Bijlage 1 - Bestemmingsplan Engelandlaan 270 - toelichting
Tekst van het document
de balkons, 1e verdieping: 1,30 meter, 2e t/m 4e verdieping: 1,20 meter). 2. Op het dak wordt een gemeenschappelijk dakterras gerealiseerd. Dit dakterras is geluidluw. 3. Voor alle woningen (met hogere waarden) is het noodzakelijk om een aanvullend onderzoek naar de gevel geluidwering uit te voeren en te toetsen aan de eisen conform artikel 3.1 uit het Bouwbesluit. Voor de woning direct boven de entree van het gebouw, waarvoor een ontheffing dient te worden aangevraagd, is aanvullend onderzoek uitgevoerd naar maatregelen om de geluidbelasting te reduceren tot max. 53 dB, waardoor de plicht tot de aanwezigheid van een geluidluwe zijde komt te vervallen. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat door de letters van de naam van het gebouw te projecteren/monteren op een glazen of andersoortige dichte afscherming, voldoende geluidreductie wordt bewerkstelligd om de eerder berekende geluidbelasting ten gevolge van de Engelandlaan te reduceren van 55 naar 53 dB Lden. Voor deze woning dient een hogere waarde aangevraagd te worden. Geconcludeerd wordt dat na uitvoering van diverse maatregelen voor 84 woningen een hogere waarde aangevraagd dient te worden, variërend van 53 dB tot 55 dB vanwege wegverkeer en 56 dB vanwege spoorwegverkeer. Op ...... heeft het College van B&W van Zoetermeer het Besluit Hogere waarden geluid vastgesteld.
Het besluit is bijgevoegd in Bijlage 4. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijke geluidbeleid.
4.5
Luchtkwaliteit
Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
33/47
(jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2,5)
Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Ter plaatse van het plangebied worden 150 woningen gerealiseerd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate, onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Amsterdamstraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de Amsterdamstraat ruimschoots onder de grenswaarden lagen: 26,5 µg/m³ voor NO2, 21 µg/m³ voor PM10 en 12,9 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 8,7 dagen.
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
34/47
Figuur 4.2 Uitsnede NSL-monitoringstool met plangebied in rood (bron: NSL-monitoringstool)
Omdat direct langs de Amsterdamstraat aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. 4.6
Bedrijven en milieuhinder
Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
35/47
milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.
Onderzoek Door de ligging dichtbij het spoor en het centrum van Zoetermeer, kan het gebied het best getypeerd worden als 'gemengd gebied'. Op circa 30 meter ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van het spoor, is de parkeergarage in het geldende bestemmingsplan 'Stadscentrum/Dorpsstraat' voorzien van de bestemming 'Gemengd - 5'. Deze bestemming biedt ruimte aan detailhandel, maatschappelijke voorzieningen (t/m categorie A) en horeca. Planologisch zijn bedrijfsactiviteiten tot milieucategorie 2 mogelijk. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Aan de richtafstand wordt voldaan.
In de naastgelegen kantoorgebouwen zijn ook woningen gerealiseerd maar geldt nog een kantoorbestemming. De afstand tot de naastgelegen percelen bedraagt circa 29 meter. Voor kantoren geldt een milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter in een rustige woonwijk. Aan de richtafstand wordt in beide gevallen voldaan.
Verder zijn in de omgeving geen bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor de milieusituatie ter plaatse van het plangebied, of die door de beoogde ontwikkeling worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de (nog te realiseren) woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende milieuhinderlijke functies niet in de eigen bedrijfsvoering beperkt. Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg en nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.7
Externe veiligheid
Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Onderzoek en conclusie Overeenkomstig de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) waarin relevante risicobronnen worden getoond, liggen geen risicovolle inrichtingen in de buurt van het
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
36/47
plangebied. Ook vindt volgens de professionele risicokaart in de omgeving van het plangebied geen vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor, water of door buisleidingen plaats. Het plangebied ligt dus niet in een PR 10-6 contour van een risicobron. Ook ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van het groepsrisico van een risicobron. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.8
Ecologie
Normstelling en beleid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het ruimtelijk plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en, Natura 2000 gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000 gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb.
