Bijlage 1. 1267346 - Eindrapport Rekenkameronderzoek Jeugdwet en Wmo
Tekst van het document
Eindrapport Rekenkameronderzoek Wmo en Jeugdwet Gemeente Zevenaar
Colofon Offertenummer: FC 457 Auteurs:
Sari van Aart Julian Edens Gerard Nieuwe Weme Artem Vardanyan
B&A B.V. Bezuidenhoutseweg 161 Postbus 829 2501 CV Den Haag 070 – 3029500 info@bagroep.nl www.bagroep.nl Den Haag, augustus 2025
© Copyright B&A B.V. 2025. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Op alle opdrachten en werkzaamheden zijn de Algemene voorwaarden van B&A B.V. van toepassing, gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel Haaglanden onder dossiernummer: KvK Haaglanden 27177844. De Algemene voorwaarden treft u als bijlage aan en kunt u tevens inzien op onze website, www.bagroep.nl. B&A is gevestigd in Den Haag, Amsterdam en Rotterdam.
Inhoudsopgave 1. Samenvatting 1.1 Inleiding 1.2 Conclusies 1.3 Aanbevelingen 1.4 Bestuurlijke reactie 2. Inleiding 2.1 Aanleiding 2.2 Centrale onderzoeksvraag 2.3 Onderzoeksverantwoording 3. Bevindingen leefwereld 3.1 Inleiding 3.2 Bevindingen bereikbaarheid en toegankelijkheid voorzieningen 3.3 Bevindingen toegangsroutes 3.4 Bevindingen gebruik en resultaat van de routes 3.5 Bevindingen ervaren kwaliteit en effecten 3.6 Toetsing normenkader 4. Bevindingen uitvoeringswereld 4.1 Inleiding 4.2 Bevindingen inrichting uitvoering 4.3 Bevindingen invulling preventieve rol 4.4 Bevindingen versterking preventie nodig voor groeiende vraag 4.5 Bevindingen doeltreffendheid hulp 4.6 Bevindingen beschikbare gegevens 4.7 Toetsing normenkader 5. Bevindingen beleidswereld 5.1 Inleiding 5.2 Bevindingen nastreving doelen 5.3 Bevindingen sturing op vroegsignalering en preventie 5.4 Bevindingen financiële verantwoording 5.5 Bevindingen beschikbare gegevens gemeenteraad voor sturing 5.6 Bevindingen informatievoorziening gemeenteraad 5.7 Bevindingen monitoring en sturing gemeenteraad 5.8 Toetsing normenkader Bijlage 1: geraadpleegde bronnen Bijlage 2: deelvragen Bijlage 3: analyseschema’s inwoners Bijlage 4: normenkader
3
5 5 5 6 7 13 13 13 13 16 16 16 19 20 22 25 28 28 28 31 33 35 37 39 42 42 42 46 47 53 54 55 55 58 60 61 63
1 Samenvatting
4
Inhoudsopgave
1.
Samenvatting
1.1 Inleiding De Rekenkamer van de gemeente Zevenaar heeft onderzoek laten uitvoeren naar de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet binnen de gemeente. Daarbij is specifiek gekeken naar de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de hulp, de informatievoorziening, de beleidsmatige sturing en de mate waarin de gemeenteraad in staat is zijn kaderstellende en controlerende rol effectief te vervullen. Het onderzoek richtte zich op drie perspectieven: de leefwereld van inwoners, de uitvoeringspraktijk van professionals en ketenpartners en het beleidsmatig kader. Binnen deze perspectieven is onder andere onderzocht hoe inwoners de toegang naar hulp ervaren, welke routes naar hulp aanwezig zijn, hoe de uitvoering is georganiseerd en in hoeverre beleidsdoelen en sturingsinformatie aansluiten op de praktijk. De onderzoeksaanpak bestond uit een documentanalyse, interviews met inwoners die gebruikmaken van Wmo- of jeugdhulp, gesprekken met uitvoerende professionals en beleidsmedewerk ers en een werksessie met raadsleden. Bevindingen uit eerdere onderzoeksfases zijn steeds meegenomen in volgende fasen en hierop is gereflecteerd zodat een beeld ontstond van beleid, uitvoering en ervaring in de praktijk.
Het onderzoek heeft geleid tot een overzicht van de huidige situatie, inclusief knelpunten en aandachtspunten in bereikbaarheid, toegankelijkheid, samenwerking, informatievoorziening en sturing. Deze bevindingen vormen de basis voor de conclusies en aanbevelingen die in het rapport zijn opgenomen. 1.2 Conclusies 1. De toegankelijkheid van hulp in zowel Wmo als Jeugdzorg wordt door inwoners ervaren als beperkt, op meerdere vlakken. a. ‘Afstand’ – toegankelijkheid in ruimte en tijd: grote afstand en lastig vervoer, vooral vanuit de dorpen, lange wachttijden, verschillende loketten. b. ‘Gedoe’ – veel zelf moeten regelen en uitzoeken: onduidelijkheid of onbekendheid waar men terecht kan, bureaucratie, wisselende consulenten en contactpersonen. c. ‘Frustratie’ - men voelt zich niet gehoord: vaak opnieuw het verhaal moeten doen, gevoel van inconsistentie, geen opvolging van belafspraken. 2. Deze als beperkt ervaren toegankelijkheid veroorzaakt bij inwoners gevoelens van stress, onzekerheid, onbegrip en wantrouwen. Sommigen haken af. 3. De als beperkt ervaren toegankelijkheid, gecombineerd met gebrekkige signalering en samenwerking tussen ketenpartners, kan escalatie van klachten in de hand werken . Daardoor is uiteindelijk zwaardere en duurdere hulp nodig. 4. Als de hulp eenmaal ontvangen wordt, wordt die over het algemeen ervaren als goed en helpend. 5.
De inzet op preventie en vroegtijdige signalering wordt nu nog als te beperkt en versnipperd ervaren 1. 6. De samenwerking tussen ketenpartners en de gemeente is te beperkt en te weinig gestructureerd vormgegeven. Er is bijvoorbeeld geen structurele leer-en-verbeter cyclus. 1
Op dit vlak worden door de gemeente momenteel al veranderingen doorgevoerd, met als doel dat hulp eerder en lichter kan worden verleend. Het effect daarvan is nog niet zichtbaar.
5
7. Door de gemeente in samenwerking met ketenpartners wordt nauwelijks op structurele wijze informatie vastgelegd over de uitkomst en effectiviteit van hulpvragen. Consulenten kunnen bijvoorbeeld niet terugkijken op eerdere ondersteuning. 8. Het gemeentelijke beleid stuurt vooral op doelmatigheid, zoals kosten, bereik en volume van voorzieningen. Dit is echter onvoldoende SMART2 geformuleerd waardoor evaluatie, monitoring en sturing door de gemeenteraad worden bemoeilijkt. 9. Door het grotendeels ontbreken van gezamenlijke gegevens over, en inzichten in, de doeltreffendheid van het beleid3 ontbreekt het de raad aan mogelijkheden voor sturing. Daaraan is wel nadrukkelijk behoefte. 10. De gemeenteraad ontvangt veel gegevens en informatie maar mist duiding, inzicht en vooruitkijkende scenario’s. Daarmee zou de gemeenteraad beter willen kunnen sturen op effect en kwaliteit van beleid en uitvoering. 1.3 Aanbevelingen De Rekenkamer stelt de raad voor te besluiten het college op te dragen . a) De wachtlijsten aan te pakken door middel van een eenmalige inhaalslag. Dit zal de druk op de organisatie verlichten en de kwaliteit van de toegang in het algemeen - en de kwaliteit van het contact met de inwoners in het bijzonder - verbeteren. b) De huidige bureaucratische werkwijzen te verbeteren en te vereenvoudigen.
c) Te heroverwegen of de huidige centrale aanpak van Jeugdwet en Wmo in de gemeente Zevenaar qua organisatiestructuur past bij de gestelde beleidsdoelen. d) De samenwerking tussen gemeentelijke organisatie en ketenpartners te versterken door gezamenlijk structurele overleg-, uitwissel-, en leer-en-verbeter-processen in te richten. e) In de eigen gemeentelijke organisatie en samen met ketenpartners te streven naar een beter evenwicht tussen enerzijds laagdrempeligheid en fijnmazigheid van de toegang en anderzijds een stevige, duidelijke, maar toch menselijke centrale organisatie. Nu ervar en inwoners enerzijds hoge drempels en versnippering, en anderzijds onbereikbaarheid, onduidelijkheid en bureaucratie. f) In te zetten op een voorliggend veld dat niet alleen signalerend werkt, maar ook drempelverlagend op de toegang, en dat escalatie van problematiek kan voorkomen. g) Het vastleggen en deelbaar maken van ‘outcome’ informatie structureel te verankeren in de gemeentelijke organisatie en bij ketenpartners. De gemeente dient hierin de regie te nemen. Deze informatie kan college en gemeenteraad helpen om beter te sturen op doeltreffendheid van het beleid. De Rekenkamer stelt daarnaast de raad voor het volgende te besluiten . h) Als raad actief te sturen op het vaststellen van SMART geformuleerde beleidskaders.
i) Te vragen om informatie waarmee de doeltreffendheid van het beleid en de uitvoering beter te beoordelen zijn. j) Budget beschikbaar te stellen om het wegwerken van de wachtlijsten en wellicht andere organisatorische verbeteringen mogelijk te maken.
