Bijlage 1 - Perspectiefnota 2023
Tekst van het document
Perspectiefnota 2023
2
Inhoudsopgave Inhoudsopgave .................................................................................................................................................................................................................................. 3 Inleiding ............................................................................................................................................................................................................................................. 5 Schets op hoofdlijnen van ontwikkelingen ......................................................................................................................................................................................... 7 Financieel perspectief ...................................................................................................................................................................................................................... 10 Toelichting per programma .............................................................................................................................................................................................................. 20 Programma 1.
Onderwijs, economie en arbeidsparticipatie ............................................................................................................................................................ 21 Programma 2. Samen leven en ondersteunen ................................................................................................................................................................................ 30 Programma 3. Leefbaarheid, duurzaam en groen .......................................................................................................................................................................... 39 Programma 4. Vrije tijd .................................................................................................................................................................................................................... 47 Programma 5. Veiligheid ................................................................................................................................................................................................................. 50 Programma 6. Dienstverlening en participatie ................................................................................................................................................................................ 54 Programma 7.
Inrichting van de stad .............................................................................................................................................................................................. 58 Overzicht Overhead ......................................................................................................................................................................................................................... 63 Overzicht Algemene Dekkingsmiddelen en onvoorzien .................................................................................................................................................................. 68 Bijlagen ............................................................................................................................................................................................................................................ 79 Bijlage 1.
Toelichting loon- en prijsstijging .............................................................................................................................................................................. 80
3
Bijlage 2.
Samenvatting Eerste Tussenbericht 2022............................................................................................................................................................... 82
Bijlage 3.
Resultaatbestemming jaarrekening 2021 ................................................................................................................................................................ 84
Bijlage 4.
Monitor Ombuigen en vernieuwen ........................................................................................................................................................................... 94
Bijlage 5.
Totaaloverzicht financiële ontwikkelingen ............................................................................................................................................................. 105
4
Inleiding De Perspectiefnota 2023 (PN) schetst op hoofdlijnen het financieel perspectief voor 2023 en de volgende jaren. Ook worden de afwijkingen over het lopende begrotingsjaar 2022 in de PN opgenomen: het Eerste Tussenbericht. Er is sprake van een bijzondere situatie vanwege het verkiezingsjaar. Op dit moment is het collegeprogramma met het beleidsperspectief voor de komende jaren nog niet bekend. Het zwaartepunt van de perspectiefnota ligt daarom dit jaar op het financiële beeld, waarin de (financiële) gevolgen van het nieuwe regeerakkoord voor een deel zijn verwerkt. Het gaat met name om de financiële gevolgen van niet te beïnvloeden onderwerpen. Het huidige college doet geen voorstellen voor beleidsintensiveringen en dekking. Beide thema's passen beter bij de rol en verantwoordelijkheid van het volgend college. Voorstellen voor het nieuwe beleid voor de komende jaren komen tot uiting in het collegeprogramma. De (financiële) gevolgen van het nieuwe regeerakkoord zijn wat betreft de veranderingen in de accresontwikkeling van het gemeentefonds verwerkt. De specifieke thema’s uit het regeerakkoord (zoals volkshuisvesting, woningbouw en energietransactie) zijn, in afwachting van nadere uitwerking en duiding van de voorstellen in het regeerakkoord nog niet vertaald; noch budgettair noch inhoudelijk.
In deze perspectiefnota is de groei van de algemene uitkering en de OZB naar aanleiding van de volumeontwikkeling door groei van woningen (en daarvan afgeleid inwoners) op basis van de gegevens uit de woningbouwmonitor en het programma Entree globaal geduid. De verwachte groei van inkomsten/algemene uitkering is budgettair neutraal verwerkt: de helft van de extra inkomsten wordt gestort in de Reserve investeringsfonds, de andere helft wordt gereserveerd op een stelpost in afwachting van ’claims’ voor volumeontwikkelingen om voor meer inwoners hetzelfde voorzieningenniveau in de stad mogelijk te maken. De Perspectiefnota 2023 vormt samen met het collegeprogramma de input voor het voorjaarsdebat. De inhoudelijke voorstellen in het collegeprogramma en het financieel perspectief opgenomen in de Perspectiefnota 2023 bieden de raad handvatten om in het voorjaarsdebat nader richting te geven voor de komende jaren. Ook kan de raad aandacht voor specifieke onderwerpen vragen. De uitkomsten van het voorjaarsdebat zijn de basis voor de Programmabegroting 2023 – 2026, waarover tijdens het begrotingsdebat in november 2022 besluitvorming plaatsvindt.
Meicirculaire De voorschriften van de provinciaal toezichthouder geven aan, dat de gevolgen van de meicirculaire worden betrokken in de Programmabegroting 2023-2026. De gevolgen van de aanstaande meicirculaire zijn niet in de Perspectiefnota 2023 verwerkt. Op dit moment is nog geen betrouwbare inschatting te geven over de gevolgen van deze circulaire voor onze gemeente. Zo snel als mogelijk na het verschijnen van de meicirculaire wordt de raad in een afzonderlijk memo op hoofdlijn over de financiële uitkomst van de meicirculaire voor het voorjaarsdebat geïnformeerd. Na het zomerreces wordt een nadere duiding van de gevolgen van de meicirculaire gegeven.
Leeswijzer Na de inleiding volgt een schets op hoofdlijnen van ontwikkelingen. Daarna volgt het financieel perspectief voor de komende jaren. Ook wordt ingegaan op de ontwikkeling van de reserves (Reserve investeringsfonds 2030/Rif, Fonds Zoetermeer 2040 en Reserve vrij inzetbaar). 5
In aansluiting daarop wordt per programma en daarbinnen op postniveau, een toelichting op de ontwikkeling van met name het financieel perspectief gegeven. In principe kent elk programma de volgende inrichting. Allereerst wordt schematisch de doelenboom getoond met op het hoogste niveau het te bereiken maatschappelijk effect. Daaronder volgen de te realiseren doelen en de effectindicatoren (= meetfactoren). Ten tweede wordt een tabel getoond met onderwerpen (op postniveau) met daaronder een korte toelichting op de financiële en inhoudelijke gevolgen voor het Financieel perspectief met een indeling in: • • • •
1a financiële ontwikkelingen bestaand beleid (mee- en tegenvallers). Naast de leereffecten jaarrekening 2021 gaat het om afwijkingen van het lopend begrotingsjaar; 1b financiële afwijkingen als gevolg van COVID-19; 2 onvermijdelijke ontwikkelingen die buiten de invloedsfeer van de gemeente liggen waaronder de gevolgen van het regeerakkoord en eventueel te besluiten Bestuursakkoord tussen kabinet en VNG; 3 afwijkingen in de realisatie van bezuinigingsmaatregelen ombuigen en vernieuwen (bezuinigingsmonitor).
Het financieel totaaloverzicht van de afwijkingen over het jaar 2022 is in bijlage 2 Samenvatting Eerste Tussenbericht 2022 samengevat. Het uiteindelijke saldo geeft aan wat de financiële gevolgen zijn voor het betreffende programma ten opzichte van de Programmabegroting 2022-2025. Dit wordt weergegeven als de totale wijziging saldo programma: een min - teken betekent dus een verslechtering van het saldo. Als van toepassing worden aan het eind van een programma ook de nieuwe strategische risico’s vermeld. Tot slot worden afwijkingen in investeringen en voorzieningen gemeld.
Bijlagen De volgende bijlagen zijn bijgevoegd: 1. 2. 3. 4. 5.
