Agendabundel
Tekst van het document
20
Geconcludeerd kan worden dat de realisatie van het plan naar verwachting niet zal leiden tot akoestische bezwaren.
5.1.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
Artikel 3 van de Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Deze hiervoor genoemde afstanden zijn buiten de bebouwde kom 50 meter, en binnen de bebouwde kom 100 meter. Planspecifiek Het project ligt binnen de bebouwde kom en de dichtstbijzijnde agrarische bedrijven liggen ver buiten de 100 meter grens. Er zal dan ook geen geurhinder te verwachten zijn. De conclusie is dat er voor wat betreft geurhinder van veehouderijbedrijven op de planlocatie sprake is van een goed woonklimaat.
5.1.5 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op: risicovolle inrichtingen vallende onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
1.
risicovolle inrichtingen vallende onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
2.
vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
3.
vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het ruimtelijk beleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd.
21
Toetsingskaders vanuit wet- en regelgeving zijn onder andere het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico: risico op een plaats nabij een buisleiding, langs, op of boven een transportroute of buiten een inrichting, uitgedrukt in een waarde voor de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval met die buisleiding, transportroute of binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico: de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkt kwetsbare objecten is deze 10 6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5 contour.
Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Hierbij is de 1% letaliteit belangrijk. Zolang deze oriëntatiewaarde niet overschreden wordt is er geen specifieke motivatie noodzakelijk. Indien de 1% letaliteit wel overschreden wordt dient in de ruimtelijke planvorming dit risicoaspect bewust geaccepteerd te worden met daarbij de motivatie waarom dat acceptabel gevonden wordt. Via inrichtingsmaatregelen (op basis van de gebruiksvergunning en de bouwverordening) en rampenplannen e.a. kan het effect bij een calamiteit beperkt worden. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbare objecten zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in artikel 1 van het Bevi opgenomen. (Bevi-)inrichtingen De regelgeving omtrent externe veiligheid bij inrichtingen (bedrijven) is geregeld in het Bevi.
Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard)
22
beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. Het Bevb gaat uit van grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoordingsplicht van het groepsrisico (GR). De regeling voor buisleidingen is hiermee vergelijkbaar met de regeling voor inrichtingen Het ministerie heeft het Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen gepubliceerd, waarin praktische informatie en voorbeelden staan voor het opnemen van buisleidingen met gevaarlijke stoffen in bestemmingsplannen. De aanpak richt zich op veiligheidsafstanden rond buisleidingen, het beheer en toezicht en de registratie van de ligging van buisleidingen. In de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) wordt de regelgeving verder uitgewerkt en worden regels gesteld ten aanzien van risico's en zonering langs buisleidingen, het opnemen van regels in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen.
Als categorieën buisleidingen waarvoor het Bevb geldt zijn voorlopig alleen buisleidingen met een druk vanaf 16 bar en een uitwendige diameter van respectievelijk 50 en 70 mm voor het transport van aardgas en vloeibare brandstoffen aangewezen. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wro en de Wm. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijke besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone (PR) worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt is een verantwoording van het groepsrisico is niet verplicht. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen een woonwijk met omringende publieke faciliteiten. Het projectplan bevat wel de realisatie van een kwetsbaar object (een woning). In het gebied worden echter geen risicovolle activiteiten verricht. Daarnaast liggen er geen buisleidingen waarin gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Risicoafstanden Plaatsgebonden risico In het kader van het plaatsgebonden risico is de contour waarbinnen geen kwetsbare objecten (bv woningen) mogen worden opgericht de 10-6 jr-contour. Binnen deze contour is het ontwikkelen van beperkt kwetsbare objecten alleen onder bepaalde voorwaarden mogelijk. Het plangebied valt ruim buiten de contour.
23
Groepsrisico De ruimtelijke ontwikkeling ligt niet in een invloedsgebied met groepsrisico. Hierdoor vinden er dus ook geen wijzigingen plaats in een invloedsgebied met groepsrisico en hoeft dit niet in beeld te worden gebracht.
(Groeps)risicokaart plangebied (bron: https://nederland.risicokaart.nl/risicokaart)
5.2 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: 1.
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
24
2.
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. De Waterweg kent nu nog slechts één vergunning, de watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Gemeente Zevenaar In de gemeente Zevenaar bevinden zich geen wateren van het hoogste ecologische niveau of met een specifieke ecologische doelstelling.
Ook bevinden zich er geen waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, intrekgebieden of boringsvrije zones. In het plangebied liggen drie waterlopen, die als KRW - waterlichaam zijn aangewezen in het kader van de Kaderrichtlijn Water (zie figuur 2.4): de Wijdewetering - Zevenaarsewetering (KRW waterlichaam NL07-0003), de Didamse Wetering (KRW waterlichaam NL07-0004) en de Oude Rijn (NL070002). De eerste twee waterlichamen hebben de KRW-typering M3 – Gebufferde (regionale) kanalen. De Oude Rijn heeft KRWtypering R6 - langzaam stromend riviertje op zand/klei. Enkele (delen van) van deze waterlichamen zijn tevens aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur of ecologische verbindingszone.
