Bijlage 2. 1255307 - Ruimtelijke onderbouwing Kruuthuuske, Tolkamer definitief V5
Tekst van het document
H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing •
• •
x = afstand van een obstakel tot de molen (in meters) • n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie. Voor een gesloten gebied zoals bij het Kruuthuuske geldt de waarde 50. c = een constante met een waarde van 0,2 (bij maximaal toelaatbare windreductie van 5%) z = askophoogte (helft van gevlucht + de hoogte van de belt). Voor molen Lobith: (26,4/2) + 3,1 = 16,3 meter
De afstand van de nieuwbouw tot de molen bedraagt minimaal 250 meter. Uitgaande van deze afstand bedraagt volgens de rekenmethode de maximaal toelaatbare bouwhoogte: H(250) = 250/50 + 0,2 * 16,3 = 8,26 meter. Hierbij is geen rekening gehouden met verschil in maaiveldhoogte tussen de molen en de nieuwbouw. De onderbouw van de molen ligt op 15,1 meter boven NAP. Het huidige maaiveld van het projectgebied ligt op circa 12,9 meter boven NAP. De maximale bouwhoogte bedraagt daardoor 8,26 + (15,1-12,9) = 10,46 meter (t.o.v. huidig maaiveld). De maximale hoogte van het nieuwe gebouw bedraagt, inclusief de liftschacht en airco-installatie, circa 10,46 meter. Daarmee is het bouwplan uitvoerbaar zonder de windvang van de molen te beperken. Geconcludeerd wordt dat het appartementencomplex van 3 verdiepingen geen negatieve invloed zal hebben op de windvang van de Tolhuys Coornmolen in Lobith.
Artikel 2.65b Klimaatadaptatie De Klimaateffectatlas weergeeft de diverse effecten van klimaatverandering en de gevolgen die overstromingen kunnen hebben op het projectgebied en de directe omgeving. In de atlas komen de effecten van wateroverlast (extreme neerslag), droogte, hittestress en waterveiligheid (overstromingen) nu en voor het jaar 2050 aan bod. Het projectgebied is geanalyseerd met behulp van de atlas. Hieronder zijn de conclusies per aspect weergegeven. Wateroverlast (extreme neerslag) Voor wateroverlast is gekeken naar extreme neerslag. Voor voorliggende ontwikkeling is getoetst aan de korte buien van 70 mm in 1 uur en van 140 mm in 2 uur. Voor beide type buien blijkt dat er op het grootste gedeelte van het projectgebied geen water blijft staan. De diepte van een waterplas bedraagt ongeveer 10 tot 15 cm water bij een heftige bui van 140 mm in 2 uur. Het projectgebied en de omliggende wegen blijven begaanbaar voor normaal verkeer en hulpdiensten. In de toekomstige situatie waarin de verharding binnen het projectgebied toeneemt zal het water tijdens regenbuien zo veel mogelijk worden geïnfiltreerd. Een overschot aan water kan via de bestaande sloot aan de Batavenweg worden afgevoerd.
Afbeelding 3.4: Waterstand bij een bui van 70 mm bij 1 uur en 140 mm in 2 uur (Bron: Klimaateffectatlas)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing Droogte Voor droogte is het van belang om te weten hoe diep het grondwater zit, zodat planten en gewassen tussen regenbuien door hieruit water kunnen onttrekken. Bij te diep grondwater is dat immers niet mogelijk en droogt de omgeving uit. Ook funderingen van gebouwen kunnen schade oplopen bij een te lage grondwaterstand. In de atlas is te zien dat de grondwaterstand in de omgeving van het projectgebied 2 meter onder het maaiveld zit. Met sterke klimaatverandering zal de laagste grondwaterstand naar verwachting dalen met 0,1 tot 0,25 m. In de omgeving wordt geen significante bodemdaling verwacht. Ten slotte wordt gesteld dat de gronden ter plaatse van het projectgebied gematigd gevoelig zij voor natuurbrand. Hittestress Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt welke zorgt voor gezondheidsrisico's. Langdurig aanhoudende hitte kan leiden tot klachten als vermoeidheid, concentratieproblemen en hoofdpijn. Er bestaat ook verhoogde kans op uitdroging en oververhitting. In het ergste geval kunnen mensen hieraan overlijden. In de fysieke omgeving verhoogt de aanwezigheid van verhard oppervlak de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. Binnen het projectgebied en in de omgeving van het projectgebied zijn veel bomen aanwezig.