In de provincie Zuid-Holland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de 'overig' beschermde soorten. Het betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
37/47
beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd.
Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.3). Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Natuur Netwerk Nederland (NNN) zoals weergegeven in figuur 4.4. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'De Wilck' ligt op een afstand van circa 6,5 kilometer. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitatsoorten (Meijendel & Berkheide) ligt op een afstand van circa 11 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 3 kilometer.
Figuur 4.3 Plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS calculator)
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
38/47
Figuur 4.4 Plangebied (rode cirkel) ten opzichte van NNN (bron: Provincie Zuid-Holland)
Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten.
Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden tijdens de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is er een stikstofberekening uitgevoerd. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling. Dit is 330 mvt/etmaal op een weekdag (150 woningen * 2,2). Er wordt uitgegaan dat het verkeer zich 50/50 afwikkelt richting het oosten en westen. Tevens is er rekening gehouden met een aandeel van 3 mvt/etmaal aan vrachtverkeer (0,02 * 150). Het overige verkeer is aangegeven als licht verkeer. De stikstofberekening van de gebruiksfase is opgenomen in Bijlage 5. De stikstofberekening voor de bouw- en sloopfase is opgenomen in Bijlage 6. Beide berekeningen concluderen dat er geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden is berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Het voorgaande concludeert dat er voor de ontwikkeling geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist.
Soortenbescherming Voor het plangebied is door bureau Faunax een quickscan ecologie uitgevoerd (15 november 2018). Deze quickscan is opgenomen als Bijlage 7. Hieruit blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen (zwaar) beschermde soorten voor komen. Wel dient rekening gehouden te worden met broedvogels. Dit is mogelijk door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dit niet mogelijk is, kan voor aanvang van het broedseizoen de vegetatie worden verwijderd en voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcheck worden uitgevoerd. Indien aan de hand van de broedvogelcheck kan worden vastgesteld dat geen vogels broeden in het plangebied kunnen de werkzaamheden tijdens het broedseizoen doorgang vinden.
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
39/47
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Wel dient rekening gehouden te worden met broedvogels. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.9
Bodem
Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Onderzoek en conclusie Omdat de beoogde ontwikkeling voorziet in een functiewijziging, is er een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Moerdijk Bodemsanering BV (MBS) (d.d. 01-11-2018) . De rapportage is opgenomen als Bijlage 8. Tijdens het onderzoek is geen bodemverontreiniging aangetroffen. Nader onderzoek of andere maatregelen worden niet noodzakelijk geacht. Het aspect bodem staat de ontwikkeling niet in de weg. 4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Normstelling en beleid Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk ruimtelijk plan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden.
Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid zoals vastgelegd in 'De beschermde archeologische monumenten in
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
40/47
Zoetermeer' is beschreven in paragraaf 3.4.11.
Onderzoek en conclusie Archeologie De locatie ligt niet in een gebied waar archeologische verwachtingswaarden gelden. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Cultuurhistorie Ter plaatse van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zoals monumenten. 4.11
Kabels en leidingen
Normstelling en beleid Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: a. b. c. d.
gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
Onderzoek en conclusie Er zijn in (de omgeving van) het plangebied geen planologisch relevante buisleidingen of hoogspanningsverbindingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft geen rekening te worden gehouden. 4.12
Hoogbouw effect rapportage (HER)
Toetsingskader De Visie Binnenstad 2040, zoals reeds behandeld in paragraaf 3.4.2, geeft kaders mee aan de realisatie van hoogbouwinitiatieven in de binnenstad van Zoetermeer. Er is sprake van hoogbouw bij plannen van minimaal 30 mt hoogte. Daarom is hier een HER noodzakelijk. Met deze HER wil de gemeente Zoetermeer twee zaken duidelijk maken: de normering die de gemeente hanteert en de aard en de kwaliteit van de gegevens en onderzoeken die moeten worden aangeleverd bij een hoogbouwinitiatief. Aan de hand van 13 vragen komen de consequenties van hoogbouw voor de omgeving aan de orde. aandacht wordt besteed aan windhinder, bezonning, uitzicht, privacy, zichtlijnen, enzovoort.
