CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5. 1288554 - Motivering TAM-omgevingsplan ‘Vestersbos 2-4’

Raadsvergaderingen 22 april 2026, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/25/488927 Gewijzigde vaststelling TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b Vestersbos 2-4 Zevenaar26.847 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Het Waterschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Klimaatadaptatie/verdroging Een van de effecten van klimaatverandering is dat er vaker langere periodes zijn van droog en warm weer, alsmede nattere periodes met hevige regenval. Ook in de regio Zevenaar speelt het probleem droogte, hierom is het wenselijk om tijdens droge dan wel natter periodes water vast te kunnen houden in de openbare ruimte. De bodem zelf heeft goede waterretentiemogelijkheden, vanwege een goede infiltratie laag (zand) bovenop een slechte infiltratie laag (klei). Maar er moet wel een mogelijkheid zijn tot infiltratie; bij verharde grond is dat niet zomaar het geval. Daarom wordt de verwezenlijking van onverharde grond óf infiltratie mogelijkheden in verharde grond geadviseerd om klimaat- en toekomstgericht te ontwikkelen. Het is daarnaast mogelijk om opvangreservoirs, zoals infiltratiekratten, of waterberging te realiseren. Het verwezenlijken van goede infiltratie heeft daarnaast een positief effect op overstromingen door regenbuien. Wel blijft er een kleine kans op overstromingen in het gebied. Hierom wordt aanbevolen om zo klimaatadaptief mogelijk te bouwen, en zo mogelijke toekomstige schade te mitigeren Een verhoogd vloerpeil t.o.v.

de weg, kruipruimteloos bouwen, en een zo groen mogelijk (onverhard) perceel zijn voorbeelden om wateroverlast te voorkomen.

7.1.2

Conclusie

Het aspect waterkwaliteit vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.2 Bodem Bij ontwikkelingen is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen gezondheidsrisico oplevert voor de gebruikers van de bodem. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

44

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • Evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

7.2.1

Beoordeling

Vestersbos 4 In maart 2022 heeft De Klinker Milieu Adviesbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 op de locatie Vestersbos 4 te Zevenaar. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze motivatie. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de juridisch-planologische procedure. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Uit de resultaten van dit onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: • de bodem op de locatie is plaatselijk in de bovengrond matig tot sterk baksteenhoudend; • in de bovengrond zijn verhoogde gehalten aan PCB, nikkel en PAK aangetoond boven de achtergrondwaarde; • in de ondergrond zijn verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel aangetoond boven de achtergrondwaarde.; • in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium, 1,2- dichloorethenen, arseen en naftaleen aangetoond boven de streefwaarde. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 14 is een sterk verhoogd gehalte arseen aangetoond. Arseen wordt vaker regionaal verhoogd aangetroffen en is dan veelal van natuurlijke oorsprong.

Omdat op de locatie geen bronnen bekend zijn die een eventuele verontreiniging met arseen kunnen hebben veroorzaakt, wordt ervan uitgegaan dat het een van nature verhoogd gehalte betreft en geen nader onderzoek noodzakelijk is; Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond op een locatie buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). Vestersbos 2 Op de locatie aan de Vestersbos 2 komt de huidige maatschappelijke functie te vervallen. De toekomstige invulling van het plangebied zal bestaan uit groen en parkeren. Deze functies kennen geen specifieke bescherming in het kader van de Wet bodembescherming. Daarom is te concluderen dat de milieuhygiënische kwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik.

7.2.2

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.3 Geluid Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

45

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: Het voorkomen van een onbeheerste groei van geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; Het reduceren van geluidsbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; Het bevorderen van bronmaatregelen; Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Het thema geluid kent in Zevenaar meerdere invalshoeken. Ontwikkelingen kunnen te maken hebben met geluid afkomstig van wegverkeer, industrieterreinen, overige bedrijven, spoorwegen en scheepvaart. Daarbij dient ook te worden ingegaan op de cumulatie van deze geluidsbronnen. Geluid door luchtvaart is voor de gemeente Zevenaar niet relevant, daarom wordt hier niet nader op ingegaan. Daarnaast zijn in de provinciale omgevingsverordening stiltegebieden aangewezen. De navolgende alinea’s gaan kort in op al deze geluidsaspecten. De omgevingswet kent een stelsel van normen om geluidhinder te voorkomen door wegverkeer, railverkeer en industrieterreinen met een GPP (geluidproductieplafond).

De waarde van het geluid mag bij nieuwe ontwikkelingen op geluidgevoelige gebouwen in principe niet meer bedragen dan de standaardwaarde. Voldoen aan de standaardwaarde leidt tot een voldoende kwaliteit voor de leefomgeving. Indien de waarde van het geluid niet voldoet aan de standaardwaarde dan kan onder voorwaarden een hogere waarde van het geluid toch worden toegelaten. Ontwikkelingen die getoetst worden zijn: Toelaten geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied Aanleg of reconstructie van een weg Wijzingen aan een industrieterrein met GPP. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een bronsoort op een geluidgevoelig gebouw.

