CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7. 1200001 Toelichting - BP Oude Steeg 3 Zevenaar

Raadsvergaderingen 2022-2026 24 april 2024, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/22/430288 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Oude Steeg 3 Zevenaar'16.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving gelden de volgende uitzonderingen voor de bodemonderzoeksplicht: 1. 2.

3.

4.2.2

als het gaat om bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet wederrechtelijke gebruik wordt gehandhaafd; als het gaat om het bouwen van bouwwerken waarin niet (nagenoeg) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijfstijd van minder dan 2 uur gehanteerd; als B&W vrijstelling verlenen omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal 5 jaar oud en waarbij het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). Situatie plangebied

In voorliggend geval gaat het om de bouw van een varkensstal. Er is daarmee sprake van de bouw van een bouwwerk waarin mensen niet (nagenoeg) langer dan 2 uur zullen verblijven. De voorliggende ontwikkeling is daarmee uitgezonderd van de bodemonderzoeksplicht.

22

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: ▪ ▪

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: ▪ ▪ ▪

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee men kan aantonen of de fijnstofbijdragen van de veehouderijen op het plan is te beschouwen als Niet in Betekenende Mate (NIBM). In de vuistregel is een tabel opgenomen met als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel is sprake van een "worst case" benadering. Dat betekent dat wanneer uit de toets blijkt dat de fijnstofbijdrage van een bedrijf op het beoordelingspunt voldoet aan de 3% NIBM grens, het ook voldoende aannemelijk is dat dit zal blijken uit een berekening met rekenprogramma ISL3a en deze laatste berekening daarvoor niet nodig is. Afstand tot te toetsten 70 m plaats

80 m

90 m

100 m

120 m

140 m

160 m

Totale emissie in g/jr

387.000

473.000

581.000

817.000

1.075.000

1.376.000

324.000

4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen

23

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2

Situatie plangebied

Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling neemt de emissie van fijn stof vanuit het veehouderijgedeelte toe met 81.061 gram per jaar naar in totaal 334.144 gram per jaar. Indien een bedrijf op 100 meter afstand een toename heeft van minder dan 581.000 gram per jaar dan wordt in de handreiking ‘fijnstof een veehouderij’ gesteld dat deze toename niet in betekenende mate (NIBM) is. In voorliggend geval ligt de dichtstbijzijnde woning op circa 150 meter afstand van het dichtstbijzijnde emissiepunt. Zowel de toename van fijnstof als de totale fijnstofemissie zijn daarmee te beschouwen als NIBM. Een nadere berekening van de fijnstofsituatie kan derhalve achterwege blijven. Tevens is er geen sprake van het toevoegen van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ▪ ▪ ▪

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Het transporteren van stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen

24

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld weergegeven. In afbeelding 4.1 is een uitsnede van de Risicokaart opgenomen, met daarop middels de blauwe ster de locatie van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 4.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat de volgende externe veiligheidsrisicobronnen relevant zijn: Risicobron Hogedruk aanrdgasleidingen (Bevb) Inrichtingen (Bevi) Transport gevaarlijke stoffen over de weg (Bevt) Transport gevaarlijke stoffen over het water (Bevt) Transport gevaarlijke stoffen over het spoor (Bevt)

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting. Het plangebied ligt circa 440 meter ten noorden van de A12. Daarnaast ligt het plangebied op circa 1.400 meter ten oosten van de toekomstige A15. Het invloedsgebied van deze snelwegen bedraagt 4.000 meter. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een vaarweg. Het plangebied ligt circa 2.800 meter ten noorden van de Betuwroute. Over deze spoorweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van deze spoorweg bedraagt 4.000 meter.

Plaatsgebonden risico Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van een Bevi inrichting, transportroute en een hogedruk aardgastransportleiding. Dit vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van het voornemen. Groepsrisico Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de A12, de toekomstige A15 en de Betuweroute. Wijzigingen in het invloedsgebied van deze risicobronnen kunnen invloed hebben op de hoogte van het groepsrisico. Aangezien de toevoeging van een varkensstal niet zorgt voor een toename van het aantal aanwezigen binnen dit invloedsgebied, is een verdere verantwoording van het groepsrisico niet nodig.

