Agendabundel
Tekst van het document
Bodem en grondwater De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn. Grondwateroverlast is niet bekend en is ook niet te verwachten. Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Op en aan het water zullen diverse werkzaamheden en activiteiten plaats vinden. Deze mogen de waterkwaliteit niet beïnvloeden. Het gaat dan bijvoorbeeld over het toepassen van bouwstoffen die niet uit mogen logen. Verdroging De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Het plan heeft derhalve geen (negatieve) invloed op karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; er is immers geen kans op verdroging als gevolg van het plan. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Keur Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur.
In deze verordening van het waterschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van de riolering ligt bij de gemeente. Het waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater, het beheer Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
33 en onderhoud aan waterkeringen en hoofdwatergangen. De onderhoudsplicht voor overige watergangen ligt bij de kadastrale eigenaar. 4.8.3 Conclusie De verschillende waterthema’s leiden niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan wordt, conform artikel 3.1.1 van het Bro, nog aan het waterschap voorgelegd.
4.9
Natuur en ecologie
4.9.1 Kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden).
Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.
4.9.2 Onderzoek Soortenbescherming De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. Gezien de voorgekomen ontwikkelingen is daarom onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
34 Quickscan flora en fauna Door ABO-Milieuconsult is een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 4. Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat zeker is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde huismus. Mogelijk komen ook vleermuizen voor. Om aan te tonen of vleermuizen in het gebied verblijven zijn vijf bezoeken nodig volgens het vigerend vleermuisprotocol. Nader onderzoek flora en fauna Door ABO-Milieuconsult is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de huismus en de vleermuis. Het gehele aanvullende onderzoek is bijgevoegd als bijlage 10. Hieronder worden de resultaten per soortgroep kort uiteengezet. Huismus In totaal zijn zes verblijven van huismussen vastgesteld. Doordat tijdelijke verblijfplaatsen niet dezelfde eigenschappen bieden als de originele verblijfplaatsen moeten meerdere kasten aangeboden worden zodat dit kan worden ondervangen. Per verblijfplaats die wordt verwijderd dienen minimaal twee of meer verblijfplaatsen te worden gerealiseerd. Voor de 6 huismusverblijfplaatsen moeten minimaal 12 tijdelijke verblijven worden gerealiseerd aan gebouwen binnen 100 meter tot maximaal 200 meter van het plangebied. Deze moeten actief zijn voor en tijdens de nieuwbouw en minimaal 1 jaar na de oplevering van de nieuwbouw actief blijven.
De tijdelijke verblijfplaatsen hebben een gewenningsperiode van 3 maanden voordat de gebouwen ongeschikt gemaakt mogen worden. In de nieuwbouw dienen eveneens minimaal 12 verblijven te worden ingebouwd. Voor het verwijderen van de verblijfplaatsen is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit benodigd. Voor de aanvraag van deze vergunning is een activiteitenplan opgesteld, welke als bijlage 12 bij deze toelichting is gevoegd. Op basis van het activiteitenplan heeft de Provincie Gelderland de vergunning verleend, zie bijlage 13. Tijdens de werkzaamheden zal een ecologisch werkprotocol gevolgd moeten worden, deze is opgenomen als bijlage 14. Vleermuizen In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. De vleermuizen die werden waargenomen tijdens de onderzoeken maakten gebruik van de groene elementen naast het plangebied waaronder de bomenrij langs de weg en naast het plangebied aan de zuidkant. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor vleermuizen is niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het plangebied geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen is. De groene elementen naast het plangebied blijven behouden. Wel is het belangrijk om tijdens de werkzaamheden niet te werken met kunstlicht en/of dit niet te richten op de groene elementen langs het plangebied.
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Ook maakt het plangebied geen deel uit van andere beschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebied, beschermd weidevogelgebied of strategische reservering natuur. De emissie van stikstof in de aanleg- en de gebruiksfase kan een stikstofdepositie veroorzaken ter plaatse van de stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. De aanlegfase betreft de eventuele sloop van bestaande bebouwing, de bouw van de nieuwe zorgwoningen en het bouw- en woonrijp maken van het terrein. Deze werkzaamheden veroorzaken emissie van stikstof door de mobiele installaties op de bouwplaats en door de aan- en afvoer van bouwmateriaal en bouwvakkers. In de gebruiksfase wordt de emissie van stikstof veroorzaakt door de verkeersbewegingen op het terrein, het gebruik van mobiele installaties met verbrandingsmotoren (zoals graafmachines of heftrucks) en eventuele verbrandingsinstallaties. Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
35 Onderzoek Door De Roever is een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De notitie inclusief complete berekeningen is opgenomen als bijlage 5 bij deze toelichting. Uit het situatieresultaat van de beoogde situatie (aanlegfase + gebruiksfase) blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,07 mol N/ha/jaar is (ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’). Uit het situatieresultaat van de referentiesituatie blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,07 mol N/ha/jaar is (ter plaatse van het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’). Uit de projectberekening blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Daarnaast blijkt uit de projectberekening dat ten opzichte van de referentiesituatie de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten (de Duitse Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 kilometer van het plangebied) ook niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. 4.9.3 Conclusie Voor de huismus zijn een vergunning en mitigerende maatregelen nodig. Deze vergunning is verleend en de maatregelen worden getroffen. Hiermee staat dit aspect de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Uit het stikstofdepositie-onderzoek wordt geconcludeerd dat de stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten ondervinden als gevolg van de planontwikkeling. Voor het bestemmingsplan (planspoor) vormt dit aspect dan ook geen belemmering. Voor het projectspoor moet een aparte vergunning worden aangevraagd. Omdat hiervoor een andere referentiesituatie geldt dient er voor de afgifte van de omgevingsvergunning een natuurvergunning te worden aangevraagd. Voor deze aanvraag dient ook een passende beoordeling uitgevoerd te worden. Naar verwachting kan deze natuurvergunning worden verleend.