De gevoelstemperatuur op warme zomerdagen ingeschat op 39 graden Celsius. Met sterke klimaatverandering kan deze temperatuur nog 2 graden oplopen. Het voornemen voorziet in het toevoegen van verharding, waardoor het projectgebied naar verwachting wat zal opwarmen. Echter, ter compensatie zullen nieuwe bomen worden aangeplant. Het toevoegen van schaduw op een perceel is een effectieve methode om hittestress te beperken. Gelet op vorenstaande wordt aantoonbaar geacht dat binnen het projectgebied voldoende maatregelen zijn getroffen om de effecten van hittestress te minimaliseren. Overstroming De Klimaatatlas maakt bij de toetsing van overstromingskans gebruik van de benadering plaatsgebonden overstromingskans. Dit is de kans dat een locatie binnen één jaar te maken krijgt met een bepaalde overstroming. Voor het projectgebied geeft de atlas voor het jaar 2050 een ‘zeer kleine kans’ (1/3.000 tot 1/30.000 per jaar) voor een overstroming met een diepte van 20 cm en een diepte van 50 cm. Ditzelfde beeld ontstaat wanneer de verwachte situatie tot het jaar 2100 wordt bekeken en de gevolgen van klimaatverandering worden meegerekend. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van de effecten van wateroverlast, droogte, hittestress en overstroming geen negatieve effecten te verwachten zijn ten aanzien van de ontwikkeling. 3.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciale beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het provinciale beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Woondeal 2.0 regio Arnhem-Nijmegen
3.3.1.1 Algemeen Op 8 maart 2023 hebben de gemeenten Arnhem, Nijmegen en de gemeenten binnen de Groene Metropoolregio de Woondeal uit 2020 hernieuwd. Op Nationale schaal wordt ingezet op de bouw van 900.000 woningen waarvan 2/3 deel minimaal in het betaalbare segment dient te vallen. De groene Metropoolregio en Arnhem en Nijmegen behoren tot de top drie van regio’s waar het grootste woningtekort speelt. In de nieuwe woondeal wordt ingezet op een bovengemiddelde inzet om aan de woningbouwopgave te kunnen voldoen. Regiobreed wordt in de woondeal ingezet op het bouwen van 33.000 woningen tot 2030.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing 3.3.1.2 Werkafspraken Voor de gemeente Zevenaar is in de Woondeal een woningbouwopgave geformuleerd van 1.950 woningen. Daarvan zouden 435 woningen in het segment betaalbare koopwoningen gerealiseerd moeten worden. Jaarlijks wordt de woningbouwprognose tot 2030 bijgewerkt met het beschikbaar komen van de behaalde resultaten van het afgelopen jaar. In 2024 en 2025, de jaren waarin de realisatie van de appartementen plaatsvindt, dienen respectievelijk 50 en 100 woningen gerealiseerd te worden in de gemeente Zevenaar. De gemeenten die meewerken aan de Woondeal zijn daarnaast overeengekomen in 130% van de benodigde woningplannen te faciliteren. 3.3.1.3 Toetsing aan de Woondeal 2.0 regio Arnhem-Nijmegen De 12 appartementen leveren een bijdrage aan de woningbouwopgave van 435 woningen in het betaalbare segment en aan de 50 tot 100 appartementen die gerealiseerd dienen te worden in 2024 en 2025. In de Woondeal ligt de focus op enkele sleutelprojecten waarbij grotere hoeveelheden woningen worden gerealiseerd. Voor Zevenaar wordt anders dan de bovengenoemde doelen niet uiteengezet hoeveel woningen worden gerealiseerd als onderdeel van woningbouwprojecten en hoeveel woningen gerealiseerd worden buiten de grootschalige woningbouwopgaven. De Liemerse woonagenda gaat verder in op de verdeling van de woningbouwopgave in de regio.
In paragraaf 3.3.2 wordt verder ingegaan op de Liemerse woonagenda en het aandeel woningen dat toegevoegd wordt in de gemeente Zevenaar.
3.3.2
Liemerse woonagenda, de koers voor 2020 – 2025
3.3.2.1 Algemeen De Liemerse gemeenten Duiven, Doesburg, Montferland, Westervoort en Zevenaar hebben samen De Liemerse Woonagenda voor de periode 2020-2025 ondertekend. Door middel van deze woonagenda zijn afspraken gemaakt over de te realiseren woningen, zowel kwalitatief als kwantitatief. 3.3.2.2 De Liemerse woningmarkt In de nieuwe woningbehoefteprognoses is er geen sprake meer van een krimp in De Liemers. De prognoses laten tenminste tot 2040 een huishoudensgroei zien. Voor die groeiende vraag van huishoudens zullen nieuwe woningen gebouwd moeten worden. De groei is het grootst in de komende vijf jaar (ongeveer 500 woningen per jaar). Vanaf 2025 ligt deze op ongeveer 300 per jaar en na 2030 is vooralsnog een beperkte groei van 50 woningen per jaar voorzien. In de periode van vijf jaar van de woonagenda ligt er een woningbehoefte die hoger is dan de nieuwbouwaantallen die in de regio de afgelopen jaren zijn opgeleverd. De regio ziet in de huidige woningmarkt dat veel huishoudens en jongeren in het bijzonder, veel moeite hebben om een (geschikte) woning te vinden op de gespannen woningmarkt. Omdat de vraag naar verwachting nog verder zal toenemen heeft het verhogen van de nieuwbouwproductie op de korte termijn (vóór 2025) dan ook prioriteit.
