CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3. 1243455 - BP Gelders Eiland Toelichting

Raadsvergaderingen 2022-2026 26 maart 2025, gemeente ZevenaarBij agendapunt: Z/21/382821 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Gelders Eiland19.247 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het generiek toekennen van ontwikkelruimte in het bestemmingsplan kan er toe leiden dat milieunormen niet worden gehaald. Omdat bekend is dat de milieuruimte in het gebied zeer beperkt (c.q. niet toereikend) is, zal zorgvuldig met het toekennen van ontwikkelruimte moeten worden omgegaan. De uitkomsten van het planMER leiden tot nadere inperking van de ontwikkelruimte, zie navolgend. Stikstofregeling In de regels bij dit bestemmingsplan is een stikstofregeling opgenomen. Deze houdt in dat in de bestemmingsregeling tot (agrarische bedrijfs-)ontwikkelingsmogelijkheden wordt bepaald dat deze ontwikkelingsmogelijkheden niet mogen leiden tot een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Dit geldt ook bij binnenplanse afwijkingen en wijzigingsplannen. De stikstofregeling is hierdoor zowel een direct toetsingscriterium bij omgevingsvergunningen voor bouwen en voor het bepalen van strijdig gebruik (via de gebruiksregels) als een voorwaarde bij bijvoorbeeld vormverandering of vergroting van het bouwvlak. Vergroting grondgebonden agrarische bedrijven De agrarische bedrijven moeten planologisch inpasbaar en ruimtelijk aanvaardbaar zijn. Daarom stelt de gemeente grenzen aan de ruimtelijke omvang van agrarische bedrijven.

Door diverse ontwikkelingen op bijvoorbeeld het gebied van dierenwelzijn, milieu, bedrijfsvoering en landbouwmechanisatie is er een toenemende ruimtebehoefte bij grondgebonden agrarische bedrijven. Daarom wil de gemeente deze bedrijven onder voorwaarden enige planologische ruimte bieden in de vorm van vergroting van het agrarisch bouwperceel. Aan het bieden van uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bouwpercelen worden zo mogelijk duurzaamheidseisen verbonden en voorwaarden voor landschappelijke inpassing verbonden. Aan grondgebonden agrarische bedrijven is de mogelijkheid geboden aan vormverandering en/ of vergroting tot een omvang van het bouwperceel van maximaal 2 hectare, middels een wijzigingsbevoegdheid. Vergroting niet-grondgebonden agrarische bedrijven Gelet op het provinciale beleid is een beleidsregel opgesteld om invulling te geven aan het provinciale Plussenbeleid voor het bieden van uitbreidingen aan de niet-grondgebonden veehouderij. Uitbreiding van niet-grondgebonden bedrijven is niet (meer) in het algemeen beperkt, maar afhankelijk van de locatie en een duurzame ontwikkeling. Wanneer een niet-grondgebonden bedrijf of -tak wordt uitgebreid, zijn één of meer 'maatschappelijke plussen' vereist. Het gaat om aanvullende maatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit (w.o.

landschappelijke inpassing), milieu en/of fysieke maatregelen op het gebied van dierwelzijn. Deze maatregelen zijn een 'plus' ten opzichte van wettelijke eisen, beleid en de

21

bestemmingsplan Gelders Eiland

gebruikelijk basiskwaliteit (bijvoorbeeld voor landschappelijke inpassing, beeldkwaliteit, etc.). De investering in de te treffen plusmaatregelen bedraagt aantoonbaar € 15,- per vierkante meter van de uitbreiding van het bruto staloppervlak. De 'plusmaatregelen' worden in principe in overleg met de omgeving opgesteld. De gemeente Zevenaar hecht veel belang aan participatie en betrokkenheid. Een belangrijk element van het Plussenbeleid is het gesprek met de omgeving. De initiatiefnemer en de omgeving proberen gezamenlijk tot een gedragen ontwikkeling te komen. Dit sluit ook aan bij de geest van de (toekomstige) Omgevingswet, met een belangrijke rol voor participatie. Het Plussenbeleid is opgenomen in het bestemmingsplan. Bestaande rechtstreekse bouwtitels komen dan onder het Plussenbeleid te vallen. Een omgevingsvergunning-bouw kan dan alleen verleend worden als aan het Plussenbeleid wordt voldaan. Ook als de omgevingsvergunning is gebaseerd op een rechtstreeks bouwtitel (binnen het bouwvlak). Bij binnenplanse afwijkingen en wijzigingsbevoegdheid is het Plussenbeleid als afwegingskader (voorwaarde) opgenomen. Door diverse ontwikkelingen op bijvoorbeeld het gebied van dierenwelzijn en milieu is er een toenemende ruimtebehoefte bij niet-grondgebonden bedrijven.

Daarom wil de gemeente deze bedrijven onder voorwaarden enige planologische ruimte bieden in de vorm van vergroting van het agrarisch bouwperceel om te kunnen blijven functioneren. Voor de ontwikkelmogelijkheden worden de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan overgenomen. Bestaande niet-grondgebonden veehouderijtakken kunnen uitbreiden tot maximaal 1 hectare onder de voorwaarden van het Plussenbeleid, door middel van een wijzigingsbevoegdheid. Omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden agrarisch bedrijf Het is niet wenselijk dat door omschakeling (of doorontwikkeling) nieuwe niet-grondgebonden bedrijven ontstaan en/of nieuwe agrarische bouwpercelen voor niet-grondgebonden bedrijven worden toegekend. Dit is ook in lijn met het uitgangspunt van nieuwvestiging (zie verder). Daarbij is er voor gekozen dat het ruimtelijk beleid voor grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven verschilt. Bij omschakeling zouden (te) grote agrarische bouwpercelen voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven kunnen ontstaan, met ongewenste effecten op de omgeving. Omschakeling wordt daarom niet toegestaan. • Omschakeling kan ook door groei van een agrarisch bedrijf ontstaan. Een grondgebonden bedrijf is immers afhankelijk van het producerend vermogen van de eigen grond.

Dit betekent dat het vergroten van dieraantallen door uitbreiding of toevoeging van een stal bij onvoldoende grond kan leiden tot omschakeling, omdat een groter aandeel van voer aangevoerd moet worden. Ook deze vorm van omschakeling is niet toegestaan. Nieuwvestiging Door economische en sociale factoren zal het aantal agrarische bedrijven afnemen. Daarmee neemt ook de behoefte aan agrarische bouwpercelen af. Voor zover er nog behoefte is kunnen nieuwe agrarische bedrijven gebruik maken van vrijkomende agrarische bouwpercelen. Het beleid is gericht op optimale benutting van bestaande agrarische bouwpercelen. Er is geen behoefte aan planologische uitbreiding van het aantal percelen. Indien noodzakelijk kan meegewerkt worden aan een bedrijfsverplaatsing. Dit zal via een eigen spoor lopen. Dit bestemmingsplan voorziet hier niet in. 3.3.4

