CConstaterende datZoetermeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Perspectiefnota 2022

Raadsvergadering 28 juni 2021, gemeente ZoetermeerBij agendapunt: Raadsvoorstel Perspectiefnota 202237.914 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Perspectiefnota 2022

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding............................................................................................ 3 2. Schets op hoofdlijnen van ontwikkelingen.................................... 5 3. Financieel perspectief ..................................................................... 8 4. Toelichting per programma’s ....................................................... 19 Programma 1. Onderwijs, economie en arbeidsparticipatie ............................... 19 Programma 2. Samen leven en ondersteunen ..................................................... 24 Programma 3. Leefbaarheid, duurzaam en groen ............................................... 31 Programma 4. Vrije tijd........................................................................................... 37 Programma 5. Veiligheid ........................................................................................ 39 Programma 6. Dienstverlening en participatie ..................................................... 41 Programma 7. Inrichting van de stad .................................................................... 45 Overzicht Overhead ................................................................................................ 48 Overzicht Algemene Dekkingsmiddelen en onvoorzien ..................................... 51

Bijlage 1. Toelichting loon- en prijsstijging ...................................................................................... 54 Bijlage 2. Samenvatting Eerste Tussenbericht 2021 ....................................................................... 55 Bijlage 3. Resultaatbestemming jaarrekening 2020 ......................................................................... 56 Bijlage 4. Monitor Ombuigen en vernieuwen .................................................................................... 65 Bijlage 5. Overzicht coronakosten gemeente Zoetermeer .............................................................. 73 Bijlage 6. Overzicht financiële ontwikkelingen bestaand beleid, onvermijdelijke ontwikkelingen e en beleidswijzigingen......................................................................................................... 76 Bijlage 7. Ontwikkelingen Financiële Verhoudingen ....................................................................... 78 Bijlage 8. Reserve Enecomiddelen en reserve vrij inzetbaar.......................................................... 81 Bijlage 9. Onderwerpen Coalitieakkoord 2018 ................................................................................. 84

2

1.

Inleiding

Een perspectiefnota schetst - als basis voor de programmabegroting - voorstellen tot aanpassen van beleid. In dit geval met als basis het Coalitieakkoord van 2018 en rekening houdend met het financieel perspectief. En zoals gebruikelijk zijn in de perspectiefnota ook de afwijkingen over het lopende begrotingsjaar 2021 opgenomen: het Eerste Tussenbericht. Dit biedt de raad handvatten om in het voorjaarsdebat nader richting te geven en aandacht te vragen voor specifieke onderwerpen. Voor onderwerpen die al in 2021 financiële middelen vragen, wordt tijdens het voorjaarsdebat een raadsbesluit gevraagd. Dit jaar is sprake van meerdere bijzonderheden. Er komt een nieuw kabinet. De gevolgen voor gemeenten van het nieuwe Regeerakkoord zijn niet voor het voorjaarsdebat bekend. Verder zijn er volgend jaar gemeenteraadsverkiezingen en dus zijn dit de laatste perspectiefnota en begroting van deze college- en raadsperiode. De Perspectiefnota 2022 bevat geen voorstellen die een beroep doen op Enecomiddelen. De besteding van Enecogelden is een afzonderlijk traject en maakt geen deel uit van deze perspectiefnota. In mei 2021 is de raadsbehandeling van het afwegingskader, dat gevuld wordt met Enecomiddelen. Een raadsvoorstel over bestedingsrichtingen (in tranches en thema’s) wordt apart aangeboden en komt tijdens het voorjaarsdebat aan de orde.

In aansluiting daarop worden concrete bestedingsvoorstellen voor concrete projecten (binnen de onderscheiden thema’s) in het najaarsdebat ter besluitvoming aan de raad voorgelegd. Financieel perspectief, begrotingsevenwicht Het begrotingssaldo vertoont over alle jaren van de meerjarenbegroting een negatief resultaat. In afwachting van de uitkomsten van de gesprekken tussen rijk en VNG over de kostencompensatie jeugdzorg (en Wmo) is het college in de Perspectiefnota 2022 terughoudend met voorstellen, die het begrotingsbeeld verder structureel nadelig beïnvloeden. In hoofdstuk 3 wordt het financieel perspectief nader toegelicht. Meicirculaire De voorschriften van de provinciaal toezichthouder geven aan dat de gevolgen van de meicirculaire worden betrokken in de Programmabegroting 2022-2025. De gevolgen van de aanstaande meicirculaire zijn niet in de Perspectiefnota 2022 verwerkt. Op dit moment is nog geen betrouwbare inschatting te geven over de gevolgen van deze circulaire voor onze gemeente. Zo snel als mogelijk na het verschijnen van de meicirculaire wordt de raad in een afzonderlijk memo op hoofdlijn over de financiële uitkomst van de meicirculaire voor het voorjaarsdebat geïnformeerd. Na het zomerreces wordt een nadere duiding van de gevolgen van de meicirculaire gegeven. Leeswijzer Na de inleiding volgt in hoofdstuk 2 een schets op hoofdlijnen van ontwikkelingen.

Hoofdstuk 3 toont het financieel perspectief voor de komende jaren op hoofdlijnen. In aansluiting daarop wordt ingegaan op de ontwikkeling van de reserves (Reserve investeringsfonds 2030/Rif en reserve vrij inzetbaar). Hoofdstuk 4 geeft per programma en daarbinnen op postniveau, een toelichting op de ontwikkeling van met name het financieel perspectief. In principe kent elk programma de volgende inrichting. Allereerst wordt schematisch de doelenboom getoond met op het hoogste niveau het te bereiken maatschappelijk effect. Daaronder volgen de te realiseren doelen en de effectindicatoren (= meetfactoren). Ten tweede worden direct onder de doelenboom onder het kopje Wijzigingen doelen en indicatoren voorstellen voor aanpassingen van doelen en/of effectindictatoren vermeld.

3

Ten derde wordt een tabel getoond met onderwerpen (op postniveau) met daaronder een korte toelichting op de financiële en inhoudelijke gevolgen voor het Financieel perspectief met een indeling in: - financiële ontwikkelingen bestaand beleid. Naast de leereffecten jaarrekening gaat het om afwijkingen van het lopend begrotingsjaar; - onvermijdelijke ontwikkelingen die buiten de invloedsfeer van de gemeente liggen; - afwijkingen in de realisatie van bezuinigingsmaatregelen ombuigen en vernieuwen; - beleidswijzigingen met financiële gevolgen. Het uiteindelijke saldo geeft aan wat de financiële gevolgen zijn voor het betreffende programma ten opzichte van de Programmabegroting 2021-2024. Dit wordt weergegeven als de totale wijziging saldo programma. Indien van toepassing worden aan het eind van een programma ook de nieuwe strategische risico’s vermeld. Bijlagen Tot slot zijn de volgende bijlagen bijgevoegd: 1. Toelichting loon- en prijsstijging 2. Samenvatting Eerste Tussenbericht 2021 3. Resultaatbestemming jaarrekening 2020 4. Monitor Ombuigen en vernieuwen 5. Overzicht coronakosten gemeente Zoetermeer 6. Overzicht specificaties financiële ontwikkelingen bestaand beleid, onvermijdelijke ontwikkelingen, afwijkingen maatregelen ombuigen en vernieuwen en beleidswijzigingen 7. Ontwikkelingen financiële verhoudingen 8. Reserve Enecomiddelen en reserve vrij inzetbaar 9.

Onderwerpen Coalitieakkoord 2018

4

2.

Schets op hoofdlijnen van ontwikkelingen

Karakter Perspectiefnota 2022: beleidsarm, in financieel onzekere tijd met inzet op herstel Deze laatste perspectiefnota van dit college is er een in een onzekere tijd. Deze onzekerheid kenmerkt zich door een aantal punten: De gevolgen van corona kunnen nog niet worden benoemd. De voorbereidingen voor het vormen van een nieuw kabinet – na de tweede kamerverkiezingen in maart 2021 – zijn nog in volle gang. Er is nog geen goed beeld op de (financiële) uitkomst van ontwikkelingen in de financiële verhouding tussen rijk en gemeenten. En niet in de laatste plaats de financiële ondersteuning, die nodig is vanuit het rijk om onze taken met betrekking tot de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) goed uit te voeren. Stilstaan is geen optie. We denken vooruit, hebben ambitie en zien kansen voor 2022 en in de aanloop daarnaartoe. Kansen om voor inwoners en stad impulsen te geven aan kwaliteit in en van de stad. Gericht op beter wonen, beter leven, meer toegankelijk, duurzamer en met een gezond bedrijfsleven. De Omgevingsvisie Zoetermeer 2040 gaat mede richting geven aan te maken keuzes voor die impulsen. Met een blik naar de toekomst zijn in deze perspectiefnota ook enkele kansen en - in de opvatting van het college - noodzakelijke voorstellen tot beleidsintensivering opgenomen. Ondanks de financiële krapte en onduidelijkheid over de ontwikkeling van de financiën.