Voor De Liemers als geheel is berekend dat het huidige tekort aan woningen minder groot is dan in de rest van de regio, maar dat tekort is niet overal even groot. Vanwege het grotere tekort op de Arnhemse woningmarktregio wordt in de aangrenzende gemeenten Westervoort en Duiven een groter dan gemiddelde woningmarktdruk ervaren. 3.3.2.3 Behoefte aan betaalbaar wonen Ten opzichte van 2017 ligt het accent nu sterk op de oplopende woningtekorten en de betaalbaarheid van woningen voor middeninkomensgroepen. Volgens het woningbehoefteonderzoek zou tot 2025 bijna de helft van het woningbouwprogramma moeten bestaan uit betaalbare koopwoningen. Daarnaast geeft het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing onderzoek aan dat er vanuit de middeninkomens ook behoefte is aan vrije sector huurwoningen in de middenhuur. 3.3.2.4 Aan de slag met de versnelling van de woningbouw in Liemers In de komende vijf jaar is de toename van de woningbehoefte het grootst. De Liemerse woonagenda beschrijft dat het huidige woningbouwprogramma nog niet van voldoende omvang is om te voorzien in deze behoefte, zeker wanneer de gemeente wil voorzien in extra planaanbod van 130% zoals afgesproken in de Woondeal Regio Arnhem-Nijmegen. Om voor de komende 10 jaar voldoende plancapaciteit beschikbaar te hebben zijn extra locaties nodig. Naast nieuwe transformatielocaties (vrijkomende scholen, sportvelden, kerken etc.) is daarnaast ook een beperkt aantal nieuwe uitleglocaties nodig. 3.3.2.5 Toetsing van het initiatief aan de Liemerse woonagenda, de koers voor 2020 - 2025 Met de voorgenomen ontwikkeling wordt ingespeeld op de concrete kwalitatieve en kwantitatieve behoefte in de regio en specifiek in de gemeente Zevenaar. De woningen in onderhavig plan betreffen betaalbare koopwoningen. In deze categorie woningen is sprake van een tekort. Wanneer de helft van de te bouwen woningen dient te bestaan uit deze categorie, ligt er voor de betaalbare koopwoningen nog een grote woningbouwopgave.
Voorliggend plan levert op kleine schaal een bijdrage aan deze woningbouwopgave op een binnenstedelijke locatie. Al met al wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Liemerse woonagenda.
3.3.3
Regionale Woningmarktmonitor Arnhem-Nijmegen 2020
3.3.3.1 Woningbehoefte Adviesbureau Companen houdt een woningbouwmonitor bij waarin de reeds gerealiseerde woningbouwprojecten en geplande woningbouw vergeleken kunnen worden met de huidige woningbehoefte per gemeente. In de gemeente Zevenaar staat op het moment van schrijven de woningbehoefte tot 2030 op 1.750 woningen. Van de 1.750 woningen bestaan voor 1244 woningen harde plannen (plannen die uitgevoerd gaan worden), of zijn reeds in de realisatiefase. Wanneer de zachte plannen hierbij opgeteld worden komt het totaal op 1982 geplande woningen tegenover een woningbehoefte van 1.750 woningen tot 2030. Dit wordt geïllustreerd in afbeelding 3.5. Omdat van de zachte plannen het doorgaans niet zeker is of de plannen tot uitvoering worden gebracht is het wenselijk om meer zachte plannen in behandeling te nemen dan gevraagd wordt vanuit de woningbouwbehoefte. 3.3.3.2 Realisatie versus woningbehoefte 2022 - 2030 In de monitor is uiteengezet dat voor koopappartementen een woningbehoefte wordt verwacht van 805 woningen tot 2030, waarvan er 41 zijn gerealiseerd in 2022.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 3.5 Uitsnede van de geplande woningbouw en de woningbouwbehoefte uit de woningmarktmonitor in de gemeente Zevenaar (Bron: groenemetropoolregio.nl, geraadpleegd: juli 2023, bewerkt)
3.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de behoefte aan de woningen volgens de Regionale woningmarktmonitor De woningbouwmonitor van Companen illustreert het verschil in de woningbehoefte en het aantal woningen waarvan de bouw uitgevoerd zal worden (realisatie en harde planning) en waarvan de bouw nog niet vaststaat (zachte planning). Wanneer zowel de gerealiseerde woningen, de harde- en de zachte planning bij elkaar op worden geteld wordt aan de woningbehoefte van de gemeente Zevenaar voldaan. Echter, van de zachte plancapaciteit worden niet alle plannen tot uitvoering gebracht. Tussen de gerealiseerde woningen en harde plannen bestaat een verschil van 506 woningen. Onderhavig plan voegt 12 woningen toe aan de zachte plancapaciteit van de woningbouwopgave en draagt bij aan het verkleinen van het verschil van 506 woningen dat gebouwd dient te worden voor 2030. Daarnaast levert het plan een bijdrage aan de behoefte aan 805 koopappartementen. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat in de Woondeal 2.0 regio Arnhem-Nijmegen de woningbouwopgave voor de gemeente Zevenaar naar boven is bijgesteld, naar 1950 woningen in 2030. Deze aanpassing is nog niet opgenomen in de woningmarktmonitor. Het overschot dat ontstaat met de zachte plannen is met deze bijstelling aanzienlijk kleiner. Het toevoegen van meer harde plannen is hiermee wenselijk. 3.3.4
Conclusie toetsing aan het regionaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten van het regionaal beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Gelders Eiland 2030
3.4.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie Gelders Eiland 2030 is op 25 april 2017 vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Rijnwaarden (nu opgegaan in gemeente Zevenaar). De omgevingsvisie is een integrale visie waarin de gemeente strategische keuzes maakt. De hoofdthema’s uit de omgevingsvisie zijn: duurzaam, leefbaar, mooi en toeristisch. De visie geeft geen eindbeeld maar een omschrijving van de kernwaarden en kansen voor het gebied. Initiatieven worden getoetst of ze passen binnen de kernwaarden, of deze versterken. Enkele relevante hoofddoelen die relevant zijn voor voorliggende ontwikkeling worden hierna per thema zijn beschreven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing De visie voor 2030 Levendigheid vind je in de dorpen, op de dijken en rond de recreatieplassen. Het behoud van leefbaarheid is de grootste prioriteit. De leefbaarheid wordt bepaald door de (fiets)bereikbaarheid van voorzieningen en de gemeenschapszin. Maar ook in de creativiteit van het zelfvoorzienend zijn. Iets dat past bij een eiland. Bouwen voor de eigen behoefte, op plekken en manieren met maatschappelijke meerwaarde, en ook voorzien in de eigen (duurzame) energiebehoefte horen daar bij. Ruimtelijke kwaliteit is belangrijk op plekken waar veel bezoekers komen. Op andere plekken mag het ook gewoon functioneel zijn. Zo moeten de boeren in de primaire landbouwgebieden hun werk optimaal kunnen uitvoeren, zonder onnodige hinder van recreanten of natuurontwikkeling. Een duurzaam Gelders Eiland Gesteld wordt dat de gemeente achter loopt op het gebied van duurzaamheid en deze achterstand snel wil inhalen. Er wordt bijvoorbeeld gestuurd op particuliere initiatieven op het gebied van klimaatadaptatie zoals minder verhardingen, maar meer groen op particulier terrein. Een leefbaar Gelders Eiland Inwoners van het Gelders Eiland maken zich zorgen over de leefbaarheid van hun dorpen. Het wegtrekken van mensen brengt leegstand en een onvermijdelijke vermindering van het voorzieningenaanbod met zich mee.