25

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld 4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ▪ ▪

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of milieubelastende functies op een passende afstand van milieugevoelige functies (zoals woningen) worden gesitueerd. 4.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in het buitengebied. In de omgeving zijn voornamelijk agrarische cultuurgronden aanwezig. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m

26

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld 5.2 5.3 6

700 m 1.000 m 1.500 m

4.5.3

Situatie plangebied

500 m 700 m 1.000 m

4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of als het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. In dit geval gaat het om de uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij, te weten een varkenshouderij. Voor de functie ‘fokken en houden van varkens’ geldt op basis van de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ de grootste richtafstand voor geur, te weten 200 meter (milieucategorie 4.1). Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten dan geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. In de nabijheid van het plangebied liggen een drietal milieugevoelige functies. Hieronder worden de drie milieugevoelige functies en de bijbehorende afstand tot het plangebied weergegeven.

Bij het meten van de afstand is uitgegaan van de perceelsgrens van het plangebied tot de perceelsgrens van de milieugevoelige functies en daarmee van de uiterste planologische mogelijkheden. 1. 2. 3. 4.

De bedrijfswoning aan de Oude Steeg 2, op circa 115 meter ten zuiden van het plangebied; De bedrijfswoning aan de Oude Steeg 2a, op circa 115 meter ten zuiden van het plangebied; De woning aan de Oude Steeg 4, op circa 100 meter ten noorden van het plangebied. De bedrijfswoningen aan de Oude Steeg 6, op circa 230 meter ten noorden van het plangebied.

Uit bovenstaande blijkt dat in alle gevallen wordt voldaan aan de grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. Daarnaast is in paragraaf 4.1 op basis van het akoestisch onderzoek uit bijlage 3 reeds geconcludeerd dat wordt voldaan aan de geluidsnormen zoals gesteld in het Gemeentelijk Geluidsbeleid 2008 Zevenaar. Tot slot wordt opgemerkt dat de afstand tot de bovenstaande (bedrijfs)woningen als gevolg van dit bestemmingsplan wordt vergroot, aangezien het bouwvlak aan de oostzijde wordt verkleind en in westelijke richting opschuift. Geconcludeerd wordt dat omliggende functies geen hinder ondervinden op het gebied van geluid, stof en gevaar als gevolg van deze ontwikkeling. De voorliggende ontwikkeling heeft daarmee op het gebied van geluid, stof en gevaar geen negatieve effecten op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de Oude Steeg 2, 2a, 4 en 6. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In dit geval gaat het om de uitbreiding van een bouwvlak ten behoeve van een intensieve veehouderij. Dit betreft geen milieugevoelige functie. Omliggende (agrarische) bedrijven en andere milieubelastende functies vormen dan ook geen belemmering en worden omgekeerd niet in hun werkzaamheden beperkt.

27

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld 4.5.4

Conclusie

Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor het voornemen.

4.6

Geur

4.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een maximaal toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ▪ ▪

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. De Wgv heeft betrekking op twee aspecten. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging voor een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad. Dit wordt 'de omgekeerde werking' genoemd. 4.6.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval is sprake van een intensieve veehouderij waarbij varkens worden gehouden. Op basis van de Wgv zijn voor varkens een geuremissie vastgesteld, waarmee dient te worden voldaan aan bovengenoemde geurbelastingen. Daarom is een geurberekening uitgevoerd, waarvan de conclusies zijn opgenomen in de in bijlage 4 opgenomen aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het bedrijf bevindt zich buiten de bebouwde kom, in een concentratiegebieden, wat inhoudt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten in het buitengebied maximaal 14 odourunits per m3 mag zijn. Voor objecten in de bebouwde kom geldt een maximum van 3 Odourunits per m3. Op geruime afstand van het bedrijf bevinden zich enkele burgerwoningen, welke als geurgevoelige objecten zijn aangewezen. De geurbelasting, conform de onderstaande V-stacks berekening, zit met maximaal 6,4 en 1,3 Ou ruim onder de normen van resp. 14 en 3 oudourunits per m3 voor geurgevoelige objecten. De geurbelasting voldoet aan de gestelde normen. De woningen van de buren aan de Oude steeg 2 en 4 en 6 zijn ter indicatie ook meegenomen in de geurberekeningen. Dit betreffen woningen die horen bij een (voormalige) veehouderij, welke in het kader van de Geurwet officieel niet worden aangemerkt als geurgevoelige objecten, en zijn hierin opgenomen met een fictieve geurnorm van 25 Ou. Op deze woningen is de geurbelasting resp.

9,2 en 12,4 Ou. De geurbelasting voor de aanvraag voldoet aan de geurwet.

28

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld 4.6.3

Conclusie

De geurbelasting in de beoogde situatie blijft binnen de normen zoals die in de Wet Geurhinder en Veehouderij zijn vastgesteld. Daarmee is de situatie vergunbaar. Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het voornemen.

