CConstaterende datZevenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Raadsvergaderingen 2022-2026 6 juli 2022, gemeente Zevenaar26.658 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

15

Afbeelding: De veerpont Culemborg II rond de jaren zestig (foto veerdienst Culemborg) Landschap en ecologie In het kleine waterrijke Nederland zijn beeldbepalende elementen van belang bij de typologie van het landschap. Bij rivieren, kanalen en overige waterlopen zijn de oevers, de dijken en de kunstwerken (bruggen en dergelijke) beeldbepalende elementen. Maar ook molens en (veer)boten behoren onlosmakelijk bij dit beeld. Daarbij beperken veerdiensten het ruimtebeslag door de fysieke infrastructuur die nodig zou zijn als alle verkeer over wegen zou moeten worden geleid. Dit heeft onmiskenbaar invloed op het landschap, de leefomgeving van bewoners en de ecologische waarde van een gebied. Economie Het economisch belang van veren is als enige belang beter kwantificeerbaar. Het directe economisch belang bestaat volgens Mark Hoekstra uit het aantal overzettingen, de omzet die veerdiensten realiseren en het aantal personen/fte’s dat er werkt.

2.3 De waarde van de overzettingen Er worden twee soorten veerdiensten onderscheiden, utilitaire veren en recreatieve veren. Een veerdienst die reizigers overzet met als reismotief werk, school, familie- of winkelbezoek, kan worden getypeerd als een utilitaire veerdienst. De overige veren zetten reizigers over met een recreatief motief. Utilitaire veren Utilitaire veerdiensten zijn het gehele jaar in de vaart en de autoveren vormen vaak een schakel in de logistieke afwikkeling van bedrijven. Uit het onderzoek van Hoekstra uit 2016 blijkt dat het totaal aantal Nederlandse autoveren 50 stuks bedraagt. Volgens de rapportage van Twijnstra en Gudde (bijlage 4; Overzicht en locatie veren) varen in Gelderland op basis van de dienstregeling ongeveer 22 utilitaire veren het hele jaar door. Dit zijn voornamelijk autoveren. Het is wellicht overbodig om te vermelden, maar autoveren zetten niet alleen (vracht)auto’s over, maar ook aanzienlijke aantallen fietsers en voetgangers met uiteenlopende reismotieven.

16

Als we een aantal cijfers dat Hoekstra heeft verzameld over de utilitaire zoete veren in Nederland op vergelijkbare wijze voor Gelderland invullen resulteert dat in de volgende tabel:

Autoveren Fiets/ voetvr

Aantal zoete utilitaire veren Nederl. 2016

Over zett. in ml. Nederl. 2016

Omzet in ml. Nederl. 2016

Fte NL

Aantal utilitaire veren

Over zett. Mlj

50

22,92

23,2

20

2,33

2,6

Fte Geld.

Gelderland

Omzet ml Geld. 2020

Gelderland

293

18

7,3

7,4

94

65

4

0,7

0,8

21

2020

2020

Totaal 70 25,25 25,8 358 22 8 8 115 Tabel: directe economisch belang betaalde utilitaire zoete veren Nederland en Gelderland Gelderland beschikt over 22 utilitaire veren en dat is nationaal gezien ongeveer zowel een derde deel van het totale aantal utilitaire veren als van het nationale aantal autoveren. Dit is gebruikt als basis om de tabel verder in te vullen met de cijfers over Nederland uit 2016 als basis. Hierbij zijn de zo verkregen afgeronde rekenkundige resultaten cursief aangegeven. Waar mogelijk zijn deze cijfers ter controle vergeleken met gegevens uit de jaarrekeningen van veerdiensten, verstrekt aan de Stichting Veren Gelderland (Verenfonds), met de resultaten van antwoorden van veerexploitanten en gemeenten op de schriftelijke vragen en met de inhoud van de interviews met exploitanten en betrokken partijen. Hoekstra brengt de economische effecten van de overzettingen in beeld met de Economische Impact Studie methode. Hiermee wordt berekend met welk gemiddeld bedrag/waarde een gebruiker gecompenseerd dient te worden voor de extra reistijd (tijd is geld) en de extra reiskosten bij het wegvallen van de veerdienst. Dit bedrag per gebruiker wordt vermenigvuldigd met het totaal aantal overzettingen. Hoekstra gebruikt in zijn onderzoek 17,3 km als gemiddeld aantal omrijdkilometers voor het omrijden met de auto/fiets/openbaar vervoer.

De berekende waarde aan extra reistijd (€ 4,38) en reiskosten (€ 3,97) bedraagt in totaal € 8,35 gemiddeld per gebruiker per keer. Dit bedrag wordt vervolgens vermenigvuldigd met het totaal aantal overzettingen per jaar. Dit is in de onderstaande van Hoekstra overgenomen tabel weergegeven.

Tabel: waarde berekening veerdiensten Nederland uitgesplitst naar reiskosten en reistijd (Hoekstra, 2016)

17

Hoekstra telt bij de betaalde utilitaire veren -die samen bijna 25 miljoen passagiers overzetten- ook de gratis veren (zonder overzettarief) op, die goed zijn voor ruim 18,5 miljoen passagiers. In Gelderland vaart slechts een enkel gratis veer. Op basis van ruim 43 miljoen overzettingen in Nederland per jaar komt Hoekstra uit op een totale waarde berekening van ruim € 364 miljoen. Kijken we alleen naar de betaalde utilitaire veren dan ligt de waarde berekening op basis van 25 miljoen overzettingen op afgerond € 209 miljoen. We passen de methode om de waarde te berekenen met kengetallen vrij toe op het aantal overzettingen per jaar in Gelderland. Daar komt op basis van afgerond 8 miljoen Gelderse overzettingen met utilitaire veren een waarde uit van € 67 miljoen. In de motie van Provinciale Staten uit 2018 wordt overigens een getal van 9,6 miljoen overzettingen genoemd. Het rapport van Twijnstra&Gudde geeft geen totaal aantal overzettingen aan. In de overzettingen van de utilitaire autoveren zit een groot deel aan auto overzettingen. Daarvan wordt alleen de auto geteld en niet het aantal inzittenden omdat dit in de prijs van een autokaartje zit verdisconteerd. Als we spreken over een geschat aandeel van 40% auto’s dan spreken we al gauw over ruim drie miljoen extra overzettingen.

Daarmee ligt het totaal aantal overzettingen met utilitaire veren in Gelderland eerder rond de 11 miljoen. De waarde van deze overzettingen bedraagt dan afgerond circa € 92 miljoen. Recreatieve veren In Nederland varen ca. honderd recreatieve fiets/voetveren en twaalf voetveren. Volgens Hoekstra zetten de nationale recreatieve veerdiensten in 2016 afgerond 2,2 miljoen passagiers over met een eigen omzet van € 4 miljoen. Deze overzettingen gebeuren naast de recreatieve overzettingen op utilitaire veren. Hoekstra rekent met de waarde die de recreatieve gebruiker maximaal bereid is te betalen voor een overtocht. Deze in vergelijking met de utilitaire veren aanmerkelijk lagere waarde wordt verminderd met de kosten van een overtocht en vervolgens vermenigvuldigd met het totaal aantal overzettingen per jaar. Dit totale waarde van de overzettingen van deze recreatieve veren in Nederland is volgens Hoekstra gelijk aan € 32,1 miljoen per jaar. In Gelderland varen met 26 stuks betaalde recreatieve veren ongeveer een vijfde van het nationale aantal recreatieve veren. Dat betekent dat de waarde van de recreatieve overzettingen voor Gelderland geschat een vijfde van dat bedrag bedraagt, dus ongeveer € 6,4 miljoen.