Enecogelden Plannen die een eenmalige of tijdelijke financiële impuls vragen, worden opgenomen in de voorstellen voor het investeringsfonds dat gevuld gaat worden met de Enecogelden. In het voorjaarsdebat 2021 wordt in een afzonderlijk voorstel de richting van bestemming van die gelden geagendeerd. Daarna volgen in het najaar de - eerste - voorstellen tot bestemming en besteding voor concrete projecten/onderwerpen. Financiële vertreksituatie niet gunstig en onzeker, een tussenstand De structurele meerjarige financiële situatie van de gemeentelijke begroting blijft zorgelijk. Het is een gegeven dat we – net als vele andere gemeenten – tekorten in de exploitatie van de begroting noodgedwongen moeten aanvullen met een beroep op reserves. En zonder reëel zicht op een structureel hogere rijksvergoeding voor de kostenontwikkeling in het sociaal domein is op enig moment een operatie ’Ombuigen en Vernieuwen 2.0’ noodzakelijk. En die noodzaak krijgt nog een extra accent, doordat in de meerjarenbegroting 2021-2024 een fors aantal beleidsintensiveringen is opgenomen met een tijdelijk budget tot en met het jaar 2022. De bestuurlijke wens is om dit beleid vanaf 2023 voort te zetten.

De onzekerheid over het moment (en uitkomst) van het overleg tussen rijk en VNG over de (structurele) verhoging van de kostenvergoeding van de Jeugdwet en de stand van het financieel perspectief stelt ons voor een aantal dilemma’s. De kernvraag is: wil de raad een structureel en reëel sluitende begroting vaststellen in november 2021? Gelet op lopende onderhandelingen tussen VNG en kabinet over de kostencompensatie beschouwt het college de financiële stand van zaken in de Perspectiefnota 2022 als een tussenstand. Een stand die niet positief is, maar de verwachting is ook, dat het rijk op enig moment met compensatie komt. Dilemma’s met betrekking tot begrotingsbeeld De onzekerheid over de aanpassing van de rijksvergoeding is dermate groot dat het college - ten opzichte van onze reeds gemaakte aannames voor stijgende vergoedingen in het financieel perspectief - op dit moment niet verder vooruit willen lopen op de uitkomst ervan. De onzekerheid betreft zowel de omvang van de (verwachte) vergoeding van de tekorten in het sociaal domein, de gevolgen van de herijking van het gemeentefonds als de ontwikkelingen rond de Wmo en jeugd. Bijlage 7 licht de ontwikkelingen in het kader van de financiële verhoudingen nader toe.

5

Omdat in het actuele financieel perspectief de kosten van het sociaal domein wel verder oplopen en dus het financieel beeld nadelig beïnvloeden, staan wij voor een aantal dilemma’s/afwegingen in het kader van het dekkingsplan van de begroting. In afwachting van de uitkomsten van de gesprekken tussen rijk en VNG over de kostencompensatie jeugd (en Wmo) zijn wij nu in de Perspectiefnota 2022 terughoudend met voorstellen, die het begrotingsbeeld verder structureel nadelig beïnvloeden. Tegelijkertijd doen wij – nog – geen voorstellen om het budgettair mogelijk te maken om bestaand tijdelijk beleid (uit het Coalitieakkoord) in of vanaf 2023 te verlengen. Voor een aanvullend pakket inhoudelijke bezuinigingen is het nog te vroeg. Het huidig pakket van € 14 mln. is nog niet ten volle gerealiseerd en een verdere versobering van voorzieningen of aanpassing van lasten achten wij inhoudelijk ongewenst. Zolang geen duidelijkheid is over de aanpassing van de rijksvergoeding is dit ook nog niet noodzakelijk. Daarom spreken we ook hier over een tussenstand. Als de verwachte duidelijkheid van het rijk langer dan verwacht uitblijft of de compensatie onvoldoende soelaas biedt om de financiën structureel in evenwicht te brengen dan ontstaat een nieuwe situatie.

Een situatie die – als deze ook in november 2021 bij de vaststelling van de begroting nog aan de orde is - ook de aandacht van de provincie trekt in het kader van haar verantwoordelijkheid voor het financieel toezicht. Zodra wij actuele gegevens over het nu gepresenteerde financieel perspectief ontvangen, informeren wij de raad daarover. Op die manier kunnen in het voorjaarsdebat op basis van de meest recente (financiële) ontwikkelingen de beraadslagingen in de gemeenteraad over de Perspectiefnota 2022 plaatsvinden. Coronamaatregelen Het aantal gevaccineerde mensen neemt toe. Zo ook het rijksbeleid om de samenleving stap voor stap weer houvast te geven. Dit schets een voorzichtig positief herstel. Herstel vanuit de veerkracht van de economie en noodzakelijke steun aan de inwoners vanuit de overheid. De rijksoverheid zet haar steunbeleid waar nodig voort en dat bevordert in ieder geval een ‘zachte landing’ voor het weer kunnen aantrekken van werkgelegenheid. Dat neemt niet weg dat bij het afbouwen of beëindigen van steunmaatregelen van het rijk voor bedrijven, ondernemers en instellingen er een ‘na-ijl’ effect is, waarvan de gevolgen kunnen neerslaan bij de gemeente. In de vorm van mogelijke toename van werkloosheid gevolgd door bijstand, een mogelijke toename in beroep op gemeentelijke voorzieningen als kwijtschelding of bijzondere bijstand.

Of verzoeken van ondernemers, instellingen of verenigingen op de gemeente om hen te ondersteunen bij het (economisch) herstel. Voor het inzetten van maatregelen om de inwoners, ondernemers en maatschappelijke instellingen te ontzien of te ondersteunen was in het begrotingsjaar 2020 een budget van € 5 mln. beschikbaar (gedekt uit de Enecomiddelen). Doordat verreweg de meeste extra kosten door het rijk zijn vergoed, werd de inzet van gemeentelijke middelen hiervoor eenmalig lager dan verwacht en resteert nog € 4,7 mln. Het college stelt in de Perspectiefnota 2022 voor om het overschot 2020 over te brengen naar 2021, zodat er middelen beschikbaar zijn om – met gebruikmaking van het eigen afwegingskader – steunmaatregelen mogelijk te blijven maken. Daarnaast stuurt het college rond de zomer een coronaherstelplan naar de raad. Dit plan richt zich op de revitalisatie van Zoetermeer na de crisis. In aanvulling op dit budget stelt het college voor om in de reserve vrij inzetbaar een reservering van € 3,5 mln. aan te houden voor eventueel tegenvallers in de uitvoering van de begroting 2021 als gevolg van COVID-19. Die tegenvallers kunnen ontstaan, doordat in de uitvoering van beleid sprake is van een inhaalslag uit 2020 of hogere kosten/lagere inkomsten 2021, waarvoor het rijk geen of onvoldoende compensatie biedt. Deze reservering van € 3,5 mln.

is qua omvang het bedrag, dat in de jaarrekening 2020 onderdeel is van het rekeningresultaat 2020 voor activiteiten die – als gevolg van COVID-19 – niet geheel konden worden uitgevoerd. Met het opnemen van deze budgettaire ruimte meent het college in ieder geval voldoende financiële mogelijkheid te hebben om zowel de bewuste steun- en herstelacties vanuit eigen beleid als de onvermijdelijke kosten in budgettair opzicht het hoofd te kunnen bieden.

6

Financieel perspectief op hoofdlijn De Perspectiefnota 2022 toont het volgende financiële beeld in onderstaande tabel. €*1.000

Financiëel perspectief op hoofdlijn Financieel perspectief

MJB 2022-2025 2021

2022

2023

2024

2025

-4.909

-6.836

-5.083

-4.966

-5.654

Een toelichting op hoofdlijn hierop volgt in het volgende hoofdstuk.

7

3.