4.7

Ecologie

4.7.1

Inleiding

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Rijntakken” bevindt zich op circa 3,8 kilometer afstand van het plangebied. De ligging van het plangebied ten opzichte van dit Natura 2000-gebied is opgenomen in de linkerafbeelding op afbeelding 4.2. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een berekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. De berekening is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. In de AERIUS-berekening is een verschilberekening gemaakt tussen de reeds vergunde situatie en de gewenste situatie als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. Hieruit is gebleken dat er op twee hexagonen een toename van depositie is gemeten: één op de Veluwe en één op de Rijntakken.

Voor beide situaties geldt dat ze op 25 km afstand van het bedrijf liggen en dat er sprake is van randeffecten. Alle naastliggende hexagonen tonen immers geen toename of juist een afname van de stikstofdepositie. De grootste toename van stikstofdepositie bedraagt 0,05 mol/ha/j en de grootste afname van stikstofdepositie bedraagt 0,28 mol/ha/j. Hiermee kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen uitbreiding per saldo leidt tot een afname van de stikstofdepositie. De voorliggende uitbreiding van het bedrijf is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningplichtig.

29

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Afbeelding 4.2

Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000 (l) en GNN (r) (Bronnen: AERIUS.nl & Atlas Leefomgeving)

4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Op de rechterafbeelding in afbeelding 4.2 is de ligging van het plangebied (rode ster) ten opzichte van het concreet begrensde GNN weergegeven. De concreet begrensde GNN ligt op meer dan 1,5 kilometer afstand. Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 4.7.3

Soortenbescherming

4.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. 4.7.3.2 Situatie plangebied De voorliggende ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een agrarisch bouwvlak ten behoeve van de bouw van een nieuwe varkensstal. Hiervoor worden een kleine stal en een werktuigenberging gesloopt. De werktuigenberging wordt middels vervangende nieuwbouw verplaatst om ruimte te maken voor de nieuw te realiseren varkensstal. Als gevolg van deze ontwikkeling kan overtreding van de Wet Natuurbescherming op voorhand niet worden uitgesloten. Om deze reden heeft Natuurbank Overijssel een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 6 opgenomen bij deze toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten en conclusies ingegaan. Resultaten Quickscan Natuurwaardenonderzoek

30

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Amfibieën en vleermuizen bezetten geen vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd of vernield. Voor het beschadigen/vernielen van de (winter)rust- of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling, maar deze vrijstelling geldt niet voor het doden van beschermde dieren. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, mogen ze verjaagd worden of kan de bouwplaats ongeschikt gemaakt worden, zodat de dieren zelfstandig vertrekken. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren (opzettelijk) gedood worden, dient een ontheffing aangevraagd te worden.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor de meeste beschermde dieren niet af. Wel neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor sommige vogelsoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. 4.7.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.8

Archeologie & cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten en plannen waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie plangebied Ter plaatse van het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie Hoge verwachting’ opgenomen. Voor deze gronden geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk bij het uitvoeren van bodemingrepen groter dan 200 m² en dieper dan 0,5 meter. In voorliggend geval wordt deze onderzoeksgrens overschreden. Daarom is door Synthegra een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. Op basis van dit onderzoek wordt tevens geconcludeerd dat de archeologische dubbelbestemming kan komen te vervallen.

Deze dubbelbestemming en de bijbehorende regels is daarom niet opgenomen in de regels en op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan. Het aspect archeologie vormt hiermee geen belemmering voor de voorgenomen plannen.

31

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld 4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Op basis van de Atlas Leefomgeving bevinden zich in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied geen noemenswaardige cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘archeologie & cultuurhistorie’ geen belemmering vormt voor de voorliggende ontwikkeling.

4.9

Besluit Milieueffectrapportage

4.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1.

2.

3.

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van het Besluit M.e.r. moet aandacht besteden aan de m.e.r. beoordeling. ▪ ▪ ▪

Voor initiatieven < drempelwaarde D-lijst geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling; Voor initiatieven > drempelwaarde D-lijst en < drempelwaarde C-lijst geldt een formele m.e.r.beoordeling; Voor initiatieven > drempelwaarde C-lijst geldt een m.e.r.-plicht.