18

2.Vervoerskundig belang: twee voorbeelden Naast de financiële gevolgen voor exploitanten en gemeenten raakt het stoppen van een veer de belangen van de passagiers. Om dit enigszins in beeld te brengen zijn als voorbeeld van twee veren de vervoerskundige aspecten in beeld gebracht. Hiervoor zijn uit de twee categorieën veren de twee veren gekozen die de grootste aanspraak maken op een bijdrage uit het verenfonds; het fiets-voetveer Tiel-Wamel in de gemeente Tiel en het autoveer Brakel-Herwijnen in de gemeente Zaltbommel. Infographic van het veer Tiel-wamel

Voor Tiel en omstreken is het veer Tiel-Wamel zeer belangrijk. Tiel is een winkelstad met een regionaal verzorgende functie. Met de wekelijkse warenmarkt en meer dan 200 winkels en horecabedrijven trekt Tiel het hele jaar bezoekers uit de omstreken. In de zomermaanden is Tiel het podium van enkele grote evenementen zoals Appelpop en het Fruitcorso. Het regionale ziekenhuis Rivierenland, de bedrijventerreinen waaronder Medel (270 hectare), hebben voor hun bereikbaarheid veel baat bij het Tielse voet/fietsveer Pomona en dat blijkt uit de forse aantallen overzettingen. Het is de enige fiets- (en P&R-) verbinding voor scholieren van de regionale scholengemeenschap RSG-Lingecollege. Dit geldt ook voor tal van andere onderwijs-, maatschappelijke en culturele voorzieningen in Tiel en voor het Land van Maas en Waal. Recreatief/toeristisch gezien is het veer zeer belangrijk om fiets- en wandelroutes met elkaar te verbinden en voor een rondje dijken langs de Waal.

19

Regionaal: afgezien van een recreatieve veerverbinding ter hoogte van Varik is dit voor fietsers en voetgangers de enige oeververbinding over de Waal tussen Echteld en Zaltbommel (omrijdkilometers circa 1,1 miljoen per jaar). Bovendien leidt het opheffen van deze veerverbinding naar verwachting tot verlies van scholieren en bezoekers van andere maatschappelijke instellingen met een regionale functie, zoals de culturele instellingen en de zorginstellingen in Tiel. Infographic van het autoveer Brakel-Herwijnen

Voor het Gelders gebied tussen de A27 en de A2, een groot deel van de Bommelerwaard, is het veer Brakel-Herwijnen in de gemeente Zaltbommel voor de noordzuidverbinding van groot belang. Het veer is onder “normale” omstandigheden van bovenlokaal tot regionaal belang en behartigt, indien er files staan op de rijkswegen, een landelijke functie. Dit veer verzorgt dagelijks ca. 60 vaarten met, op jaarbasis, gemiddeld ca. 450.000 tot 500.000 overzettingen, waarvan: Woon-werkverkeer:40% Woonschoolverkeer: 20% Winkelfamiliebezoek:20% Toeristisch gebruik: 20 % De omrijdkilometers, in het geval dit veer weg zou vallen, bedragen voor alle verkeer minimaal 17,3 km, enkele reis; in totaal ruim 8,3 miljoen kilometers per jaar. Voor het autoverkeer bedraagt de omrijdtijd ongeveer 20 minuten. Daarnaast is, als dit veer zou komen te vervallen, min of meer sprake van een sociaal isolement van een deel van de Bommelerwaard.

20

2.5 Samenvattend In dit hoofdstuk zijn de belangen van de veren in het algemeen en voor Gelderland kort aangegeven. Deze zijn enorm en reiken veel verder dan op het eerste gezicht wordt aangenomen. Ze raken aan bijna alle facetten van ons dagelijks leven. Helaas is de kwalitatieve waarde van deze belangen voor bijvoorbeeld ons sociale leven, het toerisme, het milieu of onze (cultuur)historie moeilijk te becijferen. Het economisch belang van de veren is als enige belang (beter) kwantificeerbaar en dat geeft een indicatie aan welke waarde omvang we moeten denken bij de Gelderse veren Ter indicatie van het aantal overzettingen van de veren kunnen we stellen dat de utilitaire Gelderse veren afgerond 8 miljoen overzettingen realiseren en de recreatieve Gelderse veren 0,45 miljoen overzettingen, samen afgerond 8.5 miljoenoverzettingen. Inclusief het aantal inzittenden van personenauto’s ligt het aantal overzettingen in Gelderland jaarlijks eerder richting de 11 miljoen. De prijs van een overzetting van een personenauto is namelijk inclusief inzittenden en dat zijn er gemiddeld twee per auto. De waarde van het economisch belang van de overzettingen op utilitaire Gelderse veren bedraagt op basis van een grove doorrekening van kengetallen uit 2016 indicatief € 92 miljoen.

Samen met de waarde van de overzettingen door de betaalde recreatieve Gelderse veren kunnen we denken aan een indicatief bedrag van € 98 miljoen. Bij dit bedrag dienen de bestedingen opgeteld te worden die (fietsende) recreanten doen bij het gebruik van recreatieve veren aan horeca en winkels in de buurt van de route naar de veerdienst. Menig veerhuis bloeit met de komst van het goede weer en daarmee van de fietsende toeristen jaarlijks op. Datzelfde geldt voor horecaterrassen die een flink graantje meepikken van de fietsende toerist die daar dorstig tijdens een rondje dijken neerstrijkt. Nationaal gezien komt Hoekstra daarvoor op een bedrag van € 12 miljoen. Dit betekent voor Gelderland, waar ongeveer een vijfde van het nationale aantal betaalde recreatieve veren vaart, nog eens een geschat bedrag van € 2,4 miljoen extra. In totaal bedraagt de economische waarde van de overzettingen in Gelderland, geschat op basis van kengetallen, daarmee rond de € 100 miljoen per jaar. Dit bedrag kan gezien worden als een becijfering van de materiële opbrengsten van de veren. De immateriële opbrengsten zijn in dit hoofdstuk wel aangeduid maar het is bijna onmogelijk deze te becijferen. Waarschijnlijk zijn zij veel groter dan de materiele opbrengsten. Tenslotte.

In Nederland zijn naar schatting van Hoekstra een kleine 600 FTE in dienst bij de utilitaire veren en er zijn ruim 840 vrijwilligers bij de recreatieve veren actief. Omgerekend naar aantal veren betekent dit dat in Gelderland afgerond naar schatting ongeveer 150 FTE werkzaam zijn bij de utilitaire veren en 180 vrijwilligers bij de recreatieve Gelderse veren. Alleen al de Recreatiemaatschappij Uitwaarde biedt aan ruim 150 vrijwilligers werk op hun tien toeristische veren. Ook dit kan zowel als een materiële als een immateriële opbrengst worden beschouwd.

21

3. Het Gelders verenfonds 3.1 Inleiding Een gesprek over de toekomst van de Gelderse veren kan niet plaatsvinden zonder de wijze van ondersteuning door het verenfonds van de Stichting Veren Gelderland te kennen. In 1995 is de Stichting Veren Gelderland opgericht en het doel is in de statuten in artikel 2 letterlijk omschreven als:

Het verenfonds in Gelderland bestaat ruim 25 jaar en heeft in die periode een groot aantal (jaarlijkse) uitkeringen aan gemeenten verricht. De statuten, een modellenboek en het subsidiereglement vormen de basis voor de activiteiten van de stichting die door de achtereenvolgende besturen zijn ontplooid. Het modellenboek (laatste herziening 2010) kent de volgende bijlagen als voorgeschreven stukken voor een subsidieaanvraag van een gemeente: 1. Checklist bij een ‘Verzoek om een bijdrage’; 2. Model exploitatierekening met toelichting; 3. Model exploitatiebegroting met toelichting; 4. Modelberekening van de personeelsformatie; 5. Model ‘kleine aanvraag’ fiets-/voetveer; 6. Accountantsverklaring of samenstellingsverklaring.