7.3.1

Wegverkeer

De normen die gelden voor de geluidbelasting van wegen zijn vervat in paragraaf 5.1.4.2.a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In beginsel moeten nieuwe activiteiten voldoen aan een standaardwaarde. Voor rijksen provinciale wegen geldt een standaardwaarde van 50 dB, voor gemeente- en waterschapswegen geldt een standaardwaarde van 53 dB.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

46

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

7.3.1.1 Beoordeling Op 28 oktober 2024 is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek naar geluid door wegen en spoorwegen uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Het doel van het akoestisch onderzoek is het inzichtelijk maken van het geluid op de gevels van de nieuwe woningen. Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan de Stationsstraat en aan de oostzijde aan de Vestersbos. Beide wegen zijn 30 km/uurwegen. Doorgaande wegen in de nabijheid zijn de Molenstraat, op een afstand van circa 100 meter ten westen van het plangebied, en de Ringbaan-Zuid, op een afstand van circa 65 meter ten zuiden van het plangebied. Voor de Stationsstraat en Vestersbos geldt dat de verkeersintensiteit lager is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Het plangebied grenst echter direct aan deze wegen, daarom is het geluid als gevolg van deze wegen beschouwd als onderdeel van de geluidbronsoort gemeentewegen. De verkeersintensiteit op de Heldringstraat en Pelgromstraat, nabij het plangebied met een maximumsnelheid van 30 km/uur, is ruimschoots lager dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Op voorhand is duidelijk dat deze wegen geen relevante bijdrage hebben aan het geluid door gemeentewegen op het plan. Deze 30 km/uur wegen zijn daarom niet verder beschouwd.

Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat het geluid door gemeentewegen ten hoogste 53 Lden is, zowel in de situatie overeenkomstig het stedenbouwkundig plan, als in de situatie met transformatie van gebouwen. Het geluid is niet hoger dan de standaardwaarde van 53 Lden. Hiermee is tevens voldaan aan de bovengrens voor geluid door wegen (58 dB, geluidklasse ‘zeer onrustig’) conform het geluidbeleid van de gemeente Zevenaar. Geconcludeerd wordt dat geluid door gemeentewegen geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

7.3.2

Spoorwegen

De normen die gelden voor de geluidbelasting van het gebruik van lokale spoorwegen en hoofdspoorwegen zijn vervat in paragraaf 5.1.4.2.a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In beginsel moeten nieuwe activiteiten voldoen aan een standaardwaarde. Voor hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen is deze standaardwaarde 55 dB. De standaardwaarden zijn opgenomen in de artikelen 3.32 en 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 7.3.2.1 Beoordeling Op 28 oktober 2024 is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek naar geluid door wegen en spoorwegen uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Het doel van het akoestisch onderzoek is het inzichtelijk maken van het geluid op de gevels van de nieuwe woningen. Ten zuiden, op een afstand van circa 20 meter van de grens van het plangebied, bevindt zich de spoorlijn Zevenaar – Arnhem. Ter hoogte van het plangebied ligt ook de Betuwelijn, maar deze spoorweg ligt hier in een tunnel en is daarom uit het oogpunt van geluid niet relevant. Vervangende nieuwbouw Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat het geluid door hoofdspoorwegen ten hoogste 72 Lden is in de situatie overeenkomstig het stedenbouwkundig plan, op het zuidelijk deel van het plan waar sprake is (of kan zijn) van vervangende nieuwbouw.

Het berekende geluid is hoger dan de standaardwaarde van 55 Lden en de verruimde grenswaarde van 70 Lden. Op het noordelijk deel van het plan is dit ten hoogste 63 Lden en is wel aan de grenswaarde van 65 Lden voldaan. Transformatie huidige bebouwing Op de gevels van te transformeren gebouwen is het geluid ten hoogste 72 Lden. Het geluid is hoger dan de standaardwaarde (55 Lden) en de verruimde grenswaarde van 70 Lden bij functiewijziging. Er is sprake van

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

47

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

overschrijding van ten hoogste 2 dB. Op het noordelijk deel van het plan is het berekende geluid ten hoogste 62 Lden, er is sprake van overschrijding van de standaardwaarde, maar aan de grenswaarde van 65 Lden is voldaan. Geluidbeperkende maatregelen Als gevolg van de geluidbronsoort dient rekening gehouden te worden met overschrijding van de standaard- en grenswaarde op het zuidelijk deel van het te herontwikkelen plangebied, zowel in de situatie overeenkomstig het stedenbouwkundig plan als de het plan met transformatie. Voor het noordelijke deel van het plangebied, waar grondgebonden woningen het uitgangspunt zijn, geldt dat rekening moet worden gehouden met overschrijding van de standaardwaarde. Hier is aan de grenswaarde voor de geluidbronsoort hoofdspoorwegen voldaan. Geadviseerd wordt om met ProRail in overleg te treden over een reëel toekomstscenario van het gebruik van het spoor Arnhem – Zevenaar, ter hoogte van de kern Zevenaar om de geluidproductieplafonds (GPP’s) te verlagen. Het aandeel goederenvervoer van deze geluidsbron leidt waarschijnlijk tot de hoge berekende waarden voor het geluid op basis van de registergegevens uit het CVGG. Tevens valt op dat het inmiddels verwijderde spoor aan de zuidzijde nog is opgenomen in de registergegevens.

Indien gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid tot verlaging van de GPP’s, leidt dit mogelijk tot een dusdanige geluidreductie dat in het plangebied kan worden voldaan aan de grenswaarde van 65 Lden voor het geluid door spoorwegen. De overschrijding van de standaardwaarde kan hiermee niet worden weggenomen. Eventueel kan aanvullend het toepassen van raildempers worden afgewogen. Een geluidscherm is voldoende effectief om, bij de huidige registergegevens, te kunnen voldoende aan de verruimde grenswaarde voor de geluidbronsoort hoofdspoorwegen van 70 Lden indien de hoogte van het scherm minstens 3 meter is. Voorwaardelijke verplichting geluid In de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan wordt een voorwaardelijke verplichting voor het aspect geluid opgenomen. Deze verplichting stelt dat ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van geluidgevoelige functies, aangetoond moet worden dat de standaardwaarde op grond van het Bkl niet wordt overschreden. Indien de standaardwaarde of de grenswaarde volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt overschreden, zullen er aanvullende eisen worden gesteld. Doormiddel van de voorwaardelijke verplichting en de mogelijkheid om geluidsbeperkende maatregelen te treffen wordt verzekerd dat in de toekomstige situatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Daarmee wordt ook voldaan aan het geluidbeleid van de gemeente Zevenaar.