Agrarische bedrijfswoningen

Geen onderscheid tussen (agrarische) bedrijfswoningen en burgerwoningen Zie onderdeel Wonen voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden. Tweede agrarische bedrijfswoning en inwoning Gezien de huidige technische ontwikkelingen bij agrarische bedrijven is de noodzaak voor een tweede bedrijfswoning steeds moeilijker aan te tonen. Daarnaast is het doel van de provinciale Omgevingsvisie om verdere verstening van het buitengebied tegen te gaan. Ten behoeve van oprichting van een tweede bedrijfswoning dient daarom aan extra voorwaarden te worden voldaan. Er dient sprake te zijn van noodzakelijk en intensief toezicht, waarbij nabijheid is vereist. De afstand tussen de tweede bedrijfswoning (het gehele bouwwerk, inclusief aan-en uitbouwen) en de bestaande bebouwing mag, omwille van een duidelijke ruimtelijke relatie met het agrarisch bedrijf, niet meer bedragen dan 25 meter. Daarbij geldt eveneens dat de tweede bedrijfswoning niet achter het

22

bestemmingsplan Gelders Eiland

agrarische bedrijf mag worden geplaatst en dient een ruimtelijke relatie te hebben met de openbare weg. Verder biedt de gemeente de mogelijkheid van dubbele bewoning. Binnen de bouwmassa van een 1 woning zijn dan 2 zelfstandige wooneenheden toegestaan. Bij dubbele bewoning worden niet meer bouwmogelijkheden geboden dan bij een enkele woning. Wanneer er geen feitelijke behoefte meer is voor een tweede agrarische bedrijfswoning, kan de 'tijdelijke' situatie van de tweede bedrijfswoning relatief eenvoudig ongedaan gemaakt worden. Er is dan geen aanleiding voor afsplitsing en omzetten in een burgerwoning. Plattelandswoning In het verleden zijn 2de bedrijfswoningen toegestaan bij agrarische bedrijven. Een deel van deze woningen is niet meer noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf. De woningen worden (illegaal) bewoond door een huishouden die geen enkele relatie heeft met het agrarisch bedrijf. Daarmee vormden ze een belemmering voor de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf omdat de milieuwetgeving uitging van de feitelijke situatie. Sinds januari 2013 is het mogelijk om een agrarische bedrijfswoning door een huishouden zonder relatie met het bedrijf te laten bewonen zonder dat dit direct belemmeringen geeft voor het naastgelegen agrarisch bedrijf.

De zogenoemde plattelandswoning is namelijk wettelijk niet beschermd ten aanzien van geluid, geur of luchtkwaliteit van het bijbehorende agrarisch bedrijf. Ten opzichte van andere agrarische bedrijven heeft een plattelandswoning een minimale bescherming. Dit beschermingsniveau is lager dan bij een reguliere burgerwoning. Omdat de agrarische bedrijfswoning niet meer nodig is voor de agrarische bedrijfsvoering nemen we een mogelijkheid op om de bestaande tweede agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning te gebruiken. Het blijft een agrarische bedrijfswoning, maar bewoning door derden is toegestaan. Voorwaarde hiervoor is dat er in de woning sprake moet kunnen zijn van een goed woon- en leefklimaat. Met name de luchtkwaliteit speelt hierin een bepalende rol. Nieuwbouw als plattelandswoning is niet toegestaan. De plattelandswoning en het bijbehorende erf blijven ook onderdeel van het agrarisch bouwperceel. Mogelijkheden voor bedrijf- en beroep aan huis en nevenfuncties zijn gekoppeld aan het agrarisch bouwperceel. Dat betekent dat deze of bij de plattelandswoning of bij de agrarische bedrijfswoning ingevuld kunnen worden (stapelen van mogelijkheden is niet toegestaan). 3.3.5

Nevenfuncties

Een klein deel van de agrariërs kiest voor verbreding om extra inkomsten te genereren in combinatie met een kleinschalig(er) agrarisch bedrijf. Deze activiteiten worden gezien als een waardevolle aanvulling op het agrarisch en recreatief product en kunnen bijdragen aan de ruimtelijke en functionele kwaliteit van het buitengebied. Voorwaarde is dat de activiteiten ruimtelijk en functioneel van ondergeschikt belang zijn. Het gaat dan om extensieve, kleinschalige activiteiten. De gemeente biedt mogelijkheden voor nevenactiviteiten in de agrarische sector, recreatieve en culturele sector en zorg. Culturele activiteiten dragen bij aan het recreatieve product. Naast lichte horeca, zoals een theehuis, kan men denken aan, kleinschalig kamperen, bed&breakfast, atelier- en expositieruimte, galerie of verkoop van streekproducten. Er geldt de mogelijkheid om maximaal 25% van de bebouwde oppervlakte te gebruiken voor nevenactiviteiten met een maximum van 350 m2 . Nieuwbouw ten behoeve van nevenfunctie is daardoor ook mogelijk, mits dit bouwwerk binnen het agrarisch bouwperceel wordt opgericht. Om het extensieve karakter van een nevenactiviteit te borgen is de maximale oppervlakte die we bieden afhankelijk van de aard van de activiteit.

23

bestemmingsplan Gelders Eiland

3.4

Wonen

3.4.1

Toekenning van woonbestemming (soorten woningen)

Toekenning woonbestemming In het geldende bestemmingsplan buitengebied zijn de woonbestemmingen globaal aangegeven door middel van een (verbale) aanduiding. De woning is toegestaan op de bestaande locatie en bijgebouwen mogen op maximaal 20 meter vanaf de woning worden opgericht. De bestaande woningen zijn in het nieuwe bestemmingsplan overgenomen door middel van een woonbestemming (vlak). Agrarische bedrijfswoningen of woningen die illegaal worden bewoond worden niet automatisch bestemd als Wonen. Om concentratie van bebouwing en een efficiënt ruimtegebruik te bevorderen zijn voor woningen bestemmingsvlakken toegekend. Bebouwing, van woning en bijbehorende bebouwing, is uitsluitend binnen het bestemmingsvlak toegestaan. Door deze systematiek blijft de bebouwing ruimtelijk geclusterd. Om bebouwing en gebruik daadwerkelijk te clusteren is een bestemmingsvlak van circa 1.200 m2 toegekend. Het bestemmingsvlak is op maat toegekend op basis van de kadastrale situatie, de meest recente luchtfoto en het geldende bestemmingsplan (voorgenoemde regeling). Bestaande (legaal) opgerichte bouwwerken worden hierbinnen zoveel mogelijk opgenomen, tenzij het bestemmingsvlak onevenredig groot wordt. Hobbymatig agrarisch gebruik, waaronder paardenweitjes en bestaande (legale) paardenbakken zijn aansluitend aan de woonbestemming toegestaan.

Vanwege de ruimtelijke aanvaardbaarheid en een goede ruimtelijke ordening zijn er grenzen gesteld aan de omvang van woningen in het buitengebied. In het geldende bestemmingsplan geldt voor woningen een maximale oppervlaktemaat van 150 m2 en een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4.5 en 10 m. Voor bijgebouwen geldt een gezamenlijke oppervlakte van 75 m2 en een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 5,5 m. In het nieuwe bestemmingsplan is de mogelijkheid voor een woning van maximaal 150 m2 en maximaal 150 m2 aan bijbehorende bebouwing. De goot- en bouwhoogte van de woning bedraagt respectievelijk maximaal 4,5 en 11 meter. De mogelijkheid om de bouwhoogte met 10% te verhogen (afwijkingsbevoegdheid), is nu bij recht opgenomen in dit plan. Het gebruik van bijbehorende bebouwing voor bewoning wordt niet toegestaan, met uitzondering van gebruik als mantelzorgwoning. 3.4.2

