CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5. 1288554 - Motivering TAM-omgevingsplan ‘Vestersbos 2-4’

Raadsvergaderingen 22 april 2026, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/25/488927 Gewijzigde vaststelling TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22b Vestersbos 2-4 Zevenaar26.847 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

26

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

Op de locatie staan verschillende schoolgebouwen die meerdere jaren niet meer in gebruik zijn. Het plan voorziet in een nieuwe invulling van het plangebied ten behoeve van woningbouw. Binnen het plan worden woningen gerealiseerd die voorzien in de behoefte van diverse doelgroepen. Daarmee wordt aangesloten op het beleid conform de woonagenda. Ligt het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied? Naast een onderbouwing voor de behoefte aan de te realiseren nieuwe stedelijke ontwikkeling, dient ook nagegaan te worden of er sprake is van een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied (BSG). Wanneer een ontwikkeling voorziet in toevoeging van stedelijke functies buiten BSG, zal eerst moeten worden nagegaan of er binnen BSG geen ruimte beschikbaar is om in dit plan te voorzien. Het planvoornemen aan de Vestersbos 2 4 is gelegen op een binnenstedelijke locatie. De omgeving wordt gekenmerkt door stedelijke functies, waaronder voornamelijk 'Wonen'. Derhalve wordt ook voldaan aan dit onderdeel uit de Ladder voor duurzame verstedelijking.

6.1.2 Conclusie Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.2 Welstand Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving. Dit doet de gemeente op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Vanuit welstand wordt voor nieuwe gebouwen gekeken naar de gedetailleerde onderdelen (dakkappellen e.d.), gevelindelingen, kleuren en materiaalgebruik. De regels voor een welstandstoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Daarnaast geldt specifiek voor de welstandsnota overgangsrecht. Dit staat in artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, is de welstandsnota een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Dit artikel regelt dat als regels over het uiterlijk van bouwwerken uitleg behoeven, de gemeenteraad beleidsregels vaststelt. Dit betekent niet dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet de beleidsregels over de plaatsing van het bouwwerk in de welstandsnota vervallen. Ook deze onderdelen van de welstandsnota worden meegenomen bij de behandeling van de bouwaanvraag (artikel 22.29 van de bruidsschat). Naast de welstandsnota kan ook een beeldkwaliteitsplan worden opgesteld. Dit toetsingskader is vormvrij en kan betrekking hebben op een specifiek gebied.

Het beeldkwaliteitsplan beschrijft de gewenste beeldkwaliteit van de bebouwing en de buitenruimte en bevat toetsbare criteria. Het is een verbindend element tussen landschap, architectuur en stedenbouw. Het plan geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de vormgeving van bebouwing en de inrichting van de ruimte. Indien het beeldkwaliteitsplan gebruikt gaat worden voor de formele toetsing van de uiteindelijke bouw- en inrichtingsplannen, dient naar het beeldkwaliteitsplan te worden verwezen in de planregels. Daarnaast zal de welstandsnota (beleidsregel) moeten worden aangevuld als het ook als toetsingskader voor de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit moet dienen. Het beeldkwaliteitsplan kan dan het kader vormen voor die aanvulling.

6.2.1

Beoordeling

Een omgevingsplan is erg belangrijk voor het bouwrecht. Omgevingsvergunningen voor het bouwen worden immers getoetst aan de regels uit het omgevingsplan. Naast de omgevingsplanbepalingen en de bouwtechniek is het uiterlijk van een bouwwerk belangrijk. Hiertoe heeft de gemeente welstandsbeleid opgesteld, welke is vastgelegd in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

27

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

In de nota zijn onder meer gebiedsgerichte criteria opgenomen voor enkele afzonderlijk beschreven deelgebieden binnen de gemeente, om er voor te zorgen dat een bouwactiviteit zo goed mogelijk wordt afgestemd op het karakter van de bestaande gebouwde omgeving. Conform de Nota Ruimtelijke Kwaliteit ligt het plangebied in deelgebied ‘Molenwijk’. Molenwijk is een beheersgebied waar in de komende jaren weinig ontwikkelingen plaats zullen vinden. Behoud van de verkavelingsopzet met dorpse bebouwing is gewenst. Het deelgebied Molenwijk wordt deels begrensd door de Arnhemseweg. Het lint van deze weg is aangemerkt als bijzonder welstandsgebied omdat het lint één van de belangrijkste verkeersstructuren is in de kern Zevenaar, met name ook voor het langzaam verkeer. Het lint is daarmee van grote betekenis voor het totaalbeeld van Zevenaar. Bovendien heeft het lint een cultuurhistorische betekenis. De wijk wordt doorkruist door belangrijke buurtontsluitingswegen, te weten de Molenstraat en de Schilderspoort - Rembrandtplein - J.Boschstraat. De Molenstraat is bovenal een historisch lint en radiaal. Aan deze weg is een bijzonder welstandsniveau toegekend. De rest van het gebied heeft geen waarden die bijzondere bescherming behoeven. Bij een dergelijk beheersgebied past een regulier welstandsniveau.

Het plangebied heeft geen waarden die bijzondere bescherming behoeven, gezien het niet is gelegen aan een historisch lint. De uitgangspunten voor de vormgeving zijn vastgelegd in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit en moeten als uitgangspunt worden genomen bij het opstellen van het stedenbouwkundig ontwerp. Daarmee zal de Nota Ruimtelijke Kwaliteit in lijn zijn met het plan. De gemeente Zevenaar heeft daarnaast een selectieleidraad opgesteld voor het selecteren van een ontwikkelaar van het plangebied. In dit document heeft de gemeente ook diverse uitgangspunten voor de vormgeving van het plan opgenomen. De uitwerking van het plan zal overeen moeten komen met de uitgangspunten uit de selectieleidraad. De tweedeling in het plangebied geeft ruimte om de uitwerking van de twee plandelen verschillend en uniek te maken. Verschillend in bouwvolume en in architectonische uitstraling en uitwerking. Hoe dit wordt gedaan, is aan de ontwikkelende partij. Als de totale ruimtelijke kwaliteit maar overtuigend is en samenhang heeft. Voor beide plandelen willen we een aantrekkelijke uitstraling (architectuurbeeld) die past bij de woonfunctie en zich goed verhoudt tot de omliggende woningen en eventueel te handhaven bouwdelen. De keuze voor materialen wordt vrij gelaten. Het gebruik van metselwerk, hout en veel gebruik van glas worden zeker als goede basiselementen gezien.