Toelichting loon- en prijsstijging Samenvatting Eerste Tussenbericht 2022 Resultaatbestemming jaarrekening 2021 Monitor Ombuigen en vernieuwen Totaaloverzicht financiële ontwikkelingen (specificaties financiële ontwikkelingen bestaand beleid, financiële afwijkingen als gevolg van COVID-19, onvermijdelijke ontwikkelingen en afwijkingen maatregelen ombuigen en vernieuwen)
6
Schets op hoofdlijnen van ontwikkelingen Karakter Perspectiefnota 2023: zonder beleid en met aandacht voor ontwikkeling in financiële verhoudingen rijk-gemeenten In maart 2022 waren de verkiezingen voor de gemeenteraad. De voorbereiding van een nieuwe coalitie en inhoudelijk programma voor de komende raadsperiode is in volle gang. Dit betekent dat in deze Perspectiefnota 2023 anders dan gebruikelijk, geen voorstellen van nieuw beleid of aanpassing in beleid worden gepresenteerd. Dat betekent niet dat daarmee het financieel beeld van de begroting ook stil staat. Integendeel. In de eerste plaats geeft de uitvoering van de lopende begroting 2022, de leereffecten uit de jaarrekening 2021 en volume - of onvermijdelijke ontwikkelingen aanleiding tot het bijstellen van budgetten. Zowel naar boven als naar beneden. Bijstellingen waaraan geen inhoudelijke beleidsveranderingen ten grondslag liggen. In de tweede plaats heeft het aantreden van het kabinet Rutte IV en de plannen in het op 15 december 2021 gepresenteerde regeerakkoord (grote) financiële gevolgen voor de gemeentebegroting.
Financieel perspectief op hoofdlijn, exploitatie Onderstaande tabel geeft op hoofdlijn de verandering in het financieel perspectief (ten opzichte van de Programmabegroting 2022 en bij ongewijzigd beleid) weer.
Het meerjarenperspectief van de begroting verbetert ten opzichte van de Programmabegroting 2022-2025 aanzienlijk. In de Programmabegroting 2022-2025 is vanaf 2023 sprake van een tekort van € 12 mln. per jaar. In het nieuwe financieel perspectief slaat dit negatieve saldo voor de jaren 2023-2025 om in overschotten (exclusief nieuw beleid). Die verbetering wordt volledig veroorzaakt door de maatregelen in het regeerakkoord. Het nieuwe kabinet heeft in het regeerakkoord fors meer uitgaven aangekondigd, die doorwerken naar een hoger accres voor het gemeentefonds. Daarnaast heeft het kabinet besloten om de stijging van de opschalingskorting tot en met 2025 te bevriezen op het niveau van 2021. Tenslotte zijn er middelen in de rijksbegroting gereserveerd om gemeenten – deels – te compenseren voor de gestegen kosten van de jeugdzorg. Vanaf 2026 verslechtert het financieel perspectief, omdat het kabinet de methodiek van de accresontwikkeling volgens ‘trap op, trap af’ vanaf 2026 niet heeft toegepast. En omdat de opschalingskorting vanaf 2026 weer herleeft. De combinatie van beide leidt tot een verlaging van de algemene uitkering 2026 ten opzichte van 2025 met bijna € 15 mln. structureel per jaar. Deze terugval in rijksinkomsten wordt ook wel geduid als het ‘financieel ravijn’, waarmee de gemeenten worden geconfronteerd.
Door deze terugval in inkomsten vertoont het meerjarenperspectief onder de huidige omstandigheden vanaf 2026 een structureel begrotingstekort. Omdat het 7
begrotingssaldo voor de eerste jaren nog positief is, heeft het nu gepresenteerde tekort vanaf 2026 nog geen directe gevolgen voor het oordeel van de provincie in kader van het begrotingstoezicht. De VNG en veel gemeenten hebben het vraagstuk van het ‘financieel ravijn’ bij het kabinet en de Tweede Kamer onder de aandacht gebracht. Het is op dit moment nog niet duidelijk of en in hoeverre die signalen gehoor vinden en al dan niet tot aanvullende besluiten van het kabinet leiden. Financieel perspectief op hoofdlijn, reservepositie De reservepositie van de gemeente is onverminderd sterk. De Reserve Investeringsfonds en de Reserve Fonds Zoetermeer 2040 bieden ruimte om plannen (die om incidenteel budget vragen) van dekking te voorzien.
Dilemma’s met betrekking tot het begrotingsbeeld Vergoeding jeugdzorg In de vorige programmabegroting is als grootste dilemma de onzekerheid over de kostenvergoeding jeugdzorg aangehaald. Die onzekerheid is voor een deel weggenomen met de uitspraak van de arbitragecommissie en het gevolg, dat het kabinet daaraan heeft gegeven in de rijksbegroting door voor compensatie aan gemeenten, budgetten op te nemen. Dat betekent niet, dat het vraagstuk helemaal van tafel is. De vergoeding die het rijk in het vooruitzicht stelt, gaat er vanuit dat de kostenbesparingen die door de zogenoemde commissie van Wijzen zijn onderkend in de Hervormingsagenda jeugd ook daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd. Het onderzoek naar de inhoudelijke - en financiële haalbaarheid van voorstellen in de Hervormingsagenda zijn echter nog niet afgerond. En het overleg daarover vraagt, mede als gevolg van de kabinetsvoornemens tot extra maatregelen voor de kostenbeheersing Jeugd tot een bedrag van € 500 mln., meer doorlooptijd dan eerder gepland. Het financieel perspectief in deze perspectiefnota gaat er vanuit, dat de extra maatregelen gericht op kostenverlaging van € 500 mln. geen nadelig budgettair effect hebben voor de gemeentebegroting.
Daarnaast wordt als vertrekpunt gehanteerd, dat als de maatregelen van de Hervormingsagenda landelijk op haalbaarheid zijn getoetst, de gemeente Zoetermeer daaraan haar evenredig aandeel kan leveren. In budgettaire zin is dit aandeel in de besparingen al in de begroting verwerkt vanuit de taakstellingen uit het programma Ombuigen en Vernieuwen. Het restant bedrag vanuit Ombuigen en Vernieuwen is op korte termijn (2023-2025) wel enige miljoenen hoger dan het besparingspotentieel, dat is opgenomen in de Hervormingsagenda. Anders gezegd: het lijkt een forse uitdaging om de in de programmabegroting opgenomen maatregelen op deze korte termijn te kunnen realiseren. Kostenontwikkeling jeugdzorg en Wmo De kostenontwikkeling van de jeugdzorg en Wmo vragen onverminderd aandacht. Bij de jeugdzorg is de neerwaartse lijn nog niet ingezet. Hoewel in feitelijk gebruik een zekere stabilisatie lijkt op te treden, stijgen de gemiddelde kosten per cliënt en/of traject nog steeds. Bij de Wmo is door de veroudering van de gemiddelde leeftijd en de aanzuigende werking ook nog sprake van oplopende kosten. Voor de stijging van kosten van veroudering is in de meerjarenbegroting, net als in de vorige meerjarenbegroting, rekening gehouden met een groei aan kosten van € 0,8 mln. per jaar.
Mogelijk dat die stijging kan worden getemperd door de kabinetsmaatregelen op gebied van het beperken van de aanzuigende werking. In afwachting van de concrete uitwerking van kabinetsplannen op dit punt, is hier in het financieel perspectief nog niet op vooruitgelopen. Coronaherstelplan De situatie van COVID-19 is met het aflopen van de pandemie en het daarop afnemen/beëindigen van de door het rijk voorgeschreven maatregelen in een andere fase aangekomen. Met meer aandacht op de herstelfase na afloop van COVID-19 in plaats op aandacht voor directe gevolgen ervan. Medio 2021 is 8
de raad geïnformeerd over het coronaherstelplan. De uitvoering van dat plan is in gang. Door de rijksvergoeding, die is ontvangen voor de directe gevolgen van COVID-19, is het budget dat daarvoor in de begroting 2021 nog beschikbaar was (€ 4,7 mln.) slechts voor een klein deel aangesproken. De financiële reservering binnen de Reserve vrij inzetbaar van € 2,5 mln. wordt in het geheel niet aangesproken. In het bestemmingsvoorstel van het rekeningresultaat (bijlage 3) wordt voorgesteld beide (restant) bedragen voor 2022 nog beschikbaar te houden. En in de loop van 2022 te bezien of een aframing of andere inzet daarvan wenselijk is. Vertaling regeerakkoord In deze perspectiefnota zijn de financiële gevolgen van het regeerakkoord alleen op hoofdlijn geduid. Met name op de onderdelen, die de omvang van de algemene uitkering van de gemeente raken. In het regeerakkoord zijn ook inhoudelijke plannen opgenomen, die direct of indirect een effect (kunnen) hebben op de taken en kosten van gemeenten. Denk hierbij aan impulsen op gebied van volkshuisvesting, woningbouw en energietransactie. Daarnaast bestaan ook de plannen rond de al aangehaalde aanzuigende werking bij de Wmo. De uitwerking van die kabinetsplannen zijn nog niet ver genoeg gevorderd om de gevolgen daarvan in deze perspectiefnota te kunnen meenemen.