2 3
Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdsgebonden. Waaronder het effect op het functioneren en participatie in de samenleving.
6
1.4
7
Bestuurlijke reactie
8
9
10
11
2 Inleiding 12
2.
Inleiding
2.1 Aanleiding De rekenkamer Zevenaar heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de bereikbaarheid, toegankelijkheid, informatievoorziening en sturing in de Jeugdwet en de Wmo. Met dit onderzoek draagt de rekenkamer bij aan de kennis over het beleid, processen, en uitvoering/dienstverlening in het sociaal domein in de gemeente Zevenaar. Het sociaal domein omvat in financiële zin bijna de helft (in 2023: 76 miljoen euro) van de totale begroting (in 2023: 168 miljoen euro) van de gemeente Zevenaar. Het is daarmee verreweg de grootste uitgavenpost. Gezien de veelomvattendheid van dit onderwerp richt de rekenkamer het onderzoek specifiek op enerzijds de toegankelijkheid van de hulp horend bij de Jeugdwet en de Wmo, en anderzijds de informatievoorziening binnen deze onderdelen. Bij beide thema’s staat de vraag centraal in hoeverre de gemeenteraad van Zevenaar ‘in control’ is en of zij haar rol voldoende kan invullen. 2.2 Centrale onderzoeksvraag De rekenkamer beoogt met dit onderzoek het volgende doel te bereiken: inzicht verschaffen in de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van hoe in de gemeente Zevenaar de bereikbaarheid, toegankelijkheid, informatievoorziening, kaderstelling en sturing is georganiseerd en geborgd in het kader van de Jeugdwet en de Wmo.
Vanuit dit doel is de volgende centrale onderzoeksvraag geformuleerd: “Hoe bereikbaar, toegankelijk, doeltreffend en doelmatig is het jeugdhulp- en Wmo-beleid in de gemeente Zevenaar en in welke mate ontvangt de gemeenteraad voldoende informatie over deze beleidsvelden om zijn kaderstellende en controlerende rol effectief te kunnen vervullen?” Vanuit deze centrale onderzoeksvraag zijn de deelvragen gerangschikt naar de drie werelden: de leefwereld, de uitvoeringswereld en de beleidswereld. Deze zijn toegevoegd in de bijlage, evenals het bijbehorend normenkader. 2.3 Onderzoeksverantwoording Het onderzoek heeft bestaan uit de volgende stappen: Documentenstudie Op basis van een eerste documentenanalyse is een beeld gevormd van het beleid van de gemeente voor de Jeugdwet en de Wmo. Bestudeerde documenten bevatten onder andere data over gebruik en kosten van de Wmo en de Jeugdwet en relevante beleidsplannen op het gebied van de Wmo en de Jeugdwet, de programmabegroting, de jaarplannen en verantwoordingen . In de bijlage zijn alle geraadpleegde documenten weergegeven. Veldwerk inwoners Voor het onderzoek is in totaal met dertig inwoners gesproken. Hiervan maakten vijftien inwoners gebruik van de Wmo en vijftien inwoners van de Jeugdwet. Voor de Wmo en de Jeugdwet zijn ieder drie categorieën gemaakt. Per categorie is met vijf inwoners gesproken.
Voor de Wmo zijn de drie categorieën: huishoudelijke ondersteuning, hulpmiddelen en vrij toegankelijke groeps- en individuele hulp. Voor de Jeugdwet zijn de drie categorieën: vrij toegankelijke hulp, vrijwillige individuele hulp en
13
niet vrijwillige of gedwongen hulp. Vanuit het perspectief van de gesproken hulpontvangers (de leefwereld) kregen we onder meer inzicht in de laagdrempeligheid en toegankelijkheid van de geboden steun, variërend van hulp in natura tot een persoonsgebonden budget. In de interviews is ook gevraagd hoe de betreffende huishoudens de geboden ondersteuning ervaren, in welke mate deze aansluit bij hun behoeften en welk effect de ondersteuning heeft op hun situatie. Veldwerk onder uitvoerende medewerkers Interviews zijn afgenomen met consulenten van de gemeente en haar ketenpartners in de gemeente Zevenaar. Doel was om inzicht te krijgen in het aanvraagproces, hoe inwoners toegang vinden tot hulp en ondersteuning, welke inspanningen worden geleverd om het bereik te vergroten en welke factoren een rol spelen bij het (eventueel) niet-bereiken van bepaalde groepen. Daarnaast gaven uitvoerders aan wat goed gaat en wat verbeterd kan worden. Ook reflecteerden zij op de bevindingen uit de gesprekken met inwoners. Veldwerk onder beleidsmakers Beleidsmedewerkers, verantwoordelijk voor de Wmo en de Jeugdwet, zijn geïnterviewd, evenals de verantwoordelijke wethouder. In deze gesprekken kwam onder andere aan de orde wat de belangrijkste doelen van de gemeente zijn, hoe de gemeente stuurt op het behalen van deze doelen en welke factoren van invloed zijn op de behaalde resultaten.
Daarnaast gaven de geïnterviewde beleidsmakers aan wat goed gaat en wat beter kan. Ook reflecteerden zij op de uitkomsten van de gesprekken met zowel inwoners als uitvoerders. Werksessie met een vertegenwoordiging van de gemeenteraad De laatste fase in het onderzoek betrof een werksessie met een vertegenwoordiging van de raad. In deze werksessie zijn de voorlopige bevindingen uit de voorgaande stappen op hoofdlijnen toegelicht. De raadsleden is gevraagd hierop en op de invulling van hun kaderstellende en controlerende rol te reflecteren: wat gaat goed en wat kan beter? Zo is steeds in elke stap voortgeborduurd op de bevindingen uit voorgaande stappen. Rapportage De bevindingen zijn per perspectief (inwoner, uitvoerder en beleidsmaker) opgesteld. Dit heeft geleid tot een nota van bevindingen.
14
3 Bevindingen leefwereld 15
3.
Bevindingen leefwereld
3.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de bevindingen vanuit het perspectief van de inwoners weergegeven. Naar inwoners wordt steeds met ‘hij’ verwezen, maar dit betreft ook andere genders. In elk hoofdstuk zijn eerst in de grijze kaders de bevindingen per deelvraag op hoofdlijnen weergegeven, gevolgd door een onderbouwing van dat antwoord. Het hoofdstuk sluit af met een toetsing aan het normenkader. De snelle lezer kan volstaan met het lezen van de beantwoording op hoofdlijnen in de grijze kaders. In dit hoofdstuk zijn de volgende deelvragen behandeld: 1. Hoe bereikbaar (waaronder fysieke nabijheid) en toegankelijk zijn de voorzieningen van de Jeugdwet en de Wmo voor inwoners van de gemeente Zevenaar? 2. Wat zijn de verschillende routes waarlangs inwoners van de gemeente Zevenaar toegang hebben tot gemeentelijke voorzieningen op het gebied van de Jeugdwet en de Wmo? 3. Hoe is (kwantitatief) het gebruik en resultaat van deze routes, inclusief eventuele demografische en geografische verschillen (de verschillende kernen)? 4. Hoe ervaren inwoners zelf de routes tot hulp/zorg/steun, de kwaliteit van de geleverde diensten, en de effecten daarvan? In welke mate sluit het aanbod aan bij de vraag en bij de behoeften van inwoners? 3.2 Bevindingen bereikbaarheid en toegankelijkheid voorzieningen 1.
