Bijlage 1 - Bestemmingsplan 2e partiële herziening Palenstein, winkelcentrum Croesinckplein e.o.
Tekst van het document
Er kan geconcludeerd worden dat nadelige effecten te reguleren zijn en dat een m.e.r.-beoordeling in deze niet noodzakelijk is. In dit hoofdstuk zijn daarnaast diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren.
5.2
Geluidhinder
5.2.1
Kader
De Wet geluidhinder (Wgh), en het hierop gebaseerde Besluit geluidhinder, bevatten normen en regels ter voorkoming of beperking van geluidhinder ten gevolge van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai afkomstig van een gezoneerd industrieterrein. Aangegeven wordt welke objecten bescherming genieten tegen geluid. Naast woningen gaat het onder meer om scholen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, psychiatrische ziekenhuizen. Woonwagenstandplaatsen en verblijfsterreinen bij psychiatrische ziekenhuizen worden aangemerkt als geluidsgevoelige terrein. 5.2.2
Onderzoek
Dee nieuwe woningen zijn gelegen binnen de zone van de Australiëweg, de Gaardedreef, de Van Aalstlaan en de metrobaan (Krakeling). Om deze reden is door KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 2. Uit het onderzoek blijkt dat alleen het verkeer op de Australiëweg een geluidsbelasting veroorzaakt die de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. De maximaal berekende geluidsbelasting bedraagt maximaal 56 dB. De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Het (spoor)verkeer op de overige (spoor)wegen veroorzaakt geen geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
40
De geluidsbelasting door het verkeer op de Du Meelaan is berekend uit hoofde van een goede ruimtelijke ordening en bedraagt maximaal 53 dB. Deze geluidsbelasting wordt aanvaardbaar geacht omdat de woningen langs deze weg een geluidsluwe gevel en buitenruimte hebben en omdat de geluidsbelasting door het verkeer op de Du Meelaan ook wordt meegenomen in het geluidweringsonderzoek. De cumulatieve geluidsbelasting wordt in hoofdzaak bepaald door het wegverkeer op de Du Meelaan en bedraagt langs die weg maximaal 61 dB ter plaatse van de woningen direct ten zuiden van de Du Meelaan. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet in het kader van het bestemmingsplan een hogere waarde worden vastgesteld voor het verkeer op de Australiëweg. Uit het onderzoek volgt dat bron en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn. Omdat de geluidsbelasting op grond van het verkavelingsplan bij het overgrote deel van de woningen beperkt blijft tot 53 dB is het daar niet noodzakelijk dat de woningen een geluidsluwe zijde en buitenruimte hebben. Op de vier hoogste bouwlagen in deelgebied C en op de twee hoogste bouwlagen in deelgebied D is sprake van een geluidsbelasting die hoger is dan 53 dB en zijn maatregelen noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de voorwaarden uit het hogere waarden beleid.
De eerste stap voor de vaststelling van een hogere waarde is dat het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Gevolgen wegverkeerslawaai wijziging Sandrinapad Ten behoeve van de ontsluiting van de woningen in deelgebied G zal het Sandrinapad worden aangepast en geschikt gemaakt voor gemotoriseerd verkeer. Op dit moment is het Sandrinapad een fiets- en voetpad dat niet toegankelijk is voor auto’s. Ten behoeve van de wijziging van het Sandrinapad en de daarmee samenhangende wijziging van de verkeersafwikkeling zal een verkeersbesluit worden genomen. In bijlage 8 is een notitie opgenomen waarin is onderzocht welke invloed de voorgenomen wijziging van de verkeersafwikkeling in het gebied heeft op de geluidsbelasting en het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen. Uit deze notitie blijkt dat de hoogst berekende geluidsbelasting 49 dB bedraagt. Deze waarde is 1 dB hoger dan de voorkeursgrenswaarde voor geluidsgezoneerde wegen. In het stedelijk gebied binnen de gemeente Zoetermeer is dit zeker niet een uitzonderlijk hoge geluidsbelasting. Dit geldt ook voor 30 km/uur gebieden in de stad. Een dergelijke geluidsbelasting heeft op zichzelf geen onaanvaardbare invloed op het woon- en leefklimaat.