Wel lijkt duidelijk dat bij de investeringsplannen van het kabinet op gebied van wonen en energie een beroep op gemeente wordt gedaan en dat het rijk voor dat beroep middelen beschikbaar wil stellen. Maar niet kostendekkend: middelen in de vorm van co-financiering. Dit betekent dat inzetten op die plannen van de gemeente een financiële bijdrage uit haar incidentele of structurele middelen vraagt.
9
Financieel perspectief Inleiding Het financieel perspectief schetst de ontwikkelingen in de exploitatie van de begroting 2022, meerjarenbegroting 2023-2026 en de reserves. Er wordt gestart met algemene financiële uitgangspunten voor de loon- en prijsstijgingen en het Eerste Tussenbericht. Vervolgens wordt het financieel perspectief op hoofdlijnen gepresenteerd. Daarna komt het vertrekpunt voor het nog op te stellen dekkingsplan van de meerjarenbegroting aan de orde. Daarbij wordt – in hoofdlijn – ingegaan op de financiële verhouding (de financiële relatie tussen rijk en gemeente) en de ontwikkelingen over de kostenvergoeding in het sociaal domein. In aansluiting daarop komen de ontwikkelingen in de Reserve Investeringsfonds, Reserve Fonds Zoetermeer 2040 en de Reserve vrij inzetbaar aan bod. Daarbij wordt ook de relatie gelegd met het resultaat van de Jaarrekening 2021 en het voorstel tot bestemming daarvan.
Algemene financiële uitgangspunten Loon- en prijsstijging De gevolgen voor loon- en prijsstijging ten opzichte van de begroting 2022 worden als volgt in de programma’s van de begroting 2023 verwerkt.
Bijlage 1 geeft de toelichting op de onderbouwing van de percentages. Op basis van de gegevens van het Centraal Planbureau van maart 2022 (CEP) loopt de inflatie ten opzichte van de situatie van september jl. verder op. De algemene prijsontwikkeling voor 2022 stijgt ten opzichte van de vastgestelde begroting met 2,5%. Naast de algemene prijsontwikkeling is het evident, dat op aantal specifieke onderdelen sprake is van een veel forsere prijsstijging dan het algemene prijsstijgingspercentage. Met name de kosten van energie en bouw lopen hard op. Onzeker hierbij is wat de duur van deze bovenmatige prijsstijging is. Het onderzoek naar de meerkosten en een scenario tot de lengte daarvan in de tijd is nog onderhanden werk. Zie ook het Overzicht Algemene Dekkingsmiddelen (OAD). Eerste Tussenbericht 2022 De komende programmabegroting heeft betrekking op 2023 – 2026. De afwijkingen over het lopend jaar 2022 maken daarvan geen onderdeel uit, maar beïnvloeden wel de financiële positie. Een verandering van het voor 2022 verwachte resultaat werkt – als er onvoldoende dekkingsmogelijkheden zijn – door naar een lager of groter beroep op de reserve vrij inzetbaar. Daarnaast kunnen de afwijkingen van 2022 ook een doorwerking hebben naar 2023 en mogelijk latere jaren. De afwijkingen van de begroting 2022 (€ 4,13 mln.) vormen feitelijk het Eerste Tussenbericht 2022. 10
Bijlage 2 toont een financiële samenvatting van het Eerste Tussenbericht 2022 (TB1).
Financieel perspectief Onderstaande tabel toont het financieel perspectief op hoofdlijn. Tabel 3.1 Samenvatting financieel perspectief op hoofdlijn
Financiële vertreksituatie (regel c) In november 2021 is de meerjarenbegroting 2022-2025 vastgesteld met een financieel perspectief van € 1,037 mln. positief in 2022. De jaren 2023 en verder vertonen in de MJB 2022-2025 negatieve saldi tussen € 11 mln. en ruim € 12 mln. Raadsbesluiten tot en met februari 2022 (regel d) Na de vaststelling van de programmabegroting in november 2021 zijn een aantal raadsbesluiten met een beroep op het begrotingssaldo genomen waaronder het verlengen van de tijdelijke budgetten uit het Coalitieakkoord 2018 (BOA’s, museale functie, jongerenwerk en wijkrestaurants). Financiële ontwikkelingen bestaand beleid (regel e) Uit de analyse van de jaarrekening 2021 en het Eerste tussenbericht 2022 komen afwijkingen in de uitvoering van de begroting naar voren. Deze afwijkingen hebben deels een meerjarig karakter. In de toelichtingen per programma zijn de verschillen op postniveau toegelicht. Een totaaloverzicht van posten is opgenomen in bijlage 5. Financiële afwijkingen als gevolg van COVID-19 (regel f) In 2022 is sprake van een aantal kosten en opbrengsten, die rechtstreeks verband houden met COVID-19. Ofwel onvermijdelijke meerkosten/minder 11
inkomsten danwel als gevolg van specifieke beleidsmaatregelen. Voor een deel staat hier een afzonderlijke rijksvergoeding tegenover. Deze posten worden eveneens per programma toegelicht. Zie voor het totaaloverzicht bijlage 5. Onvermijdelijke ontwikkelingen (regel g) De afwijkingen in de categorie onvermijdelijke ontwikkelingen liggen buiten de invloedsfeer van de gemeente. Verreweg de meeste hiervan hebben betrekking op de ontwikkelingen in de financiële verhouding tussen rijk en gemeenten: € 22,4 mln. in 2023 oplopend naar € 25,8 mln. in 2025. Vanaf 2026 daalt dat effect naar ruim € 10 mln. Het positieve effect wordt veroorzaakt door de bestedingsimpulsen door de kabinetten Rutte-III (Miljoenennota 2022, Septembercirculaire 2021) en Rutte-IV (regeerakkoord), waardoor het accres in het gemeentefonds fors toeneemt. Daarnaast heeft het opschorten van de stijging van de opschalingskorting een tijdelijk positief effect in de jaren 2023-2025. Tegenover de hogere algemene uitkering staan ook hogere kosten voor loon-, prijs- en volumeontwikkelingen. In het financieel perspectief is ook het nadelig effect van de herijking van het gemeentefonds meegenomen. Zie voor het totaaloverzicht bijlage 5. Afwijkingen Ombuigen en vernieuwen (regel h) De monitor Ombuigen en vernieuwen (zie bijlage 4) toont een vertraging in de realisatie van de maatregelen.
De verwachting is dat de financiële doelstellingen voor 2022 niet volledig worden gerealiseerd. De oploop vanaf 2025 wordt veroorzaakt door de uitkomst van het referendum over de afvalscheiding.
Dekkingsplan Uit de tabel 3.1 Financieel perspectief op hoofdlijn komt naar voren dat – zonder rekening te houden met de mogelijke financiële gevolgen van het nieuwe coalitieakkoord - er in de jaren 2023-2025 geen begrotingstekort is. Er is sprake een tussenstand. Want vanaf 2026 is er wel een begrotingstekort, dat ook oploopt in de tijd. Het tekort 2026 wordt vooral veroorzaakt door de terugval in de algemene uitkering. De forse terugval in algemene uitkering (eerder aangeduid als ‘het ravijn’) speelt in alle gemeenten. Het is dan ook niet voor niets, dat de tijdelijke bevriezing van de opschalingskorting en de onduidelijkheid van 'de trap op trap af' systematiek hoog op de bestuurlijke agenda staan van het overleg tussen VNG en het kabinet. Daarnaast speelt ook het vervolg van de Hervormingsagenda Jeugd: niet alleen inhoudelijk maar ook qua financiële gevolgen. Tot slot geldt, dat de herijking van het gemeentefonds ingaat op 1 januari 2023. Het is de bedoeling dat de eerstvolgende herijking al heel snel plaatsvindt: binnen drie jaar. Met een ingangsdatum van 1 januari 2026. Kortom, er is de facto veel duidelijk voor de korte termijn, maar des te minder voor de periode vanaf 2026. Onderstaande tabel geeft het begrotingssaldo met een onderscheid in incidenteel en structureel. Dit onderscheid is van belang in kader van het provinciaal begrotingstoezicht.