25
KWR waterlichamen: blauw
Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
1.
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
2.
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
26
Thema
Toetsvraag
Relevant
Veiligheid
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire
Nee
waterkering, regionale waterkering of kade)
Riolering en Afvalwaterketen
Wateroverlast (oppervlakte-water)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Nee
1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur?
Nee
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
Nee
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?
Nee
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?
Nee
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2?
Nee
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
Nee
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Nee
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
Nee
Grondwater-
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
Nee
overlast
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
Nee
4. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
Nee
5. Beoogt het plan aanleg van drainage?
Nee
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?
Nee
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
Nee
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
Nee
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico’s met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Nee
Oppervlaktewaterkwaliteit
Grondwaterkwaliteit Inrichting en beheer
Volksgezondheid
27
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
Nee
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
Nee
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
Nee
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee
Verdroging
1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?
Nee
Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Nee
Cultuurhistorie
1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
Planspecifiek Om te onderzoeken of het initiatief uitvoerbaar is op het gebied van water, is de watertoetstabel van het waterschap Rijn en IJssel ingevuld. Aangezien alle vragen met “nee” beantwoord zijn is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden.
De woning zal worden aangesloten op het ter plaatse aanwezige riool, hiervoor zullen de benodigde technische maatregelen worden getroffen. Vanuit het aspect water zijn geen belemmeringen voor dit initiatief.
5.3 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is de verantwoordelijkheid van de verschillende provincies. In het NNN liggen: 1.
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
2.
gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
3.
landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
4.
ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
5.
alle Natura 2000-gebieden.
28
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
1.
Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
2.
beschermde Natuurmonumenten;
3.
wetlands.
Soortenbescherming De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Met de invoering van de Wet Natuurbescherming bepalen vanaf 1 januari 2017 de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is dan alleen nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO. In het plangebied zelf zijn daarnaast geen Natura 2000gebieden of beschermde Natuurmonumenten gelegen. In de (directe) omgeving van het plangebied liggen wel Natura 2000-gebieden. Hiervan is met name het Natura 2000-gebied Rijntakken van belang. Het plangebied grenst aan de noord- en zuidzijde aan dit Natura 2000-gebied. Dit Natura 2000-gebied strekt zich verder naar het oosten uit over de grens in Duitsland.
Er vindt geen ruimtebeslag op een GNN of de GO plaats. Nadelige effecten voor, tijdens en na inrichting van het plangebied op het GNN of de GO zijn niet te verwachten door de aard van de werkzaamheden. De kernkwaliteiten van het GNN worden niet aangetast.
29
Ligging van het plangebied ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone, bron: Provincie Gelderland 2018
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken' ligt op enige afstand van het plangebied, ruim 2 kilometer meter. Overige Nederlandse Natura 2000-gebieden (o.a. 'Veluwe') en het Duitse 'Unterer Niederrhein' liggen op grotere afstand, vanaf ruim 6km. Ten oosten van Doetinchem ligt het beschermd Natuurmonument 'De Zumpe' op ruim 16 km afstand. Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken. Door de beperkte omvang van de geplande ruimtelijke ontwikkeling worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven voor de Rijntakken verwacht. Door de kleinschaligheid van de plannen zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen op voorhand uit te sluiten. Gezien de afstand zullen de bouwwerkzaamheden geen verstorend effect hebben, van aantasting van de instandhoudingsdoelen is dan ook geen sprake. Verdere toetsing of een vergunningsaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet is niet noodzakelijk voor Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Door de afstand tot de overige Natura 2000-gebieden zoals 'Veluwe' en 'Unterer Niederrhein', het beschermd Natuurmonument 'De Zumpe'en de beperkte omvang van de geplande ontwikkeling in het plangebied zijn nadelige effecten op deze beschermde Natura 2000 gebieden evenmin te verwachten.
Verdere toetsing of een vergunningsaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet is niet noodzakelijk voor deze overige Natura 2000-gebieden.
30
Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden, bron: Provincie Gelderland 2018
Stikstof analyse Gezien de recente PAS-uitspraak2, hebben initiatiefnemers uit voorzorg laten berekenen of er sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Initiatiefnemers hebben een berekening laten uitvoeren, door het onafhankelijke milieuadviesbureau Eco Reest. Deze berekening is gebaseerd op de rekenmethodiek van AERIUS Calculator (versie 2019). Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat het voorgenomen project (restauratie molen en aanbouw) in zowel de aanlegfase, de gebruiksfase en ‘worst case’ beide fasen samen genomen géén stikstofdepositie (<0,00 mol/ha/jr) op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft. Het project heeft daarmee geen (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is voor het stikstofaspect zodoende niet vergunning-plichtig in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel Natura 2000. Voor het gehele rapport wordt verwezen naar bijlage 2.