Er is daarnaast geen sprake van bijzondere omstandigheden zoals cumulatie van geluid of de aanwezigheid van geluidsbronnen die dezelfde woningen van verschillende zijden aanstralen. De conclusie luidt dat er na realisatie van de nieuwbouwwoningen en openstelling voor gemotoriseerd verkeer van het Sandrinapad en de aansluitende nieuwe erfontsluitingswegen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande woningen. 5.2.3
Conclusie
In het kader van dit bestemmingsplan dient een hogere waarden te worden vastgesteld en dienen bouwkundige maatregelen getroffen te worden.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
41
5.3
Trillingshinder
5.3.1
Kader
Voor trillingshinder bestaan geen wettelijke normen. Wel kan trillingshinder een rol spelen bij de vraag of met de ontwikkeling van het project, sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Een hulpmiddel hierbij is de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: Deel A, Schade aan gebouwen; Deel B, Hinder voor personen in gebouwen; Deel C, Storing aan apparatuur. Deze richtlijn sluit grotendeels aan bij internationale richtlijnen, waarbij veel aandacht wordt besteed aan het meten van trillingen. Over het algemeen wordt dan ook verwezen naar deze richtlijn wanneer een trillingsonderzoek is voorgeschreven en uitgevoerd. Naast aandacht voor de meting van trilling bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek. De richtlijnen hebben alleen betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen gebouw komen. Dat houdt in dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de funderingen het gebouw bereiken. Bij deel B (hinder voor personen in gebouwen) worden de trillingen gemeten op vloeren, omdat daar de hinder optreedt. Trillingshinder wordt beoordeeld aan de hand van het maximale trillingsniveau en het gemiddeld trillingsniveau. Dit is vergelijkbaar met het maximale geluidsniveau en het langtijdgemiddeld geluidsniveau bij de beoordeling van geluid.
Voor een aantal typen trillingen en verschillende gebouwfuncties (wonen, onderwijs e.d.) staan in de richtlijn grens- en streefwaarden. Voor schade aan gebouwen zijn grenswaarden opgeno 5.3.2
Onderzoek
IFCO Funderingsexpertis heeft in het kader van de ontwikkeling van vlek G een risicoanalyse opgesteld waarin de omgevingsrisico's ten gevolge van toekomstig uit te voeren werkzaamheden voor het geplande nieuwbouwproject in kaart worden gebracht. Deze risicoanalyse is opgenomen in bijlage 9. In de risicoanalyse zijn de volgende werkzaamheden cq. situaties beschouwd: Aanbrengen van heipalen (invloed: trillingen) Aanbrengen van nieuwe wegconstructie (invloed: bemaling, zettingen) Gewijzigde verkeerssituatie (invloed: trillingen) Uit de risicoanalyse blijkt dat de invloed van het aanbrengen van geheide funderingspalen op de overige belendingen klein wordt geacht. Door het aanbrengen van een nieuwe wegconstructie bestaat een kleine kans op het onstaan van zettingen en tijdens mogelijke bemalingswerkzaamheden bestaat een risico op beïnvloeding van de paalfundering. De invloed van trillingen door verkeer op de belendingen (trillingsschade) wordt in de gewijzigde situatie aanvaardbaar klein geacht wanneer de afstand tot de belendingen minimaal 4 m bedraagt. In de nieuwe situatie zal de afstand van de voorgevel tot de zijkant van de weg 8,35 m bedragen en zullen de trillingen aan de SBR-A voldoen. De invloed van trillingen door verkeer op personen (trillingshinder) wordt in de gewijzigde situatie als aanvaardbaar geacht wanneer de afstand tot de belendingen minimaal 6 m bedraagt.
In de nieuwe situatie zal de afstand van de voorgevel tot de zijkant van de weg 8,35 m bedragen en zullen de trillingen aan de SBR-B voldoen.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
42
5.3.3
Conclusie
Uit onderzoek blijkt dat de invloed van de verschillende werkzaamheden als klein en aanvaardbaard wordt geacht. Wel wordt geadviseerd om in ieder geval te monitoren bij werkzaamheden die volgens de risicoanalyse invloed kunnen hebben op de omgeving. Het aspect trillingshinder vormt daarmee geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
5.4
Bodemkwaliteit
5.4.1
Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. 5.4.2
Wet bodembescherming
De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. 5.4.3
Situatie in het plangebied
Het plangebied is momenteel in gebruik als bedrijventerrein, woongebied en openbare weg. Het plangebied is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Bij de Jan van Beierenlaan 764 is een (voormalige) ondergrondse brandstoftank bekend. Het plangebied ligt in de wijk Palenstein. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Zoetermeer blijkt dat de locatie is gelegen in zone Uitbreidingen 2. Alleen de bebouwde gedeelten zijn onderzocht. Ter plaatse van één bebouwing is het uitgevoerde bodemonderzoek sterk verouderd (ouder dan vijf jaar). Indien voor deze locatie bouwplannen/herinrichtingsplannen zijn, zal het bodemonderzoek geactualiseerd moeten worden. Voor die delen van het plangebied waar herinrichting en/of nieuwbouw plaatsvindt en waar nog geen onderzoek en/of sanering heeft plaatsgevonden, zal bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd en eventueel gesaneerd moeten worden. 5.4.4
Conclusies
In kader van dit bestemmingsplan kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de toekomstige functie. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
43
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Luchtkwaliteitseisen
Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; projectsaldering kan worden toegepast. 5.5.2
Luchtkwaliteitsonderzoek
De voorliggende ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een ontwikkeling is als NIBM aan te merken wanneer de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van 87 extra woningen in dit plan valt ook binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Ook wanneer de gehele herontwikkeling van het stadsdeel in samenhang wordt bezien, is er met een totaal aantal woningen van 323 woningen sprake een ontwikkeling die is aan te merken als NIBM. Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (de Du Meelaan, de Osylaan, de Van Aalstlaan en de Australiëweg) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 5.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
44
PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2020.