12
Duiding begrotingstekort in relatie tot provinciaal toezicht Het jaar 2026 is in de beoordeling van de provincie alleen van belang, indien het eerste jaar van de begroting – in casu 2023 – niet materieel sluitend is. Oftewel, als de structurele lasten in 2023 lager zijn dan de structurele baten, dan wordt het laatste jaar (2026) niet in de beoordeling meegenomen. De provincie kijkt er wel met een schuin oog naar en maakt er mogelijk ook een opmerking over, maar het is geen reden om de gemeenten een andere vorm dan repressief toezicht te verlenen. Indien het jaar 2023 niet materieel sluitend is, ontstaat een andere situatie en dringt de provincie bij de raad eerder aan om tot maatregelen te komen die leiden tot een sluitende begroting. Gegeven de situatie dat het gepresenteerde positieve begrotingssaldo 2023 voor verreweg het grootste deel – in termen van de provincie – bestaat uit een positief saldo tussen structurele baten en lasten is er, zelfs bij enige mate van aanvullend budget voor nieuw beleid, vanuit provinciaal toezicht geen reden tot opmerkingen. Vanzelfsprekend werkt iedere euro structureel nieuw beleid wel door naar een groter begrotingstekort vanaf 2026. Voor dat begrotingstekort moet in de loop van deze collegeperiode een oplossing worden gevonden.
Een oplossing die bij voorkeur vooraf wordt gegaan door duidelijkheid over de ontwikkeling van de omvang van het gemeentefonds. Dekkingsplan 2026 Het huidige college doet geen voorstellen voor dekking vanaf 2026. Net zo min als zij voorstellen doet voor beleidsintensivering. Beide thema’s passen beter bij de rol en verantwoordelijkheid van het volgend college.
Ontwikkelingen reserves Reserve Investeringsfonds 2030 Onderstaande tabel presenteert de stand en het verwachte verloop van de Reserve Investeringsfonds 2030 (Rif). Deze reserve speelt een belangrijke rol in de dekking van kosten verbonden aan de woningbouwprojecten in de stad (voorheen schaalsprong).
13
14
De Rif toont op eindbasis (2030) nog een bestedingsruimte van € 32,2 mln. Als rekening wordt gehouden met de nog te realiseren winstafdrachten uit grondexploitaties en de deelneming Hoefweg is de bestedingsruimte € 57,9 mln. Hieronder volgt een toelichting op de belangrijkste posten in de tabel. A vermeldt de beginstand van het lopend jaar inclusief de gevolgen van de winstafdracht uit grondexploitaties uit de jaarrekening 2021. Onder A1 zijn de financiële gevolgen van raadsbesluiten met een beroep op de Rif opgenomen. A2 geeft de reserveringen voor het Centraal Park in de Rif uit eerdere raadsbesluiten weer. Opgemerkt wordt dat hierin nog geen rekening is gehouden met de gevolgen van de oplopende inflatie. De genoemde bedragen zijn in het prijspeil 2022. In het op te stellen voorstel over het Centraal park wordt het effect van de inflatie zichtbaar gemaakt. B presenteert de beleidsvoorstellen in voorbereiding. B1 en B2 bevatten de voorstellen tot herfasering van eerder beschikbaar gestelde budgetten uit 2021 naar 2022. Deze worden in het resultaatbestemmingsvoorstel op hoofdlijn in bijlage 3 toegelicht. Onder 3a is een bijdrage van € 47.000 in 2022 oplopend tot ruim € 1,2 mln. in 2026 vanuit Overzicht Algemene Dekkingsmiddelen opgenomen.
Die bijdrage bestaat uit een deel van de extra inkomsten uit OZB en algemene uitkeringen op basis van de geraamde toename van het aantal woningen. Een onderbouwing van de geraamde storting is opgenomen onder OAD. Onder 3b is een aanwending van € 114.000 in 2022 oplopend tot € 235.000 vanaf 2024 opgenomen voor de extra beheerlasten in het openbaar gebied voor de uitbreiding van openbaar gebied. Door de aanleg van deze nieuwe wijken is sprake van een uitbreiding van het te onderhouden areaal en van het aantal woningen. Op programma 3 zijn de kosten nader toegelicht. Vanwege het oorzakelijk verband tussen extra onderhoud en extra woningen is een beroep voor dekking van deze kosten uit de extra inkomsten OZB/gemeentefonds logisch. Om financieel technische redenen en omwille van de transparantie in besluitvorming verloopt de eerste aanwending van de dekking voor deze kosten via een structurele aanwending van de Rif. In latere jaren wordt deze aanwending verrekend met de storting aan de Rif vanuit OAD. 3c geeft een raming van de bestemming van een deel van het rekeningresultaat. Het rekeningsresultaat is € 15,312 mln. positief. Hiervan wordt € 5,738 mln. benut voor budgetoverhevelingen en specifieke bestemmingsvoorstellen, zodat een nog te bestemmen bedrag resulteert van € 9,574 mln. Het voorstel is hiervan 50% te storten in de Rif conform het geldende beleid.
C2 betreft het positieve saldo van de Gemeenschappelijke regeling Hoefweg. Dit bedrag is gelijk aan de verwachting van vorig jaar. Wel wordt de feitelijke afdracht van dat resultaat niet eerder verwacht dan 2025 (i.p.v. 2022).
15
Fonds Zoetermeer 2040 Onderstaande tabel toont de standen het verloop van de Reserve Fonds Zoetermeer 2040.
Deze reserve is in 2021 gevormd uit de verkoopopbrengsten van de aandelen Eneco. Onder 4 komt de besluitvorming van november 2021/januari 2022 tot uitdrukking. In het begrotingsdebat van november 2021 heeft de raad besloten € 15 mln. te reserveren, waarvoor de raad voorafgaand aan de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2022 een bestemming kon geven. Van dat bedrag zijn voor een aantal onderwerpen inmiddels besluiten tot het beschikbaar stellen van budget genomen. Ten opzichte van het bedrag van € 15 mln. resteert er nog een te bestemmen bedrag van € 2,869 mln. (zie 5). Naast dit nog te bestemmen bedrag resteert nog € 58,235 mln.
16
Reserve vrij inzetbaar Onderstaande tabel geeft de stand en het verloop van de Reserve vrij inzetbaar weer.
De reserve vormt de weerstandscapaciteit van de gemeente. De reserve moet de ruimte hebben om de financiële gevolgen van eventuele tijdelijke financiële tegenvallers en risico’s op te vangen. In de stand van de reserves is rekening gehouden met: - rekeningresultaat van 2021; - resultaatbestemmingsvoorstel 2021 (zie tabel punt B1); - verwachte begrotingsresultaten 2022 en 2023 (zie tabel punten B2 en B3). De reserve vrij inzetbaar moet dekking bieden voor: - het verwachte (negatieve of positieve) rekeningresultaat van het lopende begrotingsjaar 2022 (inclusief voorstellen Perspectiefnota/Eerste Tussenbericht) 17
en - de financiële risico’s bestaande uit: - de financiële vertaling van de benoemde risico’s zoals opgenomen in de paragraaf Weerstandsvermogen in de Jaarrekening 2021 en - 4% van het begrotingstotaal (exclusief grondexploitaties) voor eventueel niet onderkende risico’s. Rekeningresultaat 2021 Het rekeningsresultaat 2021 is € 15,312 mln. positief. Dat is veel beter dan eerder verwacht. In plaats van een aanwending van de Reserve vrij inzetbaar voor een tekort, vindt met het vaststellen van resultaat een storting plaats. Budgetoverhevelingen en resultaatbestemming In het resultaatbestemmingsvoorstel wordt voor € 5,738 mln. aan budgetten overgeheveld/bestemd voor 2022. Dit betreft activiteiten die in 2021 niet zijn/konden worden uitgevoerd, maar die wel noodzakelijk zijn. Zie bijlage 3 voor een globale toelichting. Van het restant rekeningresultaat van € 9,574 mln. wordt voorgesteld 50% over te hevelen naar de reserve investeringsfonds: € 4,787 mln. Begrotingssaldo 2022 en 2023 De verwachte uitkomst van het financieel perspectief 2022 vanuit het Eerste Tussenbericht (TB1) van € 4,13 mln. positief is zichtbaar onder post B2c. Uit de Perspectiefnota 2023 blijkt dat voor het jaar 2023 een overschot wordt verwacht. Het positieve saldo 2023 van € 5,81 mln. is herkenbaar opgenomen onder post B3a.