7.3.3

Industrieterreinen met een geluidproductieplafond (GPP)

De regels voor geluid als gevolg van activiteiten op gezoneerde industrieterreinen (onder de Omgevingswet: industrieterreinen met geluidproductieplanfonds) zijn opgenomen in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voorziet het initiatief in een ontwikkeling nabij een industrieterrein met een geluidproductieplafond, dan moet aangetoond worden dat de ontwikkeling zodanig plaatsvindt dat het geluidproductieplafond van het industrieterrein niet beperkt wordt en dat er in de nieuwe geluidgevoelige functie (als die gerealiseerd wordt) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 7.3.3.1 Beoordeling In de omgeving van het plangebied is geen sprake van een gezoneerd industrieterrein. Industrieterreinen met een geluidproductieplafond vormen derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

48

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

7.3.4

Overige bedrijven

Overig geluid van bedrijven is de geluidbelasting door activiteiten anders dan het geluid afkomstig van industrieterreinen met een geluidproductieplafond. De regels over de geluidbelasting door andere activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten. Het omgevingsplan of de BOPA moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierover moet het omgevingsplan of de BOPA in beginsel regels bevatten. Het gaat om ‘gewoon’ geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat. Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen; geluid door windturbines en windparken; geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen. 7.3.4.1 Beoordeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van bedrijven en milieuzonering.

Hiertoe dient rekening te worden gehouden met de afstand tot bestaande bedrijven. Het plangebied bevindt zich aan de zuidzijde van de Zevenaarse kern, net ten noorden van het spoor. Op nog geen 400 meter naar het oosten ligt het station van Zevenaar. Aan de noordzijde van het plangebied gelden er, naast de bestemmingen ‘Verkeer’, ‘Maatschappelijk’, en ‘Dienstverlening’, hoofdzakelijk de bestemming ‘Wonen’. Aan de west- en zuidzijde van het plangebied (andere kant van het spoor) bevinden zich gronden die bestemd zijn voor ‘Bedrijf’. Aan de oostzijde van het plangebied zijn gronden vooral bestemd voor ‘Wonen’. Derhalve is er in de directe omgeving van het plangebied zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van een afwisseling van functies en kan het plangebied worden aangemerkt als een ‘gemengd gebied’. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ de richtafstanden uit de VNGprocedure met één afstandstap kunnen worden verlaagd (met uitzondering voor het aspect ‘gevaar’). Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. In de omgeving van het plangebied zijn op grond van het bestemmingsplan diverse hinderveroorzakende functies mogelijk en feitelijke aanwezig. Ten zuiden van de spoorlijn zijn hinderveroorzakende functies aanwezig. Navolgende afbeelding geeft de situatie weer:

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

49

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

Aan de zuidzijde van het spoor is de hoogste toegestane milieucategorie 3.2. De bruine maatschappelijke bestemming en de functieaanduiding ‘milieucategorie 1’ hebben een lagere richtafstand. Er wordt sowieso aan deze richtafstanden voldaan (in de waaier van maximaal 10 meter). Om aan de richtafstanden van een bedrijf milieucategorie 3.2 te toetsen, is gebruikgemaakt van de afstanden voor “groothandel minerale olieprodukten (excl. brandstoffen)”. De richtafstanden voor een dusdanig bedrijf in gemengd gebied bedragen maximaal 50 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden. Een nadere beschouwing is niet noodzakelijk.

7.3.5

Stiltegebieden

In de provinciale omgevingsverordening zijn stiltegebieden aangewezen waar instructieregels voor gelden. Houd bij ontwikkelingen in/nabij deze stiltegebieden rekening hiermee en de bijbehorende geluidnormen. 7.3.5.1 Beoordeling Het plangebied is niet gelegen in een stiltegebied. Een beoordeling is derhalve niet noodzakelijk.

7.3.6

Geluidscumulatie

Cumulatie is de gezamenlijke geluidbelasting door meerdere geluidbronnen of activiteiten. Op grond van artikel 5.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in rekening worden gehouden worden met de geluidbelasting op geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen) die door alle geluidbronnen of activiteiten kan ontstaan. Het effect van deze cumulatieve geluidbelasting moet beoordeeld worden op basis van het gemeentelijk geluidbeleid. Voorziet een ontwikkeling in de realisatie van één of meerdere geluidgevoelige gebouwen, dan moet de cumulatieve geluidbelasting van bijvoorbeeld weg- en spoorweglawaai getoetst worden aan het gemeentelijk geluidbeleid. 7.3.6.1 Beoordeling Op 28 oktober 2024 is door Aveco de Bondt een akoestisch onderzoek naar geluid door wegen en spoorwegen uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Uit het akoestisch onderzoek

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

50

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

blijkt dat in onderhavige situatie er is slechts bij één geluidsbronsoort sprake van overschrijding van de standaardwaarde. Daardoor is het bepalen en beoordelen van het gecumuleerde geluid niet aan de orde.

7.3.7

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.4 Luchtkwaliteit Ons gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen. Bijvoorbeeld luchtverontreiniging. Luchtverontreiniging kan effect hebben op de gezondheid van mensen en de natuur. De Omgevingswet bevat instrumenten en regels die de kwaliteit van de binnen- en buitenlucht bewaken en beschermen.