32

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Afbeelding 4.3

4.9.2

Drempelwaarden m.e.r.-beoordeling (Bron: infomil.nl: De vormvrije m.e.r.-beoordeling: vereisten)

Situatie plangebied

4.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de “Rijntakken” gelegen op een afstand van circa 3,8 kilometer. Uit de stikstofberekening is gebleken dat er geen sprake is van aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is sprake van activiteiten die genoemd worden in de C en D lijst. De opgenomen activiteiten zijn namelijk; C14: “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens” en D14: ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’. Aangezien de ontwikkeling in de C/D lijst staat, dient het voornemen te worden getoetst aan de drempelwaarden. Pas als de drempelwaarde van de C-lijst overschreden worden, is er sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Voor mestvarkens is de drempelwaarde D-lijst 2.000 stuks en de drempelwaarde C-lijst 3.000 stuks.

Met de voorliggende ontwikkeling wordt een nieuwe stal gebouwd ten behoeve van het houden van 1.760 vleesvarkens. Tevens wordt in de bestaande stallen uitgebreid met 1.055 vleesvarkens en worden er 1.976 gespeende biggen minder gehouden, waarmee in de bestaande stallen een afname plaatsvindt van 921 stuks. In totaal worden in de inrichting daarmee 1.760 - 921 = 839 stuks extra gehouden. Dit aantal is kleiner dan de drempelwaarde D-lijst, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat. Een m.e.r.-plicht is niet aan de orde. Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling De aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling is voor de voorliggende ontwikkeling opgesteld door AR Bedrijfsontwikkeling BV. De aanmeldnotitie is als bijlage 4 opgenomen bij deze toelichting. Uit de aanmeldnotitie volgt dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten door de voorgenomen activiteiten. 4.9.3

Conclusie

Het voornemen is niet m.e.r.-plichtig. Daarnaast kunnen belangrijke negatieve milieugevolgen worden uitgesloten.

33

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

WATERASPECTEN

5.1

Vigerend beleid

5.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 5.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Met de vaststelling van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is het NWP 20162021 op enkele onderdelen gewijzigd. Tezamen geven beide documenten op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). In relatie tot de NOVI wordt de doorwerking geregeld in de Omgevingswet. 5.1.3

Provinciaal beleid

Het Waterplan Gelderland 2016-2021 bevat het waterbeleid van de provincie. Het Waterplan is in samenhang opgesteld met de water(beheer)-plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd. 5.1.4

Waterschap Rijn en IJssel

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners. Het nieuwe Waterbeheerplan is één van de resultaten van deze samenwerking. De opzet en grote delen van dit Waterbeheerplan zijn inhoudelijk hetzelfde als dat van de andere waterschappen in Rijn-Oost. Waterschap Rijn en IJssel heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2016-2021. Dit plan beschrijft het beleid voor alle taakgebieden van Waterschap Rijn en IJssel. Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en met welke aanpak we deze willen bereiken. Het plan gaat over het waterbeheer in het hele stroomgebied van Rijn en IJssel en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen.

34

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten we in de samenwerking met onze partners willen leggen. Vanuit die omgevingsverkenning wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water. Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater. Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude IJssel: Vaarwegbeheer.

5.2

Waterparagraaf

5.2.1

Algemeen

Waterschap Rijn en IJssel heeft een handreiking ontworpen waarbij een initiatiefnemer zelf kan bepalen voor welke plannen en in welke mate het waterschap betrokken dient te worden bij het opstellen van een waterparagraaf. Voor meer complexe ontwikkelingen kan deze handreiking voor het waterschap en de initiatiefnemer als leidraad en geheugensteun gelden in het ontwerpproces. Gezamenlijk wordt er invulling gegeven aan de wateraspecten en kan water een positieve bijdrage leveren aan de leefomgeving. Als er overeenstemming is over de inhoud van de waterparagraaf kan de gemeente de tekst opnemen in de toelichting van het ruimtelijk plan. Waterschap Rijn en IJssel heeft hiertoe een watertoetstabel ontwikkeld waarmee met een aantal vragen in beeld te brengen is welke wateraspecten relevant zijn en met welke intensiteit het watertoetsproces doorlopen dient te worden. De vragen zijn gericht op de locatie van de ruimtelijke ontwikkeling en welke veranderingen er mogelijk worden gemaakt. 5.2.2

Watertoetstabel

De intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op onderstaande vragen. Als er op een categorie 2 vraag een ‘ja’ is geantwoord is een uitgebreide watertoets noodzakelijk. Is er op geen van de categorie 2 vragen een ‘ja’ geantwoord dan kan een verkorte watertoets doorlopen worden. Als er alleen met ‘nee’ is geantwoord dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden.