Hierbij past wel de kanttekening, dat in dat begrotingssaldo nog geen rekening is gehouden met de eventuele financiële gevolgen van een nieuw coalitieakkoord. Afroming reserve vrij inzetbaar ten gunste van reserve Enecogelden Onder B2d wordt voorgesteld om € 6,1 mln. terug te storten naar de reserve Enecogelden. Dit is een uitwerking van het voorstel hierover de in de Programmabegroting 2022: er bleek een lager beroep op de Enecogelden nodig te zijn om een toereikend weerstandsvermogen te bereiken, dan voorzien. Dus gelet op de omvang van de weerstandscapaciteit werd voorgesteld om een bedrag van € 6,1 mln. aan de reserve Eneco terug te storten. Gevolgen COVID-19 Post B2b bevat € 2,544 mln. als reservering voor de onvermijdelijke kosten van COVID-19. Het bedrag was ook eerder geraamd in 2021. Deze post is in 2021 niet aangesproken. Omdat de verwachting is, dat de effecten van het herstel van corona zich nog over geheel 2022 uitstrekken, wordt voorgesteld de opgenomen reservering te handhaven voor 2022. Dat kan worden gebruikt voor het coronaherstelplan. Vrij inzetbaar en weerstandscapaciteit De benodigde weerstandscapaciteit voor risico’s is € 16,591 mln. Deze bestaat voor € 0,7 mln.
uit de berekende risico’s op grond van de stand van de zaken in de jaarrekening 2021 (paragraaf weerstandsvermogen) aangevuld met 4% van het begrotingstotaal (exclusief grondexploitaties) voor de niet bekende risico's. De verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde weerstandscapaciteit wordt aangeduid als het weerstandsvermogen: de mogelijkheid om weerstand te bieden. De norm voor het weerstandsvermogen is 1. Bij de jaarrekening 2021 was deze ratio 1,97. Rekening houdend met de 18
in deze perspectiefnota gepresenteerde cijfers is de ratio (het weerstandsvermogen) 2,32. Dit betekent een overschot van ruim € 21 mln. Deze hoge uitkomst biedt feitelijk de mogelijkheid om een deel van de reserve vrij inzetbaar een andere bestemming te geven. Omdat er nog geen duidelijkheid bestaat over de (financiële) uitkomst van het nieuwe coalitieakkoord en er bovendien in de reserves Rif en Fonds Zoetermeer 2040 ruime middelen aanwezig zijn voor tijdelijk beleid, wordt voorgesteld de ruimte in de Reserve vrij inzetbaar beschikbaar te houden. Na het voorjaarsdebat en het debat over het coalitieakkoord kan bij het opstellen van de Programmabegroting 2023 worden bezien of er aanleiding is om de dan beschikbare ruimte in de Reserve vrij inzetbaar anders te bestemmen.
19
Toelichting per programma
20
Programma 1. Onderwijs, economie en arbeidsparticipatie
21
Financiën Bedragen x €1.000 TB1
MJB 2023 - 2026
2022
2023
2024
2025
2026
2027
Reclame-inkomsten
-384
-PM
-PM
-PM
-PM
-PM
Collectieve ziektekostenverzekering
100
Aanpassen hoogte geoormerkte rijksvergoedingen WEB en OKE- regelingen - rijksbijdrage
-247 247
Vooruitontvangen bedragen Onderwijs - uitgaven onderwijs
-956 956
Personeel Inkomen & Zekerheid a. extra inhuur b. unit coördinator
-400 -94
-PM
Reguliere uitvoering Inkomen & Zekerheid
-84
-79
-79
-40
-40
-40
-100
-200
-300
-400
-290
-580
-630
-1.020
1a Financiële ontwikkelingen bestaand beleid (leereffecten jaarrekening en TB1)
Kadernota onderwijshuisvesting, aanpassing herbouwpercentages Onderwijshuisvesting Saldo
-862
-79
-179
-240
1b Financiële afwijkingen als gevolg van COVID-19
22
Ventilatieaanpak schoolgebouwen in verband met Corona - rijkssubsidie Saldo
-1.200 1.200 0
2 Onvermijdelijke ontwikkelingen Bijstandsuitkeringen (BUIG): - lasten - baten Aanpak energiearmoede - rijksbijdrage, zie OAD Wet Inburgering - rijksbijdrage
3.800 -4.200 -5.500 -782 782
Beschut werk -Effect 'cao aan de slag'
-150
Bouwkostenontwikkelingen onderwijshuisvesting: marktwerking en gevolgen bouwbesluit (BENG) Afrekening subsidie SSVOZ Saldo
-150
-150
-150
-150
-40
-80
-120
-160
688 -5.212
-150
-190
-230
-270
-310
Anders organiseren bewindvoering (maatregel 31)
-200
-200
-200
-200
-200
-200
Slimmere uitvoering participatiewet (maatregel 30)
-83
Saldo
-283
-200
-200
-200
-200
-200
-6.357
-429
-569
-670
-1.100
-1.530
3 Afwijkingen maatregelen ombuigen en vernieuwen
TOTALE WIJZIGING SALDO PROGRAMMA
23
Toelichting financiën Financiële ontwikkelingen bestaand beleid (leereffecten jaarrekening en TB1) Reclame-inkomsten De gemeente kent verschillende soorten inkomsten vanuit reclame. Dit betreft reclame aan afzonderlijke masten, lichtbakken aan lantaarnpalen, reclameframes, reclamevitrines, billboards en driehoeksborden. In de programmabegroting is daarvoor jaarlijks een opbrengst opgenomen van circa € 568.000. De COVID-19 pandemie heeft de economie hard geraakt. Twee bedrijven hebben daarom het contract niet verlengd. Het is in 2020 en 2021 vanwege de slechte economische vooruitzichten niet gelukt om vervangende, zo nodig tijdelijke, contracten af te sluiten. In 2022 start een aanbestedingstraject, waarbij partijen worden gevraagd te bieden op de mogelijkheid reclame aan te brengen in de openbare ruimte. Omdat het aanbestedingstraject naar verwachting minimaal een halfjaar duurt, is het een risico dat een belangrijk deel van de opbrengsten 2022 niet wordt gehaald. Daarnaast is het een risico dat inschrijvende partijen vanwege een verslechterd toekomstperspectief een lager bedrag bieden dan in de begroting is opgenomen. Hierbij speelt ook de trend dat deze wijze van reclamevoeren in toenemende mate als verouderd wordt gezien. In afwachting van de inschrijvingen is de structureel begrote inkomst niet afgeraamd. Voor 2022 wordt het nadeel geraamd op circa € 384.000.