7.4.1

Lucht

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: I. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; II. Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; III. Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Niet voor elk project hoeft een specifieke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats te vinden. Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden; 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. 7.4.1.1 Beoordeling Woonwijken en woningbouwontwikkelingen zijn NIBM als het gaat om maximaal 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen. Twee ontsluitingswegen zorgen voor een betere spreiding van de uitstoot, als het verkeer zich (gelijkmatig) verdeelt over de wegen. Voor onderhavig planvoornemen geldt dat het gaat om slechts maximaal 80 wooneenheden. Hierdoor blijft de ontwikkeling ruim onder de grenswaarde en kan daarom worden getypeerd als NIBM. De gemeente Zevenaar ligt niet in aandachtsgebieden voor NO2 en/of PM10.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

51

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

7.4.2

Stof (grof en fijnstof)

Blootstelling aan te hoge concentraties stof (fijnstof en grofstof) wordt in verband gebracht met negatieve effecten op de gezondheid. Om die reden stelt het Rijk al langere tijd normen aan de hoeveelheid fijnstof in de buitenlucht (dit is onderdeel van het aspect luchtkwaliteit). Deze paragraaf heeft betrekking op hinder door fijnen grofstof als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten. De functiemening die kenmerkend is voor de fysieke leefomgeving van Zevenaar maakt dat rekening gehouden moet worden met deze vorm van hinder. Bedrijfsmatige activiteiten kunnen tot milieubelasting in de vorm van stofhinder leiden. Om die reden zijn in hoofdstuk 4 van het Bal regels gesteld aan de emissie van stof bij diverse bedrijfsmatige activiteiten (bijvoorbeeld de productie van voedingsmiddelen, bewerking van steen en de op- en overslag van stuifgevoelige goederen). Als een initiatief voorziet in een activiteit die tot stofemissie zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van het Bal kan leiden, moet gemotiveerd worden dat voldaan wordt aan de emissiegrenswaarden uit het Bal. Bij ontwikkelingen nabij stofemitterende activiteiten moet gemotiveerd worden dat er in het plangebied geen sprake is van stofhinder die hoger is dan de grenswaarden uit het Bal en dat de stofemitterende activiteit door de ontwikkeling niet beperkt wordt in zijn gebruiksruimte.

7.4.2.1 Beoordeling Zoals beschreven in paragraaf 7.3.4 voldoet het plangebied aan de richtafstanden ten opzichte van bedrijven in de omgeving. Het aspect ‘stof’ als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten vormen derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.

7.4.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.5 Geur Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geur. Deze instructieregels van het Bkl voor geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. In de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen is de functie bepalend. Hierbij kan worden gedacht aan wonen, onderwijs of zorg. Voor overige gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van geurbescherming. Alleen voor geur van veehouderijen en van rioolwaterzuivering bevat het Bkl specifieke instructies (paragraaf 5.1.4.6). Verder zijn er nog regels over geur opgenomen in de bruidsschat, die gelden voor de volgende activiteiten: geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf; geur door het houden van fokteven van nertsen; geur door andere agrarische activiteiten, zoals het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval; geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken; Voor andere activiteiten bepaalt het Bkl dat een ruimtelijk besluit ervoor moet zorgen dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hieraan zijn geen specifieke regels gekoppeld.

7.5.1

Beoordeling

Zoals beschreven in paragraaf 7.3.4 voldoet het plangebied aan de richtafstanden ten opzichte van bedrijven in de omgeving. Het aspect ‘geur’ als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten vormen derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

52

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

7.5.2

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.6 Omgevingsveiligheid Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid. Zo kunnen zij een brand, ramp of crisis voorkomen of de gevolgen ervan beperken. Omgevingsveiligheid krijgt daarom een belangrijke plaats bij de beoordeling van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.

7.6.1

Externe veiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). Deze paragraaf gaat in op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico In deze paragraaf wordt ook gesproken over plaatsgebonden risico en groepsrisico. Hierin worden de grens- en standaardwaarden en aandachtsgebieden rond (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties benoemd. Plaatsgebonden risico Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Daarnaast zijn er specifieke regels over: beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen; veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik; veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten; veiligheid rond luchthavens. In Zevenaar is sprake van een grote mate van bedrijvigheid en is veel boven- en ondergrondse infrastructuur aanwezig. Deze bedrijfsactiviteiten en het gebruik van de infrastructuur kunnen leiden tot risico’s. Het is daarom van belang om bij nieuwe ontwikkelingen zorgvuldig te kijken naar externe veiligheid.

7.6.1.1 Beoordeling In september 2024 is door Aveco de Bondt een quickscan Externe veiligheid uitgevoerd voor Vestersbos 2 en 4 te Zevenaar. In het kader van de planologische procedure dient beoordeeld te worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dat kader is onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

53

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

De volledige rapportage van deze Quickscan is als bijlage opgenomen in deze motivering. De gebouwen die binnen het plangebied worden gerealiseerd dienen als kwetsbare gebouwen te worden beschouwd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied nabij een spoorweg ligt waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het betreft hier de Betuweroute. Andere risicobronnen liggen op te grote afstand om effect te hebben in het plangebied. Ter hoogte van het plangebied bevindt het spoor van de Betuweroute zich in een tunnel. De tunnelmonden liggen op meer dan 500 meter vanaf het plangebied. Door de ligging van de spoorweg in een tunnel zal een ongeval in de tunnel niet snel tot effecten leiden buiten de tunnel. Het plangebied ligt bovendien op meer dan 50 meter afstand van de tunnel. Geconcludeerd wordt daarom dat in het plangebied in principe geen rekening gehouden hoeft te worden met een ongeval die invloed heeft op externe veiligheid. Alleen het scenario van een gifwolk kan mogelijk van invloed zijn. De te treffen bouwkundige maatregel tegen een gifwolk is het afsluitbaar maken van automatische ventilatie. Dit is al een standaard bouwkundige eis in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Ondanks het treffen van maatregelen blijft er altijd sprake van een restrisico. De gemeente accepteert dit restrisico.