35

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Thema Veiligheid

Riolering en Afvalwaterketen Wateroverlast (oppervlaktewater)

Oppervlaktewaterkwaliteit Grondwateroverlast

Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer Volksgezondheid

Natte natuur

Recreatie Cultuurhistorie

Toetsvraag 1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap? 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Relevant Intensiteit# Nee 2

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 5. Beoogt het plan aanleg van drainage? 1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee Nee Nee Nee Nee Ja Nee Nee

2 2 1 1 2 1 1 1

Nee

1

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

1 1 1 1 1 1 2 1

Nee Nee Nee Nee Nee

1 2 2 1 1

Nee Nee

2 1

Op basis van de antwoorden op bovenstaande vragen wordt geconcludeerd dat de voorliggende ontwikkeling waterhuishoudkundige belangen bevat, maar dat deze dermate beperkt is dat de korte procedure kan worden doorlopen. Belangrijkste aandachtspunten in het kader van de voorliggende ontwikkeling betreft de afvoer van hemel- en afvalwater. 5.2.2.1 Afvoer hemelwater Hemelwater van daken en erfverharding wordt ongewijzigd afgevoerd naar omliggende sloten en bodem. Dit water komt niet in aanraking met bedrijfsprocessen en bevat derhalve geen vervuiling. Als gevolg van de voorliggende ontwikkeling neemt het bebouwd oppervlak in het plangebied toe naar circa 7.000 m². Het waterschap is hierover geïnformeerd en heeft aangegeven dat dit leidt tot een totaal af te voeren hemelwaterkwantiteit van 280 m³. Deze hoeveelheid dient vertraagd te worden afgevoerd naar het watersysteem. In voorliggend geval gebeurt dit door de watergang aan de zuidkant te verbreden en te voorzien van een ‘sluis’ met een beperkte afvoercapaciteit naar de hoofdwatergang langs de weg. De verbrede watergang is te zien in paragraaf 2.2.2 en in bijlage 1 van deze toelichting. De watergang heeft een lengte van circa 120 meter en wordt verbreed tot een breedte van 2,5 meter. Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over deze ingreep en heeft bevestigd dat hiermee wordt voldaan aan de te realiseren bergingscapaciteit.

5.2.2.2 Afvoer afvalwater De reiniging van de stallen blijft ongewijzigd. Afvalwater dat hierbij vrij komt wordt opgevangen in de mestkelders in de stallen en wordt samen met de mest afgevoerd. De reiniging van veewagens vindt plaats op

36

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld de spoelplaats; spoelwater wordt afgevoerd naar de onderliggende opvangput. Het totale waterverbruik is ca 4.500 m³ per jaar. 5.2.2.3 Overige aspecten In ieder veehouderijbedrijf ontstaat condenswater. De grootste bron is de vochtproductie door de dieren via de ademhaling. Hoewel het aantal dieren toeneemt, zijn over de hoeveelheden weinig gegevens bekend. Condenswater wordt overigens niet als belangrijke emissiebron beschouwd.

5.3

Conclusie

Het waterschap heeft aangegeven dat de omgang met hemel-, afval en condenswater milieutechnisch aanvaardbaar is. De optie ten behoeve van het vertraagd afvoeren van hemelwater is voorgelegd en akkoord bevonden door het waterschap. Er wordt geconcludeerd dat het aspect ‘water’ geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

37

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

HOOFSTUK 6 6.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

6.2

Opzet van de regels

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 6.2.1

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: ▪

Begrippen (artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

▪

Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze bouwhoogtes, afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

6.2.2

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de bestemming ‘Agrarisch’. De regels zijn onderverdeeld in: ▪ ▪ ▪ ▪

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte, dakhelling, etc.); Afwijken van de bouwregels: hieraan staat onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig/toegestaan is;

38

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld ▪ ▪ ▪

6.2.3

Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarden kan van de gebruiksregels worden afgeweken; Wijzigingsbevoegdheid: hierin staan bevoegdheden waarmee burgemeester en wethouder onder voorwaarde bestemmingen kunnen wijzigen. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: hierin staat voor welke activiteiten een vergunningsplicht geldt. Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: ▪

▪

▪

▪

▪

▪ ▪

6.2.4

Anti-dubbeltelregel (Artikel 4) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 5) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. Deze bevatten onder andere regels omtrent de maatvoering van bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken. Algemene gebruiksregels (Artikel 6) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Hierin zijn vormen van toegestaan gebruik opgenomen. Daarnaast is ook aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Algemene aanduidingsregels (Artikel 7) In dit artikel is de algemene aanduiding ten behoeve van de ‘overige zone – Het Broek’ opgenomen. In de regels is bepaald dat ter plaatse van deze aanduiding het is toegestaan om de wijzigingsbevoegdheid toe te passen ten behoeve van het omschakelen van het agrarisch bedrijf naar een woonfunctie. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. In dit artikel is aangegeven voor welke activiteiten en onder welke voorwaarden middels een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in dit bestemmingsplan.