4.10 Cultuurhistorie en archeologie 4.10.1 Kader Erfgoedwet De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die, naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2022. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
36 •
Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Gemeentelijk beleid Cultuurhistorische waardenkaart (2013) Om rekening te kunnen houden met de cultuurhistorische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is kennis van de aanwezige cultuurhistorische waarden noodzakelijk. Cultuurhistorie vormt een volwaardige plek bij de ontwikkeling van het landschap. In het verleden zijn veel elementen en oude routes verloren gegaan. Bij veranderingen in het landschap vormt de cultuurhistorie een belangrijke pijler bij de ontwikkeling van gebieden. Oude historische elementen en structuren moeten weer herkenbaar worden gemaakt. De gemeente Zevenaar en voormalig gemeente Rijnwaarden hebben in het kader hiervan in 2013 een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. De cultuurhistorische waardenkaarten is een inventarisatie van de cultuurhistorische structuren en elementen in de gemeente. Deze kaart geeft op overzichtelijke wijze inzicht in de historisch gevormde ruimtelijke structuur van het landschap en de waardevaste elementen of gebieden, die door wet of verordening worden beschermd. In één oogopslag is daarmee zichtbaar wat de historische structuur van een gebied is en met welke waarden rekening moet worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Als aanvulling hierop geeft de cultuurhistorische waardenkaart met de bijbehorende toelichting een overzicht van de verschillende cultuurhistorische gebieden en hun landschappelijke karakteristiek.
De cultuurhistorische waardenkaart laat tevens de gebieden zien die als attentiegebied zijn aangemerkt. Een cultuurhistorisch attentiegebied worden gekenmerkt door een groot aantal cultuurhistorische elementen die nog een relatief intacte historische structuur en grote landschappelijke gaafheid bezitten. Deze gebieden zijn van groot belang voor de identiteit van de gemeente Zevenaar en voormalig gemeente Rijnwaarden. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn wel mogelijk, zolang de aanwezige cultuurhistorische waarden worden behouden en, indien mogelijk, versterkt. Voor dit gebied geldt de algemene beleidsrichtlijn om cultuurhistorische elementen in te passen in of te versterken bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Erfgoednotitie (2015) De gemeentelijke visie op het erfgoedbeleid is vastgelegd in de Erfgoednotitie (2015). Met erfgoed wordt het geheel van materiële en immateriële sporen uit het verleden bedoeld zoals gebouwen, landschappen, voorwerpen, archeologische vondsten en de daaraan verbonden gebruiken, verhalen en gewoonten, die van generatie op generatie worden overgedragen.
Het doel van het erfgoedbeleid is het vaststellen van: • Een visie op het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente en de wijze waarop dit erfgoed kan worden doorgegeven aan de volgende generatie; • Een visie op de wijze waarop dit erfgoed een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen. In deze Erfgoednotitie zijn de volgende ambities gesteld: • Behoud en versterken van erfgoed als belangrijke identiteitsdrager van de gemeente. • Erfgoed als inspiratiebron voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. • Erfgoed promoten en geschikt maken voor commerciële doeleinden, zodat nieuwe economische bronnen worden aangeboord. Erfgoed zodanig herbestemmen dat het zichzelf in stand houden kan. Met name i.v.m. recreatie en toerisme kan erfgoed verder uitgebaat worden. Ook voor het promoten van het centrum van Zevenaar kan het een bijdrage leveren. • Vergroten van het draagvlak voor ons erfgoed. Stimuleren dat het erfgoed in de gemeente een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle inwoners en ondernemers van de gemeente. Bestemmingsplan In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Zevenaar Noord 2018’ kent een klein deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting’ en een groot deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie middelmatige verwachting’.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
37 Grondwerkzaamheden die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m2 (binnen ‘Waarde – Archeologie hoge verwachting’) of 500 m2 (binnen ‘Waarde – Archeologie middelmatige verwachting’) beslaan zijn niet zonder meer toegestaan. 4.10.2 Onderzoek Door Vestigia is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 7. Doel van het archeologisch vooronderzoek is vast te stellen of in het plangebied sprake is (of kan zijn) van (de kans op) archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid. Op basis van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Vanwege de ligging op een stroomrug met een datering vanaf de Bronstijd, en direct naast een crevassegeul geldt voor het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische sporen van bewoning en menselijke activiteit. Destijds lag het plangebied hoger in het landschap zodat deze een aantrekkelijke locatie vormde voor bewoning.