Afbeelding 5.1: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2017 (NSL-monitoringstool) Uit de afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet overschrijden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 5.5.3
Conclusies
De ontwikkeling in dit plan is aan te merken als een project dat niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten.
5.6
Water
5.6.1
Watertoets
Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Palenstein' is een watertoets opgesteld. De watertoets voor het bestemmingsplan bestaat uit twee onderdelen: het in samenwerking met het hoogheemraadschap opgestelde beleidskader 'Watersysteem Palenstein" (2010) en afspraken met het hoogheemraadschap over de realisatie van watercompensatie. Uit de watertoets is gebleken dat in het plangebied genoeg ruimte is om in de benodigde oppervlakte watercompensatie te voorzien. Deze 2e partiële herziening leidt niet tot extra opgave op het gebied van watercompensatie. In de 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
45
voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan worden ten opzichte van het bestemmingsplan 'Palenstein' meer woningen mogelijk gemaakt, maar het ruimtebeslag van het plangebied neemt niet toe. De extra woningen worden binnen de bestaande bestemming gerealiseerd en de grenzen van de bestemming worden niet verruimd. Daarnaast voorziet deze herziening in de wijziging van bouwhoogtes op verschillende plaatsen in het plangebied. Deze afwijkende bouwhoogte heeft geen gevolgen voor de situatie op het gebied van de waterhuishouding. Hieruit kan worden opgemaakt dat deze 2e partiële herziening niet leidt tot een toename van het verhard oppervlak en/of wijziging van het (beoogde) watersysteem in het plangebied. Realisatie van aanvullende waterberging - ten opzichte van eerdere afspraken met het hoogheemraadschap - en aanvulling op de watertoets zijn in dit geval niet nodig.
5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1
Begrip milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Deze milieuzonering dient aldus twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Een vergaande scheiding van functies kan echter ook leiden tot inefficiënt ruimtegebruik en een verlies aan ruimtelijke kwaliteit. Een gemengd gebied met een mix van wonen en werken, winkels en horeca stimuleert een levendig straatbeeld, een hogere sociale veiligheid en extra draagvlak voor voorzieningen. 5.7.2
VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering
De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering is een handreiking voor milieuzonering in ruimtelijke plannen. Het boekje vormt een hulpmiddel voor gemeenten om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen voor een locatie concreet in te vullen. Het doel van de publicatie is om te komen tot maatwerk op lokaal niveau. Dit betekent dat gemaakte keuzes zorgvuldig moeten worden afgewogen en verantwoord. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn echter niet bedoeld om de aanvaardbaarheid te toetsen van situaties waarbij bestaande bedrijven in de nabijheid van bestaande woningen liggen. Het is dus niet bedoeld om bestaande situaties te beoordelen. De in de publicatie opgenomen richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van buurtgerichte voorzieningen, zoals basisscholen komen er vrijwel geen andere functies voor, behalve aan huis verbonden beroep of bedrijf. Anders dan rustige woonwijken, zijn er ook gebieden met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
46
Indien sprake is van een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen, komen andere functies voor zoals winkels, horeca en of kleine bedrijven en voorzieningen. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. 5.7.3
Milieuzonering in het plan
In de omgeving van het plangebied zijn diverse bedrijven gelegen. Ook is het, op basis van de gemengde bestemming, mogelijk om diverse vormen van bedrijvigheid in het plangebied te realiseren. In het kader van het moederplan 'Palenstein' is reeds onderbouwd dat de (toekomstige) bedrijven in en in de directe omgeving van het plangebied niet beperkt worden door de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Daarnaast is reeds onderbouwd dat ter plaatse van de woningen sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. 5.7.4
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.
5.8
Externe Veiligheid
5.8.1
Kader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 5.8.2
Onderzoek
Een deel van de toekomstige woningen in het plangebied ligt binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van het LPG-tankstation aan de Van Aalstlaan. Dit LPG-tankstation is inmiddels opgeheven. Bij besluit van 19 oktober 2015 is de omgevingsvergunning voor de opslag en verkoop van LPG ingetrokken. Daarmee ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van risicobronnen. 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
47
5.8.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Natuurwaarden
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). 5.9.1
Soorten
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl.
Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en c.
sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
48
3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: a. er geen andere bevredigende oplossing is, en b. indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In Zoetermeer is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb).
Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. 5.9.2
Gebieden
Natura2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).
De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. 5.9.3
Natuurwaardenonderzoek
Soortenbescherming Uit onderzoek, zie bijlage 3, is gebleken dat bij de voorziene ingrepen tijdelijke zomer- en paarverblijfsplaatsen van de Gewone dwergvleermuis en de Ruige dwergvleermuis verloren gaan. In het kader van de benodigde ontheffing is door Bureau Stadsnatuur een activiteitenplan opgesteld, zie bijlage 5. In dit activiteitenplan wordt nader toegelicht op welke wijze de door de Wet natuurbescherming beschermde soorten effecten kunnen ondervinden van de handelingen waarvoor ontheffing wordt 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
49
aangevraagd en welke maatregelen worden getroffen om nadelige effecten te mitigeren of te compenseren. Hiermee worden er geen verbodsbepalingen met betrekking tot soortenbescherming overtreden. Gebiedsbescherming De locatie is niet gelegen op gronden die zijn aangewezen als NatuurNetwerk Nederland (NNN, voorheen bekend onder de naam Ecologische Hoofdstructuur). Daardoor gaat er geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN is zodoende niet nodig. De ontwikkeling van 323 woningen brengt mogelijk negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie met zich mee. Om deze reden is door KuiperCompagnons een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. In deze notitie is de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase voor de bouw en het gebruik van deze nieuwe woningen beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van deze 323 woningen in het plan 'Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o.'.
In deze berekening is uitgegaan van een aanlegfase die minimaal drie jaar duurt waardoor in een maatgevend jaar van aanleg een stikstofemissie optreedt van 538 kg NOx. Op basis van deze emissie kan op basis van dit onderzoek worden geconcludeerd dat significant negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
50
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
51
Hoofdstuk 6
Juridische vormgeving
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is een aantal uniforme bepalingen opgenomen voor het bestemmingsplan. Die zijn overgenomen in de regels. Daarnaast gelden er ten behoeve van de leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker van het bestemmingsplan landelijke standaarden, de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met de landelijke standaard.
6.1
Inleidende regels
In artikel 1 worden de begrippen die in de regels worden gebruikt omschreven. Sommige begrippen zijn voor meerdere uitleg vatbaar, daarom is het nodig om ze planologisch-juridisch af te bakenen en te preciseren, ten opzichte van het algemeen spraakgebruik. In artikel 2 wordt aangegeven hoe de in de regels opgenomen maten voor bouwhoogte, goothoogte, inhoud, oppervlakte, vloeroppervlakte en ondergeschikte bouwdelen van een bouwwerk moeten worden gemeten.
6.2
Bestemmingsregels
6.2.1
Flexibiliteitsregels
In het bestemmingsplan is in sommige gevallen een bevoegdheid opgenomen zodat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van de regels. De ontheffing is bedoeld om in concrete situaties een beperkte afwijking van de regels toe te staan. Hierdoor mag geen ruimtelijk ongewenste situatie ontstaan. Voordat ontheffing wordt verleend, wordt een nadere planologische afweging gemaakt. Deze afweging vindt plaats aan de hand van de volgende ruimtelijk relevante aspecten: Straat- en bebouwingsbeeld Bepaalde buurten en straten ontlenen hun kwaliteit aan het ruimtelijk beeld, een ruimtelijke samenhang, bijvoorbeeld verspringende rooilijnen, dwarskappen. Nieuwe bebouwing en uitbreiding van bestaande bebouwing mag geen aantasting vormen van dit karakteristieke straat- en bebouwingsbeeld, maar moet daarin passen. Sociale veiligheid Het betreft hier het voorkomen van sociaal onveilige plekken, zoals smalle onoverzichtelijke plekken in het (semi) openbaar gebied. Ook het voorkomen van bijvoorbeeld situaties waarbij de (semi) openbare ruimte aan beide zijden wordt begrensd c.q. begeleid door lange blinde gevels of muren. Verkeersveiligheid Gedacht wordt hier bijvoorbeeld aan de noodzaak tot het vrijhouden van zichthoeken.
Gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken Het gaat hier om het criterium dat een uitbreiding van bebouwing geen onevenredige aantasting mag vormen voor de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen en bouwwerken. Hier spelen bijvoorbeeld aspecten als uitzicht, lichttoetreding en bezonning van tuinen een rol. 6.2.2
Gemengd - 1
Deze bestemming is gelegd op het te ontwikkelen gebied. Binnen het gebied is sprake van een functiemenging. De gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
52
Daarnaast zijn de toegestane bouwhoogtes, het maximum aantal woningen, en de maximale oppervlakte aan niet-wonen functies geregeld. In de regels wordt verwezen naar de bedrijvenlijsten in de bijlage zodat afgelezen kan worden welke typen bedrijven waar zijn toegestaan. De bestemming 'Gemengd-1' kent een ruime bestemmingsregeling gezien de toekomstige opgave die hier ligt. Ten opzichte van het moederplan 'Palenstein' en het bestemmingsplan 'Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o.' is de bestemming 'Gemengd 1' gewijzigd, in zoverre dat het maximaal aantal woningen is verhoogd van van 236 naar 323 woningen. Daarnaast zijn enkele bouwhoogtes verhoogd. De functieaanduiding 'detailhandel' is geschrapt in het oostelijk deel van het plangebied. De overige regels van artikel 4 van het bestemmingsplan 'Palenstein' blijven ongewijzigd van kracht.
6.3
Algemene regels
6.3.1
Antidubbeltelregel
De antidubbeltelregel is een verplichte regel die voortkomt uit het Besluit ruimtelijke ordening. 6.3.2
Algemene afwijkingsregels
Dit artikel bevat de algemeen gebruikelijke afwijkingsmogelijkheden. Deze afwijkingsmogelijkheden gelden voor het gehele plangebied. 6.3.2.1 Afwijkingsregels voor voorzieningen voor telecommunicatie Dit artikel is opgenomen om nadere eisen te kunnen stellen die moeten voorkomen dat een teveel aan GSM-masten en installaties een stedenbouwkundig onwenselijke situatie oplevert. De afwijkingsregels houden in dat het - onder voorwaarden - mogelijk is om af te wijken van de planregels voor het plaatsen van een antennemast met een maximale bouwhoogte van 40 m. 6.3.2.2 Overige regels In artikel 6, lid 1 is aangegeven in welke gevallen de aanvullende werking van de bouwverordening van toepassing is. In artikel 6, lid 2 is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken ten dienste van detailhandel, horeca, maatschappelijk, dienstverlening of wonen alleen kan worden verleend als in, op, of onder het gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien. De parkeerbehoefte voor de ontwikkelingen in Palenstein wordt getoetst aan de parkeernormen uit de 'Nota Parkeernnormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019'.
Deze regel is opgenomen vanwege het vervallen van de mogelijkheid om in de gemeentelijke bouwverordening stedenbouwkundige bepalingen (waaronder parkeernormen) op te nemen (Reparatiewet BZK 2014). Tegelijkertijd is het met een wijziging van artikel 3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening mogelijk geworden om in een bestemmingsplan regels op te nemen, waarvan de toepassing en/of uitoefening afhankelijk is van lokale beleidsregels (zogenoemde wetsinterpreterende regels). Daarmee is het noodzakelijk geworden om in de regels van het plan een verwijzing naar de 'Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels 2012’ op te nemen, zodat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een gebouw of bouwwerk kan worden getoetst of in de eigen parkeerbehoefte kan worden voorzien. In het geval niet in, op of onder het gebouw dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort in de parkeerbehoefte kan worden voorzien, kan het bevoegde gezag een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van de parkeernormen, mits 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
53
anderszins in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Dit biedt de mogelijkheid om de parkeerbehoefte bijvoorbeeld in de omgeving van het winkelcentrum op de te vangen.
6.4
Overgangs- en slotregels
6.4.1
Overgangsrecht
Deze artikelen regelen de bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, die op tijdstip van inwerkingtreding van dit plan in strijd zijn met de bestemming of de of met beide. 6.4.2
Slotregel
In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
54
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
55
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
7.1
Financiële uitvoerbaarheid
7.1.1
Grondexploitatie (artikel 6.12 Wro)
Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het onderhavige bestemmingsplan is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: 1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); 2. het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; 3. het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is.
De gronden waarop in het onderhavige bestemmingsplan een bouwplan, als bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, is voorgenomen zijn deels in eigendom bij de gemeente en deels in eigendom bij de intiatiefnemers. Het kostenverhaal is anderszins verzekerd middels een anterieure overeenkomst. Daarnaast is het niet noodzakelijk om een tijdvak of fasering vast te stellen en zijn eisen aan de werken en werkzaamheden niet benodigd. Om deze reden is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig. 7.1.2
Financiële uitvoerbaarheid
Een deel van de gronden waarop de ontwikkeling betrekking heeft is in eigendom van de gemeente. Deze gronden zullen middels een ruilverkaveling aan partijen worden overgedragen. De kosten die samenhangen met de ontwikkelingen zijn grotendeels voor risico en rekening van de initiatiefnemers. Voor de ontwikkeling van het project heeft de gemeente met de initiatiefnemers een anterieure koopovereenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het project zijn vastgelegd, inclusief kostenverhaal. De ontwikkelaar zal het bouwplan volledig onder eigen verantwoordelijkheid en voor eigen rekening en risico (laten) uitvoeren. Op grond van het bepaalde in artikel 3.1.6 onder f. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in deze toelichting inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Deze uitvoerbaarheid heeft in het bijzonder betrekking op de financieel economische uitvoerbaarheid. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de financieel economische uitvoerbaarheid. Er is sprake van een bouwplan dat past binnen het beleid van de overheden. Het gemeentelijke woonbeleid is mede gebaseerd op de vraag naar typen woningen. Om deze redenen is er sprake van een financieel-economisch uitvoerbaar plan.