Deelgebied Noord Het grondgebonden deel van het programma is door de nabijgelegen Buitenmolen en de hieruit voortkomende molenbiotoop beperkt tot bouwmassa’s van 2 lagen met een maximale hoogte van 7 meter. De keuze voor dakvormen wordt vrijgelaten. Echter door de gewenste eenheid binnen dit plandeel, is verwantschap tussen de bouwblokken, alsmede een logische clustering vereist. Door dit goed te doen kan de hoeveelheid beleefbare achterkanten en noodzakelijke achterpaden beperkt blijven, waardoor er voornamelijk een beeld van voorkanten/representatieve zijdes ontstaat. Ook de bestaande achterkantsituatie van de woningen aan de Heldringsstraat kan zo op goede wijze worden ingepast waarbij een nieuw achterpad ook voor die woningen als secundaire toegang kan worden gebruikt. Deelgebied Zuid Het gestapelde woningprogramma kan in de basis als 3 lagen worden uitgevoerd. Dit is ook in de oude situatie het geval. Binnen de maximale bouwhoogte zijn 4 bouwlagen mogelijk. Vooral de hoek VestersbosStationsstraat verdient extra aandacht op het gebied van stedenbouw en architectuur.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

28

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

6.2.2 Beeldkwaliteitsplan Voor het voorliggende plan is niet gekozen voor het opstellen van een beeldkwaliteitsplan. De stedenbouwkundige uitwerking en het beeldkwaliteitsplan zal nader worden uitgewerkt door de ontwikkelende partij. De selectieleidraad die opgesteld is door de gemeente Zevenaar beschrijft diverse uitgangspunten over de beeldkwaliteit van het plan. Hier moet de ontwikkelende partij rekening mee houden. Hieronder wordt beknopt ingegaan op deze uitgangspunten. Hoofdopzet In de hoofdopzet voor de planuitwerking (Vestersbos 4) wordt gedacht aan twee verschillende soorten gebieden. In het zuidelijke deel zetten we in op gestapelde woningen. In het noordelijke deel komen vooral grondgebonden woningen (2 bouwlagen). Tussen beide delen ligt een groene zone (overgangszone) zonder bebouwing, die mogelijkheden biedt voor waterberging, spelen en ontmoeting. De randen van het plangebied aan de kant van de Stationsstraat en het Vestersbos worden ook onderdeel van het groene raamwerk. De waardevolle bomen in dit deel krijgen hier een plek. Aan de kant van de Stationsstraat loopt de groene ruimte door tot aan de gevel. Bij hergebruik van de aanwezige bebouwing is de bestaande zuidgevel de bouwgrens. Bij sloop-nieuwbouw wordt de grens teruggelegd om de bomen meer ruimte te bieden en een conflict tussen bomen en woningen te voorkomen.

Het nieuwe plan wordt onderdeel van de grotere woonwijk waarbij de groen- en voetpadstructuur logisch aansluit op de omgeving. De centrale ruimte tussen de twee plandelen kan daarbij een meerwaarde krijgen in de looproutes van de wijk door aan de westzijde een verbinding te maken naar de Pelgromstraat en aan de oostzijde aan te sluiten bij de daar aanwezige padenstructuur. De mogelijkheden voor de westelijke verbinding zullen nader verkend en onderzocht moeten worden met de betrokken omwonenden. Voor de toegang met de auto wordt er een belangrijke ingang aan de Stationsstraat gemaakt. Van daaruit wordt er een logische route door het gebied gepland. Deze sluit aan op de weg Vestersbos. We willen ervoor zorgen dat dit geen problemen geeft voor de bewoners aan de overkant, zoals te veel lichthinder. Aan de ontsluitingsstructuur worden efficiënt ingedeelde parkeervoorzieningen gekoppeld die primair zijn gelegen binnen de voor wonen aangemerkte deelgebieden noord en zuid. Ook parkeren onder de gebouwen is hierbij mogelijk. Het plan moet een sluitende parkeerbalans hebben, die voldoet aan de parkeernormen. Voor het parkeren van bezoekers kan eventueel het plangebied Vestersbos 2 (NME locatie) bij het plan worden betrokken.

Hergebruik Cultuurhistorisch waardevolle elementen/bouwdelen Hoewel het huidige blok aan de zijde Stationsstraat (deel A, pagina 10) geen monumentenstatus heeft, zijn er door de erfgoedcommissie wel waardevolle elementen/bouwdelen beschreven. In een poging de kansen voor (gedeeltelijk) behoud te vergroten, en daarmee een stukje historie te bewaren, dagen we ontwikkelende partijen uit om in hun planuitwerking oog te hebben voor de mogelijkheden van inpassing/hergebruik. Het niet hebben van een monumentale status geeft juist meer vrijheid om creatief om te gaan met het (gedeeltelijk) hergebruik/behoud. Te denken valt bijvoorbeeld aan de trappartij, de gevel van de huidige entree met de verbijzonderingen in het metselwerk, maar ook delen van het gebouw/casco. Overgang privé-openbaar Goede mee-ontworpen erfafscheidingen, groen en/of gebouwd, dragen bij aan de samenhang en de ruimtelijke kwaliteit. Woningen kunnen eventueel direct aan de openbare ruimte worden geplaatst. Het moet helder zijn op welke wijze de relatie tussen de woningen en de buitenruimte wordt gelegd en of er naast de gebruikelijke maat voor het trottoir ruimte is voor bijvoorbeeld groen of een zitgelegenheid voor de woning.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

29

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

Aandachtspunten verdere uitwerking/ontwerp Voor de verdere uitwerking van de beschreven uitgangspunten zijn de onderstaande aandachtspunten van groot belang: • de aanwezigheid van beleefbaar, robuust en kwalitatief openbaar groen; • de overgangen naar de bestaande woningen; • aanwezige molenbiotoop van nabijgelegen Buitenmolen (ten westen van plangebied). • geen formele monumentenstatus van het pand aan de Stationsstraat, dit geeft meer vrijheid om creatief om te gaan met (gedeeltelijk) hergebruik/behoud van waardevolle en karakteristieke elementen/bouwdelen; • mogelijkheid tot het betrekken van de locatie NME (Vestersbos 2) voor het deels oplossen of verbeteren van de parkeer- en groenopgave eventueel in combinatie met een ontmoetingsfunctie voor de wijk (binnen en/of buiten); • hoe om te gaan met het geluid en trilling van het spoor (Uitgangspunt is geen schermen te plaatsen, maar te werken met dove gevels).