Soortenbescherming Het plangebied beslaat slechts de molen, lichte omringende begroeiing en een grasveld. Dit is hetzelfde voor omliggende percelen en de groenstrook. In het voorstadium van het project is er een veldonderzoek uitgevoerd en is er getoetst aan artikel 3 van de Wet Natuurbescherming. Hierbij is gekeken of er beschermde soorten of sporen hiervan in de zin van de Vogelrichtlijn, habitatrichtlijn of andere soorten aanwezig zijn binnen het plangebied.
2 Het toetsingskader voor het onderdeel stikstof was tot voor kort het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Op 29 mei jl. is het PAS door de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:1603) vernietigd. Dit betekent dat voor projecten en plannen met toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden niet meer kan worden teruggevallen op het PAS als basis voor toestemming voor activiteiten. Het Rijk en provincies werken op dit moment aan een oplossing voor deze impasse. 31
Er geen enkele soorten of sporen hiervan aangetroffen en het projectgebied bevindt zich niet in, of in de buurt van, een speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogel- en/of Habitatrichtlijn of in de buurt van de ecologische hoofdstructuur of andere natuurbeschermingsgebieden. Door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen worden (matig en streng) beschermde soorten niet verwacht in het plangebied. Uit voorzorg is in 2019 een quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd door het onafhankelijke ecologische adviesbureau Eco Tierra. Het onderzoek heeft zich met name op de soortenbescherming en niet op het gebiedsbeschermingsdeel van de wet (Natura2000) gericht. De quickscan is gebaseerd op een bronnenonderzoek en een veldbezoek. Het veldbezoek heeft op 19 augustus 2019 plaatsgevonden. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde planten, jaarrond beschermde nesten van vogels of beschermde verblijfplaatsen van Habitatrichtlijnsoorten of niet vrijgestelde soorten waargenomen. Tevens zijn er geen exemplaren van dergelijke soorten waargenomen. Het plangebied betreft geen significant foerageergebied voor vleermuizen of vogels. Er wordt mogelijk door algemeen voorkomende vogelsoorten gebroed binnen het plangebied.
Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er in de onderzochte situatie geen procedurele gevolgen zijn ten gevolge van de voorgenomen ingrepen. → Nader onderzoek naar soorten is niet noodzakelijk; → Een ontheffing in het kader van de Wnb (soorten) is niet noodzakelijk; → Voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft; → De zorgplicht is altijd van toepassing.
Voor het gehele rapport wordt verwezen naar bijlage 3.
5.4 Verkeer Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied wordt momenteel ontsloten via de weg aan de Lentemorgen. Het plangebied ligt in een 30 kilometerzone. Thans grenzen de bibliotheek, sporthal de Lentemorgen, een bedrijven verzamelgebouw, het Liemers college en het Lentebad, allen met eigen parkeergelegenheid, direct aan de weg van de Lentemorgen. Daarnaast grenzen er 10 woningen direct aan de weg van de Lentemorgen met eigen parkeergelegenheid aan de achterzijde. Er grenzen vier aansluitende wegen op de weg van de Lentemorgen voor het bereiken van de omringende woonwijken. Verkeer Met de ontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen per etmaal zeer licht toe. Het plan betreft slechts de realisatie van één vrijstaande woning in de rest bebouwde kom van Zevenaar een matig stedelijk gebied. De extra verkeersbewegingen van de woningen zal op basis van kerncijfers van de CROW (publicatie 317) zullen circa 12 bedragen. Gezien het feit dat de Lentemorgen een 30 kilometerzone is en er een goede doorstroom van
32
het verkeer plaat vindt worden er geen problemen verwacht omtrent de verwerking van deze verkeersbewegingen. Parkeren Als gevolg van de ontwikkeling van de nieuwe woning zal de parkeerbehoefte in het plangebied toenemen. Voor een vrijstaande woning wordt uitgegaan van 2 extra parkeerplaatsen (kerncijfers CROW). Bij de woning zullen 2 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarnaast is er voldoende ruimte in het plangebied om deze extra parkeerbehoefte op te vangen. Het plan is dan ook uitvoerbaar met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren.
5.5 Kabels en leidingen In de voorbereidings- en planfase is een KLIC-melding gedaan, waarbij de in de ondergrond aanwezig kabels en leidingen in beeld zijn gebracht. Met aanwezige leidingen wordt rekening gehouden.
33
Bron: Kadaster
5.6 Cultuurhistorie en archeologie In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische
34
gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie. Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Archeologie Het groeiende besef dat de toenemende ruimtelijke ontwikkelingen en de bodemingrepen die daarmee gepaard gaan op termijn het bodemarchief vernietigen, heeft in 1992 geleid tot de Conventie van Valletta (Verdrag van Malta).