Tot slot zijn in de overeenkomst afspraken gemaakt over vergoeding van de schade als bedoeld in artikel 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
56
6.1. Wro (planschade) en overige vormen van schade. Ook de bijdrage voor de gemaakte en te maken kosten, tussentijdse beëindiging/ontbinding van de overeenkomst en geschillen zijn geregeld. Uit het bovenstaande blijkt dat de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan gewaarborgd is.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Informeren belanghebbenden/omwonenden
De samenspraak voor dit woningbouwproject vindt plaats op het niveau van informeren. In verband met corona is het niet mogelijk fysieke samenspraaksbijeenkomsten te organiseren. Daarom is een digitale informatieve bijeenkomst georganiseerd waarin het plan is gepresenteerd. Omwonenden zijn daarnaast actief benaderd om gedurende de wettelijke inzage termijn een reactie te geven op het plan. 7.2.2
Wettelijk vooroverleg
Het voorontwerpbestemmingsplan is op grond van artikel 3.1.1 Bro toegestuurd aan de verschillende overheden en instanties. Door de Provincie Zuid-Holland is aangegeven dat met voorgenomen ontwikkeling geen provinciale belangen worden geschaad. Door de Veiligheidsregio is aangegeven dat er geen bezwaren zijn tegen het plan. Wel is aangegeven dat het nabijgelegen LPG-station niet meer als zodanig in gebruik is. Dit is in de toelichting van het plan verwerkt. Door het Hoogheemraadschap van Rijnland is aangegeven dat er geen bezwaar bestaat tegen het plan. De waterhuishoudkundige belangen zijn niet in het geding. Door de Omgevingsdienst Haaglanden zijn opmerkingen gemaakt op het voorontwerp op de aspecten geluid, bodem en externe veiligheid. Dit heeft geleid tot aanpassingen in de toelichting en het akoetische onderzoek. Er zijn geen inspraakreacties door burgers ingediend. Ten slotte heeft de gemeenteraad laten weten dat er geen aandachtspunten zijn voor het plan. 7.2.3
Ontwerpfase
Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen en aanvullingen die volgen uit de overlegreacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken, vanaf 19 maart, ter inzage gelegd. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn 133 zienswijzen binnen de genoemde termijn ontvangen. Deze zienswijzen zijn samengevat in de nota van beantwoording zienswijzen in bijlage 10. De zienswijzen zijn deels gegrond en hebben geleid tot een enkele wijzigingen in het bestemmingsplan.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
57
Hoofdstuk 8
Handhaving
Op 9 mei 2011 heeft de gemeenteraad de beleidsnota 'Niet alleen Handhaven', Handhavingsbeleid 2011-2014 vastgesteld. Dit beleid ziet onder meer op het handhaven van bestemmingsplannen. Een belangrijk uitgangspunt in dit beleid is de dubbele regelkring. Dit betekent dat er van wordt uitgegaan dat toezicht en handhaving niet alleen wettelijke taken zijn, maar vooral ook instrumenten om beleidsdoelen te realiseren. Voor de handhaving is een prioritering ingevoerd. Daarbij zijn weegfactoren benoemd op basis waarvan de onderwerpen die het belangrijkst worden gevonden, het zwaarst worden gewogen. Fysieke veiligheid geldt als belangrijkste weegfactor. Natuur en duurzaamheid is de minst zware weegfactor. Vervolgens zijn voor de handhaving per taakveld bouwen, milieu en openbare ruimte prioriteiten gesteld. De handhaving van bestemmingsplannen valt onder het taakveld bouwen. Bij elk taakveld is een rangschikking ontstaan van zeer grote risico's naar zaken die nauwelijks risico's in zich herbergen. De prioritering wordt vervolgens in jaarlijkse handhavingsuitvoeringsprogramma's vertaald naar aandachtsgebieden, bijvoorbeeld extra aandacht voor illegale dakopbouwen, dakkapellen of illegaal gebruik. Handhaving kan plaatsvinden via de publiekrechtelijke, privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg.