Ontwikkelmogelijkheden

Paardenbakken In het buitengebied worden (hobbymatig) paarden gehouden. Het gebruik van gebouwen en gronden voor deze activiteit sluit min of meer aan bij het traditionele gebruik van het buitengebied. In de praktijk is gebleken dat met name paardenbakken gevolgen kunnen hebben voor functies in de directe omgeving. Paardenbakken met eventueel bijkomende voorzieningen hebben een duidelijk ruimtelijke impact. Niet alleen een landschappelijke impact, zoals verharding, hekken en masten, maar ook externe effecten als licht, geur, stof, geluid. Er is een mogelijkheid om in de nabijheid van de woning een paardenbak te plaatsen voor hobbymatig (eigen) gebruik, mits dit geen onevenredig overlast geeft voor de omgeving. Aangesloten wordt bij de geldende regeling voor paardenbakken. Met een afwijkingsbevoegdheid is een paardenbak toe te staan onder voorwaarden. Een staptrainingsmolen is een redelijk omvangrijk bouwwerk en landschappelijk in het buitengebied niet goed inpasbaar. Voor hobbymatig houden van paarden is een stap/trainingsmolen ook niet noodzakelijk. 3.4.3

Nieuwvestiging en verplaatsing

Functieverandering of splitsing van bestaande woningen De verwachting is dat voorlopig een beperkte uitbreidingsbehoefte blijft bestaan voor woningen in het buitengebied. De gemeente wil dit als onderdeel van het totale woningbouwprogramma mogelijk maken.

24

bestemmingsplan Gelders Eiland

Gelijktijdig zal (agrarisch) vastgoed beschikbaar komen. Om verstening van het buitengebied te beperken en verpaupering te voorkomen bieden we op deze locaties in overeenstemming met het functieveranderingsbeleid de mogelijkheid van woningen toe te voegen. Het streven is daarbij ook een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit te bewerkstelligen. Zie paragraaf 3.9. Voor het behoud van grote panden is een economische drager essentieel. Grote panden bieden voldoende ruimte voor het toevoegen van een woning. De gemeente biedt voor grote panden (bestaande inhoud meer dan 900 m3 ) de mogelijkheid om door woningsplitsing een woning toe te voegen, waardoor tevens de economische basis wordt versterkt. Bij woningsplitsing mag de bestaande bouwmassa in principe niet worden vergroot. Door initiatiefnemer dient een goed te keuren inrichtingsplan opgesteld te worden, waarop de vormgeving van de gebouwen en inrichting van het erf verantwoord wordt. 3.4.4

Aan-huis-gebonden beroep of bedrijf (nevenactiviteiten)

Beroep aan huis Er is een toenemende behoefte aan en mogelijkheden voor beroep aan huis. Diverse beroepen worden aan of vanuit huis uitgeoefend. Onder andere door de opkomst van de ZZP-er. Hierdoor ontstaat de behoefte voor een kantoor-, praktijk- of cursusruimte aan huis. Over het algemeen gaat het om kleinschalige, ruimtelijk en functioneel ondergeschikte activiteiten met zeer beperkte effecten op de omgeving. De huidige regeling kan in deze behoefte voorzien, waarbij 40% van de bestaande gebouwen, en maximaal 50 m2 worden ingericht ten dienste van een aan-huis-gebonden beroep. De oppervlakte is in het bestemmingsplan verhoogd naar 75 m2 . Bedrijf aan huis In het verlengde van de behoefte van beroep aan huis is er behoefte aan mogelijkheden voor bedrijf aan huis. Het gaat om een breed scala activiteiten, waarbij de nadruk veelal meer ligt op het werken vanuit huis. Opslag en/of stalling, wat beperkte voorbereidingen of reparatiewerkzaamheden vinden dan plaats op het huisperceel. Bijvoorbeeld een klusbedrijf, loodgieter, (klein) transportbedrijf, aannemersbedrijf, zorgaanbieder of kinderopvang. Produceren of verwerken van materialen komt nauwelijks voor. We bieden mogelijkheden voor (kleinschalig) bedrijf aan huis, mits dit een zeer beperkt effect heeft op de omgeving, inclusief visuele aspecten.

Om dit te borgen hanteren we een onder andere een maximale oppervlakte en een maximale milieucategorie. Detailhandel, zware horeca, zoals café of feestzaal, sexinrichtingen of casino als bedrijf aan huis zijn niet toegestaan. De huidige regeling kan, met gebruikmaking van een afwijkingsbevoegdheid in deze behoefte voorzien, waarbij 40% van de bestaande gebouwen, en maximaal 50 m2 worden ingericht ten dienste van een aan-huis-gebonden beroep. De oppervlakte is in het bestemmingsplan verhoogd naar 75 m2 . Nevenfuncties op het gebied van recreatie en toerisme waaronder kleinschalige verblijfsrecreatie en lichte horeca Een deel van de bewoners van het buitengebied wil activiteiten ontplooien op het gebied van verblijfsrecreatie en/of lichte horeca. Voorbeelden zijn bed&breakfast/kamerverhuur, groepsaccommodatie, theehuis of een kleine camping. Deze activiteiten worden gezien als een waardevolle aanvulling op het recreatief product en kunnen bijdragen aan de ruimtelijke en functionele kwaliteit van het buitengebied. We bieden mogelijkheden voor nevenactiviteiten in de recreatieve sector. Naast lichte horeca, zoals een 'theehuis', kan men denken aan, kleinschalig kamperen, bed&breakfest, atelier- en expositieruimte, galerie of verkoop van streekproducten. Voorwaarde is dat de activiteiten ruimtelijk en functioneel van ondergeschikt belang zijn, kleinschalig en extensief.

Omdat de nevenactiviteiten gekoppeld zijn aan een woonbestemming in een meer of minder dichtbebouwde woonomgeving is het van belang dat door aard, schaal of locatie van de activiteiten geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. In dit kader zullen we ook nader afwegen welke activiteiten bij recht en welke met een afwijking mogelijk gemaakt worden. De nevenactiviteit mag niet tot meer bebouwing leiden. Deze moet ondergebracht worden in de woning en/of 150 m2 bijbehorende bebouwing. De woning dient echter wonen als hoofdfunctie te behouden. Om het extensieve karakter van een nevenactiviteit te borgen is de maximale oppervlakte die we bieden is afhankelijk van de aard van de activiteit.

25

bestemmingsplan Gelders Eiland

Een theehuis, cursusruimte of winkel voor verkoop van streekgebonden producten kan een omvang krijgen van maximaal 100 m2 . Een atelier, expositieruimte kan een oppervlakte krijgen van maximaal 150 m2 . Voor bed&breakfast en zorg is het aantal kamers het uitgangspunt; maximaal 5 kamers, met een maximale oppervlakte van 150 m2 . Recreatieve verblijven kunnen in losstaande bijgebouwen ondergebracht worden. De gemeente biedt ruimte voor kleinschalig kamperen op of direct aansluitend aan het woonperceel. Hierbij wil de gemeente het extensieve en kleinschalige karakter en een goede landschappelijke inpassing borgen. Detailhandel (m.u.v. streekproducten en producten van eigen bedrijf), zwaardere horeca zoals een café, zalenverhuur of partycentrum, sexinrichting of casino zijn niet toegestaan als nevenactiviteit.