Dit geldt vooral voor het noordoostelijk deel van het plangebied dat een stuk hoger ligt dan de rest van het plangebied waardoor de verwachting daar hoger is, aflopend naar de flank aan de westzijde. Er kunnen archeologische resten vanaf de Bronstijd, en in ieder geval vanaf de Romeinse tijd/Middeleeuwen worden aangetroffen, op basis van vondsten in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied is op basis van historisch kaartmateriaal in ieder geval vanaf het einde van de 18e eeuw tot het midden van de 20e eeuw voornamelijk voor agrarische doeleinde gebruikt. Er worden derhalve sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd verwacht (greppels/sloten). Aan de oostzijde van het plangebied, langs de weg, is vanaf het begin van de 19e eeuw sprake van bebouwing, eerst in de vorm van een klein arbeidershuisje, later waarschijnlijk met opvolgers, inclusief tuin aan de achterzijde. Binnen het plangebied geldt een middelhoge tot hoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf de Bronstijd tot aan de Nieuwe Tijd. Door Vestigia is vervolgens een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd. Tijdens het booronderzoek is geboord tot in de afzettingen van de Formatie van Kreftenheye. Deze Formatie is afgedekt met veen.
Daarboven zijn rivierafzettingen van het Holoceen afgezet die worden gerekend tot de Formatie van Echteld. Binnen het plangebied zijn deze aangetroffen in twee varianten: komafzettingen en crevasseafzettingen. De opbouw hiervan is feitelijk een pakket komafzettingen dat tweemaal wordt onderbroken door crevasseafzettingen. Lithologisch gezien is het bodem profiel intact. Er zijn echter, afgezien van de huidige bouwvoor, geen kenmerken van bodemvorming aangetroffen. Op basis van het bureauonderzoek was de archeologische verwachting hoog voor de periode van na de Midden-Bronstijd. Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat er binnen het plangebied geen archeologisch niveau aanwezig is. De archeologische verwachting kan daarom worden bijgesteld naar laag. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek bestond een archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf de Bronstijd. Tijdens het veldonderzoek zijn geen relevante kenmerken van bodemvorming of archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw kan de archeologische verwachting binnen het plangebied worden bijgesteld naar laag. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) dan ook niet noodzakelijk geacht.
Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Zevenaar, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
38 4.10.3 Conclusie De toekomstige ontwikkeling kan met betrekking tot archeologie worden vrijgegeven. Op basis van het uitgevoerde archeologische booronderzoek geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachting vanaf het maaiveld. De verwachting binnen de dubbelbestemming archeologie kan voor het gehele plangebied worden aangepast naar laag, waarde archeologie 5. Hieruit volgt dat indien er binnen het plangebied bodemingrepen plaatsvinden die een oppervlakte verstoren groter dan 10.000 m2 en dieper dan 50 cm beneden het maaiveld er aanvullend archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Voorgenomen ontwikkeling overschrijdt deze criteria niet. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het vaststellen van het plan.
4.11 Duurzaamheid 4.11.1 Kader Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CO2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CO 2-reductie van 49% ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95% zijn. In een nationaal klimaatakkoord worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Als onderdeel van het nationale klimaatakkoord is ook afgesproken om op regionaal niveau samen te werken aan de energietransitie. Daarbij gaat het specifiek over lokale duurzame opwekking, besparing en de warmtetransitie. Dit resulteert in dertig regionale energiestrategieën (de RES).
De regio's krijgen ondersteuning van het Nationaal Programma RES. Via de RES kan de besluitvorming omtrent de ruimtelijke inpassing van de duurzame energieopwekking en de energie-infrastructuur worden voorbereid in goed overleg met alle maatschappelijke partners en betrokkenen binnen de regio. Wet Voortgang Energie Transitie Op 1 juli 2018 is de Wet Voortgang Energie Transitie (VET) in werking getreden. Deze Wijzigingswet heeft een aantal aanpassingen doorgevoerd in de Gaswet en de Elektriciteitswet. Door de wijziging van de Gaswet mag een netbeheerder geen aardgasaansluiting meer verzorgen voor nieuwbouw. De aansluitplicht is dus vervallen, waarmee nieuwbouw niet meer aangesloten kan worden op het aardgasnet. Een belangrijk aandachtspunt is dat dit alleen geldt voor kleinverbruikers. Kleinverbruikers hebben een gasmeter tot en met G25 (een doorlaatwaarde tot en met 40 m³ per uur). Veel grotere kantoorpanden en bedrijven hebben een grotere aansluiting en hebben dus nog steeds recht op een aardgasaansluiting. Daarnaast biedt de Wet VET het college de ruimte om gebieden aan te wijzen waar netbeheerders geen nieuwe aardgasaansluitingen meer mogen verzorgen. Van deze bevoegdheid mag alleen gebruik worden gemaakt als er is voorzien in alternatieve voorzieningen. Dit heeft echter alleen invloed op kleingebruikers.