Het college van Burgemeester en Wethouders is bevoegd om met bestuursrechtelijke sancties op te treden tegen overtredingen van regels van bestemmingsplannen. De bestuursrechtelijke sancties bestaan uit de bestuursdwang en het opleggen van last onder dwangsom. Door middel van het privaatrecht kan de gemeente op indirecte wijze het bestemmingsplan handhaven. Dat kan door gebruikmaking van haar bevoegdheden als eigenaar of van contractuele bevoegdheden. De strafrechtelijke vervolging is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. Overtredingen op grond van bestemmingsplanregels vallen met ingang van 13 september 2004 onder de Wet op de economische delicten. Strafrechtelijk optreden is gewenst bij overtredingen waarvan de gevolgen niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden. De Wet op de economisch delicten biedt verder de mogelijkheid bij het opleggen van de straf rekening te houden met het economisch voordeel dat de overtreder heeft behaald. Ook biedt de wet de mogelijkheid de verplichting op te leggen om op eigen kosten de gevolgen van het delict goed te maken.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
Regels
2
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
5 5 6
Hoofdstuk2 Artikel 3
Bestemmingsregels Gemengd - 1
7 7
Hoofdstuk3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Algemene regels Antidubbeltelregel Algemene afwijkingsregels Overige regels
9 9 10 12
Hoofdstuk4 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht bouwwerken Overgangsrecht gebruik Slotregel
13 13 14 15
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
3
Regels
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
4
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
5
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
Het bestemmingsplan 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. van de gemeente Zoetermeer. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0637.BP29150-0003. 1.3
overige begrippen
met uitzondering van de begrippen als bedoeld in lid 1.1 en 1.2 zijn de begrippen uit het bestemmingsplan 'Palenstein' van overeenkomstige toepassing op dit plan. 1.4
wijziging van geluidsgevoelige functies
een wijziging van de functie, het realiseren van aanpassingen / uitbreidingen aan het gebouw met behoud van dezelfde (geluidsgevoelige) functie of beiden.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
6
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels worden de maten van bouwwerk als volgt gemeten: 2.1
bouwhoogte
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2
goothoogte
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3
inhoud
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4
oppervlakte
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.5
vloeroppervlakte
binnenwerks, op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden aangemerkt als bedrijfsoppervlakte (bvo). 2.6
ondergeschikte bouwdelen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw(hoogte)grenzen, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
7
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Gemengd - 1
Bestemmingsomschrijving
De voor Gemengd - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dienstverlening tot en met categorie A van de in bijlage 2 bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging, ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening'; b. horeca tot en met categorie 2 van de in bijlage 3 bij deze regels opgenomen Staat van horeca-activiteiten, ter plaatse van de aanduiding 'horeca'; c. maatschappelijke voorzieningen tot en met categorie B van de in bijlage 2 bij deze regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging, ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk'; d. nieuw te bouwen woningen ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal woningen', met dien verstande dat binnen het bouwvlak waarin als maximum aantal 323 is aangegeven, van dat aantal maximaal 144 woningen als niet-gestapelde woningen mogen worden gebouwd; e. het gezamenlijke bedrijfsoppervlak van de onder a, b en c genoemde functies mag niet meer bedragen dan 300 m2; f. voor de onder a, b, en c genoemde functies geldt dat indien sprake is van nieuwbouw, het maximale bedrijfsvloeroppervlak mag worden overschreden met ten hoogste het bestaande bedrijfsvloeroppervlak, met dien verstande dat deze overschrijding niet langer is toegestaan dan één jaar na ingebruikname van de nieuwbouw; met daaraan ondergeschikt: g. h. i. j.