6.2.3 Conclusie Volgend op de wijziging van het omgevingsplan volgt de vergunningsprocedure, waarbij het plan verder zal worden uitgewerkt. In deze fase wordt het plan beoordeeld aan de hand van de welstandsnota en de selectieleidraad, waarbij het plan uiteraard moet voldoen aan het beoordelingskader.

6.3 Mobiliteit en parkeren In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). Wel is een veilige en gezonde fysieke leefomgeving één van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 Ow). De gemeente Zevenaar neemt hierdoor ook verkeersveiligheid mee in haar afwegingen. Zo zal verkeersveiligheid, een goede afhandeling van verkeerstromen en het voorkomen van (voorzienbare) parkeerhinder voor de gemeente een rol spelen bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Ow) in het omgevingsplan. De inrichting en inpassing van infrastructuur in de omgeving heeft invloed op de veiligheid. Zo is voor een veilige indeling van een weg een bepaald ruimtebeslag noodzakelijk. Maar ook bebouwing of een bouwwerk naast de weg kan effect hebben op de verkeersveiligheid. Verkeersveiligheid is dan ook een onderdeel van de afweging om ruimte te verdelen en gebieden aan te wijzen voor een bepaalde functie. Van belang is dat bij een nieuwe ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en een goede verkeersafwikkeling.

Bij de afweging tot het toedelen van functies aan locaties wordt tevens de verkeersaantrekkende werking van de betreffende activiteit betrokken. De gemeentelijke uitgangspunten voor parkeren zijn vastgelegd in het omgevingsplan in het onderdeel ‘Paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Zevenaar’.

6.3.1

Beoordeling

Verkeer Als gevolg van de beoogde woningbouw binnen het plangebied zal er sprake zijn van een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Het planologische gebruik in de bestaande situatie (maatschappelijk) en de nieuwe situatie (woningen) kennen een verschil in verkeersaantrekkende werking. In de toekomstige situatie wordt op deze locatie een woongebied voorzien van 70 tot 80 woningen. In de huidige planologische situatie is het

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

30

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

plangebied in gebruik als onderwijsfunctie. De exacte woningtypologieën wordt door de ontwikkelende partij bepaald. Een verkeersberekening kan daarom nog niet uitgevoerd worden. Gezien de huidige functie en de beoogde invulling van het plangebied wordt echter geen grote toename van verkeersbewegingen verwacht. Voor de ontsluiting van het plangebied wordt een weg aangelegd vanaf de Stationsstraat (zie figuur 8). Deze sluit aan op de weg Vestersbos. Vanuit verkeerskundige aspecten bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen herontwikkeling van deze locatie. Parkeren Gezien de zeer centrale locatie, de beschreven potentiële doelgroepen en het woningbouwprogramma gaan we uit van een relatief lage gemiddelde parkeernorm. Deze sluit aan bij het gewenste meer stedelijke woon- en leefmilieu, de bijbehorende woningen en de behoefte van de toekomstige bewoners. We kiezen voor het toepassen van de naastliggende categorieën en kencijfers van CROW. De ontwikkelaar is altijd vrij om meer parkeerplaatsen te realiseren als dit aansluit bij de ontwikkeling en de gewenste doelgroep. Deze parkeernormen sluiten aan op de vigerende parkeernormen in het centrum van Zevenaar (zie onderstaande tabel).

Tabel 2: Parkeernormen Vestersbos

De benodigde parkeerplaatsen worden aangelegd binnen het plan-/projectgebied. De nog te selecteren projectontwikkelaar stelt hiervoor een definitief parkeerplan op. De ontwikkelaar heeft de verantwoordelijkheid zorg te dragen voor de organisatie en communicatie van de voorgestelde parkeeroplossing en moet deze ook (contractueel) borgen. Aan de basis van dit plan staan een aantal gemeentelijke uitgangspunten /randvoorwaarden. Deze uitgangspunten zijn beschreven in het uitgangspunten document voor deze ontwikkeling van de gemeente Zevenaar. Dit document is opgenomen als bijlage 1 van deze ruimtelijke motivatie. Als deze uitgangspunten gehanteerd worden wordt er geen belemmering verwacht voor het aspect ‘parkeren’.

6.3.2 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

31

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

6.4 Openbare ruimte Bij nieuwe ontwikkelingen is aandacht voor het behouden en versterken van de (kwaliteit) van de (inrichting van de) openbare ruimte alsmede de mogelijke effecten op de openbare ruimte een belangrijk issue. Het robuust en klimaatbestendig inrichten wordt nadrukkelijk in de afweging betrokken. In paragraaf 5.1.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn regels opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. De instructieregel voor toegankelijkheid van de openbare buitenruimte heeft tot doel om het gebruik gemakkelijker te maken voor personen met een functiebeperking. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de gemeente met dit belang rekening houden. Ook moet de gemeente die afweging maken bij bijvoorbeeld het stellen van regels over de bruikbaarheid van de openbare weg, zoals winkeluitstallingen en het plaatsen van hekken en fietsen.

6.4.1 Beoordeling Het uitgangspunt voor de ontwikkeling is dat de gemeente Zevenaar zorgdraagt voor het maken van een definitief inrichtingsplan van de openbare ruimte. De gemeente Zevenaar is ook verantwoordelijk voor het toekomstig beheer van de openbare ruimte. De openbare ruimte wordt aan de hand van het ‘Handboek inrichting openbare ruimte Zevenaar’ (HIOR) ontworpen. Dit is opgebouwd uit ontwerpaspecten, eisen ten aanzien van de kwaliteit en afmetingen van constructies en materialen, aan te leveren documenten vooraf en na realisatie. Tevens komt in het handboek het proces aan de orde om van plan tot en met uitvoering te komen.