7.6.2

Niet gesprongen explosieven

Niet-gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of Tweede Wereldoorlog. Ze leveren een gevaar op als ze verplaatst of aangeraakt worden bij graaf- of baggerwerkzaamheden. 7.6.2.1 Beoordeling Als gevolg van gevechtshandelingen in- en rondom Zevenaar tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn in het gebied mogelijk Niet-Gesprongen-Explosieven (NGE) aanwezig. Op basis van de VEO bommenkaart is te zien dat in de omgeving van Zevenaar diverse oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden. Hierbij gaat het met name om oorlogshandelingen uit de Tweede Wereldoorlog. In figuur 9 valt te zien dat ter hoogte van het plangebied vooronderzoek is uitgevoerd. Dit vooronderzoek is uitgevoerd door BeoBOM in 2015. Daarnaast valt te zien dat op enige afstand voor twee locaties ten oosten van het plangebied opsporingen zijn aangetroffen. Beide opsporingen zijn aangetroffen door Armaex in 2019.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

54

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

Figuur 9: Plangebied en locaties waar opsporingen van NGE's zijn aangetroffen Bij het spontaan aantreffen van ontplofbare oorlogsresten (OO), ontstaat een verhoogd veiligheidsrisico doordat het explosief door beroering kan exploderen. Bovendien kan een onverwachte vondst leiden tot extra kosten door vertraging van de uitvoeringswerkzaamheden. Dit risico doet zich voor wanneer er onvoldoende of geen onderzoek wordt uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van oorlogsresten voordat bodemwerkzaamheden worden uitgevoerd. De bodem ter plaatse is reeds geroerd. Risico’s met betrekking tot niet gesprongen explosieven zijn daardoor minimaal. Bij toekomstige grondroerende werkzaamheden wordt geadviseerd om een oriënterend onderzoek voor ontplofbare oorlogsresten uit te voeren. Het aspect ‘niet gesprongen explosieven’ is echter geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

7.6.3

Veiligheidsdiensten

Een adequate bluswatervoorziening en een goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorzieningen als de incidentlocatie, zijn randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door de veiligheidsdiensten. In de Bruidschat (onderdeel van het gemeentelijke omgevingsplan) zijn daarom regels opgenomen over bluswatervoorzieningen (artikel 22.13), bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten (artikel 22.14) en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen (artikel 22.15). 7.6.3.1 Beoordeling In onderhavig voorgenomen worden de bluswatervoorzieningen in de omgeving van het plangebied niet aangetast. Daarnaast wordt de omliggende wegenstructuur ook niet aangetast. De bereikbaarheid van het plangebied en de bluswatervoorzieningen vormen daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.6.4

Overstromingsgevaar

Omdat in Nederland de bescherming tegen overstromingen zo belangrijk is, zijn veel zaken bij wet geregeld. In de wet is bijvoorbeeld vastgelegd aan welke veiligheidsnormen de primaire waterkeringen moeten voldoen en hoe de sterkte van de keringen wordt bewaakt. Het actuele beleid is erop gericht dat elke Nederlander die door een primaire waterkering wordt beschermd tenminste een ‘basisveiligheid’ krijgt. Om de basisveiligheid te

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

55

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

waarborgen worden maatregelen genomen die overstromingen door de grote wateren moeten voorkomen (preventie). Aanvullend daarop kunnen de gevolgen van een eventuele overstroming worden beperkt door de inrichting van Nederland bestand te maken tegen water (waterrobuust). 7.6.4.1 Beoordeling Zoals weergegeven op de overstromingskaart in de Atlas Leefomgeving heeft het plangebied een ‘kleine’ tot ‘zeer kleine’ kans op overstroming. Het aspect ‘overstromingsgevaar’ levert daarom geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.

7.6.5

Sociale veiligheid

De sociale veiligheid en te verwachten overlast zijn aspecten die bij de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, betrokken moeten worden. 7.6.5.1 Beoordeling Sociale veiligheid heeft betrekking op de bescherming van mensen tegen gevaren die veroorzaakt worden door menselijk handelen in de openbare ruimte. In het omgevingsplan ligt de focus op twee belangrijke thema’s: stedenbouw en de openbare ruimte. Op stedenbouwkundig gebied wordt veiligheid vergroot door aandacht te besteden aan het ontwerp van de omgeving. Dit betekent bijvoorbeeld dat donkere hoeken, nissen en stegen waar mensen zich kunnen verbergen vermeden worden. Ook is het belangrijk dat zichtlijnen niet worden verstoord en dat woningen zo worden gepositioneerd dat bewoners zicht hebben op de straat. Het aanbrengen van actieve plinten, waarbij muren niet volledig blind zijn maar bijvoorbeeld ramen of ingangen hebben, draagt eveneens bij aan een gevoel van veiligheid. Daarnaast speelt de inrichting van de openbare ruimte een grote rol. Om het risico op onveilige situaties te beperken, is het belangrijk om zicht belemmerende beplanting zoveel mogelijk te vermijden. Ook helpt het om duidelijke scheidingen aan te brengen tussen verblijfsgebieden en woongebieden.

Goede verlichting zorgt er bovendien voor dat mensen zich zowel overdag als ’s avonds veilig voelen in de openbare ruimte. Met deze aspecten wordt rekening gehouden bij het definitieve ontwerp, zodat sociale veiligheid optimaal kan worden gewaarborgd. Dit nieuwe initiatief brengt meer levendigheid in de buurt, wat de sociale veiligheid verder versterkt. Waar eerder een school stond die ’s avonds en in het weekend gesloten was, zorgt de nieuwe invulling voor meer activiteit en toezicht gedurende de dag én avond. Hierdoor wordt het risico op onveilige situaties verkleind.