3.5

Niet-agrarische bedrijven

3.5.1

Toekenning bedrijfsbestemming

In het buitengebied zijn diverse grotere en kleine bedrijven aanwezig. Het gaat zowel om een bedrijf als ruimtelijk en functioneel ondergeschikte activiteit (beroep- en bedrijf aan huis), als om bedrijven die ruimtelijke en functioneel de hoofdactiviteit vormt (bedrijf met bedrijfswoning). Er is een bedrijfsbestemming opgenomen op de locaties die nu in het bestemmingsplan ook een bedrijfsbestemming hebben. Het bestemmingsplan maakt nieuwe bedrijven in het buitengebied niet mogelijk, uitgezonderd die situaties waarbij sprake is van functieverandering, zie paragraaf 3.9. 3.5.2

Bebouwing en gebruik

Het buitengebied biedt voor niet-agrarische bedrijven andere mogelijkheden dan een bedrijventerrein. Het buitengebied is niet specifiek een vestigingslocatie voor niet-agrarische bedrijven waardoor belangen ook anders afgewogen worden. Dit verschil vindt de gemeente belangrijk en vindt zijn weerslag in het bestemmingsplan. Het verschil wordt onder andere op de volgende punten duidelijk: in het buitengebied maakt een bedrijfswoning vrijwel standaard deel uit van de mogelijkheden, op de meeste bedrijventerreinen is dit niet het geval; de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing, de groeimogelijkheden en de mogelijkheden voor buitenopslag zijn in het buitengebied beperkter dan op een bedrijventerrein; het type bedrijvigheid (op basis van de milieucategorie) in het buitengebied is beperkter en anders van aard dan op een bedrijventerrein; de ontsluiting van het bedrijf voor wegverkeer is anders in het buitengebied dan op een bedrijventerrein, waardoor maar een beperkte verkeersaantrekkende werking wordt toegestaan. Uitgangspunt blijft dat grootschalige bedrijfsmatige activiteiten met een duidelijke ruimtelijke impact op het bedrijventerrein c.q. in stedelijk gebied thuis horen. Het huidig positief bestemde gebruik kan echter voortgezet worden. De gemeente biedt de mogelijkheid om (specifiek) het huidige gebruik voort te zetten. 3.5.3

Groei en ontwikkelingsmogelijkheden

Bedrijven die in het buitengebied gevestigd zijn moeten naar redelijkheid kunnen blijven functioneren. Daarom biedt de gemeente de mogelijkheid om de bestaande bebouwing uit te breiden om aan een toenemende ruimtebehoefte als gevolg van technologische ontwikkelingen bijvoorbeeld op het gebied van milieu tegemoet te komen. Hierbij wordt een onderscheid wordt gemaakt tussen gebiedsgebonden en niet-gebiedsgebonden activiteiten overeenkomstig het geldende bestemmingsplan. De bestaande oppervlakte van gebiedsgebonden niet-agrarische bedrijven mag met 20% worden vergroot met een maximum bebouwingsoppervlakte van 500 m². Voor niet-gebiedsgebonden bedrijven geldt 20% en een maximum van 375 m².

26

bestemmingsplan Gelders Eiland

3.6

Recreatie

3.6.1

Toekenning bestemming recreatie

In het buitengebied zijn enkele grote en kleine recreatie-ondernemingen aanwezig. Het gaat zowel om verblijfsrecreatie als hoofdfunctie als om ondergeschikte nevenfunctie. Om voor een bestemming recreatie in aanmerking te kunnen komen moet sprake zijn van een bedrijfsmatige hoofdactiviteit. Recreatieve nevenactiviteiten zijn bij recht binnen de hoofdfunctie mogelijk (bijvoorbeeld kleinschalig kamperen op en agrarisch bouwperceel) of krijgen op basis van de feitelijk bestaande situatie een specifieke regeling. De inrichting van het terrein is van grote invloed op de (gewenste) bedrijfsvoering. Het is bepalend voor zowel het segment waarin de ondernemer wil opereren, het product dat hij wil aanbieden en de exploitatie(mogelijkheden) van het bedrijf. De wens bestaat om de nodige flexibiliteit op te nemen op eigen terrein voor recreatieve ondernemers om te kunnen wisselen qua overnachtingsfaciliteiten om in te kunnen spelen op de huidige marktvraag. Voor nu is een actuele regeling opgenomen voor de betreffende terreinen. Gelet op de grote diversiteit in type en schaal van het bedrijf, alsmede de specifieke ligging van de bedrijven is bij gewenste veranderingen maatwerk in die gevallen noodzakelijk. Met betrekking tot de ontwikkeling van Carvium Novum is aangesloten bij de geldende regeling voor dit gebied.

Na, en waar mogelijk tijdens, de zandwinning krijgt het plangebied een recreatieve functie met horeca, Speelcastellum en overnachtingsmogelijkheden, omgeven door open water en (natte) natuur. Langs en door het natuurgedeelte worden recreatieve fiets- en wandelroutes aangelegd die worden verbonden met routes buiten het plangebied. 3.6.2

Groei en ontwikkelingsmogelijkheden

Recreatie en toerisme kunnen een wezenlijke bijdrage leveren aan de lokale economie. Het buitengebied biedt kansen voor de ontwikkeling van een aantrekkelijk recreatief product. Voor activiteiten die gerelateerd zijn aan de beleving van het buiten(gebied) of verblijfsrecreatie. De gemeente wil ontwikkeling van recreatie en toerisme ondersteunen daar waar mogelijk ruimte bieden aan waardevolle initiatieven. Naast (verblijfs)recreatie op recreatieterreinen zijn diverse andere vormen van (verblijfs)recreatie denkbaar. Naast locaties met hoofdactiviteit recreatie bieden we andere bestemmingen de mogelijkheid voor recreatieve nevenactiviteiten. De gemeente biedt onder andere alle type woningen (bedrijfswoningen en burgerwoningen) de mogelijkheid voor Bed&breakfast, kleinschalig kamperen, lichte horeca (theehuis), galerie, expositieruimte, zorgvoorziening. Zie ook de betreffende paragrafen over de specifieke bestemmingen. De gemeente biedt geen mogelijkheid voor zelfstandige recreatiewoningen. Activiteiten op het gebied van recreatie en toerisme, horeca en cultuur en zorg met een geringe ruimtelijke impact en binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening maken we met een afwijking mogelijk. Voor andere activiteiten zal vanuit een positieve grondhouding een zelfstandige (buitenplanse) afweging gemaakt worden.

3.7

Landgoederen

3.7.1

Wijze van bestemmen

In het bestemmingsplan buitengebied was aan landgoederen een specifieke bestemming Landhuis toegekend, welke nader zijn onderscheid met I, II of III. Deze bestemming past echter niet meer bij de huidige wijze van bestemmen. Voor een landgoed zijn nu verschillende bestemmingen opgenomen in overeenstemming met het feitelijk gebruik. De overige gronden krijgen afhankelijk van het gebruik bijvoorbeeld de bestemming 'Bos' of 'Agrarisch'. De percelen zijn bestemd met actuele gebruiks- en bouwmogelijkheden.