6.4.2 Conclusie Het aspect openbare ruimte vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.5 Cultureel erfgoed Bij erfgoed zijn twee beleidsbenaderingen van belang die maken dat archeologie en cultuurhistorie als belangrijke versterkers en aanjagers kunnen fungeren van de plaatselijke identiteit. Erfgoedbeleid richt zich allereerst op het inzichtelijk maken van cultuurhistorische waarden en het gericht beschermen en in stand houden daarvan (behoud in situ). Daarnaast biedt erfgoed echter ook inspiratie en aanknopingspunten voor ontwikkelingen in de toekomst. Uitgangspunt daarbij is hoe erfgoed een ruimtelijke inrichting kan versterken. Om deze reden is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan rekening moeten houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Volgens de definitie in de Omgevingswet behoren tot dat erfgoed: 1. Monumenten (zijnde beschermde of voorbeschermde rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke panden), 2. Archeologische monumenten (zijnde bekende en te verwachten archeologische waarden), 3. Stads- en Dorpsgezichten en/of Cultuurlandschappen, en 4. Ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies.

Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is zowel gericht op bescherming en behoud van waardevol erfgoed, als op het benutten van kansen van erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast verplicht de implementatie van Europees beleid (Verdrag van Granada) in de Omgevingswet gemeenten er voortaan toe dat ook een aantasting van de omgeving van de op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten wordt voorkomen, voor zover die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

32

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130) zijn alle instructieregels opgenomen die zich richten op het behoud van (voorbeschermde) rijksmonumenten, monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd (gemeentelijke monumenten, karakteristieke panden) en archeologische monumenten. Daarnaast moeten de regels zich richten op het voorkomen van de aantasting van beschermde stads- en dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen en tevens alle omgevingen van (voorbeschermde) rijksmonumenten en monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd. Een vergelijkbare instructieregel bestaat al voor specifiek historische molens, op grond van de Omgevingsverordening van de provincie. Die schrijft voor dat er op gronden binnen de omgeving met een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk mag worden gemaakt als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. Paragraaf 7.8 zal verder ingaan op mogelijke windhinder. Daarnaast zijn in afdeling 8.80 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit. De essentie van wetgeving en beleid ten aanzien van cultureel erfgoed is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

In het Bkl zijn een aantal beginselen geformuleerd wat aanzien van de bescherming betreft. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

6.5.1

Beoordeling cultuurhistorie

In het kader van het planvoornemen is de provinciale cultuurhistorische waardenkaart geraadpleegd. Hieruit blijkt de locatie niet ligt in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Daarnaast zijn de momenteel aanwezige gebouwen geen gemeentelijke of rijksmonumenten. Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Hoewel het gebouw geen monumentenstatus heeft, is de gemeente voornemens om de waardevolle elementen te bewaren. De ontwikkelende partijen worden uitgedaagd om in de planontwikkeling oog te hebben voor de mogelijkheden van inpassing en hergebruik.

6.5.2 Beoordeling archeologie Ter plekke van het plangebied geldt conform het bestemmingsplan ‘Archeologie’ (vastgesteld op 7 april 2010) de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met gebiedsaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – middelmatige archeologische verwachting’. Ter plekke van de betreffende gebiedsaanduiding geldt dat het verboden is om een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren met een oppervlakte groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5 m. Voor bodemingrepen met een verstoringsoppervlakte dat groter is geldt dat een aanlegvergunning verplicht is, waartoe als onderdeel van de vergunningaanvraag een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Beide deelgebied van het beoogde plan voorziet in bodemingrepen groter dan de genoemde 500 m 2. Derhalve is een archeologisch onderzoek ter plekke noodzakelijk. 6.5.2.1 Vestersbos 4 Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek In 2022 is door Bureau voor Archeologie ter plaatse van Vestersbos 4 te Zevenaar een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek zijn hieronder beschreven. De volledige rapportage is als bijlage bij deze motivering opgenomen.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

33

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat de bodem bestaat uit crevasse- op komafzettingen op de Laag van Wijchen op Pleistocene rivierafzettingen. In deze afzettingen kunnen archeologische resten aanwezig zijn. In de top van de crevasse-afzettingen kunnen resten uit de IJzertijd tot en met Nieuwe tijd aanwezig zijn, in komafzettingen kunnen resten uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn en in de top van de Pleistocene afzettingen en Laag van Wijchen kunnen resten uit het Paleolithicum tot en met de Bronstijd aanwezig zijn. Veldonderzoek Tijdens het booronderzoek zijn in het plangebied dertien boringen gezet met einddieptes tussen 300 en 400 cm -mv. De boringen bevestigen in grote lijnen de verwachte bodemopbouw. De bodem bestaat, van onder naar boven uit Pleistocene rivierafzettingen, oude oever- of crevasse-afzettingen, komafzettingen, crevassebeddingafzettingen en crevasse-oeverafzettingen. De bovenste 75 en 145 cm van de bodem is verstoord. In het bovenste pakket crevasse-afzettingen zijn, zover intact, geen archeologische lagen aangetroffen. In het noordoosten van het plangebied zijn in één boring houtskoolbrokken aangetroffen op 230 cm -mv (894 cm NAP). Door de aanwezigheid van deze archeologische indicator kan niet uitgesloten worden dat archeologische resten in het plangebied aanwezig kunnen zijn.

Advies Bureau voor Archeologie adviseert om bodemingrepen dieper dan 200 cm -mv (924 cm NAP, 894 cm plus een veiligheidsmarge van 30 cm) te vermijden. Indien dit niet mogelijk is, zal nader bepaald moeten worden of daadwerkelijk sprake is van archeologische waarden en in welke zone van het plangebied deze zich bevinden. Aanbevolen wordt dit door middel van een proefsleuvenonderzoek te doen, eventueel als variant begeleiding in verband met de diepe ligging (onder het grondwater) van dit niveau. Uiteraard geldt wel te allen tijde de wettelijke meldingsplicht (Erfgoedwet) indien er tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische resten en sporen worden aangetroffen. Beoordeling archeologisch rapport (regioarcheoloog) De rapportage van Bureau van Archeologie is in september 2024 beoordeeld door de regioarcheoloog. Deze beoordeling is als bijlage toegevoegd bij deze motivatie. Gezien de twee jaar termijn stelt de regioarcheoloog dat het rapport als ‘definitief’ kan worden beschouwd. De conclusies en aanbevelingen in het rapport zijn navolgbaar. Door de aanwezigheid van deze archeologische indicator kan niet uitgesloten worden dat archeologische resten in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Het plangebied kan ten aanzien van het aspect archeologie worden vrijgegeven tot een diepte van 2 meter onder het maaiveld/ 9,24 m NAP.