Collectieve ziektekostenverzekering Deze gemeentelijke zorgverzekering is onderdeel van een collectief. Men profiteert dus van een collectiviteitskorting op de basisverzekering en korting op een goedkoop aanvullend pakket. De gemeente betaalt vanuit de bijzondere bijstand een deel van de verzekeringspremie. In de Programmabegroting 2022 is rekening gehouden met 4.500 deelnemers. In de eerste twee maanden van het jaar zijn er 4.180 deelnemers waarvoor een bijdrage is betaald. Een reden dat het aantal deelnemers lager is dan begroot, kan liggen aan het aanbod polissen dat wij bieden. Dit aanbod kan als minder aantrekkelijk worden ervaren. Doordat alles duurder wordt kiest men bewuster een zorgverzekering uit. Op 7 december 2021 verscheen er een bericht in de media, waarin het Haaglanden Medical Centrum (HMC) verzekerden van Menzis opriep over te stappen wegens moeizame onderhandelingen tussen het ziekenhuis en zorgverzekeraar. In de laatste week van het jaar werd pas bekend dat Menzis contracten had gesloten met de ziekenhuizen uit de regio. Door de berichtgevingen in de media is de communicatiecampagne stilgelegd en dat kan ook een reden zijn van het lager uitvallen van het aantal deelnemers. Dit geeft een voordeel van € 100.000. Op dit moment is het te vroeg om aan het gemelde voordeel een structureel effect toe te kennen. Dit krijgt aandacht in het Tweede Tussenbericht.
Aanpassen hoogte geoormerkte rijksvergoedingen WEB en OKE- regelingen De rijksvergoedingen voor de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) en de Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (OKE)-regelingen vallen € 247.000 hoger uit dan opgenomen in de begroting 2022. Het zijn geoormerkte rijksvergoedingen en dat betekent dat de bedragen uitgegeven moeten worden aan het doel waarvoor ze beschikbaar gesteld worden. De WEB-middelen worden ingezet om iedere volwassen inwoner te kunnen laten beschikken over voldoende basisvaardigheden op het gebied van lezen, schrijven, rekenen en digitale vaardigheden, zodat ze zelfstandig en actief deel kunnen nemen in onze samenleving. De acties staan o.a. in de notitie Aanpak laaggeletterdheid, Regioplan regio Zuid-Holland Centraal. De aanpassing van de OKE-regeling heeft betrekking op het onderdeel Rijksbijdrage voor Onderwijsachterstanden. Deze middelen worden ingezet om onderwijsachterstanden bij kinderen in de leeftijd van 2 tot 12 jaar te verminderen en voorkomen, zodat zij zich zo optimaal mogelijk kunnen ontwikkelen. Vooruitontvangen bedragen Onderwijs In de jaarrekening 2021 zijn voor een aantal onderwijsbestemmingen de niet bestede middelen voor de regelingen met een bestedingsverplichting (over meerdere jaren) op de balans (onderdeel vooruitontvangen bedragen) gezet. Deze middelen kunnen hierdoor alsnog in 2022 uitgegeven worden.
Het betreft een deel van de middelen die we als gemeente dus in 2021 ontvangen hebben voor Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB), RMC, Kwalificatieplicht, 24
Aanval op Uitval, On Stage en Nationaal Programma Onderwijs (NPO). In totaliteit zijn zowel de baten als de lasten hierdoor in 2022 € 956.000 hoger. De middelen worden in het algemeen ingezet om te voorkomen dat kinderen/jongeren uitvallen in het onderwijs, hun startkwalificatie behalen en om achterstanden ontstaan door COVID-19 te beperken of weg te werken. Personeel Inkomen & Zekerheid Door de aanwezigheid van langdurige zieken, de daarbij noodzakelijk en duurdere vervanging ontstaat een nadeel van € 400.000. Bij het Tweede Tussenbericht wordt beoordeeld in hoeverre dit ook in 2023 van toepassing is. De span-of-control voor een Unit Coördinator Inkomen & Zekerheid ligt gemiddeld op 33 medewerkers. Voor een werkbare span-of-control is een invulling van deze functie met een vierde Unit Coördinator noodzakelijk en het nadeel wat hierdoor ontstaat is € 94.000 voor 2022. Structurele dekking vindt plaats in de bredere context van het programma Sturing en Kostenbeheersing binnen het sociale domein. Reguliere uitvoering Inkomen & Zekerheid De afhandelingstermijn van bezwaarschriften is te lang door toename van het aantal bezwaarschriften en de complexiteit ervan. Met name de bezwaarschriften van de Jeugdwet vragen veel tijd. De bezwaarmaker moet (te) lang wachten op een beslissing.
Daarbij kan de bezwaarmaker een dwangsom eisen wegens niet tijdig beslissen; de bezwaarmaker kan een verzoek om een voorlopige voorziening indienen bij de rechtbank, omdat een beslissing in de bodemprocedure te lang op zich laat wachten. Dat levert weer extra werk op voor de werkeenheid die toch al zwaar belast is. Er kan bij deze werkzaamheden niet gekozen worden om onderdelen niet te doen of uit te stellen. Dit leidt in 2022 tot een nadeel van € 44.000 (0,5 fte). Een handhaver voor het voorkomen en behandelen van zorgfraude bij met name de Wmo en Jeugd is noodzakelijk om misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden te voorkomen. Het stopzetten van deze werkzaamheden zal tot hogere uitgaven leiden. Hiervoor is een bedrag nodig van € 79.000 (1 fte). De taken hangen samen met de uitvoering van de reguliere taken Wmo en jeugd (zie programma 2), waarvoor ook sprake is van een toename in werkomvang. Hiervan vindt in 2024 een herijking plaats. Vandaar dat het extra benodigde budget voor de handhaver hetzelfde ritme/patroon volgt als die van Wmo en jeugd in programma 2: voor 2022 en vanaf 2025 wordt de helft van de extra kosten meegenomen in de meerjarenbegroting. Kadernota onderwijshuisvesting De kadernota onderwijshuisvesting is in voorbereiding.
Daarbij wordt rekening gehouden met een aantal inhoudelijke (vastgoed en onderwijskundige) wensen en noodzakelijke aanpassingen in de normering bij de vervanging van schoolgebouwen. In de huidige normering van herbouw is er rekening mee gehouden dat schoolgebouwen op de bestaande locaties worden herbouwd en dat zoveel als mogelijk bestaande bouwkundige constructies worden gebruikt. Dit uitgangspunt vertaalt zich in de meerjarenbegroting door bij de vervangingskosten rekening te houden met een herbouwpercentage tussen de 43% en 70% van de bouwsom per m2. Uit de in voorbereiding zijnde kadernota onderwijshuisvesting komt naar voren, dat het budgettaire uitgangspunt van de herbouwpercentages vanuit onderwijskundige en bouwtechnische overwegingen minder goed houdbaar is. De in voorbereiding zijnde kadernota leidt tot een aanpassing van deze percentages naar 90-100%. Op basis van een globale doorrekening leidt een verhoging van de herbouwpercentages op termijn tot een bedrag van € 5 mln. hogere kapitaallasten (waarvan € 1,5 mln. wordt veroorzaakt door de ontwikkeling van prijzen en bouweisen). In een gelijkmatig scenario betekent dit een stijging van lasten van € 100.000 per jaar in 2024, jaarlijks stijgend met € 100.000.
Bij het raadsvoorstel IHP 2023-2026 wordt een nadere duiding en onderbouwing van de noodzaak respectievelijk wenselijkheid van aanpassing van normbedragen aangegeven. En de daaruit voortvloeiende budgettaire gevolgen in de tijd.
25
Onderwijshuisvesting De Reserve egalisatie investering onderwijshuisvesting vangt de schommelingen in de pieken van stijgende kapitaallasten in verband met vervanging van schoolgebouwen op. De inzet van deze reserve leidt tot een gelijkmatiger stijging van de begrotingsdruk in de meerjarenbegroting. Op basis van de laatste herijking van het vervangingsplan schoolgebouwen (raadsbesluit 23 mei 2016) eindigt de jaarlijkse oploop van de storting in 2028. De oploop van de storting bedraagt € 290.000 per jaar en komt ten laste van het begrotingssaldo.