Voor grootverbruikers vervalt het recht op een gasaansluiting hiermee dus niet. De wetgeving biedt ook ruimte aan het college van B&W om bij zwaarwegende redenen van algemeen belang uitzonderingen te maken en toch in een gasaansluiting te voorzien. Energiezuinig bouwen De energiezuinigheid van woningen en utiliteitsgebouwen wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Het Bouwbesluit stelt bepaalde eisen aan de energiezuinigheid van gebouwen en Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
39 daarmee de EPC-waarde van een gebouw. Voor een woning geldt een eis van 0,4 terwijl voor utiliteitsbouw een variatie aan normen wordt gehanteerd op basis van de functie. De EPC-eisen zijn vanaf 2021 vervangen door de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). In het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen wordt een strategie geschetst om te komen tot bijna-energieneutrale gebouwen, zowel bij nieuwbouw als transformatie van bestaande gebouwen. Het grote verschil tussen EPC en BENG is dat bij deze nieuwe eis energiebesparing belangrijker is dan energieopwekking. Waar bij de EPC-eis het nog mogelijk was om energieverliezen met bijvoorbeeld zonnepanelen te compenseren, kan dit met de nieuwe BENG eisen niet meer. Vergunningaanvragen die na 1 januari 2021 worden ingediend moeten voldoen aan deze BENG-norm. 4.11.2 Onderzoek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt in ieder geval voldaan aan de wettelijke normen en vereisten. Zo wordt de nieuwe bebouwing gasloos en tenminste als bijna energieneutrale gebouwen (BENG) gerealiseerd. Waar mogelijk wordt aangesloten bij de gestelde duurzaamheidskaders onder meer vanuit gemeentelijk beleid. In het stedenbouwkundig plan is al aandacht besteed aan verschillende duurzaamheidsaspecten en -maatregelen. In de uitwerking van de bouwplannen en inrichting van de openbare ruimte worden deze nog nader ingevuld.
Het is in ieder geval de bedoeling om op de daken zonnepanelen te realiseren. 4.11.3 Conclusie Het plan voldoet in ieder geval aan de wettelijke normen en vereisten op het gebied van duurzaamheid, en geeft waar mogelijk invulling aan de verschillende duurzaamheidskaders.
4.12 Mobiliteit 4.12.1 Verkeer Het CROW heeft geen categorie specifiek voor woonzorgvoorzieningen. De meest overeenkomende CROW-categorie met woonzorgvoorzieningen is de categorie ‘verpleeg- en verzorgingstehuis’. Door een beperkte aanwezigheid van data en veel variatie kan de daadwerkelijke vraag naar parkeerplekken en de verkeersgeneratie sterk variëren en raadt het CROW maatwerk aan. Daarom is een inschatting gemaakt op basis van ervaring in andere zorgparken en de huidige verkeersafwikkeling bij de Thushoeve in de huidige vorm. De verkeersgeneratie is inzichtelijk gemaakt in tabel 4.4.
Tabel 4.4 Verdeling toekomstige verkeersbewegingen Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
40 Voor wat betreft de ontsluiting van de winkel en de dagbesteding zorgt de ontwikkeling voor maximaal 55 verkeersbewegingen per dag. De winkel en de dagbesteding zijn op dit moment al aanwezig. Voor wat betreft de ontsluiting van de woningen van de Thushoeve wordt een maximale toename van de verkeersgeneratie van 20 verkeersbewegingen per dag verwacht. Ook dit is geen significante toevoeging aan het verkeer over de omliggende wegen. De de verkeersafwikkeling van de Thushoeve zal geheel plaatsvinden via een vierde aantakking op de rotonde Methen-Ringbaan Zuid. Ook de huidige toegang aan de Methen wordt na realisering van de nieuwe zorgwoningen opgeheven. Wel dient voor calamiteiten een alternatieve route aanwezig te zijn voor hulpdiensten. Hiertoe is in het plan een berijdbaar pad opgenomen dat aansluit op Hoevestaat. Normaliter is dit pad afgesloten voor autoverkeer middels een door hulpdiensten uitneembaar paaltje. 4.12.2 Parkeren Voor de te hanteren parkeernormen wordt aangesloten bij de parkeerkencijfers van Nationaal kenniscentrum voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte (CROW: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, publicatie 317, oktober 2012). Voor Zevenaar geldt dat het een gemeente is die matig stedelijk is. Het plangebied bevindt zich in het buitengebied.