Indien de bodemverstoringen dieper reiken moet er eerst worden gekeken of behoud in situ mogelijk is door planaanpassing/archeologisch vriendelijk (palenplan) bouwen. Het palenplan/funderingsplan dient ter goedkeuring worden voorgelegd aan de regioarcheoloog. Indien dit niet mogelijk is zal er een vervolgonderzoek moeten plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek dan wel archeologische begeleiding. De adviezen van de regioarcheoloog worden doormiddel van een dubbelbestemming geborgd in onderhavig TAM-omgevingsplan.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

34

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

6.5.2.2 Vestersbos 2 Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek In 2024 is door Laagland Archeologie ter plaatse van Vestersbos 2 te Zevenaar een bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek zijn hieronder beschreven. De volledige rapportage is als bijlage bij deze motivering opgenomen. Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in een zone met stroomrugglooiingen ligt. Aan hand van de landschapskaarten van de gemeente Zevenaar ligt het plangebied in een zone van woerdgronden en deels op een rivieroeverwal. Pleistocene zanden zijn te verwachten binnen 1,0 à 3,0 m -mv, mogelijk afgedekt met het Wijchen Laagpakket, kom- en of oeverafzettingen, die mogelijk weer zijn afgedekt met crevasseafzettingen/afzettingen van een uitloper van een crevasse. Er is materiaal bekend uit de 9e-10e eeuw in de onderste crevasseafzettingen. Er is sprake van een gestapeld landschap. De archeologische verwachting is middelhoog voor de periode Laat-Paleolithicum tot Bronstijd (geen bekende resten en onduidelijke landschapsopbouw), vanaf de Midden-Bronstijd tot Late Middeleeuwen is de verwachting hoog. Veldonderzoek Het karterend booronderzoek heeft tot doel archeologische vindplaatsen op te sporen. Hiertoe zijn verspreid in het toegankelijke deel van het plangebied karterende boringen gezet.

Relevante lagen van de boorkernen zijn gezeefd op archeologische indicatoren. In dit stadium is karterend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Er is een onverstoorde bodemopbouw aangetroffen rondom de bebouwing. Er zijn drie potentieel archeologische niveaus die uit het booronderzoek naar voren komen. De top van de crevasseafzettingen op 70 à 110 cm -mv (10,17 à 10,66 m +NAP), een laklaag direct onder de crevasseafzettingen op 140 à 160 cm -mv (9,65 à 9,99 m +NAP) en de Laag van Wijchen, Formatie van Kreftenheye op 180 à 220 m -mv (8,99 à 9,67 m +NAP). In de laklaag zijn houtskoolresten aangetroffen in het zuidelijk deel van het plangebied (boring 1 t/m 4 en 6). Advies Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems) als de bodemingrepen dieper dan het niveau van 10,29 m +NAP reiken. Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Beoordeling archeologisch rapport (regioarcheoloog) De definitieve rapportage van Laagland Archeologie is in maart 2025 beoordeeld door de regioarcheoloog.

Deze beoordeling is als bijlage toegevoegd bij deze motivatie. De Regioarcheoloog stemt in met het advies om het noordelijk deel van het plangebied vrij te geven. Ter plaatse van het zuidelijk deel dient, bij bodemingrepen dienen dan het niveau van 10,29 NAP, vervolgonderzoek uitgevoerd te worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek.

6.5.3

Conclusie

Het aspect cultureel erfgoed vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project. Afhankelijk van de toekomstige bodemingrepen is nader onderzoek in de vorm van proefsleuven benodigd. Voor het wijzigen van het omgevingsplan is het uitgevoerde onderzoek afdoende. Het aspect archeologie vormt hiermee geen belemmering voor de haalbaarheid van het project. Gezien de mogelijke archeologische waarde dient wel de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie’ te worden opgenomen.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

35

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

6.6 Groen, bomen en landschap Dit thema is gericht op het behoud, respecteren en zo mogelijk versterken van groen en landschappelijke waarden en landschapselementen in het plangebied dan wel de effecten van het initiatief op groen en landschap. Ten aanzien van het groen ligt er ook een duidelijke relatie met de gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van de klimaatadaptatie (waaronder het tegengaan, verminderen van hittestress) en gezondheid.

6.6.1 Beoordeling De uitgangspunten nota ten behoeve van de herontwikkeling van Vestersbos 4 naar woningbouw dient als leidraad voor de beoordeling van het aspect ‘Groen, bomen en landschap’. In hoofdstuk 5 van deze nota is vastgesteld dat het bestaande groen zoveel mogelijk behouden dient te worden en in de nieuwe situatie een goede groeiplaats moet bieden. In figuur 8 in paragraaf 4.2 is te zien dat er rekening is gehouden met groen en bomen in de toekomstige situatie. Dit biedt ruimte voor de opgave rond waterberging en er is plek om de biodiversiteit te versterken. Hiermee draagt het plan bij aan de gemeentelijke doelstellingen van klimaatadaptatie. Daarnaast is in de uitganspunten nota vastgesteld (bijlage 1) dat het totale plan zal zowel voor nieuwe bewoners als de direct omgeving een meerwaarde moeten opleveren. Het is niet de bedoeling om groen in kleine delen toe te voegen. Het groen moet duidelijk aanwezig zijn en extra waarde hebben voor de nieuwe bewoners en de bewoners in de directe omgeving. Met ingang van 1-1-2024 bevat de provinciale omgevingsverordening nieuwe regels over de kwaliteit van het landschap die in héél Gelderland gelden. De regels landschap zijn van toepassing op alle ontwikkelingen waarvoor het omgevingsplan moet worden herzien. De gemeente Zevenaar is onderdeel van de streek ‘Liemers’.

