het voornemen dat een bestemmingsplan wordt voorbereid, kenbaar gemaakt in het digitale Gemeenteblad. Dit is verplicht volgens artikel 1.3.1 Bro. Het voorontwerp bestemmingsplan is op 12 december 2022 op grond van artikel 3.1.1 Bro opgestuurd naar verschillende overheden en instanties. Het plan is verstuurd aan de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap Rijnland, de Veiligheidsregio Haaglanden, Stedin, Gasunie en TenneT. Er zijn reacties ontvangen van de Provincie Zuid-Holland, Gasunie, TenneT en Hoogheemraadschap Rijnland. De reacties luiden allemaal instemmend. Wel heeft Rijnland een aantal tekstuele wijzigingen voorgesteld over het watersysteem, welke zijn verwerkt in de plantoelichting. Tevens zal nog een watervergunning moeten worden aangevraagd voor het dempen van het water.

Centraal Park versie vastgesteld

42/81

De belangen van de instanties zijn niet in het geding. Het ontwerpbestemmingsplan is vervolgens gedurende 6 weken ter inzage gelegd van 10 februari 2023 t/m 23 maart 2023. Gedurende deze periode is er op 20 maart 2023 een zienswijze ingediend door de Ambachtsheer van Zoetermeer, eigenaar van een deel van de Grote Dobbe. Op 20 april 2023 zijn aanvullende gronden ingediend. Na overleg met de indiener van de zienswijze zijn diverse afspraken gemaakt over o.a. aansprakelijkheid en is een toelichtende tekst in de plantoelichting opgenomen over de Ambachtsheerlijkheid Zoetermeer. Hierop is de zienswijze ingetrokken.

Participatie Participatie heeft uitvoerig plaatsgevonden bij het opstellen van de visie Centraal Park Zoetermeer. De visie Centraal Park is opgesteld door een breed samengestelde lokale werkgroep met daarin het CKC, Floravontuur, Storytellers, Stadsmuseum, Bibliotheek, ondernemers, eigenaren, bewoners, kunstenaars en Terra Art Projects. Over de conceptvisie heeft in april 2017 stadsbrede samenspraak plaatsgevonden. De belangrijkste informatie uit het samenspraaktraject is verwerkt in de definitieve versie van de visie Centraal Park Zoetermeer.

Centraal Park versie vastgesteld

43/81

Hoofdstuk 8

Handhaving

Op 9 mei 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota 'Niet alleen Handhaven', Handhavingsbeleid 2011-2014 vastgesteld. Dit beleid ziet onder meer op het handhaven van bestemmingsplannen. Een belangrijk uitgangspunt in dit beleid is de dubbele regelkring. Dit betekent dat er van wordt uitgegaan dat toezicht en handhaving niet alleen wettelijke taken zijn, maar vooral ook instrumenten om beleidsdoelen te realiseren. Voor de handhaving is een prioritering ingevoerd. Daarbij zijn weegfactoren benoemd op basis waarvan de onderwerpen die het belangrijkst worden gevonden, het zwaarst worden gewogen. Fysieke veiligheid geldt als belangrijkste weegfactor. Natuur en duurzaamheid is de minst zware weegfactor. Vervolgens zijn voor de handhaving per taakveld bouwen, milieu en openbare ruimte prioriteiten gesteld. De handhaving van bestemmingsplannen valt onder het taakveld bouwen. Bij elk taakveld is een rangschikking ontstaan van zeer grote risico's naar zaken die nauwelijks risico's in zich herbergen. De prioritering wordt vervolgens in jaarlijkse handhavingsuitvoeringsprogramma's vertaald naar aandachtsgebieden, bijvoorbeeld extra aandacht voor illegale dakopbouwen, dakkapellen of illegaal gebruik. Handhaving kan plaatsvinden via de publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg.