In dit Europese verdrag is vastgelegd dat het archeologisch erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter beschermd moet worden. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. In Nederland is het verdrag van Malta geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet is op 1 september 2007 van kracht geworden. Door middel van de Wamz is de omgang met het bodemarchief verankerd in onder andere de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op basis hiervan zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden. Gemeente Zevenaar Cultuurhistorie Cultuurhistorisch erfgoed in Zevenaar van 2030 Cultuurhistorie leeft. De inwoners van de gemeente zijn trots op hun verleden en de overblijfselen daarvan.
Veel van deze overblijfselen zijn als bijzondere plekken te herkennen en te beleven in het landschap. Dit komt omdat de karakteristieken van het cultuurlandschap bewaard, beschermd en versterkt zijn. De karakteristieke oude structuren van wegen, dijken, waterwegen, verkavelingen zijn samen met veelal oude lintbebouwing en hagepaden dragers van het landschap. De monumenten zijn herkenbare typeringen van een bepaalde tijd en zijn in goede staat van onderhoud. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen worden alle karakteristieken meegewogen,
35
waardoor ook het nieuwe herkenbaar is als typisch van deze streek, regio of plek. Met de toegenomen diversiteit, neemt ook de kwaliteit in de leefomgeving toe Hoofddoelen cultuurhistorie Om de beschreven geambieerde toekomstige situatie voor Zevenaar te bereiken zijn de volgende hoofddoelen van beleid geformuleerd. Deze sluiten (in de uitwerking) aan bij de algemene Kernopgaven: verbinden, diversiteit en kwaliteit: a) Beschermen, bewaren en versterken van de monumenten Concreet moeten op het gebied van cultuurhistorie het aantal elementen met een beschermde monumentenstatus uitgebreid worden. •
Er wordt gewerkt aan uitbreiding van de monumentenlijst met na-oorlogse objecten uit de wederopbouw. Onderzocht wordt wat hierbij beschermd moet blijven.
•
Met het afronden van een inventarisatie van wederopbouwobjecten en de plaatsing van dergelijke objecten op de monumentenlijst is de lijst nog niet compleet. In de toekomst worden ook weer nieuwe behoudens waardige gebouwen gebouwd. Met het loslaten van de eis dat gebouwen minstens 50 jaar oud moeten zijn voordat zij een monumenten status krijgen, is het mogelijk om al in een vroeg stadium de jonge karakteristieke gebouwen te inventariseren en te beschermen.
•
Het inventariseren en uiteindelijk beschermen van groene elementen, zoals parken,verkavelingen, hagen, bomenrijen en dergelijke draagt bij aan de beleving van het cultuurlandschap.
•
Ook het instrument van beschermde stads- & dorpsgezichten zal bijdragen aan een versterking van de cultuurhistorie.
•
Verder wordt nagedacht over de herbestemming van grote karakteristieke beeldbepalende objecten: behoud door ontwikkeling. Voor het behoud van met name grotere objecten is het van levensbelang dat zij een functie hebben om verval en sloop te voorkomen. Zevenaar zet in op het BAT-terrein. Herbestemming van oude gebouwen heeft meerdere voordelen: erfgoed blijft bewaard, het is duurzaam en het heeft een recreatieve waarde.
•
Het spreekt voor zich dat een duidelijk vergunning- en subsidiebeleid onontbeerlijk is.
b) Monumenten altijd als onderdeel van hun omgeving beschouwen Bij voorkeur moeten beeldbepalende en monumentale objecten / elementen versterkt worden in hun ruimtelijke setting. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden zij gezien als kansen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteiten en zijn daarbij niet los te zien van de omgeving. Het leidt tot een duurzamer plan en een prettige verblijfsruimte. Het leidt ook tot een grotere diversiteit en herkenbaarheid van plekken/ruimtes. c) Ontwikkelen van een cultuurhistorische waardenkaart Cultuurhistorie heeft inmiddels een volwaardige plaats gekregen binnen ruimtelijke ontwikkelingen. Een historische waardenkaart, met een inventarisatie van de cultuurhistorische structuren en elementen, is voor een
36
goede afweging een noodzaak. Het vergroot de consistentie binnen de afwegingen. Het vergemakkelijkt ook de afweging. Maar het zal wellicht ook leiden tot een versterking van bestaande grotere structuren, zoals landgoed zones, dijken, wegen, verkavelingspatronen. Cultuurhistorie vormt een volwaardige plek bij de ontwikkeling van het landschap. In het verleden zijn veel elementen en oude routes verloren gegaan. Bij veranderingen in het landschap vormt de cultuurhistorie een belangrijke pijler bij de ontwikkeling van gebieden. Oude historische elementen en structuren moeten weer herkenbaar worden gemaakt. Deze vormen verbindende schakels tussen de verschillende landschapstypen en legt een belangrijke relatie met recreatie. De door de provincie ontwikkelde “relicten en kansenkaart” voor de Rijnstrangen en het gebied ten zuiden en ten oosten van Zevenaar is een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Zevenaar. d) Cultuurhistorie versterkt recreatie en toerisme en vice versa Hierbij valt te denken aan bezoeken aan landgoederen, wandel en fietstochten over oude dijken en door historische dorpjes, uitkijkend over de uiterwaarden, met een rustpunt bij een kolk. Te denken valt ook aan een ommetje Panoven. Cultuurhistorie versterkt recreatie en toerisme.