Deze streekgids geeft een uitwerking van de kernkwaliteiten & ontwikkeldoelen van de streek Liemers binnen de provincie Gelderland. In de toelichting van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen is aangegeven dat “het accent ligt op het buitengebied. Wij verwachten dat de gemeenten zelf de kwaliteiten van hun steden en dorpen beschrijven en daarmee rekening houden”. Het plangebied is gelegen in het centrum van Zevenaar. Regels met betrekking tot de kernkwaliteiten en doelen van het landschap van de Gelderse streken zijn daardoor niet van toepasing.

6.6.2 Conclusie Voor het beoogde plan is er nog geen landschapsplan opgesteld. Voor het opstellen van het landschapsplan moet rekening worden gehouden met de uitgangspunten nota (bijlage 1). Het aspect ‘Groen, bomen en landschap’ vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

6.7 Natuur De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. Ter bescherming van de natuur zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de eerdere Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

36

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

De Omgevingswet is gericht op: • het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; • het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; • het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Een plan of project kan in strijd zijn met de Omgevingswet wanneer een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn. Omgevingsvergunningen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Zorgplicht De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet).

Het is verboden om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is ten aanzien van natuur een aantal specifieke zorgplichten opgenomen. Deze specifieke zorgplichten hebben voorrang op de algemene zorgplicht. Deze specifieke zorgplichten gelden voor: • Activiteiten met gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied (artikel 11.6 Bal); • Flora- en fauna-activiteiten (artikel 11.27 Bal); • Activiteiten met betrekking tot houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Deze zorgplichten gelden voor iedereen die de activiteit uitvoert.

6.7.1

Gebiedsbescherming

6.7.1.1 Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een Omgevingsvergunning in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

37

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

6.7.1.2 Beoordeling Het onderzoeksgebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op ca. 1,4 km afstand van het onderzoeksgebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het onderzoeksgebied. Directe hinder Omdat het onderzoeksgebied niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied ligt, is geen sprake van oppervlakteverlies van kwalificerende habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten in omliggende Natura 2000-gebieden. Het onderzoeksgebied bevat ook geen geschikt leefgebied voor vogelsoorten die in omliggende Natura 2000-gebieden slapen/rusten en daarbuiten foerageren, zoals ganzen en smient. Gelet op de grote afstand van omliggende Natura 2000-gebieden en de ligging in het stedelijk gebied van Zevenaar (waardoor het onderzoeksgebied niet direct zichtbaar is vanuit omliggende Natura 2000gebieden), kan verstoring door licht, geluid of optische verstoring in Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Significante gevolgen door oppervlakteverlies, verstoring door licht of geluid of optische verstoring zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. Indirecte hinder Omliggende Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige gebieden.

Als gevolg van de voorgenomen herontwikkeling komen mogelijk extra stikstofemissies vrij die zouden kunnen leiden tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Hiermee leidt de beoogde ontwikkeling mogelijk tot indirecte hinder op omliggende Natura-2000 gebieden. Middels een AERIUSberekening dient aangetoond te worden dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen stikstofdepositie (mol/ha/j) is op omliggende Natura 2000-gebieden. Aveco de Bondt heeft in februari 2025 een stikstofberekening uitgevoerd. De volledige rapportage is bijgevoegd als bijlage. Door middel van deze berekening is voor de realisatie- en gebruiksfase inzichtelijk gemaakt of het plan zorgt voor een toename van stikstofdepositie in (nabijgelegen) stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De totale stikstofemissie tijdens de realisatie- en gebruiksfase leidt niet tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (0,00 mol/ha/jaar). 6.7.1.3 Bijzondere nationale natuurgebieden Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). Beoordeling De locatie ligt niet in een bijzonder nationaal natuurgebied.

6.7.1.4 Houtopstanden Artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels rondom een bebouwingscontour houtkap: in een omgevingsplan wordt voor de toepassing van artikel 11.111, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving een bebouwingscontour houtkap aangewezen aansluitend aan stedelijk gebied. Beoordeling In (de directe omgeving van) het plangebied zijn bomen aanwezig. Mochten er als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden houtopstanden worden gekapt of mogelijk worden aangetast dan is een nadere toetsing beschermde houtopstanden noodzakelijk. In deze nadere toetsing wordt in eerste instantie bepaald of de houtopstanden beschermd zijn, en zo ja onder welk beschermingsregime (buiten de bebouwingscontour houtkap en/of Omgevingsplan). Daarnaast wordt in de nadere toetsing houtopstanden bepaald of eventuele vervolgstappen noodzakelijk zijn. Mogelijke vervolgstappen bij kap van bomen zijn: een melding houtkap (op

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

38

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

basis van Bal – Omgevingswet) of een omgevingsvergunning houtkap (gemeentelijke beleid). Ook kan het noodzakelijk zijn een Boom Effect Analyse (BEA) op te stellen, waarbij wordt getoetst in hoeverre bomen in de invloedssfeer daadwerkelijk negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden ondervinden. 6.7.1.5 Waardevolle en monumentale bomen In de gemeente Zevenaar zijn er veel waardevolle en monumentale bomen. De Bomenstichting verzamelt monumentale bomen in het Landelijk Register van Monumentale Bomen. Bomen op deze lijst moeten minimaal 80 jaar oud zijn, in goede gezondheid zijn en een levensverwachting hebben van minstens tien jaar. Ook moet het om bijzondere bomen gaan. Bijvoorbeeld bomen met een bijzondere ecologische of natuurwetenschappelijke waarde. Of bomen die zeldzaam zijn vanwege hun omvang, grootte, ouderdom of soort. Of bomen die het beeld van een omgeving bepalen of een verhaal vertellen over die omgeving. Beoordeling In het plangebied zijn er geen waardevolle of monumentale bomen aanwezig. 6.7.1.6 Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk. Het is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van: a. aanwezige dier- en plantensoorten b. typen natuurlijke habitats c.

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Beoordeling De locatie ligt niet in het Natuur Netwerk Nederland. 6.7.1.7 Overige zones provinciale verordening De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Beoordeling De locatie ligt niet in een groene ontwikkelingszone of een zone voor natte natuur.