7.6.6 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.7 Licht Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt. Dit heet daglichttoetreding. Daarnaast is ook voldoende zonlicht op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken belangrijk. Een toename van schaduw kan ongewenst zijn. Dit is het onderwerp bezonning. Tot slot kan kunstlicht leiden tot diverse vormen van lichthinder. Er dient bij ontwikkelingen rekening gehouden te worden met slagschaduw door windturbines in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen. Tot slot kan kunstlicht leiden tot diverse vormen van lichthinder.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

56

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

7.7.1

Beoordeling

Ten tijde van het aanvragen voor de omgevingsvergunning voor het bouwen dienen de bouwwerken te worden beoordeeld aan de hand van het Bbl en de regels van daglichttoetreding. De maximale bouwhoogte van de beoogde ontwikkeling betreft 12 meter aan de zuidzijde van het plangebied. Op basis van het huidige bestemmingsplan is bebouwing toegestaan van 12 meter hoog. Op het noordelijk gedeelte van het plangebied is bebouwing toegestaan van 7 meter hoog. Een belemmering door een toename van schaduw is daardoor uit te sluiten. Daarnaast is er geen sprake van lichthinder door omliggende functies op het plangebied.

7.7.2

Conclusie

Het aspect licht vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.8 Windhinder Zoals beschreven in paragraaf 5.3.1 ligt het plangebied in een molenbiotoop. Bebouwing kan impact hebben op de door de molen ontvangen wind. Volgens wet en regelgeving betreffende de molenbiotoop, dient de impact van gebouwen binnen een invloedsfeer van 400 meter te worden onderzocht. De molenbiotoop houdt in dat de uitstraling, functie, locatie en omgeving als een geheel is wat niet uit balans mag komen.

7.8.1

Beoordeling

Voor de herontwikkeling aan de Vesterbos 4 in Zevenaar is een deskundig oordeel Molenbiotoop uitgevoerd. Op de ontwikkelingslocatie is één molenbiotoop van toepassing, die van de Buitenmolen. Daarom is door SimStudio in oktober 2024 een deskundig oordeel van de molenbiotoop uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. Het doel van het onderzoek is om het effect van de geplande ontwikkeling op de huidig door de molen ontvangen wind in te schatten. Verandering in ontvangen wind resulteert in verandering van potentiële draaiuren. Hierbij wordt voor de Buitenmolen de beschikbare wind uit noordnoordwestelijke richting onderzocht. In de huidige situatie is de maximale hoogte 12m binnen het perceel van de ontwikkeling. Het voorgestelde bouwplan bestaat uit 3 bouwvlakken, waarvan 1 met een maximale bouwhoogte van 12m (op dezelfde plek als de huidige 12m) en 2 met een maximale bouwhoogte van 7m (waar nu circa 6,4m bebouwing is). De minimale afstand tussen de Buitenmolen en huidige bebouwing is gelijk aan de geplande situatie. Het bouwdeel van 12 m staat op een afstand van circe 154m. De kortste afstand tot de bebouwing van 7m is 141m. Op basis van de voorgaande analyse wordt geconcludeerd dat de windvang van de Buitenmolen niet wordt beïnvloed door de geplande ontwikkeling.

Dit komt doordat de bestaande bebouwing tussen de molen en de nieuwe ontwikkeling verder naar het oosten de aanstroming van de wind al bepaalt. De nieuwe ontwikkeling heeft daarom geen effect op de windvang van de molen.

7.8.2

Conclusie

Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.9 Trillingen Er dient bij ontwikkelingen rekening gehouden te worden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Een ruimtelijk besluit voorziet erin dat trillingen door een activiteit in

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

57

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Om te kijken of onderzoek naar trillingshinder noodzakelijk is, wordt aangesloten bij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrilling. Meer informatie over dit onderwerp is te vinden op https://iplo.nl/thema/trillingen/.

7.9.1

Beoordeling

Op de locatie van de voormalige technische school in Zevenaar aan de Vestersbos 4 wordt nieuwbouw ontwikkeld. De woningen worden gerealiseerd in de buurt van de spoorlijn Arnhem - Zevenaar Emmerich/Doetinchem. Daardoor kunnen trillingen van treinverkeer als hinderlijk worden ervaren. Derhalve heeft WeBoost in oktober 2024 een trillingsonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de nieuwbouw. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen of er sprake zal zijn van trillingshinder in de geplande woningen, en zo ja, met welke maatregelen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. In dit onderzoek is met behulp van metingen op de bouwlocatie en modelberekeningen onderzocht wat de trillingen zullen zijn in de toekomstige bebouwing. Hierbij is de aanpak gevolgd zoals voorgeschreven in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Uit het onderzoek volgt dat met name in de zuidwesthoek van het plangebied overschrijdingen van het beoordelingskader voor trillingshinder mogelijk zijn tot een afstand van ca. 65 meter van het spoor (grondgebonden woningen 7 meter hoog) en 50 meter (appartementen 12 meter hoog), of als gekozen wordt voor houtskeletbouw (hele plangebied) of transformatie van het bestaande gebouw aan de Stationsstraat (hele gebouw).

Op basis van deze resultaten adviseert WeBoost het volgende in het geval van nieuwbouw: • Vermijd houtskeletbouw • Pas een zware fundering toe • zorg voor een stijve vloerconstructie In het geval van een transformatie van de huidige bebouwing adviseert WeBoost om een maatregel te nemen in de bodem, tussen spoor en gebouw, gelet op het feit dat maatregelen in het bestaande gebouw niet goed mogelijk zijn. Het bekleden van de fundering van het gebouw met minimaal 200mm dik rubber volstaat ook om trillingshinder tegen te gaan in een transformatie van het huidige gebouw.

7.9.2

Conclusie

Door rekening te houden met bovenstaande adviezen, is te voldoen aan de streefwaarden voor trillingshinder uit de SBR B-richtlijn, en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect trillingen zal daarmee geen belemmering vormen voor de haalbaarheid van het project.

7.10 Beschermen van de gezondheid In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om: • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?) • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid). Meer informatie over dit onderwerp is te vinden op https://iplo.nl/thema/gezonde-fysieke/.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

58

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

7.10.1 Beoordeling Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige- en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. In verschillende paragrafen in deze motivering worden de aspecten geluid, geur, bodem, trillingen en luchtkwaliteit behandeld. Hieruit blijkt dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het aspect gezondheid voldoende is afgewogen.