Dat betekent een toenemende druk op de leefomgeving en een uitdaging om het Gelders Eiland aantrekkelijk, vitaal en levendig te houden. Voor de dorpen, maar ook voor het buitengebied. De kracht van het Gelders Eiland ligt in de saamhorigheid en de sociale cohesie in de dorpen. Actieve dorpsraden, verenigingen en lokale ondernemers zijn de belangrijkste motoren van een vitaal Gelders Eiland. In het buitengebied vormt de landbouwsector een belangrijke economische drager. Ook in die sector zijn grote veranderingen gaande. Door een goede positionering en inzet van dorpsraden, verenigingen en ondernemers is het mogelijk om samen de levendigheid in stand te houden of zelfs te vergroten. Dit vergt van de gemeente dat zij open staat voor maatschappelijke initiatief. Duidelijke en heldere communicatie is hierbij van groot belang. Initiatiefnemers krijgen de kans om het Gelders Eiland mooier te maken dan ze al is. De samenleving is hierin leidend. Door marketing zetten samenleving en gemeente het aantrekkelijke wonen en recreëren verder op de kaart. Bereikbaarheid is voor leefbaarheid van het groots belang, zowel per fiets, auto, openbaar vervoer als digitaal. Vanuit Nederland en Duitsland zijn goede verbindingen naar de steden in de regio, zoals Nijmegen, Arnhem en Emmerich. Dit is voor zowel toerisme als voorzieningen belangrijk.
Een mooi Gelders Eiland Het Gelders Eiland is een mooi gevarieerd gebied met een lange geschiedenis. Onderhoud en ontwikkeling van de ruimtelijke omgeving staan in het teken van het versterken en tonen van deze kwaliteiten. De realiteit is echter dat door economische en demografische ontwikkelingen steeds meer plekken leeg (komen) te staan. Dit zet de ruimtelijke kwaliteit van de dorpen en het landschap onder druk. Het resterende programma op het vlak van wonen, bedrijvigheid, recreatie en toerisme, moet worden ingezet op locaties waar dit bijdraagt aan een duurzaam, leefbaar of mooi Gelders Eiland. Afbeelding 3.6 weergeeft een uitsnede van de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing
Afbeelding 3.6
Uitsnede Omgevingsvisie Gelders Eiland 2030, projectgebied is rood omlijnd (Bron: gemeente Zevenaar)
3.4.1.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Gelders Eiland 2030’ In voorliggende geval worden 12 betaalbare koopwoningen gerealiseerd op een inbreidingslocatie op de rand tussen de kernen Tolkamer en Lobith. De woningen worden verkocht in het betaalbare segment en zijn bedoeld om met name jongeren en starters op de woningmarkt binnen de gemeente en/of regio. Met het creëren van huisvesting voor deze doelgroep wordt een bijdrage geleverd aan de leefbaarheid van Tolkamer en Lobith. Jongeren hoeven niet buiten de gemeente te zoeken naar leefruimte en zullen een bijdrage leveren aan het in stand houden van de voorzieningen, verenigingen en ondernemers in de gemeenschap. Het toevoegen van woonruimten specifiek voor deze doelgroep komt ten goede aan de sociale cohesie binnen de gemeenschap. Het projectgebied wordt na de realisatie van het appartementencomplex parkachtig ingericht. Het projectgebied zal wanneer de ontwikkeling voltooid is, meer bomen bevatten dan voorheen aanwezig waren. Op het dak van het complex worden zonnepanelen gelegd. In de omgevingsvisie is het projectgebied aangeduid als een plek waar de ruimtelijke kwaliteit belangrijk is (zie afbeelding 3.4). Voor onderhavig plan is daarom een erfinrichtingsplan opgesteld waarin de extra inspanning die is verricht om het plan in te passen in de omgeving is toegelicht.