Financieel perspectief

3.1 Inleiding Dit hoofdstuk toont een kort overzicht van ontwikkelingen in de exploitatie van de begroting 2021 en de meerjarenbegroting 2022-2025. Er wordt gestart met algemene financiële uitgangspunten voor loon- en prijsstijgingen en het Eerste Tussenbericht (3.2). Vervolgens wordt het financieel perspectief op hoofdlijnen gepresenteerd (3.3). Daarna wordt het vertrekpunt voor het nog op te stellen dekkingsplan van de meerjarenbegroting geschetst (3.4). Daarbij wordt – in hoofdlijn – ingegaan op de financiële verhouding (de financiële relatie tussen rijk en gemeente) en de ontwikkelingen over de kostenvergoeding in het sociaal domein. In aansluiting daarop komen de ontwikkelingen in de Reserve Investeringsfonds en de Reserve vrij inzetbaar (3.5) aan bod. Daarbij wordt ook de relatie gelegd met het resultaat van de Jaarrekening 2020 en het voorstel tot bestemming daarvan. 3.2 Algemene financiële uitgangspunten In de volgende alinea’s worden algemene financiële uitgangspunten op hoofdlijn toegelicht. Loon- en prijsstijging De gevolgen voor loon- en prijsstijging ten opzichte van de begroting 2021 worden als volgt in de programma’s van de begroting 2022 verwerkt. Prijsstijging% - lasten - baten Loonstijging%

2022

vanaf 2023

1,9 2,4 2,0

1,5 1,5 2,0

Bijlage 1 vermeldt de toelichting op de onderbouwing van de percentages. Eerste Tussenbericht 2021 De komende programmabegroting heeft betrekking op 2022 – 2025. De afwijkingen over het lopend jaar 2021 maken daarvan geen onderdeel uit, maar beïnvloeden wel de financiële positie. Een negatieve verandering van het voor 2021 verwachte resultaat – als er onvoldoende dekkingsmogelijkheden zijn – werkt door naar een groter beroep op de reserve vrij inzetbaar. Daarnaast kunnen de afwijkingen van 2021 ook een doorwerking hebben naar 2022 en mogelijk latere jaren. De afwijkingen van de begroting 2021 (€ 3,592 mln. negatief) vormen feitelijk het Eerste Tussenbericht 2021. Vanwege de overzichtelijkheid zijn de toelichtingen op de afwijkingen 2021, waarvan het merendeel een meerjarig karakter heeft, onderdeel van de toelichting per programma in hoofdstuk 4. Bijlage 2 toont een financiële samenvatting van het Eerste Tussenbericht 2021 (TB1).

8

3.3 Financieel perspectief Onderstaande tabel 3.1 geeft het financieel perspectief op hoofdlijn weer. Tabel 3.1 Samenvatting financieel perspectief op hoofdlijn € 1.000 Financieel perspectief op hoofdlijn

MJB 2022-2025

Omschrijving a. Saldo (meerjaren)begroting 2021-2024

2021

2022

2023

2024

2025

-9.165

-6.825

-5.072

-5.143

-5.435

2.600

2.600

2.600

2.600

400

400

1.350

1.350

-85

-85

-85

b. Claim extra rijksvergoeding jeugd c. Claim extra rijksvergoeding Wmo

400

d. Raadsbesluiten (in voorbereiding) e. (Verwacht) beroep Vrij inzetbare reserve PB 2020-2023

4.500

f. (Verwacht) beroep Vrij inzetbare reserve PB 2021-2024

3.360

1.

-905

-1.825

-2.157

-1.278

-1.570

-192

-236

-122

-444

-442

3. Bij PN te nemen raadsbesluiten

0

42

127

127

127

4. Onvermijdelijke ontwikkelingen

-1.058

-2.065

-373

-1.043

-1.343

5. Ontwikkelingen bestaand beleid

-1.679

-2.376

-2.087

-1.883

-1.881

-855

-250

-300

-275

-375

-4.689

-6.709

-4.912

-4.795

-5.483

-127

-171

-171

-171

-5.083

-4.966

-5.654

Financieel Perspectief PB2021-2025 (p88)

2. Raadsbesluiten tot en met april 2021

6. Afwijkingen Ombuigen en vernieuwen 7.

Financiële vertreksituatie Perspectiefnota 2022

8. Beleidswijzigingen

-220

9. Claims, voortzetting Coalitieakkoord, nog in te vullen 10.

2.000

nog in te vullen Financieel perspectief

-4.909

-6.836

Het financieel perspectief wordt als volgt op hoofdlijn toegelicht. Financiële vertreksituatie (regel 1) In november 2020 is de meerjarenbegroting 2021-2024 vastgesteld met daarin voor 2021 een negatief begrotingssaldo van € 9,165 mln. In het financieel perspectief is rekening gehouden met een – niet in de begroting geraamde - inkomstenstijging van de rijksvergoeding voor jeugd en Wmo van totaal € 0,4 mln. en met een beroep op de reserve vrij inzetbaar van € 7,860 mln. Het financieel perspectief voor 2021 start daarmee op een bedrag van € 905.000 negatief. Met dat bedrag is in de reserve vrij inzetbaar – als verwacht beroep op deze reserve – ook rekening gehouden. Het jaar 2022 toont in de meerjarenbegroting 2021-2024 een negatief begrotingssaldo van € 6,825 mln. In het financieel perspectief van 2022 is rekening gehouden met een – niet in de begroting geraamde - stijging van de rijksvergoeding voor jeugd en Wmo van totaal € 3 mln. en met een beroep op de inzet van reserve vrij inzetbaar van € 2 mln. Het financieel perspectief voor 2022 start daarmee op een bedrag van€ 1,825 mln. negatief. De in het financieel perspectief (stand november 2020) opgenomen verwachting van een hogere rijksvergoeding is ingegeven door het onderzoek dat – mede op aangeven van het kabinet – is uitgevoerd naar de omvang en oorzaken van de volumeontwikkeling (en daarmee kostenstijging) in de jeugdzorg.

Het kabinet heeft toen aangegeven dat – als het onderzoek daartoe aanleiding geeft – zij een volgend kabinet kan adviseren daarvoor in de rijksbegroting aanvullende middelen vrij te maken. De actuele stand van dit thema is verwoord in paragraaf 3.4. Raadsbesluiten in voorbereiding (regel d en 3) De combinatie van de regels d en 3 leidt tot een budgettair voordeel van € 42.000. Dit betreft een technische aanpassing van het raadsbesluit Duurzaamheid Palenstein. De kapitaallasten van deze investering worden afgedekt uit de Reserve dekking kapitaallasten. In het eerder genomen raadsbesluit is de dekking uit deze reserve alleen voor het jaar 2021 geraamd, terwijl deze dekking voor de kapitaallasten gedurende de hele afschrijvingsperiode beschikbaar is. Met besluit 12 bij deze perspectiefnota wordt het eerder genomen raadsbesluit hiervoor aangepast. Onvermijdelijke ontwikkelingen (regel 4) Onvermijdelijke ontwikkelingen liggen buiten de invloedsfeer van de gemeente. In hoofdstuk 4 worden deze ontwikkelingen per programma toegelicht. Ontwikkelingen bestaand beleid (regel 5) Naast de leereffecten jaarrekening gaat het om afwijkingen van het lopend begrotingsjaar met een effect op het (meerjaren)begrotingssaldo. In hoofdstuk 4 worden deze afwijkingen per programma toegelicht. 9

Afwijkingen Ombuigen en vernieuwen (regel 6) De monitor Ombuigen en vernieuwen (zie bijlage 4) toont een vertraging in de realisatie van de maatregelen en daarmee is de verwachting, dat de financiële doelstellingen voor 2021 niet volledig worden gerealiseerd. Zie onderstaande tabel. Tabel 3.2 Financiële vertaling aanpassing maatregelen Ombuigen & vernieuwen € 1.000 Financiele vertaling aanpassing maatregelen Ombuigen & vernieuwen Nr

MJB 2022-2025

Omschrijving maatregel

2021

1 Slimmere uitvoering participatiewet

-83

2 Doorontwikkeling POH-jeugd en schoolmaatschappelijk werk

-150

2 Inzetten op integrale zorg en ondersteuning: Beter samenspel

-135

2 Sturen op afname intensiteit bij jeugdhulpproducten

-356

OAD

2022

2023

2024

2025

-250

-300

-275

-375

-250

-300

-275

-375

-131

1 Anders organiseren bewindvoering

O&V, afvalbeleid, uitstel nav referendum Totalen bijstelling maatregelen Ombuigen & vernieuwen