3.2 Toetsing subsidieaanvragen De procedure voor een aanvraag is sinds de start in 1995 ongewijzigd gebleven. De veerexploitant dient bij de desbetreffende Gelderse oevergemeente(n) voor 1 mei een exploitatierekening met subsidieaanvraag over het afgelopen jaar in. De oevergemeente beoordeelt de subsidieaanvraag en bepaalt de bijdrage aan de exploitant binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag. Jaarlijks verstrekt de oevergemeente de minimumadviesprijzen voor de tarieven, en ook bepaalde financiële uitgangspunten voor het

22

opstellen van de exploitatiebegroting en de exploitatierekening aan de veerexploitant. Dit zijn richtlijnen uit het modellenboek. Het is de oevergemeente die in eerste instantie de regie heeft en een toets doet op de stukken. Vervolgens wordt door Burgemeester en Wethouders van die gemeente een schriftelijk verzoek gedaan voor een bijdrage aan het bestuur van de Stichting Veren Gelderland. Bij de Stichting Veren Gelderland vindt een toets plaats waarbij de stichting de aanvraag formeel beoordeelt of deze compleet is en passend binnen de systematiek van het modellenboek van het Verenfonds. Procesmatig en inhoudelijk wordt de toetsing beoordeeld aan de hand van de criteria uit het modellenboek. Ambtelijk wordt dit gedaan door medewerkers van de provincie Gelderland. De provincie factureert voor deze ambtelijke diensten jaarlijks een bedrag (€ 19.000 in 2020) aan het verenfonds. Zij verzorgt de administratieve afwikkeling van de subsidieverlening, de financiële administratie en de verslaglegging. De controle is procesmatig en financieel en is veelal identiek aan wat de gemeenten doen. Als de aanvraag klopt, wordt ambtelijk tot uitkering besloten. Verantwoording aan het bestuur vindt plaats in de jaarrekening. Het bestuur vergadert tweemaal per jaar en stelt dan de begroting en de jaarrekening vast.

3.3 Analyse uitgaven en inkomsten verenfonds De uitgaven Voor de autoveren is over de afgelopen tien jaar volgens de jaarverslagen op deze wijze jaarlijks gemiddeld ruim € 700.000,-- aan gemeenten uitgekeerd als bijdrage in het exploitatietekort voor zeven autoveren. In totaal voor tien jaar dus € 7.000.000,--. De hoogte van de subsidie vanuit het verenfonds is gebaseerd op een percentage van het vastgestelde jaarlijks exploitatietekort van een veer: Autoveer Voet- en fietsveer

80 % subsidie 35 % subsidie

De gemeente(n) staat dus voor 20 respectievelijk 65% van het exploitatietekort aan de lat. Als een veer interprovinciaal vaart dan bedraagt de subsidie maximaal de helft van bovengenoemde percentages. Sommige net Gelderse oevergemeenten dragen vrijwillig voor een deel bij in het tekort, maar niet alle. Bij verschillende oevergemeenten in provincie Gelderland krijgt elke gemeente de helft. Het verenfonds subsidieert alleen het exploitatietekort van de veren. Investeringen worden niet gesubsidieerd. Echter rente en afschrijving op investeringen (20 tot 40 jaar) maken expliciet onderdeel uit van het exploitatietekort van veren. Investeringen worden dus indirect toch gesubsidieerd. In het overzicht op de volgende pagina staan de uitkeringen uit het verenfonds over de periode 2010 tot 2020 aan gemeenten voor de autoveren op een rij; het gaat om 8 uitkeringen aan gemeenten ten behoeve van 7 veren. De gemeenten Wageningen en Neder-Betuwe krijgen elk een gelijk bedrag voor hetzelfde veer. Uit de tweede kolom blijkt dat in de meeste gevallen (zesmaal) de ondersteuning bedoeld is voor een particulier veer. In slechts twee gevallen worden gemeentelijke veren ondersteund, beide in de gemeente Zaltbommel. De hoogte van het totaal aan uitkeringen loopt langzaam op van ruim vijf ton in 2010 naar ruim acht ton in 2020.

Het zijn met name de uitkeringen voor de veren Brakel-Herwijnen (investering in verduurzaming van het veer Brakel in 2010) en Dieren-Olburgen (nieuwbouw) die voor deze stijging zorgen.

23

Bron: Stichting Verenfonds Gelderland

24

532672

20.482 25.160 54.153 54.153 311.062 67.662

2010

596774

18.207 45.724 54.358 54.358 367.456 56.671

2011

655451

17.742 48.050 67.191 67.191 398.924 56.353

2012

Gorssel - Wilp Tiel-Wamel Millingen aan de Rijn Gendt - Millingen Hattem/'t Kleine Veer Drielse voetveer Varik-Heerewaarden Rheden-Rhederlaag Druten-Dodewaard Batenburg-Demen Nunspeet-Biddinghuizen Ermelo-Zeewolde Beuningen-Slijk Ewijk Ravenstein-Niftrik Rhenen-Lienden Renkum - Heteren Heerewaarden - Lith Zaltbommel Waterbus Brakel Loevestein Liniepont totaal

Exploitatie per jaar:

part/gem part gem part part gem part part part part part part part part part part part part part part

3.574 geen aanvr 8.750 8.750 3.320 3.325 2.800 geen aanvr 13.461 13.461

177248

7.147 8.750 2.975 geen aanvr

182164

7.147 8.750 2.975 2.800

161458

11.041 8.750 2.975 2.800

185156

9.292 8.750 2.975

184520

190730

181600

184267

7.000 7.720 6.048 2.578 7.000

162861,28

8.750 3.319 3.000 13.461 5.005 29.683

13461 4315,5 43871 3.325 185897,07

8.750 3.325

5.765 5.197 5.088 24.230 7.000 7.815 5.927 2.625

8.667 21.546 7.000 7.815 6.048 2.625

8.890 24.006 7.000 7.465 5.460 2.555

7.252 20.178 7.000 7.465 5.460 2.555

7.473 27.983 6.580 13.696 5.460 2.555

6.368 21.614 6.580 11.786 5.460 2.555

7.481 18.733 6.878 13.463 5.103 2.665 550 7.347 8.750 2.975

6.327 14.965 5.922 11.898 4.974 2.665 1.677 17.856

6.136 2.555

38.707 41.032

2019 35.151 43.604

2018

32.993 63.239

2017

812864,8

22.386 67.034 59.739 59.738 435.467 151.527 16.974

2019

14.202 87.254

2016

814548

18.617 64.248 58.842 58.842 384.790 178.767 24.769 25.673

2018

22.565 85.351

2015

676363

8.722 56.172 58.352 58.352 357.892 100.000 13.841 23.032

2017

22.360 67.516

2014

649515

19.794 57.562 57.710 57.710 364.848 54.090 12.223 25.578

2016

23.819 72.024

2013

812774,4

19.612 66.740 58.008 58.008 456.466 103.066 26.299 24.575

2015

22.847 86.293

2012

712018

19.354 66.284 57.144 57.144 362.922 109.906 17.043 22.221

2014

22.330 94.455

2011

712258

19.265 52.202 61.108 61.108 394.387 71.788 24.125 28.275

2013

21.981 93.335

2010

Fiets- en voetveren, bijdragen aan gemeenten 35%

totaal

Zaltbommel - Nederhemert Zaltbommel - Aalst Veen Wageningen - Opheusden Neder-Betuwe- Opheusden Zaltbommel - Brakel Herwijnen Dieren - Olburgen Alem-Maren Kessel Maasbommel-Megen

part/gem part gem part part gem part part part

Autoveren, bijdragen aan gemeenten 80%

Exploitatie per jaar:

0

2020

0

2020

Daarnaast zijn er de fiets- en voetveren. In het overzicht hiervoor staan de uitkeringen uit het verenfonds over de periode 2010 tot 2020 aan gemeenten voor de fiets- en voetveren op een rij. In het overzicht ontbreken de gegevens van twee van de 19 veren volledig: Millingen aan de Rijn-Pannerden en Gendt-Millingen. Zij tellen dus niet mee, net als Nunspeet-Biddinghuizen dat al jaren geen bijdrage meer nodig heeft. Er zijn 17 veren die (deels) in deze periode een uitkering via de gemeente gekregen hebben. Over 2019 hebben 13 fiets- en voetveren via de gemeente een uitkering mogen krijgen. Ook uit dit overzicht blijkt dat van de ondersteunde veren de meeste in particuliere handen zijn, vaak van een stichting; er zijn slechts twee gemeentelijke veren in het rijtje opgenomen. In negen van de gevallen zijn de bijdragen in de exploitatie bescheiden en liggen ruim onder de tienduizend euro. In de laatste twee jaar zijn het drie fiets- voetveren veren die twee derde deel van de totale bijdragen aan exploitaties voor hun rekening nemen. Bij het veer Tiel-Wamel daalt het langjarig tekort ieder jaar structureel. In de periode 2010 tot 2020 lag de gemiddelde totale uitkering voor de voet/fietsveren samen jaarlijks rond de € 180.000. In totaal is voor de voet/fiets- en de autoveren samen jaarlijks bijna € 1.000.000,-- uitgekeerd.

De inkomsten De inkomsten van het Verenfonds bestonden uit aanzienlijke incidentele donaties vanuit de Gelderse Gemeenten en de provincie Gelderland in 1995 (ieder 8 miljoen gulden) en het rijk en de provincie Gelderland in 2007 (samen ca. € 8 miljoen waarvan het rijk via BDU ca. € 3 miljoen en de provincie € 5 miljoen) en jaarlijkse bijdragen van de provincie van € 160.000 vanuit het beleidsveld recreatie tot 2012. Met name in het verleden werden aanzienlijke rente-inkomsten over het kapitaal gerealiseerd. Met de afname van het kapitaal en de dalende rentevergoedingen zijn de rente-inkomsten de laatste jaren steeds lager geworden. Dit blijkt duidelijk uit het gekleurde overzicht op de vorige pagina van de inkomsten en de uitgaven in het jaarverslag van de stichting over 2020. In de begroting 2020 van de stichting wordt het volgende aangegeven: …dat door de toenemende subsidieverstrekking in de exploitatietekorten het eigen vermogen in 2020 nog slechts € 3,9 miljoen zal bedragen. Dit zal betekenen dat met de prognoses van baten en lasten het eigen vermogen ultimo 2024 negatief zal worden.

In de definitieve jaarrekening van de stichting over 2019 uit 2020 wordt vermeld: Gezien de ingrijpende gevolgen van COVID19 voor de verenbranche (…..) verwachten wij dat over het lopende jaar 2020 hogere aanvragen voor subsidie zullen worden ingediend bij de oevergemeenten, waardoor ook de Stichting Veren Gelderland meer subsidie zal moeten uitkeren. Voor deze mogelijk hogere exploitatietekorten over het boekjaar 2020 verwachten wij geen probleem met het huidige saldo van de Stichting Veren Gelderland. Als het fonds door COVID19 nog zwaarder belast gaat worden komt de uitputtingsdatum eerder in zicht. Hoewel de cijfers over 2020 voor dit onderzoek nog niet ter beschikking waren wordt vanuit het verenfonds aangegeven dat COVID geen wezenlijke impact heeft gehad op het totaal van de subsidieaanvragen. Dat was wel de verwachting, maar blijkbaar zijn niet alleen de inkomsten achtergebleven, maar ook de uitgaven. De subsidiebeoordelingen Ten behoeve van het onderzoek zijn de aanvragen over de afgelopen vijf jaar, in de vorm van de subsidieverzoeken vanuit de gemeenten met bijlagen, bekeken.

25

Het verenfonds heeft in de loop der decennia meerdere opeenvolgende modellenboeken gekend, geldig voor zowel autoveren als voetveren. Voor het onderzoek zijn modellenboeken uit diverse jaren ingezien. De laatste versie van het modellenboek is van 2012, het laatste normenboek is van 2018 en het laatste reglement dateert van 2009. In de loop der jaren zijn in deze documenten kleine wijzigingen doorgevoerd. Vanaf het Modellenboek 2009 is als bijlage bij de aanvraag een accountantsverklaring of samenstellingsverklaring verplicht. Verder zijn de normbedragen aangepast en worden bij vervanging van veren enkele eisen gesteld zoals een taxatierapport van de restwaarde van het oude veer. Maar in feite zijn de voorschriften vanuit het fonds in de loop der jaren nauwelijks gewijzigd. De toekenning van de subsidie is enkel gebaseerd op toetsing van de jaarrekening aan het modellenboek. Naast de financiële uitkeringsgegevens die in bovenstaande tabellen zijn weergegeven ontbreken beoordelingen van aanvragen die niet louter cijfermatig zijn. Dan kan gedacht worden aan contact met de ondernemer over de achterliggende redenen van een structureel exploitatietekort, vragen naar een visie op het tekort van de exploitant en van gemeente, vragen naar een verbeterplan, kortom, naar het waarom achter de cijfers.

Aanvullende gegevens zijn echter niet voorhanden en door een vertegenwoordiger van het verenfonds is deze gang van zaken bevestigd.

3.4 Samenvattend Het fonds van de Stichting Gelderse Veren voorziet in incidentele en vooral structurele jaarlijkse bijdragen in de exploitatietekorten van ongeveer de helft van alle Gelderse veren. De gemeenten zijn aanvrager van de subsidie. Het zijn met name particuliere veren die, via een oevergemeente, een beroep doen op subsidie van het verenfonds. De autoveren die een beroep doen op het fonds draaien gezamenlijk een exploitatieverlies van circa € 1,0 miljoen jaarlijks. De fiets- voetveren realiseren jaarlijks een exploitatietekort van circa een € 0,5 miljoen, derhalve samen circa € 1,5 miljoen. Hiervan wordt ongeveer een derde deel door de gemeenten gedragen en komt ca. een miljoen uit het fonds. De jaarlijkse tekorten zijn min of meer structureel en lopen bij de autoveren jaarlijks op. Bij de fiets- voetveren stijgt het totaal aan uitkeringen niet echt en slechts een enkel veer springt eruit met een flinke stijging. Tegenover het totaal aan uitkeringen van het verenfonds dat 80% van het exploitatietekort dekt staat 20% aan ongedekt exploitatietekort voor gemeenten. In 2019 pasten de gemeenten voor autoveren in totaal ongeveer € 200.000, -- bij in de tekorten. Bij de voetfietsveren was dit op basis van een 35% bijdrage van het verenfonds ongeveer € 350.000,--, 65% van het exploitatietekort.