Recreatie en toerisme zijn een stimulans in het behouden en versterken van het cultuurlandschap. e) Zevenaar staat positief tegenover ontwikkelingsplannen die bijdragen aan het behoud, het herstel en de beleving van het archeologisch en cultureel erfgoed De gemeente zal duurzame initiatieven van ondernemers ondersteunen. Beheer van bijvoorbeeld het heggenlandschap rondom Angerlo of het kleinschaliger landschap van Oud-Zevenaar en Ooy worden ondersteund en voor zover mogelijk verbeterd.
37
Bron: Structuurvisie gemeente Zevenaar 2030
Planspecifiek De molen is een gemeentelijk monument en wordt in dit plan versterkt in zijn ruimtelijke setting. Door van de molen een eengezinswoning te maken, krijgt de molen een nieuwe functie en daarmee een nieuwe toekomst. De molen is door haar vorm een unieke verschijning en zal door het plan (nog) mooier in het straatbeeld passen. De kernopgaven: ‘Bewaren, beschermen, versterken”, komen in dit plan, volledig tot hun recht.
38
Archeologie Het plangebied bevindt zich in een gebied met de archeologische aanduiding specifieke vorm van waarde – middelmatige archeologische verwachting. Dit betekent dat indien de bodemingreep van het bouwplan groter is dan 500 vierkante meter en dieper dan 0,5 archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
Bron: https://0299.ropubliceer.nl/index.asp?plannen=kaart
Gebied
Oppervlak
Diepte
specifieke vorm van waarde - vastgestelde hoge archeologische waarde (swr-vhaw) *
30
0,3
specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachting (swr-hav)
200
0,5
specifieke vorm van waarde - middelmatige archeologische verwachting (swr-mav)
500
0,5
specifieke vorm van waarde - lage archeologische verwachting (swr-lav)
2.500
0,5
specifieke vorm van waarde - onbekende archeologische verwachting (swr-oav)
2.500
0,5
specifieke vorm van waarde - oppervlaktewater (swr-ow)
2.500
0,5
39
Planspecifiek
In het projectplan wordt geen bouwplan van meer dan 500 vierkante meter en dieper dan 0,5 meter gerealiseerd en worden derhalve geen van dit soort grondwerkzaamheden verricht. Om deze reden is een onderzoek naar archeologische waarden niet noodzakelijk. Gemeente Zevenaar staat positief tegenover ontwikkelingsplannen die bijdragen aan het behoud, het herstel en de beleving van het archeologisch en cultureel erfgoed zoals de molen.
40
5.7 Economische uitvoerbaarheid In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is bepaald dat in de toelichting op het bestemmingsplan in ieder geval ‘de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan’ moeten zijn opgenomen. Dit volgt uit artikel 3.1.6 Bro. Het gaat daarbij over de financiële uitvoerbaarheid, waaronder planschade de vraag of voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om het plan te realiseren, maar ook over economische uitvoerbaarheid, of het plan in de planperiode gerealiseerd kan worden. Planspecifiek Het plan wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemers. De gemeente heeft aangegeven dat er een overeenkomst vrijwaring planschade ondertekend dient te worden, zodat mogelijke planschadeclaims niet voor risico van de gemeente komen.
41
Bijlage 1: Historische informatie
42
43
44
Originele tekening gekregen van de heer Goldewijk
45
46
47
Bijlage 2: Stikstofberekening restauratie/aanbouw molen t.p.v. Lentemorgen 122, Zevenaar
Bijlage 3: Lentemorgen 122 te Zevenaar - Quickscan flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming
48
1 1014477 Bijlage 2 Uitspraak rechtbank Gelderland
1 1014462 Bijlage 3 tekeningen terreininrichting
1 1014461 Bijlage 4 Vloeren en balklagen molen
1 1014461 Bijlage 5 Inspectierapport Monumentenwacht
INSPECTIERAPPORT 2021 objectnummer 4642 Molenromp Lentemorgen 122
Monumentenwacht Gelderland Richtersweg 21 Postbus 13 6865 ZG Doorwerth tel. 026-3391707 / fax. 026-3397211 info@monumentenwacht-gld.nl www.monumentenwacht-gld.nl www.facebook.com/monumentenwacht-gld
objectnummer 4642
INSPECTIERAPPORT
Objectgegevens Objectnummer Object Gelegen te Eigenaar/beheerder Adres eigenaar Rijksmonumentnummer Categorie Inspectiefrequentie