27

bestemmingsplan Gelders Eiland

Landgoederen en historische buitenplaatsen dragen bij aan de lokale/regionale identiteit en hebben een belangrijke cultuur - historische waarde. Daarbij dragen ze veelal ook bij aan de landschappelijke waarden (ruimtelijke kwaliteit) van een gebied. Naast de historische bebouwing wordt de cultuurhistorische betekenis bepaald door de historische ruimtelijke samenhang van het geheel; het huisperceel en de exploitatie van de bijbehorende gronden. Om deze eenheid te behouden is de dubbelbestemming 'Waarde cultuurhistorie' opgenomen. De bestemming is gericht op de bescherming en instandhouding van cultuurhistorische waarden. 3.7.2

Ontwikkelingsmogelijkheden

Veel landgoedeigenaren zoeken daarom naar verbreding van activiteiten, een optimaal gebruik van gebouwen en gronden, om de opbrengsten te vergroten. De gewenste invulling is afhankelijk van de wensen van de eigenaar en de concrete situatie en zeer divers. De gemeente onderkent het belang van verbreding voor de exploitatie van een landgoed. De gemeente biedt mogelijkheden voor verbreding van activiteiten in de recreatieve sector, lichte horeca en op het gebied van cultuur en zorg zijn voorstelbaar. Detailhandel wordt niet toegestaan. Activiteiten op het gebied van recreatie en toerisme, horeca, cultuur en zorg met een geringe ruimtelijke impact en binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening maken we met een afwijking mogelijk. Voor andere activiteiten zal vanuit een positieve grondhouding een zelfstandige (buitenplanse) afweging gemaakt worden.

3.8

Maatschappelijke en overige voorzieningen

3.8.1

Wijze van bestemmen

In het buitengebied van het Gelders Eiland komen uiteenlopende activiteiten voor die een specifieke bestemming hebben gekregen, zoals maatschappelijk en sport. Het feitelijk gebruik is specifiek bestemd, zonder mogelijkheid tot omschakeling naar andere activiteiten. De maatschappelijke en sportfuncties, zoals deze in het buitengebied voorkomen, zijn specifiek bestemd. 3.8.2

Bebouwing en gebruiksmogelijkheden

Gebruik en bebouwingsmogelijkheden zijn afgestemd op het specifieke gebruik. De huidige mogelijkheden zijn het uitgangspunt. De activiteiten zijn in aard, omvang en intensiteit zeer verschillend. De regels zijn afgestemd op het specifieke gebruik. De huidige mogelijkheden zijn daarbij het uitgangspunt geweest.

3.9

Functieverandering

Hergebruik of transformatie van vrijkomende bedrijfsbebouwing Als gevolg van ontwikkelingen in de agrarische sector neemt het aantal bedrijven af en komt agrarische bedrijfsbebouwing leeg. De behoefte aan agrarische bouwpercelen neemt af. De verwachting is dat ook de komende jaren een deel van de agrarische bedrijfsgebouwen hun oorspronkelijke functie gaan verliezen. Om verpaupering te voorkomen wil de gemeente een perspectief (blijven) bieden en, in overeenstemming met de uitgangspunten van het beleid voor vrijkomende agrarische bebouwing, tegelijkertijd de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied verbeteren. Er worden mogelijkheden voor hergebruik of transformatie van vrijkomende bedrijfsbebouwing geboden. Dit betekent nadrukkelijk dat ook andere vrijkomende bedrijfsbebouwing dan agrarische bedrijfsbebouwing deze mogelijkheid wordt geboden. Aan transformatie of hergebruik worden voorwaarden verbonden voor verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing (zie hieronder). Verbetering van de ruimtelijke kwaliteit De verwachting is dat op termijn een deel van de agrarische bebouwing door bedrijfsbeeindiging leeg zal komen. Door langdurige leegstand ontstaat het risico van verpaupering, verrommeling en ondermijning van het buitengebied. Het doel is om deze kwalitatieve achteruitgang te voorkomen.

De mogelijkheid wordt geboden om door middel van functieverandering geld te genereren voor sloop van overtollige bebouwing. De mogelijkheid van hergebruik of transformatie van vrijkomende bebouwing is een handreiking naar de eigenaar. Daarbij geldt ook dat een bijdrage wordt gevraagd aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit

28

bestemmingsplan Gelders Eiland

(compensatie). Daarbij moet onder andere een reductie van het bebouwingsoppervlak bereikt worden. Gezien de achtergronden van het beleid voor vrijkomende bedrijfsbebouwing zal hergebruik of transformatie per definitie moeten leiden tot verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om dit te bereiken is de mogelijkheid van functieverandering uitsluitend mogelijk onder de voorwaarde van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Voorbeelden zijn bijdrage / medewerking aan landschapsontwikkeling, recreatieve verbindingen of ecologische waarden. Landschappelijke inpassing van nieuwbouw beschouwen we hierbij als basiskwaliteit.

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op de verschillende planologische en milieutechnische aspecten. Het betreffen sectorale aspecten die relevant zijn voor het leggen van de verschillende bestemmingen. Tevens dient rekening te worden gehouden met deze sectorale aspecten bij eventuele toekomstige ontwikkelingen, die zich mogelijk zullen voordoen tijdens de looptijd van het bestemmingsplan.

4.1

Plan-MER

Wettelijk kader In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planm.e.r-plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het plan: kaderstellend is voor een toekomstig besluit over m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn (artikel 7.2 van de Wet milieubeheer); mogelijkheden biedt voor activiteiten waarvan op voorhand niet met zekerheid is vast te stellen dat deze geen significant negatieve effecten kunnen veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Als dat niet kan worden uitgesloten, dient op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) een passende beoordeling te worden opgesteld in het kader van het op te stellen planMER (artikel 7.2a van de Wet milieubeheer). Kaderstelling Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard, maar biedt wel ontwikkelingsmogelijkheden aan de agrarische bedrijven. Daarbij gaat het onder andere om ontwikkelingsruimte voor de aanwezige veehouderijen.

De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang m.e.r.- of m.e.r.- beoordelingsplichtig (bijvoorbeeld bij meer dan 200 melkkoeien, 2.000 schapen of 100 paarden). Dit betekent dat bij een concreet initiatief boven die omvang in het kader van de vergunningaanvraag een m.e.r.- beoordeling of m.e.r.- procedure dient te worden doorlopen. Deze m.e.r.- (beoordelings)plicht is afhankelijk van het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft. Het bestemmingsplan is daarmee in beginsel kaderstellend voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Planologische mogelijkheden bepalend Voor het bepalen van het antwoord op de vraag of de agrarische bedrijven ook boven het aantal dieren uitkomen die in het Besluit m.e.r. zijn opgenomen, moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden in vergelijking met de huidige (feitelijke) situatie. Er moet dus enerzijds rekening worden gehouden met de onbenutte ruimte uit geldende bestemmingsplannen en anderzijds moet ook rekening worden gehouden met eventueel opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden.

29

bestemmingsplan Gelders Eiland

In dit bestemmingsplan zijn de geldende bouwvlakken, voor zover sprake is van een agrarisch bedrijf dat nog in werking is, overgenomen. Deze hebben een zodanige omvang dat daar stallen zouden kunnen worden bijgebouwd waarin zodanig veel dieren kunnen worden gehuisvest dat de drempels uit het Besluit m.e.r. worden overschreden. Daarmee vormt het bestemmingsplan het kader voor mogelijke toekomstige besluiten over m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Om deze reden is voor het bestemmingsplan Landelijk gebied sprake van een planm.e.r.-plicht. Effecten op Natura 2000-gebieden In de Wet Natuurbescherming is vastgelegd dat voor plannen die mogelijk leiden tot significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden een zogenoemde 'passende beoordeling' noodzakelijk is. Met name de uitbreiding van veehouderijen kan negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden (uitstoot van stikstof), indien de betreffende Natura 2000-gebieden gevoelig zijn voor stikstof. Dit omdat effecten van stikstof op vele kilometers afstand waarneembaar zijn (20-30 km). De hiervoor geschetste planologische uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen kunnen dus ook negatieve effecten hebben op omliggende Natura 2000-gebieden. Als negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd.