In het geval het twee Gelderse oevergemeenten betreft kan het tekort door twee gemeenten opgevangen worden. Van de exploitanten wordt geen bijdrage verwacht. In prikkels vanuit het fonds naar gemeenten en exploitanten om de uitputting van het fonds af te remmen of te voorkomen -voor zover dit mogelijk is- voorziet het fonds nauwelijks. De enige mogelijkheid die het fonds hiertoe biedt is een prikkel bij vermindering van het exploitatietekort.

26

4. Visie ondernemers en gemeenten 4.1 Inleiding De provincie Gelderland is de provincie in Nederland met de meeste veren binnen haar grenzen: er varen 22 utilitaire veren en 26 toeristische veren. Deze 48 veren worden geëxploiteerd door 27 ondernemers; diverse ondernemers exploiteren meerdere veren. Soms zijn gemeenten zelf exploitant van een veer. Het aantal Gelderse gemeenten dat een veer binnen haar grenzen heeft bedraagt 32. In het kader van het onderzoek zijn in 2021 interviews gehouden met ondernemers en gemeenten. Voorafgaand aan de gesprekken is aan alle partijen een vragenlijst (zie bijlage) toegezonden met het verzoek deze vooraf ingevuld te retourneren. Op dit terugzend verzoek is na een reminder door 17 ondernemers en 14 gemeenten gereageerd. Vervolgens hebben in de periode september - december 2021 de gesprekken plaatsgevonden met de ondernemers, twee belangengroepen (LVP en VEEON) en met de gemeenten. De exploitanten met wie gesproken is exploiteren samen 29 van de 48 veren in Gelderland. Vanwege de voorwaarden rondom Corona hebben veel gesprekken via MS Teams plaatsgevonden. Qua ligging in de provincie blijkt dat de grootste concentratie aan veren in Rivierenland aan de Nederrijn ligt (13 stuks). Daarnaast worden veren op de Lek (4), de Maas (8) en de Waal (7) geëxploiteerd.

De overige veren liggen aan de IJssel (6), aan diverse andere kleinere rivieren/wateren liggen nog enkele veren (10). Bij de selectie van de gesprekken is gekeken naar de retour ontvangen vragenlijsten, ondersteuning via het verenfonds en naar een aanvaardbare spreiding over de provincie. De omvang van het aantal gesprekken maakt dat er geen sprake is van een steekproef. Er is een substantieel aantal belanghebbenden gesproken, bijna de helft van de totale doelgroep. Daar waar in dit onderzoek uitspraken gedaan worden, wordt indien nodig en mogelijk aangegeven of dit voor de hele groep geldt of voor een deel daarvan. Als uitgangspunt voor de gesprekken is een agenda opgesteld als mogelijke leidraad voor het gesprek mede op basis van al bekende informatie en het ingevulde vragenformulier. Hoewel ieder gesprek uniek kan worden genoemd waren de belangrijkste onderwerpen die besproken zijn de volgende: 1. Algemeen (kennismaking, takenpakket, kennis van Twijnstra & Gudde rapport, belang van het veer e.d.) 2. Het Gelders verenfonds 3. Problematiek bij de veren 4. Duurzaamheid 5. Tarieven 6. Beleid 7. Routestructuren e.d. 8.

Tips en een eventuele visie op oplossingsrichtingen volgens exploitant/gemeente In het navolgende deel zijn weergaven van de belangrijkste uitspraken/meningen uit de gesprekken en de invulformulieren cursief opgenomen, soms voorzien van een korte toelichting van de onderzoeker.

27

4.2 De gesprekken met de ondernemers 1. Algemeen • ‘Wij kennen het rapport van Twijnstra & Gudde niet.’ Uit de gesprekken bleek dat veel exploitanten niet echt op de hoogte zijn van het bestaan van het rapport van Twijnstra & Gudde of niet goed bekend zijn met de inhoud ervan. De brancheverenigingen hebben hier klaarblijkelijk geen aandacht aan besteed richting de leden. •

Niet iedereen beseft de ernst van de (financiële) problematiek.

In het verlengde van de vorige constatering blijkt uit de gesprekken het besef dat de klok voor het verenfonds op vijf voor 12 staat niet tot iedereen te zijn doorgedrongen. Dit geldt overigens ook voor de gemeenten. Meermalen wordt door ondernemers aangegeven dat het gesprek aanleiding geeft tot overleg om de stand van zaken en eventuele ontwikkelingen onder de aandacht te brengen van de gemeente. 2 Het Gelders verenfonds • “Ze moeten het fonds niet afschaffen maar het dient exploitanten meer te prikkelen” De meeste exploitanten spreken zich niet negatief uit over het verenfonds en er wordt niet met afgunst naar ondersteuning gekeken. De basishouding is vaak: we willen als het mogelijk is de eigen broek ophouden. Maar dat moet mogelijk zijn; een prikkeling van het ondernemerschap (want de huidige subsidievorm maakt lui) wordt niet als negatief gezien. •

“Het zou goed zijn als een Verenfonds in enigerlei vorm blijft bestaan maar dan bijvoorbeeld specifiek voor veerverbindingen die inzetten op het verduurzamen van de schepen of op andere specifieke belangen. Met andere woorden een verenfonds voor ‘maatwerk op divers gebied’”

Kennelijk heeft een deel van de exploitanten zich al neergelegd bij een andere toekomst. Een toekomst waarin er wel een verenfonds bestaat maar dat dan een speciaal doel dient. Aangegeven wordt dat een tegemoetkoming of bij voorbeeld een renteloze lening voor 25 jaar t.b.v. electrificeren/duurzaamheid deels uitkomst zou kunnen bieden. •

“Wat doen we met veren die niet rendabel blijken te zijn, ook na verhoging van het tarief, bijvoorbeeld omdat er een brug in de nabijheid ligt. Het is de vraag of dan nog structurele ondersteuning mogelijk is. Het belang van het in standhouden van de verbinding wordt dan bepaald door de gemeente of de provincie”.

●

“De publieke functie die de veren vervullen verdient (deels) ook publieke financiering; voer een landelijk verenfonds in. Veren zijn geen OV maar men kan zich afvragen waarom veren geen landelijke steun krijgen terwijl men wel in het algemeen belang vaart.”

3 Problematiek bij de veren • “De veerdiensten wacht in de toekomst een grote opgave om het bestaansrecht te kunnen blijven waarborgen/bewijzen. Terwijl dat eigenlijk helemaal geen probleem zou moeten zijn”. •

“Het wordt voor exploitanten steeds moeilijker om zelfstandig het hoofd boven water te houden”.

28

Alle exploitanten geven aan dat de problemen zich min of meer opstapelen en niet alleen van financiële aard zijn. Terwijl de inkomsten achterblijven worden de kosten steeds hoger, en men noemt de kosten van: -gekwalificeerd personeel -brandstof (gasolie) -onderhoud materieel -onderhoud infrastructuur zoals veerstoepen -onderhoud baggeren i.v.m. laag water. Deze kosten komen vaak ten laste van exploitanten en niet van gemeente of Rijkswaterstaat -strengere milieueisen.

Foto: De veerpont Dieren-Olburgen (Foto Antoinet Roëling)

●

“Er is weinig contact met de gemeente. Er is een slechte betrokkenheid bij de gemeente, er is sprake van vanzelfsprekendheid. De bewegwijzering naar de pont is slecht (redenen: andere partij gaat erover, we willen geen sluipverkeer, bebording zelf betalen). Gemeenten informeren exploitanten slecht over werkzaamheden en alternatieven”.