: 4642 : Molenromp : Lentemorgen 122 : De heer R. Langeveldt : Zonegge 17-23, 6903 GP Zevenaar : Gemeentelijk monument : 09 Molens : eenmalige inspectie
Inspectiegegevens Inspectienummer : 4642.21.6.001 Inspectie uitgevoerd door : R. de Bruijn, M. van Dinteren Inspectiedatum : 11-1-2021 Aanvang inspectie : 8.00 Einde inspectie : 10.00 Aantal inspectie-uren : 2x2 Totaal aantal uren 4,00 + 5 uur administratie = 9 uur Algemeen Dit rapport is opgesteld naar aanleiding van een eerste inspectie. Daardoor is nog geen reëel beeld van de onderhoudsgeschiedenis te geven. De constructieve toestand (casco) van de molen is redelijk en op onderdelen matig. De onderhoudstoestand is matig. Dit is een gevolg van het feit dat er met name aan het voeg- en metselwerk te weinig onderhoud is uitgevoerd. Hieronder treft u de meest urgente uit te voeren werkzaamheden in volgorde van prioriteit. Overige uit te voeren werkzaamheden en adviezen treft u aan in het inspectierapport. Het is in het belang van de monumentale molenromp dat dit herstel op zo kort mogelijk termijn wordt uitgevoerd. De huidige (schijnbaar) verlaten toestand nodigt blijkbaar uit tot vandalisme en inbraak hetgeen een bedreiging is voor het voortbestaan (denk aan brandstichting). De meest recente adresbladen, informatiebladen, brochures en publicaties kunt u vinden op de website van Monumentenwacht Gelderland (www.monumentenwacht-gld.nl). Als oriëntatie is aangehouden: grote toegangsdeuren aan de Lentemorgen = westzijde. Aanbevolen werkzaamheden in volgorde van prioriteit onderdelen
rubriek
technische staat termijn
-
herstel elf balkkoppen grotendeels vervangen voegwerk
3.1.2-3.1.5 1.2.2
5-10 jaar z.s.m.
-
1.2.2 1.5 2.2.5 en 2.3
aangetast matig
z.s.m. z.s.m.
-
enig herstel metselwerk (circa 20 m2 losse schil en plaatselijk inboetwerk) herstel deuren vervangen dakbedekking op betonvloer en verbeteren aansluitingen op borstwering en afdekking daarvan vervangen lichtkoepel op platte dak. enig herstel pleisterwerk interieur vervangen hwa en vergaarbak behandelen gietijzeren ramen
aangetast grotendeels slecht delen slecht
2.5.4
matig
z.s.m.
lek roestig/breuk
z.s.m. z.s.m.
-
herstel betonrot kapdek
2.6 1.4.3, 1.7.1, 1.7.2 3.1.6
schade
2-3 jaar
-
inspectienummer 4642.21.6.001
gelijktijdig
pagina 2
objectnummer 4642
INSPECTIERAPPORT
-
vervangen ladders en trappen
3.2
Bereikbaarheid en toegankelijkheid Alle delen van het gebouw zijn veilig bereikbaar of toegankelijk voor inspectie. Bijlagen - schematische weergave vloeren en balklagen en aangetroffen gebreken Uitgevoerde werkzaamheden door de Monumentenwacht - geen Verwerkte materialen - geen
inspectienummer 4642.21.6.001
pagina 3
Rubriek
Kwalificatie*
Toelichting
Objectnummer 4642 Molenromp
1. GEVELS De molen gezien van de westzijde
De molen gezien vanaf de noordzijde.
De molen gezien vanaf de oostzijde.
De molen gezien vanaf de zuidzijde.
* G = goed R = redelijk M = matig S = slecht
inspectienummer4642.21.6.001
pagina 4
Rubriek
Kwalificatie*
1.1 Funderingen - funderingen; algemeen 1.2 Gevels 1.2.2 Molenromp Metselwerk - metselwerk algemeen
Toelichting
Objectnummer 4642 Molenromp
Voor zover waarneembaar en gezien de kwaliteit van het opgaande muurwerk.
R Betreft dik en massief metselwerk. Aan de westzijde is bij een gedeelte bovenin de romp geconstateerd dat dit hol klinkt. Zeer waarschijnlijk staat in dit gedeelte een schil van een halfsteens dikte “los” van het achterliggende metselwerk. Dit is een gebrek dat vaker voor komt bij dik massief metselwerk en is het gevolg van spanningen door temperatuurschommelingen en ook vorst. Herstel is het beste uit te voeren door op regelmatige afstand (circa 40cm raster) roestvrijstalen ankertjes aan te brengen en te bevestigen (bijvoorbeeld met chemische ankers) in het gezonde metselwerk en deze in de buitenschil vast te voegen.
- bovenste halve meter metselwerk
M
Hierin klinken met name de strekken los hetgeen betekent dat ze “los” liggen. Bij herstel is het dus verstandig om vooraf rekening te houden met noodzaak tot uitgebreider herstel dan alleen vervangen van voegwerk. Stenen zullen uitgehakt en opnieuw ingemetseld moeten worden.