-855

Beleidswijzigingen Zolang er geen concreet uitzicht bestaat op een verbetering van het begrotingssaldo - bijvoorbeeld door een structureel hogere rijksvergoeding sociaal domein - is het college uiterst terughoudend om voorstellen voor te leggen, die een beroep doen op het begrotingssaldo. En voor activiteiten die incidenteel extra budget vragen, is de inzet om deze door herprioritering of herfasering binnen bestaande programmabudgetten op te vangen. Voor twee onderwerpen wordt een uitzondering gemaakt: Huis van de Wijk en de vervanging van het gymlokaal aan de Velddreef door een sportzaal. Beide onderwerpen staan hoog op de verlanglijst vanwege het verwachte maatschappelijk nut. De structurele kosten betreffen kosten van rente en afschrijving van investeringen in accommodaties. Voor deze extra kosten is – zonder inhoudelijke ombuigingen– geen budgettaire ruimte in de betreffende programma’s beschikbaar. Het onderwerp Huis van de Wijk vraagt daarnaast nog een incidenteel budget en datzelfde geldt voor de wens van het seniorenconvent om de mogelijkheden van een aanpassing van huisvesting van de raad– en commissiezaal te onderzoeken en daar een plan voor uit te werken. De inhoudelijke toelichting van deze voorstellen is opgenomen in hoofdstuk 4. In onderstaande tabel zijn de budgettaire gevolgen hiervan opgenomen. Tabel 3.3 Beleidswijzigingen € 1.000 Beleidswijzigingen Nr

Progr

MJB 2022-2025

Omschrijving

2021

1

Ovh Uitgewerkt plan verbetermaatregelen raad- en commissiezaal

2

4 Realisatie sportzaal en ontmoetingsruimte IKC Touwladder

2022

2023

2024

2025

-155

-155

-155

-16

-16

-16

-40

-100

Huis van de wijk: 3

2 Huis van de wijk Seghwaert (investering € 651.000)

4

2 Huis van de wijk Rokkeveen (openhouden bibliotheek)

5

2 Huis van de wijk Oosterheem (openhouden bibliotheek)

-127

6

7 Seniorenmakelaar (personeelskosten en knelpuntenpot)

-40

-40

-40

6

7 Seniorenmakelaar (dekking binnen begroting)

40

40

40

40

-127

-171

-171

-171

Totaal

-120

-220

3.4 Dekkingsplan: een tussenstand In tabel 3.1 is de stand van het formele begrotingssaldo en die van het financieel perspectief gepresenteerd. In deze laatste stand is rekening gehouden met onze eerdere verwachting dat het rijk, in casu het nieuwe kabinet, de gemeenten financieel tegemoetkomt in de meerkosten van het stijgende beroep op de Jeugdwet en de Wet op de maatschappelijke ondersteuning (regel b en c van tabel 3.1). Daarnaast zijn eerdere raadsbesluiten om een deel van de tijdelijke tekorten af te dekken met een beroep op de reserve vrij inzetbaar verwerkt (regel e en f van tabel 3.1).

10

Op basis van deze perspectiefnota bedraagt het begrotingsaldo 2022 € 9,237 mln. negatief waarvoor in het financieel perspectief rekening wordt gehouden met een beroep op vrij inzetbaar van € 2 mln. (regel e) en een bijdrage van het rijk in de kosten van de Wmo van € 0,4 mln. (regel c).1 Dan resulteert een financieel perspectief met als verwachting een negatief saldo van € 6,837 mln. Zonder nadere dekking – uit hogere rijksvergoeding, hogere inkomsten of lagere kosten door ombuigen – is ook voor dat laatste bedrag een beroep op de reserve vrij inzetbaar nodig. De gevolgen van dit beroep op de reservemiddelen wordt in paragraaf 3.5 belicht. Bij de beoordeling van het verwachte begrotingssaldo moet in ogenschouw worden genomen dat – in het begrotingsjaar 2022 – het tekort voor een groot deel wordt veroorzaakt door incidentele kosten. Voornamelijk omdat de beleidsintensiveringen uit het Coalitieakkoord 2018-2022 (zie bijlage 9) zich niet verder uitstrekken dan tot en met 2022. Dit betekent dat de uitvoering van wenselijk geacht beleid stopt als de incidentele dekking wegvalt in 2023. Het is dan aan het volgende college om hierover keuzes te maken. In onderstaande tabel wordt het begrotingssaldo in de periode van de meerjarenbegroting – per begrotingsjaar – gesplitst in het deel structureel en incidenteel.

Het structurele deel van het tekort is relevant in het kader van het provinciaal toezicht op de financiën. De provincie beoordeelt vooral of de structurele lasten worden gedekt door de structurele baten (zie de toelichting onder tabel 3.4). In tabel 3.4 wordt ook het verband tussen het begrotingssaldo (regel A) en het financieel perspectief (regel B) uit tabel 3.1 gelegd. In het financieel perspectief wordt er vanuit gegaan dat het rijk in ieder geval een structureel hogere vergoeding voor het sociaal domein beschikbaar stelt. Tabel 3.4 Onderscheid incidenteel - structureel € 1.000 Financiëel perspectief op hoofdlijn

MJB 2022-2025

Omschrijving

2021

2022

2023

2024

2025

A. Begrotingssaldo

-13.169

-9.237

-8.083

-8.917

-9.606

A1 waarvan incidenteel

-8.922 7.860

-7.739 2.000

-1.205

-250

0

-1.062

-5.739

-1.205

-250

0

-4.247

-1.498

-6.878

-8.667

-9.606

tijdelijke dekking reserves a A2 waarvan structureel

400

400

3.000

3.950

3.950

b

-3.847

-1.098

-3.878

-4.717

-5.656

a+b

-4.909

-6.837

-5.083

-4.967

-5.656

verwachte rijksbijdragen, nog niet geraamd in begroting B. Financieel perspectief Perspectiefnota 2022

Duiding begrotingstekort in relatie tot provinciaal toezicht Volgens de eisen van de provinciale toezichthouder is het formeel gezien voldoende wanneer het eerste begrotingsjaar structureel en reëel in evenwicht is. Als dat niet het geval is, stelt de provincie als eis dat hiervan uiterlijk het laatste jaar van de meerjarenbegroting sprake is. Dat betekent dat de structurele baten hoog genoeg zijn om de structurele lasten te dekken en dat de ramingen van baten en lasten realistisch zijn. Uit de tabel komt naar voren, dat van het formele begrotingsaldo 2022 van € 9,237 mln. een bedrag van € 1,498 mln. negatief kwalificeert als een structureel tekort: de begroting 2022 is niet structureel en reëel in evenwicht. En datzelfde geldt voor de meerjarenbegroting: in de loop van de meerjarenbegroting loopt dat structureel tekort op naar € 9,606 mln. In principe leidt een begroting die niet in het eerste noch het laatste jaar van de meerjarenbegroting structureel en reëel in evenwicht is in beginsel van rechtswege tot preventief toezicht (art 203 gemeentewet). De provincie zal zich vanuit haar toezichthoudende rol beraden op welke actie ze gaat ondernemen. Als regel zal Gedeputeerde Staten (GS), zodra de geschetste situatie zich voordoet, de gemeente de gelegenheid bieden tot overleg.

GS stelt de gemeente dan in staat aanvullende maatregelen te treffen om preventief toezicht te voorkomen. Bijvoorbeeld door het indienen van een door de raad vastgesteld herstelplan, dat uitzicht biedt tot een herstel naar een structureel en reëel begrotingsevenwicht. 1 Het in de startsituatie in het financieel perspectief opgenomen bedrag aan verwachte rijksvergoeding jeugdzorg

van € 2,6 mln. is in de perspectiefnota verschoven van ’verwachting in financieel perspectief’ naar ‘begrotingssaldo’. Het rijk heeft de tijdelijke vergoeding van € 300 mln. inmiddels verlengd tot en met het jaar 2022.

11

Preventief toezicht betekent dat de gemeente de begroting (en daaropvolgende begrotingswijzigingen) niet kan uitvoeren zonder voorafgaande toestemming van GS. De gemeente mag in dat geval geen verplichtingen aangaan of uitgaven doen zonder voorafgaande goedkeuring van GS. Begrotingstekort in relatie tot kosten en rijksvergoeding sociaal domein/opschalingskorting In het financieel perspectief wordt ervan uitgegaan dat het rijk - minimaal – een bedrag van € 0,4 mln. in 2022 oplopend naar € 3,950 mln. vanaf 2024 aan extra vergoeding voor het sociaal domein uitkeert (regel b en c in tabel 3.1). Het bedrag van € 3,950 mln. is wat het college betreft een prudente inschatting. Onze inzet en ook verwachting is dat het rijk een veel hogere kostencompensatie geeft. Of in de plaats daarvan, wettelijke maatregelen treft waardoor het beroep op de zorg afneemt of waarvan de kosten in ieder geval niet meer bij de gemeenten neerslaan. Onze verwachting van een hogere vergoeding van het rijk is gebaseerd op het rapport van onderzoeksbureau AEF, waarin wordt vastgesteld dat de gemeenten in totaliteit voor de jeugdzorg een bedrag van € 1,7 miljard per jaar meer uitgeven dan waarvoor zij vanaf 2015 door het rijk zijn gecompenseerd. Ook vermeldt het rapport dat verreweg het grootste deel van genoemd bedrag niet direct is te beïnvloeden door gemeenten. Door welke maatregel dan ook.