Onderzoek en conclusie Deze HER is opgesteld als separaat document en is opgenomen in Bijlage 9. Uit de resultaten van de HER blijkt dat de consequenties van deze ontwikkeling een geringe impact op het woon- en leefklimaat van de omgeving hebben. De stedenbouwkundige inpasbaarheid is tekstueel onderbouwd en de onderzoeksresultaten van de deelaspecten zoals bezonning, windhinder en zichtlijnen geven geen aanleiding tot onacceptabele effecten. Uit de resultaten is wel gebleken dat op twee onderdelen een beperkte afwijking van het
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
41/47
gemeentelijk beleid noodzakelijk is: Privacy. Er is gebleken dat de twee hoogste verdiepingen van de nieuwe toren niet voldoen aan de 45-graden regeling. De afstand tot de bestaande woningen aan de overzijde (Oxfordstraat) is echter dusdanig groot (60 meter) dat een goede waarneming op een dergelijk grote afstand, zeer lastig is. Daarbij komt dat de woonkamer en de tuin (de voor privacy meest gevoelige ruimtes) van die bestaande woningen, ten opzichte van de toren, aan de achterzijde van die bestaande woningen liggen. Inkijk vanuit de toren in de woonkamer en tuin is daarom niet of nauwelijks mogelijk. Tevens staan er bomen (10 à 15 mt hoog) vóór de bestaande woningen (max 9 mt hoog) die het zicht verder beperken. Bezonning. De bestaande woongebouwen ter weerszijden van de nieuwe toren voldoen aan de bezonningsnorm uit de HER. Er is wel sprake van een lichte overschrijding van de bezonningsnorm ter plaatse van een klein deel van de westgevel van het gebouw Engelandlaan 400-498. Gebleken is dat van 19 februari tot 24 februari op een klein deel van de westgevel niet geheel kan worden voldaan aan de bezonningsnorm van minimaal 2 uur zonlicht per dag. Van 24 februari tot 17 oktober wordt echter wel voldaan aan de bezonningsnorm. En vanaf 17 oktober tot 21 oktober is er ook minder dan 2 uur zonlicht per dag.
Dit betekent dat op 235 dagen van de 245 dagen (= 96% van de periode 19 februari – 21 oktober) wel meer dan 2 uur bezonning mogelijk is. Daarnaast blijkt dat er tussen 21 april en 23 augustus helemaal geen invloed is van de geplande woontoren op de betreffende gevels. Gezien deze beperkte afwijking, afgezet tegen het stedelijk belang van het bouwen van voldoende woningen, heeft het College van B&W op 6 december 2022 besloten om af te wijken van de 45-graden regeling en de bezonningsnormen, zoals opgenomen in de HER.
4.13
Vormvrije mer-beoordeling
Normstelling en beleid In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Door het bevoegd gezag moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.
Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is indien (Besluit
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
42/47
milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2); de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een appartementengebouw ter plaatse van een bestaand kantoor. Binnen het appartementengebouw worden 150 woningen gerealiseerd waarmee de drempelwaarden niet worden overschreden. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Hierom is een aanmeldnotitie voor een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld, zie Bijlage 10. In deze notitie wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conclusie. De beoogde ontwikkeling is vormvrij m.e.r.-beoordelingsplichtig. Er zijn geen ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken volledige m.e.r.-procedure te volgen.