- metselwerk en bouwsporen Op ongeveer 4 meter boven het huidige maaiveld is te zien dat globaal tegen de zuidelijke helft van de molen een aanbouw heeft gestaan (blauwe pijl). De dakaansluiting is destijds uitgevoerd in bitumen en een specierand. Boven de beltdeuren is een oorspronkelijke loodstrook te zien voor een waterdichte aansluiting met een invaartdek (rode pijl). De onderste delen van de molenromp (die dus in de belt gezeten hebben) lijken van een mindere (rode) kwaliteit steen te zijn maar dat is gevoelsmatig beoordeeld (groene pijl). Aan de westzijde is een gietijzeren raam boven de beltdeuren dichtgemetseld (gele pijl). Aan de noordzijde is een oude doorbraak weer dicht gemetseld. Het is goed te vernemen dat dergelijke bouwsporen in de nieuwe situatie gehandhaafd worden of weer gebruikt als doorgang om zo min mogelijk afbreuk te doen aan het monument.
* G = goed R = redelijk M = matig S = slecht
inspectienummer4642.21.6.001
pagina 5
Rubriek Voegwerk - voegwerk platvol
Kwalificatie*
Toelichting
Objectnummer 4642 Molenromp
M Het voegwerk varieert in kwaliteit van zeer slecht en diep uitgesleten (westzijde en op rollaag) tot vrijwel intact (klein deel oostzijde). Deels is in het verleden al eens herstel uitgevoerd in cementgebonden mortel die (gelukkig) niet al te hard is. Het grootste gedeelte van het voegwerk is dusdanig uitgesleten dat het aan te bevelen is om het gehele gedeelte dat niet ingekapseld wordt door de geplande nieuwbouw, opnieuw te voegen. Plaatselijk zal het voegwerk vrij diep moeten worden uitgehakt om tot op een gezonde achterliggende legmortel te komen.
- opmerking hydrofobeerlaag
Naar verluidt is het metselwerk aan de buitenzijde behandeld tegen indringen van vocht door middel van hydrofoberen. Toegepaste middel is onbekend. Bij het aanbrengen van een voegmortel is het belangrijk om hiermee rekening te houden omdat dit gevolgen heeft voor de te kiezen voegmortel. Voegen dient te geschieden met een hoofdzakelijk kalkgebonden mortel omdat deze qua eigenschappen het beste past bij de aanwezige legmortel die ook hoofdzakelijk uit kalk zal bestaan. Opnieuw hydrofoberen wordt zeker niet aanbevolen. Herstelwerkzaamheden aan monumentaal metselwerk en voegwerk in monumentaal metselwerk dient volgens de uitvoeringsrichtlijnen historisch metselwerk (URL 4003) EN voegwerk (URL 4006) van stichting ERM te worden uitgevoerd. Deze zijn gratis te downloaden via de website van de stichting ERM. Het is zeer aan te bevelen om het herstel uit te laten voeren door een ter zake deskundig restauratie voegbedrijf.
- aanvullend advies metselwerk en voegwerk
- muurverfafwerking ter plaatse van invaartdeuren 1.3 Pleisterwerk - pleisterwerk aan binnenzijde van de borstwering om het platte dak
R
S Het pleisterwerk betreft een cementgebonden laag die in feite veel te hard is voor het metselwerk. Het vertoont scheurvorming, losstaande delen en is plaatselijk weggevallen. Daarbij is ook schade zichtbaar aan het achterliggende metselwerk.
* G = goed R = redelijk M = matig S = slecht
inspectienummer4642.21.6.001
pagina 6
Rubriek
Kwalificatie*
- advies borstwering
1.4 Vensters 1.4.3 Gietijzer/staal - acht gietijzeren ramen
Objectnummer 4642 Molenromp Toelichting Aan de westzijde vertoont het pleisterwerk een horizontale geleding die duidt op losliggende lagen in het achterliggende metselwerk. Het pleisterwerk komt voor herstel (grotendeels vervangen) in aanmerking. Hierbij rekening houden met herstelwerkzaamheden aan het achterliggende metselwerk. De mate en noodzaak van herstel is afhankelijk van de keuze voor afwerking van de binnenzijde van de borstwering. Hoe beter deze afwerking bescherming biedt, deste minder noodzakelijk is uitgebreid herstel.
Teneinde een goede bescherming te verkrijgen van de bovenzijde van de rollaag én een goede waterdichte aansluiting op de bitumenbedekking van het platte deel is het te overwegen (aan te bevelen) om tegen de binnenzijde van de borstwering ook een dakbedekking aan te brengen. Dat kan bitumenbedekking of kunststof zijn maar ook zink, koper of dergelijke. In combinatie met een deugdelijke afdekking op de rollaag kan zo een duurzaam waterdicht geheel verkregen worden. De afdekking op de rollaag zou bijvoorbeeld uitgevoerd kunnen worden in zink of koper dat geventileerd op een houten ondergrond wordt aangebracht.