Omdat het overleg tussen VNG en kabinet tot nu toe geen helderheid gaf over de omvang en start van de structurele compensatie heeft de VNG in april jl. besloten om arbitrage in te roepen. Dat was mogelijk op grond van eerdere afspraken tussen kabinet en VNG. De uitkomst van de arbitrage wordt in de loop van de maand mei 2021 verwacht. Die uitkomst is ‘semi-bindend’, in die zin dat het kabinet voor de instemming ervan een voorbehoud heeft gemaakt van instemming door de Eerste en Tweede Kamer. De facto betekent dit dat de besluitvoming over de arbitrage een aangelegenheid is voor het nieuwe kabinet. Als het structureel tekort in de meerjarenbegroting van € 9,6 mln, volledig veroorzaakt door de stijging van kosten in het sociaal domein, door het rijk moet worden vergoed dan is een stijging van de huidige € 300 mln. (tijdelijk) per jaar naar ruim € 1 miljard per jaar nodig. Een fors bedrag maar altijd nog beduidend lager dan de door AEF aangegeven meerkosten van alle gemeenten van € 1,7 mld. (voor alleen jeugdzorg), de structurele opschalingskorting van bijna € 1 mld. en de stijging van kosten in de Wmo als gevolg van het maximeren van de eigen bijdrage. Het verschil tussen de kosten van de jeugdzorg en de (stijging van) Wmo in Zoetermeer en de van het rijk ontvangen vergoeding bedraagt bij benadering € 12 mln. per jaar.

De opschalingskorting betekent voor Zoetermeer in 2022 een korting op de algemene uitkering van bijna € 4 mln. Die korting loopt tot en met 2025 op naar € 6,8 mln. structureel (zie ook bijlage 7). Dilemma in dekkingsplan Door het uitblijven van duidelijkheid over wat we van het rijk kunnen verwachten, ontstaat een dilemma in het voor te stellen dekkingsplan van de (meerjaren)begroting. Er is een begrotingstekort dat bovendien in omvang oploopt. Er bestaat daarnaast een reëele mogelijkheid maar nog geen zekerheid van een hogere rijksvergoeding en/of regelgeving, die de kosten voor gemeenten verlaagt. Beide maatregelen hebben een positieve uitwerking op het begrotingssaldo. En er is een spanningsveld tussen het moment waarop de begroting 2022 moet worden vastgesteld (voor medio november a.s.) en het moment dat er – na de nog onderhanden zijnde kabinetsformatie - door een nieuw kabinet een besluit wordt genomen. En daar tussendoor spelen de formele bepalingen van het begrotingsevenwicht en de toezichtrol die de provincie daarbij heeft.

Het dilemma is of er nu aanleiding is om aanvullende ombuigingsmaatregelen voor te bereiden dan wel te treffen gericht op herstel van het begrotingsevenwicht voor 2022 en latere jaren of dat daarmee kan worden gewacht totdat besluitvorming van het kabinet over de vergoeding van de kosten in het sociaal domein bekend is en daarmee ook de omvang van het financiële vraagstuk. In het dilemma: nu acteren met bezuinigingen of lastenverzwaringen enerzijds of afwachten totdat er meer duidelijkheid is, heeft het college een sterke voorkeur om tijd te nemen. Nu verder bezuinigen boven op het eerdere pakket van € 14 mln. vindt het college ongewenst en onnodig. Het rijk is aan zet. En dat weet het kabinet ook. Tegelijkertijd zitten wij niet stil.

12

Ook niet op kostenbeheersing jeugd. Niet voor niets bleef in het bezuinigingspakket van € 14 mln. uit het traject Ombuigen en vernieuwen ook het onderdeel jeugdzorg niet buiten schot. Sterker, er rust ook daar nog een forse – en in de tijd – oplopende bezuinigingstaakstelling op. Gelet op de bestuurlijke aandacht die het vraagstuk inmiddels heeft, de stroom van rapporten van diverse instellingen, die de financiële problematiek van gemeenten benoemen, gaat het college ervan uit dat het op enig moment resulteert in een structureel hogere vergoeding van kosten in het sociaal domein dan tot nu toe het geval is. Het college is ervan overtuigd dat het financieel beeld in de aanloop naar het begrotingsdebat nog fors kan wijzigen. De komst van een nieuw kabinet en de lopende discussie voor de jeugdzorg staan daar garant voor. Het college kiest daarom op dit moment voor een pas op de plaats: zeer terughoudend met beleidsintensiveringen, blijven inzetten op het realiseren van de huidige bezuinigingstaakstellingen Ombuigen en vernieuwen, maar (nog) geen verdere bijsturingsacties. Tegelijkertijd beseft het college dat indien - in de aanloop naar de vaststelling van de begroting in november – er geen of onvoldoende duidelijkheid van het rijk komt over structurele (en hogere) compensatie het traject van preventief begrotingstoezicht door de provincie een reëel scenario is.

Gelet op de controlerende en toezichthoudende taak van de raad in het vaststellen van een (structureel en reëel in evenwicht zijnde) begroting maakt het college de raad actief deelgenoot van het dilemma en de door ons op dit moment voorgestelde werkwijze. Het dekkingsvoorstel voor de begroting 2022 is in deze perspectiefnota – als tussenstand – even kort als krachtig: geen aanzet tot verdere structurele ombuigingen of lastenverzwaringen, voor het jaar 2022 wordt een beroep gedaan op de reserve vrij inzetbaar en in het financieel perspectief nemen wij met potlood (lees:’p.m.-post’) een stijging van de rijksvergoeding op. Tabel 3.5 Dekkingsplan op hoofdlijn € 1.000

Dekkingsplan op hoofdlijn

MJB 2022-2025

Omschrijving

2021

2022

2023

2024

2025

Financieel perspectief

-4.909

-6.836

-5.083

-4.966

-5.654

4.909

6.836 +pm

+pm

+pm

+pm

+pm

+pm

-5.083

-4.966

-5.654

1 Incidentele dekking Bijdrage uit reserve vrij reserve 2 Structurele dekking

+pm

Mogelijke verhoging rijksvergoeding jeugdzorg Mogelijk herverdelingseffect herijking gemeentefonds Financieel perspectief na dekkingsplan

0

0

In paragraaf 3.5 wordt het gevolg van dit beroep op de reserve vrij inzetbaar toegelicht. In de aanloop naar het begrotingsdebat van november a.s. komen wij ofwel in het begrotingsvoorstel van september 2021 of in een aanvullend begrotingsvoorstel op dit vraagstuk terug. De volgende alinea’s gaan kort in op de actualiteit (peildatum eind april 2021). Actualiteit eind april: tijdelijke vergoeding kosten jeugdzorg Eind april jl. is er tussen VNG en kabinet een nieuwe afspraak gemaakt over een verhoging van de vergoeding van kosten in de jeugdzorg. Deze afspraak en de financiële gevolgen zijn nog niet verwerkt in de cijfers van de Perspectiefnota 2022 (2021/TB1). Dit wordt betrokken bij de uitwerking van de meicirculaire. Op voorhand kunnen wij een korte duiding geven van het financieel gevolg van de afspraak en de mogelijkheid om het structurele deel van het begrotingstekort 2022 in perspectief te zetten. In grote stappen: Het rijk heeft € 613 mln. beschikbaar gesteld voor jeugdzorg. De gemeenten ontvangen hiervan voor het jaar 2021 in het gemeentefonds afgerond € 500 mln. Voor Zoetermeer leidt dat tot een hogere Algemene Uitkering van ongeveer € 4 mln.

13

Als uit de inhoudelijke afspraken geen hogere kosten voortkomen dan waarmee nu in de begroting en Perspectiefnota 2022 is gerekend, dan verbetert het begrotingssaldo 2021 met € 4 mln. (en daarmee vermindert het verwachte beroep op de reserve vrij inzetbaar). Als deze incidentele vergoeding door de provincies wordt betrokken als mogelijk structurele compensatie (net zoals zij deden met de eerdere tijdelijke rijksvergoeding voor jeugdkosten van € 300 mln.) dan komt het structureel begrotingsevenwicht 2022 in een ander daglicht te staan. Het structurele deel van het tekort 2022 van € 1,5 mln. slaat dan immers om in een overschot. In totaliteit voor 2022 nog steeds een tekort, maar in het licht van het formele begrotingstoezicht is er dan mogelijk geen aanleiding om de vorm van toezicht te wijzigen van repressief naar preventief. Actualiteit april: herijking gemeentefonds Een ander onderwerp in de Financiële verhouding is de herijking van het gemeentefonds. Dit onderwerp gaat niet over de vergroting van het fonds zelf, maar over de wijze waarop dit wordt verdeeld over alle gemeenten. Er vinden periodiek altijd aanpassingen in de verdeling plaats maar van tijd tot tijd is er aanleiding voor een grondige aanpassing. Om diverse redenen betreft de huidige herziening – na de laatste van 1997 – een ingrijpende herziening.