Dit onderdeel is reeds behandeld in paragraaf 2.3.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing Doordat de woningen worden gerealiseerd voor een doelgroep waarbinnen een grote vraag naar woningen bestaat binnen de gemeente en de regio, wordt geen leegstand verwacht. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat het verhuizen van starters op de woningmarkt naar de nieuwe appartementen leegstand tot gevolg zal hebben voor andere woningen binnen de gemeente Zevenaar. De concrete vraag naar het type woningen is reeds onderbouwd bij het onderdeel Ladder voor duurzame verstedelijking onder 3.1.2 en bij het regionaal beleid, onder de paragrafen 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.3. Geconcludeerd wordt dat het initiatief aansluit bij de uitgangspunten uit de Omgevingsvisie Gelders Eiland 2030. In de volgende paragraaf wordt nader op het gemeentelijk woonbeleid ingegaan. 3.4.2
Woonvisie Gelders Eiland 2018
3.4.2.1 Algemeen Het Gelders Eiland is een prettig gebied om te wonen binnen de gemeente Zevenaar. Dit moet ook in de toekomst zo blijven. Voor de huidige bewoners en nieuwe bewoners. De gemeente kijkt kritisch naar de vraag naar nieuwe woningen, de kwaliteit van de bestaande woningen en naar doelgroepen, die het op de woningmarkt lastig hebben. De woonvisie is in werking vanaf 23 juni 2018 en vormt een nadere invulling van het aspect wonen zoals het is omschreven in de Omgevingsvisie Gelders Eiland 2030. De woonvisie bestaat uit een visiedeel en een uitvoeringsprogramma. Hierna wordt ingegaan op de relevante onderdelen uit de woonvisie voor onderhavige ontwikkeling. 3.4.2.2 Visie op woningbouw De woonvisie is gebaseerd op een dalende woningbouwbehoefte in de gemeente. In de visie wordt nieuwe woningbouw gezien als een middel om leegstand en verpaupering tegen te gaan. Beperkte ruimte wordt geboden om woningen toe te voegen. Als gevolg hiervan ondersteunt de visie enkel projecten die aansluiten aan de vraag naar het type woningen volgens de regionale afspraken. Enkele uitgangspunten die de woonvisie voor nieuwbouwwoningen aanhoud zijn: -
-
Inbreiden voor uitbreiden; de schaarse ruimte moet duurzaam gebruikt worden en aansluiten bij de woningvraag. Inzetten op maatwerk; de gemeente geeft de voorkeur aan maatwerkprojecten die optimaal bijdragen aan de woningvraag en leefbaarheid in de specifieke kern. Op basis van aard, schaal en de specifieke woningbehoefte wordt samen met bewoners en specialisten welke aanvullingen gewenst zijn. De gemeente hanteert een flexibele woningbouwprogrammering waarin ruimte wordt geboden voor kansrijke en passende woningbouw. De gemeente heeft hierin maximale termijnen opgenomen waarbinnen een plan tot realisatie moet komen. Binnen twee jaar na de principe-uitspraak voor planologische medewerking moet het initiatief zijn vastgesteld in een bestemmingsplan of omgevingsvergunning voor de bouw. Daarna moet binnen twee jaar met de bouw gestart zijn. Wanneer dit niet haalbaar blijkt houd de gemeente de ruimte om afscheid te nemen.
3.4.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Gelders Eiland 2018 In de woonvisie wordt aangegeven dat nieuwbouwprojecten enkel mogelijk zijn wanneer aansluiting wordt gevonden bij de vraag vanuit de doelgroep en de vraag naar het type woning. Daarnaast heeft inbreiden de voorkeur voor uitbreiden. Uit de toetsing aan de meest recente woningbouwopgave in de woonvisie en de regionale woningdeal (paragraaf 3.3.1) is gebleken dat in de jaren na 2018 de woningmarkt veranderd is. Momenteel bestaat er een grote vraag naar woningen voor starters en jongeren en is de bevolkingsprognose tot en met 2040 omgeslagen van een verwachte daling in een verwachte stijging. Naar appartementen binnen het betaalbare segment bestaat meer vraag dan het aantal appartementen uit dit segment dat is opgenomen in de bouwplanning in de regionale woningmarktmonitor. Het initiatief sluit hiermee aan bij de woningvisie in de zin dat gebouwd wordt
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing voor een bestaande vraag. Hiernaast hebben in de planvoorbereiding al enkele woningzoekenden zich aangemeld als geïnteresseerde kopers. De woningen in onderhavig plan worden gebouwd voor starters en jongeren in de gemeente Zevenaar en de omliggende regio. Zo wordt geprobeerd jongeren in de regio te houden en wordt een bijdrage geleverd aan de leefbaarheid van de kleine kernen zoals Tolkamer en Lobith. Daarnaast is reeds onderbouwd dat met onderhavig plan gebruik wordt gemaakt van een inbreidingslocatie. Gesteld wordt dat met onderhavig plan wordt aangesloten bij de vraag naar het type woning binnen de doelgroep en dat de ontwikkeling aansluit bij de voorkeur voor inbreiding uit de gemeentelijke omgevingsvisie. De toetsing van het plan aan de hand van de woningbouwprogrammering volgt in de volgende paragraaf. 3.4.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Artikel 5.20 van het Bor verklaart voor de inhoud van een besluit als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo, artikel 3.1.6 van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, besluit milieueffectrapportage en water. Voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing zijn enkele milieukundige onderzoeken uitgevoerd. Dit zijn de onderzoeken naar wegverkeerslawaai, een verkennend bodemonderzoek, een quickscan natuurwaarden en een stikstofberekening. Deze onderzoeken zijn toegevoegd aan de bijlagen van deze ruimtelijke onderbouwing.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. 4.1.2
Situatie projectgebied
Met het realiseren van het appartementencomplex worden 12 nieuwe geluidsgevoelige objecten gerealiseerd. 4.1.2.1 Wegverkeerslawaai Op grond van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij de realisatie van een nieuw geluidsgevoelig object een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Aantal rijstroken
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken 3 of 4 rijstroken
200 m 350 m
250 m 400 m