R Het ijzerwerk van de ramen vertoont zowel aan de binnen- als buitenzijde roestvorming. Mede daardoor zijn ook ruiten gebarsten. Meerdere ruitjes zijn op minder deugdelijke wijze vervangen gebruikmakend van kit (plaatselijk tegen de binnenzijde). Het westelijke raampje van de meelzolder (foto) is in het verleden dichtgemetseld maar nog wel aanwezig. De roestvorming op deze ramen is feitelijk alleen goed te verwijderen wanneer de beglazing wordt uitgehaald en het ijzerwerk goed ontroest en behandeld wordt. Dit kan in situ en is zeker aan te bevelen.
1.5 Deuren, poortjes, toegangen - houten invaartdeuren westzijde
M Beide deuren worden aan de onderzijde aangetast door houtrot en komen voor herstel in aanmerking. Bij aanscherven van de schroten is het van belang dat ruim om de aantasting heen wordt afgezaagd en vervangen om te voorkomen dat sporen van de houtrot aantasting aanwezig blijven en opnieuw houtrot ontstaat. Kops hout tussen de oude en nieuwe delen dient vooraf goed behandeld te worden met verdunde grondverf. Ook delen die tegen elkaar worden bevestigd en nadien dus niet meer behandeld kunnen worden. Dit voorkomt intrekken van vocht en verkleint dus de kans op houtrot.
* G = goed R = redelijk M = matig S = slecht
inspectienummer4642.21.6.001
pagina 7
Rubriek - deurkozijn met toegangsdeuren achter de invaartdeuren - noordelijke toegangsdeur
Kwalificatie* M
Objectnummer 4642 Molenromp Toelichting Dit is een moderne toevoeging. nog slechts ten dele aanwezig en komt voor vervanging in aanmerking.
M De deur wordt aan de onderzijde door houtrot aangetast en komt voor herstel in aanmerking. Hoogstwaarschijnlijk is dit een deuropening die aangebracht is nadat de belt verwijderd is.
1.7 Glas/schilderwerk 1.7.1 Beglazing - enkelglas in stopverf in de gietijzeren ramen
M
1.7.2 Schilderwerk Buitenschilderwerk - schilderwerk invaart deuren en noordelijke deur
S Het schilderwerk is schraal. Na herstel van het houtwerk van de deuren komt het schilderwerk voor behandeling in aanmerking. S Het ijzerwerk vertoont zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde roestvorming.
- schilderwerk gietijzeren ramen Binnenschilderwerk - binnenschilderwerk aansluitend met het vensterglas; algemeen 1.8 Diversen - gevelankers
Als gevolg van de roestvorming op de gietijzeren ramen breken ruitjes. Om dit goed te kunnen behandelen is het dus aan te bevelen om de beglazing te verwijderen. Daarbij zullen de bestaande ruitjes vrijwel zeker breken en dus vervangen moeten worden.
M
Het is belangrijk om de glasaansluitingen goed waterdicht te houden. Gevelankers ontbreken. Deze zijn voor zover dit te beoordelen is ook nooit aanwezig geweest. Gevolgen heeft dit blijkbaar niet gehad en dus is het aanbrengen ervan niet noodzakelijk.
2. DAKEN 2.1 Kapconstructies 2.1.1 Hout - algemeen
* G = goed R = redelijk M = matig S = slecht
De oorspronkelijke molenkap is inclusief kruiwerk in het verleden verwijderd.
inspectienummer4642.21.6.001
pagina 8
Rubriek
Kwalificatie*
2.2 Dakbedekking 2.2.5 Bitumen - bitumineuze dakbedekking APP
2.3 Aansluitingen - muurlood boven platte dak
M
Toelichting
Objectnummer 4642 Molenromp
De bedekking is vrij oud en hard geworden maar nog wel waterdicht. Op de bedekking blijft water staan als gevolg van een verkeerd afschot. Het is aan te bevelen om de gehele bedekking te vervangen en dan een bedekking op afschot (kan isolatiemateriaal zijn) aan te brengen. Advies om dan een gemineraliseerde SBS bitumen toe te passen omdat daar minder schadelijke zuren uit komen dan uit APP. Zie ook opmerking bij rubriek 1.3 advies borstwering.
R Het muurlood is te lang. Hierdoor kan door capillaire werking lekkage ontstaan. Tevens is het lood vrij dun, aan elkaar en op de bitumenbedekking gekit (om lekkages te voorkomen?) en de bevestiging in de muur is plaatselijk los geraakt. Door weggevallen delen pleisterwerk kunnen lekkages ontstaan. Zie rubriek 1.3 advies borstwering.
2.4 Dakopeningen 2.5.4 Luiken - dakluik (raam) met kunststof golfplaat
M Het oorspronkelijke draadglas is naar verluidt gesneuveld door vandalisme. De opstanden zijn waarschijnlijk om lekkages te voorkomen met bitumenband beplakt. Advies om een deugdelijke uitstaplichtkoepel aan te brengen.
* G = goed R = redelijk M = matig S = slecht
inspectienummer4642.21.6.001
pagina 9