Het proces van de herijking is inmiddels vergevorderd en een eerste beeld van een financieel herverdeeleffect tussen gemeenten is bekend. Tegelijkertijd zijn er ook nog veel vragen van ondermeer de Raad van het Openbaar Bestuur, die tot aanpassing van het concept model leiden. Naar de huidige gegevens is de uitkomst voor Zoetermeer positief. Een positief herverdeeleffect van € 17 per inwoner. Dit getal is op dit moment niet meer dan een eerste indicatie. Naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van het Openbaar Bestuur worden nog aanpassingen in het verdeelmodel aangebracht en worden ook feitelijke parameters in het model geactualiseerd. De nieuwe uitkomsten van het aangepaste verdeelmodel worden in juni 2021 verwacht. Daarna wordt de VNG geconsulteerd op het model. Het nieuwe kabinet neemt uiteindelijk een besluit over het nieuwe verdeelmodel en de invoering ervan. De afronding van de herijking is voorzien met de publicatie van de herverdeeleffecten in de meicirculaire van 2022 ingaande per 2023. Vanwege de nog lopende onderzoeken en het nog te doorlopen bestuurlijke besluitvormingsproces lopen we in deze perspectiefnota niet vooruit op een meer definitieve uitkomst van de herverdeling. Voor meer achtergrond over dit onderwerp en overige ontwikkelingen in de financiële verhouding zie bijlage 7. 3.5

Ontwikkelingen reserves

Reserve Investeringsfonds 2030 In onderstaande tabel is de stand en het verwachte verloop van de Reserve Investeringsfonds 2030 (Rif) opgenomen. Deze reserve speelt een belangrijke rol in de dekking van de kosten verbonden aan de Schaalsprong.

14

Tabel 3.6 Reserve Investeringsfonds 2030 € 1.000 Reserve Investeringsfonds PB 2021 2026/2030

2025

2024

2023

2022

2021

Omschrijving A.

Stand 1 januari

45.715

33.777

31.360

31.426

32.265

17.586

1

Raadsbesluiten

-4.959

75

2.200

2.683

-7.084

-877

2

Reserveringen vanuit eerdere besluitvorming -666

55

53

a1 Entree

-750

-500

-500

-500

a2 Binnenstad

-305

-305

-305

-305

a3 DIF, porgrammateam

-205

-205

b. overige projecten

-1.020

-1.020

-1.020

-1.020

Afwikkeling kredieten voorgaande jaren Schaalsprong: a. programma's

c. wijkaanpak c1 Wijkverkenningen

-300

d. Regie en investeringen vanuit de markt d1 Regie, voorbereiding en samenhang

-225

-150

-150

-150

d2 Relatienetwerk / investern in de stad

-120

-120

-120

-120

e. Uitvoering investerngsagenda e1 Centraal park Dobbe

-5.938

e2 Herontwikkeling markt

-125 Bestaand beleid

B.

Beleidsvoorstellen in voorbereiding

1

(Herfasering) Schaalsprong a1 Entree, raadsvoorstel maart 2021, risicoreserve

40.091

31.312

32.014

17.023

750

500

500

500

-27

-87

-250

63

635

a1 Entree, fasering, raadsvoorstel maart 2021 a1 Doorwerking storting risicoreserve naar fasering a1 Entree, voorstel PN, risicoreserve a2 Binnenstad a3 DIF/DIP

3.733 505

-2.575 -38 -19

Overige herfaseringen RIF inclusief concept voorstellen nieuw beleid per 31-12 C.

16.709

-2.885

a1 Entree, raadsvoorstel maart 2021, vrijval reserveringen a1 Vrijval budget Schaalsprong

30.982

0

-1.432

-346

-299

33.777

31.360

31.426

32.265

17.586

20.947

4.485

12.178

14.402

15.203

16.172

17.649

3.700

3.700

3.700

6.100

6.100

47.237

49.529

51.168

39.858

44.696

Verwachte winstafdrachten (cumulatief) 1 Grondexploitaties 2 Deelneming GR Hoefweg Stand RIF 31/12 incl Markt incl winstafdracht

38.263

Onder A. is de beginstand van de reserve per 1 januari van het lopende jaar vermeld. Daarin zijn alle mutaties van het jaar 2020 verwerkt. A1 zijn raadsbesluiten met een beroep op de Rif. Onder A2 zijn reserveringen uit eerdere besluitvorming opgenomen. Voor de benodigde kredieten en aanwendingen worden nog raadsvoorstellen voorgelegd. De gereserveerde bedragen voor de Schaalsprong waar nog geen raadsbesluit over is genomen zijn apart zichtbaar. Bij B staan de beleidsvoorstellen in voorbereiding. De aan de Schaalsprong verbonden voorstellen staan onder 1. Onder a1 zijn de gevolgen van het raadsvoorstel Ruimtelijk kader en Investeringsbudget middengebied Entree 0637682126 opgenomen. In het raadsvoorstel is voorgesteld om: - de reserve ten laste van de Rif te brengen voor een bedrag van € 2.885.000 (met als dekking vrijvallend budget 2021 en reserveringen 2022/2025). De storting van € 2.885.000 en de vrijval van reserveringen/vrijvallend budget zijn in de bovenstaande tabel afzonderlijk weergegeven. - de structurele lasten te dekken door 50% van de structurele stijging van opbrengst OZB en algemene uitkering. Dit als gevolg van een toename van het aantal woningen. De opbrengstenstijging is vanaf 2026 hoger dan de lastenstijging. In de beginjaren is dat andersom; er is sprake van een faseringsverschil.

De saldi van deze faseringsverschillen komen ten laste respectievelijk ten gunste van de Rif. In het raadsvoorstel Entree is verder een krediet gevraagd van € 2.575.000 om datzelfde bedrag te storten in de risicoreserve Entree. De uit dit krediet vanaf 2026 voortvloeiende lasten vormen deel van het hiervoor genoemende faseringsverschil. 15

Voorgesteld wordt om de dekking voor de storting van € 2.575.000 niet ten laste van een krediet te brengen maar om deze storting te dekken met een beroep op de Reserve Investeringsfonds. De reserve biedt daartoe ook de financiële ruimte. Het gevolg hiervan is dat het krediet van € 2.575.000 kan worden ingetrokken en dat de kapitaallasten van € 103.000 per jaar (aflopend) vervallen en het saldo van het faseringsverschil navenant stijgt. Het voorstel tot aanpassing krediet en dekking uit de Rif is als apart raadsbesluit bij de Perspectiefnota 2022 opgenomen. A2 Binnenstad en a3 DIF/DIP zijn eerder beschikbaar gesteld en niet volledig uitgegeven. Deze schuiven door naar 2021. Dat geldt ook voor de overige herfaseringen. Ze zijn uitgesplitst in bijlage 3 Resultaatbestemming jaarrekening 2020. Verwachte winstafdrachten (C) In het verloop van het saldo Rif is rekening gehouden met de verwachte afdrachten uit de grondexploitaties (C) en uit de deelneming Hoefweg. De tabel toont dat t/m 2030 nog een afdracht uit het resultaat van gemeentelijke grondexploitaties wordt verwacht van € 17,6 mln. en daarnaast € 6,1 mln. uit deelneming GR Hoefweg. De afdracht van de winst is afhankelijk van de realisatie van de winst en is voor de GR Hoefweg ook afhankelijk van het besluit tot uitkering door de gemeenschappelijke regeling.