Hoe bereikbaar (waaronder fysieke nabijheid) en toegankelijk zijn de voorzieningen van de Jeugdwet en de Wmo voor inwoners van de gemeente Zevenaar? Bevindingen op hoofdlijnen: Wmo Bereikbaarheid en toegankelijkheid gemeente: • Alle vijftien gesproken inwoners vinden de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de gemeente niet goed. • Dit komt door de lange wachttijden, wisselende uitvoerenden, zich ongehoord voelen en de fysieke bereikbaarheid met het openbaar vervoer. Bereikbaarheid en toegankelijkheid hulporganisaties: • Elf van de vijftien gesproken inwoners vinden de hulporganisaties goed bereikbaar. • De vier andere gesproken inwoners geven aan dat er lange aanmeldtijden zijn en dat vervanging niet wordt geregeld, ze minder uren krijgen of wisselend personeel hebben bij ziekte/vakantie van de vaste hulpverlener. Jeugdwet Bereikbaarheid en toegankelijkheid gemeente: • Twaalf van de vijftien gesproken inwoners vinden de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de gemeente niet goed. • Dit komt doordat de inwoners telkens opnieuw hun verhaal moesten vertellen door de wisselende contactpersonen en er geen opvolging was van (bel)afspraken. Bereikbaarheid en toegankelijkheid hulporganisaties: • Dertien van de vijftien gesproken inwoners vinden de hulporganisaties goed bereikbaar en geven aan dat zij de ouders ontzorgen.
Echter vinden twee andere inwoners dat de buurthuizen meer en langer open moeten zijn.
16
Onderbouwing Perspectief inwoners Bereikbaarheid en toegankelijkheid Wmo: huishoudelijke ondersteuning De gemeente: vijf van de vijf gesproken inwoners vinden het contact met de gemeente niet goed. Een inwoner merkt op dat er geen vaste consulent meer is en dat hij telkens een ander gezicht met een andere kijk voor zich krijgt. Ook andere gesproken inwoners hebben negatieve ervaringen met het contact met de gemeente. Zij voelen zich niet gehoord doordat de gemeente hun uren wil afbouwen en er te veel wordt gefocust op de zelfredzaamheid en de afhankelijkheid van de mantelzorgers (zie tekstwolk met quote van een gesproken inwoner hiernaast). Verder geeft één inwoner aan geen contact met de ‘’Ik voel mij niet gehoord door de gemeente’’ gemeente te hebben vanwege ‘’al het gedoe.’’ De hulporganisaties: vijf van de vijf gesproken inwoners vinden de hulporganisaties goed bereikbaar. Een inwoner vindt bijvoorbeeld de hulp van “Hulp in Gelderland” altijd goed bereikbaar. Twee andere inwoners vinden de bereikbaarheid goed, alleen zijn er moeilijkheden bij ziekte of vakantie van de vaste hulp: “Er wordt dan vaak geen vervanging geregeld of er komt veel wisselend personeel langs en ook voor minder uren per week. “ Bereikbaarheid en toegankelijkheid Wmo: hulpmiddelen De gemeente: vijf van de vijf gesproken inwoners vinden het contact met de gemeente goed.
Wel noemt één inwoner enorme wachttijden en geeft aan dat de gemeente veel doet, maar dat zij zich moet realiseren dat het voor inwoners lastig kan zijn om ergens aan te kloppen. De inwoner geeft aan niet negatief erover te zijn, maar vindt wel dat het laagdrempeliger mag en dat de toegankelijkheid beter zou kunnen. Een andere inwoner geeft aan dat de gemeente telefonisch erg goed bereikbaar is, maar dat het wel lastig is om de gemeente fysiek te bereiken. De inwoner geeft aan dat hij een auto heeft, maar andere inwoners moeten daarvoor de regiotaxi bellen omdat het openbaar vervoer geen betrouwbare optie is. De hulporganisaties: vijf van de vijf gesproken inwoners vinden de hulporganisaties goed bereikbaar. Zij geven aan dat de hulpverlening goed bereikbaar is, en dat de hulpsnel geregeld kon worden. Bereikbaarheid en toegankelijkheid Wmo: vrij toegankelijke groeps- en individuele hulp De gemeente: drie van de vijf gesproken inwoners vinden het contact met de gemeente goed en vinden dat de gemeente snel handelt. Twee andere inwoners melden dat de aanmelding zes maanden duurde of dat er enorme wachttijden waren. Ook vertellen zij dat de gemeente minder wis selend personeel zou moeten hebben en de gemeente het gevoel zou moeten bieden dat je begrepen wordt. De hulporganisaties: drie van de vijf gesproken inwoners vinden de hulporganisaties goed bereikbaar.
Eén inwoner geeft aan dat de huisarts goed bereikbaar was, en één andere inwoner vindt de bereikbaarheid goed maar noemt het invullen van de formulieren emotioneel zwaar. De twee andere gesproken inwoners hebben lange wachttijden ervaren voor het aanmelden van de zorg.
17
Bereikbaarheid en toegankelijkheid Jeugdwet: vrijwillige individuele hulp De gemeente: vijf van de vijf gesproken inwoners vinden het contact met de gemeente niet goed. Zij geven aan dat ze steeds een nieuw contactpersoon kregen en telkens opnieuw hun verhaal moesten vertellen. Verder geven zij aan dat de communicatie met de gem eente slecht was door de lange wachttijden en geen opvolging van (bel)afspraken. De hulporganisaties: Vijf van de vijf gesproken inwoners vinden de hulporganisaties goed bereikbaar. Eén inwoner vindt bijvoorbeeld Autimaat in Doetinchem heel goed bereikbaar. Twee inwoners vinden de bereikbaarheid van hulporganisaties zoals Driestroom en Ziza goed, maar geven wel aan dat er soms problemen waren in de onderlinge communicatie met de gemeente. Bereikbaarheid en toegankelijkheid Jeugdwet: vrij toegankelijke hulp De gemeente: drie van de vijf gesproken inwoners vinden het contact met de gemeente niet goed. Hiervan meldt één inwoner dat er enorme wachttijden waren en dat het moeilijk was om direct antwoord te krijgen. De twee andere gesproken inwoners hebben (nog) geen hulp gekregen van de gemeente. De hulporganisaties: drie van de vijf gesproken inwoners vinden de hulporganisaties goed bereikbaar. Hiervan geeft één inwoner aan dat de hulporganisaties de ouders goed ontzorgen. Eén andere inwoner geeft aan dat Buurtgezinnen goed bereikbaar was.
Twee gesproken inwoners geven aan dat buurtcentra een langere openingstijd moeten hebben en meerdere dagen in de week open moeten zijn. Bereikbaarheid en toegankelijkheid Jeugdwet: gedwongen hulp De gemeente: vier van de vijf gesproken inwoners vinden het contact met de gemeente niet goed. Deze inwoners geven aan dat zij moeilijk een vertrouwensband met de gemeente kunnen opbouwen doordat er zoveel wisselingen in de consulenten zijn. Eén inwoner had zeven verschillende consulenten binnen anderhalf jaar, waardoor hij keer op keer de situatie moest uitleggen. Ook zeggen inwoners dat de gemeente niet goed naar hen luistert, waardoor er beslissingen werden opgelegd die niet nodig waren. Eén inwoner geeft aan dat de hulp erg verschilt per consulent: sommige consulenten zijn goed bereikbaar en houden korte lijntjes, terwijl andere consulenten moeilijk te bereiken zijn en weinig inlevingsvermogen tonen. De hulporganisaties: vijf van de vijf gesproken inwoners vinden de hulp van de hulporganisaties goed. De inwoners geven aan dat zij door de hulp ontlast zijn en nu zelfstandig dingen voor elkaar krijgen. Eén inwoner geeft aan dat de hulp vanuit de organisatie deels positief was. Een familielid wees haar erop dat zij bij de organisatie terecht kon. Als het familielid dit niet had gedaan, had mevrouw niet van het bestaan van de organisatie geweten en mogelijk geen hulp ontvangen.