5 of meer rijstroken
350 m
600 m
Eventuele parkeerstroken, voet- of fietspaden en vluchtstroken worden niet tot de weg gerekend en vallen binnen de zone. De geluidszone langs een weg omvat het gebied waarbinnen extra aandacht moet worden geschonken aan het geluid afkomstig van de betrokken weg. De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2);
•
wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
In het kader van een goede ruimtelijke ordening kunnen 30 km/uur wegen ook worden meegenomen, ondanks het ontbreken van een wettelijke geluidszone. De overige 30 km/uur wegen in de nabijheid hebben geen intensiteiten of een zeer lage intensiteit waardoor er geen relevante geluidbelasting te verwachten is afkomstig van deze wegen. Het effect van geluidsweerkaatsing door tunnels kan eveneens effect hebben op de geluidsbelasting van woningen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing Het projectgebied is in de zin van de Wgh aan te merken als ‘stedelijk gebied’ omdat het projectgebied gelegen is naast een woonwijk, naast een bedrijfsbestemming en naast een doorgaande weg. Door BJZ.nu is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige rapport is opgenomen als Bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van de Batavenweg bedraagt, inclusief 5 dB reductie, hoogstens 53 dB. Met deze waarden wordt er niet voldaan aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh, maar wel aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. In de berekening maakt het geluidweerkaatsende effect van de naastgelegen tunnel onderdeel van het berekende geluidsbelasting. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van de Graaf Ottoweg, de Zwarteweg en de Boterdijk bedraagt, inclusief 5 dB reductie, respectievelijk hoogstens 31 dB, 37 dB en 44 dB. Met deze waarden wordt er voldaan aan de voorkeurgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Bron- en overdrachtsmaatregelen blijken niet doelmatig. Met het nemen van gevelmaatregelen van hoogstens 25 dB wordt het binnenniveau gewaarborgd van 33 dB en kan er een hogere waarde verleend worden van hoogstens 53 dB voor de Batavenweg.
Om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk geluidbeleid dient de buitenruimte aan de achterzijde van het complex gerealiseerd te worden of gedeeltelijk dichtgezet te worden indien deze aan de voorzijde van het gebouw gerealiseerd wordt. Ten tijde van de technische bouwaanvraag zal middels een bouwakoestisch onderzoek moeten worden aangetoond dat het binnenniveau van 33 dB kan worden gewaarborgd. Door moderne bouwmaterialen te gebruiken en door moderne isolatiematerialen toe te passen is een geluidsreductie van 25 dB realistisch. Een geluidreducerende wand of scherm is gezien de hoogte van het gebouw en stedenbouwkundige bezwaren niet wenselijk. Hiermee kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de te realiseren wooneenheden sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met het verlenen van een hogere grenswaarde en het nemen van gevelmaatregelen ter plaatse van de te realiseren wooneenheden is sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van wegverkeerslawaai. 4.1.2.2 Spoorwegen en industrielawaai Spoorlijnen bevinden zich op dusdanig grote afstand dat een nadere beschouwing van railverkeerlawaai achterwege kan blijven. Daarnaast ligt het projectgebied niet binnen of nabij een geluidszone van een gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wet geluidhinder.
Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woningen wordt verwezen naar paragraaf 4.5 milieuzonering. 4.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. Wel is een hogere waarde benodigd ten aanzien van wegverkeerslawaai van de Batavenweg.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.2.2
Situatie projectgebied
In voorliggend geval is in opdracht van BJZ.NU door Sigma Bouw & Milieu Groep een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740+A1 en NEN 5725 uitgevoerd ter plaatse van het projectgebied. Hierna
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing wordt kort op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 3 van deze onderbouwing. Onderzoeksresultaten Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt gesteld dat de chemische waarden van de bodem en het grondwater binnen de gestelde tussenwaarden liggen. Een nader onderzoek naar de bodemgesteldheid wordt hiermee niet noodzakelijk geacht. De gronden van het projectgebied zijn hiermee van voldoende kwaliteit om de woonfunctie te ondersteunen. 4.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoering van voorliggende ontwikkeling.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2
Situatie projectgebied
Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Daarnaast wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het 'Besluit gevoelige bestemmingen', zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.2. Tot slot wordt opgemerkt dat de functie in het projectgebied niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor voorliggend initiatief.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico’s in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico’s dienen te worden beoordeeld aan de norm voor het plaatsgebonden risico en de (oriënterende) waarde van het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de grote van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans dat deze groep komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de veiligheidsregio.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing 4.4.2
Situatie in en bij het projectgebied
Het ruimtelijk plan voorziet in de realisatie van een appartementengebouw met 12 appartementen. Op basis van de landelijke risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het projectgebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In Afbeelding 4.1 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart. Het risico op dijkdoorbraak wordt behandeld onder het onderdeel ‘Water’.