Wanneer voor een plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is, leidt dit automatisch tot een planm.e.r.-plicht. Doel, procedure planMER en voornemen Milieueffectrapportage (m.e.r.) is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Een planMER wordt opgesteld om het milieubelang volwaardig te laten meewegen in de besluitvorming over het bestemmingsplan. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de procedure die moet worden doorlopen voor het betreffende plan of besluit, de zogenoemde 'moederprocedure'. De planm.e.r.-procedure bestaat uit de volgende stappen: openbare kennisgeving opstellen planMER en bestemmingsplan; raadpleging bestuursorganen en inspraak over reikwijdte en detailniveau van het planMER; opstellen planMER en (voor)ontwerpbestemmingsplan; terinzagelegging planMER met ontwerpbestemmingsplan; toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r.; vaststelling bestemmingsplan. Het planMER vormt een bijlage bij het bestemmingsplan. De m.e.r.-procedure richt zich met name op de wijze waarop activiteiten met mogelijk negatieve milieueffecten worden vastgelegd in het bestemmingsplan (het voornemen). De Wet milieubeheer stelt dat in een MER redelijke alternatieven voor de voorgenomen activiteit moeten worden beschreven plus een motivering van de keuze voor deze alternatieven.

Wat betreft het voornemen gaat het om de effecten op het milieu als de mogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan maximaal worden benut. Dit betekent dus ook de mogelijkheden tot uitbreiding die met behulp van afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Samenvatting MER Het MER is opgenomen in Bijlage 2. Uit het MER blijkt dat er op meerdere thema's negatieve effecten zijn door de uitbreidingsmogelijkheden van grondgebonden veehouderijen. Die effecten gelden vooral voor de onderdelen natuur, landschap en geurhinder. De opgenomen voorwaarden in afwijkingsbevoegdheden/wijzigingsbevoedheden, voorkomen dat deze effecten echt optreden. De landschappelijke effecten van het bouwen van extra stallen zijn ook negatief. De landschappelijke effecten worden verzacht doordat de uitbreiding van de agrarische bedrijven plaatsvindt door middel van

30

bestemmingsplan Gelders Eiland

afwijkingsbevoegdheden. Daarin is de landschappelijke inpassing als voorwaarde opgenomen. In de Passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming, die is opgenomen in de planMER is geconcludeerd dat er mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de eisen van de Wet natuurbescherming. Die mitigerende maatregelen betreft het inperken van een aantal regelingen in het bestemmingsplan. Dit betreft enkele regeling voor de agrarische bedrijven die zijn ingesloten in het Natura 2000-gebied en 7 agrarische bedrijven die direct grenzen aan het Natura 2000-gebied. De volgende mogelijkheden zijn op basis van de Passende beoordeling geschrapt uit de planregels: de mogelijkheid om het bouwvlak met 250 m² te overschrijden; de wijzigingsbevoegdheid om het bouwvlak te vergroten naar 2 ha; de mogelijkheid voor toestaan van kleinschalig kamperen. Deze mogelijkheden zijn geschrapt uit de bestemming Agrarisch met waarden. En voor de 7 bedrijven is in de betreffende regelingen melding gemaakt dat deze niet van toepassing is op de genoemde bedrijven. De mogelijkheid voor het toestaan van paardenbakken is aangepast naar aanleiding van de Passende beoordeling.

Deze regeling was een regeling bij recht en is omgezet naar een afwijking bij omgevingsvergunning, waarbij een voorwaarde is toegevoegd dat de paardenbak geen significant negatieve effecten mag hebben in omliggende Natura 2000-gebieden. Uitgangspunten voor het bestemmingsplan In de wijzigingsbevoegdheden, afwijkingsmogelijkheden en voorwaardelijke verplichtingen is daar waar nodig rekening gehouden met de uitkomsten van het MER. Ook zijn bepaalde waarden beschermd door bijvoorbeeld een archeologische dubbelbestemming of een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden. Commissie mer De Commissie mer adviseert, als onafhankelijke organisatie, over de inhoud van milieueffectrapporten. Bij de verplichting voor het opstellen van een milieueffectrapport in het kader van een bestemmingsplan, is het tevens verplicht om advies te vragen aan de Commissie mer. Op 28 november 2024 heeft de Commissie mer een advies uitgebracht. Advies Het bestemmingsplan gaat over het grondgebied van de voormalige gemeente Rijnwaarden, met uitzondering van de woonkernen en enkele delen van de Oude Waal. Het huidige bestemmingsplan is verouderd en sluit niet goed aan op de andere bestemmingsplannen van de gemeente Zevenaar.

Het nieuwe plan gaat voor een groot deel uit van de bestaande situatie (met bestaande rechten en plichten), waarbij de regels in het bestemmingsplan zijn aangepast aan de eisen en wensen van deze tijd. Het plan biedt ook ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Zo gaat het om uitbreiding van bestaande bebouwing of voorzieningen en nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven. In het MER zijn de effecten van het plan in beeld gebracht. Deze zijn gebaseerd op de situatie waarin alle mogelijkheden voor ontwikkeling benut worden. In het MER staat dat in dat geval negatieve effecten te verwachten zijn voor de volgende milieuthema's: natuur, landschap en cultureel erfgoed, lichthinder en verkeer. Deze informatie is gebruikt om in het bestemmingsplan een aantal voorwaarden op te nemen die ongewenste milieueffecten moeten voorkomen of beperken. Dit betekent bijvoorbeeld dat voor de uitbreiding van agrarische activiteiten of voor de aanleg van paardenbakken een vergunning nodig is. Deze wordt alleen verleend als duidelijk is dat effecten voorkomen worden. Voorwaarden, waaraan de uitbreiding van agrarische bedrijven moet voldoen, voorkomen bijvoorbeeld negatieve effecten op natuur of landschap, zo staat in het MER. Op alle andere milieuthema's heeft het aangepaste plan geen effect (positief of

31

bestemmingsplan Gelders Eiland

negatief). Het MER is gebruikt om te onderzoeken welke maatregelen nodig zijn om tot een uitvoerbaar bestemmingsplan te komen. De gekozen aanpak, namelijk om knelpunten in de maximale situatie zichtbaar te maken en daar maatregelen voor te bepalen, is goed navolgbaar. Het doel is immers om tot een geactualiseerd bestemmingsplan te komen op basis van bestaande rechten en plichten. De Commissie constateert echter dat de gebruikte informatie erg algemeen en globaal van karakter is. Hierdoor is niet volledig in beeld wat het vertrekpunt (de huidige situatie) is, wat het plan daadwerkelijk mogelijk maakt en welke gebiedsspecifieke effecten te verwachten zijn. Ook dateert het MER uit 2021, wat kan betekenen dat de informatie niet meer actueel is. Meer specifiek geeft de commissie de volgende handvatten mee: 1. Het plan biedt (onder andere) ruimte voor uitbreidingen en voorzieningen bij agrarische bedrijven. Daaraan zijn in het plan zelf voorwaarden verbonden. In het MER is geen rekening gehouden met deze voorwaarden. Ook is niet duidelijk wat de situatie op deze bedrijven nu is. Het is daardoor niet duidelijk hoeveel ruimte er in de praktijk zal zijn voor nieuwe ontwikkelingen, of deze juridisch haalbaar zijn en wat de gevolgen zijn voor de leefomgeving. 2.