18
Perspectief uitvoerders en ketenpartners Uitvoerders en ketenpartners bevestigen het beeld van de gesproken inwoners: • Bureaucratie: lange wachttijden en bureaucratische obstakels belemmeren de hulpverlening. Indicaties worden vaak voor korte periodes afgegeven. • Maatwerk: de meerderheid van de gesproken uitvoerders erkend dat de hulp voor inwoners kortdurend is en niet altijd aansluit bij de hulpvraag. • Geen vaste consulenten: de gemeente Zevenaar heeft erg veel wisselingen gehad in consulenten. 3.3 Bevindingen toegangsroutes 2. Wat zijn de verschillende routes waarlangs inwoners van de gemeente Zevenaar toegang hebben tot gemeentelijke voorzieningen op het gebied van de Jeugdwet en de Wmo? Bevindingen op hoofdlijnen:
Wmo • • • • • •
Huisarts/GGD: drie van de vijftien gesproken inwoners kwamen via de huisarts en/of GGD bij de hulp terecht. Zelf contact gezocht: vier van de vijftien gesproken inwoners zochten zelf contact met de gemeente. Voormalig Wmo in andere gemeente: twee van de vijftien gesproken inwoners wisten dat ze hulp konden krijgen, omdat ze eerder Wmo hadden in een andere gemeente. Stichting: vier van de vijftien gesproken inwoners kregen hulp via een stichting. Via familielid: twee van de vijftien gesproken inwoners kregen hulp via een familielid. Acht van de vijftien gesproken inwoners wisten waar ze met hun vraag terecht konden. Zeven van de vijftien gesproken inwoners wisten niet waar ze met hun vraag terecht konden zonder hulp van een organisatie of via hun netwerk.
Jeugdwet • Zelf contact gezocht: twee van de vijftien gesproken inwoners zochten zelf contact met de gemeente. • Via hun netwerk: vijf van de vijftien gesproken inwoners kwamen via hun netwerk bij de hulp terecht. • Via familielid: twee van de vijftien gesproken inwoners kregen hulp via een familielid. • Via een organisatie: zes van de vijftien gesproken inwoners kwamen via een organisatie zoals een school of hulporganisatie bij de hulp terecht. • Vier van de vijftien gesproken inwoners wisten waar ze met hun vraag terecht konden. • Elf van de vijftien gesproken inwoners wisten niet waar ze met hun vraag terecht konden zonder hulp van een organisatie of van hun netwerk.
19
Onderbouwing In onderstaande tabel wordt per vorm van ondersteuning beschreven hoe de gesproken inwoners bij de hulp terecht zijn gekomen en of wij wisten waar zij terecht konden met hun hulpvraag. Tabel 1. Overzicht routes gesproken inwoners Type hulp Hoe bij hulp terechtgekomen (aantal/5) Wmo: huishoudelijke ondersteuning • Stichting MEE (1) • Atlant (1) • Eerdere Wmo in andere gemeente (1) • Zelf contact gezocht (1) • Via familielid (1) Wmo: hulpmiddelen • Via huisarts & GGD (1) • Zelf contact gezocht (3) • Eerdere Wmo in andere gemeente (1) Wmo: vrij toegankelijke groeps• Via huisarts (2) /individuele hulp • Via hulporganisatie (2) • Via familielid (1) Jeugdwet: vrijwillige individuele • Zelf contact gezocht (1) hulp • Via netwerk (2)Via organisatie (2) Jeugdwet: vrij toegankelijke hulp • Via netwerk (3) • Via organisatie (2) Jeugdwet: gedwongen hulp • Zelf contact gezocht (1) • Via organisatie (2) • Via huisarts (2) • Via familielid (1)
Wisten waar ze terecht konden (ja/nee) • Ja: 3 • Nee: 2
• •
Ja: 4 Nee: 1 (met hulp praktijkondersteuner)
•
Ja: 1 Nee: 4
• •
Ja: 2 Nee: 3
• • • •
Ja: 1 Nee: 4 Ja: 1 (via consulent) Nee: 4
3.4 Bevindingen gebruik en resultaat van de routes 3. Hoe is (kwantitatief) het gebruik en resultaat van deze routes, inclusief eventuele demografische en geografische verschillen (de verschillende kernen)? Bevindingen op hoofdlijnen: • Uniforme werkwijze: uitvoerders geven aan dat overal binnen de gemeente dezelfde werkwijze geldt. • Loketten in de kleine dorpen: de kleine dorpen hebben geen gemeenteloketten en kampen vaker met problematiek. Laagdrempelige inzet kan escalatie voorkomen. • Gemis van opbouwwerkers: de gemeente mist soms opbouwwerkers in wijken/dorpen. Preventie en het voorliggend veld zijn belangrijk, maar er is in het verleden op bezuinigd. • Geografische verschillen in hulpvraag: beleidsmakers zien enerzijds geen geografisch verschil in bereik. Anderzijds zien beleidsmakers dat de dorpen langs de IJssel om minder hulp vragen dan de dorpen langs de Rijn. • Toegankelijkheid en bereikbaarheid: beleidsmakers zien geografische verschillen in toegankelijkheid en bereikbaarheid van hulp. Inwoners uit de dorpen (dus niet de stad Zevenaar) voelen zich vaker niet gehoord. • CBS-cijfers: de CBS-cijfers tonen lager gebruik van voorzieningen in de dorpen, behalve Giesbeek, dat het hoogste gebruik heeft in zowel de Jeugdwet als de Wmo.
20
Onderbouwing Perspectief uitvoerders (gemeente en ketenpartners) Gesproken uitvoerders geven aan dat er overal dezelfde werkwijze geldt. Voor wat betreft de kleinere dorpen: hier zijn er geen loketten van de gemeente. Een medewerker van een gesproken welzijnspartij benoemd hierover: ‘’Er is veel drugsproblematiek in de kleinere dorpen, het zou beter zijn als deze jongeren beter kunnen worden gevonden. Je kan escalatie hier echt voorkomen door laagdrempelig in te zetten. Het helpt bijvoorbeeld al dat Caleidoz een paar avonden open is in de omliggende dorpen en zij hebben daar een goede verbindende rol.’’ Perspectief beleid (ambtelijk en bestuurlijk) Een beleidsmaker vertelt dat er geen geografisch verschil is en dat het bereik hetzelfde is voor de dorpen. ‘’Inwoners moeten dezelfde belletjes plegen en dezelfde afspraken moeten worden gemaakt. Het kan zijn dat in dorpen een andere mentaliteitskwestie is wat betreft hulp vragen. Dat inwoners niet altijd direct hulp vragen terwijl zij dat wel nodig hebben. Het idee heerst in de IJsseldorpen dat inwoners het meer onder elkaar oplossen. We hebben geen harde cijfers die dit bevestigen. Maar op basis van de cijfers die we hebben, is dit het algemene beeld.
De dorpen in het noorden langs de IJssel vragen over het algemeen minder dan de dorpen in het zuiden langs de Rijn.’’ Beleidsmakers zien voor zowel de Wmo en de Jeugdwet geografische verschillen in toegankelijkheid en bereikbaarheid van hulp. Inwoners uit de dorpen voelen zich vaak niet gehoord als de focus alleen op stad Zevenaar ligt. ‘’De gemeente Zevenaar moet duidelijker maken dat zij er voor alle dorpen is. Arnhem gebruikt wijkteams, wat goed werkt. Gemeente Zevenaar had vroeger gebiedsteams, maar koos voor één centraal punt om financiële redenen. Nu overwegen we terug te gaan naar gebiedsteams om dichter bij de inwoners te staan. Bij de Jeugdwet zien we hetzelfde probleem. De afstand tot hulp is voor sommige dorpen groter. Het blijft een afweging voor de gemeenteraad, want wijkgerichte hulp kost veel geld.’’ Kwantitatieve cijfers CBS In onderstaande tabel is met cijfers van het CBS het aantal cliënten met voorzieningen in de Jeugdwet en de Wmo in de gemeente Zevenaar weergegeven. Het is te zien dat in de meeste gevallen het voorzieningen-gebruik van de dorpen lager ligt dan van de stad Zevenaar, wat het beeld van de uitvoerders, ketenpartners en beleidsmakers bevestigt. Het valt op dat het dorp Giesbeek gemiddeld het hoogste gebruik heeft in zowel de Jeugdwet als de Wmo.
Uit de cijfers blijkt dat meerdere dorpen, zoals Babberich, Lobith en Spijk (Rijndorpen), inderdaad een hoger voorzieningengebruik kennen dan de stad Zevenaar, wat overeenkomt met het beeld van de wethouder. Opvallend is dat ook Giesbeek (een IJsseldorp) het hoogste gebruik van zowel de Jeugdwet als de Wmo laat zien. Dit vormt een uitzondering op de algemene trend dat IJsseldorpen minder gebruik maken van voorzieningen dan de Rijndorpen. Het verschil in gebruik tussen dorpen verdient verdere aandacht, mede gezien de gevoeligheid van het onderwerp.