geluidoverdrachtbeperkende voorzieningen; groenvoorzieningen; nutsvoorziening; gebouwde en ongebouwde parkeervoorzieningen, bovengronds of (geheel of gedeeltelijk) ondergronds; k. objecten van beeldende kunst; l. speelvoorzieningen; m. lichtmasten en vlaggenmasten; n. toegangen en stijgpunten; o. terrassen; p. verblijfsgebied; q. waterpartijen en waterlopen; r. wegen en paden; met de daarbij behorende bouwwerken. Gebruik van de gronden ten behoeve van de doeleinden in lid 3.1 sub a tot en met f is slechts toegestaan indien ter plaatse van de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - centrale as' een groen- en waterstructuur kan worden gerealiseerd met een minimale breedte van 15 meter, een oppervlakte van ten minste 6.850 m2 en daarbinnen met een oppervlakte aan oppervlaktewater van ten minste 2.880 m2. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Gebouwen
a. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; 2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
8
b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaats van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is aangegeven, met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hoogteaccent 2' over een oppervlakte van maximaal 20 % van de oppervlakte van de gronden met deze aanduiding de bouwhoogte maximaal 20 m mag bedragen. 3.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
a. de bouwhoogte van een erf- of terreinafscheiding mag achter en in de voorgevelrooilijn maximaal 2 m bedragen; b. de bouwhoogte van een erf- of terreinafscheiding mag voor de voorgevelrooilijn maximaal 1,5 m bedragen; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten, speelvoorzieningen en lichtmasten mag maximaal 10 m bedragen; d. de bouwhoogte van objecten van beeldende kunst mag maximaal 15 m bedragen; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mag maximaal 3 m. 3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1
Algemeen
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor de opslag van caravans, boten en overige zaken anders dan ten behoeve van de bestemming; b. het gebruik van gronden als stort en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan als stort- of opslagplaats voor normaal gebruik; c. het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor de opslag van consumentenvuurwerk d. het gebruik van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van raam- en straatprostitutie. 3.4
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.1 sub e van het bestemmingsplan ten behoeve van een langere termijn voor het overschrijden van het maximale bedrijfsvloeroppervlak, met dien verstande dat deze overschrijding: a. Tot maximaal twee jaar na ingebruikname van de nieuwbouw is toegestaan; b. Verband houdt met de realisatie van in lid 3.1 onder a, b, c en d van het bestemmingsplan genoemde functies.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
9
Hoofdstuk 3 Artikel 4
Algemene regels
Antidubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
10
Artikel 5 5.1
Algemene afwijkingsregels
Algemeen
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10 %; b. afwijkingen van het aantal wooneenheden, zoals deze ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding aantal wooneenheden is aangegeven met ten hoogste 10 %, mits voldaan wordt aan: 1. de gemeentelijke parkeernota; 2. een maximale geluidbelasting op de gevel van 48 dB, danwel in overeenstemming is met een besluit hogere waarden geluid; c. afwijkingen van grenzen van maatvoeringsvlakken met ten hoogste 5 m, mits de grens van het bouwvlak niet wordt overschreden; d. het bouwen van luifels, erkers, balkons, bordessen, pergola's en andere ondergeschikte bouwdelen, mits deze het bouwvlak of bestemmingsvlak met niet meer dan 2 m overschrijden; e. het bouwen van technische ruimten, lift- en/of trappenhuizen mits: 1. de oppervlakte van de overschrijding, per technische ruimte, lift- en trappenhuis, niet meer bedraagt dan 20 m2; 2. de bouwhoogte van een technische ruimte, lift- of trappenhuis niet meer bedraagt dan 3 m boven de, voor het desbetreffende bouwvlak geldende, maximale bouwhoogte; f. het bouwen van draagconstructies voor reclamedoeleinden en objecten van beeldende kunst tot een bouwhoogte van maximaal 20 m; g.
het bouwen van nutsvoorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 5 m en een oppervlakte van maximaal 60 m2; h. het plaatsen van sirenemasten met een bouwhoogte van maximaal 40 m. 5.2
Voorzieningen voor telecommunicatie
5.2.1
Plaatsen van antenne-installatie
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor het plaatsen van een antenne-installatie voor telecommunicatie, waarvan de bouwhoogte gemeten vanaf de voet van de antenne - of indien de antenne geplaatst is op een antennedrager, gemeten vanaf de voet van de antennedrager - maximaal 40 m mag bedragen en mits: a. b. c. d.
de antenne-installatie niet op een gebouw wordt geplaatst; de antenne-installatie niet bij bouwkundige monumenten wordt geplaatst; de antenne-installatie op een afstand van minimaal 100 m van woonbebouwing wordt geplaatst; de antenne-installatie zoveel mogelijk wordt geplaatst in de directe nabijheid van bestaande bebouwing, niet zijnde woonbebouwing, vanwege de gewenste landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing ervan.
5.2.2
Site sharing of roaming
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning, als bedoeld in 5.2.1 slechts verlenen indien en nadat door de aanvrager voldoende gemotiveerd is aangetoond dat het technisch niet mogelijk is of in redelijkheid niet kan worden verlangd dat, door toepassing van de beginselen van site sharing en/of roaming, gebruik kan worden gemaakt van een antenne-installatie in de omgeving.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
11
5.3
Voorwaarden omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.1 en 5.2 kan alleen worden verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d.
het straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerk.
2e Partiële herziening Palenstein, Winkelcentrum Croesinckplein e.o. vastgesteld,
12
Artikel 6 6.1
Overige regels
Parkeren
Het bevoegd gezag kan pas een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, met inachtneming van het volgende: a. in het geval van nieuwbouw, uitbreiding of functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen; b. er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien voldaan wordt aan de normen en eisen die zijn neergelegd in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning; 6.2
Afwijking
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.1, indien wordt voldaan aan de regels en voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning. 6.3