De huidige situatie en hoe deze zich (zonder het plan) zal ontwikkelen, is erg algemeen omschreven en gaat maar beperkt in op de gebiedsspecifieke kenmerken van het Gelders Eiland. De beschrijving biedt onvoldoende houvast om eventuele gevolgen van het plan te kunnen bepalen. 3. De beoordeling geeft een onvoldoende goed en onderbouwd beeld van de mogelijke milieueffecten. Het is de vraag of alle onbenutte ruimte zonder meer in te vullen is, zonder ongeoorloofd effect op de omgeving. In principe moet dit op voorhand wel in beeld zijn. Specifiek geldt dit voor natuur, landschap en water en voor luchtkwaliteit en geur. Ook is meer actuele en gedetailleerde informatie nodig over stikstof. Vervolg Het advies van de Commissie mer laat zien dat de gekozen insteek van het milieueffectrapport in lijn is met de regels die daarvoor gelden. Evenwel heeft de gemeente ervoor gekozen om het onderzoek meer op hoofdlijnen uit te voeren. Reden hiervoor is dat er ten opzichte van het voorgaande bestemmingsplan in zijn algemeenheid geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, en dat eventuele uitbreidingen altijd gerelateerd zijn aan een vergunningsplicht. Bij de beoordeling van een dergelijk project kan de milieu-impact van zo'n ontwikkeling heel specifiek in beeld worden gebracht.

Een meer gedetailleerde beschrijving van het gebied en de impact van eventuele ontwikkelmogelijkheden hierop, zou geen verandering hebben gebracht in de planologische regelingen in het bestemmingsplan. Deze zijn namelijk gebaseerd op het voorgaande bestemmingsplan (m.n. Buitengebied 2008) en het uitgangspunt is dat er sprake is van een conserverend bestemmingsplan. Daar komt bij dat gedurende het plantraject de invoering van de Omgevingswet boven de markt hing. Bekend was al dat de gemeente dan voor het hele grondgebied één omgevingsplan zou moeten vaststellen. De gemeente grijpt deze verplichting aan om – ook voor het buitengebied – een meer uitgebreide inventarisatie van mogelijkheden en milieugevolgen te maken. Vervolgens kan ook een goede afweging worden gemaakt over eventueel noodzakelijke maatregelen. Het advies van de Commissie mer met deze insteek ter harte genomen, en krijgt een vervolg bij het opstellen van het toekomstige omgevingsplan Zevenaar.

32

bestemmingsplan Gelders Eiland

4.2

Bedrijven en milieuzonering

Om te bepalen welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van milieuhinder kunnen worden toegestaan, kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Het doel van milieuzonering is tweeledig: door het toepassen van milieuzonering wordt hinder ter plaatse van woningen of andere gevoelige objecten al in het ruimtelijk spoor voorkomen; door het toepassen van milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG ingedeeld in milieucategorieën die variëren van categorie 1 (indicatieve afstand van 10 meter) tot categorie 6 (indicatieve afstand van 1.500 meter). Als aan de indicatieve afstand kan worden voldaan, is een activiteit qua milieuhinder inpasbaar.

Enerzijds is dan ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (waaronder woningen) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, anderzijds heeft het bedrijf voldoende zekerheid dat de bedrijfsactiviteiten binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen worden uitgeoefend. In de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk 'rustige woonwijk'/'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. De richtafstanden uit de Handreiking Bedrijven en milieuzonering van de VNG zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een 'rustige woonwijk'. Voor woningen in een 'gemengd gebied' mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Relatie bestemmingsplan In dit plan wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het is niet wenselijk om nieuwe niet-agrarische bedrijven uit een hogere categorie dan 1 en 2 toe te laten in het plangebied. Bestaande bedrijven zijn voorzien van een bedrijfsbestemming op maat.

Bij de toekenning van functies is zoveel mogelijk rekening gehouden met de milieukwaliteit. Er is niet direct gekeken naar de milieuaspecten verzuring, verdroging, verspreiding en verstoring (geluid, stank en gevaar/externe veiligheid), omdat hier afzonderlijk beleid voor geldt. Er is wel direct gekeken naar de eventuele aanwezige milieuzonering voor milieubeschermingsgebieden, zoals stiltegebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, voor zover ruimtelijk relevant, alsmede milieuzones voor geluidhinder wegverkeer en industrielawaai. In het kader van voorliggend bestemmingsplan, waarin bestaande bedrijven specifiek zijn geregeld, nieuwe bedrijven maximaal in categorie 2 of vergelijkbaar mogen vallen en geen relevante nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, kan worden geconcludeerd dat de toegestane bedrijfsactiviteiten voldoen aan de algemeen aanvaarde voorwaarden.

4.3

Bodem

Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat er schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bij relevante nieuwbouw zal voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning moeten worden aangetoond dat de bodem voldoende schoon is. Wanneer een ontwikkeling geen bestemmingswijziging tot gevolg heeft, hoeft er geen bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan uitgevoerd te worden. De bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Relatie bestemmingsplan

33

bestemmingsplan Gelders Eiland

In het kader van voorliggend bestemmingsplan, waarin geen relevante nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, is het niet noodzakelijk de bodem te onderzoeken.

4.4

Externe veiligheid

Algemeen Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. De wet- en regelgeving rondom externe veiligheid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (transport van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (over wegen, spoorwegen en vaarwegen) en buisleidingen (bijvoorbeeld leidingen voor aardgas of vloeibare brandstof). Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Beleidsvisie externe veiligheid, gemeente Zevenaar De gemeente Zevenaar heeft een beleidsvisie externe veiligheid opgesteld om duidelijk te maken welke externe veiligheidsrisico's aanwezig zijn en hoe met toekomstige risico's om dient te worden gegaan in relatie tot ruimtelijke ontwikkeling en milieuvergunningverlening. Met betrekking tot Bevi-inrichtingen in het buitengebied gelden de volgende beleidsuitspraken: In het landelijk gebied worden woningen als kwetsbaar object beschouwd, ook indien er sprake is van een dichtheid van minder dan 2 woningen per ha. Binnen een PR 10-6 contour zijn nieuwe beperkt kwetsbare objecten, mits gemotiveerd, toegestaan. Dit betekent dat met de richtwaarde voor het plaatsgebonden risico wordt omgegaan zoals bedoeld in weten regelgeving. De nieuwvestiging van Bevi-inrichtingen is in principe niet toegestaan. Alleen gebiedseigen, functie gerelateerde Bevi-inrichtingen kunnen zich vestigen in het landelijk gebied, wanneer dit goed wordt gemotiveerd. De uitbreiding van Bevi-inrichtingen, die hun invloedsgebieden over woongebieden hebben, is toegestaan, mits het invloedsgebied niet toeneemt (standstill-principe). Met de oriëntatiewaarde wordt omgegaan zoals bedoeld in wet- en regelgeving. Toename van het groepsrisico, waarbij eventueel de oriëntatiewaarde wordt overschreden, kan gemotiveerd worden toegestaan.