21
Tabel 2. Aantal cliënten met voorzieningen in Jeugdwet en Wmo gemeente Zevenaar 2022 Dorpen: Gebruik Jeugdwet in % van totaal aantal Gebruik Wmo in % van totaal inwoners dorp aantal inwoners dorp Aerdt 1,27% 5,70% Angerlo 2,41% 5,84% Babberich 3,34% 8,74% Giesbeek 5,43% 13,25% Herwen 1,83% 7,80% Lathum 0,77% 3,46% Lobith 3,32% 8,62% Pannerden 2,40% 6,81% Spijk 3,05% 8,54% Tolkamer 2,12% 7,61% Zevenaar 2,72% 8,46%
3.5 Bevindingen ervaren kwaliteit en effecten 4. Hoe ervaren inwoners zelf de routes tot hulp/zorg/steun, de kwaliteit van de geleverde diensten, en de effecten daarvan? In welke mate sluit het aanbod aan bij de vraag en behoeften van inwoners? Bevindingen op hoofdlijnen: Wmo Gemeente: Kwaliteit van de geleverde diensten: • Negen van de vijftien gesproken inwoners hebben een negatieve ervaring met de kwaliteit van de geleverde diensten van de gemeente. Inwoners voelen zich vaak ongehoord, ontvangen korte indicaties, ervaren lange wachttijden en moeten veel zelf regelen. Effecten van de geleverde diensten: • Acht van de vijftien gesproken inwoners ervaren negatieve effecten van de geleverde diensten van de gemeente. De inwoners ervaren stress, onbegrip, wantrouwen en onzekerheid. Hulporganisaties: Kwaliteit van de geleverde diensten: • Dertien van de vijftien gesproken inwoners hebben een positieve ervaring met de kwaliteit van de geleverde diensten van hulporganisaties. Inwoners vinden de hulp waardevol. Effecten van de geleverde diensten: • Dertien van de vijftien gesproken inwoners ervaren positieve effecten van de geleverde diensten van de hulporganisaties. Het heeft hen geholpen om beter om te gaan met hun situatie en hun kwaliteit van leven te verbeteren.
Jeugdwet Gemeente: Kwaliteit van de geleverde diensten: • Vijftien van de vijftien gesproken inwoners hebben een negatieve ervaring met de kwaliteit van de geleverde diensten van de gemeente. Inwoners voelen zich vaak ongehoord, ontvangen korte indicaties, ervaren te veel bureaucratie, ervaren lange wachttijden en moeten veel zelf regelen. Effecten van de geleverde diensten:
22
•
Dertien van de vijftien gesproken inwoners ervaren negatieve effecten van de geleverde diensten van de gemeente. De inwoners ervaren stress, onbegrip, wantrouwen en onzekerheid.
Hulporganisaties: Kwaliteit van de geleverde diensten: • Veertien van de vijftien gesproken inwoners hebben een positieve ervaring met de kwaliteit van de geleverde diensten van hulporganisaties. Inwoners vinden de hulp waardevol. Effecten van de geleverde diensten: • Vijftien van de vijftien gesproken inwoners ervaren positieve effecten van de geleverde diensten. Ze kunnen door de hulp nu beter omgaan met hun situatie. Hulporganisaties ontlasten hen en bieden de juiste begeleiding. Onderbouwing In onderstaande tabel wordt per type hulpvorm de routes beschreven die gesproken inwoners hebben genomen tot hulp, hun positieve en negatieve ervaringen met de kwaliteit van hulp en hun positieve en negatieve effecten van de ontvangen hulp. Tabel 3. Overzicht routes, ervaringen en effecten per type hulpvorm Type hulp Routes tot Positieve Negatieve hulp/zorg/steun ervaringen met ervaringen met kwaliteit kwaliteit Wmo: Zie paragraaf 3.2 Vier van de vijf Drie van de vijf huishoudelijke en 3.3 gesproken gesproken ondersteuning inwoners inwoners hebben waarderen de klachten over kwaliteit van de bureaucratie, huishoudelijke wisselende ondersteuning. contactpersonen, Ze vinden de en het gebrek hulp waardevol aan consistentie en noodzakelijk en één voor hun aanspreekpunt dagelijkse leven bij de gemeente. en Gesproken levenskwaliteit.
inwoners voelen zich vaak niet gehoord en ervaren stress van de administratieve lasten. Wmo: Zie paragraaf 3.2 Vier van de vijf Drie van de vijf hulpmiddelen en 3.3 gesproken gesproken inwoners inwoners hebben waarderen de klachten over hulpmiddelen. bureaucratie en Ze vinden de gebrek aan hulp waardevol consistentie van en noodzakelijk. de gemeente. Ze voelen zich vaak niet gehoord en
23
Positieve effecten
Negatieve effecten
Vijf van de vijf gesproken inwoners geven aan dat de ondersteuning een grote positieve impact heeft gehad. Het heeft hen geholpen om beter om te gaan met hun situatie en hun kwaliteit van leven te verbeteren.
Drie van de vijf gesproken inwoners ervaren stress en onzekerheid door wisselingen van hulpverleners en bureaucratische processen.
Vier van de vijf gesproken inwoners geven aan dat de hulpmiddelen een grote positieve impact hebben gehad. Ze kunnen beter omgaan met hun situatie.
Twee van de vijf gesproken inwoners ervaren stress en onzekerheid door bureaucratische processen.
Wmo: vrij toegankelijke groeps- en individuele hulp
Zie paragraaf 3.2 en 3.3
Vijf van de vijf gesproken inwoners waarderen de hulp van hulporganisaties. Ze vinden deze waardevol en noodzakelijk.
Jeugdwet: vrijwillige individuele hulp
Zie paragraaf 3.2 en 3.3
Vier van de vijf gesproken inwoners waarderen de hulp van hulporganisaties. Ze vinden deze waardevol en noodzakelijk voor hunzelf of hun kinderen.
Jeugdwet: vrij toegankelijke hulp
Zie paragraaf 3.2 en 3.3
Vijf van de vijf inwoners hebben positieve ervaringen met hulp van hulporganisaties.
Jeugdwet: gedwongen hulp
Zie paragraaf 3.2 en 3.3
Vijf van de vijf inwoners hebben positieve ervaringen met hulp van hulporganisaties.
24
ervaren stress door administratieve lasten. Drie van de vijf gesproken inwoners hebben klachten over bureaucratie, wisselende contactpersonen, en gebrek aan consistentie en empathie van de gemeente. Inwoners voelen zich vaak ongehoord. Vijf van de vijf gesproken inwoners klagen over bureaucratie, wisselende contactpersonen en gebrek aan maatwerk van de gemeente. Hulp kwam vaak te laat of was niet passend. Inwoners willen niet steeds opnieuw indicaties aanvragen of hun situatie uitleggen. Vijf van de vijf inwoners klagen over administratieve lasten van de gemeente, lange wachtlijsten en beperkte openingstijden van buurthuizen. Vijf van de vijf inwoners klagen over bureaucratie, wisselende contactpersonen en gebrek aan consistentie en empathie van de gemeente.
Vier van de vijf gesproken inwoners geven aan dat de hulp een positieve impact had op hun leven. Ze kunnen beter omgaan met hun situatie.
Drie van de vijf inwoners ervaren stress en onzekerheid door constante hulpverlenerswisselingen en bureaucratie.
Vijf van de vijf gesproken inwoners ervaren een grote positieve impact. De hulporganisaties bieden juiste tools en nemen stress weg.
Vijf van de vijf inwoners ervaren stress en onzekerheid door het gebrek aan maatwerk, het eenzijdige contact en de noodzaak om continu zelf actie te ondernemen.
Vijf van de vijf inwoners geven aan dat de hulp positieve impact heeft gehad: het biedt netwerk, rust en ontlast ouders.
Drie van de vijf inwoners ervaren stress en onzekerheid door wachttijden, beperkte openingstijden en bureaucratie.
Vijf van de vijf inwoners geven aan dat de hulp een grote positieve impact had op hun leven en dat van hun kinderen. Eén inwoner woont nu
Vijf van de vijf inwoners ervaren geen vertrouwensband met de gemeente. Er werd niet goed geluisterd, er waren veel wisselingen tussen consulenten en per consulent grote verschillen in dienstverlening.