•

“Private veren maken meer winst met name omdat ze minder overheadkosten hebben”.

Deze mening van een ondernemer strookt niet met het feit dat bijna alle veren die gebruik maken van het verenfonds in particuliere handen zijn en kennelijk geen winst maken. ●

“Het verdwijnen van de subsidieregeling zal direct gevolg hebben voor het voortbestaan van een aantal veerdiensten”.

Aangegeven wordt dat op basis van de lopende subsidieregeling vaak langjarige verplichtingen zijn aangegaan (nieuwbouw veerponten met 29

afschrijvingstermijnen/financieringen van 30 jaar) op basis van te verwachten uitkeringen van het verenfonds. Diverse gemeenten staan garant voor de lening maar wie neemt deze verplichtingen straks over? ●

“De werkelijke tekorten van veren liggen eigenlijk hoger”.

Diverse veren hebben in de praktijk een niet reële kostenstructuur zo wordt aangegeven. Een aantal veren is oud en heeft geen kapitaallasten meer. Dit probleem manifesteert zich hoe dan ook ooit. Er wordt op gewezen dat soms sprake is van liefdewerk waarbij de management fee van de exploitant (te) laag is en niet alle uren worden in rekening gebracht. Deze wordt in enkele gevallen te laag opgevoerd in de exploitatie bijvoorbeeld vanuit principiële redenen (“ik hoef niet per se een subsidie, ik kan mijzelf wel bedruipen”). Ook de inzet van vrijwilligers (oudschippers) drukt de werkelijke kosten. Dit kan gevolgen hebben voor de overname van sommige veren in toekomst. Meermalen wordt aangegeven dat sommige organisaties met vrijwilligers varen en waarschijnlijk diverse subsidies krijgen en dat vindt men valse concurrentie. De vraag wordt gesteld of door gemeenten met twee maten wordt gemeten. Er wordt op gewezen dat de kosten van exploitaties lastig te drukken zijn want het grootste deel bestaat uit salarissen van personeel en gasolie en dat ligt behoorlijk vast. Men vindt minder varen gericht op kostenbesparing geen optie want dan zijn er ook minder inkomsten. In het algemeen stellen de ondernemers dat verbeteringen binnen de exploitatie niet direct leiden tot betere dekking van de kosten.

Men wijst erop dat opstellen en uitvoeren van een verbeterplan gericht op een hogere omzet (marketing, PR, etc.) weinig oplevert. Het aantal klanten is relatief vast, maar voor toerisme geldt dit minder. ●

“Cultuurhistorie: een veerdienst die al verschillende eeuwen bestaat komt misschien wel te vervallen. Dat is toch te gek voor woorden”.

●

“De Corona problematiek kan lastig worden voor ons ondernemers”.

De verwachting van ondernemers is dat er structureel minimaal ca. 10% minder overzettingen na Corona worden gerealiseerd vanwege het thuiswerken. Ook het uitstel van de belastingdienst van de betaling van de loonheffing wordt als probleem genoemd nu de betaling er alsnog aan komt. ●

“Bij stoppen van een veer is de impact groot. Denk naast scholen en dergelijke ook aan bedrijven, winkels, personeel dat moet omrijden e.d. Noodlijdende veren liggen vaak bij kleine gemeenschappen waarbij het gebruik beperkt is, maar waar het veer juist hard nodig is (sociaal isolement).”

●

“We hopen dat de gemeenten zullen blijven of gaan betalen, maar dat zal niet tot elke prijs zijn”.

Ondernemers geven aan te stoppen als het veer structureel verlies draait en de meesten verwachten niet dat de gemeenten zonder meer in de bres zullen springen om het financiële gat te dichten. Het is de vraag of gemeenten zich dat voldoende realiseren. ●

“De branche werkt niet samen, er is geen algemene belangenbehartiging en de veren positioneren zich zeer slecht in de markt. De belangenbehartiging met de huidige organisaties is onvoldoende. In de huidige structuur wordt onvoldoende naar gemeenschappelijk belang gekeken. De verenbranche is gebaat bij een solide en professionele brancheorganisatie die niet gekenmerkt wordt door bestuurders die als exploitant in een brancheorganisatie zitten. Er is geen aansluiting bij

30

overheidsinstellingen waaronder RWS; de verschillende partijen (regio, exploitanten, gemeenten, etc.) moeten gezamenlijk optrekken naar de overheid.” 4. Duurzaamheid • “Het voorkomen van onnodig omrijden blijft actueel maar het daarmee samenhangende CO2 probleem neemt af”. Het argument dat veren veel omrijdkilometers voorkomen blijft voor ondernemers overeind, maar onnodige CO2-uitstoot door omrijden voorkomen, wordt langzaam achterhaald. Het gebruik van fossiele brandstoffen is op zijn retour en dat is een trage maar goede ontwikkeling. Toch blijft omrijden ongewenst omdat dit tijd kost, omdat ook stroom opgewekt dient te worden en omdat de kans op verkeersongelukken groter is. ●

“Electrificeren van het schip draagt bij aan onze maatschappelijke verantwoordelijkheid”. “Organiseer een landelijke duurzaamheidspot voor investeringen voor alle veren. De provincie geeft geen subsidie voor verduurzaming”.

Het electrificeren van een veer draagt bij aan de borging van de continuïteit van de exploitatie maar vergt een aanzienlijke investering volgens de ondernemers. In principe merkt de klant daar niets van en levert het de exploitant geen extra inkomsten op. Sterker nog, het kost alleen maar geld. Veel exploitanten geven aan deze vorm van verduurzaming niet (zondermeer) zelf te gaan betalen. Duurzaam varen is weliswaar goedkoper in exploitatie, maar duur in aanschaf. ● “Fonds moet eigenlijk ook in calamiteiten voorzien”. De effecten op de omzet verschillen maar deze kunnen voor een deel van de exploitanten negatief uitvallen. Corona zou zo’n calamiteit kunnen zijn waarvan de hele reikwijdte nog niet bekend is. In de praktijk kan het bestuur in bijzondere gevallen afwijken van de criteria. In 2021 is bijvoorbeeld besloten om het verplichte minimumaantal vaarweken tijdens de Corona-pandemie los te laten. Als veren tijdens de pandemie niet of minder voeren, konden ze toch de exploitatietekorten indienen. Uiteindelijk bleek dat het tekort daarmee niet substantieel hoger lag, omdat ook de kosten (personeel en gasolie) minder waren. 5. Tarieven ● “Klanten begrijpen niet dat een veerpont geld kost”. In de ogen van ondernemers hebben klanten hebben geen inzicht in de kosten van een veerexploitatie en denken dat het altijd een overheidstaak is.