Hierbij wordt invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht voor het groepsrisico zoals opgenomen in wet- en regelgeving. Ruimtelijke ontwikkelingen, waardoor het groepsrisico de oriëntatiewaarde overschrijdt, kunnen doorgang hebben mits een goede verantwoording plaatsvindt. Indien voldaan wordt aan de ruimtelijke ambities voor de inrichting van het gebied en aan de normen voor het plaatsgebonden risico wordt het groepsrisico verantwoord zoals omschreven in het Bevi. Voor overige risicovolle inrichtingen geldt dat alleen gebiedseigen functie gerelateerde bedrijven met een beperkt extern veiligheidsrisico zijn toegestaan. Daarnaast zijn overige risicoveroorzakers (niet-Bevi en niet- drempelwaardenlijst) toegestaan, zoals aardgas-tankstations en kleine propaantanks (<3 m3). Aanleg of uitbreidingen van transportassen of buisleidingen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is mogelijk zolang binnen de PR 10-6-contour geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Binnen een bepaalde zone rondom risicobronnen wordt getoetst of een functie wel of niet zelfredzaam is. Indien deze niet-zelfredzaam is, wordt VGGM om advies gevraagd over de mate van zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid ingeval van een calamiteit. Risicobronnen In bijgevoegde figuur is een uitsnede van de risicokaart weergegeven, een indicatie van de risicobronnen in

34

bestemmingsplan Gelders Eiland

en rond het buitengebied: Transportroutes gevaarlijke stoffen: Boven-Rijn en Pannerdenschkanaal; Buisleidingen (gas) en gasdrukregel- en meetstations; Propaantanks; LPG tankstation.

Uitsnede risicokaart

Relatie met het bestemmingsplan In het bestemmingsplan worden geen nieuwe functies met een extern veiligheidsrisico toegestaan, tenzij deze gebiedseigen en functie gerelateerd zijn voor het buitengebied. Bestaande functies kunnen onder voorwaarden uitbreiden. In het invloedsgebied van inrichtingen met een veiligheidsrisico worden functies met beperkte zelfredzaamheid niet toegestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om functies met zorg en met kleine kinderen. Om de mogelijkheden in het buitengebied niet onevenredig in te perken worden echter niet alle ontwikkelingen met kwetsbare functies per definitie onmogelijk gemaakt. De veiligheid rond lokale bedrijfsgebonden inrichtingen als opslagtanks voor gas, biovergisting e.d. is geborgd door eisen aan realisatie / afstanden e.d. vanuit wet- en regelgeving. Er worden in het kader van dit bestemmingsplan geen nieuwe kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten gerealiseerd binnen de veiligheids- en normafstanden van bestaande risicobronnen (buisleidingen, tracés met vervoer gevaarlijke stoffen, inrichtingen).

35

bestemmingsplan Gelders Eiland

4.5

Geluid

Het beleid ten aanzien van geluid is grotendeels vastgelegd in de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder wordt stapsgewijs overgeheveld naar de Wet milieubeheer. In het plangebied dient rekening te worden gehouden met industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting dient te worden onderzocht binnen de zones behorende bij wegen, spoorwegen en bedrijventerreinen. Relatie bestemmingsplan In dit bestemmingsplan wordt de mogelijkheid geboden om met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid bestaande woningen te splitsen dan wel nieuwe agrarische bedrijfswoningen toe te voegen. Daarmee wordt de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen in de vorm van woningen mogelijk gemaakt. De Wet geluidhinder stelt eisen met betrekking tot de toegestane geluidbelasting op geluid gevoelige objecten zoals woningen. In de wet wordt per bron een regeling gegeven. Bij de bouw van nieuwe (bedrijfs)woningen en boerderijsplitsing zal een akoestisch onderzoek moeten aantonen dat aan de grenswaarden kan worden voldaan, dan wel dat een hogere grenswaarde is verkregen. 4.5.1

Industrielawaai

Een bedrijventerrein waar vestiging mogelijk is van bedrijven die horen tot het Besluit omgevingsrecht onder D bijlage 1 (zogenaamde 'grote lawaaimakers') moet worden gezoneerd. Een gezoneerd bedrijventerrein is een terrein of een gedeelte daarvan waarop zich bedrijven bevinden of worden toegestaan die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Rondom een gezoneerd bedrijventerrein wordt een gebied aangewezen waarbuiten het geluidniveau ten gevolge van de activiteiten van alle bedrijven op het bedrijventerrein de 50 dB(A) niet mag overschrijden. De 50 dB(A)- contour vormt de grens van het gebied en moet ingevolge de Wet geluidhinder worden vastgelegd in het bestemmingsplan. De 55 dB(A)-contour geeft de grens aan tot waar in principe gevoelige objecten kunnen worden gerealiseerd. Indien de gevelbelasting voor deze objecten als van gevolg van activiteiten op het gezoneerde bedrijventerrein meer bedraagt dan 50 dB(A), maar maximaal 55 dB(A), dan is voor realisatie van een geluidgevoelige bestemming een ontheffing nodig. Deze ontheffing wordt door burgemeester en wethouders verleend. In het plangebied liggen de contouren van Scheepswerf De Hoop. Deze zijn opgenomen op de verbeelding als 'geluidzone - industrie'.

4.6

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit in het plangebied wordt voornamelijk bepaald door de achtergrond- concentratie. Lokale bronnen voor uitstoot van luchtverontreinigende stoffen zijn de wegen en de agrarische bedrijven (uitstoot vanuit stallen). Verwacht wordt dat de concentratie stikstofdioxide en fijn stof door het landelijke en gemeentelijke beleid in de toekomst zal dalen. Verwacht wordt dat zowel in de huidige situatie als de verwachtte situatie (ruimschoots) wordt voldaan aan de geldende grenswaarden voor fijnstof en de streefwaarden voor de fijne fractie, PM². Cumulatie De gezondheidssituatie in wordt momenteel vooral bepaald door de bestaande hinderbronnen: de (provinciale) wegen; vaarwegen; agrarische bedrijvigheid. De bijdrage door de ontwikkelingen binnen het bestemmingsplan wordt zodanig beperkt geacht dat deze geen cumulatief effect hebben op al de bestaande hinder- en gezondheidssituatie. Algemeen Gezondheid van de omgeving staat steeds meer in de belangstelling. Aanleiding daarvoor zijn uitbraken van ziekten onder dieren, maar ook de overdracht van deze ziekten naar mensen (denk aan de Q-koorts uitbraak) en het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de agrarische sector. In dat kader wordt steeds meer

36

bestemmingsplan Gelders Eiland

onderzoek gedaan naar de relatie tussen agrarische bedrijven en gezondheid. Het blijkt nog niet mogelijk te zijn eenduidige conclusies te trekken over de relatie tussen agrarische bedrijven en gezondheid. Het nemen van maatregelen in het bestemmingsplan – dat op deze conclusies zou kunnen volgen – is dan ook niet mogelijk. In een separate bijlage is ter duiding een algemene beschouwing van gezondheidsaspecten in het buitengebied opgenomen. Uit onderzoek blijkt dat met name in gebieden met een cluster van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico's een rol kunnen spelen. In het plangebied is geen sprake van clustering van intensieve bedrijven, aangezien het aantal intensieve bedrijven beperkt is. Relatie bestemmingsplan Het bestemmingsplan maakt ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit door toename van de concentratie fijnstof en stikstofdioxide. Zowel door uitbreiding van stikstofemitterende agrarische bedrijvigheid, als door toename van de verkeersbewegingen als gevolg van uitbreiding van agrarische en recreatieve bedrijven, kan de luchtkwaliteit verslechteren. Een toename van verkeer van en naar agrarische bedrijven als gevolg van de mogelijke ontwikkelingen kan leiden tot een toename van uitstoot van fijn stof en stikstofdioxide. De concentraties blijven ver beneden de normen voor luchtkwaliteit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=22f0c25d-7130-4ed4-8dc1-6d59d86e7fc3