Inwoners voelen zich ongehoord en willen niet steeds indicaties aanvragen. Eén inwoner gaf aan dat het zou hebben geholpen als organisaties zoals Stichting MEE vanaf het begin duidelijk waren geweest over de mogelijkheden.
zelfstandig en voelt zich sterker.
Indicaties gelden meestal voor slechts een half jaar, wat veel tijd en energie kost.
3.6 Toetsing normenkader Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: • Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze (0%) wordt voldaan aan de norm. • Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel (<=50%) wordt voldaan aan de norm • Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel (>50%, <75%) wel dan niet wordt voldaan aan de norm. • Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte (>75%) wordt voldaan aan de norm. • Voldoet: dit betekent dat volledig (100%) wordt voldaan aan de norm. Normen Inwoners weten waar zij informatie en advies kunnen vragen bij de gemeente
Toetsing Voldoet beperkt. Het merendeel van de gesproken inwoners weet niet waar zij informatie en advies kunnen vragen bij de gemeente. Zij weten de informatie en advies te verkrijgen door hun netwerk en/of hulporganisaties. Ook ervaart het merendeel slecht contact met de gemeente.
Inwoners weten de ondersteuning te vinden
Voldoet beperkt. Het merendeel van de gesproken inwoners weet niet zelfstandig ondersteuning te vinden. Zij weten de ondersteuning te vinden door hun netwerk, of via hulporganisaties. Slechts enkele inwoners weten op eigen initiatief de ondersteuning te vinden. Voldoet beperkt. Het merendeel van de gesproken inwoners ervaart slechte communicatie met de gemeente. Er is vaak onduidelijkheid en eenzijdig contact. Voldoet beperkt. Het merendeel van de gesproken inwoners geeft aan één aanspreekpunt te willen. Enkele inwoners geven
Inwoners ervaren een duidelijke en makkelijk begrijpelijke mondelinge en schriftelijke communicatie door de gemeente Inwoners ervaren geen onnodige drempels in termen van bereikbaarheid, waaronder fysieke nabijheid en toegankelijkheid
25
aan dat het gemeentehuis lastig te bereiken is met het OV als je buiten de stad Zevenaar woont. Inwoners vinden dat de menselijke maat wordt toegepast bij de uitvoering van de Wmo en de jeugdhulp.
De geboden hulp sluit aan op de situatie, hulpvragen en behoeften van inwoners De ondersteuning heeft als effect dat inwoners ondersteuning ervaren waardoor hun ‘problematiek’ dragelijker wordt of opgelost wordt.
26
Voldoet beperkt. Het merendeel van de gesproken inwoners voelt zich ongehoord door de gemeente, krijgt eerst niet de juiste hulp van de gemeente en moet achter alles zelf aan bij de gemeente. Voldoet merendeels. Het merendeel van de gesproken inwoners krijgt uiteindelijk passende hulp, maar vaak na veel moeite en energie. Voldoet. Het merendeel van de gesproken inwoners ervaart de ondersteuning als positief. Het helpt hun ‘problematiek’ draaglijker te maken en het ontzorgt.
4 Bevindingen uitvoeringswereld 27
4.
Bevindingen uitvoeringswereld
4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zijn de bevindingen vanuit het perspectief van de uitvoerders weergegeven. Eerst zijn in de grijze kaders de bevindingen per deelvraag op hoofdlijnen weergegeven, gevolgd door een onderbouwing. Het hoofdstuk sluit af met een toetsing aan h et normenkader. In dit hoofdstuk zijn de volgende deelvragen behandeld: 5. Hoe is de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo ingericht in de gemeente Zevenaar? 6. Hoe geven de partijen, die betrokken zijn in de uitvoering, invulling aan hun preventieve rol en welke verbetermogelijkheden zien zij hierin? 7. Wat is volgens uitvoerders in beide domeinen (Jeugdwet en Wmo) nodig om de gezondheid van doelgroepen preventief te versterken en om te gaan met de groeiende vraag naar hulp en ondersteuning? 8. Komt in de gemeente Zevenaar de beschikbare hulp op gebied van de Jeugdwet en de Wmo tijdig, nabij en correct bij de juiste inwoners terecht (doeltreffendheid)? 9. Welke gegevens over (de inzet van) de Jeugdwet en de Wmo heeft de gemeente Zevenaar beschikbaar (kwantitatief en kwalitatief)? Zijn deze gegevens de juiste? Zijn ze doeltreffend, doelmatig en rechtmatig? 4.2 Bevindingen inrichting uitvoering 5.
Hoe is de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo ingericht in de gemeente Zevenaar? Bevindingen op hoofdlijnen: Wmo: • De toegang tot Wmo-ondersteuning is op papier centraal georganiseerd via het Klant Contact Centrum (KCC) van de gemeente. In de praktijk blijkt dat inwoners zich via verschillende routes aanmelden. • De gemeente voert zelf onderzoek uit na melding, doorgaans via een keukentafelgesprek; hulp kan pas daarna starten. • Er is sprake van wisselende consulenten en oplopende wachttijden, die variëren van enkele weken tot meerdere maanden. • Hulpverleners en ketenpartners kunnen niet rechtstreeks doorverwijzen, waardoor vertraging ontstaat. • Een pilot met verkorte aanvraagroutes wordt positief ontvangen, maar is nog niet structureel ingebed in de werkwijze. • Er is nauwelijks fysieke aanwezigheid van de gemeente in de dorpen; er zijn geen vaste aanspreekpunten per kern. • Outreachend werk is beperkt: één opbouwwerker is beschikbaar voor de hele gemeente. • Evaluatie van effectiviteit gebeurt incidenteel; structurele monitoring op uitkomsten (outcome) ontbreekt. • Beleidsmakers erkennen knelpunten in bereikbaarheid, wachttijd en bureaucratie, en onderzoeken herinrichting van het proces door middel van gebiedsteams. Jeugdwet: • De toegang tot Jeugd-ondersteuning is op papier centraal georganiseerd via het Klant Contact Centrum (KCC) van de gemeente.
In de praktijk blijkt dat inwoners zich via verschillende routes aanmelden, zoals huisartsen en gecertificeerde instellingen.
28
• • • • • • • •
De gemeente bepaalt op basis van onderzoek of inzet van een individuele voorziening noodzakelijk is. Wachttijden voor een beschikking kunnen oplopen tot een half jaar; de druk op consulenten is hoog. Signalen vanuit het voorliggend veld (zoals jongerenwerk of school) leiden zelden tot directe doorgeleiding of warme overdracht. Er is geen vast aanspreekpunt per gezin of per dorp, al wordt gewerkt aan inzet van één consulent per gezin. Het ontbreken van duidelijke kaders voor normalisering leidt tot spanningen tussen ouders en consulenten. Monitoring richt zich op aantallen en doorlooptijd; structurele registratie van effecten of evaluaties ontbreekt. Jongerenwerk rapporteert jaarlijks, maar deze informatie is niet direct verbonden aan beleidssturing. Beleidsmakers onderkennen de genoemde knelpunten en zetten in op continuïteit, duidelijke kaders en betere verbinding tussen toegang en het voorliggend veld.
Onderbouwing Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) Perspectief ontvangen documenten Uit de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zevenaar 2022 blijkt dat inwoners met een hulpvraag zich melden bij het Klant Contact Centrum (KCC) van de gemeente. Deze centrale ingang beoordeelt de melding en stuurt deze door naar een Wmo-consulent. De consulent voert vervolgens een onderzoek uit, doorgaans via een keukentafelgesprek, waarna een beschikking volgt. Uit de verordening blijkt dat het college de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening toekent, tenzij gebruik van een algemene voorziening volstaat. Uit het beleidsplan sociaal domein 2020–2023 blijkt dat de gemeente inzet op kostenbeheersing, normalisering en preventie. Er is nadrukkelijk aandacht voor het terugdringen van uitgaven per inwoner tot het Gelders gemiddelde. In het plan wordt benoemd dat beschermd wonen en opvang regionaal zijn belegd bij de gemeente Arnhem. De toegang tot beschermd wonen en opvang verloopt niet lokaal via een vast aanspreekpunt. Perspectief uitvoerders (gemeente en ketenpartners) Uit gesprekken met consulenten en medewerkers van ketenpartners blijkt dat inwoners zich via verschillende routes aanmelden: via het KCC, via de huisarts of via ketenpartners zoals Sante. Er wordt gestreefd naar het behoud van een vaste contactpersoon, maar dat lukt niet altijd door personeelswisselingen.