7.10.2 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Het klimaat in Nederland verandert. Het KNMI verwacht hogere temperaturen, nattere winters, hevigere regenbuien en kans op drogere zomers. Dit verhoogt het risico op wateroverlast, grondwaterproblemen en hittestress in dorpen, steden en in het landelijk gebied. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en veiligheid. Het is belangrijk dat we ons aanpassen aan deze veranderingen. In het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie hebben rijk, provincies, gemeenten en waterschappen als mijlpaal bepaald dat in 2050 sprake moet zijn van een klimaatbestendige inrichting van de omgeving. Hierin hebben overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners ieder hun eigen verantwoordelijkheid. Om inzicht te krijgen in mogelijke klimaateffecten heeft de gemeente Zevenaar een Klimaatatlas gemaakt. De getoonde effecten zijn gebaseerd op de klimaatscenario’s voor 2050 van het KNMI. De gemeente en het waterschap stellen met deze atlas een klimaatagenda op, in overleg met vertegenwoordigers uit de omgeving. Daarnaast biedt de atlas inzicht in mogelijke effecten zodat maatschappelijke organisaties, inwoners en bedrijven hun leefomgeving hierop kunnen aanpassen.

7.11.1 Beoordeling Duurzaamheid In de structuurvisie ‘gemeente Zevenaar 2030’ is vermeld dat duurzaamheid een hoofddoel is om in 2030 een duurzame leefomgeving in Zevenaar te hebben gecreëerd. Om duurzaamheid te bereiken wordt er maximaal ingezet op kringlopen. Het duurzaam (ver)bouwen heeft onder andere betrekking op het goed isoleren van zowel de bestaande als nieuwe te bouwen woningen en gebouwen. Bij revitalisering van wijken en bedrijventerreinen, maar ook bij nieuwe ontwikkelingen moeten de kansen worden benut om duurzame energie toe te passen. Hierbij kan het gaan om zonne-energie, biomassa, aardwarmte of andere vormen van duurzame energie De gemeente Zevenaar heeft een voorbeeldfunctie voor duurzaamheid. Dit uit zich bijvoorbeeld in de nieuwe energieneutrale huisvesting en het energie- en klimaatbeleid en de toekomstige uitwerking van projecten.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

59

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

Daarnaast initieert, faciliteert en stimuleert de gemeente Zevenaar burgers en het maatschappelijk speelveld, bijvoorbeeld door het verstrekken van informatie over energielabel-woningen en het stimuleren van parkmanagement en uitbreiden van parkmanagementarrangementen. Gezien voor het onderhavig plan zowel hergebruik van de aanwezige bebouwing als volledige sloop-nieuwbouw tot de mogelijkheden behoren, kan nog niet beoordeeld worden of er voldoende maatregelen worden genomen ten aanzien van het aspect duurzaamheid. Rekening houdend met de voorbeeldfunctie van de gemeente Zevenaar ten aanzien van duurzaamheid kan alsnog verwacht worden dat duurzaamheid in voldoende mate zal worden meegenomen in de beoogde ontwikkeling. Daarom zijn in de selectieleidraad van de ontwikkeling ook uitgangspunten opgenomen met betrekking tot duurzaamheid en circulariteit. De opgave voor de gemeente Zevenaar ligt in het verduurzamen en toekomstbestendig maken van de bouwsector, alsook in het verminderen van bouwkosten door conceptueel en circulair bouwen standaard te maken bij (woning)bouw. Binnen het project Vestersbos wordt het plan specifiek getoetst op een aantal onderdelen. Deze vereisten worden vermeld in de selectieleidraad, die is opgenomen in de bijlage van deze onderbouwing. Klimaatadaptatie Het aspect klimaatadaptatie is reeds beoordeeld in paragraaf 7.1.

7.11.2 Conclusie Het aspect duurzaamheid en klimaatadaptatie vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7.12 M.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (mer) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. De milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt de milieueffecten van een plan of project in beeld voordat de overheid daar een besluit over neemt. Het doel van een m.e.r. is het milieubelang een volwaardige plaats geven in de besluitvorming. Een initiatiefnemer beschrijft in het milieueffectrapport (MER) de effecten van het plan of project, en de effecten van alternatieven, op het milieu. Voor meer informatie zie https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/milieueffectrapportage/introductie/. De wetgeving over de m.e.r. is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende procedures: • plan-m.e.r.-beoordelingsplicht • plan-m.e.r. • project-m.e.r.-beoordelingsplicht • project-m.e.r. Of een besluit project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer (kolom 1). Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht.

Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee medewerking aan het initiatief wordt verleend. In dit geval is dat het omgevingsplan.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

60

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

7.12.1 Beoordeling Bij een plan-mer-beoordeling staan centraal de plannen en programma’s die een (beoordelings)kader kunnen vormen voor projecten (bijvoorbeeld een latere omgevingsvergunning). We spreken over 'een kader vormen' als in het plan een locatie- of tracékeuze staat. Een 'kader' moet concreet genoeg zijn en is in zekere mate bindend voor een later besluit. Dit later te nemen besluit moet mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. In artikel 16.34, lid 2 Omgevingswet is bepaald dat onder een ‘plan of programma’ in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Als uitgangspunt worden in artikel 16.36 Omgevingswet drie situaties beschreven waarbij het opstellen van een milieueffectrapport (plan-MER) verplicht is. Daarop worden vervolgens uitzonderingen gemaakt. In het navolgende zal dit verder worden uitgelegd. De Omgevingswet verplicht in de navolgende situaties tot het opstellen van een plan-MER: 1. In artikel 16.36, lid 1 Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag voor een plan of programma een milieueffectrapport (MER) maakt als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor aangewezen projecten in bijlage V Omgevingsbesluit. 2.