De feitelijke aanwending van deze bedragen is pas mogelijk, nadat deze positieve resultaten ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd. Reserve vrij inzetbaar In onderstaande tabel staan de bijgewerkte stand en het verloop van de reserve. Tabel 3.7 Reserve vrij inzetbaar € 1.000 Omschrijving Stand per 1 januari, inclusief rekeningsresultaat Resultaat jaarrekening 2020 voor bestemming A. Raadsbesluiten ten laste van vrij inzetbaar tot en met februari 2021 B. Verwachting 1 Rekening 2020 a. Budgetoverhevelingen b. Resultaatbestemming c. Beroep op vrij inzetbaar doorgeschoven werkzaamheden 2020 d. 50% saldo naar RIF 2 Reservering voorgaande jaren a. Afwikkeling budgetten 2020 3 Begroting 2021 a. Dekking begrotingsaldo uit Vrij inzetbare reserve 2020-2023 b. Dekking begrotingsaldo uit Vrij inzetbare reserve 2021-2024 c. Dekking kosten Corona 2021 d. Actueel financieel perpspectief 2021 incl. claims 4 Begroting 2022-2025 in voorbereiding a. Begrotingssaldo 2022 uit Vrij inzetbare reserve b. Claim Enecomiddelen tbv SSVOZ c. Claim Enecomiddelen ter dekking van 2020/2021 Nog beschikbaar 31-12 (weerstandscap. reserve vrij inzetbaar) Totaal aan af te dekken risico's Saldo aan weerstandscap. excl grondbedrijf Factor weerstandsvermogen (weerstandscapaciteit / risico's)

2021

2022

2023

2024

2025

30.373 4.503 34.876 -286

26.440

15.525

15.669

15.959

290

290

290

290

-3.217

-1.141

-145

-2.400 -pm

-406

-185

-821

-4.500 -2.000 -3.360 -3.544 -4.909 voorlopig cijfer -6.836 7.565 6.400 26.440

15.525

15.669

15.959

16.248 16.227 22

1,63

0,96

0,97

0,98

1,00

De reserve vormt de weerstandscapaciteit van de gemeente: de reserve moet de ruimte hebben om de financiële gevolgen van eventuele tijdelijke financiële tegenvallers en risico’s op te vangen. In de stand van de reserve vrij inzetbaar is rekening gehouden met het: rekeningsresultaat van 2020; resultaatbestemmingsvoorstel 2020 (zie tabel punt B1); reserveringen uit voorgaande jaren (zie tabel punt B2); verwachte begrotingstekort 2021 en 2022 (inclusief voorstellen in voorbereiding met een beslag op de reserve (zie tabel punten B3 en B4). 16

De reserve vrij inzetbaar moet dekking bieden voor: het verwachte (negatieve of positieve) rekeningresultaat van het lopende begrotingsjaar 2021 (inclusief voorstellen Perspectiefnota/Eerste Tussenbericht) en de financiële risico’s bestaande uit: ▪ de financiële vertaling van de benoemde risico’s zoals opgenomen in de paragraaf Weerstandsvermogen in de Jaarrekening 2020 en ▪ 4% van het begrotingstotaal (exclusief grondexploitaties) voor eventueel niet onderkende risico’s. De claims vanwege de verwachte rekeningresultaten zijn in de tabel in de verwachtingen opgenomen. Het bedrag van de financiële risico’s komt uit op € 16,227 mln. Dat bedrag is in de tabel opgenomen onder het jaar 2025 bij onderdeel 4. Rekeningresultaat 2020 De reserve vrij inzetbaar is aangevuld met het rekeningresultaat 2020 van € 4,503 mln. Dit is veel positiever dan op grond van de begroting 2020 werd verwacht. In die begroting 2020/Tussenberichten 2020 werd nog uitgegaan van een beroep op de reserve vrij inzetbaar van € 13 mln. Per saldo dus een verbetering van de (verwachting) in de reserve vrij inzetbaar van € 18 mln. Dit beter dan verwachte financieel resultaat wordt in sterke mate beïnvloed door het verschuiven van kosten in de tijd. Dat wordt hierna toegelicht bij budgetoverheveling/resultaatbestemming.

Budgetoverheveling en resultaatbestemmingen In het raadsvoorstel Jaarrekening 2020 is aangegeven dat het positieve rekeningresultaat voor een groot deel wordt verklaard doordat er activiteiten met een incidenteel budget nog niet zijn uitgevoerd en waarvan de uitvoering in een later jaar nog noodzakelijk is. Met deze activiteiten is een bedrag gemoeid van € 7,309 mln. In bijlage 3 zijn de inhoudelijke onderwerpen toegelicht. Het positievere rekeningresultaat wordt ook veroorzaakt doordat, als gevolg van Covid-19, het beroep op gemeentelijke voorzieningen/budgetten lager is uitgevallen. In de verklaring van de jaarstukken is hieraan een bedrag gekoppeld van € 3,544 mln. Het college acht het waarschijnlijk dat er in 2021 in zekere mate een herstelvraag ontstaat met een mogelijk hoger dan geraamd beroep op voorzieningen. En er blijft nog onzekerheid of het rijk de gemeente voldoende tegemoet komt in de mogelijk extra kosten van de gevolgen van Covid-19. Om die reden wordt voorgesteld om binnen de reserve vrij inzetbar het bedrag van € 3,544 mln. als reservering aan te houden om een eventuele overschrijving van budgetten in de uitvoering van de begroting 2021 door Covid-19 bij het vaststellen van de jaarrekening 2021 te kunnen afdekken.

De reservering is opgenomen onder post 3c Afdekken begrotingstekorten 2021 en 2022 In tabel 3.1 geeft een financieel perspectief 2021 aan van € 4,909 negatief mln. bedraagt (post 3d). Dit is aanvullend op het dekken van incidentele begrotingstekorten van € 3,36 mln. en € 4,5 mln. op grond van eerdere verwachtingen in de begroting 2020-23 respectievelijk 2021-24. De reserve vrij inzetbaar moet de mogelijkheid hebben om het negatieve saldo af te dekken. Het af te dekken begrotingstekort 2022 bedraagt naar de stand van eind april 2021 € 6,836 mln. Daarvoor is – aanvullend op een beroep voor incidentele tekorten op grond van eerdere verwachtingen – een beroep op de reserve vrij inzetbaar noodzakelijk (post 4a). Ondersteuning SSVOZ Door de raad is voor de ondersteuning van de Stichting Stedelijk Voortgezet Onderwijs Zoetermeer (SSVOZ) een budget beschikbaar gesteld van 7,565 mln. Voor de dekking van dat bedrag is – bij amendement – een beroep gedaan op de reserve vrij inzetbaar. Dit in de verwachting dat deze dekking in deze reserve (uiteindelijk) ook voorhanden zou zijn. Als de stand en verwachte mutaties in de reserve vrij inzetbaar worden vergeleken met het bedrag dat voor risico’s en verwachte claims voorhanden moet zijn, dan biedt de reserve vrij inzetbaar niet de mogelijkheid om de kosten van SSVOZ te dragen.

17

Voorgesteld wordt om voor de dekking van het eerder beschikbaar gestelde (en nog steeds noodzakelijke) budget van € 7,565 mln. alsnog de Reserve Enecogelden in te zetten. Dit krijgt vorm door vanuit laatstgenoemde reserve een bijdrage te doen aan de reserve vrij inzetbaar. Rekening houdend met de bijdrage vanwege de kosten voor SSVOZ resteert in de reserve vrij inzetbaar nog een verschil tussen middelen in de reserve en de benodigde buffer voor claims en risico’s van (afgerond € 6,4 mln.) Voorgesteld wordt om dit bedrag vanuit de Reserve Enecogelden te storten in de reserve vrij inzetbaar (post 4c). Doordat het rekeningresultaat 2020 gunstiger was dan voorzien, heeft een in de vorige programmabegroting geraamde aanwending van de Reserve Enecogelden van € 6,2 mln. ten gunste van de reserve vrij inzetbaar niet plaatsgevonden. Daardoor heeft de nu voorgestelde aanvulling van € 6,4 mln. nauwelijks effect op de eerder gepresenteerde verwachting van het verloop van de Reserve Enecogelden. Op basis van de genoemde voorstellen resteert in de Reserve Enecogelden een nog te bestemmen/te besteden bedrag van € 60,735 mln. In bijlage 8 is een cijfermatige aansluiting in het verloop van zowel de Reserve Enecogelden als de reserve vrij inzetbaar opgenomen naar de verschillende peilmomenten in de gepresenteerde P&C stukken.

Benodigde weerstandscapaciteit De benodigde weerstandscapaciteit voor risico’s is € 16,227 mln. De beschikbare weerstandscapaciteit vraag om aanvulling zoals hiervoor aangegeven. De verhouding tussen de beschikbare weerstandscapaciteit en de benodigde capaciteit wordt aangeduid als het weerstandsvermogen: de mogelijkheid om weerstand te bieden. De norm voor het weerstandsvermogen is 1. Bij de jaarrekening 2020 was deze ratio 0,77. Rekening houdend met de voorstellen in het dekkingsplan 2022-2025 en de voorgestelde aanvulling van de reserve vrij inzetbaar groeit de ratio van de weerstandscapaciteit (het weerstandsvermogen) weer naar 1.

18

4.