Voor de zorgwoningen (20 plaatsen in groepsverband) kan worden gerekend met de CROW-categorie ‘Verpleeg- of verzorgingstehuis’. Deze parkeernorm bedraagt 0,6 per wooneenheid, wat resulteert in 12 benodigde parkeerplaatsen. Voor de dagbesteding wordt gerekend met 3 parkeerplaatsen per 100 m2, wat resulteert in 15 benodigde parkeerplaatsen. In totaal zijn er dus 27 parkeerplaatsen benodigd. In het plan zullen op twee verschillende plekken parkeerplaatsen worden aangelegd (zie afbeelding 2.3). In totaal voorziet het plan in 28 parkeerplaatsen. Om gevaarlijke situaties te voorkomen zal er daarnaast op eigen terrein een oplossing worden gerealiseerd zodat busjes die mensen of goederen komen halen en brengen zonder achteruit te hoeven steken. 4.12.3 Conclusie Het aspect mobiliteit leidt niet tot belemmeringen voor het bestemmingsplan.
4.13 Overige aspecten Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen, hoogspanningsverbindingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. 4.13.1 Kabels en leidingen In bestemmingsplannen worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Het gaat dan altijd om de hoofdtransportstructuur. In voorliggend plangebied zijn geen relevante kabels en leidingen gelegen. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor voorliggende ontwikkeling.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
41
5. Uitvoerbaarheid 5.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure- en planschadeovereenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. De initiatiefnemer zal geheel voor eigen rekening en risico overgaan tot de ontwikkeling en realisatie van het plan.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Voorbereidingsfase bestemmingsplan Conform artikel 3.1.1 van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeentes en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is een concept van het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan de betrokken overlegpartners. Waar nodig is het plan naar aanleiding van de reacties aangepast. 5.2.2 Ontwerpfase bestemmingsplan Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. Het ontwerpbestemmingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen, van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024. Een ieder is in de gelegenheid gesteld om een zienswijze kenbaar te maken op het ontwerpbestemmingsplan. Binnen de gestelde termijn hebben vijf partijen zienswijzen ingediend op het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijzen zijn in een zienswijzennota samengevat en voorzien van een reactie. Deze zienswijzennota is opgenomen als bijlage 12 bij deze toelichting.
De belangrijkste wijziging naar aanleiding van de zienswijzen is dat de ontsluiting van de Thushoeve (zowel voor het wonen als voor de dagbesteding), in afwijking van het ontwerpbestemmingsplan, zal plaatsvinden vinden via een extra aantakking op de rotonde Methen – Ringbaan Zuid. Ook zijn in de regels enkele kleine wijzigingen doorgevoerd. Een overzicht van de wijzigingen is opgenomen in bijlage 10. 5.2.3 Vaststellingsfase bestemmingsplan Na de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en de beantwoording van de zienswijzen neemt de gemeenteraad een besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
42
Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.
5.3
Handhavingsaspecten
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.
Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling De regels die voor het plangebied opgesteld worden zijn flexibel en ruim waar mogelijk en zijn star en strak gesteld waar nodig. Bij de opzet van deze beheersregels is een ruimtelijke motivering opgenomen in de toelichting (zie hoofdstuk 2) die in de dagelijkse praktijk goed is uit te leggen. In deze motivering wordt ook ingegaan op de mogelijkheden om alsnog af te wijken van dit plan na een ruimtelijk-juridisch afwegingsproces. Zo wordt recht gedaan aan de praktijk dat een bestemmingsplan een momentopname is.
De mogelijkheden voor een goede handhaafbaarheid van dit bestemmingsplan zijn daarmee gewaarborgd.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Toelichting Vaststelling
Gemeente Zevenaar
Bestemmingsplan “Thushoeve” Vaststelling
622.162.30 KUIPERCOMPAGNONS Datum: December 2025
GEMEENTE ZEVENAAR
Bestemmingsplan “Thushoeve”
TOELICHTING, REGELS, VERBEELDING
werknummer 622.162.30 datum December 2025 bestand J:\622\162\30\3.projectresultaat
Procedureoverzicht Fase
Datum
Concept
Augustus 2023
Ontwerp
December 2023
Vaststelling
Februari 2026
REGELS
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
INLEIDENDE REGELS Begrippen Wijze van meten
2 2 8
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4
BESTEMMINGSREGELS Maatschappelijk Waarde - Archeologie lage verwachting
10 10 12
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
13 13 14 15 16 18
Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht Slotregel
20 20 21
2
oofdstuk 1 Artikel 1 1.1
INLEIDENDE REGELS
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan 'Thushoeve' met identificatienummer NL.IMRO.0299.BP00METHEN8-VA01 van de gemeente Zevenaar; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
agrarisch medegebruik:
agrarisch gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit agrarisch gebruik is toegestaan; 1.6
achtererfgebied:
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw; 1.7
antennedrager:
antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne; 1.8
antenne-installatie:
installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie; 1.9
archeologisch onderzoek:
diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; 1.10
archeologische verwachting:
de aan een gebied toegekende verwachting in verband met de kans op het voorkomen van archeologische resten; 1.11
archeologische waarde:
de waarde die een gebied bezit op grond van de aldaar aanwezige archeologische resten; 1.12
bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
3
1.13
bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, verhandelen, installeren en/of herstellen van goederen; 1.14
bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale oppervlakte bedrijfsruimte die voor de bedrijfsuitoefening nodig is, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.15
begane grondvloer:
de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau. 1.16
bestaande bebouwing:
bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; 1.17
bestaande situatie:
a. t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning; b. t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip waarop het bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen; 1.18
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak; 1.19
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.20
bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.21
bijzondere woonvorm:
een complex van ruimten bedoeld voor de huisvesting van één of meer huishoudens door hulpbehoevenden op het fysieke, psychische en/of sociale vlak eventueel met extra zorg en/of begeleiding, met bijbehorende voorzieningen, zoals een gemeenschappelijke ruimte en kantoor. 1.22
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.23
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.24
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd; Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
4
1.25
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.26
bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel; 1.27
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.28
bouwwerk:
constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart; 1.29
dak:
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.30
dakkapel:
een uitspringend gedeelte op een hellend dak waarin een raamkozijn is opgenomen en die voorzien is van zijwanden; 1.31
daknok:
hoogste punt van een schuin dak; 1.32
dakvoet:
het laagste punt van een schuin dak; 1.33
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- /bedrijfsactiviteiten; 1.34
eerste bouwlaag:
de onderste bouwlaag, waarvan de vloer boven maaiveld is gelegen; 1.35
erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.36
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
5
1.37
gestapelde bebouwing:
bebouwing bestaande uit zich in één gebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten; 1.38
hoofdfunctie:
een functie waarvoor het gebouw hoofdzakelijk mag worden gebruikt; 1.39
hoofdgebouw:
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.40
horeca categorie 1
een horecabedrijf waarvan de exploitatie doorgaans geen overlast voor het leefklimaat veroorzaakt en dat voornamelijk is gericht op het hoofdzakelijk overdag en 's avonds verstrekken van niet of licht alcoholhoudende dranken en/of eenvoudige maaltijden en/of etenswaren ter plaatse zoals een broodjeszaak/lunchroom, ijssalon, koffiehuis of een naar de aard, openingstijden en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf. Openingstijden tussen 7.00 en maximaal 19.00 uur. 1.41
huishouden:
één persoon dan wel twee of meer personen, die duurzaam met elkaar samenleven, dan wel twee of meer personen in wisselende samenstelling die gebruik maken van gezamenlijke voorzieningen; 1.42
hulpbehoevend:
(een deel van) het dagelijks leven afhankelijk zijn van de zorg door iemand anders; 1.43
inrit:
een weg die van de straat naar een gebouw, een parkeerterrein en dergelijke voert; 1.44
kap:
een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden; 1.45
kunstobject:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met artistieke waarde; 1.46
kunstwerk:
civieltechnisch bouwwerk; 1.47
langzaam verkeer:
niet-motorvoertuigen (bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen), fietsers, voetgangers, en geleiders/berijders van een dier en motorvoertuigen met een snelheidsbeperking zoals landbouwvoertuigen;
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
6
1.48
ondergeschikte detailhandel:
beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van goederen vanuit een bedrijf, waarbij het gaat om detailhandel dat niet zelfstandig functioneert, maar als een ondergeschikte aanvulling en ondersteuning van de bedrijfsfunctie dient; 1.49
ondergeschikte horeca:
horeca die ondergeschikt en gerelateerd is aan een andere, nader in de planregels omschreven hoofdfunctie en tot doel heeft het verstrekken van kleine etenswaren en niet- of zwak-alcoholische dranken. 1.50
onzelfstandige verblijfseenheid:
verblijfsruimte welke niet door één persoon of één huishouden kan worden bewoond, zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, welke voorzieningen gedeeld worden met anderen; 1.51
openbaar toegankelijk gebied:
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer; 1.52
overig bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct of indirect en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.53
overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak; 1.54
maatschappelijke voorzieningen:
culturele, medische, educatieve, sociale en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening (met uitzondering van een ziekenhuis), woonzorgvoorzieningen, zorgwoningen en dagopvang; 1.55
nevenactiviteit:
een activiteit die in ruimtelijke en/of functionele zin ondergeschikt is aan en voortvloeit uit de hoofdfunctie; 1.56
pand:
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is; 1.57
parkeergelegenheid
een gebouwde of ongebouwde voorziening die geschikt is om één of meer motorvoertuigen te parkeren, voor privé en/of gemeenschappelijk gebruik, zoals parkeerterreinen, parkeergarages en garageboxen;
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
7
1.58
straatmeubilair:
objecten die in de openbare ruimte staan en die niet tot de weg zelf behoren, zoals banken, lantaarnpalen, abri's, vuilnisbakken en verkeersborden; 1.59