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
43/47
Hoofdstuk 5
Juridische vormgeving
5.1
Inleidende regels
5.1.1
Begrippen
In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. Zonder definitie zou een begrip tot verwarring kunnen leiden. 5.1.2
Wijze van meten
In artikel 2 wordt weergegeven hoe in de regels opgenomen maten voor de bouwhoogte, dakhelling, goothoogte, inhoud, oppervlakte, vloeroppervlakte en ondergeschikte bouwdelen van een bouwwerk moeten worden gemeten. 5.2
Bestemmingsregels
Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer-Verblijfsgebied' is gelegd op de buurt- en erfontsluitingswegen met de daaraan of daarlangs gelegen paden, (fiets)parkeervoorzieningen, groen- en waterelementen. Deze wegen zijn uitsluitend van belang voor het buurtverkeer. Verder zijn binnen de ruime begrenzing van de bestemming ook gebouwde nutsvoorzieningen met een beperkte omvang toegestaan.
Wonen Binnen de bestemming 'Wonen" is een bouwvlak aangegeven, waarbinnen het hoofdgebouw mag worden gebouwd. Er mogen maximaal 150 woningen worden gerealiseerd in het hoofdgebouw. In het bouwvlak is de maximale bouwhoogte van het woongebouw, zijnde 70 mt, met een aanduiding aangegeven. Ten behoeve van de woningen zijn ook gemeenschappelijke voorzieningen toegestaan zoals een fietsenberging, studieruimte, fitnessruimte, etc. Aan huis verbonden beroep of bedrijf Woningen mogen gedeeltelijk gebruikt worden voor een aan huis verbonden beroep of bedrijf, indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden hebben tot doel om het beroep of bedrijf zodanig te reguleren dat het wonen de hoofdfunctie van de woning blijft. Met andere woorden, het beroep of bedrijf mag niet de overhand krijgen. De ruimtelijke uitwerking en uitstraling van een aan huis verbonden beroep of bedrijf moet passen binnen de woonomgeving. Daarnaast kunnen - om parkeeroverlast in de woonomgeving te voorkomen - aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden gesteld ten aanzien van de realisering en situering van parkeervoorzieningen op eigen terrein. 5.3
Algemene regels
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel De antidubbeltelregel strekt er toe dat gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen, bij de beoordeling van een latere
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
44/47
omgevingsvergunning voor het bouwen buiten beschouwing moeten worden gelaten.
Artikel 6 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingsmogelijkheden gelden voor het gehele plangebied. Zo gelden er een aantal algemene afwijkingsregels om, na een belangenafweging, eventueel mee te kunnen werken aan kleine afwijkingen van de regels. Tevens gelden er speciale afwijkingsregels voor telecommunicatievoorzieningen. Zo kan worden voorkomen dat een teveel aan GSM-masten en installaties een stedenbouwkundig onwenselijke situatie oplevert. Daarnaast spelen op de achtergrond (in planologisch opzicht niet relevant) klachten op het gebied van de volksgezondheid. Hoewel de meetbare straling voldoende in kaart is gebracht en aan voldoende objectieve normen kan worden getoetst, lijken (nog) niet alle aspecten op het gebied van gezondheid glashelder in beeld te zijn. Vooralsnog heeft de gemeente Zoetermeer besloten vast te houden aan de thans beschikbare wetenschappelijke kennis en het rijksstandpunt. Het beleid voor telecommunicatie is hierop gebaseerd. De afwijkingsregels houden in dat het - onder voorwaarden - mogelijk is om een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een antennemast met een maximum hoogte van 40 m.
Artikel 7 Algemene wijzigingsregels Het is mogelijk om, onder voorwaarden en in beperkte mate, en na een bestemmingswijziging, af te wijken van de begrenzing van bouwvlakken en/of bestemmingsvlakken, binnen de gestelde kaders.
De voorwaarden waaronder de wijzigingsbevoegdheden kunnen worden toegepast zijn per locatie opgesomd. 5.4
Overgangsrecht en slotregels
In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Ook is een strafbepaling opgenomen voor overtreding van de gebruiksbepalingen. Deze regels zijn opgenomen in artikel 8. In artikel 9 is de slotregel opgenomen.