Afbeelding 4.1
Uitsnede Risicokaart, het projectgebied is zwart omcirkeld (Bron: risicokaart.nl, geraadpleegd 8 februari 2024)
De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op. Op circa 170 meter ligt een LPG-tank van het LPG-tankstation, maar het invloedsgebied bedraagt 150 meter. Het projectgebied ligt niet binnen het invloedsgebied van deze tank. Het projectgebied ligt op ca. 835 meter ten noorden van de Rijn en op ca. 3.500 meter ten oosten van de Betuweroute. Over deze beide transportroutes worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Op basis van de regeling basisnet en de risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10 -6 van deze beide risicobronnen niet over het projectgebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico is het plan gelegen in het invloedsgebied van de Rijn en de Betuweroute. Daarmee hebben wijzigingen in het invloedsgebied mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico van deze risicobronnen. Doordat de afstand tussen het projectgebied en de risicobronnen groter dan 200 meter is, heeft de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel nog de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing Verantwoording groepsrisico Het plan is gelegen in het invloedsgebied groepsrisico van een externe veiligheidsrisicobron. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn en de Betuweroute. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Bij het invullen van de verantwoordingsplicht is gebruik gemaakt van het advies van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) van 18 maart 2024 (kenmerk: Z2024-00000992). Onderstaand een beschouwing van deze aspecten. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De VGGM is hiervoor om advies gevraagd. Uit het advies is naar voren gekomen dat de VGGM geen aanleiding ziet om aanvullend te adviseren ten aanzien van bestrijdbaarheid.
De mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Met de term “zelfredzaamheid” wordt bedoeld: Het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij (een dreiging van) een gevaarlijke situatie. Bij het bepalen van de mate van zelfredzaamheid spelen onder andere de fysieke gesteldheid en zelfstandigheid van de aanwezigen, de alarmeringsmogelijkheden en vluchtmogelijkheden een rol. Het advies van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) geeft het volgende aan: •
•
•
•
Gelet op de afstand tot de genoemde risicobronnen zijn de scenario’s explosie en toxische wolk het meest relevant. De kans op het voordoen van een incident is klein maar kan niet worden uitgesloten. De nieuw te bouwen appartementen leidt tot een minimale toename van het aantal aanwezigen. Het ligt in de verwachting dat de aanwezige personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen. Het plan ligt binnen de effectafstand van het scenario toxische wolk. Het handelingsperspectief bij een toxische wolk is binnenshuis schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren en het uitschakelen van het ventilatie- c.q. luchtbehandelingsinstallatie. Het plan ligt binnen de effectafstand van het scenario explosie. Voor personen buiten is vluchten het handelingsperspectief; Voor personen binnen dichtbij de bron is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten en voor personen binnen is het handelingsperspectief binnenblijven. De VGGM adviseert toekomstige bewoners te infomeren over de aanwezige risico’s in hun leefomgeving met bijbehorend handelingsperspectief en technische maatregelen zoals afschakelbare ventilatie om veilige schuilmogelijkheden te creëren.
Ten aanzien van de risicocommunicatie is er NL-alert. Hiermee zijn mensen binnen een bepaald gebied gericht te informeren door het sturen van een bericht naar mobiele telefoons. Verder is het plan via de Boterdijk te ontvluchten van de risicobronnen af. Daarnaast is het te verwachten handelingsperspectief voor een toxische wolk binnenshuis schuilen. De gemeente acht het dan ook niet noodzakelijk om verdere maatregelen te treffen om de zelfredzaamheid te verbeteren. Daarnaast zijn de geadviseerde maatregelen van de VGGM niet ruimtelijk relevant. Conclusie Het plan ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroutes met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van de twee risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het projectgebied in het invloedsgebied van de Rijn en de Betuweroute. Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie hierboven) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief niet tot een toename van het groepsrisico leidt en geen significant effect heeft op de mogelijkheden BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het initiatief in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of milieubelastende functies op een passende afstand van milieugevoelige functies (zoals woningen) worden gesitueerd. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen gebied waar maast woonfuncties ook maatschappelijke functies, een bedrijfsfunctie en een ontsluitingsweg voorkomen. Er is sprake is van een beperkte functiemenging. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
4.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ is geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van verdere vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 4.5.3.3 Interne werking Bij het onderbouwen van de interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Het volgende kan worden opgemerkt betreffende het benzinestation naast het projectgebied: Functie
milieucategorie
Richtafstand rustige woonwijk
Daadwerkelijke afstand
Zwarteweg 1
3.1
50 m
Circa 33 m
Clubhuis waterscouting Rijnwaarden
2
30 m
Circa 38 m
Loonbedrijf (b.o. > 500 m2)
3.1
50 m
Circa 140 m
(Benzinestation met LPG < dan 1000 m3/jr)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing Benzinestation Zwarteweg 1, Tolkamer Ten opzichte van het benzinestation wordt in voorliggend geval voldaan aan de richtafstanden voor geur en geluid (30 m). Aan de richtafstand voor veiligheid (50 m) wordt niet voldaan. Ondanks dat het projectgebied in gemengd gebied is gelegen kunnen bij het aspect veiligheid uit de VNG-uitgave de richtafstanden niet met een stap worden verkleind. De woningen bevinden zich op circa 33 meter afstand van de bedrijfsbestemming van het tankstation. Binnen de bedrijfsbestemming is de functieaanduiding ‘verkooppunt motorbrandstoffen lpg’ aanwezig. Deze aanduiding is aanwezig op bijna de gehele bedrijfsbestemming en is groter dan enkel het bouwvlak. In theorie is het mogelijk om binnen de aanduiding, buiten het bouwvlak, een lpg tankzuil te plaatsen. Echter, dit is niet aannemelijk en daarom wordt in voorliggend geval de afstand tot het bouwvlak genomen als bepalingsgrens voor de richtafstand. Met 45 meter afstand tot het bouwvlak van de bedrijfsbestemming wordt niet voldaan aan de richtafstand op het onderdeel veiligheid. Echter, gezien het gegeven dat het tanken plaatsvindt aan de tankzuil en een woning gesitueerd is tussen de tankzuilen en het projectgebied kan gemotiveerd worden afgeweken van de richtafstand van 50 meter.