De opbouw van kosten en baten van een veerexploitatie is bij de klanten niet bekend. Dat geldt ook voor de gedachte dat een veer financiële steun nodig zou hebben. Ondernemers geven aan dat betere voorlichting hierover gewenst is. Een (landelijke) campagne om aandacht van publiek te vragen en het belang en de positie van de veren te benadrukken is in hun ogen hard nodig. Waarschijnlijk is vrijwel iedereen (het publiek) het eens met de dan aan te voeren argumenten en stellingen. Er zijn voldoende argumenten om het bestaan van veren en een hoger tarief of ondersteuning door de overheid te rechtvaardigen en waarschijnlijk zal het publiek dit nog begrijpen ook. “Het verhogen van het tarief leidt vrijwel altijd tot klantverlies, omdat de bruggen nog altijd “gratis” zijn en iedere verhoging leidt tot rekenwerk bij de klant en een geringer verschil met het rondrijden”. Vanuit de kostenkant zou een tariefverhoging voor het autoverkeer volgens veel ondernemers eigenlijk geen enkel probleem moeten zijn; elke extra omrijdkilometer kost immers € 0,50 per kilometer. Maar omrijd argumenten zijn niet altijd rationeel. Voor leaserijders zijn de omrijdkosten minder van belang want zij zijn niet gevoelig voor de kosten van omrijdkilometers, wel voor tijdbesparing. Voor hen werkt de prijselasticiteit minder want tijd is belangrijker dan prijs. Bij hogere benzineprijzen komen er meer andere ●

31

klanten. Fietsers hebben uiteraard niets met die prijzen te maken en omrijden is lastiger voor hen, hoewel minder lastig voor elektrische fietsen. Diverse exploitanten geven aan dat een prijsverhoging een deel van de problemen zou kunnen oplossen maar vinden maximaal inflatiecorrecties gewenst. Dit om de financiële aantrekkelijkheid voor de keuze van het gebruik van de veerpont ten opzichte van de omrijdkilometers niet uit de pas te laten lopen. Met een brug in de nabijheid is tariefverhoging dus moeilijk. Ervaring leert dat als klanten lang genoeg de brug nemen gewenning optreedt en zij niet meer terug naar het veer komen. In zijn algemeen zijn de exploitanten van mening dat een goed gecommuniceerde, gestaffelde en gefaseerde prijsverhoging over enkele jaren tot op zekere hoogte mogelijk is. Mits de branche dit min of meer gezamenlijk doet want soms zijn prijsverhogingen lastig vanwege de concurrentie met andere veren. De verhoging moet dan wel begeleid worden door informatie over het wanneer en het waarom van de prijsverhoging en dat het vaak private ondernemingen betreft en geen overheid. ● “Er wordt binnen de branche onderling niet over prijzen gesproken”. De tariefstelling lijkt deels een gevoelskwestie; gezamenlijk optrekken daarin is lastig maar wel noodzakelijk. Aangegeven wordt dat onderlinge prijsafspraken niet zouden mogen vanwege het verbod op prijsafspraken.

● “Een prijsverhoging voor recreanten en toeristen is geen probleem” Een tariefverhoging voor recreanten en toeristen is meestal geen probleem omdat dit incidentele overtochten betreft. ● “Een prijsverhoging voor schooljeugd ligt lastig”. Voor abonnementhouders en schoolgaande jeugd die een veer frequent gebruiken kan een tariefsverhoging ingrijpend zijn vinden veel ondervraagden. Overigens is daarbij maatwerk mogelijk door bijvoorbeeld een goedkopere tienrittenkaart voor door de week of varianten daarop in te voeren (voordelige abonnementen). Eigenlijk is het heel vreemd dat in veel gevallen de kosten niet gewoon worden gedekt door de inkomsten. Er zou eigenlijk gezamenlijk onderzoek gedaan moeten worden naar het effect van tariefstellingen en het verschil in tarieven bij de diverse veerponten. 6. Beleid ● “Veren onderdeel laten zijn van het wegennetwerk”. Sommige ondernemers denken dat door veren weer onderdeel te laten zijn van het wegennetwerk deze weer onder de wet uitkering wegen vallen zoals voor 1994. Indertijd is met de nieuwe wet echter geen geoormerkt geld terechtgekomen bij de veerponten, maar het geld is verdeeld over alle provincies zonder label. In Gelderland is de basis voor het Verenfonds de stortingen door gemeenten en provincie van het gedecentraliseerde WUW-geld (Wet Uitkering Wegen) geweest. In andere provincies is dit niet gebeurd.

● “Belang van veren beter onderkennen. “ Men geeft in de gesprekken aan dat duidelijk en veel meer dan nu het geval is moet worden onderkend dat veren heel belangrijk zijn voor het wegennetwerk en de verbindingen in rivierengebieden. Terwijl de financiële resultaten centraal staan moeten de diverse belangen van veren veel meer onder de aandacht worden gebracht. Wat zijn de consequenties zijn bijvoorbeeld 30% van de veren weg zou vallen? Ook de calamiteiten functie (incidentbestrijding, vervoer brandweer e.d.) wordt vergeten. Veelal hangen de veren “ergens bij”. ●

“Veren als Openbaar Vervoer. Kunnen we de vergelijking trekken met de NS of busdiensten o.i.d. Ga over op het systeem België waar alle overheidsponten gratis zijn”.

32

De exploitatie van veren zou in de ogen van ondernemers betaald kunnen worden uit andere budgetten zoals bijvoorbeeld de wegenbelasting, en dat kan een overweging van de Rijksoverheid zijn. Het kostenvoordeel vanwege het vervallen van de inningskosten en alles wat daarmee samenhangt (reistijd, afstorten, veiligheid, apparatuur, fraude e.d.) is overigens aanzienlijk. Volgens diverse ondernemers lijken veren een soort een varende brug te zijn maar aangegeven wordt dat vaste bruggen gratis zijn. De OV-status wordt met getemperd enthousiasme bekeken want verplicht aanbesteden is, met al de individuele veerpont exploitaties, praktisch moeilijk te regelen en ook minder gewenst. Het beleid zou voor veel ondernemers niet (alleen) op lokaal of provinciaal niveau bepaald moeten worden, maar zeker ook op landelijk niveau. “Toeristische veren varen in de winter niet, de utilitaire veren wel. Stimuleer als gemeente het gebruik van bestaande veren i.p.v. de ontwikkeling van gesubsidieerde nieuwe kleinschalige toeristische voetveren”. Diverse ondernemers zien toeristische veren als concurrerend en geven aan dat gemakshalve vaak wordt vergeten dat de utilitaire veren ook veel toeristisch/recreatieve klanten en scholieren overzetten. Vanuit dat oogpunt vinden ondernemers het vreemd om deze categorie utilitaire veren niet meer te ondersteunen.

De meerderheid van ondernemers vindt dat initiatieven voor nieuwe kleine toeristische fiets-voetveren oneerlijk concurrentie veroorzaken. Men zegt dat met twee maten wordt gemeten. Men vindt het belangrijk dat gemeenten en provincie de waarde van de bestaande veren onderkennen en het gebruik van veren in de mobiliteitsketen stimuleren. ●

7. Routestructuren e.d. ● “De infrastructuur in het Rivierengebied is oost-west georiënteerd”. De veren zijn voor de ondernemers binnen de oost-west structuren in het rivierengebied belangrijke noord-zuid verbindingen. In de IJsselstreek is de bestaande vaste infrastructuur juist noord-zuid georiënteerd. Daar zijn de veren van belang voor met name het oost-west verkeer. ● “Beleving van de rivieren is uitermate belangrijk”. De rivier- en veerbeleving is een belangrijk onderdeel voor recreanten en toeristen en vormt een specifieke “attractie” in het Rivierengebied. Men vindt het bijzonder leuk om op een boot de rivier over te varen, aldus menig ondernemer. 8 Tips ● Sommige exploitanten hebben een goed contact met de toeristische sector in de omgeving van de veerpont. Dit contact levert een wederzijdse bijdrage in de vorm van het bekendmaken van de “veerattractie” en de ligplaats van de veerpont en vaartijden. ● Sponsoring op veerponten vindt men een (lastige) vorm van inkomsten. Daarnaast is men van mening dat dit niet veel inkomsten oplevert. ● “Stimuleer recreatief gebruik ponten, betere bewegwijzering, ooit kunnen we zonder personeel varen”.