6.7.2

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. Naast de wettelijke bepalingen komt het thema natuur ook terug in het gemeentelijk beleid.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

39

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

6.7.2.1

Beoordeling

Vestersbos 2 Voor Vestersbos 2 te Zevenaar is in oktober 2024 een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd door Tuitert Natuuronderzoek. De volledige rapportage daarvan is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Het deelgebied Vestersbos 2 kent de aanwezigheid van een enkellaags gebouw en verschillende bijgebouwtjes (carport, schuurtjes). De bebouwing heeft geen spouwmuren en een plat dak. Verder bestaat het onderzoeksgebied deels uit erfverharding en deels uit onverharde terreindelen met (moes)tuinen en een grasveldje met enkele fruitbomen. Rondom het terrein is een dichte heg aanwezig. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat het onderzoeksgebied geen groeiplaatsen van beschermde plantensoorten bevat, evenals geen vaste rust- of voortplantingsplaatsen of jaarrond beschermde vogelnesten van niet-vrijgestelde beschermde soorten fauna. Ook is er geen sprake van essentieel leef-/foerageergebied van niet-vrijgestelde soorten fauna of van essentiële vliegroutes van vleermuizen in het onderzoeksgebied. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna-activiteit is niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd op platte daken van bebouwing en in begroeiing in en rondom het onderzoeksgebied.

Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden als dat kan leiden tot een aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Vestersbos 4 In mei 2019 is door Staring Advies een Quickscan natuurtoets uitgevoerd voor Vestersbos 4 te Zevenaar. De volledige rapportage is als bijlage toegevoegd bij deze motivatie. Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor het slopen van de schoolgebouwen met bijgebouwen aan de Vestersbos 4 in Zevenaar een aanvullend onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van gierzwaluw, huismus, en gebouwbewonende vleermuizen noodzakelijk is. In oktober 2020 is door Staring Advies een aanvullend natuuronderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage toegevoegd bij deze motivatie. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat het slopen van een schoolgebouw met bijgebouwen aan de Vestersbos 4 in Zevenaar een negatief effect heeft op vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk voor de gewone dwergvleermuis en rosse vleermuis. Tijdens de eerder uitgevoerde Quickscan natuurtoets in 2019 is vastgesteld dat er geen beschermde soorten van overige soortgroepen verwacht worden, met uitzondering van broedvogels. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet rekening worden gehouden met broedvogels.

Werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd. Voor overige soort(groep)en is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming optreden. De provincie Gelderland heeft in april 2023 een ontheffing verleend Wet natuurbescherming verleend voor de gewone dwergvleermuis. De ontheffing is opgenomen als bijlage bij deze motivering. Voor de rosse vleermuis geldt dat er geen sprake is van verstoring van de verblijfplaats door uitvoering van de activiteiten. Aan deze ontheffing zijn een aantal voorschriften verbonden. Deze voorschriften dienen toegepast te worden in het vervolg van het project.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

40

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

6.7.3

Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het project.

7 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving 7.1 Water Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. De Omgevingswet voegt wetten die betrekking hebben op waterkwaliteit, waterkwantiteit en waterveiligheid samen. Met deze waterbelangen moet rekening gehouden worden bij de besluitvorming over een omgevingsplanactiviteit. Voor meer informatie over de diverse wateraspecten zie https://iplo.nl/thema/water/.

7.1.1

Beoordeling

De toetsing vindt op twee manieren plaats. De eerste is het wateradvies van het waterschap Rijn en IJssel. Het wateradvies laat zien dat het plan de ‘normale procedure’ dient te volgen. Het wateradvies is opgenomen in de bijlage van deze motivering. De ontwikkeling biedt ook kansen om het gebied klimaatadaptatiever in te richten: het watersysteem zo inrichten dat het beter bestand is tegen de effecten van de verwachte klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere droge perioden. Het bevorderen van (het maken van) bewuste keuzes om risico’s te beperken of accepteren. Daarnaast vormt dit voorliggende plan de aanleiding om te kijken naar een robuuste en efficiënte afvalwaterketen. De bescherming van het grondwater dient in acht te worden genomen. De tweede manier om het plan te toetsen aan het aspect ‘water’ is onderhavige waterparagraaf. Onderstaand wordt de situatie van het plangebied beschreven. Daarna wordt besproken hoe het plan omgaat met de waterveiligheid, oppervlaktewater, hemelwater, grondwater en waterkwaliteit. Vervolgens wordt de riolering besproken, en wordt ingegaan op klimaatadaptatie binnen het plan. Beoogde situatie en hemelwater Het plangebied op de locatie Vestersbos 4 heeft een totale oppervlakte van circa 12.700 m2. Het plangebied op de locatie Vestersbos 2 heeft een totale oppervlakte van circa 2.600 m2.

In de huidige situatie zijn beide locaties bebouwd en grotendeels verhard. In de toekomstige situatie wordt de locatie Vestersbos 4 (her)ontwikkeld ten behoeve van woningbouw. Zoals weergegeven in figuur 8 biedt de toekomstige situatie veel ruimte voor groen en voor de opgave voor waterberging. Op basis van deze uitgangspuntenkaart zijn in de onderstaande tabel de huidige en beoogde verhardingsoppervlakte van het perceel weergegeven Tabel 3: Huidige en beoogde verdeling verhard oppervlakte Vestersbos 4

Verhard Onverhard Totaal

Huidig m2 Circa 11.850 Circa 850 Circa 12.700

Toekomstig m2 Circa 9.200 Circa 3.500 Circa 12.700

Op basis van de bovenstaande berekening is er in de toekomstige situatie sprake van een afname in het verhard oppervlak. Bij de nieuwbouw moet desondanks wel rekening gehouden worden met een bergingsopgave van 80 mm per m2 verhard oppervlak.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