Financiële afwijkingen als gevolg van COVID-19 (TB1) Subsidieaanvraag ventilatieaanpak in verband met Corona – scholen Voor de ventilatieaanpak scholen heeft het rijk vanwege COVID-19 middelen beschikbaar gesteld in het kader van de Regeling Specifieke uitkering ventilatie in scholen (SUVIS21-regeling). De gemeente heeft onderzoek verricht en een plan opgesteld. Op basis hiervan is ervoor gekozen om voor vijf scholen (vier primair onderwijs en één voortgezet onderwijs) subsidie aan te vragen in het kader van de SUVIS21-regeling. Idee is dat de aanpassingen worden bekostigd uit de onderhoudsmiddelen (van de schoolbesturen) aangevuld met een subsidies van het rijk. Een aantal aanvragen is inmiddels door het rijk gehonoreerd. Andere zijn nog in de beoordelingsprocedure. De verwachting is dat voor de vijf scholen in totaliteit een bedrag van € 1,2 mln. door het rijk wordt toegekend. Deze subsidie is/wordt aan de gemeente uitgekeerd. De besteding ervan moet door de gemeente aan het rijk worden verantwoord. Omdat de uitvoering van de projecten plaatsvindt door de schoolbesturen zelf, wordt het ontvangen subsidiebedrag aan hen overgemaakt. Over de inhoudelijke verantwoording van de besteding van deze subsidiegelden worden door gemeente en schoolbestuur afspraken gemaakt.
Onvermijdelijke ontwikkelingen Bijstandsontwikkeling (BUIG) Het budgettair effect van de ontwikkeling van de bijstandslasten en de daarmee verband houdende rijksvergoeding is, zoals ieder jaar, afhankelijk van een aantal onzekere ontwikkelingen aan de lastenkant (mate van gebruik van de bijstand in Zoetermeer zelf) als de toedeling van het macrobudget BUIG over alle gemeenten. Daarnaast komt in 2022 meer duidelijkheid over de budgettaire effecten van een aanpassing van de verdeelsystematiek van de zogenoemde Loonkostensubsidies. Beide onderdelen worden hierna toegelicht. Bijstandsontwikkeling Belangrijkste onzekerheid bij het inschatten van het gebruik van de bijstand betreft de ontwikkeling van de bbz light (voorheen TOZO). Hoeveel van deze ondernemers kunnen na 1 april 2022 weer volledig op eigen benen staan? Er wordt vanuit gegaan dat circa 1/3 van de ondernemers een beroep op de bijstand blijft doen gedurende heel 2022. Het bijstandsvolume (Participatiewet) daalt hierbij van gemiddeld 2.658 (in 2021) naar gemiddeld 2.573 uitkeringen. Bij dat aantal vallen de lasten € 3,8 mln. lager uit dan begroot. Met betrekking tot het ingeschat beroep op de BUIG is geen effect vanuit de situatie in Oekraïne meegenomen. De directe gevolgen van de oorlog in de Oekraïne (vluchtelingen) lopen in 2022 ten minste de eerste 26 weken niet via de BUIG.
Daarnaast hanteren we voor de potentiële instroom in de BUIG de aanname, dat de vluchtelingenregeling -die via de sociale verzekeringsbank loopt- ook na de eerste 26 weken wordt voortgezet. De eventuele indirecte 26
gevolgen (als gevolg van een mogelijke terugval in de economie ) hebben in 2022 nauwelijks tot geen impact op de bijstand, omdat de ontwikkeling in de bijstand (vluchtelingenstromen uitgezonderd) altijd 1,5 tot 2 jaar vertraagd reageert op ontwikkelingen in de conjunctuur. De daling van het beroep op de bijstand doet zich in heel Nederland voor. De verwachting is dan ook dat het macrobudget fors lager uitvalt. Bij een gelijkblijvend aandeel van Zoetermeer in het macrobudget wordt een € 4,2 mln. lagere rijksvergoeding verwacht. Het in de begroting geraamde verschil tussen rijksvergoeding en kosten van € 2,2 mln. (positief) neemt met een bedrag van € 0,4 mln. af. Verdeelmethodiek Aan de batenkant bestaat onzekerheid over de impact van de verandering van de verdeelsystematiek (van objectief naar historisch) ten aanzien van de doelgroep loonkostensubsidie. In 2021 is bij de perspectiefnota het meerjarig effect van deze verandering ingeschat op een financiële tegenvaller van € 0,75 mln. Medio juni 2022 is bekend wat de afwijking feitelijk is: de verwachte afwijking ten opzichte van de eerdere inschatting ligt tussen de € -0,5 mln. en € +0,5 mln. In het Tweede Tussenbericht wordt de actuele stand opgenomen. Aanpak energiearmoede Als gevolg van de sterk stijgende energieprijzen is er aanleiding om de huishoudens met lagere inkomens te ondersteunen in hun koopkracht.
Het kabinet heeft daarvoor middelen vrijgemaakt om met inzet van de gemeenten, de huishoudens met een inkomen van maximaal 120% van de bijstandsnorm, een compensatie te verstrekken van € 800. De inschatting is, dat ongeveer 6.500 huishoudens voor de tegemoetkoming in aanmerking komen. Het college heeft de uitvoeringsregeling voor het kunnen verstrekken van deze vergoeding inmiddels vastgesteld. Indien de gehele doelgroep van 6.500 kan worden bereikt respectievelijk een aanvraag doet op de vergoeding, dan zijn de kosten € 5,2 mln. De uitvoeringskosten worden vooralsnog ingeschat op € 0,3 mln. Het college gaat er vanuit dat het rijk de kosten volledig vergoed. In de loop van het jaar blijkt hoe groot het daadwerkelijk beroep op de vergoeding is en of de rijksvergoeding toereikend is. Een eventueel onvoldoende compensatie van het rijk wordt als nadeel ten laste van de exploitatie verantwoord. Wet Inburgering Op 1 januari 2022 is de Wet inburgering in werking getreden. Het nieuwe inburgeringsstelsel heeft als maatschappelijk doel dat alle inburgeringsplichtigen snel en volwaardig meedoen aan de Nederlandse maatschappij, het liefst via betaald werk. Om dat te bereiken is het beleidsdoel, dat inburgeringsplichtigen het voor hen hoogst haalbare taalniveau (het liefst B1) bereiken, in combinatie met een vorm van participatie (onderwijs, werk).
Daarnaast dienen ze vanaf de start van het inburgeringstraject kennis op te doen over de Nederlandse maatschappij en de arbeidsmarkt en zich gericht in te spannen om naar vermogen te participeren. Gemeenten ontvangen via een Specifieke Uitkering van het Ministerie van SZW-middelen voor de bekostiging van inburgeringsvoorzieningen. De uitkering is nu voorlopig vastgesteld en wordt na afloop van 2022 definitief vastgesteld als bekend is hoeveel asielstatushouders, gezins- en overige migranten in de gemeente werkelijk gevestigd zijn. Voor Zoetermeer worden de lasten ingeschat op € 782.000 berekend door het rijk. De (werkelijke) kosten worden via de specifieke uitkering volledig vergoed door het rijk. Beschut werk - Effect ‘cao aan de slag’ Per 1 juli 2021 is een nieuwe CAO van start voor de doelgroep Participatiewet. Deze CAO is bedoeld voor de doelgroep in de participatiewet die in of via de gemeenten of hun werkbedrijven aan het werk zijn, bijvoorbeeld met loonkostensubsidie of in Beschut werk. De kosten voor 2022 kunnen naar verwachting binnen de huidige begroting van de Binnenbaan opgevangen worden. Vanaf 2023 is hiervoor budget benodigd om de gemiddelde kostenstijging van € 150.000 (tussen de 30-35 fte van € 4.500 per fte) op te vangen niet meer aanwezig zonder een neerwaartse aanpassing van de aan de Binnenbaan 27
gevraagde dienstverlening. Er loopt over de financiering van deze kostenverhogende CAO nog een landelijke discussie tussen de VNG en het ministerie van SZW. Bouwkostenontwikkelingen onderwijshuisvesting: marktwerking en gevolgen bouwbesluit (BENG) Het fonds vervanging schoolgebouwen en het Integraal Huisvestingsplan scholen (IHP) worden geactualiseerd voor zowel het primair - als het voortgezet onderwijs. In deze voorbereiding wordt rekening gehouden met een aantal onvermijdelijke ontwikkelingen, die effect hebben op de normering van de bouwkosten bij de vervanging van schoolgebouwen. Noodzakelijke aanpassingen zijn de gevolgen van marktontwikkelingen in de bouwkosten van vastgoed en de wettelijke eisen vanuit het bouwbesluit (inclusief BENG/bijna energie neutrale gebouwen). De huidige bouwkostennorm ligt op € 2.200 per m2. Door de marktontwikkelingen stijgt deze prijs met € 368 (17%). Daarnaast moet bij vervanging (en nieuwbouw) rekening worden gehouden met de wettelijke eisen van het bouwbesluit (inclusief BENG/bijna energie neutrale gebouwen Het effect van het bouwbesluit leidt tot een kostenstijging per m2 van € 406 (18%). Deze kostenstijgingen leiden uiteindelijk tot hogere kaptaallasten van € 2 mln. per jaar. Die meerkosten komen geleidelijk in het begrotingsbeeld afhankelijk van het feitelijk tempo van vervanging de schoolgebouwen.