4.3 De gesprekken met de gemeenten Ook de uitkomsten van de (overwegend) ambtelijke gesprekken met de gemeenten zijn naar dezelfde onderwerpen gegroepeerd. 1. Algemeen (kennismaking, takenpakket, kennis van rapport Twijnstra & Gudde, belang van het veer e.d.) 2. Het Gelders verenfonds

33

3. 4. 5. 6. 7.

Problematiek bij de veren Duurzaamheid Tarieven Beleid Routestructuren e.d.

1. Algemeen: ● “Het Twijnstra&Gudde rapport is niet goed bekend bij ons”. Het rapport van Twijnstra&Gudde uit 2020 blijkt niet echt (goed) bekend te zijn bij de ambtenaren die deelnamen aan het interview. Het urgentiegevoel voor de toenemende problematiek bij de veerexploitaties ontbreekt bij vrijwel alle gemeenten. Bij het stoppen van de exploitatiesubsidie zullen de effecten voor een aantal veren wel meevallen, is soms de reactie. Het belang van de problematiek wordt overigens wel duidelijker als men er desgevraagd over nadenkt, maar dat moet dan wel eerst helder uitgesproken worden. ● “Veren zijn ondergebracht bij uiteenlopende beleidsvelden bij de gemeenten”. Veel gemeenten vinden veren een vreemde eend in de bijt; onbekend maakt onbemind. Het contact met de veerexploitanten is meestal niet intensief. Men heeft veelal geen beeld van de exploitatie en de problematiek rondom het veer, de vanzelfsprekendheid dat de veren er zijn en dat ze varen is groot. Meegegeven wordt dat er binnen de gemeente vaak niemand is die de exploitatie van het veer goed kan beoordelen. Niemand voelt zich verantwoordelijk, noch bij de beleidsvelden verkeer en mobiliteit nog bij recreatie en toerisme. 2 Het Gelders verenfonds ● “Kunnen we gezamenlijk met de gemeenten onderzoek doen naar subsidiemogelijkheden voor verduurzaming en innovatie?”.

De verduurzaming is in de ogen van de gemeenten eigenlijk des ondernemers maar dat levert binnen de exploitatie geen voordeel op gezien de flinke investering. Ook de reizigers zelf merken geen fysieke voordelen van verduurzaming. De stimulans voor verduurzaming moet dus uit een andere hoek komen. ● “Kan een verlaging van het uitkeringspercentage uit het fonds een oplossing bieden?”. Aangegeven wordt dat de bijdragen uit het verenfonds verlaagd worden bijvoorbeeld van 80% naar 50%. Het fonds kan aanvullende voorwaarden stellen voor een subsidie uitkering. “Kijk naar andere provincies of regio’s (of dat daar andere methoden van ondersteuning worden gehanteerd). Of kijk naar ondersteuning in het buitenland (bijvoorbeeld België).” België beschikt volgens Mark Hoekstra (Welvarend, 2016) over slechts 39 voornamelijk recreatieve veren die bijna alle in handen van de overheid zijn en deze zijn over het algemeen gratis. Alleen de particuliere veren rekenen een tarief voor de overzetting. ●

● “De financiële garantstelling van de gemeente rekent op het fonds”. Diverse gemeenten staan garant voor de hypotheek die op het pontveer rust en soms zijn er langjarige garanties afgegeven ter dekking van het tekort. Ondernemers hebben op basis van langjarige afspraken investeringen gedaan in de veren. Financieel hebben zowel gemeenten als exploitanten dus baat bij het voortbestaan van het fonds. De bijdragen vanuit het Verenfonds zijn financieel aanzienlijk en niet zomaar over te nemen volgens veel gemeenten. Daarbij komt ook nog dat relatief veel gemeenten te maken hebben met ombuigingsoperaties van gemeentelijke uitgaven. 3 Problematiek bij de veren • “Wij kennen het belang van het veer niet precies maar we hebben er weinig mee te maken en we zijn niet op de hoogte van wat er speelt bij een veer exploitatie”.

34

Gemeenten geven aan niet goed op de hoogte te zijn van het reilen en zeilen bij de veren in de gemeente. Onderliggende cijfers zijn meestal niet goed bekend, er is weinig kennis, maar men vindt de veren, als men er over nadenkt, wel belangrijk (te vaak zonder actief aan kunnen geven waarom). Behoudens wat klachten over te hard rijden naar het veer op secundaire wegen zijn er weinig signalen die ertoe leiden dat er nagedacht moet worden over de veerdiensten. De gesprekken binnen dit onderzoek zijn voor het merendeel van de gemeenten aanleiding om de veren anders te gaan bekijken en intern aandacht voor het belang van de veren te vragen. Er is bij veel gemeenten duidelijk sprake van een “wake up call”. Een vraag voor ondersteuning in de toekomst voor verduurzaming of de exploitatie wordt niet ondenkbaar geacht, maar dan moet men daarop voorbereid zijn. 4. Duurzaamheid ● “Het is belangrijk CO2 uitstoot te voorkomen door minder omrijden en door minder uitstoot van het veer na electrificering”. Gemeenten zien over het algemeen de voordelen voor het milieu bij het gebruik van veren en bij electrificering van een veer. Als de vraag naar ondersteuning voor electrificering te zijner tijd vanuit de exploitant komt zal door de gemeente eerst het belang van het veer moeten worden benoemd en onderkend.

Diverse gemeenten realiseren zich naar aanleiding van het gesprek dat het belangrijk is daar nu al (bestuurlijke) aandacht aan te gaan besteden. “Over verduurzaming van de veren denken wij (nog) niet na maar misschien is het een kans om verduurzaming te stimuleren via het fonds”. De verduurzaming van een veer is een grote investering die volgens de gemeenten niet altijd in de exploitatie op te vangen is; de hoogte van de investering is afhankelijk van diverse factoren en verschilt sterk per veerpont. Verduurzaming levert voor de cliënten van een veer geen enkele fysieke meerwaarde op. Duurzaamheid betreft een puur maatschappelijk belang. Daarin kan de provincie via een (eenmalige) duurzaamheidssubsidie iets regelen ter vervanging van het verenfonds. Er is (nu) geen lokaal budget bij de gemeenten beschikbaar, wel bij de provincie en bij het Rijk. Zonder budget worden de duurzaamheidsdoelstellingen van de overheid nooit gehaald. ●

5. Tarieven ● “Een prijsverhoging voor toeristen en recreanten lijkt mogelijk”. Een prijsverhoging voor toeristen en recreanten lijkt de meeste gemeenten geen probleem mits de scholieren en inwoners (enigszins) ontzien worden met rittenkaarten en abonnementen. ● “Een algemene prijsverhoging is alleen mogelijk op voorwaarden”. Een verhoging van de tarieven lijkt gemeenten beter mogelijk mits gestaffeld, maar ook niet tot in het oneindige. Bij hogere tarieven prijst het veer zich wellicht uit de markt. Duidelijk en heel helder communiceren van tariefverhogingen waarbij gewezen wordt op het waarom, op de kosten van een veer (met aandacht voor de stijgende kosten van o.a. gasolie en personeel) , op de maatschappelijke belangen etc. wordt als van groot belang gezien.

●

6. Beleid ● “De procedure rondom het eerste onderzoek van de provincie (Twijnstra Gudde) was teleurstellend”. De gemeenten die hebben deelgenomen aan de bijeenkomst voor het provinciale rapport vinden dat met hun bevindingen en opmerkingen niets gedaan is. ●

“Het is een probleem dat de veren met verschillende provinciale en gemeentelijke beleidsvelden te maken hebben”.

35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Zevenaar&id=49beb62d-2c7f-4e73-9bc7-7442430fbce2