Het college van Burgemeester en Wethouders is bevoegd om met bestuursrechtelijke sancties op te treden tegen overtredingen van regels van bestemmingsplannen. De bestuursrechtelijke sancties bestaan uit de bestuursdwang en het opleggen van last onder dwangsom. Door middel van het privaatrecht kan de gemeente op indirecte wijze het bestemmingsplan handhaven. Dat kan door gebruikmaking van haar bevoegdheden als eigenaar of van contractuele bevoegdheden. De strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. Overtredingen op grond van bestemmingsplanregels vallen met ingang van 13 september 2004 onder de Wet op de economische delicten. Strafrechtelijk optreden is gewenst bij overtredingen waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. De Wet op de economisch delicten biedt verder de mogelijkheid bij het opleggen van de straf rekening te houden met het economisch voordeel dat de overtreder heeft behaald. Ook biedt de wet de mogelijkheid de verplichting op te leggen om op eigen kosten de gevolgen van het delict goed te maken.

Centraal Park versie vastgesteld

44/81

Bijlagen

Centraal Park versie vastgesteld

45/81

Bijlage 1 Wet natuurbescherming onderzoek

Centraal Park versie vastgesteld

46/81

Notitie Opdrachtgever: K. Grit, gemeente Zoetermeer Auteur: Betreft:

G. Bakker Onderzoek beschermde natuurwaarden Projectgebied Centraal Park, Zoetermeer

Projectnummer:

2534

Datum: Status:

12 augustus 2022 DEFINITIEF(v2)

bezoekadres: Natuurhistorisch Museum Rotterdam Westzeedijk 345 3015 AA Rotterdam telefoon: 010 – 266 04 70 e-mail: info@bureaustadsnatuur.nl www.bureaustadsnatuur.nl

Inleiding In het kader van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen (zie: Visie Centraal Park mei 2017) in het projectgebied ‘Centraal Park’ te Zoetermeer (Figuur 1) is Bureau Stadsnatuur door de gemeente Zoetermeer gevraagd om actualiserend onderzoek te doen naar het voorkomen van beschermde soorten en functies daarvoor, in relatie tot het groen en water in het gebied. In het verleden zijn in hetzelfde gebied diverse natuurwaardenonderzoeken in opdracht van gemeente Zoetermeer gedaan en potenties naar voren gekomen (zie Bakker 2007, 2013). Derhalve heeft het onderzoek zich gericht op de soortgroepen die eerder een rol speelden: vogels, vleermuizen, eventuele groeiplaatsen van op basis van gemeentelijk beleid beschermde plantensoorten en invasieve exoten. Voorgenomen werkzaamheden moeten een kwaliteitsimpuls geven aan het groen in het gebied. Dit past in de doelstellingen van het biodiversiteitsbeleid van de Gemeente Zoetermeer. Zie de Bijlage, punt 12, voor een toelichting hierop.

Kader van het onderzoek Het veldonderzoek richt zich op de beschermde flora en fauna uit art. 3.1-3.10 uit de Wet natuurbescherming. In het kort komt dat neer op de beschermde soorten van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn aangevuld met enkele nationaal/provinciaal beschermde soorten. De vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rusten verblijfplaats krijgen hierbij extra aandacht. Het veldonderzoek richt zich ook op de Zoetermeerse ‘Veldgidssoorten’ (zie Vos & Szegedi 2011). In deze veldgids staan een aantal plantensoorten beschreven, die niet strikt beschermd zijn onder de Wnb, maar waarvoor wel een gemeentelijke instandhoudingsdoelstelling geldt.

Doel van het onderzoek Doel van het onderzoek is om inzichtelijk te maken welke beschermde soorten en gebiedsfuncties daarvoor in het plangebied voorkomen, met als doel deze te kunnen ontzien in de planvorming. Mitigerende maatregelen in relatie tot locaties, werkwijze en planning kunnen daaraan bijdragen. Wanneer een beschermde situatie echt niet kan worden ontzien, is mogelijk een ontheffing van verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming nodig. Voorliggende notitie kan daarvoor als basis dienen, voor wat betreft de aantasting van groen en bomen in het gebied. Het onderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van essentiële foerageerplaatsen en vliegroutes van vleermuizen en paarverblijfplaatsen in bomen. Het vleermuisonderzoek is niet gericht op bebouwing. Voor sloop van bebouwing is, afhankelijk van de potenties van die bebouwing, mogelijk aanvullend vleermuisonderzoek nodig. Het onderzoek heeft zich gericht op potenties van het groen voor broedende vogels (en het uitsluiten daarvan) met een specifieke aandacht voor soorten met een jaarrond beschermd nest. Het onderzoek heeft zicht, ten slotte, ook gericht op waardevolle groeiplaatsen van planten, met de Zoetermeerse Veldgidssoorten als leidraad.

bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer

1 / 14

Figuur 1. Begrenzing plangebied Centraal Park met projectie toekomstige inrichting. Nummers verwijzen naar deelgebieden, zie hoofdtekst (bron: gemeente Zoetermeer).