De daadwerkelijke afstand van de risicovolle activiteit van het tanken tot de woningen in het projectgebied bedraagt hiermee een ruime 65 meter. Het is daarnaast niet aannemelijk dat buiten het bouwvlak, binnen de functieaanduiding ‘verkooppunt motorbrandstoffen lpg’ een nieuwe tankzuil wordt gerealiseerd gezien een woning met tuinen gesitueerd is binnen deze zone. Deze situatie is weergegeven in afbeelding 4.2. Hiermee kan worden onderbouwd dat de nieuwe functie van het wonen geen hinder zal ondervinden van eventuele calamiteiten aan de tankzuil. De nieuwe functie ondervindt hiermee geen hinder van de bestaande functie van het benzinestation. Wat betreft het mogelijke brand- en explosiegevaar als gevolg van een calamiteit bij het tankstation wordt verwezen naar paragraaf 4.4 (externe veiligheid).
Afbeelding 4.2 (Bron: PDOK)
Weergave van de richtafstand voor veiligheid, gemeten vanaf het bouwvlak van de naastgelegen bedrijfsbestemming
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing Waterscouting Rijnwaarden, Tragelweg 1, Lobith De activiteiten van de waterscouting Rijnwaarden komen het meest overeen met de beschrijving van ‘buurten clubhuizen’ uit de richtafstandenlijst van de VNG. De grootste, en enige, richtafstand die hier genoemd wordt is de afstand voor geluid met 30 m. Aan de richtafstand wordt voldaan, het projectgebied ligt op een afstand van circa 38 m van de maatschappelijke bestemming.
Loonbedrijf, Boterdijk 22, Lobith De activiteiten van het loonbedrijf komen het meest overeen met de beschrijving van ‘loonbedrijven b.o. > 500 m2’ uit de richtafstandenlijst van de VNG. De grootste, richtafstand die hier genoemd wordt is de afstand voor geluid van 50 m. De afstanden voor geur, stof en gevaar bedragen respectievelijk 30 en 10 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan, het projectgebied ligt op een afstand van circa 140 m van de bedrijfsbestemming. Geconcludeerd wordt dat omliggende milieubelastende functies geen belemmering vormen voor de realisatie van woningen op deze locatie, er is vanuit milieuzonering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Andersom wordt geconcludeerd dat omliggende functies niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering door het initiatief. 4.5.4
Conclusie
Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.6
Geur
4.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. Op grond van het bepaalde in artikel 1 van de Wgv is een geurgevoelig object als volgt gedefinieerd: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing 4.6.2
Situatie projectgebied
In de wijde omgeving van het projectgebied zijn geen agrarisch bedrijf gevestigd waar vee wordt gehouden. Daarnaast zijn de agrarische gronden rond Tolkamer bestemd met de enkelbestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’. Binnen deze bestemming is het enkel mogelijk een grondgebonden veehouderij te houden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – grondgebonden veehouderij’. Omliggende agrarische bedrijven bestaan met name uit fruitteeltbedrijven. Hierdoor wordt op voorhand geconcludeerd dat de Wgv geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.
4.7
Ecologie
4.7.1
Inleiding
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het projectgebied bevindt zich op circa 640 meter afstand van het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’. Om aan te tonen of het voornemen resulteert in significante negatieve effecten op Natura 2000gebieden, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het rapport behorende bij dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4.
Afbeelding 4.3
Afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Bron: Natura2000.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing Het projectgebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Van verstoringseffecten, zoals geluid, optische verstoring of licht is gezien de effectafstanden geen sprake. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen projectgebied en Natura 2000-gebied, wordt een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. BJZ.nu heeft via de AERIUS-calculator 2023 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase van het project. Uit de berekening is naar voren gekomen dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Het projectgebied grenst aan, maar ligt buiten gronden die tot het GNN behoren. Het projectgebied ligt daarmee buiten de begrenzing van het GNN. In afbeelding 4.4 wordt de ligging van het GNN en de Groene Ontwikkelingszone (GO) in de omgeving van het projectgebied weergegeven.
Afbeelding 4.4 Ligging projectgebied (rood) t.o.v. het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Gronden die tot GNN behoren, worden met de donkergroene kleur op de aar aangeduid en gronden die tot de Groene Ontwikkelingszone (GO) behoren, worden met de lichtgroene kleur aangeduid (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Kruuthuuske, Tolkamer Ruimtelijke onderbouwing De bescherming van het GNN kent geen externe werking. Omdat het projectgebied buiten het Gelders Natuurnetwerk en de groene ontwikkelzone ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan het provinciaal beleid op deze onderwerpen. Het plan is hiermee uitvoerbaar op het aspect gebiedsbescherming. 4.7.3