Wachttijden variëren sterk: van vijf weken tot enkele maanden. Vooral bij complexe hulpvragen, of wanneer herindicatie nodig zijn, ervaren consulenten dat het proces traag en administratief belastend is. Vanuit ketenpartners wordt erop gewezen dat er veel vertraging optreedt doordat hulpverleners niet rechtstreeks kunnen doorverwijzen: de gemeente voert vaak alsnog eigen onderzoek uit. Een pilot met verkorte aanvraagroutes wordt genoemd als mogelijke oplossing. Hier door kan een beschikking sneller worden afgegeven op basis van rapportages van betrokken organisaties. Toch wordt ook opgemerkt dat succesvolle pilots niet altijd structureel worden doorgezet. Outreachend werk
29
ontbreekt grotendeels: er is één opbouwwerker actief in de hele gemeente. Uit gesprekken blijkt dat er in dorpen met een sterk sociaal netwerk (zoals Giesbeek) minder vaak hulpvragen ontstaan, maar dat als ze komen, dit vaak in een laat stadium is. Er is geen vast aanspreekpunt per dorp. De effectiviteit van hulp wordt incidenteel geëvalueerd, maar structurele monitoring op outcome vindt nauwelijks plaats. Perspectief beleid (ambtelijk en bestuurlijk) Uit gesprekken met beleidsmakers blijkt dat de huidige centrale inrichting van de toegang als ontoereikend wordt ervaren, met name voor inwoners in de dorpen. Er wordt onderzocht of een meer gebiedsgerichte aanpak wenselijk en haalbaar is. Ook wordt erkend dat wachttijden en bureaucratische processen een knelpunt vormen. Beleidsmakers geven aan dat het inzetten van vaste consulenten en het verstrekken van beschikkingen met een langere duur, maatregelen zijn om hierin verbetering te brengen. Verder blijkt uit het gesprek dat investeren in preventie en het versterken van het voorliggend veld als belangrijk wordt gezien, maar dat dit onder druk staat door financiële beperkingen. Jeugdwet Perspectief ontvangen documenten Uit de Verordening Jeugdhulp gemeente Zevenaar 2023 blijkt dat jeugdigen of hun ouders zich met een hulpvraag kunnen melden bij de gemeente.
De gemeente onderzoekt dan of er sprake is van opgroei-, opvoed- of psychische problemen en of inzet van een individuele voorziening nodig is. Vrij toegankelijke jeugdhulp kan zonder tussenkomst van de gemeente worden bereikt. Er zijn verschillende vormen van hulp beschikbaar, waaronder ambulante trajecten, pleegzorg en gesloten jeugdhulp. De gemeente kan een persoonsgebonden budget verstrekken, maar alleen als aan strikte voorwaarden is voldaan. Uit het beleidsplan sociaal domein 2020–2023 blijkt dat de gemeente Zevenaar kampt met relatief hoge uitgaven voor maatwerk jeugdhulp. De gemeente heeft als doelstelling om deze kosten per jeugdige terug te brengen tot het Gelders gemiddelde. Tegelijkertijd wil men inzetten op het voorkomen van zwaardere vormen van hulp, zoals residentiële jeugdhulp. De inrichting van de toegang tot jeugdhulp is de afgelopen jaren meermalen gewijzigd, wat volgens het beleidsplan en uitvoerders heeft geleid tot een gebrek aan stabiliteit. Perspectief uitvoerders (gemeente en ketenpartners) Uit gesprekken met uitvoerders van de gemeente en medewerkers van ketenpartners blijkt dat de toegang tot jeugdhulp centraal is geregeld maar dat dit gepaard gaat met lange wachttijden . Soms tot een half jaar voordat een beschikking wordt afgegeven.
Ketenpartners zoals Caleidoz kunnen jongeren vroegtijdig signaleren, maar ervaren weinig mogelijkheden voor een warme overdracht naar de gemeente. Uitvoerders van de gemeente geven aan nauwelijks tijd te hebben voor samenwerking in het voorliggend veld, aangezien alle inspanningen zijn gericht op het wegwerken van wachtlijsten. Er is geen vast aanspreekpunt in de dorpen. Er wordt gewerkt aan het toewijzen van één consulent per gezin maar dit staat nog in de kinderschoenen. De uitvoering van jeugdhulp wordt daarnaast beïnvloed door het gebrek aan duidelijke kaders voor normalisering. Uit gesprekken blijkt dat ouders vaak specifieke hulp eisen, terwijl consulenten het lastig vinden om goed te onderbouwen waarom die hulp niet altijd passend is. Structurele monitoring van effectiviteit ontbreekt: er wordt gestuurd op aantallen en doorlooptijd, maar niet op wat de hulp daadwerkelijk oplevert voor jeugdigen of gezinnen. Evaluaties worden niet systematisch vastgelegd.
30
Jongerenwerkers rapporteren jaarlijks aan de gemeente, maar een directe koppeling met gemeentelijke beleidssturing ontbreekt. Perspectief beleid (ambtelijk en bestuurlijk) Uit gesprekken met beleidsmakers blijkt dat knelpunten zoals lange wachttijden, personeelsverloop en beperkte aansluiting tussen toegang en het voorliggend veld worden herkend. Er zijn stappen gezet om meer continuïteit te realiseren, onder andere door vaste consulenten in te zetten en toegangsteams meer handelingsruimte te geven. Ook blijkt dat beleidsmatig wordt gewerkt aan het verduidelijken van wat onder normalisering valt, zodat duidelijker is wanneer gemeentelijke ondersteuning passend is. Net als bij de Wmo wordt bij jeugdhulp de wens uitgesproken om de ondersteuning dichter bij de inwoners te organiseren, al is dit afhankelijk van beschikbare middelen en politieke besluitvorming. 4.3 Bevindingen invulling preventieve rol 6. Hoe geven de partijen die betrokken zijn in de uitvoering invulling aan hun preventieve rol en welke verbetermogelijkheden zien zij hierin? Bevindingen op hoofdlijnen: Wmo: • Uitvoerders geven aan dat zij inwoners vaak pas bereiken wanneer de problematiek al is • • • • • • •
geëscaleerd. Signalen vanuit het voorliggend veld (zoals huisartsen) worden niet automatisch vertaald naar tijdige hulp vanuit de gemeente. Structurele samenwerking tussen gemeente en ketenpartners ontbreekt grotendeels. Er is slechts één opbouwwerker beschikbaar voor de hele gemeente, wat de zichtbaarheid en bereikbaarheid beperkt. Uitvoerders pleiten voor korte en directe aanmeldroutes via ketenpartners in het veld. Meer laagdrempelige en collectieve voorzieningen worden genoemd als voorwaarde voor effectieve preventie. Beleidsmakers herkennen het beperkte bereik van preventie en geven aan dat dit het gevolg is van eerdere bezuinigingen. Er is nu meer aandacht voor het versterken van het voorliggend veld maar de beschikbare middelen zijn beperkt.
Jeugdwet: • Uitvoerders signaleren dat medewerkers van ketenpartners vroegtijdig problemen opmerken, maar dat aansluiting met de gemeentelijke toegang ontbreekt. • Binnen het jeugdteam ligt de nadruk op het wegwerken van wachtlijsten. Preventie heeft hierdoor minder prioriteit. • Samenwerking met scholen en andere ketenpartners is eerder afgebouwd, maar wordt nu voorzichtig hersteld. • Er is behoefte aan duidelijke taakverdeling tussen toegang en het voorliggend veld, waarbij het jongerenwerk een brugfunctie kan vervullen. • Beleidsmakers bevestigen dat de preventieve structuur zwak is en dat eerdere •
31
investeringen zijn teruggeschroefd. Beleidsmakers geven aan te willen toewerken naar een toegang waar ook hulp kan worden verleend. Dit vraagt tijd, geld en politieke keuzes.