uitrit:
een weg die van een gebouw, een parkeerterrein en dergelijke naar de straat voert; 1.60
vloeroppervlakte:
de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen op de begane grond; 1.61
voorerfgebied:
erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.62
voorgevellijn:
de lijn waarin de voorgevel van het gebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan; 1.63
voorgevelrooilijn:
a. ter plaatse van de aanduiding ‘gevellijn’: de ter plaatse aangeduide grens van het bouwvlak; b. overige situaties: de grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd; 1.64
water:
water zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen; 1.65
waterhuishoudkundige voorzieningen:
voorzieningen, die het waterhuishoudkundige belang dienen, zoals watergangen, waterlopen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop; 1.66
woning:
een (complex van) ruimte(n), geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden. 1.67
wooneenheid:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten. 1.68
woonzorg-voorziening:
bebouwing bestaande uit verblijven in combinatie met maatschappelijke voorzieningen en ondersteunende woonzorgfuncties in hoofdzaak ten behoeve van de bewoners van deze woningen zoals voorzieningen en functies in het kader van de gezondheidszorg, ontmoeten, kleinschalige detailhandel en (publiekverzorgende) dienstverlening. 1.69
zorgwoning:
een gebouw voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijke en/of lichamelijke verzorging nodig hebben.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
8
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
de kortste afstand tussen de (zijdelingse) perceelsgrens en enig punt van een bouwwerk. 2.2
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4
de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer dan wel -indien aanwezig- van de kelder of souterrainvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6
de breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren, met dien verstande dat indien een gevelvlak niet evenwijdig loopt dan wel verspringt, het gemiddelde geldt van de kleinste en grootste breedte, diepte c.q. lengte; 2.7
het bebouwingspercentage:
het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de bestemming daarvan, of binnen een in de planregels nader aan te duiden gedeelte van die bestemming; 2.8
de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.9
het peil:
a. voor een gebouw: de hoogte van de vloer bij de entree van de woning (begane grond) en/of trappenhuis; b. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte bouwterrein; c. vanaf het waterpeil tot het hoogste punt van het bouwwerk.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
9
2.10
de vloeroppervlakte van een gebouw (binnenwerks):
de som van alle tot het gebouw behorende binnenruimten, gemeten op vloerniveau tussen de begrensde opgaande scheidingsconstructie van de afzonderlijke daartoe behorende ruimte(n), inclusief onderbouw en zolderruimte. De oppervlakte van een trapgat, een liftschacht en een toegankelijke leidingschacht moet op elke bouwlaag tot de vloeroppervlakte van een gebouw worden gerekend; 2.11
ondergeschikte bouwdelen:
bij toepassing van het in dit artikel bepaalde worden ondergeschikte bouwonderdelen, zijnde: a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, antennes, luchtkokers, liftschachten, technische ruimten op het dak, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken met betrekking tot de goot- en bouwhoogte, oppervlakten en bouwgrenzen buiten beschouwing gelaten, met dien verstande dat de overschrijding van een overstekend dak niet meer mag bedragen dan 1 m en met dien verstande dat niet meer dan 50% van het totale dakvlak gebruikt mag worden voor ondergeschikte bouwdelen (met uitzondering van zonnepanelen: deze mogen het dakvlak voor 100% beslaan); b. dakkapellen met betrekking tot de goothoogte buiten beschouwing gelaten mits de breedte van de dakkapel niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van het dakvlak en de onderzijde van de dakkapel op minimaal 0,50 m van de dakvoet word gebouwd; c. reclame- en uithangborden, mits de breedte van het reclame- en/of uithangbord niet meer bedraagt dan 1 m, de hoogte niet meer bedraagt dan 0,2 m en de oppervlakte niet meer bedraagt dan 0,5 m2.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
10
Hoofdstuk 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 3.1
Maatschappelijk
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. onzelfstandige verblijfseenheden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - verblijfsruimte'; c. dagbesteding, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk dagbesteding'; d. ondergeschikte detailhandel; e. ondergeschikte horeca; f. agrarisch medegebruik; g. het hobbymatig houden van dieren; h. bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen, waaronder wegen en paden, parkeervoorzieningen, dierenverblijven, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en waterberging, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, tuinen en erven. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
a. Op of in de in artikel 3.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd; b. hoofdgebouwen, inclusief overkappingen, mogen uitsluitend binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken worden gebouwd; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 meter; d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 8 meter. 3.2.2
Bijbehorende bouwwerken
a. de maximale toegestane oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken bedraagt 200 m2; b. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen; c. de bouwhoogte mag maximaal 6 m bedragen. 3.2.3
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor bouwwerken geen gebouw zijnde (niet zijnde overkappingen) gelden de volgende regels: a. b. c. d. 3.3