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
45/47
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Dat is hier het geval omdat sprake is van de bouw van één of meer woningen. Er kan echter worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De gemeente heeft met de ontwikkelaar van het plangebied een anterieure overeenkomst gesloten waardoor het kostenverhaal op die manier anderszins is verzekerd. Er is geen exploitatieplan nodig. Het is ook niet nodig aanvullende regels en eisen op te nemen. De kosten van de plintverlegging komen voor rekening van de gemeente en de gemeenteraad heeft hiervoor een krediet beschikbaar gesteld. De kosten van het bouwplan komen voor rekening van de ontwikkelaar. Hiermede is aangetoond dat het plan economisch uitvoerbaar is.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voorbereiding Volgens artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan in januari 2021 toegezonden aan een aantal overlegpartijen zoals de provincie Zuid-Holland, de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH), Gasunie, Stedin, TenneT en het Hoogheemraadschap Rijnland. De reacties luidden instemmend en hebben niet tot wijzigingen in het bestemmingsplan geleid. Tevens is met betrekking tot het bouwplan een participatietraject doorlopen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft gedurende een periode van 6 weken, van 16 december 2022 tot en met 26 januari 2023 ter inzage gelegen. Het was voor iedereen mogelijk om een mondelinge of schriftelijke zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
46/47
Hoofdstuk 7
Handhaving
Op 9 mei 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota 'Niet alleen Handhaven', Handhavingsbeleid 2011-2014 vastgesteld. Dit beleid ziet onder meer op het handhaven van bestemmingsplannen. Een belangrijk uitgangspunt in dit beleid is de dubbele regelkring. Dit betekent dat er van wordt uitgegaan dat toezicht en handhaving niet alleen wettelijke taken zijn, maar vooral ook instrumenten om beleidsdoelen te realiseren.
Voor de handhaving is een prioritering ingevoerd. Daarbij zijn weegfactoren benoemd op basis waarvan de onderwerpen die het belangrijkst worden gevonden, het zwaarst worden gewogen. Fysieke veiligheid geldt als belangrijkste weegfactor. Natuur en duurzaamheid zijn de minst zware weegfactoren. Vervolgens zijn voor de handhaving per taakveld bouwen, milieu en openbare ruimte prioriteiten gesteld. De handhaving van bestemmingsplannen valt onder het taakveld bouwen. Bij elk taakveld is een rangschikking ontstaan van zeer grote risico's naar zaken die nauwelijks risico's in zich herbergen. De prioritering wordt vervolgens in jaarlijkse handhavingsuitvoeringsprogramma's vertaald naar aandachtsgebieden, bijvoorbeeld extra aandacht voor illegale dakopbouwen, dakkapellen of illegaal gebruik.
Handhaving kan plaatsvinden via de publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Het college van Burgemeester en Wethouders is bevoegd om met bestuursrechtelijke sancties op te treden tegen overtredingen van regels van bestemmingsplannen. De bestuursrechtelijke sancties bestaan uit de bestuursdwang en het opleggen van last onder dwangsom. Door middel van het privaatrecht kan de gemeente op indirecte wijze het bestemmingsplan handhaven. Dat kan door gebruikmaking van haar bevoegdheden als eigenaar of van contractuele bevoegdheden.
De strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. Overtredingen op grond van bestemmingsplanregels vallen met ingang van 13 september 2004 onder de Wet op de economische delicten. Strafrechtelijk optreden is gewenst bij overtredingen waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. De Wet op de economisch delicten biedt verder de mogelijkheid bij het opleggen van de straf rekening te houden met het economisch voordeel dat de overtreder heeft behaald. Ook biedt de wet de mogelijkheid de verplichting op te leggen om op eigen kosten de gevolgen van het delict goed te maken.
Sea Tower, Engelandlaan 270 versie vastgesteld
47/47