Uitgaand van een gestileerd gelijkmatig scenario stijgen de kosten jaarlijks met € 40.000. Een detailuitwerking van die fasering vindt plaats in het IHP. Indien voor de investeringen in schoolgebouwen op gebied van klimaat niet de wettelijke norm van BENG wordt aangehouden, maar van ENG (energieneutraal) dan leidt dat tot een verhoging van de bouwkosten met € 150 per m2. Rekening houdend met het totaal bouwvolume leidt dit op termijn tot € 650.000 hogere kapitaallasten. In hetzelfde gestileerde gelijkmatige scenario een bedrag van € 13.000 per jaar jaarlijks oplopend met dat bedrag. In deze perspectiefnota is geen rekening gehouden met deze eventuele meerkosten. Afrekening subsidie SSVOZ De gemeente heeft een zorgplicht om te voorzien in voldoende openbaar onderwijs voor haar inwoners. Vanwege financiële problemen van de Stichting Stedelijk Onderwijs Zoetermeer (SSVOZ) heeft de raad in oktober 2020 ingestemd met een bestuursoverdracht aan de Stichting Lucas Onderwijs en is destijds een subsidie aan SSVOZ toegezegd van € 2,75 mln. In de begroting is hiervan € 2,063 mln. geraamd in 2021 en € 0,687 mln. in 2022. In de jaarrekening 2021 is gehele subsidie verantwoord waardoor het geraamde bedrag in 2022 vrijvalt.
Afwijkingen maatregelen ombuigen en vernieuwen Maatregel 31: Anders organiseren bewindvoering Er is onderzocht of de vernieuwing voor het anders organiseren van bewindvoering juridisch haalbaar is door het (gedeeltelijk) in eigen hand te nemen. Op basis van jurisprudentie en recente uitspraken van het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBp) blijkt dat het aanmerken van de dienstverlening als algemene voorziening via een algemeen belangbesluit op juridische bezwaren stuit vanwege de Wet markt en overheid. Daarnaast is onderzocht in hoeverre de nieuwe Wet adviesrecht gemeenten bij schuldenbewind (Ags) tot financiële voordelen kan leiden. Bij het adviesrecht adviseert de gemeente over de mogelijkheid om een meer passende en minder verstrekkende voorziening als alternatief voor bewind in te zetten. Over de praktische uitvoering van het adviesrecht is met de kantonrechter gesproken. De verwachting is dat de rechter alleen in uitzonderlijke gevallen afwijkt van de koers om toegekend schuldenbewind te laten beëindigen. De directe sturingsmogelijkheid van het adviesrecht op de kosten voor bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten op korte termijn is daarmee zeer beperkt. Wel leidt het naar verwachting tot procesverbeteringen in de samenwerking binnen de keten gemeente-rechtbankbewindvoerders. De verwachte besparing van € 200.000 wordt structureel niet gerealiseerd. 28
Maatregel 30: Slimmere uitvoering participatiewet Het nieuwe Team Inkomensondersteuning werkt voor diverse onderwerpen aan procesoptimalisatie: de Inkomstenverklaring, de Bijzondere Bijstand, aanschaf en inrichting Burgerportaal, inrichting overlappende werkprocessen met de Binnenbaan, aanvragen Levensonderhoud en de JGO's (Jaarlijks Groot Onderzoek). De livegang van het Burgerportaal is door de prioritering van het nieuwe zaaksysteem vertraagd. De livegang staat nu gepland voor het 2e kwartaal 2022. Daarna kan het eerste proces geïmplementeerd worden: de Inkomstenverklaringen. De overige processen komen daarna. De besparing van € 83.000 is in 2022 niet haalbaar.
Risico’s Niet van toepassing.
29
Programma 2. Samen leven en ondersteunen
30
Financiën Bedragen x €1.000 TB1
MJB 2023 - 2026
2022
2023
2024
2025
2026
2027
150
150
150
150
150
150
Persoonsgebonden budget Wmo
1.000
1.000
1.000
1.000
1.000
1.000
Reguliere uitvoering JGH
-504
-1.007
-1.007
-504
-504
-504
Reguliere uitvoering Wmo
-270
-540
-540
-270
-270
-270
Tijdelijke inhuur Wmo consulent
-428 -242
-242
-242
-52
-639
-639
134
376
376
Wmo woningaanpassingen
-100
-100
-100
-100
-100
-100
Huisvesting asielzoekers - rijksbijdrage, zie OAD
-PM
Saldo
-100
-100
-100
-100
-100
-100
1a Financiële ontwikkelingen bestaand beleid (leereffecten jaarrekening en TB1) Huishoudelijke hulp Wmo
Verbeterplannen Gecertificeerde instellingen jeugd Saldo 1b Financiële afwijkingen als gevolg van COVID-19: niet van toepassing Saldo 2 Onvermijdelijke ontwikkelingen
31
3 Afwijkingen maatregelen ombuigen en vernieuwen Onderwijs-jeugdhulp arrangement Speciaal (Basis) Onderwijs (maatregel 4)
-38
Toevoegen van GGZ expertise aan de zorgteams voor begeleiding op locatie (maatregel 5)
-335
Uitbreiding trajectbegeleiding Jongerenwerk (maatregel 7)
-72
Verschuiven van landelijk hoog specialistische jeugdhulp naar regionaal specialistische jeugdhulp (maatregel 15)
-14
Doorontwikkelen POH-jeugd en schoolmaatschappelijk werk (maatregel 8)
-112
Sturen op afname intensiteit bij jeugdhulpproducten (maatregel 16)
-711
Saldo
-1.282
TOTALE WIJZIGING SALDO PROGRAMMA
-1.434
-739
-739
34
276
276
Toelichting financiën Financiële ontwikkelingen bestaand beleid (leereffecten jaarrekening en TB1) Huishoudelijke hulp Wmo Eerste indruk is dat de verwachting van het aantal verwachte uren huishoudelijke hulp op basis van de voorcalculatie achterblijft bij de begroting. Het lijkt erop dat er circa 15.000 uren minder verzilverd gaat worden. Dit leidt tot een voordeel van circa € 150.000. Bij het Tweede Tussenbericht wordt opnieuw gekeken naar de actuele stand. Persoonsgebonden budget Wmo Sinds 2019 is er een afname te zien in het aantal pgb indicaties. Voor huishoudelijke hulp en begeleiding is het verwachte aantal indicaties in 2022, respectievelijk 120 en 95. In 2020 was dit voor de huishoudelijke hulp nog 149 en voor begeleiding 178. Er zijn verschillende verklaringen waarom de daling van de indicatie en het gebruik van het pgb’s structureel doorzet. Dit heeft onder andere te maken met de profilering van de toezichthouders Wmo en het inzetten van speciale pgb-adviseurs, die klanten vaker doorverwijzen naar andere vormen van zorg (zoals inZet, de Wet langdurige zorg, zorg in natura etc.). Het verwachte structurele voordeel dat hierdoor ontstaat is circa € 1.000.000. Reguliere uitvoering JGH Jeugd- en Gezinshulp is onderdeel van het Sociaal Domein. Jeugd- en Gezinshulp richt zich op de meest complexe gezinssituaties in Zoetermeer waarbij een 32