bouwhoogte erfafscheiding voor de voorgevel maximaal 1 m; bouwhoogte erfafscheiding achter de voorgevel maximaal 2 m; bouwhoogte palen en (vlaggen)masten, maximaal 6 m; bouwhoogte overige bouwwerken (geen gebouw zijnde) maximaal 3 m. Gebruiksregels
a. Het gebruik van gronden en gebouwen voor ondergeschikte detailhandel is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. oppervlakte maximaal 25% van de bebouwing, met een maximum van 50 m2, waarbij de gezamenlijke oppervlakte van de ondergeschikte detailhandel en ondergeschikte horeca niet meer bedraagt dan 25% van de bebouwing; 2. uitsluitend detailhandel in ter plaatse geproduceerde producten. b. Het gebruik van gronden en gebouwen voor ondergeschikte horeca is toegestaan onder de Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
11
volgende voorwaarden: 1. oppervlakte maximaal 25% van de bebouwing, met een maximum van 50 m2, waarbij de gezamenlijke oppervlakte van de ondergeschikte horeca en ondergeschikte detailhandel niet meer bedraagt dan 25% van de bebouwing; 2. uitsluitend horeca categorie 1; 3. oppervlakte terrasvoorziening maximaal 50 m2, met dien verstande dat de afstand van een woning van derden minimaal 30 m bedraagt; 4. verhuur tijdens of buiten openingstijden voor al dan niet besloten feesten en partijen is niet toegestaan.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
12
Artikel 4 4.1
Waarde - Archeologie lage verwachting
Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie lage verwachting aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de verwachte archeologische waarden. 4.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 4.2.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken of werkzaamheden uit te voeren: a. bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 0,5 m. 4.2.2
Onderbouwing van de aanvraag
Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waaruit, naar oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate blijkt dat de uitvoering van de werken of werkzaamheden, dan wel de directe of indirecte te verwachten gevolgen hiervan, niet zullen leiden tot een onaanvaardbare verstoring van archeologisch materiaal, dan wel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd. 4.2.3
Toelaatbaarheid
De onder lid 4.2.1 bedoelde vergunning wordt slechts geweigerd in de volgende gevallen: a. uitvoering van bedoelde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, leiden tot een onevenredige verstoring van archeologisch materiaal; b. door het stellen van voorwaarden kunnen te beschermen waarden onvoldoende geborgd worden; c. andere regels uit het plan zich hier tegen verzetten.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
13
Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
14
Artikel 6
Algemene bouwregels
6.1
Externe veiligheid
6.1.1
Voorwaardelijke verplichting externe veiligheid
Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor hoofdgebouwen, mag pas worden verleend indien in voldoende mate is aangetoond dat het hoofdgebouw wordt voorzien van: a. afsluitbare mechanische ventilatie, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen bij calamiteiten; en b. scherfwerende beglazing. 6.1.2
Nadere eisen
Burgemeesters en wethouders kunnen vanuit het oogpunt van externe veiligheid, ter waarborging van de zelfredzaamheid van personen en het bestrijden van de gevolgen van een calamiteit, voor zover dit niet elders in dit plan is vastgelegd, nadere eisen stellen aan: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
de brandwerendheid en explosiebestendigheid van constructies en gevels; de brand- en rookontwikkeling van materialen; de luchtdichtheid van constructies en gevels; de afsluitbaarheid van ventilatiesystemen; de oppervlakte, explosiebestendigheid en het splinterwerend uitvoeren van glas en/of beglazing; de bereikbaarheid voor hulpverleningsdiensten; het hebben van voldoende van de risicobron afgerichte vluchtmogelijkheden; de ontruimingstijd van bouwwerken; risico-communicatie richting aanwezigen.
Bestemmingsplan ‘Thushoeve’, Zevenaar Regels Vaststelling
15
Artikel 7 7.1
Algemene gebruiksregels
Gebruiksverbod
Het is verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven en/of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan deze gronden gegeven bestemming en met het in of krachtens het plan ten aanzien van het gebruik van deze gronden en bouwwerken bepaalde. 7.2
Vormen van verboden gebruik
Tot strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend: a. b. c. d. e. f. g.
een seksinrichting; Bevi-inrichtingen; detailhandel; sporten die veel omgevingslawaai tot gevolg hebben, zoals (model)vliegsport en motorcross; (permanente) opslag of stalling van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn; een stand- of ligplaats van onderkomens; opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, dan wel onderdelen daarvan, en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten; h. opslag van bagger en grondspecie, tenzij zulks plaatsvindt langs een waterloop in verband met het onderhoud van de waterloop ingevolge een wettelijke onderhoudsplicht; i. opslag van verpakkingsmaterialen, al dan niet voor hun gebruik geschikte werktuigen en machines dan wel onderdelen daarvan, bouwmaterialen, producten, afval en brandstoffen; j. bijgebouwen, bedrijfsgebouwen en kassen voor bewoning of recreatief verblijf; k. beproeven van voertuigen, de beoefening van de motorsport en de modelsport, het houden van wedstrijden met motorrijtuigen of bromfietsen, het racen of crossen met motorvoertuigen, bromfietsen en fietsen; l. het gebruik van een bedrijfswoning als burgerwoning, zijnde bewoning door een persoon die niet met het ter plaatse gevestigde bedrijf is verbonden en wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is; m.