In artikel 16.36, lid 2 Omgevingswet is bepaald dat het bevoegd gezag voor een plan of programma een milieueffectrapport (MER) maakt indien op grond van artikel 16.53c Omgevingswet een passende beoordeling moet worden gemaakt. 3. In artikel 16.36, lid 4 Omgevingswet is een ‘vangnet’ bepaling opgenomen. Daarin is bepaald dat voor een plan of programma dat het kader vormt voor andere projecten dan aangewezen in bijlage V Omgevingsbesluit het bevoegd gezag een milieueffectrapport maakt als dat plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Om tot deze conclusie te kunnen komen wordt eerst een planmer-beoordeling gemaakt. De uitzonderingen op het opstellen van een plan-MER zijn opgenomen in artikel 16.36 lid 3 en 5 van de Omgevingswet. Daarin is bepaald dat voor kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen van een plan of programma eerst een plan-mer-beoordeling mag worden opgesteld. Op basis daarvan moet eerst beoordeeld worden of er een plan-MER moet worden gemaakt. Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat wanneer een plan of een programma niet meer 1% van het grondgebied van de gemeente omvat (hierna: ‘1%-criterium’), dat plan betrekking heeft op een klein gebied. Daarmee is niet gezegd dat wanneer het plan procentueel meer grond van een gemeente omvat, er geen sprake is van een klein gebied. Dat zal nadere jurisprudentie moeten uitwijzen.

De gemeente Zevenaar heeft een oppervlakte van ruim 10.000 hectare. Op basis van het 1%-criterium betekent dat een project van niet meer dan 100 hectare kan worden beschouwd als ‘kleine gebieden op lokaal niveau’. In de plan-mer-beoordeling toetst het bevoegd gezag of er bij het project aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee uitkomsten mogelijk: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen mer nodig er hoeft geen MER te worden gemaakt.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

61

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

De beoordeling of het noodzakelijk is een milieueffectrapport op te stellen is afhankelijk van de vraag of de specifieke omstandigheden waaronder het project wordt uitgevoerd kunnen leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Dit wordt onder andere beoordeeld aan de hand van: • de fysieke kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten Ten behoeve van het project Vestersbos is een MER-beoordeling opgesteld. De beoordeling is opgenomen als bijlage bij deze onderbouwing. Hierin staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een milieueffectrapport moet maken. Op basis van de kenmerken en plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten wordt geconcludeerd dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Wanneer er geen aanzienlijke milieueffecten zijn, is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om milieueffectrapport (MER) op te stellen.

7.12.2 Conclusie Het aspect m.e.r.-beoordeling vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

62

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

8 Financiële uitvoerbaarheid en kostenverhaal De Omgevingswet biedt ruimte aan initiatiefnemers voor de ontwikkeling van activiteiten in de fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling van deze activiteiten zal ook de gemeente vaak kosten maken. Voorbeelden zijn de aanleg van openbare voorzieningen en het doorlopen van een procedure voor de wijziging van het omgevingsplan en de verlening van een omgevingsvergunning. De Omgevingswet verplicht de gemeente de kosten die zij zelf maakt ten behoeve van een planologisch besluit voor het mogelijk maken van een kostenverhaalplichtige activiteit te verhalen op de eigenaar of eigenaren van de betreffende gronden. Het kostenverhaal betreft alleen kosten die op de kostensoortenlijst staan als genoemd in Bijlage IV bij het Omgevingsbesluit. Hierbij kan worden gedacht aan de kosten die gemoeid zijn met de voorbereiding van het planologisch besluit in de procedurefase, maar ook aan de kosten van aanleg van openbare voorzieningen in de uitvoeringsfase. Een kostenverhaalsplichtige activiteit mag niet worden verricht voordat de voor de activiteit verschuldigde bijdrage in het kader van het kostenverhaal is betaald. Hiervan kan worden afgeweken als een overeenkomst wordt gesloten waarin voorwaarden worden opgenomen over het stellen van aanvullende zekerheden voor de betaling.

In dit geval mag de uitvoering van een activiteit wel starten voordat de kostenverhaalbijdrage betaald is. Als er geen zekerheid voor betaling is overeengekomen vóór het nemen van het planologisch besluit, neemt de gemeente kostenverhaalsregels op in het omgevingsplan, danwel kostenverhaalvoorschriften op bij de omgevingsvergunning. Ook kan het zijn dat derden nadeel ondervinden van een nieuwe ontwikkeling. De Omgevingswet bevat hiervoor regels over mogelijke financiële compensatie in hoofdstuk 15.

8.1 Beoordeling De financiële uitvoerbaarheid is voldoende verzekerd doordat de kosten van het plan gedekt zijn vanuit de gemeentelijke grondexploitatie.

8.2 Conclusie Het aspect financiën vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

9 Proces In dit hoofdstuk wordt de procedure rondom de totstandkoming van het omgevingsplan toegelicht. Ingegaan wordt op de wettelijke processtappen en de rol van de diverse instanties hierbij.

9.1 Wettelijke procedure 9.1.1

TAM-IMRO omgevingsplan

In de Algemene wet bestuursrecht zijn de regels opgenomen die mede van toepassing zijn op de wijziging van het omgevingsplan door de overheid (hoofdstuk 3 en 4). Na afronding van het vooroverleg met de ketenpartners en een eventueel participatieproces met omwonenden en belanghebbenden, start de formele procedure. Gemeenten moeten de wijziging van het omgevingsplan digitaal publiceren via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB), het landelijke publicatieplatform. De regels van het ontwerpomgevingsplan komen dan automatisch in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) c.q. Omgevingsloket. TAMomgevingsplannen kunnen net als de ‘oude’ bestemmingsplannen via de overbruggingsfunctie van het DSO geraadpleegd worden. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=34495f33-b256-4f17-85f4-41cb89c79699