Toelichting per programma’s

Programma 1. Onderwijs, economie en arbeidsparticipatie

Iedereen werkt, leert en/of doet naar vermogen mee

1.1 Bijdragen aan maatwerk in spelen en leren

% VVEkinderen dat meer dan gemiddelde leerwinst boekt

1.2 Beperken uitval onderwijs

Tevredenheid partners over samenwerking onderwijs en arbeidsmarkt

% Voor tijd ige sch oolverlaters zonder sta rtkwa lificatie in het afg elopen sch ooljaar

1.3 Bevorderen van een beter ondernemersklimaat

Rappo rtcijfer over dienstverlenin g van gemee nte aan ond ernemers in Zoetermeer

1.4 Bevorderen groei werkgelegenheid

1.5 Stimuleren duurzame arbeidsparticipatie

Toename aantal arbeidsplaatsen

% Arbeidsparticipatie

1.6 Voorzien in noodzakelijke middelen van bestaan

Bereik minimaregelingen als % van de doelgroep

Aantal bijstandsuitkeringen

Uitstroom naar werk

Deeltijd werkenden met uitkering

Uitstroom naar school

Financiën Bedragen x € 1.000

Doorkijk MJB

MJB 2022-2025 1e TB 2021

2022

2023

2024

2025

2026

Financiële ontwikkelingen bestaand beleid (leereffecten jaarrekening en TB1) Reclame-inkomsten

-372

Accommoderen volumegroei klanten Participatiewet

-147

-147

-147

-147

-147

-147

Saldo

-519

-147

-147

-147

-147

-147

Onvermijdelijke ontwikkelingen Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK)

-3.300

- rijksbijdrage, zie OAD Tozo regeling

-930

- rijksbijdrage

930

Tozo uitvoeringskosten

-650

- rijksbijdrage

650

Heroriëntatie voor ondernemers

-300

- rijksbijdrage, zie OAD Instrumenten intensivering schuldenaanpak

-78

- rijksbijdrage, zie OAD Volumegroei klanten Participatiewet

-456

- rijksbijdrage, zie OAD Wet Sociale Werkvoorziening (DSW)

-90

Verdeelmodel BUIG/Loonkostensubsidie Saldo

-4.224

-750

-750

-750

-750

-750

-750

-750

-750

-750

-750

-897

-897

-897

-897

-897

Afwijkingen maatregelen ombuigen en vernieuwen Anders organiseren bewindvoering

-131

Slimmere uitvoering participatiewet

-83

Saldo

-214

Totale wijziging saldo programma

-4.957

Financiële ontwikkelingen bestaand beleid (leereffecten jaarrekening en 1e TB) Reclame-inkomsten De gemeente kent verschillende soorten inkomsten vanuit reclame. Dit betreft reclame aan afzonderlijke masten, lichtbakken aan lantaarnpalen, reclameframes, reclamevitrines, billboards en driehoeksborden. In de programmabegroting is daarvoor jaarlijks een opbrengst opgenomen van ca. € 557.000. De COVID-19 pandemie heeft de economie hard geraakt. Twee bedrijven hebben daarom het contract niet verlengd en het is in 2020 vanwege de slechte economische vooruitzichten niet gelukt om vervangende, zo nodig tijdelijke, contracten af te sluiten. Het risico is dat dit vanwege de nog voortdurende pandemie ook niet in 2021 lukt. Dit geeft een nadeel van € 372.000. Vanwege de opzeggingen is het voornemen om een aanbestedingstraject te starten, waarbij partijen worden gevraagd te bieden op de mogelijkheid reclame aan te brengen in de openbare ruimte. Voor 2022 en verder is het risico dat inschrijvende partijen vanwege een verslechterd toekomstperspectief een lager bedrag bieden dan in de begroting is opgenomen. Hierbij speelt ook een trend dat deze wijze van reclamevoeren in toenemende mate als verouderd wordt gezien. In afwachting van de inschrijvingen is het begrote bedrag niet afgeraamd.

Bijstandsontwikkeling (BUIG) Bij de Programmabegroting 2021 is een inschatting gemaakt van de ontwikkeling van het bijstandsvolume in 2021 en verder. Voor de Perspectiefnota 2022 zijn zoals ieder jaar verscheidene scenario's uitgewerkt. Het meest reëel geachte scenario gaat uit van een ongeveer gelijke instroom naar de WW en van de WW een doorstroom naar bijstand zoals in 2020, aangevuld met een forse instroom vanuit de eindigende TOZO, in de zomer. Het gemiddelde volume Participatiewet (bijstandsuitkering) stijgt hierdoor naar 2.745 (+3,8% t.o.v. 2020). De IOAW/Z komt naar verwachting op gemiddeld 161 uitkeringen uit. Dit scenario komt nagenoeg overeen met de aantallen waarmee in de Programmabegroting 2021 rekening is gehouden. Aan de lastenkant wordt geen afwijking verwacht. De batenkant – de rijksvergoeding (BUIG) – kent meer onzekerheden. De voorlopige beschikking van het rijk voor 2021 is lager dan waarmee in de begroting rekening is gehouden. Dit wordt grotendeels verklaard doordat het rijk een deel van het macro-budget BUIG heeft afgezonderd vanwege de potentiële gevolgen van COVID-19 voor specifieke gemeenten.

De volgende drie factoren zijn nog van invloed op de uiteindelijke omvang van de BUIG: - de aanpassing loon- en prijsontwikkelingen; - de aanpassing gerealiseerde bijstandsaantallen 2020 (van Nederland); - de verdeling van het voor COVID-19 afgezonderde deel van het macrobudget . De eerste aanpassing betekent een stijging van de rijksvergoeding , de tweede naar verwachting een daling en de de derde weer een stijging. In de voorlopige beschikking is de derde aanpassing al volledig verwerkt, terwijl er nog geen enkele duidelijkheid bestaat over de toedeling van dat budgetdeel naar de gemeenten toe. Duidelijkheid over de financiële effecten van deze factoren wordt eind mei 2021 verwacht.

20

Voor dit moment melden we geen afwijking van de begroting met de inschatting, dat de afwijking van de geraamde inkomsten ligt tussen een (incidenteel) tekort van € 2,0 mln. en een overschot van € 1,5 mln. Accommoderen volumegroei klanten Participatiewet Er is voor 2021 een scenario voor de verwachte groei van het aantal uitkeringen Participatiewet. De economische vooruitzichten en het beëindigen van de steunmaatregelen (met name Tozo) leiden dit jaar tot een groei van het uitkeringsbestand. We verwachten een groei naar gemiddeld 2.906 uitkeringsdossiers (Participatiewet, IOAW en IOAZ). De formatiebegroting, die is gebaseerd op uitgangspunten van het Organisatie en InrichtingsPlan (OIP) ging uit van gemiddeld 2.661 uitkeringsdossiers. Bij een caseload van 125 bijstandsdossiers voor bestandsbeheer betekent dat voor 2021 en volgende jaren dat er minimaal 1,96 fte extra formatie nodig is (€ 147.000). De tendens van de bestandsomvang is omhoog: in het Tweede Tussenbericht 2021 wordt bekend hoeveel extra formatie bovenop die 1,96 fte nodig is voor 2022.

Onvermijdelijke ontwikkelingen Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK) Het rijk heeft in december 2020 een crisismaatregel in het kader van COVID-19 aangekondigd: de Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten (TONK). Een regeling voor huishoudens die door COVID-19 te maken hebben met een inkomensterugval en daardoor deze noodzakelijke kosten niet meer kunnen betalen. Op basis van het geschatte aantal huishoudens dat in aanmerking komt (1.500), wordt het bedrag aan toekenningen bij een bereik van 100% geschat op ongeveer € 4,3 mln. Bij een bereik van 75% gaat het in Zoetermeer om naar schatting ongeveer € 3,3 mln. De minimale uitvoeringskosten voor TONK Zoetermeer worden vooralsnog geschat op circa € 200.000. Als dit tot kostenoverschrijdingen ten opzichte van de begroting leidt, wordt de kostenoverschrijding op concernniveau in de eerste plaats gedekt uit de extra (corona) middelen vanuit het rijk en indien die op het totaal niet toereikend zijn, gedekt door de reservering van € 5 mln. uit de reserve vrij inzetbaar. De raad is hierover op 10 maart 2021 geïnformeerd via een memo. Tozo-regeling en Uitvoeringskosten Tozo-regeling In verband met de COVID-19 crisis voeren de gemeenten vanaf 1 maart 2020 de Tozo-regeling uit. Tozo staat voor: ‘Tijdelijke Overbruggingsregeling Zelfstandig Ondernemers’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zoetermeer&id=40ecc661-8b62-4873-89ee-b0e503b6b0f9