Beschrijving plangebied: huidige situatie en toekomstige situatie Centraal in het plangebied ligt de Grote Dobbe (deelgebied 4), een gegraven vijver die ook in de toekomst als zodanig blijft bestaan. De oevers worden anders ingericht, waarbij vergroening centraal staat. Rondom bevindt zich een ruime hoeveelheid bebouwing. Het gebied wordt, afgezien van bosschages, groenstroken en particuliere tuinen, intensief doorsneden door voet- en fietspaden en in bestrating. Het gebied, gelegen in het hart van Zoetermeer, wordt intensief betreden door mensen. Vrijwel overal in het gebied is de openbare ruimte in beheer van de gemeente, wat betekent dat er periodiek gemaaid wordt en watergangen worden geschoond. Deelgebied 1 en 2 bestaat momenteel geheel uit verharding met bomen in boomspiegels, deelgebied 3 en 6 bestaan vooral uit gazons met verspreid aangeplante bomen. De bosplantsoenen in deelgebied 4, 5 en 7 (en 8, buiten dit onderzoek) kennen een extensiever beheer, wat meer perspectief biedt voor het voorkomen van een groter aantal soorten planten en dieren. Voor de plannen per deelgebied wordt verwezen naar de Visie Centraal Park van mei 2017.

Methodiek Verkenning potenties: quick scan De focus ligt op uitsluitend het groen en water in de deelgebieden 1, 3, 4, 5, 6 en 7. Mogelijk zijn er de laatste jaren veranderingen opgetreden in het plangebied, waardoor er leefgebied is ontstaan voor beschermde soorten. In een verkennend bezoek zijn deze potenties, of het ontbreken ervan, per deelgebied gedocumenteerd. Eventuele groeiplaatsen van beschermde plantensoorten uit de Veldgids (bijv. Rietorchis) zijn gedurende dit bezoek genoteerd, alsmede boomholtes die een potentieel geschikte verblijfplaats zouden kunnen vormen voor vogels of vleermuizen. Daarnaast is gelet op potentieel leefgebied van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. De gebiedsverkenning is uitgevoerd in de avond van 3 september 2022.

bSR-notitie 2534 – Wnb-onderzoek Centraal Park Zoetermeer

2 / 14

Opzet Vleermuisonderzoek De focus ligt op uitsluitend het groen en water in de deelgebieden 1, 3, 4, 5, 6 en 7. Dat de Grote Dobbe (deelgebied 4) wordt gebruikt als foerageergebied door vleermuizen is eerder aangetoond. Omdat deze gegevens verouderd zijn is deze functionaliteit opnieuw onderzocht en is daarnaast gelet op eventuele vaste vliegroutes. Er zijn drie bezoeken gebracht; twee in het najaar, op 3 september en 30 september 2021 en één in het voorjaar, op 27 juni 2022, gericht op het vastleggen van essentiële foerageerplaatsen en vliegroutes van vleermuizen naar deelgebied 4. Bezoeken zijn wat betreft planning, timing en wijze van uitvoering verricht conform richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2021 (NGB, VZZ & GaN 2020). De inventarisaties hebben zich gericht op de functie van het groen en het water en niet van bebouwing. De vleermuisinventarisaties zijn door één of twee ecologen uitgevoerd met behulp van heterodyne batdetectors met opnamefunctie (Pettersson D240x), een batlogger opnameapparaat (Elekon Batlogger M) en warmtebeeldcamera (Pulsar Helion XP28). Bij ieder bezoek zijn alle waargenomen vleermuizen vastgelegd met bijbehorende GPS-locatie. Waar mogelijk zijn gegevens over de soort en het gedrag genoteerd. De data en weersomstandigheden staan in Tabel 1. Tabel 1. Datum, weersomstandigheden en tijdsperiode per veldbezoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=c14766da-37b3-4202-a7fa-636759c24f5c