41

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

Ook de locatie Vestersbos 2 is in de huidige situatie grotendeels verhard. Op basis van de luchtfoto’s van de huidige situatie is in de huidige situatie sprake van ongeveer 1.090 m2 verharding. 1.530 m2 van het plangebied is onverhard. In de toekomstige situatie wordt de bebouwing gesloopt om ruimte te maken voor groen of parkeren. Bij de aanleg van verharding geldt een bergingsopgave van 80 mm per m2 verhard oppervlak. Gezien de beoogde functie zijn er veel kansen om het hemelwater te infiltreren doormiddel van infiltratiekratten dan wel door het toepassen van halfverharding. Door het waterschap Rijn en IJssel wordt geadviseerd om bij de uitvoering van de werkzaamheden goed rekening te houden met de wijze van infiltratie. Tevens wordt geadviseerd om eventuele hoogteaanpassingen van het terrein dusdanig uit te voeren zodat wateroverlast op belendende percelen voorkomen wordt. Het aspect waterberging vormt, rekening houdend met genoemde uitgangspunten en voorwaarden, geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Locatie specifieke eigenschappen Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (ahn), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 11,30 m + NAP. Dit geldt voor zowel de locatie Vestersbos 2 als Vestersbos 4. Het plangebied kent weinig tot geen hoogteverschillen.

Gebruik makend van de data van de Geologische Dienst Nederland (onderdeel van TNO) blijkt dat hun dichtstbijzijnde grondwaterpeilput op circa 35m afstand ligt, net te zuidoosten van het plangebied. Daarna ligt de dichtstbijzijnde put op circa 100 m. Deze ligt ten zuiden van het plangebied aan de ander kant van het spoor. De twee grondwaterpeilputten worden hieronder weergegeven: Tabel 4: De dichtstbijzijnde omringende grondwaterpeilputten zoals te vinden op https://www.grondwatertools.nl/gwsinbeeld/ Met de minimale, gemiddelde en maximale grondwaterstand en de gemiddelde en maximale afstand tot het maaiveld.

De grondwaterstand heeft op basis van omliggende historische waarden op zijn hoogste punt een afstand van minimaal 0,22 m tot het maaiveld en gemiddeld een afstand van minimaal 1m80 tot het maaiveld. De hoogste grondwaterstanden zijn te herleiden naar het voorjaar van 2019. Daarnaast zijn er nog grondwaterputten zoals weergegeven in het DINOloket. De hoogste en laagste waterstand van de dichtstbijzijnde 3 putten (einddatum na 2017) zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 5: De dichtstbijzijnde omringende grondwaterpeilputten zoals te vinden op https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens. Met de hoogste en laagste waterstand afstand t.o.v. het maaiveld.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

42

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

De grondwaterstanden van tabel 5 laten zien dat er met minimaal 0,56 meter meer speling is ten opzichte van de grondwaterstand tot het maaiveld dan uit tabel 4 naar voren komt. De grondwaterstand kan derhalve hoog liggen, maar gemiddeld is ongeveer wat minder dan 2 meter verschil tussen het maaiveld en de gemiddelde grondwaterstand. Daarmee is het risico van grondwateroverlast doorgaans beperkt, maar bestaat de mogelijkheid van wateroverlast bij een extreme grondwaterstand in combinatie met hevige buien. Het plangebied ligt volgens de digitale bodemkaart van Nederland (BRO) in bebouwd gebied. Daarnaast zijn er in de buurt bodem- en grondonderzoeken gedaan. Hieruit blijkt dat in het plangebied in de bodem vooral zand (midden/grove categorie) en klei zitten. Zie daarvoor ook het verkennend bodemonderzoek opgenomen als bijlage in deze motivering. Zand heeft een goede doorlatendheid, maar klei niet. Tabel 6: Voor dit plan werd een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder staat een samenvatting van de twee diepste boringen. De doorlatendheid is: goed > 0,5 m/dag; of slecht <0,5 m/dag.

Als de tabellen van de grondwaterstanden en de bodemgesteldheid worden vergeleken, dan is te zien dat de gemiddelde grondwaterstand ongeveer gelijkstaat aan de overgang tussen zand- en kleigrond. Hiermee bestaan er dus goede infiltratiemogelijkheden in het gebied: water infiltreert gemakkelijk de bodem in, waar het vervolgens bovenop de kleigrond wordt vastgehouden. Waterveiligheid Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn echter geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Het voorliggende plangebied is gelegen in het dijkringgebied nummer 42. De overschrijdingskans is 1/1250 per jaar. Op basis van de risicokaart blijkt dat er een kleine kans is op overstromingen van het plangebied, met een maximale waterdiepte van 1-2 meter, en een buitengewone kans op een maximale waterdiepte van 2-5 meter. Wateroverlast is daarmee een thema dat voor het plangebied speelt. Deze ontwikkeling biedt kansen om deze situatie te verbeteren. Oppervlaktewater Uit de legger van het Waterschap blijkt dat er geen watergangen in (de directe omgeving van) het plangebied gelegen zijn. Ook zijn er geen watergangen in eigendom van de gemeente aanwezig in en rond het plangebied.

Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor het plan. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, hanteert de gemeente Zevenaar ontwateringsdieptes zoals geschreven in hoofdstuk waterbeleid. Deze ontwateringseis heeft betrekking op wegen (70 cm –mv) en woningen (90 cm – mv). Er wordt geadviseerd om deze waarden op te volgen voor het bouwen van de voorzieningen.

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

43

Onderbouwing effecten op de fysieke leefomgeving – Herontwikkeling Vestersbos 2 - 4

Gezien de besproken grondwaterstand zal de ontwatering ten aanzien van het bouwpeil in de toekomstige situatie in het algemeen goed zijn. Maar, met het oog op een veranderend klimaat en hevigere piekbuien, alsmede de enkele historische hoge waterstand, wordt geadviseerd om waar mogelijk kruipruimteloos te bouwen. Verder wordt geadviseerd het bouwpeil 0,2 m hoger te leggen dan het peil van de aangrenzende weg. Waterkwaliteit Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen functies mogelijk gemaakt die een bedreiging vormen voor de grondwaterkwaliteit. Riolering Bij de nieuwbouw wordt hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd. Het afvalwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. Hemelwater wordt daarmee bij de verdere planuitwerking in beschouwing genomen zodat het duurzaam wordt verwerkt. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. De aansluiting op het riool wordt geregeld door de gemeente. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van het waterschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=34495f33-b256-4f17-85f4-41cb89c79699