Onderbouwing Wmo Perspectief uitvoerders (gemeente en ketenpartners) Uit gesprekken met uitvoerders blijkt dat de preventieve rol in de Wmo op dit moment beperkt en versnipperd is ingevuld. Medewerkers van ketenpartners geven aan dat zij inwoners vaak pas tegenkomen wanneer de problematiek al ver is gevorderd. In het voorliggend veld wordt wel vroegtijdig gesignaleerd, bijvoorbeeld via huisartsen, maar deze signalen leiden niet vanzelfsprekend tot een snelle, passende interventie vanuit de gemeente. Er is momenteel weinig structurele samenwerking tussen partijen, en ook het aantal outreachende professionals is zeer beperkt. Zo wordt benoemd dat er slechts één opbouwwerker beschikbaar is voor de hele gemeente. Als verbetermogelijkheden noemen uitvoerders onder andere het verkorten van aanmeldroutes, het mogelijk maken van directe doorverwijzing door ketenpartners en het versterken van samenwerking tussen voorliggend veld en de gemeente. Ook wordt gepleit voor meer inzet op collectieve en laagdrempelige voorzieningen, zodat niet iedere hulpvraag via een formele aanvraag hoeft te lopen. Meer zichtbaarheid van de gemeente in de wijken en dorpen wordt als noodzakelijk gezien, om zo preventie daadwerkelijk effectief vorm te geven.
Perspectief beleidsmakers (ambtelijk en bestuurlijk) Uit gesprekken met beleidsmakers blijkt dat zij het beeld van een beperkte preventieve werking op dit moment herkennen. Zij geven aan dat de inzet op vroegsignalering en preventie in de vorige coalitieperiode (2018-2022) is teruggelopen, mede als gevolg van gemeentelijke herindeling en bezuinigingen. Vanaf deze herindeling is in mindere mate aandacht voor vroegsignalering en preventie geweest bij de gemeente, zowel op beleids- en uitvoeringsniveau. Momenteel is opnieuw aandacht voor het versterken van netwerken en het investeren in het voorliggend veld, bijvoorbeeld via samenwerking met huisartsen en maatschappelijke organisaties. Beleidsmakers benoemen dat het wenselijk is dat inwoners hulp eerder en gemakkelijker kunnen vinden, zonder formele procedures. Tegelijkertijd wordt erkend dat de ruimte om hierin te investeren beperkt is door financiële druk en een stijgende hulpvraag. Jeugdwet Perspectief uitvoerders (gemeente en ketenpartners) Uit gesprekken met uitvoerders blijkt dat ook binnen de jeugdhulp de preventieve rol beperkt tot ontwikkeling komt. Medewerkers van ketenpartners signaleren vroegtijdig problemen maar ervaren weinig structurele samenwerking met de gemeentelijke toegang.
Door capaciteitsproblemen ligt de nadruk bij jeugdconsulenten vooral op het wegwerken van wachtlijsten, waardoor weinig ruimte is voor het investeren in de samenwerking met het voorliggend veld. Ook geven uitvoerders aan dat eerdere samenwerking met scholen en andere partijen is afgebouwd maar dat hierin inmiddels voorzichtig weer stappen worden gezet. Als verbetermogelijkheid wordt vooral genoemd dat er meer structurele afstemming moet komen tussen het voorliggend veld en de gemeente. Daarnaast pleiten de uitvoerders voor een duidelijke rolverdeling, waarin bijvoorbeeld jongerenwerk kan fungeren als verlengde van de toegang. Het betrekken van ouders en het inzetten op normalisering in een vroeg stadium wordt eveneens als belangrijk gezien, mits hiervoor tijd en ondersteuning beschikbaar is. Ook het geven van meer handelingsruimte aan consulenten zelf, zodat lichte hulp direct kan worden ingezet, wordt als stap vooruit genoemd in het versterken van preventie.
32
Perspectief beleidsmakers (ambtelijk en bestuurlijk) Voor de Jeugdwet bevestigen beleidsmakers het beeld dat de preventieve infrastructuur onvoldoende is ontwikkeld. Zij erkennen dat eerdere voorzieningen zijn afgebouwd en dat er nu opnieuw wordt gezocht naar manieren om het voorliggend veld te versterken. Daarbij wordt gedacht aan een toegang waar medewerkers niet alleen indiceren maar ook zelf lichte hulp kunnen bieden. Beleidsmakers geven aan dat deze koerswijziging is ingezet maar dat de uitvoering ervan tijd vergt en mede afhankelijk is van politieke en financiële keuzes. De noodzaak om te investeren in preventie wordt wel breed erkend. 4.4 Bevindingen versterking preventie nodig voor groeiende vraag 7. Wat is volgens uitvoerders in beide domeinen (Jeugdwet en Wmo) nodig om de gezondheid van doelgroepen preventief te versterken en wat om het hoofd te bieden aan de groeiende vraag naar hulp en ondersteuning? Bevindingen op hoofdlijnen: Wmo: • Uitvoerders zien de noodzaak tot versterking van het voorliggend veld om hulpvragen eerder en lichter op te kunnen vangen. • Er is behoefte aan meer collectieve, laagdrempelige voorzieningen in buurten en dorpen. • Inwoners weten vaak niet waar zij terecht kunnen. Betere informatievoorziening en een duidelijke sociale kaart worden essentieel geacht.
• Rapportages van ketenpartners zouden voldoende moeten zijn om hulp te starten, zonder dubbel onderzoek door de gemeente. • Meer fysieke zichtbaarheid van de gemeente in dorpen wordt genoemd als voorwaarde om preventief te kunnen werken. Jeugdwet: • Uitvoerders zien kansen voor vroegsignalering via scholen, jongerenwerk en andere vindplaatsen, maar missen directe lijnen naar de toegang. • Er is behoefte aan ruimte voor informele, preventieve gesprekken zonder indicatieplicht. • Duidelijke kaders voor normalisering en verantwoordelijkheid van ouders worden als noodzakelijk gezien om druk op hulpverlening te verlichten. • Jeugdconsulenten zouden meer handelingsruimte moeten krijgen om lichte hulp zelf te organiseren.
33
Onderbouwing Perspectief uitvoering (gemeente en ketenpartners) Uit de gesprekken met uitvoerders van de gemeente en ketenpartners voor zowel de Jeugdwet als de Wmo komt naar voren dat er een duidelijke behoefte is aan structurele versterking van het voorliggend veld om preventie effectief vorm te geven. In beide domeinen wordt ervaren dat hulpvragen vaak pas laat in beeld komen, terwijl er eerder signalen zijn die onvoldoende worden opgepakt of niet goed worden doorgeleid. Hierdoor groeit de druk op formele hulp, en neemt de kans toe dat lichtere ondersteuning niet meer volstaat. Binnen de Wmo signaleren uitvoerders dat inwoners pas bij de gemeente aankloppen wanneer de situatie al ernstig is verslechterd. Zij pleiten voor meer inzet op collectieve voorzieningen, betere informatievoorziening richting inwoners, en een duidelijke soc iale kaart zodat mensen sneller weten waar ze terecht kunnen. Daarnaast wordt genoemd dat de gemeente meer gebruik zou moeten maken van de signalerende functie van ketenpartners en dat rapportages van deze ketenpartners voldoende zouden moeten zijn om hulp op te starten, zonder dat de gemeente alles opnieuw onderzoekt. Ook het vergroten van de aanwezigheid in wijken en dorpen wordt als belangrijk gezien om bewoners snel en laagdrempelig te bereiken.
Binnen de jeugdhulp wordt benadrukt dat veel jongerenproblematiek eerder kan worden gesignaleerd via school, jongerenwerk of andere vindplaatsen. Uitvoerders noemen dat behoefte is aan directe lijnen tussen het jongerenwerk, scholen en gemeentelijke consulenten. Meer ruimte voor informele, preventieve gesprekken zonder indicatie zou volgens hen veel zwaardere problematiek kunnen voorkomen. Ook wordt gepleit voor duidelijke kaders rond normalisering en eigen verantwoordelijkheid van ouders, zodat de gemeente niet alles hoeft op te vangen. Ten slotte wordt benoemd dat jeugdconsulenten meer ruimte moeten krijgen om lichte hulp zelf te organiseren, in plaats van uitsluitend te indiceren. Perspectief beleid (ambtelijk en bestuurlijk) Vanuit gesproken beleidsmakers wordt bovenstaand beeld bevestigd. Zij geven aan dat de behoefte aan versterking van preventie en vroegsignalering helder is, maar dat het organiseren hiervan complex is in een context van financiële krapte. Er wordt gewerkt aan een koerswijziging waarbij toegangsteams zelf lichte ondersteuning kunnen bieden en waarin meer aandacht komt voor het versterken van netwerken in het voorliggend veld. Tegelijkertijd onderstrepen ze dat structurele investeringen hierin alleen mogelijk zijn als daarvoor ook politieke en budgettaire keuzes worden gemaakt.