Algemene wijzigingsregels (Artikel 9) In deze regels zijn de algemene voorwaarden voor een bestemmingswijziging opgenomen. Overige regels (Artikel 10) In dit artikel zijn bepalingen omtrent parkeren opgenomen. Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. De bestaande situatie is hierbij het uitgangspunt. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.

39

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld De geldende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting’ zijn komen te vervallen, aangezien uit het archeologisch onderzoek voor deze ontwikkeling is gebleken dat op deze locatie geen behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn. Agrarisch (Artikel 3) De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - intensieve veehouderij'. De regels zijn conform het bestaande bestemmingsplan overgenomen. De enige inhoudelijke wijziging betreft het aanpassen van het bouwvlak op de verbeelding, zodat de beoogde bouw van de nieuwe stal mogelijk is. Voor het overige is de regeling zoals deze geldend was, overgenomen. Wel zijn in de regels enkele algemene bepalingen die gelden voor het grotere (agrarische) geheel, maar niet specifiek voor deze locatie, verwijderd. Een andere vorm van maatwerk betreft het opnemen van een voorwaardelijke verplichting tot landschappelijke inpassing. Deze verplichting is opgenomen in de specifieke gebruiksregels en gekoppeld aan een in de bijlage van de regels opgenomen landschapsplan.

Ook kan van deze verplichting afgeweken worden met die zin dat andere landschapsmaatregelen worden genomen, mits deze een zelfde beschermingsniveau als de nu voorgestelde landschapsmaatregelen borgen.

40

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan of wijzigingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan of wijzigingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of wijzigingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggend geval is geen sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Er is een overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer, waardoor de gemeente eventuele planschade op die partij kan verhalen.

41

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

HOOFDSTUK 8 8.1

Vooroverleg

8.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG & ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat deze ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Gelderland

Het voeren van vooroverleg met de provincie Gelderland is, gelet op het feit dat het gaat om een lokale ontwikkeling die in overeenstemming is met provinciaal beleid, niet noodzakelijk. 8.1.3

Omgevingsdienst Regio Arnhem

De ODRA is voorafgaand aan het ter inzage leggen van het bestemmingsplan geïnformeerd over het voornemen. De te nemen plusmaatregelen die benodigd zijn voor de voorgenomen ontwikkeling zijn met de ODRA afgestemd en zijn akkoord bevonden. Voor een beschrijving van de maatregelen wordt verwezen naar paragraaf 3.3.1.4 van deze toelichting. 8.1.4

Waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap is geïnformeerd over het voornemen. Verwezen wordt naar hoofdstuk 5 van dit bestemmingsplan.

8.2

Inspraak en participatie

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is geen voorontwerp ter inzage gelegd. De omwonenden zijn betrokken bij de plannen door het voeren van meerdere overleggen. Naar aanleiding van de resultaten uit deze overleggen zijn de plannen aangepast. Onder andere de te nemen plusmaatregelen zijn in samenhang met de omwonenden bepaald en/of gewijzigd. Voor het volledige verslag wordt verwezen naar bijlage 2.

8.3

Zienswijzen

Het ontwerp heeft met ingang van 3 november 2022 tot en met 14 december 2022 ter inzage gelegen. Binnen deze periode is één zienswijze ontvangen. De zienswijze heeft aanleiding gegeven het bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen. De zienswijze is samengevat en beantwoord in een aparte zienswijzennota, waarin ook de ambtshalve wijzigingen zijn benoemd.

42

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

43

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Bijlage 1

Erfinpassingsplan Oude Steeg 3 Zevenaar

44

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Bijlage 2

Omgevingsdialoog en plussenbeleid

45

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek Oude Steeg 3

46

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Bijlage 4

Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling

47

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Bijlage 5

AERIUS berekening

48

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Bijlage 6

Quickscan ecologie

49

Bestemmingsplan “Oude Steeg 3 Zevenaar” Vastgesteld

Bijlage 7

Verkennend archeologisch onderzoek

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=e93d9f20-a871-4b4a-b60d-fe5eea53f135